[84]'t Baarsje: een theetuin, gelegen aan den Kralingschen plas, bij Rotterdam.
[84]'t Baarsje: een theetuin, gelegen aan den Kralingschen plas, bij Rotterdam.
OF,
BLIJSPEL IN ÉÉN BEDRIJF.
Goedsmoeds.Rentenierend burgerman. Weduwnaar. — Draagt een kamerjapon.
Judocus van Der Vlugt.Doktor in de Letteren en Direkteur van een kostschool te Winschoten. Spreekt langzaam en op nasalen toon. Rookt voortdurend pijpen. — Draagt een zwarten rok en witte das.
Alexander Magnus.Is ploertig en opzigtig gekleed. Gestikuleert hevig; spreekt vlug en op geaffekteerden toon.
Mathilde.Goedsmoeds' dochter. Een stil, eenvoudig meisje; reeds de vijf-en-twintig gepasseerd.
Clara.Haar jongere nicht. Een wees, die bij Goedsmoeds inwoont.
Janneke.Een oude dienstmaagd.
't Tooneel stelt voor een eenvoudig doch net gemeubileerd huisvertrek.
Mathilde, Clara.De eerste breijend, de ander met een boek in de hand.
Clara. Ik kan 't niet helpen, en, hoe je ook praten moogt — ik vind hem een bespottelijk, akelig, sullig mensch.
Mathilde. Clara, Clara — ik zeg je nogeens: je beoordeelt de menschen te oppervlakkig, te veel naar 't uiterlijk, en naar den eersten indruk dien ze op je maken. Daarom is je oordeel ook meestal verkeerd: al te gunstig of al te hard.
Clara. Wel mogelijk. Ik leg me er ook niet op toe, elks karakter te doorgronden: daartoe heb ik noch tijd noch lust. Maar, zoolang ik 't tegendeel niet bewezen vind, houd ik 't er voor: dat een onaangenaam uiterlijk en kalverige manieren bijna altijd de kenteekenen zijn van een achterlijken geest en een onedel karakter.
Mathilde. Je hebt geen tijd of lust om iemands karakter te doorgronden — doch wél tijd en lust, om over elk, op 't uiterlijk af, een onherroepelijk vonnis te vellen. Wezenlijk, Clara, ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt. Je hart is te edel,en je verstand te goed ontwikkeld, dan dat beide je niet zouden doen gevoelen, hoedieschijn bedriegt.
Clara.Een vrij afgezaagd spreekwoord! Moet men dan, volgens u, leelijk zijn en lomp, om een goed mensch te kunnen wezen?
Mathilde.Volstrekt niet; — die stelling zou even dwaas zijn als de uwe. Ikzelf ben nog te jong en heb nog te veel smaak, om zóó iets te durven beweren. En dat je liever een regten neus ziet dan een scheeven, liever blond haar dan rood, liever een welluidend compliment hoort dan een boersch gestotter — dát kan ik je niet kwalijk nemen.
Clara.Nu, wat dan?
Mathilde.Ik woû alleen, dat je een en ander als uitwendige ornamenten beschouwdet, die een goed inwendig volmaken, doch op zichzelf hoegenaamd geen waarde bezitten. Dan zou-je niet zoo ingenomen zijn met personen, van wie je niets kent, dan wat je oogen gezien hebben; en je zoudt niet zoo liefdeloos wezen jegens anderen, wier vel minder glad en wier rug minder buigzaam is.
Clara.'t Kan zijn, Mathilde — ik beken wél, dat ik dikwijls wat scherp ben in mijn spreken. Maar ik kan niet, zooals jij, in ieder slechts 't goede zien. Kijk — waar 't op genegenheid aankomt, geef ik alles of niets. Waar ik deugden tref, moet ik bewonderen; waar ik fouten opmerk, moet ik laken — daar is voor mij geen tusschenweg. Maaralsik iemand hoogacht — dat weet ge, Mathilde, en je vader — dan doe ik 't met hart en ziel, met al de kracht die in me is!
Mathilde.Ik weet, Clara, hoe we altoos geweest zijn als dochters van één vader. Ik ken je goed hart en je gehechtheid aan vader en mij.
Clara.Nu, dan zul-je 't me ook wel vergeven, als ik je zeg, dat ik dien mensch niet lijden kan: met zijn sluike haren, zijn uitgestreken gezigt, zijn saaije, pedante spreekwijs, zijn quasi onverstoorbare gelijkmoedigheid. Die lummel! zou men 'em niet met de zweep smeren, als 'ie daar soesend voortsukkelt achter de kostschooljongens, en meer kijkt naar de straatsteenen dan naar zijn pupillen!
Mathilde.En jij, Clara, je zult 't mij niet kwalijk nemen, als ik je oordeel weêr ongegrond en voorbarig noem. Die man heeft je nooit beleedigd — je kent 'em niet eens — je hebt je nooit verwaardigd hem toe te spreken. En, daarenboven, hij is de neef en vriend van je Adolf, die altoos hooge achting voor hem betuigt. Dát moest toch bij u voor hem pleiten.
Clara.In 't geheel niet! 't Spijt me voor Adolf dat 'ie zulke neven, en meer nog, dat 'ie zulke vrienden heeft. Maar in geen geval zal bij mij de regel gelden:les amis de mes amis sont mes amis.
Math.Hoe sterk is je vooroordeel, als 't eenmaaltegeniemand werkt! Zeg, Clara, heb-je dien man in 't hart gelezen?
Clara.Ei, zijn hart! Aha, Matje, zou soms 't hart je zoo doen spreken? Ja, ik wist wel, dat er iets gaande was tusschen jelui, ten minste, dathijzijn oogen tot je durft opslaan.
Math.Wel, dat moog-je weten. Dat heb ik nooit getracht te verbergen, noch voor vader noch voor u.
Clara.Maarikheb nooit durven gelooven, dat je zijn verliefde zuchten je zoudt aantrekken, anders dan om er meê te lagchen. — Intusschen, 't zou niet kwaad zijn: wanneer hij nietweet hoe 'ie zelf met een vrouw moet omgaan, zal 'ie je ten minste kunnen zeggen, hoe de oude Grieken 't deden. En misschien — als zijn hooggeleerde geest hem veroorlooft tot de rudimenta af te dalen — misschien leert 'ie je nog wel een mondjevol Latijn. Je wordt nog een savante, Matje — een tweede editie van Wolf en Deken.
Math.Clara — zijn dat de woorden van een vriendin, van een zuster! Als je zonder medelijden wilt zijn voor een man die je achting verdient — spaar dan ten minste in mijn bijzijn je ongepaste spotternijen.
Clara.De éénige manier om je van een zoo absurde neiging te genezen!
Math.Geloof dát niet! Spot zooveel je wilt — je zult er niemand dan jezelf meê kwetsen. Maar denk niet, dat ik een roepstem van mijn hart zou versmoren, dat ik mijn heiligste overtuiging zou verloochenen, uit vrees van bloot te zullen staan aan uw meisjesaardigheden. Neen — al zou de gansche wereld — —
Goedsmoeds,vorigen.
Goedsm.Ta ta ta, kinderen, wat nu! Alweêr aan 't kijven en keffen! Wat heb-jelui toch aan de hand? Je kunt geen half uur zamen zijn, zonder elkaâr in 't haar te vatten.
En Mathilde — wat kijkt ze opgewonden! Zeg, kind, wat is er toch gaande?
Clara.Och niets, oom: ze trekt partij voor dien langenlummel, dien schoolmeester, die hier altoos met de jongens voorbijsleept; u kent 'em wel, dien heer — —
Math.Stil, Clara! — Vader, 't was niets — ik verzeker 't u. Een meisjespraatje. U weet wel, vader: wij, dochters van Eva, hebben 't altijd over de mannen, als de mannen er niet bij zijn, en — dan zijn we 't ongelukkig zelden eens.
Goedsm.Ei zoo, — ha ha ha — ja, dat wist ik. Even goed als ik weet, dat 't er in de wereld heel wat beter zou uitzien, als alle vrouwen zoo gul en rondweg spraken als jij, Matje.
A propos, ehem — jelui spraakt dus over mannen — : mannen, niet in kwaliteit van »heeren der schepping", maar als knechten van je fantasie. Natuurlijk!
Clara.Precies zooals u zegt, oom — met 't kleine onderscheid alleen, dat die lange schoolmeester, op Matje's fantasie — —
Math.(driftig)Clara, Clara!
Goedsm.Ei ja, die schoolmeester — doktor, wil-je zeggen — : die heer Judocus. — Nu, Matje, waarom wil-je zijn naam niet hooren? Zou-je denken, dat 'ie omniethier dagelijks voorbij wandelt, naar 't raam kijkt, en zoo beleefd salueert als zijn stijve rug 't toelaat!
Math.Och — gekheid, vader!
Goedsm.Nu nu, er steekt geen kwaad in. De man is wat menschenschuw, en wat pedant in zijn spreken; maar toch ken ik hem als een degelijk, verstandig en hartelijk mensch. Dat zeî Adolf ook altijd; die sprak niet dan goed van hem. — Nietwaar, Clara?
Clara.Ja, oom, ik weet niet wat Adolf van hem belieftte vertellen. Maarikken 'em als den stijfsten boonestaak en de vervelendste tronie van heel de stad.
Goedsm.Poeh poeh — stijve boonestaak, vervelende tronie! 't Is goed dat niemand je hoort. Denk er eens aan: we kunnen niet alle zulke nette kereltjes zijn als jou Adolf; alle meisjes treffen 't zóó gelukkig niet als jij, kind — en, de meeste kijken ook zoo naauw niet. — Ik voor mij zou den hemel danken, als ik 't nog 'reis beleven mogt, hoe mijn dochter me een kleinkind op de knie liet wiegen, waarvan zóó'n braaf man de vader was!
Clara.Nu oom, dat kon nog wel 'reis gebeuren — ten minste, naar Mathilde's spreken te oordeelen — —
Math.Clara, nog eens — je zegt meer dan je betaamt, en ik moet je verzoeken — —
Goedsm.Ta ta ta, in 's hemelsnaam, laat de mannen de mannen, maar vrede bovenal! Gelooft me, kinderen — geen huwelijk ter wereld is waard dat men er om vecht, en, vriendschap gaat nog duizendmaal boven liefde!
Dáár, handjes geven! Zóó — dat staat jelui beter, dan booze rimpels in de gladde koontjes. Vrede bovenal! — Stil, daar is Janneke.
Janneke,vorigen.
Jann.Meneer, daar is een heer die u spreken moet. Hij heeft me een kaartje gegeven met zijn naam er op.
Goedsm.Een heer diemijspreken moet! Wel, dat 's ook geen dagelijksch brood: ik heb geld noch schulden!
Geef hier 't kaartje.(leest:)"Judocus van der Vlugt." — Groote goden, dat 's onze schoolmeester! — Vlieg, Janneke, vlieg — jij die haast niet loopen kunt — laat 'em boven komen, die brave doktor! Hij brengt me vast een nieuwe komedie van Langendijk.(Janneke af.)
Komt kinderen, laat ons alleen. Straks kun-je weêr binnen komen; maar eerst moet ik den man op zijn gemak zetten, want als 'ie dames ziet, wordt 'ie zóó confuus, dat 'ie stoelen en tafels omverloopt.
Clara.(ter zijde)Ik gaf een driegulden als ik blijven mogt!Hijeen komedie brengen — — ik denk dat 'ie er een komt vertoonen. O, een tientje gaf ik, om zijn declaratie te hooren!
(tot Math.)Zeg, Matje, zou een profetische geest daar even uit ons gesproken hebben!
Math.Hemel, Clara, hoe kun-je zoo talmen: we moeten heel de wasch nog rekken en mangelen.(Math.enClaraaf.)
Goedsmoeds.
Goedsm.(roept aan de deur)Kom binnen, doktor, kom binnen, vriend. — er is volstrekt geen belet!
Breng pijpen en tabak, Janneke!
(ter zijde). Zoo zoo — eindelijk zal 'ie er dan meê voor dendag komen. 't Is nu juist een maand geleden, dat neef Adolf me over die zaak gesproken heeft. Nu, 'k zal blij zijn, als 't er dóór is: ik ben zeker, dat 'ie mijn kind gelukkig zal maken.
Judocus,Goedsmoeds.
Goedsm.Ha — en hoe gaat 't, doktor? Waarom heb-je me al niet 'reis eêr bezocht?(Judoc. scharrelt met zijn hoed en parapluie).
Geef je hoed maar hier, en maak 't je gemakkelijk(reikt hem een stoel).
Judoc.Meneer Goedsmoeds — 't is me aangenaam — ik had in lang niet de eer — uw huis te betreden. Maar ik was zoo — zoo vol beslommeringen — een werk dat ik schrijf — : "Erasmus' laatste levensuren" — en, ehem — —
Goedsm.Ja ja ja — ik neem 't je volstrekt niet kwalijk. Natuurlijk, je hebt meer aan 't hoofd dan burenbezoeken. Werken schrijven! Wel — ik kan me voorstellen, hoe dát iemand moet aftrekken van de nietigheden waarmeê wij, gewone stervelingen, ons 't hoofd breken! — En dan zóó'n geleerd werk als u daar noemt — ! Lieve Hemel — ik geloof, ik werd eêr Erasmus zelf, dan dat ik een boek schreef over zijn laatste levensuren!
Judoc.Toch niet, toch niet, meneer Goedsmoeds! Een weinig studie — een doordringen in den geest van 't onderwerp; — en dan — 't is zoo schoon, de geschiedenis van't menschdom na te gaan in haar verhevenste lichtpunten, ehem — —
Goedsm.In haar verhevenste lichtpunten — dat moet zeker schoon zijn!
Judoc.— — Zichzelf als mensch te bewonderen in onze groote medemenschen!
Goedsm.Zichzelf als mensch te bewonderen! — Zeker, 'k vind 't wel wat ijdel — maar toch — zeker, als u 't zegt, zal 't wel waar zijn. — A propos, doktor, je zoudt me laatst 'reis een paar aardige boeken geleend hebben van Langendijk of van Effen. Vergeef me dat ik er om vraag — maar je kondt 't vergeten zijn.
Judoc.Justus van Effen — onze Hollandsche Addison — hij was altijd mijn lieveling in dat genre — : zoo geestig, zoo natuurlijk en bevallig in zijn teekeningen. — Geheel anders is 't met Langendijk, die — zonder bepaaldelijk grof te zijn — —
Goedsm.O ja, is 't niet — Langendijk is nog al 'reis kwetsend voor preutsche ooren?
Judoc.— — Zonder bepaaldelijk grof te zijn, heeft hij in zijn kluchtspelen dát met veel schrijvers onzer vorige eeuw gemeen, ehem — dat zijn smaak dikwijls mank schijnt te gaan bij 't juiste kiezen zijner uitdrukkingen, ehem — en dat zijn kwinkslagen, hoe vol geest en luim, ehem — —
Goedsm.Ja ja — ik heb zijn »Krelis Louwen" wel gelezen, en ik moet zeggen, 'k zou 't ding mijn dochters liever niet in handen geven.
Judoc.(schrikt alsof hij zich iets herinnert)Uw dochters — ja, uw dochters — — — Meneer Goedsmoeds, ik kwam eigenlijk hier, ehem — ik kwam hier, zeg ik, ehem ——
Goedsm.Welnu, doktor?
Judoc.Mijn drokke bezigheden maken mijn tijd uiterst beperkt. 't Werk over Erasmus, dat ik onder handen heb, ehem — —
Goedsm.Je zult toch mijn hulp niet behoeven bij je arbeid?
Judoc.Dát niet, meneer Goedsmoeds — niet bij mijn arbeid.
Goedsm.Ik zweer je, dat ik even weinig afweet van Erasmus' dood als van zijn geboorte.
Judoc.Ik kwam eigenlijk hier, meneer Goedsmoeds, om u te vragen, ehem — —
Goedsm.Vraag, doktor, — wees niet bedremmeld! Waarmeê kan ik je helpen? Geld, goeden raad? Ik heb van beide niet veel, maar toch altijd nog genoeg om een beetje meê te deelen.
Judoc.Ik meende, meneer Goedsmoeds — ik kwam — ik woû u vragen — —
Goedsm.Duivel, spreek dan uit!
Judoc.(moed vattend)De staat van ongehuwd man, ehem — is reeds door velen — door Cats — en vóór hem door Hippócrates — —
Goedsm.Cats — ja, een autoriteit. Hippocràtes ken ik minder.
Judoc.— — door Hippo-o-o-crates ten sterkste afgeraden. Ik kwam dus, meneer Goedsmoeds — 's grooten dichters »houwelicken staat" gelezen en herlezen hebbend — ik kwam, ehem — —
Goedsm.(aanmoedigend)Welzoo — met die gedachte kwam-je hier? Dus niet om geld of goeden raad — niet met Langendijk of van Effen!
Judoc.Ik kwam, meneer, om een veel grooter schat — : een schat, ehem — waarvan reeds Ovidius — —
Goedsm.Doktor, wat moet ik denken!
Judoc.Meneer Goedsmoeds — de toon waarop u dat zegt — geeft mij moed. Ik kwam hier, meneer Goedsmoeds — ik kwam hier, ehem(staat op)— om uw dochter — Mejuffrouw uw dochter, ehem — —
Goedsm.(staat op en schudt hem hartelijk de hand)Doktor, meneer v. d. Vlugt, ik houd van regt door zee gaan. Adolf Smit heeft me over u gesproken, en ik antwoord u wat ik hem geantwoord heb. Uw aanzoek verheugt me en vereert me — dat wil ik u niet ontveinzen. Wel ja —ikgeef je mijn dochter, mijn lieve Mathilde, van ganscher harte — enzijzal je niet weigeren.Ikken je, enzijzal je leeren kennen voor wat je zijt!
(hij roept aan de deur.)Meisjes, meisjes, komt 'reis beneden! 't Beddegoed zal nu wel gerekt zijn.
Janneke, luije gans — brengt toch pijpen en tabak, en een flesch wijn — er staan er nog twee oude in den kelder!
Mathilde,Clara,vorigen.
Janneke brengt pijpen enz. Daarna af. Judocus staat achter zijn stoel, en buigt.
Goedsm.En nu, komt hier, kinderen! Kom hier, Mathilde! Mijn wensch van zoo even kan vervuld worden.
Zeg, Mathilde, kind — dáár is doktor Judocus v. d. Vlugt.Je kent 'em — zoowel persoonlijk, als van naam en karakter. Hoe denk-je over 'em? Wat zou-je zeggen als 'ie je vroeg tot zijn vrouw? Neen — wees niet verlegen tegenover je naaste betrekkingen! Zeg fermweg ja, of neen!
Kom, doktor, help me een handje, doe je woord, vriend!
Judoc.(steeds buigend)Mejuffrouw — —
Math.(zeer bedremmeld)Maar vader — —
Clara.(tot Math.)Wat heb ik je gezeid! Maar wees verstandig — : bij al wat je lief is, weiger 'em — maak jezelf en vader en mij niet ongelukkig!
Judoc.Mejuffrouw, reeds lang — —
Math.Zoo geheel onverwacht — —
Judoc.— — reeds zeer lang — —
Clara.(tot Math.)Weiger 'em, weiger 'em, vóór 't te laat is!
Goedsm.La la, wat getalm! Wat is je antwoord, Mathilde?
Judoc.Mejuffrouw, reeds zeer lang heeft mijn hart, ehem — —
Goedsm.Komaan, doktor, geen speeches — rondweg, op zijn oud-Hollandsch! Zóó doen ze 't bij Langendijk ook!
Clara.(tot Math.)Weiger 'em! Geef 'em den bezem achterna!
Goedsm.Wat mopper-jij er toch tusschen, Clara?
Math.Niets, vader, niets.
(tot Judoc.)Och meneer, neem me niet kwalijk — ik ben zoo verrast — —
Clara.Verrast ook nog! — Zeg verschrikt!
Judoc.(vat moed en roept luide)Ja, Mejuffrouw, ik bemin u! — Mijn woorden zijn zwak, maar mijn hart is sterk,en mijn daden zullen goed maken wat mijn ongeoefende tong te kort schiet!
Goedsm.Zóó, goed gezegd! Er zijn er genoeg die 't omkeeren.
Judoc.(tot Math.)Ik wil u de eereplaats inruimen in mijn nederig huis. Ik wil u verzorgen als de pupillen mijner kostschool!
Math.Als vader 't goedvindt — —
Clara.(tot Math.)Je neemt 't aan! — Wee, wee, mijn arme vriendin!
Judoc.(tot Math.)Ja, Mejuffrouw — ik zal u trouw zijn als de doffer zijn duifken! Mejuffrouw, wees gij mijn »Roos van Saron, mijn Lelie der dalen" — en laatiku zijn, »als een appelboom onder de boomen des wouds — als een tros van Cyprus in de wijngaarden van En-Gedi"!
Clara.Hemel, hij wordt hartstogtelijk — vuur en vlam!
Judoc.(tot Math.)Want, gelijk de oude Copten, Mejuffrouw, de oude Copten en Assyriërs — —
Math.Wel, meneer, als vader 't goedvindt — —
Goedsm.Ja, ja — vader vindt 't goed. En vader zou 't niet goed vinden, als Mathilde 't ook niet deed.
Komaan, kinderen — 't is nu lang genoeg geschermd met vergezochte woorden. Laat 't hart spreken. Kust elkaâr — zóó, zóó — 't is de eerste — welnu, dat er nog duizend en duizend na dezen volgen!
Judocus heeft Mathilde omhelsd, en Goedsmoeds drukt zegenend hun hoofden tegen elkaâr; Clara zit op haar stoel, neemt een boek op, smijt 't weg, en kijkt 't jonge paar spottend en wrevelig aan.
En nu — we willen dezen avond vieren onder ons. Ikben in lang zóó gelukkig niet geweest! Kom hier, Judocus, schoonzoon — een glas wijn? — Dat zal je goeddoen: je ziet waarlijk bleek, alsof je alle geluk verspeeld hadt. Wel, in mijn tijd was dat anders — toen waren de jongeluî soms al te warm. — Maar, ik zie wel, de schrik zit jeluî nog in 't lijf.
(tot Clara.)Kom, Clara, meid — wat pruil-je daar alleen! Toch niet jaloersch?
Clara.De hemel bewaar me — ik zoek mijn naaiwerk.
Goedsm.In je boek? — Komaan, ook jou vrijer staat voor de deur. Je Adolf kan niet lang meer van de reis uitblijven.
Clara.(ter zijde)Mijnvrijer — ja, maar als de mijne zóó was!
Goedsm.Neemt plaats, kinderen! Judocus, Mathilde — laat 't soezen tot volle maan! Hier, de glazen geledigd — ik wil heden avond vreugde zien!
Judocus heeft al dien tijd stokstijf naast Mathilde gestaan; op Goedsmoeds' uitnoodiging stopt hij een pijp.
Kinderen, op ons aller lang en gelukkig zamenzijn!(tot Judoc.)Zeg, doktor — ad fundum, hoop ik?
Judoc.(drinkt)Van harte — op ons zamenzijn!
(tot Clara). En ook met u, Mejuffvrouw, zal 't me een groote eer zijn, ehem — de kennismaking, ehem — —
Clara.(kortaf)Wel verpligt, meneer — maar 'k houd niet van komplimenten.
Judoc.(verschrikt)Verschoon me — 't was mijn bedoeling niet — —
Goedsm.Wel foei, Clara — je zijt niet heel beleefd.
Clara.Beleefd of niet beleefd. Laat meneer zich met zijn eigen bruid bemoeijen.
Goedsm.Maar kind — hoe heb ik 't met je? Moet jij me nu de vreugd vergallen!
Judoc.(tot Math.)Ik begrijp niet in hoever — —
(tot Goedsm.)Meneer Goedsmoeds, indien 't niet tot algemeen genoegen is — indien mijn persoon soms aanstoot mogt geven — —(hij staat op.)
Goedsm.Sakkerloot, doktor, wat denk-je wel! Stoor je niet aan hare nukken — ik weet niet wat de meid scheelt.
Math.En u heeft immers alleen met mij te doen, meneer Judocus.
Judoc.(tot Math.)Zeker, Mejuffrouw — doch hoe gelukkig me uw gezelschap maakt — ik zou niet gaarne aanleiding geven, ehem — dat de vrede in uws vaders huis, ehem — —
Goedsm.(drukt hem op zijn stoel)Wat praat-je van vrede! Ze weet niet wat ze zegt, de meid — ze meent 't niet.
Math.Neen, mijn beste Clara meent 't zoo niet. Ze is van harte blij om ons geluk.(naar Clara toegaand)Nietwaar, zus?
Clara.(knorrig)Je beste Clara meent 'twel, en isnietblij!(gaat naar de deur).
Goedsm.Zoo zoo — als ze 't dan wel meent, en niet blij is, laat ze dan zoo goed zijn, dat wat minder te toonen aan menschen, die geen schuld hebben aan haar kwaad humeur.
(gaat naar Clara toe.)Wees toch verstandig, kind — st, daar is iemand. Houd toch je fatsoen — wat moeten de luî van je denken!
Janneke, vorigen.
Jann.Meneer —
Goedsm.Nu, Janneke, wat was er?
Jann.Meneer, daar is een andere heer om u te spreken. Hij zeît dat 'ie meneer Magneet hiet.
Goedsm.Magneet?
Clara.(tot Jann.)Och mensch, kun-je weêr geen naam onthouden!
Jann.Nou ja — Magneet of Magus? — weet ik 't!
Goedsm.Magneet of Magus? — mij onbekend. — Maar dat treft nu al heel onaangenaam; 't is een ramp, dat we zoo klein gehuisd zijn: wáár moet ik nu dien man te woord staan!
Judoc.Met uw verlof, meneer Goedsmoeds — ik ga — misschien — —(staat op)
Goedsm.Toch niet, doktor, blijf — ben-je dwaas geworden! Zal ik mijn eigen huisgenooten voor een vreemde verjagen!
Judoc.Maar toch — misschien — —
Math.Neen, blijf zitten, meneer Judocus. Vader zal 't wel kort maken met dien heer.
Clara.Zeker, blijf zitten.
Maar zeg, Mathilde — misschien heeft meneer Judocus haast: zijn werk over Erasmus, de zorg voor zijn pupillen, of andere geleerde bezigheden!
Goedsm.Och Janneke, laat die meneer Magneet of Magus maar boven komen. 't Doet er ook niet toe — we zijn burgermenschen — en hij moet 't nemen zooals 't is.
(Janneke af.)
Alex. Magnus,vorigen.
Alex.(komt met veel geraas binnen)Meneer, mijn naam is Alexander Magnus. — Uw dienaar, dames. Alexander Magnus is mijn naam.(tot Judoc.)Bonsoir, meneer, uw dienaar, zeer uw dienaar!(smijt hoed en stok in een hoek, neemt een stoel en gaat zitten).
Goedsm.Alexander Magnus? — Ik heb niet de eer U te kennen — 't zou me aangenaam zijn — —
Alex.Alexander Magnus is mijn naam, en, meneer, ik ben er trotsch op 't te kunnen zeggen. Ik ben kortelings benoemd tot Leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde. Eerst sints weinig weken heb ik mijn residium aldaar gevestigd, en ik ben expresselijk hierheen gekomen om met U, meneer Goedsmoeds, en uw achtenswaardige familie, ehem — —
Goedsm.Ah zoo! — Zeer veel eer, zeer veel eer, meneer Magnus! Leeraar in de Staathuishoudkunde te Bellingwolde? — Mag ik u een glas wijn aanbieden? Ik was waarlijk niet voorbereid op de eer van uw bezoek.
Alex.Ik weet 't, meneer. Ik kom als ik kom, en ik ga als ik ga. Nog slechts zeer weinig connectiën heb ik in deze nabuurschap aangeknoopt: omdat de meeste familiënmij niet aanstaan, en ik mij wel wacht, mijn vriendschap te prostitueren aan individuen, die niet eenigzins met mij op gelijke hoogte staan.
Goedsm.Dan, meneer, zult ge u ook hier in uw verwachtingen misschien bedrogen vinden. Maar des te grooter onderscheiding voor ons.
Alex.Integendeel — ik moet mij verontschuldigen wegens de vrijheid die ik neem.
Maar zeg me — heb ik 't genoegen in deze dames uw dochter en uw nicht te ontmoeten? — En deze meneer? Stel me aan hem voor. Zeker een dorpsdominee uit de environs?
Goedsm.Ik vraag verschooning. Deze heer zal u waarschijnlijk bekend zijn, daar ook hij zich in 't vak van onderwijs beweegt. Judocus van der Vlugt — —
Alex.(reikt Judoc. de hand)Meneer van der Vlugt — zeer veel genoegen uw kennis te maken. Welzoo, ook in 't onderwijs? Waarschijnlijk hulpkweekeling, of catechiseermeester?
Judoc.Noch 't een noch 't ander — ik ben, ehem — —
Goedsm.Doktor in de Letteren, en direkteur van de kostschool alhier.
Alex.Doktor in de Letteren? Ah, vergeef me, doktor van der Vlugt — ik heb u niet gekend aan een der Hoogescholen, die ik successievelijk bezocht — en uw uiterlijk, ehem — —
Judoc.— — Doktor in de Letteren, summa cum laude — 't zij met gepaste zelfwaardering bekend.
Alex.Ah, ik ben verrukt in u een collega te treffen.
Judoc.Ik had slechts weinig vrienden aan de LeidscheHoogeschool; en door mijn bekrompen omstandigheden, ehem — —
Alex.Natuurlijk — zoo zijn er veel jongeluî.
Judoc.— — moest ik 't mij ten hoofddoel stellen — dikwijls met opoffering van alle genoegens, en eer minder achtend dan voordeel, ehem — —
Alex.Juist, juist — ik kan me die positie voorstellen.
Judoc.— — zoo spoedig mogelijk de vruchten mijner studiën te plukken, door 't aanvaarden van een min of meer winstgevende betrekking, die me in staat stelde, in mijn eerste behoeften te voorzien.
Alex.Zeer te bejammeren! Zóó gaan dikwijls, door gebrek aan middelen, groote talenten voor de maatschappij verloren.
Goedsm.Maar mij dunkt, de heeren moeten elkaâr in hun wederzijdsche betrekkingen wel kennen.
Judoc.Pardon — dat is 't wat ik — —
Alex.Onbegrijpelijk, niet waar! Maar ik kwam expresselijk te dezer stede, om kennis te maken. — Intusschen, ik ben er zeker van, meneer van der Vlugt moet mijn naam kennen uit 't werk dat ik geschreven heb.
Math.U heeft een boek geschreven, meneer?
Clara.Hé, zeg me, als 't niet al te geleerd klinkt — hoe is de titel en waarover handelt 't?
Alex.Een boek, dames! Zeg, een werk — een werk, zeg! Drie deelen in octavo. Ik zal u een exemplaar toezenden, zoodra de zevende herziene druk van de pers zal zijn gekomen.
Judoc.(steeds peinzend)Zonderling — —
Goedsm.Groote geregtigheid — waar moet ik, arme vangeest, blijven, als mijn nederig huis de verzamelplaats wordt van schrijvers en geleerden!
Alex.(tot Goedsmoeds)O, weest gerust, meneer Goedsmoeds! Ik ben niet als zooveel anderen, die zich op zoo iets laten voorstaan.
Judoc.Hoogst zonderling komt 't mij voor — —
Clara.Nu, meneer, we weten den titel nog niet. Waarover handelt uw boek?
Alex.Mijn werk handelt, schoone dame, 't handelt over: 1º. »'t Wenschelijke eener verhooging van de tarieven van in- uit- en doorvoer op handelsartikelen, die door elkeen verbruikt worden." — 2º. »Een naauwkeurige statistische opgave van 't aantal echte kinderen die zouden kunnen geboren worden, als alle menschen trouwden." — 3º. »Een verhandeling over 't meer voordeelige der zîjwormenteelt, als deze op kool- in plaats van op moerbezieblaren kon geschieden." — Al 't welk besloten wordt door, 4º. »Een uitgewerkte en met grondige argumenten doorspekte lofrede op dwangarbeid en batig slot."
Terwijl Alex. spreekt, houdt Goedsm. zich 't hoofd vast; Clara slaat de handen ineen; Math. zucht; en Judoc. zit als verwilderd en overbluft hem aan te staren.
Goedsm.Geleerd, zeer geleerd! Ik mag u natuurlijk niet tegenspreken — maar toch zou ik gelooven — —
Alex.Tegenspreken, meneer — waarom niet! Ik weet, mijn stellingen zijn den grooten hoop niet duidelijk. Ook wil ik mezelf niet vernederen, door mijn overtuiging aan elken oningewijde op te dringen. Maar zijnwijniet vrienden, meneer Goedsmoeds — en zal 't me niet altijd een genoegen zijn, met u te redetwisten, en ook uw naam te schrijvenop de groote lijst van hen, die ik voor mijn betoog 't hoofd heb doen buigen!(ziet triomfantelijk rond.)
Goedsm.Zeker, meneer, zeker — maar ik meende, ehem — —
Clara.(tot Math.)Niet onaardig — we hebben lief gezelschap te gast!
Goedsm.Ik meende — ziet u — ik woû maar zeggen — —
Alex.Ja ja — daar valt weinig tegen in te brengen.
(tot Judoc.)Ook met u, doktor, vrees ik niet mij in 't strijdperk te wagen.
Judoc.(hem verwonderd aanziend) Ehem, hum — —
Alex.(tot Clara)En u, Mejuffrouw, wat zegt u er van?
Clara.Wel, meneer, 't loopt mij wat te hoog. Om u de waarheid te zeggen — ik dacht, dat u een nieuwen roman of een bundel gedichten had uitgegeven.
Alex.Een nieuwen roman?
Math.Wezenlijk, meneer, ik wil niets afdingen op de waarde van uw boek — —
Alex.Afdingen?
Math.— — maar u begrijpt — zoo iets valt minder binnen ons bereik, dan romantische lektuur.
Alex.Romantische lektuur! Is 't mogelijk, Mejuffrouw! Was niet 't romanciëren en rijmelen door alle eeuwen heen een werk voor kladschrijvers, pruldichters, weggeloopen ondermeesters, ziekelijke kostschooljuffrouwen — kortom, van half krankzinnige schwärmers, onbruikbare, hun evenmensch opetende bastaard wezens, kankers aan den gezonden boom eener practische maatschappij! — Mejuffrouw — —
Clara.Wel, meneer, 't is toch geen schande, een romanof een gedicht geschreven te hebben. Daar hebt ge van Lennep, de Genestet — —
Alex.(driftig)Wat van Lennep! Wat de Genestet! — Ik zeg u, Mejuffrouw, 'tisschande!
Goedsm.(angstig)Meneer Magnus, u begrijpt ons verkeerd.
Alex.Neen, meneer — gij alle schijnt niet 't flaauwst idee te hebben van de hooge waarde der wetenschap, boven de zich in 't hof der ijdelheid wentelende romantiek en bellétrie!
Goedsm.Hemelsche geregtigheid — hoe red ik me hieruit!(tot Judoc.)Doktor, kom, spreek 'reis meê, en breng meneer Magnus aan 't verstand, dat 't onze bedoeling niet was, hem eenigzins te krenken.
Alex.Zeker, laat de doktor oordeelen!(tot Judoc.)Heer Judocus v. d. Vlugt, tot u rigt ik 't woord. Umoetmijn werk gelezen en herlezen hebben; 'tmoetu als de nieuwste autoriteit gegolden hebben, wilt ge eenigzins op de hoogte van zaken gebleven zijn.
Judoc.(kucht en zet zich in postuur)Ik heb, ehem — —
Alex.Ge moet, meneer, ik zeg u, gemoet! Gij, doktor in de Letteren!
Judoc.Ik moet bekennen, ehem — —
Alex.Gij, opvoeder van een aankomend geslacht, gekuntuw pupillen niet verstoken hebben van een werk, dat opgang gemaakt heeft tot aan de hoogere burgerscholen van Rottum en Borkum.
Judoc.Rottum en Borkum! — Ik moet bekennen, ehem — als meneer me een oogenblik aan 't woord wil laten — —(hij spreekt voortdurend harder en windt zich op tot rood-wordens toe).
Alex.Welnu?
Judoc.Tot mijn spijt en leedwezen moet ik bekennen, ehem — dat ik nooit een werk van dien aard op eenigen catalogus heb gevonden — —
Alex.(zich driftig makend)Dat pleit niet voor uw boekenkennis? meneer!
Judoc.— — en ook U, meneer, onder den naam dien ge voert, als schrijver nooit heb hooren noemen, ehem — —
Alex.Doktor Judocus!
Judoc.— — noch als leeraar aan een fictieve hoogere burgerschool te Bellingwolde. —
Judoc.— Ik heb zelfs gegronde reden te twijfelen — —
Alex.Twijfelen?
Judoc.— — aan 't bestaan van 't werk, dat ge 't uwe noemt. —
Alex.Meneer!
Judoc.— De onderwerpen, die ge opgeeft daarin te behandelen, komen mij, zelfs in uw mond, veel te ongeremd voor — —
Goedsm.Judocus, weet toch wat je zegt!(Alex. staat op).
Judoc.(staat op)— — dan dat ik zou kunnen gelooven dat u in ernst spreekt; —
Alex.Meneer v. d. Vlugt — die woorden!
Judoc.— en ik moet U gelijk stellen met hen, die van de argeloosheid der onwetenden misbruik maken ——
Judoc.(met hooge verontwaardiging)— — om hen te bedriegen!
Alex.(springt woedend vooruit)Meneer — was 't niet om de dames — ik zou je die woorden doen terugslikken — —
Goedsm.(smeekend)Meneer Magnus!
Alex.(schreeuwt)— — ik zou je doen voelen, hoe menschen als ik gewoon zijn, de onbeschoftheid van hun minderen te straffen! Dát zou ik!
Judoc.(plegtig en bedaard)Is niet uw naam Alexander Magnus?
Alex.Mijn naam is Alexander Magnus Junior, gelijk die mijns vaders Alexander Magnus Senior was. Ik ben leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde. Dat heb ik u zoo even gezegd — hoe dikwijls zal ik 't nog moeten herhalen!
Judoc.De persoon van Alexander Magnus is mij bekend — —
Alex.Als schrijver van 't bovengenoemd geleerd werk.
Judoc.— — in de geschiedenis — —
Alex.Van de nieuwere letterkunde.
Judoc.— — van 't oude Macedonië — —
Alex.Macedonië?
Judoc.— — als vorst en wereldveroveraar!
Alex.Wereldveroveraar?
Judoc.— U echter ken ik niet, noch uw geleerd werk, en — ik wensch met geen van beide in nader kennis te geraken.(buigt, gaat zitten, drinkt en rookt zijn pijp.)
Alex.(woedend)(Goedsm. tracht hem te sussen.)Meneer v. d. Vlugt, doktor Judocus v. d. Vlugt — U is óf een ongehoorde ezel, óf niet regt bij zinnen. Ik wil u niet beschamen voor de dames hier, en voor onzen waardigen gastheer. Maar ik raad u, neem je beleediging terug, als ge niet wilt, dat ik je prijs geef, u en je doktorsgraad summa cum laude, aan de woede en verachting van een beschaafd publiek, dat mij kent en hoogschat. Bedenk, meneer — —
Vorigen.Jannekeroept van uit de keuken:
Jann.Juffrouw, de eijeren zijn derin. Wil uwe nou is op 't alozie kijken, anders worre ze weêr te hard, net als laast, en dan krijgt Janneke ze naar 't hoofd.
Math.Ik kom, Janneke, ik kom — ik ben dadelijk achter!
Clara.En ik volg je op den voet.
(ter zijde.)Ons gezelschap is al te verleidelijk!(Math. en Clara af.)
De drie heeren blijven zitten en zien elkaâr een poos zwijgend aan. Alex. blaast en tracht tot bedaren te komen; Judoc. steekt een pijp op;Goedsm.ziet beide angstig in 't gezigt.
Goedsm.,Judoc.,Alex.
Goedsm.(vult de glazen)Komaan, heeren, ledigt de glazen en drinkt vriendschap! Laat niet een redeloos stuk papier oorzaak wezen, dat de goede verstandhouding tusschen ons verstoord wordt.
Alex.Toch niet, meneer Goedsmoeds, toch niet. Ge neemt dat verkeerd op — : wij geleerden twisten dikwijls en raken in vuur en vlam — maar 't blijft een wetenschappelijk dispuut. Op 't gebied der kennis slaan we elkaâr de beenen stuk — daarbuiten zijn we vrienden, als vroeger. — Nietwaar, doktor?
Judoc.Ehem — wat meneer daar zegt, strookt niet geheel met mijn gevoelens.
Goedsm.Komaan, doktor — de heer Magnus is 't eerst bereid zijn hand je te reiken. Zul-je nu weigeren?
Judoc.Dát juist niet — mijn aard is niet wraakzuchtig — edoch — —
Alex.Kom kom, meneer v. d. Vlugt — sans rancune! Laat ons dit glas drinken op onze verdere vriendschap!
Meneer Goedsmoeds, met U in 't bijzonder zal ik 't genoegen van een nadere kennismaking op hoogen prijs stellen.
Goedsm.Niet meer dan ik, meneer, niet meer dan ik.
Alex.Zeer verpligt, zeer verpligt. — En nu, heer Goedsmoeds, nu de vrede hersteld en beklonken is, laat mij terugkomen op 't eigenlijk doel van mijn bezoek alhier. De vervoering waarin ik geraak, telkens wanneer ik van mijn werk gewaag, of op 't terrein van een wetenschappelijk gesprek wordt gebragt, doet me steeds al 't overige vergeten.
Goedsm.Spreek, meneer Magnus — niets zal me aangenamer zijn.
Alex.'t Onderwerp dat ik heb aan te roeren is echter van dien aard, dat — enfin, zonder onbeleefd te zijn — —(Judoc. aanziend.)
Goedsm.Zóó waarachtig? — maar voor meneer v. d. Vlugt hebikvolstrekt geen geheimen. Ik hoop dus — —
Alex.Dat wil zeggen — pardon, ik ken uw relatie tot meneer niet, maar de zaak die ik behandelen wil, is van een zóó kiesch karakter — —(Judoc. staat op).
Goedsm.(tot Judoc.)Blijf zitten, doktor, blijf zitten!
Judoc.Ik zou niet gaarne onbescheiden zijn — —
Goedsm.Volstrekt niet — blijf zitten!
(tot Alex.)Wel meneer, om u de waarheid te zeggen — ik kan me geen onderwerp van een zóó kiesch karakter voorstellen, dan dat mijn aanstaande schoonzoon 't niet meê zou mogen aanhooren.
Alex.Uw aanstaande schoonzoon?
Goedsm.Als zoodanig moet ik u meneer v. d. Vlugt bekendmaken.
Alex.Ei ei? — Dát verandert de zaak.
(tot Judoc.)A propos, ik wensch je geluk, collega!
(tot Goedsm.)Dát verandert de zaak geheel, meneer Goedsmoeds; en dit heugelijk feit bespaart mij een inleiding: ik kan mijn welsprekendheid laten rusten.
Goedsm.Hoezoo, meneer, hoezoo?
Judoc.Ik doorgrond niet, ehem — hoe mijn verloving met meneer Goedsmoeds' dochter, ehem — —
Alex.Juist, juist!
(Tot Goedsm.)Wat zou u er van zeggen, meneer Goedsmoeds, alsikme tot mededinger opwierp naar eenzelfde eer?
Goedsm.Tot mededinger?
Judoc.(verontwaardigd)Tot mededinger, meneer!
Goedsm.Ik begrijp niet — —
Judoc.Ook mij komt 't onverklaarbaar voor ——
Goedsm.— — hoe ik uw voorstel, ehem — moet opvatten.
Judoc.— — hoe ge 't met uw begrippen van Europesche zedelijkheid kunt rijmen, ehem — —
Goedsm.Zeker — ik had toch de eer, u te doen weten, dat meneer v. d. Vlugt reeds — —
Alex.Met uw verlof — hier heeft een misverstand plaats, een schromelijk misverstand. Stelt u gerust, meneeren — ik ben geen Turk, geen antropophaag, geen onbesneden heiden! — Doch,pauca verba,pauca verba!
Om ter zake te komen, meneer Goedsmoeds — leen mij, bid ik u, een oogenblik gehoor; en laat een krachtig en welgemeend aanzoek bij u niet minder gelden, dan de met kernachtige phrasen doorbloemde toespraak, waarmeê ik u had verrast — indien niet de tegenwoordigheid van een derden(ziet op Judoc.)mijn plan eenigzins had gederangeerd. — Hier volgt mijn aanzoek (staat op).
Goedsm.(staat op)En dat is, meneer?
Alex.Datik, Alexander Magnus Junior, wettige zoon van Alexander Magnus Senior, leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde — bij deze de eer heb te verzoeken om de hand uwer nicht, Mejuffrouw Clara, ten einde, na 't jawoord voor magistraat en priester ontvangen te hebben, haar als mijn echte vrouw te huwen, en ten mijnent te onderhouden. — Ik heb gezegd.
(buigt en gaat zitten)
Goedsm.(verwonderd en bedremmeld)Meneer Magnus — ik moet u zeggen, ehem — —
Alex.Spreek vrij uit, meneer Goedsmoeds!
Goedsm.— — ik moet u zeggen, dat uw voorstel, ehem — mij verbaast — en dat, ehem —
Alex.Welnu, dat?
Goedsm.— — en dat, ehem — ik kan — ik moet — ik ben genoodzaakt — —
Alex.Komaan, meneer Goedsmoeds, wees niet verlegen! Ik begrijp, mijn aanzoek moet u vereeren.
Goedsm.Zeker, meneer — maar ik ben genoodzaakt — 't spijt me — ik zie me als voogd verpligt — —
Alex.Nu, wat?
Goedsm.(ter zijde)Duivel, ben ik een kind geworden!
(drinkt zijn glas leêg).
't Spijt me, meneer Magnus, dat ik uw voorstel niet kan aannemen, en u de hand van mijn nicht moet weigeren.
Alex.Weigeren?
Goedsm.'t Spijt me, maar — —
Alex.Weigeren — en waarom?
Goedsm.Om de eenvoudige reden, dat Clara reeds met een ander verloofd is.
Alex.Met een ander verloofd?
Goedsm.Met een ander verloofd.
Alex.(in één adem)En wie is die ander, als ik vragen mag? Wie is hij, wat is hij, waar is hij? — Bemint hij haar, bemint zij hem, beminnen zij elkaâr? — Of is hun vereeniging slechts een van die koude, conventionele koppelingen, die in onze verbasterde maatschappij zoo dikwijls den heiligen, gloeijend gesmeeden huwelijksband surrogeren? — Spreek, meneer, — ik brand — antwoord me!
Goedsm.(bedaard)Meneer Magnus, u vraagt me meer, dan ik u kan of wil antwoorden. Daar echter de verlovingvan mijn nicht niet geheim behoeft te blijven, wil ik u gaarne zeggen wie haar aanstaande is. Hij is een jongmensch, die haar van harte liefheeft. Hij is nu op een verre reis. Zijn naam is Adolf Smit.
Alex.Adolf Smit?
Goedsm.Adolf Smit.
Alex.Adolf Smit van Hoogdorp?
Goedsm.Adolf Smit van Hoogdorp. — Voor 't overige verzeker ik u — —
Alex.(staat op, woedend)Voor 't overige verzekeriku, meneer, dat uw gedrag jegens mij onbehoorlijk is.
Goedsm.(staat op)Meneer Magnus!
Alex.Ge weigert botweg de eer, mij in uw familie te zien opgenomen,mij, Alexander Magnus — en, om op uw lompheid de kroon te zetten, doet ge mij die weigering in 't bijzijn van dien soesenden schoolmeester, dien gemoedelijken kalfskop, die daar in domme deftigheid zijn pijpen rookt!
Goedsm.Meneer Alexander Magnus — ik was nooit in mijn eigen huis beleedigd!
Judoc.(staat op)Mijnheer de statisticus — —
Alex.Laat me uitspreken! — Dat is alles nog niets. Maar dat ge boven mij een ellendeling voortrekt, een bedrieger, een losbol, als Adolf Smit is — dát, meneer, dát is verschrikkelijk — dát schreit om wraak!
Goedsm.Hemelsche goedheid — een losbol — wat zegt ge daar!
Judoc.(steeds heviger)Meneer de leeraar, durft ge die beschuldiging herhalen?
Alex.Meneer de slaapkop, dat durf ik.
Goedsm.Stilte meneeren! Als ge voortgaat, op deze wijsden vrede in mijn huis te verstoren, moet ik u verzoeken 't oogenblikkelijk te verlaten!
(tot Alex.)Zeg, meneer, hoe verdedigt ge uw laster tegen Adolf Smit?
Alex.Ik heb niets te verdedigen. Gij weigert me uw nicht — en daarmeê, basta! — Maar vóór ik ga, wil ik nog een woordje spreken met dien botterik,(tot Judoc.)die zich voor onderwijzer uitgeeft, voor wetenschappelijk man, en die niet eens mijn werk kent. Die bovendien — —
Judoc.Laat uw werk rusten!
Alex.— — die bovendien, om zijn verregaande stomheid te verbergen, mij in 't publiek tot leugenaar wil maken.
Judoc.Laat uw werk rusten, en herroep uw laster tegen Adolf Smit!
Alex.(hevig)Ikwilvan mijn werk spreken, en ik wil, dat jij je laster intrekt tegen mij. Hoor-je, meneer de roededrager!
Judoc.(besloten)Nu dan — wat aangaat uw werk, meneer van Bellingwolde — —
Alex.Mijn heerlijk werk, ja!
Judoc.— — dat nooit geschreven is — —
Alex.Door een kuiken als jij!
Judoc.— — en waarvan de onderwerpen — —
Alex.Zoo rijk en verheven!
Judoc.— — zoo plat en onzinnig, niet anders konden opkomen — —
Alex.Dan in mijn hoofd!
Judoc.— — dan in 't brein van een maniacus — —
Alex.Van een genie!
Judoc.— — van een monomaan ——
Alex.Van een wereldkenner!
Judoc.— — of een gewonen gek,naturaliter idiota— — Wat aangaat, zeg ik, dit uw werk, meneer de staathuishoudkundige — —
Alex.(hem nabaauwend)Dit mijn werk, meneer de jeugdbederver — —
Judoc.— — dit uw werk — —
Alex.(hem nabaauwend)— — dit mijn werk — —
Judoc.— — ik moet lagchen, inderdaad — —
Alex.Lagchen, lagchen! Dat lagchen zal ik je verleeren!(vat zijn hoed, en slaat er Judoc. meê op 't hoofd).
Neem dit, en dat, en dit, en nog eens dat — tot mijn arm stijf, en jou kop week is!
(Intusschen heeft ook Judoc. zijn hoed gegrepen, en slaat Alex. terug; Goedsm. tracht hen te scheiden, en roept niets dan: »in 's hemelsnaam, meneeren!" »houdt op, meneeren!" »bedenkt wat ge doet!" »brengt geen schande over mijn huis!" enz. enz.)
Judoc.(slaat)Gelijk Arminius — —
Alex.(») Boekworm!
Judoc.(») — — de Romeinen versloeg — —
Alex.(») Kinderkanibaal!
Judoc.(») — — en Karel Martel —
Alex.(») Hutspotverknoeijer!
Judoc.(») — — de woeste Sarracenen — —
Alex.(») Mottige foliant!
Judoc.(») — — zoo wil ik ook — —
Alex.(») Vogelverschrikker!
Judoc.(») — — waar 't op zelfverdediging aankomt — —
Math.,Claraen vorigen.
Math. en Clara komen haastig binnen, zij vatten Judoc. bij de armen, terwijl Goedsm. Alex. vasthoudt.
Goedsm.Stilte heeren!
(tot Math. en Clara). 't Is niets, kinderen, 't is niets.
(tot Alex.)Meneer Magnus, voor de laatste maal verzoek ik u, mijn huis te verlaten, en ergens anders je geleerdheid te gaan verkoopen. Na 't voorgevallene wil ik u geen oogenblik langer zien.
Alex.Ja, ik ga — —
Judoc.Neen, hij zal niet gaan — de lasteraar!
Clara.Lasteraar?
Math.Lieve hemel — wat wil die man toch!
Goedsm.(houdt Judoc. terug) Doktor — op je plaats — ik zal hier beslissen.
(tot Alex.)Meneer Magnus, nogeens, verlaat mijn huis of de policie — —
Alex.De policie! ik lach met de policie! — Ja, ik ga,meneer Goedsmoeds — maar je zult nader van me hooren — dat beloof ik je.(hij blijft aan de deur staan).
Clara.Maar oom, wat is toch de reden — ?
Alex.De reden, Mejuffrouw — —
Goedsm.(tot Clara)Niets, kind — ga naar achter.
(tot Alex.)Verwijder u, meneer!
Alex.(komt driftig terug)De reden, Mejuffrouw, is — —
Goedsm.Stil meneer! Ik verbied u tot mijn nicht te spreken!
(houdt Judoc. terug). Bedaar, doktor — laat mij begaan!
Alex.En ikwiltot uw nicht spreken. Ik tart u allen, als zij me maar regt doet wedervaren.
(tot Clara)De reden, Mejuffrouw, is, dat ik u bemin, dat ik om uw hand vroeg, en dat meneer uw oom — —
Clara.Geregte hemel — is 't waar, oom?
(tot Alex.)Foei, meneer — 't is schandelijk!
Alex.(kruist de armen en zet zich in postuur)Schandelijk — ook u vindt 't schandelijk! Eilieve, en waarom? Dat u me weigert, laat ik daar — maar welke reden kan u hebben, mijn aanzoek schandelijk te vinden?
Clara.Ik zeg u, meneer —'t isschandelijk(keert hem den rug toe).
(tot Math.)Kom, Mathilde, wij zullen ons in de keuken retireren, tot meneer hier ons 't genoegen zal gedaan hebben, zijn vereerende aanzoeken tot meer waardige partijen te gaan rigten.(zij willen gaan).
Goedsm.(houdt hen terug)Wacht 'reis — jelui blijft hier. Wou-je mij alleen laten met die twee dolle honden!
(tot Alex.)U vergeet te zeggen, meneer Magnus, dat ge, misschien om hem den voet te ligten — uw gelukkigen medeminnaar hebt belasterd. U heeft ons nog geen rekenschap gegeven van de scheldnamen waarmeê u Adolf Smit genoemd heeft.
Clara.Wat — scheldnamen? Adolf Smit belasterd? Kent hij Adolf Smit?
Judoc.(terwijl Math. hem voortdurend vasthoudt)Ja — de ellendeling, de hond, de valsche boekenschrijver, de pseudo-zoon van Minerva!
Goedsm.(tot Judoc.)Bedaar, dokter — houd toch al die liefelijke bijnamen t' huis!
Judoc.Ik ben bedaard!
(tot Alex.)De indringer, de schelmsche vagabundus!
Clara.Meneer v. d. Vlugt — denk toch om je gezondheid!