»Mijn held valt aan" enz.
Maar 't zingen — o, 't zingen!
Eerst begonnen de vele personen die aanspraak op stem maakten, om strijd hun solo's voor te dragen. Daar waren de dochters van den Majoor, nonna Flora, nonna Coba en nonna Keetje, Fräulein Einheit, vervolgens de Kapitein, of een van de heeren. — De dametjes, met haar klaaglijk trillende stemmetjes, haalden in den maneschijn regt roerend verliefde litaniën uit. De kapitein daarentegen — de man had een stem als een megatherium — zocht dan de teweeggebragte, smachtend zwaarmoedige stemming te verdrijven door 't aanheffen van een-of-ander magtig joviaal drink- of matrozenlied. Jammer dat hij, met zijn eenigzins »grokkerig" klinkendebasse-taille, steeds den angstigen indruk maakte, alsof hij, onder 't zingen, met een strop werd omhooggehaald, daar hij zijn lied meestal eindigde, een terz hooger dan de grondtoon waarin hij begon.
Nog merkwaardiger was 't, als ons gansche personeel zich in koor aansloot. — Onze oostersche zangers toch bleken een eigenaardig talent te bezitten, om, geheelad libitum, tweede, derde en vierde, ja, vijfde en zesde stemmen te formeren: welke stout-harmonische vlugt dan gewoonlijk haar azimuth bereikte in 't daarstellen van een dissonant, wier oplossingzelfs 't vernuft der nieuwere theoretici had doen vertwijfelen. — Dit alles had plaats met zekeren plegtigen ernst, dien de strengste kapelmeester zich niet beter had kunnen wenschen. Men zit in statige rijen op 't dek; een veelbelovend stilzwijgen heerscht vooraf; — dan laat de uitverkoren soliste zich, den daartoe gebruikelijken tijd, bidden; — men stemt eindelijk toe, en, ofschoon men teregt beweert »niet tekunnenzingen, en ook niets teweten", schraapt men zich de keel, en zet zich in postuur, alsof men 't »Ah, Perfido!" ging ten beste geven. — Zóó »raakt de pan aan 't glijën": »Du, du", en »le vaillant Troubadour", »la Brigantine", »Lebe Wohl", »Waar of mijn Dorus blijft" — alles met verrassende fiorituren, hoogst vrijzinnige modulatiën, en akkuraat invallende kooren,tempo rubatoensenza tempo. — Men zingt, couplet vóór, couplet ná; zelfs Julia, de oude baboe van Grogmeijer, moet haar »nonna, nina"[10]voordragen. De geestdrift stijgt ten top — och, 't klinkt zoo lief — vooral als er ongetrouwde jongeheeren meêstemmen!
»Want is het niet een hemel schier,Te zien, hoe dat een geestig dier,Met spel en zang haar man verkwikt,Als 't noodig huiswerk is beschikt!"
Och — 't klinkt zoo lief! — Men zingt en dreunt en doedelt — immer sentimenteler — — tot eindelijk de Hr. Josua, die volstrekt niet muziekaal is, met zijn harmonica, of met den scheepsroeper optreedt, en ons muziekavondje met een algemeen kattenconcert doet eindigen — !
Januarij, 1866.
[9]»Lettre sur la critique du Barbier de Séville."
[9]»Lettre sur la critique du Barbier de Séville."
[10]Met deze woorden begint een op Java zeer verspreid Maleisch wiegeliedje. De melodie, misschien ook hier te lande reeds overbekend, luidt als volgt:[musical score]Note from the transcriberThis music is available in the following formats:MIDI file: Depending on your browser, the music may play automatically, or may need to be downloaded and opened in a separate application.Raw Lilypond file(convertible to other music-notation formats)Sheet music (PDF)(generated by Lilypond)
[10]Met deze woorden begint een op Java zeer verspreid Maleisch wiegeliedje. De melodie, misschien ook hier te lande reeds overbekend, luidt als volgt:
[musical score]
Note from the transcriberThis music is available in the following formats:MIDI file: Depending on your browser, the music may play automatically, or may need to be downloaded and opened in a separate application.Raw Lilypond file(convertible to other music-notation formats)Sheet music (PDF)(generated by Lilypond)
Note from the transcriber
This music is available in the following formats:
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
Geen ziekte aanstekelijker, dan die der maniën en monomaniën. — Konijnenfokkerij, tafeldans, en postzegel-collecties hebben, als zooveel epidemiën, in de groote maatschappij gewoed en uitgewoed. Aan boord van onze Arke — waar 't geslacht der konijnen niet vertegenwoordigd was, waar alle tafels zonder aanraking dansten, en waar ook geen brieven ontvangen werden — moest men zich, bij gebrek aan beter, met minder belangwekkende liefhebberijen tevreden stellen; — dáár had men eenmaal de dienst der Musen tot stokpaardje gekozen — welnu: in stap en in draf, in galop en in telgang, zou men dat beestje de tong uit den mond rijden.
't Draaiorgel en 't dansen begonnen te vervelen. Gabriël, vond men, had toch zoo geheel ongelijk niet, toen hij dien speech hield, waar niemand naar geluisterd had, doch waarin hij — zóóveel herinnerde men zich flaauwelijk — tegen bovengenoemde vermakelijkheden een motie van afkeuring had uitgebragt. — Doch hoe dan nu best de avonden zoek gemaakt? — Een congres werd bijeengeroepen, onder presidium van den Hr. Judocus, die, voorspoediger dan de Fransche keizer, zonder groote diplomatieke moeijelijkhedener in slaagde, de door hem genoodigde autoriteiten op zijn roepstem te doen toesnellen. — Over en weêr hoorde men toen de meest tegenstrijdige beginsels voorstaan. Hierin echter kwamen allen overeen: dat 't zóó niet blijven kon. 't Draaiorgel was zoo goed als versleten — dank zij de veelvuldige buitengewone obligaten door de heeren Josua en Hupman, die beide den slinger wisten te maniëren, met een vaardigheid, voorbeeldeloos zelfs onder lieden van 't vak, doch, zoo 't scheen, minder bestaanbaar met de soliditeit en duurzaamheid van 's instrumenten werktuigelijke zamenstelling; — daarenboven waren de meisjes voortdurend verkouden, onlekker en kribbig, ten gevolge van de al te subiete afkoeling, waartoe, na 't verhittend dansen, een rustplaats onder de zeilen haar gratis de gelegenheid bood. — Wat dan gedaan? Zou men een scheepscourant gaan redigeren? — neen, dat zou aanleiding geven tot hatelijkheid en oudwijfsche praatjes. Zou men weêr, als vroeger, een-of-ander allegaârtje maken? — onmogelijk: men had eenmaal van den nektar der schoone kunsten gedronken, en kon dus nooit weêr de pap van nietswaardige kinderspelen voor lief nemen. — Maar wacht — hoor ik niet des voorzitters stem, die triomfantelijk »Eureka" roept! — ja,hijheeft 't gevonden: —men zou komedie-spelen.Lumineuse idee — met acclamatie aangenomen! Hoe zouden de heeren schitteren in de heldenrol, die hun zou passen als een handschoen; en wat schoone gelegenheid voor de nonna's, om de zijden balgewaden van uit doos en koffer op te duiken; en om, zonder compromittatie, tot Josua of Judocus te mogen zeggen:Lysander, of,Lindor, gij zijt mij niet onverschillig,waarop dan Josua of Judocus met jeugdig vuur zouden antwoorden:Araminta, of, Lodoïska, herhaal dat woord — zeg, o zeg, wilt gij de mijne zijn?— De vraag bleef nu slechts,watmen spelen zou: een blijspel, »de Neven"; of een tooneelspel, »Don Caesar de Bazan"; of een treurspel, »de dood van Rollo" — — ja nu, wat zou men kiezen? — Ongelukkiglijk bleek 't, dat niemand, noch van gemelde stukken, noch van eenig ander tooneelwerk, libretto bezat, zoodat men extempore zou moeten spreken, wilde men niet dat 't gansche schoone plan in duigen zou vallen. — Te midden van deze bedroevende perplexiteit valt nonna Flora's blik op Gabriël, die ter kwader ure daar mede vergaderd was;zijglimlacht —hijbloost; doch beide begrijpen elkaâr's gedachten. Flora fluistert nonna Keetje iets in; men steekt de hoofden bij elkaâr en raadpleegt — — ja, zóó zou 't wezen — de komedie was gered: hij, Gabriël, zou een blijspel schrijven — datkonhij, datmoesthij — —
»Nietwaar, meneer Gabriël, u zal dat wel voor ons doen, ja?" vleijt de zwartoogige Sirene.
»Maar, Juffrouw Flora, hoe komt u op 't idée —ikvaudevillen schrijven —ik, de wandelende zwaarmoedigheid, blijspelen schrijven — !"
»Molière was ook erg zwaarmoedig meen ik — — "
»Maar, Juffrouw Flora — nu hoe langer hoe doller! — Molière — — "
»Tut, tut, meneer Gabriël", roept een koor van stemmen — »geen woord meer!"
»Een profeet is opgestaan in Israël!" brullen Josua en Judocus om strijd — »Groot, groot is de Gabriël der Rotterdammenaren!"
Zóó broeder Willibald, hebben ze mij gelijmd, en me aan 't zamenflansen gezet van een komedie, waarvoor ik onderwerp, intrigue, karakters — alles uit de lucht moest grijpen. Ook weêr een gevolg van mijn journaal-schrijverij: men had mij dikwijls groote brokken papier zien volkrabben — en hield me nu voor een litterator; misschien ook had Judocus geklapt van eenige mislukte proeven uit onzen studententijd — hoe 't zij, mijn éénoogig talent gold mij in 't land der blinden de eer, tot koning te worden uitgeroepen.
Ik bespaar u een wijdloopig verhaal van de wijze, waarop mijn produkt in 't leven trad, en, na tal van repetitiën, werd opgevoerd. De grootste moeijelijkheid vond ik in 't scheppen der rollen, zoodanig, dat elk mijner schoone actrices eenhoofdrolmogt spelen; zeker is 't, dat de jalousie onzer vrouwelijke sujetten den regisseur Judocus en mij in een net van kleine kabalen wikkelde, waaruit zelfs de geest van een Schikaneder zich bezwaarlijk zonder kleêrscheuren had kunnen bevrijden. — Na een week tobbens gelukte 't mij, met een soort blijspel voor den dag te komen, dat, onder den titel van »de Getergde Lankmoedigheid, of, 't Sop is de Kool niet waard", tot handeling stelde: hoe twee vrienden, waarvan de één vermomd, die aan de dochter en nicht van een oudenbonhomme't hof maken, dienzelfden vader en voogd, door hun pedante krakeelingen, in de uiterste verlegenheid brengen; terwijl ten slotte blijkt, dat alles met een goed, edel en grootmoedig doel geschied is, en de ééne vrijer den ander slechts tot woede heeft getergd, om diens nobel karakter te doen schitteren; al 't welk eindigt met de bekeering van een coquet meisje, de ontbolstering van een ruwen diamant, zelfopoffering, herkenning,wederzien, vergiffenis, twee huwelijken, oudervreugd en kinderblijdschap — tot groote stichting der aanschouwers, enz. enz. — zie Kotzebue en Birch Pfeiffer. — De doktor speelde voorpater familias; Josua en Judocus — welke laatste bewees beter acteur dan danser te zijn — figureerden als vrijers; nonna Flora nam edelmoediglijk de rol van oude dienstmaagd op zich; de dames Coba en Keetje eindelijk stelden de beide vrijsters voor.
Er werd dien avond veel rhijnwijn gedronken, en — wat mij genoegen deed — ook hartelijk gelagchen — misschien meer om de acteurs dan om 't stukje. De gezamenlijke uitvoerders genoten de eer der terugroeping; ook Gabriël moest ten tooneele verschijnen — — kortom, daar heerschte groote blijdschap onder allen, die daar verzameld waren.
En de kritiek — wat zeî de kritiek er van?
Eilieve, lezer — zij sprak op hoogen toon, gelijk zulks haar gewoonte is, te land en ter zee. — Mevrouw Tripvoet laakte de moraliteit van mijn handeling; de Hr. Hupman klaagde over gemis aan strekking; Lepidus vond de intrigue te eenvoudig — en — en toen kwam nonna Flora, en bragt hen alle tot zwijgen, daar zij niet alleen betoogde, hoe de verhevenste strekking van een blijspel hierin ligt, dat 't 'reis lustig de lachspieren ontspant — maar zelfs, tot staving dier waarheid, passages uit Shakspeare en Beaumarchais citeerde!
Alweêr nonna Flora — en altijd nonna Flora! — Maar wie hoorde ook ooit zóó'n geletterde nonna! Ik bid u, goden en menschen —konik in gemoede anders, dan op zóó'n zoete nonna verlieven — ?
Maart, 1866.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.HILDEBRAND.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
HILDEBRAND.
Ik heb in den laatsten tijd te veel gelagchen; en, als humoristisch-sentimenteel verteller — d. w. z.: als kwakzalver onder de schrijvers — voegt 't mij toch, bij beurten ook 'reis een traan weg te pinken — : ligt hield men mij anders voor zoo'n humoristpur-sang— en daarvoor — — de Hemel behoede mij en de mijnen!
Waren soms de avonden aan boord gekunsteld vrolijk — droef en somber volgden de nachten: als droomen mij kwelden — droomen van huis!
Eens op een nacht droomde ik weêr: en zóó een zonderlingen, zóó een wijsgeerig bespiegelenden droom droomde ik — dat ik dien te boek stelde — in de hoop, daardoor den meest sentimentelen lezer te bevredigen.
—Adagio patetico.
Ik droomde dan — —— — en zie — ik droomde, dat ikdood was.
Mij dacht, 't sterven was niet pijnlijk geweest: ik was 's avonds vergenoegd naar kooi gegaan, en — toen ik 's nachts meende wakker te worden, om me eens van de linker- op de regterzijde te wenden — bemerkte ik, tot mijne verbazing, doch zonder leedwezen — dat ik dood was. Ik vond 't zonderling, wel ietwat onverwacht ook: de menschen zouden 't een treffend sterfgeval noemen; maar onaangenaam vond ik 't niet. 't Was een gewaarwording — die ik trouwens niet beschrijven zal, omdat ik elkeen in dezen den tijd wil laten voor zichzelf te oordeelen — : een gewaarwording, tusschen waken en dommelen, tusschen zijn en niet zijn — kortom, zooals ik me altijd had voorgesteld dat de dood wezen moest.
Terwijl ik nu peinsde en nadacht over 't geen ze wel met mij doen zouden, en wat er toch van mij worden mogt — want, hoe vreemd 't klinke, ik zag en hoorde en gevoelde alles inwendig nog duidelijker dan toen ik leefde — terwijl ik zoo peinsde en nadacht — — verscheen op eens de Engel der Verschrikking aan mijn voeteneind. 't Was werkelijk een Engel: geen rammelend beenderspook met zeis en zandmeter — doch een vriendelijk, hoewel streng uitziend man, met lange witte haren, een zwarte toga, en groote vlerken: iemand, die zichzelf zeker niet herkennen zou uit de afbeeldsels, welke ik, bij mijn leven, wel van hem meende gezien te hebben.
En de Engel des Doods sprak mij aan, zeggend: »Kind, gij zijt in den vreemde gestorven; geen ouders of vriendenkunnen voor uw begrafenis zorg dragen: zoo maak gebruik van 't voorregt dat ik allen zwervelingen schenk: kies u de plaats, waar gij wilt, dat ik u ter aarde bestelle, opdat gij, die bij uw leven geen rust vondt, nu ten minste uw hoofd in vrede neêr moogt leggen."
»Goede geest", antwoordde ik, »gij hebt mij weggerukt in den bloei mijner jaren; smart hebt ge mij niet aangedaan, — en ik ben er u dankbaar voor; ook was mij 't leren niet zóó zoet, dan dat ik u verwijten zou 't mij te hebben ontnomen; — maar toch had ik gaarne, na volbragte loopbaan, mijn vaderland en vrienden weêrgezien. Nu ge mij echter die vreugd niet hebt gegund — eilieve, wat raakt 't mij, wáár ge mijn ligchaam bergt! Neem mij, als 't u goeddunkt, en plof mij in de zee!"
En de Engel tilde mij op, en dekte mij met een Hollandsche driekleur tot doodswâ, en rolde mij in een lap zeildoek, en bond mij een zwaren kogel aan de voeten; — 't was geen werk voor een Engel, zal men zeggen — doch, lezer, herinner u, dat ik u den Man beschreef als een vriendelijk man, en volstrekt geen bullebak. Daarna greep hij mij in de armen, verhief zich hoog in de lucht, en deed mij, als wijlen; Daniël O'Rourke, in zee plompen.
Ik gierde naar omlaag, als een pijl uit den boog: als een bruinvisch schoot ik door de bovenste lichtblaauwe waterlaag; haaijen zwommen mij na, en kantelden zich, en openden hun wijde muilen om mij te verslinden; — doch zóó zwaar was de kogel aan mijn voeten, en zóó snel trok hij me omlaag, dat geen der vratige monsters mij in mijn vaart kon bereiken; — dat deed mij trouwens genoegen;want ik had bij mijn leven wel gezien, hoe ze den armen matroos, wiens kogel niet zóó wigtig was geweest als de mijne, in stukken hadden gescheurd, vóór de man een vaâm diep gezonken was. — Trapsgewijze begon ik minder snel te dalen: reeds veel honderd vademen had ik afgelegd in de diepte. Ook werd de kleur van 't water immer donkerder; vreemde visschen schoten mij voorbij: visschen en monsters, waarvan Buffon noch Bleeker gewagen: visschen en monsters, zooals Schiller'sTaucherze in 's aardrijks kolken ontmoette. En ik zonk zachter en zachter, en 't waterig uitspansel óm mij hulde zich meer en meer in schemerduister; zachter en zachter daalde ik — — tot ik eindelijk niet meer daalde: de digtheid van 't water was in evenwigt met die van mijn lijk en mijn kogel — — merkwaardig! zelfs ná mijn dood mijn physica nog zóó in 't hoofd te hebben gehouden — ! — Intusschen zweefde ik daar — regt op-en-neêr, als een Cartesiaansch duikertje in een zuurflesch: boven mij 't donkerblaauw watergewelf, onder mij de zwarte afgrond, rondom mij een duistere eenzaamheid — want geen visch, geen monster bewoog zich in dit Lethe — hier scheen 't rijk der levenden ten einde — hier heerschte de vergetelheid der Benedenwereld.
Hoelang ik zoo gezweefd heb in mijn droom, weet ik niet — : gezweefd tusschen twee zeeën: duizende vademen van de oppervlakte, duizende vademen van den bodem. Zóóveel weet ik — dat ik niet rusten kon in mijn waterig graf: ik wentelde mij om-en-om, ik sloot de oogen — maar rusten kon ik niet: immer staarde ik vóór mij heen in 't vochtig uitspansel rondom mij — — maar rusten — neen, rusten kon ik niet.
En de Engel des Doods, zijn woord gedachtig, ontfermde zich over mij. — Eensklaps — juist toen ik begon te bespeuren, dat mijn stoffelijk overblijfsel fraai aan 't verkalken was onder de werking van millioenen onzigtbare schelpdiertjes: want zelfs in deze regionen des doods bleek de levende natuur te arbeiden — eensklaps voelde ik mij opgeheven uit 't water, en bevond mij wederom in de armen van den gevleugelden Genius.
»Mijn zoon," sprak hij, »ik heb uw billijke klagte vernomen. Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken: zoo wijs mij een ander oord, waar gij meent die te zullen vinden."
En ik riep tot hem: »O Geest, begraaf mij wáár 't u lust — doch niet weer in een killen afgrond als deze: laat mijn stof in de aarde rusten; delf mij een bed in 't warme zand van de Sahara!"
Toen geschiedde mij naar mijn wensch. Nog vóór 't zilte vocht mij uit de kleêren was gedroogd, vond ik mij huiselijk toegedekt onder een sprei, zóó warm en zacht, als iemand, die zooeven van den bodem des Oceaans was opgevischt, slechts verlangen kon.
Hier, dacht ik, zou ik slapen — hier zou ik een doô met eere zijn.
Maar, naauw had ik mij neêrgevlijd in de gemakkelijkst mogelijke houding — of — —— — ai mij — wat wroet erden grond boven mij weg — wat knaagt er aan mijn gebeente — wat wringt mij den schedel van den romp — wat pikt mij de starre oogen uit 't hoofd! — : 't zijn hyenas, en Gouls, en zwarte gieren! Wee — wat gehuil, wat gegrijns,wat gekras! Wat doe ik, arme doode, weerloos lijk — wat doe ik, tegen zóó'n overmagt van ongedierte! — — — Doch stil — 'k hoor een loeijen in de verte — 't verscheurend vee heft de koppen op, en laat af van mijn verminkte beenderen — zij vlugten, onder akelig geschreeuw, onder helsche kreten van teleurstelling en spijt! — : hoor — 't is de Simoun die opzet, die nadert, die hen verjaagt, die de zandzee doet golven, die gloeijende stofkolommen opheft tot de wolken, en die, stormend over mijn graf, mijn opgewroete knoken zachtkens overdekt met 't vale doodskleed van den Bedouin. De pestwind, die honderden pelgrims 't leven benam, had mijn geraamte voor schennis en oneer beveiligd.
En ik dankte den Simoun, omdat hij de lijkenroovers verdreef, en mij zoo liefderijk een laatste eer bewees. — En nogmaals strekte ik de stramme leden uit, en drukte mij 't bekkeneel op de schouders, en sloot de oogen, en — — — — — — — — — — maar of ik de oogen sloot, en mij keerde van zîj op zîj — — rusten kon ik niet: immer hoorde ik hyenas brullen, en Gouls tandeknarsen, en gieren den snavel spitsen — — en rusten — neen, rusten kon ik niet.
Alsdan verscheen mij ten derden male de Engel des Doods. — »Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken", herhaalde hij: »zoo zoek u ten derde malen een groeve uit."
En ik antwoordde: »O groote Genius, even goed als groot, gij, dien de menschen afschilderen als een gluipenden moordenaar — vergeef mij, zoo ik van uw welwillendheid misbruik make. Edoch, ik bid u — zoo gij werkelijk hen liefhebt die ge tot u naamt — ik bezweer u — brengt mijngebeente over in 't land mijner kindschheid, waar ik speelde en zong met broeder en zuster — met zuster en broeder, en vader en moeder — die nu ook allen reeds dood moeten zijn, gelijk ik. Delf mij dáár een graf: een stil graf, onder sombere dennen: naast 't kerkje, waar moeder mij ten doop hield, als de orgeltoon vrolijk galmde ter mijner eer. Laat mij dáár rusten, en slapen aan moeders zijde! — De wormen zullen er mij verteren; — doch 't zullen de wormen zijn van mijn geboortegrond; de wormen, of de kinderen der wormen, die zich gemest hebben aan 't vleesch van mijn vrienden en magen. — En éénmaal, wanneer alles vervuld zal wezen, en alles geleden — als de bazuin zal klinken, met magtige stemme, met hemelsche muziek — klinken, tot aan 't diepste diep der Poolzee, tot aan den uitersten uithoek der Sahara — — dan zal ik ontwaken,zamenmet hen die ik heb liefgehad — enzamen, als we geleefd hebben —zamen, als we begraven zijn — zullen we opstaan, en ingaan tot 't eeuwig licht — — ! — — O, goede Genius, laat mij dáár rusten — laat mij dáár eindelijk rusten!
Zóó sprak ik. — En de Engel des Doods verhoorde mijn bede; en begroef mij onder de eigen zerk, waar vader en moeder, en broer en zuster sliepen.
En ook ik rustte er en sliep er — — ik sliep er en ik rustte er — —— — tot ik — —— — 's morgens wakkerwerd, en, half verheugd, half spijtig, begrijpen moest — dat 't alles slechts een droom was geweest.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
Doch is 't u onverschillig, hoe en wáár?
Zegt nietja: want met datjazoudt ge iets laakbaars zeggen. — Hildebrand heeft 't vóór mij betoogd; en ware 't niet, dat ik zoo'n opmerkelijken droom gedroomd had — ik zou 't niet wagen,zijntaal hem ná te stamelen.
Gij noemt uw ligchaam stof — en ge hebt regt. Maar, is dat stof niet 't geen ge boven alles liefhebt, zoolang ge rondwandelt op aarde? — Een moeder is u dierbaar; is 't slechts haar geest — of, telt gij ook 't stof, dat 't uwe gebaard en gezoogd en gekoesterd en beschermd heeft? Gij bemint een jonge vrouw; prijst ge in haar niet, meer dan al 't overige, 't schoone stof, dat uw oog en zinnen boeit? Gij schat een vriend hoog; is u de stoffelijke hand onverschillig, die zoo vaak de uwe in zaâmgedeelde vreugd en droefheid drukte? — En zult ge dan uw eigen omhulsel, waarin gij genoten en geleden hebt, waarvoor gij zwoegdet en tobdet, ván u werpen, als een afgedragen opperkleed! — : zelfs een ouden jas smijt men ongaarne op een mesthoop!
Waartoe dan dat cynisme! Waarom ook niet den dood, dien eindpaal van ons streven, een weinig geidealiseerd! Waartoe ons der stoffelijkheid geschaamd! — God schiep ons ligchaam; Hij schiep 't goed en krachtig en schoon: — mijne vrienden — laat ons dan ook in 't ligchaam Gods werkblijveneerbiedigen!
Januarij, 1866.
O Meer!Mutter der Schönheit. —HEINE.
O Meer!Mutter der Schönheit. —
HEINE.
Om den Zuid zeilen we — en onze bark zeilt goed!
Als een wiek neigt ze zich naar den magtigen adem; vlug, als de vrolijke dolfijn, schiet ze op en af de toppen der golven; met zachten, snellen gang glijdt ze voort; ze lachtmet de rollende waterheuvels, en kroont de berghooge[12]baar, die dreigde haar te overstelpen.
De zon neigt onder; en aan de westelijke kim, waar ze haar stralen voortschiet, als lichtbundels van achter den gulden rand der donkere stratus — tintelen de verre golftoppen van schitterend groenen goudglans. — En zonderbare wolkengroepen rijzen op, voortgedragen door den wind die van de Pool blaast: koppen van reuzen die elkaâr vervolgen, monsters en draken die heenspoeden naar 't gebergte Kaf. Zij wisselen van gedaante, en pakken zich zaâm tot magtige gevaarten, of spreiden zich tot fijne vederstrepen, of wollige schaapjes. — Nog even vertoont zich de vurige zonneschijf boven den horizon, en overgiet de schuimende wateren met den laatsten hellen purperglans des daags. Dan, als ze is weggedoken, kleurt ze nog met duizend tinten 't jagende,stormende wolkenheir. — Hoe vormen zich bogen en gouden poorten; heuvelen doemen op en boomgroepen, gestalten van lusthoven en kasteelen — — als met geesteneilanden bevolkt zich de horizon! Wat wisseling van kleuren: hoe smelten blaauw en groen en geel te zamen, tot oranje en purper en bloedrooden gloed! — Zachtkens doet de schemering de vurige groepen verbleeken; — nog slechts stervend teekenen zich de rozige tooverbeelden, zich oplossend in 't nachtelijk graauw; — een donker, bloedkleurig waas zweeft als een sluijer over den oceaan, en dekt als een rouwfloers de ongetemde, hoogslaande zeeën, die opschieten, half nog glorend in den schijn van 't bleekend avondrood, half reeds lichtend met den electrischen glans van haar spattend schuim.
We zeilen om den Zuid — en onze bark zeilt goed!
Waarom klopt dan ons hart van een vreemde siddering, die we nooit kenden — ? Is 't angst die ons vervult, bij 't aanschouwen van de woeste wateren — ? Of, doet de Zuidewind ons rillen, als hij zijn somber lied ons voorzingt, in luide, klagende toonen — ?
Neen — maar de Bootsman vertelt sprookjes.
We hebben even geluisterd; en 't was, alsof een stem ons in de ooren klonk, anders dan die van den ruwen zeeman, den grijzen, grofgespierden rob. — — Zie, de matroos schaart zich óm hem; hij poogt te lagchen met 't geen de Nestor opdreunt — maar hij kan niet: een ongekend gevoel doet hem zwijgen. Hij, die spottend opklautert in den slingerenden mast, als de zeilen wegslaan uit de lijken; als één misstap in 't duister, één misgreep tusschen de natte, zweepende touwen, hem zal begraven, zonder afscheid, zonder groet, in de woelende zee — — hij siddert bij de verhalen van den oude.
Ik was de man aan 't roer. — De nacht was guur en buijig; en de opperstuurman, die de hondewacht had, vloekte en bromde in zichzelf — : hij wist wel dat de reis slecht zou wezen. En ik wist 't ook: want 't schip lag aan bakboord over, en de Kaptein had op Vrijdag willen uitzeilen. 't Kon niet anders, of er moest ongeluk zijn op de reis.
De nacht was koud en stormig; de wind nam toe, en er dansten blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.
Opeens — zie ik iemand naast me staan, aan lijkant van 't roer; en ik voel, hoe 't rad me wordt omgedraaid in de vuist, dat we drie streken zuidwaarts loopen buiten den koers. — 'k Zeg: »hé, stuurman, wat nou!" Want ik meende dat hij 't was. — Maar toen ik weêr keek, was de maat verdwenen, en de Stuurman zat rustig op 't kippenhok. — Toen schrok ik, en ik vroeg: »Stuurman, heb-je niets gezien?" — Maar hij zeî: »Piet, je droomt — hoû je zeilen vol!" — Zoo stond ik een poos, en dacht er over, hoe een mensch zich dingen kan inbeelden — — toen ik weêr een ruk voel aan mijn roer — en weêr zie ik iemand, een zwarten kerel, dáár, naast me, — die Zuidelijk wendt. — De Stuurman ziet hem ook; hij schreeuwt: »wiedaar?" — Geen antwoord. Hij komt op hem af; maar de vent verdwijnt in 't duister. — Toen sloeg ons de schrik in de beenen: »Stuurman, droom ik nog?" — »Neen, Piet, ik ga den Kaptein roepen." — »Stuurman, blijf hier — 't is de booze — ik kan niet alleen zijn aan 't roer — straks komt 'ie weêr!" — — En, God — daar was 'ie: voor de derde maal zag ik hem; hij wringt me 't rad uit de knuisten, en stuurt Zuidelijk, Zuidelijk, met bovenmenschlijke kracht. — Eenvloek, een bezwering, een woeste greep — — maar hij belacht ons, en laat ons alleen.
Toen heeft Stuurman de wacht geroepen, en den Kaptein uit kooi gehaald, en alle man op 't dek: want we waren verschrikt; en 't werd noodweêr, noodweêr! De wind nam toe, en immer dansten de blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.
Naauw stonden we zoo bij elkaâr, de Kaptein en al 't volk — of één schreeuwt er: »een schip, een schip!" En 'twaseen schip, dat oprees, als een lichtende vlek, aan den zwarten horizon. — Hemel, hoe vreemd; 't is of de golven hem niet deren; — hij breekt ze, en snijdt in den wind op; — hij vliegt, als door geesten gedreven! Ziet, hoe hij flikkert met blaauwen weêrschijn! — Wat zonderling tuig, wat licht aan boord — een schip van vuur — wee, alshij't was! — Hij nadert — — hoort hoe 't loeit en giert; — de storm verdubbelt; — ons vaartuig botst en stoot en stampt — — »Ohee, óm je roer!" — Heer Jezus, hij loopt op ons in! — »Schip vóór, ohee — — schip vóór — óm je roer — ohee — — !"
Daar kraakt en dreunt 't in onze kiel; en een schok smijt ons overzij — een schok, als was de wereld gespleten! — Een stortzee ploft over ons, bruisend en donderend — — en in 't huilen van den storm, verliest zich de doodskreet van twintig arme kameraden — —
Zóó vertelt de oude Bootsman.
En als hij opstaat, om een pijpje aan te smakken — volgen hem allen naar de warme kombuis, waar een oorlam hen sterken zal tegen de malle sprookjes van den ongeluksvogel.
Ik echter, sta nog lang aan 't want geleund. — En 't is, alsof 't mij toefluistert uit de diepte, van wonderlijke avonturen, van schepen die gebleven zijn — men weet niet hoe of waar; alsof de wind mij legenden meêbrengt, van 't woeste Eiland der Bekommering —[13], en uit de verre streken van 't eeuwig ijs: — legenden, uit een wereld zoo koud en stormig: een spokende waterwereld.
De nacht is gevallen. 't Kleurenspel der ondergaande zon is uitgewischt van den hemel; en de bewogen spiegel der golven weêrkaatst 't bleeke licht van den Melkweggordel.
Plegtig rollen de hooge zeeën. Orion en 't Kruis flonkeren aan den wijden boog. Als geniën van den storm zweven de witte Albatrossen[14], de gieren van den Oceaan, de hongerige lijkbezorgers van den drenkeling. — En zie, vurige strepen schieten door 't water: ze volgen ons, en halen ons in van alle kanten! — 't Zijn Bruinvisschen, goede vrienden, die hun breeden rug ons leenen zullen, en ons dragen in den veiligen Pyraeus, als ons schip wegzinkt in de diepte[15]. Zij duiken op, paarsgewijze, en schijnen, metsierlijk luchtige sprongen, de beweging der golven na te bootsen; — wind voorspellen ze — nog meer wind![16]
Maar wij vreezen niet. Op God vertrouwen we, en op onze sterke kiel, en op ons gunstig gestarnte!
We zeilen om den Zuid — en onze bark zeilt goed!
43° OL. 46° ZB. Februarij, 1866.
[11]'t Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een Scheepskapitein voorwaarhooren vertellen, als zijnde een dergelijk voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten — — — binnenloopen — :»Im Lande der ChinezenBin ich niemals gewesen,Doch hab' ich einmal Ein' gekannt", etc.Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot 't hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos, dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en West schijnt gesteld te hebben.
[11]'t Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een Scheepskapitein voorwaarhooren vertellen, als zijnde een dergelijk voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten — — — binnenloopen — :
»Im Lande der ChinezenBin ich niemals gewesen,Doch hab' ich einmal Ein' gekannt", etc.
Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot 't hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos, dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en West schijnt gesteld te hebben.
[12]Golven van 30-40 voet hoog en van 300-400 voet lang, zijn, bij de heerschende N. W. en Z. W. winden, in 't zuidelijk gedeelte van den Indischen oceaan geen zeldzaamheid. Men zie de opgaven in de »Onderzoekingen met den zeethermometer enz. uitgegeven door 't Meteorologisch Instituut te Utrecht." Pag 92.
[12]Golven van 30-40 voet hoog en van 300-400 voet lang, zijn, bij de heerschende N. W. en Z. W. winden, in 't zuidelijk gedeelte van den Indischen oceaan geen zeldzaamheid. Men zie de opgaven in de »Onderzoekingen met den zeethermometer enz. uitgegeven door 't Meteorologisch Instituut te Utrecht." Pag 92.
[13]Kerguelens-land, of, 't Eiland der Bekommering.
[13]Kerguelens-land, of, 't Eiland der Bekommering.
[14]De albatros is een vogel, die slechts in 't zuidelijk halfrond, en zelden benoorden den Steenboks-keerkring gevonden wordt. Th. Moore, in zijn »Fire-worshippers," verplaatst hem in de Persische golf; dit is een dwaling, even als zijn beweren, als zou 't dier al vliegend in de lucht slapen: de Albatros, gelijk alle van zwemvliezen voorziene vogels, slaapt op 't water. — Onder de vele exemplaren die ik zag vangen, was er één, die niet minder dan 18 voet vlugt mat.
[14]De albatros is een vogel, die slechts in 't zuidelijk halfrond, en zelden benoorden den Steenboks-keerkring gevonden wordt. Th. Moore, in zijn »Fire-worshippers," verplaatst hem in de Persische golf; dit is een dwaling, even als zijn beweren, als zou 't dier al vliegend in de lucht slapen: de Albatros, gelijk alle van zwemvliezen voorziene vogels, slaapt op 't water. — Onder de vele exemplaren die ik zag vangen, was er één, die niet minder dan 18 voet vlugt mat.
[15]Dolfijnen en Bruinvisschen staan van ouds bekend, als den mensch zeer genegen. Zoo heet Arion, de zanger, door een dezer dieren gered te zijn. Zie:Fables de la Fontaine, »le Singe et le Dauphin."
[15]Dolfijnen en Bruinvisschen staan van ouds bekend, als den mensch zeer genegen. Zoo heet Arion, de zanger, door een dezer dieren gered te zijn. Zie:Fables de la Fontaine, »le Singe et le Dauphin."
[16]Geen vlugger, krachtiger visschen dan deze! Zij zwemmen gewoonlijk bij troepen van 20 à 30, doch immer paarsgewijze. Met ongelooflijke snelheid schieten ze door 't water, en springen, met gelijke tusschenpoozen, twee aan twee, hoog en sierlijk boven de golven uit. Ik zag ze, terwijl ons schip een elf-mijls vaart liep, in een oogwenk ons inhalen en vooruitloopen. — De rigting waaruit zij naderen, is, volgens de zeeluî, tegengesteld aan die van den komenden wind.
[16]Geen vlugger, krachtiger visschen dan deze! Zij zwemmen gewoonlijk bij troepen van 20 à 30, doch immer paarsgewijze. Met ongelooflijke snelheid schieten ze door 't water, en springen, met gelijke tusschenpoozen, twee aan twee, hoog en sierlijk boven de golven uit. Ik zag ze, terwijl ons schip een elf-mijls vaart liep, in een oogwenk ons inhalen en vooruitloopen. — De rigting waaruit zij naderen, is, volgens de zeeluî, tegengesteld aan die van den komenden wind.
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
Triomf! — Storm, waar is uw prikkel — zee, waar zijn uw verschrikkingen! — — We zijn Scylla en Charybdis te boven gekomen. — De woeste Kaapsche wateren hebben we ver achter ons gelaten; St. Paulus en Amsterdam vlogen we als in een nevel voorbij. Reeds is de Steenboks-keerkring gepasseerd; ten tweeden male — en nu voor goed — koestert en zengt ons een tropische zonnegloed; nog weinig honderd mijlen — en we zullen 't land bereikt hebben — — 't vette land der belofte, 't onuitputbaar Gosen, waarheen onze wenschen ons vooruitvliegen, als die van Jason naar 't goudbelovend Colchis!
Wederom was 't morgen geweest, en middag geweest — de honderd-negen-en-veertigste dag. — Acht glazen — vier uur — zijn zoo even geslagen. We hebben dus, vóór 't eten, nog een uur den tijd. — De bitterglazen en domino-steenenzijn uit de kerk weggeruimd, om plaats te maken voor een tafellaken, dat niet kwalijk begint te gelijken op een schoolkaart van den Oost-Indischen archipel — : een groote bessesapvlek kan gevoegelijk Borneo voorstellen; terwijl een graskleurige streep daaronder — waarschijnlijk 't praecipitaat van een bordje snert — een niet onjuiste voorstelling geeft van Java's onverwelkbaar groene dreven.
't Is mooi weêr; en de bitteraars, die mét hun glaasjes zijn geamoveerd, klauteren naar boven, om hun liefelijk blozende oliekopjes een weinig aan den frisschen Passaat-wind af te koelen. — Ons schip loopt zes mijlen. Een prachtige namiddag-zon verguldt de vrolijk huppelende golfjes van 't azuren diep; scharen van wiegelende visschen schieten op vóór den boeg; de ligte zeezwaluw volgt fladderend ons pad, en scheert de glanzende luchtbellen in 't borrelend kielwater.
Doch al de wonderen dezer lagchende natuur zijn niet bij magte, onze reizigers doof te maken voor de stemme, die, roepend in hun binnenste als een wachter in den nacht, hen, onverbiddelijk waarschuwend, er aan herinnert:dat 't etenstijd wordt. — Hier hangt er een over de verschansing, of rekt zich uit aan een touw; dáár steekt men een sigaar op — maar 't rooken smaakt niet: want men heeft honger; ginds kijkt men op 't horloge van den stuurman — — nog twintig minuten! — maar dat 's een eeuwigheid! — Eindelijk valt men, geeuwend en half flaauw, op een bank of vouwstoel neêr, om, in magtelooze gelatenheid, de bestemde ure af te wachten. Gedurende die periode van algemeene smachting kan men gesprekken van 't volgend karakter beluisteren:
Mevr. A. 't Is toch waarachtig geen manier van doen — dat late eten!
Mevr. B. Dat zeg ik, mensch — ik weet niet hoe 'k 't nog uithoû, op den duur!
Mevr. A. En als ze je dan nog maar een boterammetje gaven, zoo 's middags bij de koffie!
Mevr. B. Juist, dat waren wij altoos gewoon t' huis.
Mevr. A. Dat spreekt — in een burgerhuishouden — —
Dús verwonderen die dames zich beiden, dat ze nog, bij zóó'n onmenschelijk dieet, 't leven hebben gehouden; en raken 't bovendien vrij wel ééns: dat blikjesvleesch toch niet halen kan bij een versche kalfslende; en dat er toch maar niets gaat boven een deftigen burgerpot.
Wij intusschen, Josua, Judocus en Gabriël, houden ons op een andere wijze bezig. We gaan voorop, om den Bootsman en 't volk wat in den weg te loopen; of — wat we liefst doen — we slepen den Doktor meê naar ons tusschendek, en zetten hem er even nog een paar brommen in: zoodat de rampzalige meestal te laat en met een besoesden kop aan tafel komt, als wanneer hij achterlijk blijft in zijn pligt van voorsnijden, en zich ziet blootgesteld aan de verwoede blikken van den Kapitein; — trouwens, waartoe dient dan ook de vertegenwoordiger der faculteit aan boord, indien 't niet is, om de gezondheid van de hem toevertrouwde leeken door genoegzame en tijdige voeding te helpen in stand houden — !
Daar luidt eindelijk de etensbel. Ieder staat op, en beweegt zich langzaam, uiterst langzaam — om zijn al te sterk verlangen niet te verraden — naar den welvoorzienen disch.
Welvoorzien — ja: want we hebben onzen dag bij uitstek goed gekozen. 't Is feest heden, dubbel feest: 't is Zondag, en de Majoor is jarig. Spek en pekelvleesch vullen slechts enkele schoteltjes; — de damp van wildbraad geurt ons tegen! — Van de soep maakt niemand veel werk, want elk is belust op de dingen die komen zullen. Naauwelijks is dan ook die kost naar binnen gewerkt, onder 't welbehaaglijk slobberen dat steeds aan 't genot er van schijnt te moeten verbonden zijn — of, ja — 't is geen zinsbegoocheling, geendeceptio visus— : de feestschotels vertoonen zich aan de kim — ze naderen — ze worden opgedragen!
Ziet die gans, gister nog snaterend in 't vol besef harer deftigheid, en in de zoete herinnering aan Brennus en 't gered Kapitool — ziet haar, hoe ze nu prijkt, ontdaan van dons en schachten, in al den glans van een bruingebraden opperhuid, in al de heerlijkheid van haar besausde ledematen! — Ze wordt ontleed; ze wordt den Kapitein aangeboden. — Eén boutje voor hem; één boutje voor de dame die naast hem zit. — Ze gaat verder; vier personen hebben den schotel laten passeren: vier boutjes zijn er van verdwenen. — Hoe jammer, dat zoo'n beest niet, als een Briareus onder de ganzen, tien pootjes en tien vlerkjes heeft — dan kregen we ieder wat! — Na nog eenige aanvallen te hebben doorstaan, komt ze bij ons — bij ons, jongeluî aan 't lagereind; — dáár is ze — hemel, we erkennen 't schepsel niet! Doktor, gij die ze gedecoupeerd hebt — we vragen u, wáár is de bruingebraden epidermis, wáár zijn de besausde vleeschheuvelkens? Spreek, beschonken zoon van Hippocrates — is dat een gans, een eetbaar gevogelte? — Een rif is 't, een naaktmemento mori, dat, zonder twijfel, uitnemendgeschikt mag wezen, om te dienen tot onderzoekingen betreffende 't beengestel van wijlen de occupante — doch geenszins, om een hongerige maag nieuwe stof tot vermaling te bieden!
Maar we protesteren — we wijzen 't scherminkel van de hand! — Mijn vriend Josua verheft zijn stem, spreekt van gelijke regten, en roept den hofmeester; Judocus slaat ook aan; zelfs Gabriël — de gelijkmoedige Gabriël, in bedeesdheid een tweede Joseph: »schüchtern wie ein Lamm" — waagt 't, een woordje op zijn pas meê in te brengen.
Nu — dat de eerste honger gestild is, begint de wijn rijkelijker te vloeijen; ook Doktor en Stuurman zien zich, van wege den jarigen Majoor, een extra bierglas ingeschonken. De supplementaire geregten zijn verslonden; door 't aanvoeren van enorme hoeveelheden »Jan in den zak" is men er in geslaagd, de kinderlijke kreten der jeugdige sinjo-tjes en nonna-tjes voor een oogenblik te versmoren. Straks wordt 't nageregt opgediend, en — onder 't orberen van muffe amandels en steenharde stoofappels, vangt 't gesprek aan eerst regt levendig te worden.
Wat er daar boven wordt afgehandeld — we weten 't niet; en slechts uit enkele, ter loops opgevangen, met keukenmaleisch doorspekte rededeelen, meenen we te mogen opmaken, dat sprekers zich ten doel stellen, de voortreffelijkheden der Indische keuken boven de Nederduitsche in een helder daglicht te plaatsen — welk een-en-ander hen niet belet, aan deze laatste de noodige eer te bewijzen. — Maar, aan 't benedeneind, achter den bezaansmast, wordt druk gebabbeld — en gelagchen. Laat ons hooren, of, 't geen de algemeene hilariteit zóó opwekt, ook in staat is, ons, zwartgalligen stoïcijntjes, een onwilligen glimlach van de lippen te persen. Bezweren we echter allereerst den toorn van hen, die zich aan een hoogst frivole en kinderachtige woordenwisseling zullen ergeren, door hun de verzekering te geven: dat weciteren.
Hr. Josua. Wel, Keetje, kind — wat kijk-je nijdig van daag! — scheelt er wat aan?
Nonna Keetje. Och, kijk naar jezelf! Wat zou er aan me schelen!
Hr. Josua. Nu nu — niet boos worden, hoor — anders raakt 't af met ons.
Hr. Judocus. Ja, en Jufvrouw Coba ook. Zeg, Jufvrouw Coba, hoe heb ik 't met U?
Nonna Coba. Och kom, laat me met rust!
Hr. Judocus. Cobaatje, denk er aan — : morgen moet je geslagt worden — je bent nu vet genoeg, en 't laatste biggetje is er geweest.
Nonna Coba. Wat maal-je toch — slagt jij jezelf!
Hr. Josua. (Presenteert haar een rotten appel.) Jufvrouw Coba, mag ik U dat zoo maar 'reis ter hand stellen — dat 's nu je galgenmaal.
(tot Keetje.) Hier, Keetje — vouw mijn servet 'reis op! (gooit haar 't servet naar 't hoofd.)
Nonna Keetje. (Smijt 't servet terug.) Ik dank je — doe jij 't zelf!
Deze laatste weigering geeft den Hr. Josua 't regt, om,bij wijze vanreprésailles, der beide jonge dames een hagelbui van notedoppen, appelschillen en dergelijke om de ooren te smijten — alles tot groote verontwaardiging van Emile, den adjunkt-hofmeester, »die over al dievuiligheiddagelijks den nek breekt." De Hr. Judocus — »o diepstgevallen Simia!" — trekt een schalksch gezigt, en volgt 't loffelijk voorbeeld.
Algemeen kruisvuur van beide kanten.
De Hr. Gabriël ergert zich, en — tot 't uiterste gebragt door 't schreeuwen van 't kind Josephientje — staat hij op, en verlaat met Aballinische schreden de zaal, »l'oeïl morne et la tête baissée."
Projektielen van allerlei karakter en afmetingen verduisteren de lucht.
Groot gelach en vreugdegejuich. Men hoort 't vloeken der hofmeesters, 't knappen van lucifers, en 't aansmakken van sigaren. De kajuit vult zich met wolken rook.
De verwarring wordt algemeen; de chaos hernieuwd; grootemutatio rerum. Te vergeefs roept de Kapitein allen tot de orde van den dag. Elkeen begrijpt dat de positie onhoudbaar wordt. Men begeeft zich joelend en stoeijend naar boven —sauve qui peut!
De Hr. Josua speelt voor clown, en vertoont guitestreken, die een Panurge zouden beschaamd laten. De Hr. Judocus windt zich op, tot galantzijn toe. De meisjes houden beiden voor den gek.
Gabriël, daarentegen, en nonna Flora, hun hoog dichterlijken aard getrouw, zetten zich op een rottingstoel, en slaan de oogen hemelwaarts, of laten ze aan den horizon dwalen — westelijk, noord-westelijk — waar Holland ligt.Zij zuchten, keeren zich af van de kinderlijke spelen hunner natuurgenooten, en, aller aardsche genoegens wars, verzinken beiden in een sympathetischen dodder, waaruit ze niet verrijzen, vóór de thee hen op nieuw tot hun sublunarisch bestaan terugroept.
Maart, 1866.
ONTBOEZEMING VAN EEN »AMBTENAAR TER BESCHIKKING",
OF,
EEN EPISODE UIT GABRIËL'S WAARACHTIGE LOTGEVALLEN IN DE BINNENLANDEN VAN JAVA.