Walcheren

WalcherenRoem vrij, o Holland! op uw schatten,Noem u de kroon van Neerlands macht,En blijf het rijk tresoor bevattenVan ’t geen de kunst heeft voortgebracht;Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,Verhef u vrij op al uw schoon,En sprei uw heuvlen en uw dalenVoor ’t opgetogen oog ten toon;Maar laat geen trotschheid u verleiden,Als hieldt ge alleen den staf in hand:Ook elders prijken bosch en weiden,Ook elders vindt ge een lustwarand.Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,En zet uw voet op Walchrens grond,Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond.Wend daar langs kaai en wal uw schreden,En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen:Daar toont verbeelding u ’t verleden,Daar prijken nog der vaadren zeên.En gaat gij dan uit spelemeien,Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond,Dan leert ge er in de gulle reienDe waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”!Dan klimt gij op de hooge duinen,De vesting, die het land omzoomt,En schouwt met wellust van hun kruinenHet welig groen en dicht geboomt.Dan zegt gij: heerlijke landouwen,Ook gij, bekoorlijk lustwarand,Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,Ook gij zijt Neêrlands diamant.P. Bosscha.1839.’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwenEn heeft bewondrend gestaard op uw kust.S. J. v. Den Berg.Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren “een aardsch paradijs”; in den mond van velen is het “de tuin van Zeeland”, en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van “een fraaie bloem op een schaal van zilver”.Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18eeeuw herinnerd als op Walcheren. “Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneermen die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen—dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18eeeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: “’t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747”, aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee;De zwoele nachtwind zendt die zoete klankenTerug naar ’t hooge helm, dat met de rankenDer wilde winden fluistert van de zee.Het licht der kusten flikkert langs de zee,Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken,Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.De roode maan rijst boven donkre kruinen,De starren fonklen boven donkre duinen,Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister,En Zeus keert lichtend naar der goden hal,Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,zong Louise v. Nagel.Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien, dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op eenhooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover, nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren een ander karakter.Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn, niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op, dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee, vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek, waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners van schier alleeilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van het Hollandsche overgeplant.Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen, dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een landhuis aan met het opschrift: “I am fond of a country life” en op een ander: “This plan is my quite satisfaction”, herinneringen aan ’t verblijf der Engelschen in ’t begin der 19eeeuw op dit eiland. Een hofstede bij Nieuwland heette: “Nihil sine labore”, d. i. Niets zonder arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: “Macte animo”, d. i. Houd moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: “De gustibus non est disputandum”, d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de woorden: “Fiat voluntas Dei”, d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en opschriften als: “Bon repos”, “Favorite”, “l’Espérance”, “La maison de haute montagne”, kon men hier vinden in het vlakke land. Maar die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland, zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een eigen geaardheid doen ontstaan.De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis, zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred; luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk, en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest gevierd wordt, is het op “den dag des Heeren” in de Walcherensche dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte zeker goedaardig.In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderdbeeld aan van den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij, kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun “joyeuse entrée” deden bij de aanvaarding van het bewind en andere plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering, afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen uit de XVeeeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede een type der riddertijden.Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over ’t geheel meer geneigd zijn tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig, dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.Het ronde hoedje (zie 9 dergekleurde plaat) was voor den Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden, kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle, Arnemuiden en van Nieuw- enSt. Joosland. Te Middelburg op de markt ziet men deze niet zelden alle door elkander.Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert, evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd, terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een “strijklint” of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts te voorschijn.De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat menzevan achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte, vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts heet “langetmuts,” genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd omsluit. Wiegetrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel bij buitengewone feesten.Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit, komt de laatste goed uit.De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland “keuzen” noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs, dat “zij er goed in zit” (welvarend is).De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen, dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt, evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland, dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen, enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder Frederiks en Dr. De Man.)Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar, omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest, leefde tot vóór enkele jaren in den “Meiavond”. Dan haalden de jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd, toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was, bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen van ons vaderland?Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van kent. Twee keer in ’t jaar wordt die dag door de landlieden gevierd, op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op “Liisjesdag” gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad, om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag.252) viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie pag.243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den zaadvloer. Daar wordt de bodem eenweinig vlak gemaakt en het zware zeil uitgespreid, het zoogenaamde “koolzeil”, dat òf gehuurd wordt, òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in ’t midden wordt het “achterbord” van een wagen geplaatst en daaraan het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer één vaste “overzetter”, die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht dorschers, acht draagsters, één “afsteker” (een jongen van ongeveer 13–15 jaar) en vier “bandenspreeërs”, gewoonlijk kinderen. Vervolgens worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken, moeten de eerste 50 “banden” dorschen, de anderen moeten binden, schikken en wenden of “koekenbakken.”Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil gelegd. De “bandenspreeërs” zorgen, dat er telkens twee “gespreed” worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze hun vracht vervolgens “aanleggen”. Een dermannen schikt dan het zaad met zijn houten “rieve” of hark. De vier dorschers laten in geregelden maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De “koekenbakker” of “wender” keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van den zaadvloer neergezet. De “afsteker” volgt den binder, om zaad en “peulen” met een hark naar het midden van den vloer te schuiven, en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de “peulen” over het achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt zijn, roept de binder den dorschers toe: “A je strooê”? d. i. “Als je stroo hebt”, wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de “jeneverslag” geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal dorschers wordt door een ander viertal vervangen.Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het zaad gedorscht is.Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de 17een 18eeeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook gezongen en gedanst opde dorschdagen. In dien tijd zag men in vele streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude oogstfeesten zoo goed als verdwenen.Middelburg.De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemdwordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12eeeuw een “villa franca” genoemd werd.In het laatst der 16eeeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijkemaatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17een 18eeeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15een 16eeeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt.Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16eeeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt demarkt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening inO.-I.inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17eeeuw.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19eeeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19eeeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16een 17eeeuw spreekt; fraaibeschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in hetNederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoonZijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12enMei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werddeeerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd vanvandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.De Abdij werd in de 18een in de eerste helft der 19eeeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris derKoningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,de deftige zale,Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust vanWalcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19eeeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1enApril 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12eeeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdomder Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.Gouvernementspoort der Abdij te MiddelburgGouvernementspoort der Abdij te MiddelburgDoch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit hetvoormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19eeeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVeeeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18eeeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16eeeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag.258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18eeeuw het voornemen opom de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag.257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:Op aadlaars-borst rust, Middelburg!Uw burg van goud en keel;Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,Gedragen door het luchtig zwerk,Naar ’s werelds verste deel.Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!Uw schild met glans en gloed;Geen arends-oog ontdekte een vlek,Maar arends-klauw en arends-bekWaak’ voor uw goed en bloed.De Keizerskroon, die ’t hoofd versiertUws Arends, schittert schoon;Maar schooner en tot eedler vreugdBlink’ ’t eikenloof der burgerdeugdRondom uw stedekroon.

WalcherenRoem vrij, o Holland! op uw schatten,Noem u de kroon van Neerlands macht,En blijf het rijk tresoor bevattenVan ’t geen de kunst heeft voortgebracht;Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,Verhef u vrij op al uw schoon,En sprei uw heuvlen en uw dalenVoor ’t opgetogen oog ten toon;Maar laat geen trotschheid u verleiden,Als hieldt ge alleen den staf in hand:Ook elders prijken bosch en weiden,Ook elders vindt ge een lustwarand.Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,En zet uw voet op Walchrens grond,Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond.Wend daar langs kaai en wal uw schreden,En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen:Daar toont verbeelding u ’t verleden,Daar prijken nog der vaadren zeên.En gaat gij dan uit spelemeien,Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond,Dan leert ge er in de gulle reienDe waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”!Dan klimt gij op de hooge duinen,De vesting, die het land omzoomt,En schouwt met wellust van hun kruinenHet welig groen en dicht geboomt.Dan zegt gij: heerlijke landouwen,Ook gij, bekoorlijk lustwarand,Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,Ook gij zijt Neêrlands diamant.P. Bosscha.1839.’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwenEn heeft bewondrend gestaard op uw kust.S. J. v. Den Berg.Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren “een aardsch paradijs”; in den mond van velen is het “de tuin van Zeeland”, en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van “een fraaie bloem op een schaal van zilver”.Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18eeeuw herinnerd als op Walcheren. “Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneermen die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen—dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18eeeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: “’t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747”, aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee;De zwoele nachtwind zendt die zoete klankenTerug naar ’t hooge helm, dat met de rankenDer wilde winden fluistert van de zee.Het licht der kusten flikkert langs de zee,Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken,Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.De roode maan rijst boven donkre kruinen,De starren fonklen boven donkre duinen,Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister,En Zeus keert lichtend naar der goden hal,Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,zong Louise v. Nagel.Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien, dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op eenhooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover, nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren een ander karakter.Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn, niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op, dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee, vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek, waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners van schier alleeilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van het Hollandsche overgeplant.Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen, dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een landhuis aan met het opschrift: “I am fond of a country life” en op een ander: “This plan is my quite satisfaction”, herinneringen aan ’t verblijf der Engelschen in ’t begin der 19eeeuw op dit eiland. Een hofstede bij Nieuwland heette: “Nihil sine labore”, d. i. Niets zonder arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: “Macte animo”, d. i. Houd moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: “De gustibus non est disputandum”, d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de woorden: “Fiat voluntas Dei”, d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en opschriften als: “Bon repos”, “Favorite”, “l’Espérance”, “La maison de haute montagne”, kon men hier vinden in het vlakke land. Maar die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland, zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een eigen geaardheid doen ontstaan.De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis, zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred; luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk, en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest gevierd wordt, is het op “den dag des Heeren” in de Walcherensche dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte zeker goedaardig.In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderdbeeld aan van den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij, kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun “joyeuse entrée” deden bij de aanvaarding van het bewind en andere plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering, afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen uit de XVeeeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede een type der riddertijden.Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over ’t geheel meer geneigd zijn tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig, dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.Het ronde hoedje (zie 9 dergekleurde plaat) was voor den Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden, kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle, Arnemuiden en van Nieuw- enSt. Joosland. Te Middelburg op de markt ziet men deze niet zelden alle door elkander.Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert, evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd, terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een “strijklint” of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts te voorschijn.De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat menzevan achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte, vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts heet “langetmuts,” genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd omsluit. Wiegetrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel bij buitengewone feesten.Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit, komt de laatste goed uit.De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland “keuzen” noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs, dat “zij er goed in zit” (welvarend is).De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen, dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt, evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland, dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen, enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder Frederiks en Dr. De Man.)Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar, omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest, leefde tot vóór enkele jaren in den “Meiavond”. Dan haalden de jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd, toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was, bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen van ons vaderland?Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van kent. Twee keer in ’t jaar wordt die dag door de landlieden gevierd, op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op “Liisjesdag” gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad, om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag.252) viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie pag.243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den zaadvloer. Daar wordt de bodem eenweinig vlak gemaakt en het zware zeil uitgespreid, het zoogenaamde “koolzeil”, dat òf gehuurd wordt, òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in ’t midden wordt het “achterbord” van een wagen geplaatst en daaraan het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer één vaste “overzetter”, die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht dorschers, acht draagsters, één “afsteker” (een jongen van ongeveer 13–15 jaar) en vier “bandenspreeërs”, gewoonlijk kinderen. Vervolgens worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken, moeten de eerste 50 “banden” dorschen, de anderen moeten binden, schikken en wenden of “koekenbakken.”Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil gelegd. De “bandenspreeërs” zorgen, dat er telkens twee “gespreed” worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze hun vracht vervolgens “aanleggen”. Een dermannen schikt dan het zaad met zijn houten “rieve” of hark. De vier dorschers laten in geregelden maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De “koekenbakker” of “wender” keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van den zaadvloer neergezet. De “afsteker” volgt den binder, om zaad en “peulen” met een hark naar het midden van den vloer te schuiven, en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de “peulen” over het achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt zijn, roept de binder den dorschers toe: “A je strooê”? d. i. “Als je stroo hebt”, wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de “jeneverslag” geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal dorschers wordt door een ander viertal vervangen.Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het zaad gedorscht is.Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de 17een 18eeeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook gezongen en gedanst opde dorschdagen. In dien tijd zag men in vele streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude oogstfeesten zoo goed als verdwenen.Middelburg.De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemdwordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12eeeuw een “villa franca” genoemd werd.In het laatst der 16eeeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijkemaatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17een 18eeeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15een 16eeeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt.Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16eeeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt demarkt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening inO.-I.inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17eeeuw.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19eeeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19eeeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16een 17eeeuw spreekt; fraaibeschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in hetNederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoonZijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12enMei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werddeeerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd vanvandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.De Abdij werd in de 18een in de eerste helft der 19eeeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris derKoningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,de deftige zale,Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust vanWalcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19eeeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1enApril 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12eeeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdomder Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.Gouvernementspoort der Abdij te MiddelburgGouvernementspoort der Abdij te MiddelburgDoch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit hetvoormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19eeeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVeeeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18eeeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16eeeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag.258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18eeeuw het voornemen opom de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag.257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:Op aadlaars-borst rust, Middelburg!Uw burg van goud en keel;Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,Gedragen door het luchtig zwerk,Naar ’s werelds verste deel.Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!Uw schild met glans en gloed;Geen arends-oog ontdekte een vlek,Maar arends-klauw en arends-bekWaak’ voor uw goed en bloed.De Keizerskroon, die ’t hoofd versiertUws Arends, schittert schoon;Maar schooner en tot eedler vreugdBlink’ ’t eikenloof der burgerdeugdRondom uw stedekroon.

WalcherenRoem vrij, o Holland! op uw schatten,Noem u de kroon van Neerlands macht,En blijf het rijk tresoor bevattenVan ’t geen de kunst heeft voortgebracht;Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,Verhef u vrij op al uw schoon,En sprei uw heuvlen en uw dalenVoor ’t opgetogen oog ten toon;Maar laat geen trotschheid u verleiden,Als hieldt ge alleen den staf in hand:Ook elders prijken bosch en weiden,Ook elders vindt ge een lustwarand.Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,En zet uw voet op Walchrens grond,Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond.Wend daar langs kaai en wal uw schreden,En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen:Daar toont verbeelding u ’t verleden,Daar prijken nog der vaadren zeên.En gaat gij dan uit spelemeien,Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond,Dan leert ge er in de gulle reienDe waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”!Dan klimt gij op de hooge duinen,De vesting, die het land omzoomt,En schouwt met wellust van hun kruinenHet welig groen en dicht geboomt.Dan zegt gij: heerlijke landouwen,Ook gij, bekoorlijk lustwarand,Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,Ook gij zijt Neêrlands diamant.P. Bosscha.1839.’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwenEn heeft bewondrend gestaard op uw kust.S. J. v. Den Berg.Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren “een aardsch paradijs”; in den mond van velen is het “de tuin van Zeeland”, en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van “een fraaie bloem op een schaal van zilver”.Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18eeeuw herinnerd als op Walcheren. “Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneermen die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen—dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18eeeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: “’t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747”, aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee;De zwoele nachtwind zendt die zoete klankenTerug naar ’t hooge helm, dat met de rankenDer wilde winden fluistert van de zee.Het licht der kusten flikkert langs de zee,Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken,Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.De roode maan rijst boven donkre kruinen,De starren fonklen boven donkre duinen,Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister,En Zeus keert lichtend naar der goden hal,Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,zong Louise v. Nagel.Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien, dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op eenhooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover, nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren een ander karakter.Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn, niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op, dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee, vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek, waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners van schier alleeilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van het Hollandsche overgeplant.Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen, dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een landhuis aan met het opschrift: “I am fond of a country life” en op een ander: “This plan is my quite satisfaction”, herinneringen aan ’t verblijf der Engelschen in ’t begin der 19eeeuw op dit eiland. Een hofstede bij Nieuwland heette: “Nihil sine labore”, d. i. Niets zonder arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: “Macte animo”, d. i. Houd moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: “De gustibus non est disputandum”, d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de woorden: “Fiat voluntas Dei”, d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en opschriften als: “Bon repos”, “Favorite”, “l’Espérance”, “La maison de haute montagne”, kon men hier vinden in het vlakke land. Maar die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland, zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een eigen geaardheid doen ontstaan.De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis, zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred; luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk, en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest gevierd wordt, is het op “den dag des Heeren” in de Walcherensche dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte zeker goedaardig.In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderdbeeld aan van den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij, kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun “joyeuse entrée” deden bij de aanvaarding van het bewind en andere plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering, afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen uit de XVeeeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede een type der riddertijden.Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over ’t geheel meer geneigd zijn tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig, dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.Het ronde hoedje (zie 9 dergekleurde plaat) was voor den Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden, kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle, Arnemuiden en van Nieuw- enSt. Joosland. Te Middelburg op de markt ziet men deze niet zelden alle door elkander.Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert, evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd, terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een “strijklint” of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts te voorschijn.De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat menzevan achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte, vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts heet “langetmuts,” genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd omsluit. Wiegetrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel bij buitengewone feesten.Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit, komt de laatste goed uit.De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland “keuzen” noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs, dat “zij er goed in zit” (welvarend is).De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen, dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt, evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland, dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen, enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder Frederiks en Dr. De Man.)Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar, omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest, leefde tot vóór enkele jaren in den “Meiavond”. Dan haalden de jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd, toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was, bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen van ons vaderland?Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van kent. Twee keer in ’t jaar wordt die dag door de landlieden gevierd, op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op “Liisjesdag” gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad, om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag.252) viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie pag.243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den zaadvloer. Daar wordt de bodem eenweinig vlak gemaakt en het zware zeil uitgespreid, het zoogenaamde “koolzeil”, dat òf gehuurd wordt, òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in ’t midden wordt het “achterbord” van een wagen geplaatst en daaraan het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer één vaste “overzetter”, die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht dorschers, acht draagsters, één “afsteker” (een jongen van ongeveer 13–15 jaar) en vier “bandenspreeërs”, gewoonlijk kinderen. Vervolgens worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken, moeten de eerste 50 “banden” dorschen, de anderen moeten binden, schikken en wenden of “koekenbakken.”Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil gelegd. De “bandenspreeërs” zorgen, dat er telkens twee “gespreed” worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze hun vracht vervolgens “aanleggen”. Een dermannen schikt dan het zaad met zijn houten “rieve” of hark. De vier dorschers laten in geregelden maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De “koekenbakker” of “wender” keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van den zaadvloer neergezet. De “afsteker” volgt den binder, om zaad en “peulen” met een hark naar het midden van den vloer te schuiven, en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de “peulen” over het achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt zijn, roept de binder den dorschers toe: “A je strooê”? d. i. “Als je stroo hebt”, wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de “jeneverslag” geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal dorschers wordt door een ander viertal vervangen.Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het zaad gedorscht is.Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de 17een 18eeeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook gezongen en gedanst opde dorschdagen. In dien tijd zag men in vele streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude oogstfeesten zoo goed als verdwenen.Middelburg.De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemdwordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12eeeuw een “villa franca” genoemd werd.In het laatst der 16eeeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijkemaatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17een 18eeeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15een 16eeeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt.Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16eeeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt demarkt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening inO.-I.inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17eeeuw.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19eeeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19eeeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16een 17eeeuw spreekt; fraaibeschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in hetNederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoonZijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12enMei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werddeeerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd vanvandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.De Abdij werd in de 18een in de eerste helft der 19eeeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris derKoningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,de deftige zale,Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust vanWalcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19eeeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1enApril 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12eeeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdomder Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.Gouvernementspoort der Abdij te MiddelburgGouvernementspoort der Abdij te MiddelburgDoch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit hetvoormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19eeeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVeeeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18eeeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16eeeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag.258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18eeeuw het voornemen opom de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag.257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:Op aadlaars-borst rust, Middelburg!Uw burg van goud en keel;Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,Gedragen door het luchtig zwerk,Naar ’s werelds verste deel.Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!Uw schild met glans en gloed;Geen arends-oog ontdekte een vlek,Maar arends-klauw en arends-bekWaak’ voor uw goed en bloed.De Keizerskroon, die ’t hoofd versiertUws Arends, schittert schoon;Maar schooner en tot eedler vreugdBlink’ ’t eikenloof der burgerdeugdRondom uw stedekroon.

Roem vrij, o Holland! op uw schatten,Noem u de kroon van Neerlands macht,En blijf het rijk tresoor bevattenVan ’t geen de kunst heeft voortgebracht;Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,Verhef u vrij op al uw schoon,En sprei uw heuvlen en uw dalenVoor ’t opgetogen oog ten toon;Maar laat geen trotschheid u verleiden,Als hieldt ge alleen den staf in hand:Ook elders prijken bosch en weiden,Ook elders vindt ge een lustwarand.Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,En zet uw voet op Walchrens grond,Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond.Wend daar langs kaai en wal uw schreden,En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen:Daar toont verbeelding u ’t verleden,Daar prijken nog der vaadren zeên.En gaat gij dan uit spelemeien,Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond,Dan leert ge er in de gulle reienDe waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”!Dan klimt gij op de hooge duinen,De vesting, die het land omzoomt,En schouwt met wellust van hun kruinenHet welig groen en dicht geboomt.Dan zegt gij: heerlijke landouwen,Ook gij, bekoorlijk lustwarand,Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,Ook gij zijt Neêrlands diamant.

Roem vrij, o Holland! op uw schatten,

Noem u de kroon van Neerlands macht,

En blijf het rijk tresoor bevatten

Van ’t geen de kunst heeft voortgebracht;

Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,

Verhef u vrij op al uw schoon,

En sprei uw heuvlen en uw dalen

Voor ’t opgetogen oog ten toon;

Maar laat geen trotschheid u verleiden,

Als hieldt ge alleen den staf in hand:

Ook elders prijken bosch en weiden,

Ook elders vindt ge een lustwarand.

Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,

En zet uw voet op Walchrens grond,

Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,

Die pal voor Spanje’s heerschzucht stond.

Wend daar langs kaai en wal uw schreden,

En richt uw blik naar ’t Raadhuis heen:

Daar toont verbeelding u ’t verleden,

Daar prijken nog der vaadren zeên.

En gaat gij dan uit spelemeien,

Waar ’t voorgeslacht reeds vreugd in vond,

Dan leert ge er in de gulle reien

De waarheid van ’t “goed Zeeuwsch, goed rond”!

Dan klimt gij op de hooge duinen,

De vesting, die het land omzoomt,

En schouwt met wellust van hun kruinen

Het welig groen en dicht geboomt.

Dan zegt gij: heerlijke landouwen,

Ook gij, bekoorlijk lustwarand,

Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,

Ook gij zijt Neêrlands diamant.

P. Bosscha.1839.

’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwenEn heeft bewondrend gestaard op uw kust.

’k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,

’k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;

’t Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwen

En heeft bewondrend gestaard op uw kust.

S. J. v. Den Berg.

Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk Napoleon noemde Walcheren “een aardsch paradijs”; in den mond van velen is het “de tuin van Zeeland”, en wegens zijn vierkanten vorm te midden van de wateren spreekt men dichterlijk van “een fraaie bloem op een schaal van zilver”.

Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.

Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74 buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland, om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.

Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland, maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.

Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18eeeuw herinnerd als op Walcheren. “Als men de smalle, kronkelende wegen volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van rechte lanen of wegen; wanneermen die lange risten van zeven of acht gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist, de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort gespitste torens in het vriendelijk groen—dan denkt men onwillekeurig uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18eeeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen, in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: “’t dorp Serooskerke op Walcheren, 1747”, aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken van dit eiland weer.

Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur, die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling, die niet vermoeit, maar opwekt.

En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.

Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee;De zwoele nachtwind zendt die zoete klankenTerug naar ’t hooge helm, dat met de rankenDer wilde winden fluistert van de zee.

Door Walch’rens hof ruischt d’ echo van de zee;

De zwoele nachtwind zendt die zoete klanken

Terug naar ’t hooge helm, dat met de ranken

Der wilde winden fluistert van de zee.

Het licht der kusten flikkert langs de zee,Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken,Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.

Het licht der kusten flikkert langs de zee,

Door wolkensluiers glimm’ren bliksemspranken,

Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,

De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.

De roode maan rijst boven donkre kruinen,De starren fonklen boven donkre duinen,Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.

De roode maan rijst boven donkre kruinen,

De starren fonklen boven donkre duinen,

Een roode slang schiet over ’t zwart kristal.

Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister,En Zeus keert lichtend naar der goden hal,Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,

Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in ’t duister,

En Zeus keert lichtend naar der goden hal,

Zijn echo is de zee—in ’t phosphorluister,

zong Louise v. Nagel.

Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien, dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op eenhooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover, nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren een ander karakter.

Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn, niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op, dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee, vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.

Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.

Vluchtberg te Boudewijnskerke, gemeente Zoutelande.

De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek, waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.

De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners van schier alleeilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van het Hollandsche overgeplant.

Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen, dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een landhuis aan met het opschrift: “I am fond of a country life” en op een ander: “This plan is my quite satisfaction”, herinneringen aan ’t verblijf der Engelschen in ’t begin der 19eeeuw op dit eiland. Een hofstede bij Nieuwland heette: “Nihil sine labore”, d. i. Niets zonder arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: “Macte animo”, d. i. Houd moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: “De gustibus non est disputandum”, d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de woorden: “Fiat voluntas Dei”, d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en opschriften als: “Bon repos”, “Favorite”, “l’Espérance”, “La maison de haute montagne”, kon men hier vinden in het vlakke land. Maar die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland, zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een eigen geaardheid doen ontstaan.

De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis, zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred; luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk, en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.

De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest gevierd wordt, is het op “den dag des Heeren” in de Walcherensche dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte zeker goedaardig.

In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderdbeeld aan van den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij, kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun “joyeuse entrée” deden bij de aanvaarding van het bewind en andere plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering, afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.

Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen uit de XVeeeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede een type der riddertijden.

Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over ’t geheel meer geneigd zijn tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig, dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.

Het ronde hoedje (zie 9 dergekleurde plaat) was voor den Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.

Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden, kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle, Arnemuiden en van Nieuw- enSt. Joosland. Te Middelburg op de markt ziet men deze niet zelden alle door elkander.

Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert, evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd, terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.

Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een “strijklint” of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen, maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts te voorschijn.

De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat menzevan achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte, vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts heet “langetmuts,” genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.

De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd omsluit. Wiegetrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel bij buitengewone feesten.

Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit, komt de laatste goed uit.

De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland “keuzen” noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs, dat “zij er goed in zit” (welvarend is).

De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen, dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt, evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland, dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.

Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen, enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder Frederiks en Dr. De Man.)

Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.

Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.

Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar, omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest, leefde tot vóór enkele jaren in den “Meiavond”. Dan haalden de jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd, toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was, bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen van ons vaderland?

Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van kent. Twee keer in ’t jaar wordt die dag door de landlieden gevierd, op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op “Liisjesdag” gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad, om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag.252) viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.

Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie pag.243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.

In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den zaadvloer. Daar wordt de bodem eenweinig vlak gemaakt en het zware zeil uitgespreid, het zoogenaamde “koolzeil”, dat òf gehuurd wordt, òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in ’t midden wordt het “achterbord” van een wagen geplaatst en daaraan het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.

Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer één vaste “overzetter”, die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht dorschers, acht draagsters, één “afsteker” (een jongen van ongeveer 13–15 jaar) en vier “bandenspreeërs”, gewoonlijk kinderen. Vervolgens worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken, moeten de eerste 50 “banden” dorschen, de anderen moeten binden, schikken en wenden of “koekenbakken.”

Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.

Zaaddorschen op Walcheren.

Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil gelegd. De “bandenspreeërs” zorgen, dat er telkens twee “gespreed” worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze hun vracht vervolgens “aanleggen”. Een dermannen schikt dan het zaad met zijn houten “rieve” of hark. De vier dorschers laten in geregelden maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De “koekenbakker” of “wender” keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van den zaadvloer neergezet. De “afsteker” volgt den binder, om zaad en “peulen” met een hark naar het midden van den vloer te schuiven, en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de “peulen” over het achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt zijn, roept de binder den dorschers toe: “A je strooê”? d. i. “Als je stroo hebt”, wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de “jeneverslag” geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal dorschers wordt door een ander viertal vervangen.

Zaaddorschen op Walcheren.Zaaddorschen op Walcheren.

Zaaddorschen op Walcheren.

Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het zaad gedorscht is.

Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de 17een 18eeeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook gezongen en gedanst opde dorschdagen. In dien tijd zag men in vele streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude oogstfeesten zoo goed als verdwenen.

Middelburg.De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemdwordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12eeeuw een “villa franca” genoemd werd.In het laatst der 16eeeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijkemaatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17een 18eeeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15een 16eeeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt.Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16eeeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt demarkt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening inO.-I.inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17eeeuw.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19eeeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19eeeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16een 17eeeuw spreekt; fraaibeschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in hetNederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoonZijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12enMei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werddeeerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd vanvandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.De Abdij werd in de 18een in de eerste helft der 19eeeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris derKoningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,de deftige zale,Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust vanWalcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19eeeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1enApril 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12eeeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdomder Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.Gouvernementspoort der Abdij te MiddelburgGouvernementspoort der Abdij te MiddelburgDoch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit hetvoormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19eeeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVeeeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18eeeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16eeeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag.258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18eeeuw het voornemen opom de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Oud Zeeuwsche kamer.Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag.257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:Op aadlaars-borst rust, Middelburg!Uw burg van goud en keel;Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,Gedragen door het luchtig zwerk,Naar ’s werelds verste deel.Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!Uw schild met glans en gloed;Geen arends-oog ontdekte een vlek,Maar arends-klauw en arends-bekWaak’ voor uw goed en bloed.De Keizerskroon, die ’t hoofd versiertUws Arends, schittert schoon;Maar schooner en tot eedler vreugdBlink’ ’t eikenloof der burgerdeugdRondom uw stedekroon.

De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit thans in ’t licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.

De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen, doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als grasland is gebruikt.

Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in het eiland, en hieraan was in het midden van ’t land een burcht gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht eveneens “Middelburg” werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen, zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden, tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten werd bevorderd.

Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke, rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemdwordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is, dat Middelburg in de 12eeeuw een “villa franca” genoemd werd.

In het laatst der 16eeeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, zoodat alleen van 1584–86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven, zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste uitlegging tusschen 1570–1598 werd zij voorzien van aarden wallen, waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.

Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.

Gezicht op de Visscherij aan het bolwerk te Middelburg.

De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig, nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten Haefs, de Moucheron’s, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599 de eerste Oost-Indievaarders: “De Lange Berdsche” en “De Zonne” verwelkomd. En toen later de afzonderlijkemaatschappijen voor de vaart op Indië tot de groote “Vereenigde Oost-Indische Compagnie” samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier een eigen gebouw in de Langedelft.

Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was “de Gouden Sonne” met kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.

Doch ’t ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde in de 17een 18eeeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding van de haven de geographische ligging van Middelburg deed achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen hierin gebracht.

De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535 geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge, doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.

Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.

Gevel van het huis “In de Steenrotse” te Middelburg. 1590.

Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit; de scheepvaart verliep. In de 14e, 15een 16eeeuw was Middelburg herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei bereikt.Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst der 16eeeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000; in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot 13000 in 1822.

Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873, heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850: 15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.

Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische, stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten, gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz., terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte, vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een artistieke stad geworden, die geroemd werd als “de schoonste bloeme in ’t Zeeuwsche priëel”.

Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.

Gezicht op het droogdok te Middelburg, met Lange Jan op den achtergrond.

Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.

De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800 M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188 bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de afbeelding op de volgende pagina wordt demarkt voorgesteld, zooals zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische reproductie op ruim ¼ der grootte van een teekening inO.-I.inkt, voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg, terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het begin der 17eeeuw.

DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)

DE MARKT TE MIDDELBURG TEN JARE 1605.

(Verkleinde reproductie eener zeldzame plaat uit den Atlas “Zeelandia Illustrata”, berustend bij het Zeeuwsch Genootschap te Middelburg.)

Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal er naast.

Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd, dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel zijn gebouwd in 1512–1513, de toren van 1507–1513, de vleeschhal 1513–1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman, de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale, gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in 1670 en 1780–84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514–1518 door Michiel Ywyns uit Mechelen.

De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld; dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder dient tot windwijzer.

Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig: dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639–40 gebouwd door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19eeeuw is het schoone binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst toen in het laatste kwart der 19eeeuw de stedelijke geldmiddelen door liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij, welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout bewerkte vierschaar geplaatst.

Stadhuis te Middelburg in de 16e eeuw.Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.

Stadhuis te Middelburg in de 16eeeuw.

Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der 16een 17eeeuw spreekt; fraaibeschilderde glasramen; met smaak gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in hetNederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der kamers vindt men de portretten van de Evertsens, “een heldengeslacht zonder weerga”, waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in ’s lands vergaderzaal getuigen:

Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoonZijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.

Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoon

Zijn strijdend voor ’s lands recht gesneuveld.

Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen volgt, komt men door de “Langeviele”, waar de fraaie gevel van het huis “De bonte Olymolen” de aandacht trekt. De gevel is in 1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis “de Vijgeboom” op de Markt, waar het “Bureel der Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer” gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen met luifels in Middelburg.

Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van Middelburg, de Abdij.

Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106 en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele, Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.

Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.

Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten omvang over verschillende landstreken.

De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12enMei 1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werddeeerste bisschop van Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.

Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd vanvandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige kruisgangen weggebroken.

De Abdij werd in de 18een in de eerste helft der 19eeeuw geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen, J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel is daaraan reeds geschied.

Binnenplaats der Abdij te Middelburg.Binnenplaats der Abdij te Middelburg.

Binnenplaats der Abdij te Middelburg.

De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die “het logement van den Graaf van Zeeland”. Tegenwoordig dient dit “paleis” als woning van den Commissaris derKoningin, tevens tot verblijf van de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst de vergaderkamer der Staten van Zeeland,

de deftige zale,Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,

de deftige zale,

Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,

en waar het “saevis tranquillus in undus”, “rustig te midden der golven” boven den schoorsteen te lezen staat.

Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505 naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.

De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl, maar bovenal omdat zij weder zijn “aangekleed”, ten deele door de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote schilderstukken van Ferdinand Bol (1616–1680).

Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.

Noordelijke poort der Abdij te Middelburg.

Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid, want gobelins met schepen zijn zeldzaam.

Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari 1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op ’t Sloe, waarop men de kust vanWalcheren met Veere en het fort Rammekens ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.

Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van verschillende steden uit de provincie er omheen.

Daarnaast hangt de afbeelding van ’t z.g. admiraalschip, een gobelin, dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.

Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en later aan het Rijk geschonken.

In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de noordzijde met haar krans van slanke torens.

Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk Westhoven aan de duinen.

Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die in het midden der 19eeeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend, nl. den 1enApril 1575; op dien dag althans is er het eerst door de Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van “Oostmonster”, als een der drie parochiekerken der stad. De andere waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster, die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden der 12eeeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd, hoewel met het toenemen van den rijkdomder Abdij ook de kerk zal zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.

Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd—wij weten niet wanneer—dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt, was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien, een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.

De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.

Gouvernementspoort der Abdij te MiddelburgGouvernementspoort der Abdij te Middelburg

Gouvernementspoort der Abdij te Middelburg

Doch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan, wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam, werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken eeredienst herinnerde.

De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond alleen uit hetvoormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte, met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712 werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.

Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog vindt. Gedurende de 19eeeuw werden eenige pogingen aangewend, om de kerk te verfraaien.

De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.

In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap, dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken, werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in 1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680–82 gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:

TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.

TER EEUWIGE NAGEDACHTENISVAN DEONSTERFELIJKE ZEEHELDENDE GEBROEDERSJOHAN EN CORNELIS EVERTSENLUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELANDBEIDENSTRIJDENDE VOOR HET VADERLANDGESNEUVELDIN DEN JAREMDCLXXVI.

In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.

Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.

Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken, was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers: een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:

Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.

Tegen dezen muur stond het HuisvanZACHARIAS JANSEUitvinder der verrekijkersin den jare MDXC.

Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof, het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd, die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig geheel vormen.

Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86 Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent uit het eind der XVeeeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713–1720. Iets meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met koper beslagen hout, vervaardigd.

Van de “Lange Jan” heeft men een schilderachtig uitzicht over den naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet, hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden, de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon: dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.

Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.

De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de Abdij, aan een plein, “de Balans” genoemd. Dit gebouw, een herinnering aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het midden der 18eeeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.

Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het “Balans-plein” nog drie antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken stijl van het begin der 16eeeuw zijn opgetrokken, dank zij den onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in 1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst, ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.

Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door hun stijl, noemen wij nog: het huis “de Gouden Sonne”, in de Lange Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs, wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de Steenrots, (zie de fig. op pag.258) aan de Dwarskaai, in 1590 in Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van 1603–1623 verblijf hield.

Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.

Gerestaureerde St. Joris Doelen, societeit te Middelburg.

Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te breiden, is het “Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen”, dat van Prins Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht en gevestigd in het zoogenaamde “Museum Medioburgense”. Dit museum was een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18eeeuw het voornemen opom de verschillende wetenschappelijke instellingen in Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds “University Extension” wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.

De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven aan het strand te Walcheren. De “Zeelandia illustrata” bestaat uit een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye van Citters (1769–1823), en door het Genootschap gekocht.

De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht, geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper kamer.

Oud Zeeuwsche kamer.Oud Zeeuwsche kamer.

Oud Zeeuwsche kamer.

Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in den laatsten tijd nette villa’s verrezen. Van de bolwerken heeft men op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap, met zijn Arcadia-achtig karakter.

Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten, die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op pag.257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets aan Middelburgs wapen wijdde:

Op aadlaars-borst rust, Middelburg!Uw burg van goud en keel;Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,Gedragen door het luchtig zwerk,Naar ’s werelds verste deel.

Op aadlaars-borst rust, Middelburg!

Uw burg van goud en keel;

Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,

Gedragen door het luchtig zwerk,

Naar ’s werelds verste deel.

Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!Uw schild met glans en gloed;Geen arends-oog ontdekte een vlek,Maar arends-klauw en arends-bekWaak’ voor uw goed en bloed.

Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!

Uw schild met glans en gloed;

Geen arends-oog ontdekte een vlek,

Maar arends-klauw en arends-bek

Waak’ voor uw goed en bloed.

De Keizerskroon, die ’t hoofd versiertUws Arends, schittert schoon;Maar schooner en tot eedler vreugdBlink’ ’t eikenloof der burgerdeugdRondom uw stedekroon.

De Keizerskroon, die ’t hoofd versiert

Uws Arends, schittert schoon;

Maar schooner en tot eedler vreugd

Blink’ ’t eikenloof der burgerdeugd

Rondom uw stedekroon.


Back to IndexNext