Triste exilé, sur la terre etrangère,Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!»La Reine de Chypre."
Triste exilé, sur la terre etrangère,Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!
»La Reine de Chypre."
Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner bestemming, scheidde, te paard af te leggen — gaf echter de Resident van X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen bezorgen. Maar, hij wist beter raad; — hij, Resident, zou me zijn eigentandoe[18]leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de hoofdplaats X... tot dedessa[19]M... vorderen, en, den volgenden dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.
Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusievan dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.
Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen vingerdruk en een genadig »goede reis, meneer Gabriël!" — Toen begaf ik mij terug naar 't logement, waar alras de bewustetandoe, door een paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.
Groote goden! — ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens belegden palankijn voorgesteld — maar zóó'n ding als dietandoewas — zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken entjitjaq's[20]bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken — — moest ik dáár in! — Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en zou dus niemand mijn schande vernemen.
Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging, verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en herhaalde mijn »trima kassih banjak sama Toean Rèsiden!"[21]— Vervolgens liet ikkoeli'shalen, en gelastte dezen, op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't sprak wel van zelf, dat ik dentandoeniet als tot mijn gevolg behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben verwijderd. — Hadde Resident mij een »koopje" willen leveren? — Ik geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar, in zijn grootheid meende hij, dat zoo'nmode of conveyance, dieikalleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der tweede klasse.
Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijnkoeli's den gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn rekening — want ook op Java doet men dat in enkele gevallen — en ontsnapte door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die waarschijnlijk dentandoegezien hadden, en mij, met heel onnoozele gezigten, vroegen, »waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien naar Boemi-aijoe gingkuijeren— ?"
Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn Bataviaschen jongen gevolgd — die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijlikwandelde,zijn paardbij den teugel te leiden — den weg bergwaarts op.
De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij gelaten. Doch dekampong[23]van X... is groot, en strekt zich minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven was er dien dag juistgrootepasar[24], zoodat, ook buiten de limieten van dekampong, nog immer de weg bezet bleef door een aaneengeschakelde reeks vanwarong's[25].
Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijntandoevoortbewegen; dekoeli'sdie ik spoedig had ingehaald, geven teekenen van herkenning — doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geentandoeter wereld afwist — : ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch niet weggooijen; — neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op 't restje van mijn blonde lokken had gedrukt. — Maar nog altijd hield die gevloektepasaraan, en digt op elkaâr sluitende gaarkeukentjes getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.
Eindelijk, ja — de breedewaringin's[26]worden schaarscher langs den weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep tusschen 't groen dersawah's[27]verloor. — Hier zou ik instappen — 't was hoog tijd ook: ik kon niet meer. — Detandoewerd geopend, d. w. z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog geslagen; een paar reusachtigespinnen werden verwijderd; de smerigetikar[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met mijn regenjas — — daar zat ik. Dekoeli'sschreeuwen en kibbelen een poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken aanmoedigt; daar tillen ze mij op — — detandoekraakt en waggelt, en dreigt onder mijn ligten last te bezwijken — — doch neen, 't evenwigt is hersteld, de bamboezenpikoelan's[29]buigen gracieuslijk door — — voorwaarts gaat de processie: — mijn jongen aan de spits — als adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij wijze vanstraggler, een kerel, die mijn geweer enminoeman[30]zeult — — al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt, onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk maakt en vergemakkelijkt.
We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat 't loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.
Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijntandoegeschouderd hadden, onderling in afmetingen ½ à ¾ kop verschilden, zoodat mijn arm ligchaam, bij elken pas, een epicycloïdische beweging in de ruimte beschreef, die mij zeker — ware mijn gestel niet tegen dergelijke misselijkheden proef bevonden — allerjammerlijkst aan zeeziekte te land[31]had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet, daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk, nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat. — Bij al de miljoenen van 't Batig Slot — ik had dien Inspekteur der Cultures willen zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie X... heeft gemaakt!
Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen we een kleinekampongwaren genaderd, waar ons van tijd tot tijd voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in dentandoekeken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk Wolanda[32]— toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn voeten sprong, en — — en, na een kwartieruur loopens, mij door de gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te beklimmen: vloekend en razend tegen de stommekoeli's, die 't niet helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den ezel van een Gabriël, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl hij 't t'huis zoo goed had.
Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.
Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat ik — o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat! — mijn toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige Jonker was er — hoewel ver van betooverd — ; de kooi was er; de ossen waren er — in de gedaante vankoeli's— ; slechts de priester en de Barbier ontbraken — en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza. — Zóó mijmerend, maakte ik 't mij in dentandoezoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk over den rand der draagkoets bengelen; — toen eerst gevoelde ik mij gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik te slaan.
Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde door de breede bladeren derDjati-boomen;regts en links huppelde een vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk desawah'suit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen, die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't groote middenpunt van den Slamat. — — Ik tuurde en soesde; — en zóólang tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde onder de spelende middagkoelte — en naar de palmboschjes, die hier en daar eendessaverhullen — en naar de hooge, omwolkte toppen der bergen — — tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor korten tijd,tandoeenkoeli's, ja zelfs den goudenpajong[33], 't vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed vergeten.
Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij onzacht door de leden voer. — Ik zie opwaarts — daar is 't atappen dakje van mijntandoe; ik zie omlaag — daar is de grond; — maar, niet de grond op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten afstand van vijf à zes voeten — neen, vlak onder mijn facie, op geen handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen? — O neen: mijn zorgzamekoeli'sen jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de wijdberoemdewarongte L... (want tot binnen diedessawarenwe gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs consideratiën en advies — den hun toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond neêrgezet. —Qui dort, qui mange, hadden ze gemeend.
En ik — — daar zat ik — met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn geëxamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een troep schurftigekoeli's, met wie ik, ondanks mijn Roordasche taalgeleerdheid, geenboeofbaJavaansch kon wisselen — : ik, de accurate vertolker van Mawerdi, deamor et deliciaevan 't Maleisch college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes — — — daar zat ik! En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's trouwlustige schoonen — waarom hebt gij mij nietzienzitten, toen ik daar zat: opdat met één slag ook uw illusiën mogten in rook zijn opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet omtrent de glorie en de heerlijkheid van eenAmbtenaar bij die burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië— !
[17]Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.
[17]Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.
[18]Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.
[18]Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.
[19]Dorp, gemeente.
[19]Dorp, gemeente.
[20]Kleine muurhagedis.
[20]Kleine muurhagedis.
[21]»Grooten dank aan meneer den Resident!"
[21]»Grooten dank aan meneer den Resident!"
[22]Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche dwang-arbeiders of kettinggangers.
[22]Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche dwang-arbeiders of kettinggangers.
[23]Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.
[23]Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.
[24]Weekmarkt.
[24]Weekmarkt.
[25]Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.
[25]Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.
[26]Een schoone, breedgetakte boom.
[26]Een schoone, breedgetakte boom.
[27]Natte rijstvelden.
[27]Natte rijstvelden.
[28]Van biezen gevlochten matje.
[28]Van biezen gevlochten matje.
[29]Draagboomen.
[29]Draagboomen.
[30]Dranken.
[30]Dranken.
[31]Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn, heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche stroomen.
[31]Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn, heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche stroomen.
[32]Holland; van 't PortugeeschOlanda.
[32]Holland; van 't PortugeeschOlanda.
[33]Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.
[33]Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.
Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was eenpasangrahan[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan verkwikking en slaap.
Mijn eerste werk was — wijl ik ook hier niet met den verwenschtentandoewilde gezien worden — dekoeli'shalt te doen maken, met verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naastewarongbinnensluipen. — Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de wijze der Apostelen — stof op onze hoofden, en stof aan onze voetzolen — traden we dedessabinnen, wier bewoners ons aangaapten, alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te zien — en,aan te voet of in eentandoereizen,dachtende naïve kampong-menschen niet eens.
Hoe nu echter denWedono[35]uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen — ? Mijn jongen sprak geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's »Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.
Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder dependopo[36]zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast hem op de tafel, en detali-api-jongen[37]is op eenigen afstand neêrgehurkt. — »Dat zal deWedonowezen", dacht ik. Ik had wel gehoord van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met dezeidée fixegewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te merken, dat mijnWedonogeen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden afgelegd.[38].
»Tabé, Wedono," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en laag-maleisch — »banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan, — —"[39]
Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen. — »Maar meneer", stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen — »maar meneer,toean kira apa— ik ben niet Wedono — ik ben Europeaan — als uwe zoekt 't huis van den Wedono, dat is ginder."
Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!
»Pardon, meneer", stamelde ik, — —
»O", riep mijn goede kleurling — »ik neem niet kwalijk, ik zie wel, uorang bahroe."[40]
»Maar — wil u zoo goed zijn", hervatte ik — »mij naar depasangrahanden weg te wijzen?"
»Depasangrahan— hij is hier."
Aha, dacht ik — u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te willen schenken. Hij deed 't. — Kort daarna drong ik er op aan, dat 't eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij zeî me, dat hij gewoonlijk eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij denmandoor[41]zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en hijzelf moest zich noode in depasangrahanbehelpen, omdat er te M... geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg zijn definitief verblijf had kunnen opslaan. — —Astaga![42]— de laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin herbergier alsWedono— maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch blijspel[43]in naturaop te spelen. — Ik maakte nogmaals mijn excuses; doch de goede man woû van niets hooren, en kon zich alles best begrijpen: de malste bokken schenen hem, meenbaarals ik, hoegenaamd niet te verwonderen.
We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de inlandsche Hoofden, met wie ikzou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij mijn naaste buurman was — N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad — ; en hij eindigde met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had gewoond: — welk een-en-andermijaanleiding gaf, me over zijne, onder zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.
Zou de Europeaan, dacht ik, dienueen hoogleeraarsplaats bekleedt, onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn geworden; en had deze armesinjo, die zoo slecht Hollandsch sprak, en liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen groeijen?[44]
Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.
Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerigebalé-balé[45]met een gescheurdeklamboe[46]mij tot bedstede werd aangewezen.
Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; eentokèk[47]doet van uit mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte eengamelan— :
[musical score]
Note from the transcriberThis music is available in the following formats:MIDI file: Depending on your browser, the music may play automatically, or may need to be downloaded and opened in a separate application.Raw Lilypond file(convertible to other music-notation formats)Sheet music (PDF)(generated by Lilypond)
Note from the transcriber
This music is available in the following formats:
— door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen, mythischen Hindoe-tijd.
Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in den fijngevindenpeté; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.
Ik sliep er niet minder gerust om.
[34]Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.
[34]Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.
[35]Districtshoofd.
[35]Districtshoofd.
[36]Voorgallerij.
[36]Voorgallerij.
[37]Tali api= lont. ll. vuurtouw.
[37]Tali api= lont. ll. vuurtouw.
[38]Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas — doch nimmer hoed of pet verloochenen.
[38]Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas — doch nimmer hoed of pet verloochenen.
[39]»Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng U een bezoek, om uw hulp in te roepen, — — "
[39]»Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng U een bezoek, om uw hulp in te roepen, — — "
[40]Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár onsbaar.
[40]Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár onsbaar.
[41]Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.
[41]Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.
[42]Uitroep van verwondering en schrik.
[42]Uitroep van verwondering en schrik.
[43]Zie: Goldsmith's »She stoops to conquer."
[43]Zie: Goldsmith's »She stoops to conquer."
[44]Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf omdraaide. — Helaas! een bevindingin locozou mijn begrippen omtrentuitgezogen Javanen,vertrapte sinjo's, enz. enz. aanmerkelijk wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken; doch mij tevens doen inzien — 't geen trouwens alle redelijke liberalen, die van onze koloniënlocale kennisbezitten, zonder welke niemand een oordeel vellenkan, met mij zullen instemmen: dat men niet dan trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen elk gematigd bewind hun zal toestaan: voloprijstenrust. — Maar dan te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijkerust, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken! — Zeker, dat moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school. Ja — ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft vrouw Europa geleden en gebloed — nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt, als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien eeuwen! — — en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij maken! — Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië, alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen, doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.
[44]Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf omdraaide. — Helaas! een bevindingin locozou mijn begrippen omtrentuitgezogen Javanen,vertrapte sinjo's, enz. enz. aanmerkelijk wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken; doch mij tevens doen inzien — 't geen trouwens alle redelijke liberalen, die van onze koloniënlocale kennisbezitten, zonder welke niemand een oordeel vellenkan, met mij zullen instemmen: dat men niet dan trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen elk gematigd bewind hun zal toestaan: voloprijstenrust. — Maar dan te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijkerust, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken! — Zeker, dat moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school. Ja — ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft vrouw Europa geleden en gebloed — nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt, als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien eeuwen! — — en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij maken! — Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië, alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen, doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.
[45]Rustbank.
[45]Rustbank.
[46]Gazen gordijn, om de muskieten te weren.
[46]Gazen gordijn, om de muskieten te weren.
[47]Tokèkoftjekko: een grootere muurhagedis; men beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal achtereen doen hooren.
[47]Tokèkoftjekko: een grootere muurhagedis; men beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal achtereen doen hooren.
Toen ik ontwaakte, en uitkeek door de houten tralies van mijn venstertje, blies een frissche luchtstroom mij koelend langs de zware oogleden; en in 't fluisteren van den morgenwind hoor ik 't afscheidszuchten van den nacht en zijn sluipende gasten, die spoeden om zich te verbergen, schuw ineenkrimpend bij den reinen adem van den bode der zonne. — Ik zie, hoe de sterren 't zilveren kleed afleggen, en zich terugtrekken, na een laatste flikkering, achter den voorhang van eeuwig blaauw. Er is een zacht bleeken, een zwakke schijn van rossig licht over deklappa-boschjes tegen 't Oosten. Reeds even zigtbaar wordt de oudewaringinop den naasten heuveltop; en vriendelijk wuift 'tpisang-blad mij goeden morgen toe, gedrukt en buigend onder den schat van trillende dauwdroppels, waarmeê de sombere nacht de planten tooit, als met tranen, en die de dag, de jonge lagchende, met tooverstralen zal verkeeren in fonkelende diamanten, heerlijk afgezet op hun kussen van fluweelig groen.
Nu spoedig een bad genomen; de kleêren aan 't lijf; watnassi goreng[48]tot ontbijt; dan mijn mede-anachoreet de hand gedrukt, en — na een onderzoekenden blik op tuig en stijgbeugels, en een angstig vragen of 't beest ooknakal[49]is — 't kleine, mageregladak-paardje[50]bestegen: een rosje, waarbij de paarden van Harpagon vet hadden geheeten, en dat, ofschoon 't armelijkst knolletje uit desWedono'sstal, toch ook alweêr goed genoeg is voor den Ambtenaar »ter beschikking" — — ja, wél ter beschikking van elken Europeaan, wien 't lust, hem, alsbaar, een loer te draaijen; en van elken inlander, die begrijpt, datonze jeugdige held de taal nog niet magtig is, en ook vooreerst nog geen direkt gezag uitoefent.
Als gids werd mij een oud mannetje meêgegeven, dat den ganschen weg over niets deed, dan op bibberenden toon zingen of neuriën, en, vóórop rijdend, »gravement, sans songer à rien", er zich volstrekt niet om scheen te bekommeren, of detoean[51]hem volgde, al dan niet. Mijn jongen schreed, nu eens achter mij dan eens naast mij, voort, en aan 't lijntje strompelde nog steeds dekoelimet mijn buks en reistasch.
Intusschen werd de togt gedurig aan belangwekkender.
Als we de kleinedessadoorrijden, leeft er en joelt er alles: zwoegend draaft 't bruine goed dooreen, en pikoelt, en spoedt terpasar, en zweet al bij de schuine stralen der pas ontwaakte morgenzon. — Rimpelige, sirih-kaauwendenènè's[52]zijn er, die haar tweedenklappahebben zien vruchtdragen[53]:met haren, zoo wit als rollen van een gepoederde allongepruik, en lippen, rooder nog dan de roode lipjes van nonna Flora[54]. — Naakte kindertjes, bol en buikig als Rubbenssche engeltjes, die zich vasthouden aan moederssarong, en ons nastaren, met groote, schuwe, verwonderde oogen. — Ook zijn er jonge meisjes, met glimmend zwartekondé's[55], en wangen als goud, en oogen, die, als men er lang in keek, een dwaasheid zouden doen begaan. — En de mannen, zwijgend en gedwee, zwaaijen de bontetopis's[56], en groeten plegtig den met insigniën van gezag bekleeden heer; sommige zelfs, ouder gewoonte, zetten 't juk van bamboe af, dat knellend doorbuigt over den vereelten schouder, en hurken neêr langs den weg, gelijk hun vaders 't deden in de dagen van Pakoe Boewono, den »Spijker der wereld", of van den geduchten Toean Daendels, den »Mannetjes-man."
Zóó voert ons een smal wegje buiten den kring van hoog en laag geboomte, waarin 't dorpje verscholen ligt, als een vogelnestje tusschen de digte halmen van groengepluimde biezen.
Reeds speelt 't lichter door de takken. Zie — tusschen de stammen dóór van gladde, hoogopgaande palmboomen, schitteren de zonnige kleuren der vlakte: als de breede trappen van een reuzen-amphitheater klimmen rijstvelden op, glinsterend als duizend meirtjes, of, 't helder groen ineenmengend met 't zilveren waas, dat de nacht uitspreidde over de vochtige akkers.
En vóór ons, boven alles uit, prijkt, in statige hoogte, de groote, magtige Slamat!
Heil, Slamat, heil — wees mij gegroet, gij schoonste van Insulinde's bergen! Slamat is uw naam, en metslamat[57]wil ik u heilzingen — wees heil!
In dien stijl bragt ik den grijzen vulkaan mijn hulde, toen 't opgeslagen bladergordijn hem in al zijn grootheid mij ontdekte. — En als ik voortsukkelde over den hobbeligen weg, bragt mij 't bloed van de Rossinante die ik bereed, in een gansch ridderlijke vervoering.
O Slamat, riep ik — hoe schoon zijt ge — hoe eeuwig trotsch en schoon, nu de jonge dageraad met goud en purper uw kruin omstraalt! Hoe fier verheffen zich uw lijnen, scherp afgeteekend op een grond van rozig morgenlicht: eerst zacht glooijend, en dan ten hemel rijzend — steil, en hoog, onmeetlijk hoog — een kegel van trachiet! — Laat ik u bezingen en bewonderen — bewonderen in al de majesteit uwer naaktheid, vóór de dag feller licht: als gij de nevelen zult optrekken uit de dalen, en uw top hullen in zware wolken, u sluijerend en omgordend voor de oogen der menschenkinderen. — Slamat is uw naam, gij, die uit breede flanken, met ontelbre stroomen, den zegen uitgiet over 't land rondom! Slamat is uw naam, en metslamatwil ik u heilzingen — wees heil!
Als 's morgens vroeg de landman zijnpatjol[58]opneemt,en zijn buffels wegdrijft, opdat ze waden in den modder, en kaauwen op de natte stoppels — dan ziet hij sidderend omhoog naar de witte rookzuil, die den koning der bergen kroont. — Want hij weet 't, mijn berg, dat ge heilig zijt — hij weet 't, en hij vreest U. — Siwa, de vernieler, zetelt op uw top; Djins en Shètans[59]huizen aan uw ingewanden. — Zij sluimeren; — ongestoord zaaijen en oogsten de kinderen des lands; vrolijk klinkt degamelanoveral, en degongs[60]verkondigen luide, waar bruiloft gevierd wordt, en waar slanke meisjes dansen, getooid metboenga raja[61], en pronkend met nieuwe, rijk gebatiktesalendang's.
Zij sluimeren. — — Maar wee, wee, als zij zullen opwaken uit hun rust, om te werken in uw schoot, en de hel aan te blazen, die smeult aan uw fondamenten! — Dan zult ge dood en verwoesting spuwen uit uw wijden krater; vuur zult ge doen stroomen over de weerloozesawah's; verpletterend zult ge gloeijende rotsblokken slingeren op de hoofden der rampzaligen, die zich vertrouwend neêrlieten aan uw vruchtbaren voet; vloek en verderf zult ge spreiden in 't rond, over duizenden en duizenden! — En daar zal een kreet opgaan tegen u: niet meer Slamat zal uw naam wezen— maar Tjelaka zal men u noemen — tjelaka, tjelaka! — —[62]
— — En zóó uitdrukkingsvol bulderde ik dat ijselijktjelaka; en met zóóveel kracht schopte ik mijn lui gladakkertje de hakken in de ribben, om op de wieken van een vliegend enthousiasme tegen de bezongen Djins en Shètans ten strijde te rennen — — dat 't oude mannetje, mijn gids, uit zijn soesend geneurie opgeschrikt, plotseling mijn paard bij de teugels greep; en mijn jongen op mij toesprong, met de vraag: »Toean kena apa".[63]. — Ik had, in een eerste opwelling van gekrenkte dichterlijke eigenwaarde, den dommen lummel wel een muilpeer willen toedienen; doch — 't gevaar van tuchthuisstraf daar gelaten — begreep ik, na koelen berade, den knaap wel aanleiding te hebben gegeven tot eenig betoon van dienstijver, daar hij, bij 't hooren van mijn noodkreet, slechts kon vooronderstellen: óf, dat zijn heer en meester door een scorpioen of duizendpoot was gestoken; óf wel, dat een der Djins, van uit de ingewanden des Slamat's, in hoogstdeszelfs hersenkas was komen varen.
Halfweg tusschen M... en Boemi-aijoe troffen we een paarwarong's, onder wier rookerig dak ik mij in de gelegenheid zag gesteld, broederlijk tusschen mijn gids en jongen gezeten, wat rijst uit eenpisang-blad benevens eenigekwé-kwé[64]tot mij te nemen.
Toen ging 't weêr verder. Bergop-bergaf liep de weg: nu eens daalden we diep in een ravijn, en waadden door't keijig bed van een koelen bergstroom; dan weêr kronkelde ons pad door koffietuinen, of door digte bosschen van reusachtigedjati-enrasamala-boomen, van uit wier loofdak, slankapen enloetoeng's[65]ons knorrend toegrijnsden.
Nog een laatsten heuveltop bestegen, hooger dan elke vorige — en zie — welk uitgestrekt vergezigt zich voor ons oog ontrolt: regts de wilde kammen van den Goenoeng Kembang, en 't golvend berglandschap, boven welks gekartelden horizon, schemerend ver, zich de zachte lijnen van den Tjerimaï teekenen; links de Slamat met zijn vertakkingen; en vóór ons, diep aan onze voeten, gerugsteund door de hoogten van Banjoemaas — prijkt — in kleurige weelde van kampongs en akkers, en boschjes en beekjes, 't heerlijk dal van Boemi-aijoe.
Een poos lang liet ik, in stille opgetogenheid, mijn blik weiden over den Eden die mij tot verblijf was aangewezen. Ook uitdienatuur sprak poësie — doch, helaas, niet voor mij: want ik verstond ze niet. Mijn hoofd duizelde, toen ik rondzag in dien Oceaan van groen en licht en kleuren. Want, gelijk een overmaat van bloemengeur de zinnen verdooft — zóó ook overstelpt een al te rijke natuur 't oog van den aanschouwer. En hierin, geloof ik, is 't vooral, dat de tropische schepping zoo oneindig bij onze Noordsche achterstaat — :er is te veel: nergens is een leêgte, nergens kan iets gedacht worden dat der verbeelding stof tot fantaseren laat, de overvloed zelf maakt hier 't landschap doodsch en eentoonig.
Doch kom — welk redelijk wezen staat er, onder een Javasche middagzon, op 't topje van een kalen heuvel, over natuurschoon te monologeren! — Hoort ge dan niet, Gabriël, dat uw inlandsch geleide uw geestdrift aan beschonkenheid toeschrijft! Voelt ge zelf niet 't merg in uw dichterlijk ruggestreng tot den derden aggregatie-toestand overgaan!
Zoo dwong mij de alle genot verbiedende warmte, spoediger dan ik gewenscht had, in de lommerrijke vallei een toevlugt te zoeken. — Ik kamde mijn haren wat op, liet mij 't stof wat van de kleêren slaan, en nam, toen ik dedessabinnenstapte, een ietwat fiere houding aan, terwijl ik mijn voorrijder en gevolg aanbeval, op te sluiten en den behoorlijken afstand te bewaren, opdat we, voor zoover onze uitrusting 't toeliet, met betamelijke waardigheid voor de controleurs-woning mogten afstijgen.
De controleur, een jong mensch, ontving mij, gelijk men — in Indië — iemand ontvangt, met wien men weet, dat men 't leven in de wildernis zal moeten deelen.
Zijn rijsttafel bleek uitnemend. — Doch wat mij 't meest beviel, was, dat hij mij een kamer inruimde, vanwaar ik een onverhinderd uitzigt had op de hemelhooge massa van den Slamat.