[48]Opgebakken rijst.
[48]Opgebakken rijst.
[49]Ondeugend.
[49]Ondeugend.
[50]Gladak= al wat bij 't verrigten der heerediensten gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.
[50]Gladak= al wat bij 't verrigten der heerediensten gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.
[51]Heer, heerschap.
[51]Heer, heerschap.
[52]Oud moedertje.
[52]Oud moedertje.
[53]De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't Maleische werkje, getiteld »Pelajeran Abdallah", van een grijs moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een oudenklappawees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen, die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat, gestorven was. Daar nu deklappa60 en meer jaren oud wordt, zoo zou men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.
[53]De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't Maleische werkje, getiteld »Pelajeran Abdallah", van een grijs moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een oudenklappawees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen, die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat, gestorven was. Daar nu deklappa60 en meer jaren oud wordt, zoo zou men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.
[54]'t Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen vermiljoenrood.
[54]'t Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen vermiljoenrood.
[55]Haarwrong: natuurlijkechignon— zondergregarinen.
[55]Haarwrong: natuurlijkechignon— zondergregarinen.
[56]Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.
[56]Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.
[57]Slamatbeteekent: heil, zegen.
[57]Slamatbeteekent: heil, zegen.
[58]Houweel, om den grond meê te bewerken.
[58]Houweel, om den grond meê te bewerken.
[59]Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met 't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te plaatsen.
[59]Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met 't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te plaatsen.
[60]Bekkens.
[60]Bekkens.
[61]Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte haren der Javaansche schoonen.
[61]Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte haren der Javaansche schoonen.
[62]Tjelakabeteekent: ongeluk, ramp, verderf — als tegenstelling vanSlamat= heil, zegen.
[62]Tjelakabeteekent: ongeluk, ramp, verderf — als tegenstelling vanSlamat= heil, zegen.
[63]»Wat overkomt meneer?"
[63]»Wat overkomt meneer?"
[64]Koekjes, inlandsch gebak.
[64]Koekjes, inlandsch gebak.
[65]Een aapsoort.
[65]Een aapsoort.
Den nacht daarop, droomde ik, als naar gewoonte.
En zie — ik droomde van den berg, wiens heerlijkheid den ganschen dag mijn oog en geest had bezig gehouden.
Weêr zat ik op mijn knokigen Bucephalus; weêr bragt ik mijn heilgroet den Slamat toe. En toen ik mijn »tjelaka, tjelaka!" uitgalmde — toen hield geen domme jongen mijn strijdros in bedwang. — Maar ik vloog voort, als op de wieken van den vogel Rok — met de witte rookzuil tot poolster van mijn vlugt — opwaarts, immer opwaarts!
Ik doorkruiste de bosschen, die zich uitstrekken aan uw voet, o reus van midden-Java; den tijger verstoorde ik in 't verslinden van zijn prooi, den forschenbanteng[66]streefde ik voorbij; den neushoorn heb ik bespied, den loggen vorst der wouden, als hij afdaalde langs 't zelfgegraven rotspad, om zijn dorst te stillen aan de koele wateren van 't meer Randjeng[67].
En verder ben ik gegaan. Ik heb de Zandzee doorloopen, die opvoert tot uw spits. — Toen heb ik mij neêrgezet — —
— — En ik zag 't verre land uitgestrekt, zoo diep onder me — groen en nevelig, bijna onzigtbaar. En verder nog, de groote zee, en de groote, witte wolken. — — En 't was me, als kende ik dat alles niet meer. — — 't Land verdween, en de zee, en de wolken. — — Een bonte dwarreling sloot mij de oogen; een zalig suizen, als van verwijderd snarengetokkel: een symphonie van vedels en fluiten en cello's, klonk mij ruischend in de ooren. — — En ik voelde, en ik hoorde, en ik zag — —
— — Ik zag, in rozig schemerlicht, de bloeijende dreven van Mohammed's Paradijs: hoog, hoog boven de blaauwe lucht — tot in de zevenden Hemel, waar Allah troont, die waakt over de Kaäba, en goedig glimlacht over de zaligheid van zijn zalige uitverkorenen. Ik zag de Hoeri's, in den luchtigen tooi van een onschendbare maagdelijkheid, rustend, op purpren avondwolkjes, aan de zijde der gelukzaligen. Ik zag, hoe ze den nooit bedwelmenden wijn schonken, uit nooit ledige kannen; en hoe ze, brandend van kuischen minnegloed, haar nooit vermoeijende kussen drukten op de verjongde lippen der grijs gebaarde Moslem.
— — Toen hoorde ik een lied, vierstemmig, wonderschoon, dat de Cherubjes zongen, rond Allah's troon. En Salomo, de wijze, sloeg de maat, met gouden dirigeerstok. David echter, in herderscostuum, moest den toon aangeven, en den zang begeleiden met zijn onnavolgbaar harpspel.
— — En mij dacht, als verstond ik de woorden van dat lied: als sprak er één stem tot mij, onder al die stemmen: een stem van Israfil[68]— die ik kende — en die mijopriep, mij, den ongeloovigen hond, om in te gaan tot de vreugde der geloovigen.
— — Reeds snuif ik den geur op van muskus en ambergris[69]; reeds breidt me een zoete Hoeri, de schoonste der schoonen, haar mollige armen uit; reeds sluit zich 't donzig wolkenbedje rond mijn leden; ik slorp met volle teugen den eeuwenouden Cypruswijn; — — ik smelt, mijn lippen trillen, onder de warme omhelzing van 't eigen liefje des profeten — —
— — »nonna Flora", riep ik, terwijl ik haar aan mijn boezem knelde — »nonna Flora, gij hier, onder de schaduwen van den onverwelkbaren Lotus[70]! Op aarde, in Gang Patjenongan[71], heb ik u te vergeefs gezocht — zal ik u hier, o zoete Pari-banou, de mijne mogen noemen! — Kom mét mij, geliefde: we zijn beide nog te jong voor een paradijs-leven; kom mét mij — laat ons afdalen tot gindsche bloeijende aarde, en ons een tuiltje plukken in de wilde rozeboschjes van Simpar[72]! Kom, o kom, veelbeminde nonna — — !"— — — — — — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — — — — — —
Zoo gezegd, zóó gedaan.
De voorgenomen afdaling schijnt echter met zóó grootesnelheid, en zóó in strijd met alle natuurwetten te hebben plaats gehad — dat we, niet in de rozeboschjes van Simpar — doch, nonna Flora, ik weet niet waar, en ikzelf, in zeker bed binnen dedessaBoemi-aijoe (Regentschap B... Residentie X...) moet zijn teregt gekomen. Dáár ten minste vond ik mij wakker, met 't angstig gevoel van iemand die een zwaren val heeft gedaan.
Ik keek met verbijsterde blikken rond; en twee-driemalen moest mijn jongen mij de nuchtere mededeeling herhalen: dat 't reeds zeven uur was, en 't ontbijt mij wachtte.
Batavia. Junij, 1866.
[66]Wilde stier.
[66]Wilde stier.
[67]Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.
[67]Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.
[68]De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig ander schepsel.
[68]De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig ander schepsel.
[69]Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.
[69]Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.
[70]Zie Alkoran, Hoofdst. 53.
[70]Zie Alkoran, Hoofdst. 53.
[71]Een laan [of gang] in Batavia.
[71]Een laan [of gang] in Batavia.
[72]Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ± 4000 voet, een vervallenpasangrahan, geheel omgeven door uitgestrekte boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben voortgeplant.
[72]Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ± 4000 voet, een vervallenpasangrahan, geheel omgeven door uitgestrekte boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben voortgeplant.
(GABRIËL'S HULDE- EN MINNEZANG.)
Dusky like night, but night with all her stars.Byron, »the Island."
Dusky like night, but night with all her stars.
Byron, »the Island."
Con fuoco.
Kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend morgenland, 't heerlijk, zongekroond Sumatra; kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen — hoe zou ik U beschrijven, Flora, nonna Flora, bruin meisje uit 't rijk Menang-kabau[73]!
Hoe zou ik U beschrijven; met welke beelden uw schoonheid prijzen? — Zal ikpantons[74]rijmen ter uwer eer? Zal ik uw lof verkonden, met de minnenamen van Hafiz? — Of, klinkt een toon uit Gabriël's speeltuig U zoeter, dan de lierzang van hem, die Schiraz' tuinen deed sidderen van wellust — ?
Toen men U ontrukte, een teeder spruitje, aan den mildenschoot der moederaarde, om U over te planten op den killen bodem van 't vreemde vaderland — toen hebt gij niet getreurd om uw verloren paradijs; geen zucht naar 't land der palmen heeft U doen kwijnen, geen traan van heimwee bedauwde den rozeblos uwer wangen. Gij hebt getierd en gebloeid, geschitterd hebt ge in den Elfenkring uwer blonde zusters — als de hel glorende papaver, die 't hoofd opheft tusschen bleeke korenbloemen.
Wél zijt ge vreemd geworden aan densoekoe[75]uwer moeder. Ge kent de taal niet meer van 't lied, waarmeê Kadidsja U in slaap suste. En de jongelingen van Tanahdatar, als ze U zien mogten, zouden opstaan van hun spel, en vragen: »wie is zij, wier aangezigt blinkt alspisang-maas[76], en wier gang is als van een Koningsdochter?" — En ge hebt 't lief gekregen, 't stormig duinstrand, dat U gastvrij opnam, als een eigen kind. Ze zijn U dierbaar geworden, die uw jonkheid gevormd hebben en geleid; die, waar uw stoute geest te wild vloog, en uw bloed te vurig bruiste — met wijze hand die vaart beteugeld hebben: gelijk de dessaman 't dartel beekje bedwingt, opdat 't, vruchtbaarmakend, desawah's[77]besproeije, huppelend in duizend takjes, zegenbrengend, en liefelijk voor allen.
Maar toch, Flora, toch heeft de koude mist van 't noorden geen ijs doen vloeijen in uw aderen. Toch zijt ge niet verbasterd van den stam die U voortbragt. En vrijer straaltuw oog, en hooger zwelt uw boezem, als ge 't voelt met iederen polsslag: hoe 't fiere bloed der Padri's warm opwelt uit de reine levensbron, die uw hart doet bonzen, sneller en heviger, dan dat van de blonde speelnooten uwer jeugd.
We staan zamen, in den vroegen morgen. We hebben 't Oog des Daags[78]zien opgaan over de hoogten van Poeloe Panitan[79]. Alles rust nog; de blaauwe wateren sluimeren in de diepte.
Zie — Straat Soenda ligt voor ons open! Hoe prijkt in bonten dos de breede wal van Bantam's heuvelen; hoe trekt 't ons, met toomeloos begeeren, naar 't groen der eilanden, die opdoemen uit de kalme watervlakte, en ons toelagchen, als in Mirza's droom de woningen der eeuwige vreugde! Zóó wenken den matten reiziger de dadelboschjes der oäse; zóó verkwiktons, na een droeven zwerftogt, de afgebeden aanblik van land, land!
En Noordelijk — ver weg, als nevelbeelden aan den trillenden horizon — teekenen zich schemerend de graauwe uitlijnen van twee hooge bergen — : dat zijn de bergen van de Lampongs, dat is Sumatra, Flora — Sumatra, uw rijk geboorteland!— — — — — — — — — — — — — — — — —
Hoort ge den klang vanboenji-boenji-an[80]; ruischt U heimelijk een wiegelied tegen, weemoedig zingend, zacht verstervend, in den wijden blaauwen aether, als een stem uitWishnou's hemel! — Voelt ge U vleugels aangebonden: stijgt ge omhoog als een ligte Déwi; jaagt ge vlug door de zonnige ruimte — — Flora, waarheen? — Over zee en bergen, ver van hier; over de kruin van Radja-Basa, over de Piek van Indrapoera — tot aan 't land waar de kamferboom[81]bloeit!— — — — — — — — — — — — — — — — —
Dáár zoudt ge U neêrlaten, moêgetogen, om te rusten aan den zoom van 't beekje, waarin Kadidsja gebaad heeft — Kadidsja, die uw moeder was — !
Ik wil mét U gaan, Flora — mét U naar Agam's eeuwig groene hooglanden.
Ik weet er een koele vallei, ringsom tusschen steile bergen gelegen. Dáár, onder den geurigen boog derpandan-rampei, in de schaduw der benzoëbosschen — zullen we ons een hutje bouwen. Ik zal uw leger spreiden vanmelati[82]en blaauwetjampaka[83]; uw dorst zal ik lesschen met frisschen sherbet; uw honger stillen met de kostelijkste vruchten des wouds.
En als uw oog zal schitteren bij den herkenningsgroet van uw bergen en bosschen; als uw mond zal juichen en uw hart opspringen van verrukking over den Eden dien ik U weêrgeef — — Flora — lesch dan ook den dorstmijnerziele — stil dan ook den honger diemijverteert!
Want zóó bemin ik U, bloem van Indalus — : als ge mij vóórzweeft in al de weelde van uw Oostersch feeënschoon! O, mijne Sultane, mijne Odaliske, zóó bemin ik U — : als ik met U wandel in den droom, aan de boorden van Euphraat en Tigris, in de tooverlustwarand der hemelsche Sheherezade: waar sappige granaten lokken, smachtend neêrgebogen over beddekens van rozen en anjelier; waar kristallen vlietjes murmelen, tusschen kelk en blad van dauwgedrenkte lotos; waar de lucht zwaar is van geur; en Bulbul, in zangerige toonen, zijn leed klaagt aan de volle maan, die stralend opdaagt over Bagdad's gouden transen.
Wie is de man, dien gij bezaligen wilt met een sprekenden blik, uit 't zwart der levende diamanten, die de spiegels zijn van uw gevoel — ?
Wie zal de tressen mogen opbinden van uw golvende haren; of met stouten arm de volheid omspannen van uw fijn gevormde leest — ?
Wie zal roemen op den kus uwer lippen: den eersten, die een zoeten bond bezegelt: den warmen, rijpen, albelovenden kus uwer jonge liefde — ?
Zeg, Flora — zalik't zijn? Zeg, mijne Balsora — zal Gabriël uw Abdallah wezen — ?
Hoe zou ik U beschrijven, bruin meisje uit 't morgenland! — En kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijendOosten; en kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen — — hoe zou ik U beschrijven, U, en mijn liefde voor U — Flora — dochter van de slanke Kadidsja — zoet bruidje mijner droomen!
In Straat Soenda.Maart, 1866.
[73]Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.
[73]Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.
[74]Maleische balladen, meestal van erotischen aard.
[74]Maleische balladen, meestal van erotischen aard.
[75]Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op eigenaardige wijs verdeeld zijn.
[75]Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op eigenaardige wijs verdeeld zijn.
[76]Een schoone, goudkleurige banaansoort.
[76]Een schoone, goudkleurige banaansoort.
[77]Natte rijstvelden.
[77]Natte rijstvelden.
[78]Zóó heet in 't Maleisch de Zon.
[78]Zóó heet in 't Maleisch de Zon.
[79]Prinsen-eiland.
[79]Prinsen-eiland.
[80]Speeltuig, inlandsche muziek.
[80]Speeltuig, inlandsche muziek.
[81]De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.
[81]De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.
[82]Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.
[82]Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.
[83]De blaauwetjampaka:een bloem, die voorondersteld wordt alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »Paradise and the Peri."Note.
[83]De blaauwetjampaka:een bloem, die voorondersteld wordt alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »Paradise and the Peri."Note.
(ONTBOEZEMING VAN EEN VERLIEFDEN CHEMICUS.)
EEN AANWIJZING TEN DIENSTE DER LEERLINGEN VAN HOOGEREBURGERSCHOLEN, HOE, OOK OP DE STUDIE DER SCHEIKUNDE,VAN ALPHEN'S »SPELEND LEEREN" TOE TE PASSEN.
Naturae ars magistra.
Titania — neen, niet langer kan ik zwijgen! Mijn leven, mijnlaboratorium, mijnretortenstaan op 't spel: reeds driequantitatieve analysenheb ik fautief berekend, vier zeldzamevetzuur-verbindingendoen aanbranden, en zeven kilogramcacaoboonenverknoeid aan een mislukte bereiding vantheobromine— — alles om U, Titania — om U!
Kalm en doorschijnend was mijn gemoed, rustig en klaar in 't vast bewustzijn onzer wederzijdscheaffiniteit— als een pasgefiltreerdeoplossing vanmatig zuur acetas plumbi.Maar een drop stinkendsulphidum hydrogeniiis in de reine vloeistof gevallen, en heeft ze getroebeld met 't vuilzwartpraecipitaatvan eenzwavellood-bevattende jalousie!
Want, weet, trouwelooze, dat ik U bespied heb! — Gister, gisteravond toen ik slenterde langs de cingels, peinzend over 't approximatiefnickel-gehalte van de hemelligchamen die men meteoren noemt — gisteravond, Titania, heb ik U bespied: wandelend, in 't Delftsch plantsoen, onder de schaduwen van eensalicine-houdend popelboschje — wandelend, arm in arm, met een mij onbekenden jongeling: wiens aangezigt blonk in 't maanlicht alskwikzilver, wiens oogen schitterden alsphosphorusinzuurstof, wiens haar en knevels zwart waren alsoxydum cupri. — Ik heb U bespied met dien jongeling — in meer dan vertrouwelijken kout, in meer dan vriendschappelijke toenadering — — Titania, wat moet ik van U denken — ?
Wat moet ik van U denken? — Zijt ge als 'tchamaeleon minerale, heden groen en straks weêr rood? Zijt ge als 't aarzelendoxydum stanni, nu eens zuur, dan wederbasisch? Of is uw gehechtheid aan mij als die vanzwavelzuuraanmetaaloxyden: sterk op zichzelf, doch zwak en vlugtig bij toevoeging van een derkoolzure alcaliën— ? Zeg, wreede schoone, is die zwartharige jongeling de magtigerbasis, die mij 'tzuuruwer liefde heeft onttrokken? Bestaat er sterkerkeurverwantschaptusschen hem en U, dan tusschen U en mij? — Spreek, onqualificeerbaar zamenstelsel van de meest heterogene vrouwelijke grilligheden! Spreek, onvergelijkelijke combinatie vanalbumine,fibrine,globuline,biline,creatine,chondrine, en verdereorganischeenanorganischebestanddeelen, die van uw heerlijk ligchaam de bouwstoffen zijn! Spreek — antwoord — en maak met dat ééne antwoord uw minnaar den gelukkigsten, of den rampzaligsten aller Chemici — !
Titania — gij, die voorzit als heerscheresse over de gezamenlijke massa van de mijn minnend hart vormendeatomenenmoleculen— gij, wier naam geëtst staat in 't kristal mijner ziele, als met onuitwischbaar schrift vanacidum hydro-fluoricum— gij, voor wie ik met vreugde al debloedbolletjeszou geven, die in mijnserum sanguinisronddrijven — — Titania, hoor mij aan, en laat mijn tranen uw steenen hart verweeken, als regendroppels 't gebrandesulphas calcis!
Toen ik U voor de eerste maal mijn vlam ontdekte; toen ik U voorsloeg, onze respectievelijkebasischeenzureeigenschappen tot een onontleedbaar huwelijks-zoutte vereenigen — — toen bleekt ge mij nietindifferent. Integendeel — mijn verliefd geleuter deed U blozen, alsrhodaankalium'tchloruretum ferri; ja — gelijk 'tdimorphe kristalvanjodidum hydrargyribij aanraking met een naald plotseling zijn geele kleur voor een hoogroode verwisselt — zóó deed mijn minverklaring uw blanke koonen gloeijen met den vurigen blos eener gepaste maagdelijke schuchterheid!
Hoe schoon waart ge toen! — Hoe zoet klonk me uw stem, als een toon uit dechemische harmonica! Hoe zacht was me uw adem, geurig en bedwelmend alsstikstof-oxydule! Hoe zwom uw oogappel in teedertraankliervocht, als eenkristalvansulphas cupri, zwemmend in een met aquadestillatagevuldreageerbuisje— !
En is dat alles nu vergeten? — Of, Titania, hebt ge mij bedrogen: hebt gemijslechts hoop gegeven, om U te gemakkelijker methemte kunnen verbinden — en hebikde rol gespeeld vansalpeterzuurinkonings-water, welks hulp 'tgoudwél inroept, doch enkel om zich door zijn bemiddeling met 'tchloriuméén te maken — ?
Titania, dierbare, zie toe wat ge doet — neem U in acht voor den gistingwekkenden invloed van dien zwartharigen jongeling! — Wél blinkt zijn aangezigt alskwikzilver— maar 't is de valsche, ras verdwijnende glans vankoper, metnitras oxyduli hydrargyribesmeerd; wél schitteren zijn oogen alsphosphorusinzuurstof— doch 't is de helsche vlam van alverpestendphosphorwaterstofgas;wél is zijn knevel zwart alsoxydum cupri— maar 't is 't zwart van 't bedriegelijk,nitras-argenti-houdend verwmiddel, dat looze kappers Melanogène en Eau de Florida bestempelen. — O, neem U voor dien jongeling in acht, vóór zijn vleitaal op U inwerkt alsplatina-moorop zoeten wijn! Wees hard voor hem en onverbiddelijk: weesonoplosbaar,onsmeedbaarenonsmeltbaar, als 'tmetaalwaaraan ge uw naam ontleent!
Maar voor mij, Titania — — wees oplosbaar voor mij, alsammoniainwater— smeedbaar, alsgoudvan Ophir — smeltbaar, als een theelepeltje vanRose's bismuthlegering!
Zie mij aan uw voeten, Titania! — Wat ben ik zonder uw liefde? — : een grove brokgraphiet, een ruwe pijpzwavel. Uw liefde moet dekooltotdiamantverkeeren; zal,met de ruwezwavelgemengd, de prachtig roodecinnabervoortbrengen. Ja, gelijk 'tgoud, dat, uit zijn oplossing doorsulphas ferrosusneêrgeploft, slechts een zwart, onooglijk poeder schijnt, doch welhaast, onder de hand des polijsters, alle metalen in heerlijkheid overtreft — zóó zal uw Chemicus wezen, wanneer uw echtelijke hand hem zal gepoetst en geschuurd en gepolijst hebben tot den schoonsten aller mannen.
Reageerdan op de zuiverheid mijner minnetrouw: breng ze, wat ik U bidden mag, in debuitenste blaaspijpvlam!Reageer, beide volgensnattenendroogen weg,qualitatiefenquantitatief— en zie, of zij die van den zwartharigen jongeling niet verre in gehalte te boven gaat!
En als gij voldaan zult wezen na 't onderzoek waaraan ge mij zult onderworpen hebben — o, Titania — herhaal dan 't mij gegeven jawoord — schrap dien zwartharigen maagdenschenner van de lijst uwer aanbiddendeamanuenses— en laat mij,mijslechts met U kuijeren, 's avonds, in 't Delftsch plansoen, onder de schaduwen van 'tsalicine-houdend popelboschje!
Dan zal ik U beminnen boven mijn kostelijksteplatinenkroezen;vereeren zal ik U boven Lavoisier en Liebig. Voor U zal ik arbeiden; ten uwen gevalle wil ik al de 63 + xelemententot een ongehoorde reuzenverbinding zamensmelten, die ik doopen zal met den naam van onze eerste huwelijksspruit. — Ik zal uw bruidssieradiën smeden uit de weêrbarstigste allergrondstoffen: vanosmiumzullen uw oorbellen, vanrhodiumzal uw doekspeld, vaniridiumzal uw halsketting wezen. En uw armbanden zullen zijn vantallium, van 't raadselachtig, amphybischtallium, dat ik zelf zal afzonderen uit denresiduvan twintig zwavelzuur-fabrieken.
Edoch — luister, onvermurwbaar pronkjuweel derbewerktuigdeschepping — — : mogt gij ontrouw zijn aan 't gegeven woord; mogt ge wispelturig zijn als 'tchemisch kameleon, en vlugtig als 'tacidum carbonicum— — dan, Titania — wee U, wee mij, wee den zwartharigen ellendeling.
U zal ik overlaten aan de wroegingen van uw ontrust geweten, die U zullen bijten en verteren — alspotassa-hydraatde wratjes op uw vinger.
Hem zal ik een glazen bol naar 't hoofd werpen: een bol, gevuld met 't vreesselijkst aller vergiften — gevuld met 't alvernielendkakodyl.
En mijzelf — — mijzelf wil ik een drank bereiden: uitmorphine, uitstrychnine, uitbrucine,veratrine,atropine,daturine,aconitine,anthiarine,coniïne,nicotine, en al deinen, die daar genoemd staan onder de ijzingwekkende categorie derplantaardige zoutbases— — dát, Titania, dát zal ik — zoowaar Berzelius groot is, en Mulder onfeilbaar!
P. S. Ik schrijf dezen — niet met inkt — niet met mijn bloed — doch met een rozeroode oplossing van sympathetischchloor-kobalt. Onder een kouden blik, in een koude hand, zal mijn brief stom wezen; — doch legt ge hem aan uw warmen boezem — zoo zullen de woorden verrijzen: blaauw — als 't hemelblaauw uwer oogen!
(AAN EEN ROTTERDAMSCH MODISTJE.)
Haar vader is een zwarte smid,Haar moeder schijnt wat vinnig;Maar zij is als de sneeuw zoo wit,En als een duifje aanminnig.Bogaers.Blanche et rose comme une Hollandaise.Alex. Dumas.
Haar vader is een zwarte smid,Haar moeder schijnt wat vinnig;Maar zij is als de sneeuw zoo wit,En als een duifje aanminnig.
Bogaers.
Blanche et rose comme une Hollandaise.
Alex. Dumas.
Andante cantabile.
Van U wil ik zingen, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind! Van U — zoete Suze, kleine Suze — kleine, zoete, blonde Suze!
Schoon waart ge — : niet als een Venus van Canova, of als een Romanheldin van Bulwer; geen elpenbeen was uw halsje, uw mondje geen koraal; niet fier waart ge als Juno, of rijzig als Diana; ook was uw aangezigtslijn verre van volmaakt, en teekende zich geen Grieksch profiel, als ik, bij kaarslicht, uw silhouetje natrok aan den wand. Maar in uw frissche, jonge, ongekunstelde gratie, waart ge schooner dan preutsche Freules of klassieke marmerbeelden: dartel als een Peri, lief als een Madonna, verleidelijk als een Sirene — toch, zoo innig, hartelijk, eenvoudig, als slechts een burgerkind 't wezen kan.
Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studententijd — mijn levend, lievend, lagchend godinnetje — Suze, van U wil ik zingen — van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde!
Weet ge 't nog — Suze mijn, liefste mijn — ?
Hoe we zamen zoo zoetjes dreven: hand in hand, oog in oog — op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje — ?[84]
De gulden zomerzon ging langzaam ter ruste over de verre zee; moê van den langen omloop, en van den eigen vorstelijken glans, leek ze een schoone prinses, statig en rijkgesierd, die afdaalt tot 't koelend bad. En óm haar, blozend en schuchter, volgden haar in losse groepjes de rozeroode wolkjes: als een stoet van jonge maagden: kuische, ongerepte hofdames.
Toch, zoet liefje — schooner dan de stralende koningin, schooner dan haar luchtigen maagdenrei — vond ik U, toen 't roode avondlicht met vuriger blos uw zijden wangen overgoot, en uw lagchende oogen deed schitteren van een gloed, die mij dronken maakte — !
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
Daar was een lispelen in de twijgen, als 't kozen van minnende engeltjes; een zacht beven ging ruischend door de hooggepluimde popels — : Zephyr ontwaakte, de loome gast. Den ganschen warmen dag had hij gesluimerd, op de groene bladeren der waterlelie, in schaûw van wuivend oeverriet.
Vergeefs 't zuchten der zweetende menschenzonen — : hij sliep, en droomde van Chloris, zijn reine bruid. — Maar een schuinvallende zonnestraal is door 't loof gedrongen, en heeft hem gewekt. Frisscher dan ooit blaast hij rond: hij schudt de ritselende halmen van zijn biezen beddeken, en strooit bonten mispelbloesem over 't plekje dat hem schuil gaf. Hoe trilt 't vijvervlak onder zijn spelen; hoe jaagt hij rimpeltjes over 't sidderend beeld van wilg en treuresch, die mijmerend zich spiegelden in 't effen diep. Vlugtig kust hij de bloemkens goênacht; hij drinkt den frisschen dauw uit de halfgeloken kelkjes, en avondmaalt met den geur van rozen en jasmijn. — Zóó zweeft hij verder, fluisterend door de boschjes — als hij opstijgt, om der Vorstin zijn hulde tebrengen, en heimelijk te stoeijen met zijn makkertjes, de vlugge, rozeroode hofjuffers.
Maar liefelijker dan de koele zephyr, geuriger dan de geur van rozen en jasmijn — was me uw adem, zoet liefje — als uw boezem hijgde van stil verlangen, en ge, 't kopje geleund op mijn schouder, me uw bloemelipjes, uw malsche rozelipjes, hebt te kussen geboôn — !
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
En, om ons heil te volmaken, is 't maantje verrezen — als wist 't goede schepseltje, dat uw blanke koontjes dubbel blank zijn, en uw blauwe oogjes heller flonkeren, bij 't spelen van haar vriendelijk licht.
Ook scheen 't wel, of de vleijende, koppelende Luna, u moed insprak met haar bleeken tooverschijn: want ik voelde, hoe een ronde arm mij naauwer omsloot: en hoe er een kloppen was aan mijn borst, van een ander hartje nog dan 't mijne — — — — — — — — — — — — — — —
Toen had ik den schoonsten droom mijns levens — :
Ik zag twee gelieven, die zoetjes dreven op den zilverspiegelenden plas: kussend en kozend — — enikwas één van die twee. — En ik zag, hoe ze opstegen, die twee gelieven, van uit 't bootje uit 't Baarsje — hoe ze opstegen — als ware deze aarde hun niet goed genoeg —ligna recta, naar 't rijk der planeten: hoe ze opstegen, oog in oog, arm in arm, mond aan mond — hoe ze opstegen, die twee gelieven, en zich verloren in de glanzende spheren der fonkelende avondstar — — — — — — — — — — ——
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
Als we ontwaakten, zoet schatje, stond de maan reeds hooger boven 't schemerend hazelboschje. En er was, in 't opgeblazen gezigt van de lonkende juffer, iets spottends, dat mij niet beviel. En om ons heen, staken de vischjes de glimmende kopjes omhoog, en met de ronde, starre oogjes, keken ze ons schalksch en schuintjes aan. Zelfs klonk er een honend roepen in 't slaan van den koekoek, die ons bespied had, uit de hooge wilgen aan den kant.
Enikvraag: waarom heeft de koekoek gelagchen — wat hadden de vischjes te vertellen — en wat kon de maan zoo vreemd doen kijken — — toen we zoo lang gedreven hadden, gedreven en gedroomd: hand in hand, oog in oog — op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje — ?
Zeg, liefste mijn, Suze mijn — weet ge 't nog — ?
Suze lief — als we oud zullen worden,eya popeya! Oud en krom, en vroom en dom,eya popeya!
— Dan zultgijeen log moedertje wezen, dat psalmen opzeurt, en ter preek gaat bij dominee Onzin. Dan zult ge bruine koffie drinken — liever dan rooden pommier; en eenwarme stoof zal u beter warmen — dan de gloed van al de kussen die ik u gaf.
Enik— — wat zalikzijn — ?
Een Residentin ruste— ?
Maar wat ik ook zijn mag — : hoe oud en krom ook, hoe vroom en dom ook,eya popeya! — —— — toch, Suze,toch — zal ik U niet vergeten — : U, Suze, en de hemelsche avondjes: toen we kuijerden in volle maantjes, en rhijnwijn dronken in geurige, digtgeloofde prieeltjes! Den joligen tijd: toen ik geld verachtte en geleerdheid, mode en fatsoen, beschaving en maatschappij, nufjes en conversatie; — toen ik geen schat kende, geen schat mij wenschte — dan mijn vrijen geest, en mijn krachtig ligchaam, en mijn bonzend hart — — en U, Suze — en U! Den onvergeetlijken tijd: toen we jong waren en lustig, moedig en minnend — en gelukkig, Suze — — zóó gelukkig: dat zelfs de vischjes en de koekoek ons geluk benijd hebben, als we spelevoeren op den plas — !
Suze, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind — van U wil ik zingen!
Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studentetijd — mijn levend, lievend, lagchend godinnetje — Suze, van U wil ik zingen — van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde — — zoete Suze, kleine Suze — kleine, zoete, blonde Suze!
September, 1866.