Mercy on us! — We split, we split — — —— — — — — — — — — — — — — — — —Now would I give a thousand furlongs of seafor an acre of barren ground: long heath, brownfurze, any thing; the wills above be done! but Iwould fain die a dry death.SHAKSPEARE.
SHAKSPEARE.
Wederom vier-en-twintig uren vervlogen! — wat zeg ik — met den gang van een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen, koû en snerpend guren tegenwind.
En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen — : Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen, als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren wijngaard des levens.
Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd, en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon linnen doen uitgluren; — doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en arbeidt, zij bouwtop en vernietigt — alsof ze den dwerg niet kende, die zich »Heer der Schepping" durft noemen.
Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts roepen — de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der ziele!
Mijn slaap was onrustig geweest — of liever, ik had niet geslapen: de hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen. — Ik stond daarom bij tijds op, en ging aan 't dek.
De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in 't Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te gemoet — als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de toppen der stuivende brekers — : 't was of de magten van licht en duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend slagveld van wind en wateren. En zie — waar de zwarte wolkenmassa in schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den horizon — teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte krijtklippen van Engelands zuidkust.
Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet — neen, mijn hart was te vol — daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn boezem; — ik bewonderde, ik aanbad — ik gaf mijn lot over in de handen van mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare, zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't verhevene in ons doet spreken, en die ons — helaas, voor een oogenblik slechts — waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan de Engelen." — Ik vreesde niet; — maar dan ook — dacht ik weêr aan mijn huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet zou weêrzien — : want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht; wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.
»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen — "Josua, onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld:nuwonen we een storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen aardigheid; — Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend voorwerp op de teenen te krijgen.
Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan, rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag — »we zijn naar de haaijen!" roepthij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem volgen, schijnen niet veel beters te zeggen. — Groote God, we hebben gestooten! — Ik spring op; — — o, ik was bedaard — maar, pijnlijk als een hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden doodsangst; — ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken — dan zou ik een reddingsboei pakken — ik kon zwemmen — of neen, liever zou ik mij in de boot trachten te bergen — als er maar plaats was — en niet de hooge deining — —— — »Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem vanJosua — — — — —— — dát bragtme tot bezinning; — »lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén hier — wilt ge uzelf 't eerst helpen — voelt ge niet in u de kracht van een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt — ?" En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me den moed van een Frans Naerebout; — haar, hen allen te redden — met haar in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last aan land en leven weêr te geven — — dan naar Gretna-green — een hutje in de bergen — met haar, met haar te wonen tusschen dedensenglensvan Rob Roy's »Land o' Cakes" — — !
Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.
't Bleek alras, dat — ofschoon er wezenlijk gevaar bestond — de roep erger was geweest dan de daad. — Een der groote ijzeren waterketels was over de klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen de andere zijde te botsen. — Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en, zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling was voorkomen.
Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren — een voorkomendheid zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet, en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest staan. — Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en, met algemeene stemmen — voor zoover die gehoord werden — besloot onze scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.
Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen, ja, verwenschingen er, na 't vernemenvan dit besluit, uit de heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid; — neen, 't barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje — — doch neen, nogmaals neen — we hooren 't niet: de zang van den storm alleen — niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen — is onzer aandacht waardig.
En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?
Neen, lezer — ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij, weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen, even 't luik hadden opengemaakt — een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.
Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit; en, ik beken 't — 't zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen; — maar zie, toch is 't niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat oogenblik — terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige planken — die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit, wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer — !
Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming. — »Bl.......... stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast genoeg gesjord had. — »Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der Grogmeijers. — »Schade, schade!" zuchtte Fräulein Einheit, die veel hield van worst zonder trichinen. — »Kasihan!"[4]lispelde nonna Flora, toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf — »Kasihan, stomme diertjes!" — Enikzweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid had met eigen mond datkasihanniet zachter, niet gevoelvoller, niet lankmoediger kunnen uitspreken,dan 't klonk van de rozelippen mijner zoete nonna Flora! — Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te beseffen — — om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn verkouden neus — u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem — !
Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet, dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te begeven. — Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons veilig voor Spithead ten anker.
November, 1865.
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
The road of Spithead.— Van hier, dacht ik, zeilden Marryat'smidshipmenuit, om er — na 't verrigten van tallooze exploiten tegen Franschen en Hollanders, en 't stoven van onnoemelijke koolen aan hun wettig gestelde superieuren — met lauweren gekroond terug te keeren. O, schim van Percival Keene, en gij, veelgetrouwe Jacob Eerlijk — hoe benijdenswaard was uwlieder lot op aarde: gij, die als contrabande of als vondelingen werdt in 't leven geschopt, en voor wien uw schepper toch steeds rijkdom, rang en een lieve vrouw in 't vat hield — ! — En ik, Gabriël, van onberispelijke ouders, onder een welwillende constellatie geboren, met de bevalligste talenten toegerust — ik, Gabriël, die nooit schulden maakte, nooit bloed vergoot, en nooit jongejufvrouwen den zielenvrede stal — zie mij gedwongen, in den gehaten Oost een sober bestaan te zoeken — ja, moest onlangs juist dáárom,mirabile dictu!— ofschoon ik niet aan den drank, doch gereformeerd ben, en geen knevels, doch nette blondebakbaardjes draag — bij een dom burgerkind, dat ik met mijn naam, rang en traktement — van mijn persoon sprak ik niet — 'reis regt gelukkig woû maken, een ijskoud blaauwtje oploopen. — »Wee mij," riep ik, in de bitterheid mijner ziele — »wee mij! — Gerrit Witse mogt wenschen, een stommeling te zijn — en hij had regt. Doch ik, Gabriël, die een stommelingben— ik zou kunnen bidden: och, dat ik een Carlo Moor, een Gustaaf de Losbol — dat ik een Percival Keene, een Jacob Eerlijk — och, dat ik een romanheld ware!"
Onder deze en dergelijke hartverscheurende overdenkingen, wandelde ik, half wakend, half droomend, de campagne op en af; en niemand kan berekenen, tot welke gruwelijk antisociale gevolgtrekkingen mijn alleenspraak me zou geleid hebben, noch, in hoe korten tijd mijn geest, zoo speculerend, van Spithead tot aan Tawaï-Poenamoe was verdwaald — indien niet tijdig mijn aandacht ware afgetrokken door de machine, die, steunend en blazend, onze »Meermin" van de buitenreê naar de haven ging slepen. — Ik schudde den nevel mijner overpeinzingen van me, en overtuigde mij alras, dat mijn vleeschelijk oog, meer nog dan mijn geestelijk, hier stof tot opmerking kon vinden.
't Was een regt levendig panorama, dat zich vóór en rondom ons uitstrekte. Vrolijk scheen de winterzon over de tot rust gebragte wateren, lustig dreunde 't geschut van batterij en oorlogsbrik — de kogels huppelden over de golven, gelijk steentjes waarmeê we als jongens den vijver scheerden; en honderd bonte vlaggen wapperden van steng en gaffel,als zooveel huldetolken van de verschillende natiën, die aan Albion's kust een veilige schuilplaats hadden gevonden.
Toch stonden de aangezigten onzer scheepsgenooten droeviger dan ooit: hun oproerige woede van gister had, even als de storm, uitgeraasd, om plaats te maken voor een stille, mokkende onderwerping, die zich 't duidelijkst — in een somber, dreigend, onheilbroeijend, angstverwekkend zwijgen, had geopenbaard, toen de kapitein, gedurende 't ontbijt, op officiëlen toon had meêgedeeld, 't geen elk reeds wist doch niemand hooren wilde, namelijk, dat, volgens artikelzooveelvan de scheepvaartwet: »de passagiers van een schip gehouden zijn, op eigen kosten een onderkomen aan den wal te zoeken, ingeval en gedurende den tijd, dat meergemelde bodem in eenige haven wegens averij binnenloopt en vertoeft."
Voorloopig had wel de Heer Hupman — geconfijt, als hij was, in staatsbladen — velen onzer gerustgesteld met de aanhaling van zeker Koninklijk Besluit, waarbij, in dergelijke eventualiteiten, aan gouvernementspassagiers een tegemoetkoming van ƒ 10. — 's daags wordt toegestaan — edoch, niet allen waren zoo gelukkig den rang van landsambtenaar te bekleeden — ergo: niet allen zouden de behulpzame hand mogen vatten, die een moederlijk bezorgde Regering hier, bij uitzondering, slechts haren goede en getrouwe dienstknechten meende te moeten toereiken. Daar was Fräulein Einheit, particuliere, wier geheel Hessisch vaderland bij verkoop niet zóóveel zou opbrengen, als zij in 't dure Engeland zou moeten verteren; en Mevrouw Tripvoet, particuliere, die »met den handschoen was getrouwd", en al haar geldje in haar uitrusting had gestoken; daar was ook de rampzalige Lepidus, particulier, met vrouw en kroost en bijhebbende baboe — maar hij was »van Britsche extractie", beweerde hij, en zou in London bij een neef van hem gaan logeren.
Na verloop van een half uur lag ons vaartuig in 't dok, en kwamen decustom-officersaan boord. »Sic an host of idle English gaugers and excisemen as hae come down to vex and torment us, that an honest man canna fetch sae muckle as a bit anker o' brandy frae Leith to the Lawnmarket, but he's like to be rubbit o' the very gudes he's bought and paid for." — Niet, dat de menschen onbeleefd waren — doch ze kenden hun pligt: al onze sigaren, tabak en dranken moesten afgegeven worden, en zagen we in een leêge hut onder zegel weggestopt. Schrijver dezes ondervond ook hier weêr, hoe een goed woord en een gulle hand wonderen verrigten: een honderdtal sigaren en een pond fijnen Portorico deed hij zóó, zonder al te schandelijke machinatiën, van uit de klaauwen der wet in de plooijen zijner reistasch overgaan. Zijn medebroeders in de verdrukking, waarvan de meeste de tale Babylon's niet magtig waren, kwamen er echter minder goed af; en, niet weinig waren de rond orthodoxe verwenschingen, die naar 't hoofd werden gesmeten van een natie, zóó barbaarsch en ongastvrij, dat ze den vreemdeling, den hulploozen schipbreukeling, zelfs de pijp tabak en 't slokje klare, die eenige troosters in tegenspoed, willekeurig dorst ontzeggen: — »ze waren toch geen marskramers, geen vagebonden, die schagcheren zouden in gesmokkelden jenever en tabak; neen — 't was niets dan nijd en afgunst van John Bull, die zelf geen redelijke sigaar te rooken, of goeden borrel over de lippen kreeg, doch zich met stinkendenshagenslappenwhiskymoest behelpen: en 't daarom een ander niet gunde, dat die zich aan beter kost te goed deed." — Zonder nu, in deze hoogst teedere kwestie, vóór of tegen John Bull te durven beslissen, en in deze ons geheel onderwerpend aan de nadere uitspraak van een bevoegd staathuishoudkundig lezer, willen wij ons bepalen tot de vermelding van 't feit, dat, na aldus successievelijk ten speelbal te hebben gestrekt aan winden, wateren en willekeurige wetten, onze reizigers vrij knorrig gestemd aan wal stapten.
Onze eerste gang was naar den Consul, den Heer Q., een Hollander, die tevens Consul was voor Frankrijk, Italië, Rusland, Zweden, en, de hemel weet 't, waarschijnlijk ook voor Mesopotamië en Monomotapa. Deze Heer was ontwijfelbaar eenige duizend jaren te laat in 't leven getreden: hij toch had, gedurende den wereldberoemden torenbouw, onbetaalbare diensten kunnen presteren, daar hij, volgens algemeen beweren, niet minder dan zeventien talen sprak — hoewel geen enkele slechter dan zijn eigen moedertaal — behalve misschien 't Patagonisch. In zijn hoedanigheid van Consulair Agent beloofde hij ons herhaaldelijk en op 't nadrukkelijkst, de belangen zijner landgenooten te zullen behartigen; van welke patriotische gezindheid hij ons al dadelijk een doorslaand bewijs gaf, door onze goede Hollandsche bankbiljetten wel, tegen een matige provisie van 10%, te willen inwisselen.
Een tweede, nog gewigtiger pligt, bestond in 't zoeken van kamers voor de verschillende familiën. Dit ging niet zoo gemakkelijk, daar 't oordeel van respectieve vaders en moeders, hoofden der huisgezinnen, ten opzigte van stand en huurprijs telkens lijnregt vijandig tegenover elkander stond. Vooralde Heer Grogmeijer had een zwaren strijd met zijn wederhelft te strijden, toen hij, na verscheiden woningen als onuitstaanbaar smerig te hebben afgekeurd, ten laatste zijn zinnen scheen gezet te hebben op de kamers van zekereMissisNorth, die een paar ooglijke dochters tot assistenten had. De kamp tusschen vrouwelijken argwaan en mannelijk gezag was juist op 't vinnigst, toen men eindelijk des geduchten Grogmeijer's haan hoorde koning kraaijen — dank zij de plotselinge tusschenkomst van den Majoor, die zelf, met groote waardigheid, doch in slecht Engelsch, er toe overging, voor zich en de zijnen bij genoemdeMissisNorth kamers te bespreken: tot loon van welke bemoeijenis hij zich, zoolang de zeereis duurde, heeft moeten buigen onder de venijnige schampscheuten, waarmeê de overwonnenshe-Grogmeijer goedvond, zijn reputatie als getrouw en onkreukbaar echtgenoot te havenen. — Hem volgden, behalve de Grogmeijers, ook Mevrouw Tripvoet, mitsgaders de hoogst gezellige, hoogst sociale en galante Heer Hupman. — De door 't geluk verlaten Lepidus, die zijn stamboom even scheen nagezien te hebben, en bevonden, dat hij den Londonschen neef toch wat al te ver bestond om op gastvrijheid te kunnen rekenen — hij, zeg ik, met vrouw, kroost, bijhebbende baboe, en de Hessische Einheit aan 't lijntje, sloeg zijn tenten op bij den koekbakker Horris. Ik geleidde hem daarheen, om voor hem, tegenover den huisbaas, 't woord te doen; en moest bij die gelegenheid 's mans bittere klagt aanhooren: hoe hij, die nu, pas drie weken geleden, Duitsch had moeten aanleeren, om zich bij zijn beschermelinge, Fräulein Einheit, verstaanbaar te maken — nu weêr genoodzaakt was, zich van-meet-af-aan in 't Engelsch te gaanoefenen; — dat was dan ook waarlijk te veel voor iemand, die zich zelfs in 't Hollandsch niet dan hoogst onvolmaakt uitdrukte. — Wij eindelijk, Josua, Judocus en Gabriël, huurden ons een nederigen optrek onder de vleugelen van zekere eerzame weduwe Weeks, een stijve, puriteinachtig uitziende oude vrouw, die dan ook toonde, meer zorg te dragen voor 't heil harer onsterfelijke ziele, dan voor 't welzijn en comfort van haar dikwijls hongerige en verkleumde commensalen.
Dús zagen we ons allen op Britsch grondgebied onder dak gebragt. — De eerste dagen werd er veel gepreuteld, en klaagde men over verveling. Judocus had spijt, dat we niet in een Fransche haven waren binnengeloopen: hij haatte de Engelschen, omdat ze Engelsch spraken — 't geen hij niet verstond, ofschoon hij 't op de school toch perfect geleerd had; en omdat ze groenten zonder zout kookten — 't geen hij niet lustte; en vóóral, bóvenal haatte hij ze — omdat ze Engelschen waren. Zelfs Josua, de geboren, luchthartige wereldburger, hield nog immer vast aan een oud-Europeesch vooroordeel, en bleef zijn sympathie weigeren aan 't geen hij noemde »stijve goddam's." — Doch, eilieve, Josua mijn vriend — wie u een week na dato had ontmoet, toen ge rondfladderdet als de derde Kalender, Koningszoon, in 't tooverpaleis der veertig jonkvrouwen — — zou u voorwaar eêr hebben doen gelooven aan Nederlandsche energie, Pruissische redelijkheid, of Chineesch liberalisme — dan aanEngelsche stijfheid— ?
November, 1865.
(GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
And I think how many thousandsOf care-encumbered men,Each bearing his burden of sorrow,Have crossed the bridge since then.LONGFELLOW.
And I think how many thousandsOf care-encumbered men,Each bearing his burden of sorrow,Have crossed the bridge since then.
LONGFELLOW.
Andante con moto.
Toen— ennu!
Toenwas ik een arm studentje; —nuwas ik »Ambtenaar van den Staat,"Toenhad ik minder pennies in den zak — dannushillings.Toentrok ik te voet door straat en steeg, en besproeide in een armelijk bierhuis mijn boterlooze boterham mettwopennyale; —nustond op mijn wenken eencabgereed, en kon ik mijn plaats inHer Majesty'sbetalen, en smulde ik, als 't mij lustte, volop den geurigstennegusinthe Royal Alhambra.Toen— —— — en toch,broêr Willibald — had ik gaarne al mijn pas verworven rijkdommen gegeven — om nogeens te kruijen door dik endun, gelijk ik't toendeed; ik had mijn schitterendste vooruitzigten, ja, 't lichtend visioen van den goudgeranden residentspet, blijmoedig in burgerlijke onbeduidendheid zien ondergaan — om nogeens bitter bier te drinken, zooals ik 't dronk in de nederige kroegjes die iktoenbezocht.
Wanttoen, broêr Willibald, slenterde en dronk ik met U — ennudwaalde ik alléén er rond.
En weêr toefde ik op de brug: weêr leunde ik mij aan de breede balustrade, en zette mij neder op een der steenen banken aan den kant.
Ja,London-bridgewas nog dezelfde gebleven.Nu, als toen, broêr Willibald, gleed onder mij de snelle rivier, »the silent highway";nu, alstoen, schemerde in de verte, een berg van zilver, de maanverlichte globe vanSt. Paul's magtigen koepeldom;nu, alstoen, raasde vóór mij, langs mij heen, de onafgebroken stroom van menschen en menschelijke werken, woelend en in regelmatige verwarring zich verdringend, slovend en zwoegend, elk voor zich — dezelfde sprekende, schreeuwende, joelende, gonzende, ratelende schilderij van 't geen men in onze groote stedenlevennoemt.
Maar, gelijk de wateren van den Thames gewisseld hadden sederttoen— gewisseld en nogmaals gewisseld; gelijk de atoompjes dietoenzijn bed vulden, door andere waren vervangen — : zóó ook was de levende stroom die mij voorbijholde, niet onveranderd gebleven: nieuwe beekjes waren toegeschoten, en de oceaan der eeuwigheid had zijn tol geeischt. — Ichabod! hoevele waren ertoenonder die drokke voorbijgangers, die, als pelgrims op de verraderlijke brugdes levens,[5]dansend en juichend hun weg vervolgden; andere, die peinzend voorttraden; nog andere, ijverig de veelkleurige luchtbellen najagend, die hoop en eerzucht hun vóórtooverden; hoevele ook, dienu, een korte wijle later, reeds gestruikeld waren, en, als ze 't minst er aan dachten, voor immer verdwenen in den zwarten vloed des tijds. — »Surely," zuchtte ik met Mirza, »man is but a shadow, and life a dream. Alas, how are we given away to misery and mortality! — tortured in life, and swallowed up in death!"— — —— — —— — —halfpenny Sir, halfpenny!"— En 't schelle stemmetje van een haveloozen straatjongen, gevoegd bij de onzachte aanraking waarin hij zijn houten schoentje met mijn likdoorn brengt — roept mijn geest terug in de valleijen van 't dagelijksch leven, wáár ik, onder grazende ossen, schapen en kameelen, er één vond: een blatend bokje —dat muskus-lucifers verkocht.
London. November, 1865.
[3]Zie: Staring, »Thor, als Visscher"; en, Walter Scott, »The lay of the last Minstrel", Note 47.
[3]Zie: Staring, »Thor, als Visscher"; en, Walter Scott, »The lay of the last Minstrel", Note 47.
[4]Maleisch: een uitroep van medelijden.
[4]Maleisch: een uitroep van medelijden.
[5]»The Vision of Mirza."
[5]»The Vision of Mirza."
(GEDEELTELIJK NAAR AANLEIDING VAN WASH. IRVING'S »WESTMINSTER ABBEY").
Religioso.
Zacht — zacht! Ontdekt uwe hoofden, schudt 't stof van uw voetzolen: de grond dien we betreden is heilig. Heilig! — ja: want hier rust 't stof van onsterfelijke dooden! — Zie rond, menschenkind, en lees de namen die gegrift staan in 't marmer: zie, lees — en buig 't hoofd in eerbied en zwijgend nadenken!
We hebben de Abbey doorgewandeld.
Niet lang toefden we bij de trotsche kapel van Henry VII; we stonden niet in bewondering bij Buckingham's gedenkteeken, noch bij de eerzuilen van honderd Helden en Grooten der aarde.
Wat hadden we met U te doen, bloedige mannen van Vuur en Zwaard, priesters van geweld en ligchamelijke overmagt; of met U, Koningen en Vorsten, die geleefd hebt en gestorven zijt in luiheid en ijdelheid; wier graftombenzelfs zijn opgerigt ten koste van 't Volk, dat gij verachttet en uitzoogt — ! — U, Helden, zal God toeroepen, »dat wie slaat met 't zwaard door 't zwaard zal omkomen." U, Koningen, zal de Opperste Regter rekenschap vragen van 't talent dat Hij U gaf tot woekeren, en dat gij begraven hebt in den grond — !
Wat hadden we met U te doen! — : de dagen uwer heerlijkheid zijn vervlogen; en de kinderen dezer eeuw kussen niet meer in slaafsche onderwerping de voeten der beulen, die 't bloed en zweet der vaderen niets geteld hebben.
In »Poets' Corner" zijn we teruggekeerd.
We hebben ons neêrgezet, en om ons heen gezien — en 't was ons, of vriendelijke, welbekende geesten ons uitnoodigden, voor een oogenblik mét hen de aarde te verlaten, en óm te zweven in de spheren van een hoogere wereld.
Hier rust de zachte Goldsmith, de bevallige Addison, Shakspeare, de reus; hier rusten Chaucer, Spencer, Milton, Dryden, Gray, Macaulay — en zooveel anderen, wier namen ons terugroepen in den tooverlusthof, waar zoo vaak hun werken onzen geest deden omdwalen. — Hier, zoo ergens, bloeit in overvloed de trage plant die slechts op de graven tiert.
Gelukkige stervelingen, wier roem uw stof overleefde! — : en wat roem? — niet de holle roem, door 't bloed van duizenden gekocht; — neen: U siert 't dankbaar nageslacht met den eeuwig groenen palmtak van Vrede en Wijsheid en Kunst: Uw namen prijken in eeuwentartend gesteent, als de namen van hen, wier werken, in Gods hand, de trappenzijn geweest, waarlangs de menschheid tot hooger volmaking opklom.
Gelukkige stervelingen! — —— — Zwijg, prozaïscheGenius onzer eeuw! Spreek mij niet van de vergankelijkheid, die alle menschelijke grootheid in 't duister doet wegzinken! Brul mij geen »vanitas vanitatum" in de ooren! Houd mij geen predikatie over de kortheid van 't geen wijonsterfelijkheeten! —Dezehierzijnonsterfelijk — ten minste voor ons menschenras. Zoolang nog de taal zal gesproken worden waarinzijschreven, zoolang nog een beschaafd volk den naam zal voeren van de natie waartoezijbehoorden — zóólang zullen zij, levend en sprekend in hun werken, een deel van 't menschdom blijven leeren, stichten, vermaken.
— Ik weet wel: 't marmer hunner praalgraven zal vergaan, gelijk hun gebeente vergaan is; maar ook dan nog zullen ze een schooner gedenkteeken vinden in de harten der kinderen en kindskinderen van hen, die ze hebben liefgehad, toen ze rondwandelden op aarde! — ja, hier namaals nog, in de woningen des Vaders, zullen gelouterde zielen hen danken, dat zij, van uit 't stof, hun den weg hebben gewezen tot 't eeuwig goede en schoone!
Peinzend stonden we tegenover Haendel's heerlijk standbeeld, en neurieden zachtkens de onovertroffen phrase uit den »Messias",I know that my Redeemer liveth, die 't marmeren muziekblad aan den voet ons te binnen bragt. — 't Was reeds laat in den namiddag, en de schemering begon te vallen. Er werd dienst gehouden: een plegtige stilte heerschte alom — : slechts hier en daar een gesmoordevoetstap, en, in de verte, de galmende stem van den leeraar.
Plotseling jaagt de diepe stem des orgels ons een zalige rilling door de leden. Een statig preludium; — daar ruischt de zilveren koorzang omhoog, en speelt en trilt langs 't beeldhouwwerk der zuilen, en verliest zich, zacht jubelend, aan den boog der hemelhooge daken. Dan weêr valt 't duizendmondig speeltuig in, losbrekend in een daverend Hallelujah, een zwellend, juichend, onweêrstaanbaar Looft den Heer — dat zweept en rolt over de zerken, als 't bazuingeschal des laatsten oordeels — dat 't stof der dooden doet sidderen in de graven — dat de gewelven vult met den stroom der akkoorden, en de zielen der levenden meêsleept op de golven van een alvervoerende harmonie — !
Hoe groot is de magt van een kerkdienst die tot de zinnen spreekt; en hoe ligt beseffen we 't, onder de bogen vanzulkeen heiligdom, dat de zinnelijke schare slechts biddenkanen biddenwilin tempelen door menschen gebouwd. — 't Ware bidden is in de natuur: onder den blaauwen hemel, als God-zelf ons voorbijgaat in 't fluisteren van een zachte koelte; — maarookliefelijk is 't, te bidden in 't huis, waar alles zamenwerkt om zelfs in 't hardst gemoed een heilige aandoening op te wekken.
Vergeven we 't daarom den vaderen, dat ze zoolang binnen deze muren een heerschzuchtige priesterschap hebben vergood, die, Roomsch of Onroomsch, den grooten naam van Christus vernederde tot een wachtwoord voor domme dogmaprediking en bloedige dweeperij; vergeven we hun een ijveren voor dwalingen, uit wier botsing de vonk sprong, die ons 't Christendom in een beter licht doet beschouwen! En nemenwe hierin een voorbeeld aan hun warme geestdrift: dat ze goed en bloed opofferden voor de instandhouding van een dienst, die hun heilig en éénig toescheen! — De tijden van geloofsdwang zijn voorbij. Wee ons, zoo ze slechts hebben plaats gemaakt voor de koude onverschilligheid van een laf scepticisme — !
't Orgel zweeg; de dienst was afgeloopen. — Reeds waren zijvleugels en nissen in schemerdonker gehuld; — maar door de bontgekleurde vensterglazen schoot de winterzon een laatsten matten stralenbundel, en speelde met spookachtig rooden gloed over de graven van Koningen en Helden.
We traden buiten. 'tMemento moridat de kloosterklok ons nariep, verstierf in 't gewoel der levenden. De dooden waren vergeten. — Dienzelfden avond nog leefden we en zondigden — als ware er voor ons aan geen sterven te denken.
London. November, 1865.
(EEN DIALOOG TUSSCHEN JUDOCUS EN GABRIËL).
Not so bad as we seem.Bulwer.
Not so bad as we seem.
Bulwer.
't Was op zekeren onvergeetlijken December-namiddag, dat ik mij, met mijn vrienden Josua en Judocus, binnen de wallen der Engelsche vesting Portsmouth, en, meer speciaal, in de gezelligeparlourvan de te dier stede wélvermaardeQueen's Arms' Tavern, te zamen zag. Dáár warmden we ons aan den haard, en dronken goudgeelen sherry. — Josua ging, loffelijker gewoonte, zich aan dien goeden drank te buiten. Wij echter, Judocus en Gabriël — altijd zoekend, 't nuttige met 't aangename te veréénen — leverden, al drinkend, elkaâr strijd met de wapenen onzer tongen, en schonken, al schenkend, 't leven aan de volgende zeer leerzame en zeer aanhoorenswaardige redewisseling.
JUDOC. Dat is dan alweêr een deugd, die ge bewondert in een volk, waarvan ge U schijnt voorgesteld te hebben, niets dan 't goede te vermelden.
GABR. Toch niet: ik beweer niet, dat de Engelschman zich minder bezuipt dan de Hollander; — 't zal wel gelijk staan; maar, hij doet 't fatsoenlijker, draaglijker, aangenamer.
JUDOC. Ge zijt partijdig, en spreekt als zoovele onder ons Hollanders, die altijd 't vreemde en den vreemde boven hun eigen verkiezen.
GABR. Minder partijdig dan zij, wier wiegeplek-liefde zóóver gaat, van hen te doen gelooven, dat er geen beter land ter wereld bestaat, dan de stad en ommelanden van Appingadam.
JUDOC. Spaar je haatlijkheden: je weet zeer goed, dat ik om mijn Groningschen geboortegrond evenveel geef als om Doggersbank of Biesbosch. Ik ben volstrekt niet zoo Groningsch- of Hollandschgezind; ik geef geen volk de voorkeur; mijn streven was steeds, de goeden onder elke natie te achten en lieftehebben; —
GABR. Regt cosmopolitisch gesproken!
JUDOC. — Maar ik zie ook geen reden, mijn vaderland te verachten, en 't buitenland vóór te trekken,alleen als zoodanig.
»Hebt gij een vaderland, zoo kleef niet aan een ander:Wees Gal noch Brit — wees Nederlander."
De man, die zijn nationalen trots laat varen, verliest een deel van zijn karakter als mensch en burger.
GABR. Ontwijfelbaar, o vrome kampioen van opregte Haarlemmer vaderlandsliefde. — Edoch, mijn brave Judocus, we verliezen 't onderwerp van ons twistgeding uit 't oog. Er is hier geen sprake van Holland en de Hollanders; ik wil geen parallel trekken tusschen mijn landgenooten en éénig andervolk. 't Betreft hier een natie, die gij, in navolging van de meeste vreemdelingen, instinktmatig verafschuwt; die ik, daarentegen, van een zijde heb leeren kennen, welke mij regt geeft, haar tegen uw bevooroordeelde aanvallen te verdedigen. — Voeren we nu elk onze gronden aan, en wegen we die in de schaal eener onpartijdige regtspraak.
Zoo dan, Judocus — in den naam van al wat Groningsch is, vraag ik u af: wáárom haat gij de Engelschen met zóó doodelijk diepen haat?
JUDOC. Om verschillende redenen. — Vooreerst moet ik je zeggen, dat ik ontzettend hecht aan eerste indrukken. De eerste indruk nu dien de Engelsche natie op mij maakte, was, in alle opzigten, magtig onaangenaam.
GABR. Deeersteindruk?
JUDOC.La première impression est toujours la meilleure, zegt een Fransch spreekwoord.
GABR. Ik twijfel, of de zegger dat indienzin bedoeld heeft. — Doch ook dit mag waar zijn voor enkele zeer scherpziende en vlugoordeelende typen der zoo diepzinnige Fransche natie; — ik echter, in mijn Noordsche botheid, heb nog altijd ondervonden, dat de eerste indruk een verkeerde, verwrongen indruk is, geheel afhangend, niet van den aard van 't subjekt dat hem te weeg brengt, maar enkel van de omstandigheden waaronder men hem ontvangt.
JUDOC. Een hoogst onpopulaire stelling, die met één slag alle gezag ontneemt aan den schat van »losse reisindrukken", »schetsjesà-vol-d'oiseau" etc., waarmeê in onze dagen van spoorwegen en luchtballons, zooveel vliegende touristen getracht hebben, de wetenschap van land- en volkenkunde te verrijken.
GABR. Daarom alléén reeds zou dus mijn stelling niet geheel verwerpelijk te achten zijn: omdat ze mij beletten zou me schuldig te maken aan de malle ijdelheid van dergelijke reizende Argussen, die, als ze op de vleugelen des stooms een vreemd land van Noord tot Zuid hebben doorgerend, zich genoegzaam ingelicht wanen, om een uitspraak te vellen over den aard van 't volk, als waren ze onder datzelfde volk grootgebragt. — Doch, ga zelf na of ik onregt heb. Immers, wie 't karakter van een persoon wil doorgronden, moet lang en oplettend met hem omgaan, achtgevend op al zijn wezen tegenover anderen en zichzelf. Hoeveel te meer dan, zal hij, die eenvolkwil leeren kennen, zich langdurige studie moeten getroosten, en zich moeten wachten voor de sterk gevoelde doch geheel ongegronde indrukken van 't eerste oogenblik.
JUDOC. Uw gevolgtrekking timmert niet hoog. Maar — als ik je daarmeê genoegen doe, wil ik mijn eerst ontvangen indruk hier wel buiten rekening laten. Ik heb grieven van ernstiger aard. — Wat zult ge mij antwoorden, wanneer ik den Engelschman vanstijfheidbeschuldig?
GABR. Eenvoudig, dat ge er 't regt niet toe hebt. Ik laat 't zijn, dat de Franschman of Duitscher — die den Brit alleen beoordeelt naar zijnzeer navolgenswaardigewijze van zondagvieren[6]— spreekt vanstijve Engelschen; doch alsdestijve Hollanderdat doet, is 't waarlijk de zwarte pot, die den witten een smeertje verwijt.
JUDOC. En wat zal uw repliek wezen, als ik den Albionees vangrofheidenruwe manierenbeticht?
GABR. Dan zal ik u er aan herinneren, dat ik U gister nog onzen Jozua hoorde gelijk geven, die, na minutieuse waarnemingen, meende te mogen vaststellen, dat Europa's opinie omtrent de Britsche natie aan twee voeten mank ging: de Engelschen waren zwak in 't beefsteak bakken, en lang niet sterk in 'tgoddammen. — En, zeg me, hebt ge ooit in de matrozenbuurten van Portsmouth, of in de bierknijpen, waar dronken zeeluî en soldaten den hoofdtoon voeren, dat lasterend vloeken, die walgelijke spraakversieringen gehoord, waarvan bij ons, niet alleen 't gepeupel, doch zelfs beschaafde en gegoede jongeluî den mond vol hebben — ? Ergert men zich hier over 't dierlijk brullen langs de straten, opzondagavonden en andere feestdagen? Ziet men hier de gruwelijke beestigheden vertoond, waartoe bij ons een Kermis jaarlijks aanleiding geeft? Welk denkbeeld toch moet de vreemdeling, die toevallig op een Kermis als de Rotterdamsche verdwaald raakt, zich vanonzenatie vormen, wanneer hij ziet, hoe de bevolking in massa van een eerste koopstad, dagen lang, onder invloed van koek, kroosjes, draaimolens en jenever, als dol rundvee dooreen raast — ?
JUDOC. Met uw verlof — ik heb minder 't oog op 't gepeupel, dat overal brutaal en dierlijk is (getuigen de boxpartijen der Engelschen bij verkiezingen) — dan wel op den man uit den middenstand: 't gegoede publiek, dat men op de straat, in de herberg, in den spoorwagen — kortom, in 't dagelijksch doen ontmoet. Juist onder die klasse, die men teregt kan achten, den volksaard 't best te vertegenwoordigen, heb ik mij te beklagen over eenterugstootendheid, een air vanselfsufficiency, dat aan 't stugge en plompe grenst.
GABR. Uw bevinding, mijn waarde, vloeit voort uit de weinige moeite die ge u gegeven hebt, met enkele individuen kennis te maken, en uit uw onbedrevenheid in de taal. — De Engelschman heeft boven alles zijn persoonlijke vrijheid lief: van dáár zijn zucht tot afzondering. In 't gewone leven acht hij slechts datgene wat hij kent: — den vreemdeling nu, dien hijnietkent, ergo niet acht, valt hij niet met een geveinsde belangstelling lastig. — Ik beschouw daarom die natuurlijkestugheid— of liever,schuchterheid, die Goldsmith noemt »the Englishman's malady" — niet als een fout; veeleer prijs ik zoo'n hoedanigheid, als zeer aanbevelenswaardig tegenover de bemoeizucht en onbeschaamdeindringendheid, die de Franschman en Duitscher voor gezelligheid en jovialiteit wil doen doorgaan.
JUDOC. Dat mag gedeeltelijk waar zijn; doch dieschuchterheid, ofplompheid— zooals ik ze noemen blijf — ontaardt bij den Engelschman in verregaandeonbeleefdheid.
GABR. Ho daar —beleefdheidis een kwestie van persoonlijke opvatting: elk meent beleefd te wezen opzijnwijs.
Wanneer b. v. de Londoner eenpublic-housebinnentreedt, en de gasten die hij niet kent niet groet, is zulks niet uitonbeleefdheid— doch eenvoudig, omdat de volksgewoonte 't niet meêbrengt, d. i.: omdat geen Engelschman 't nodig oordeelt, tegenover anderen een vermoeijende vormelijkheid in acht te nemen, waarop hijzelf geen prijs stelt. Doch spreek dienzelfden man aan, vraag hem inlichtingen — en hij zal 't zich een eer rekenen u teregt te wijzen; wek bij hem een zweempje van belangstelling in u op — en hij zal zich uw vriend toonen op een wijze, waarvan de Franschman, met zijn lastige koffiehuis-beleefdheid, zich geen begrip kan vormen.
Dit laatste hebt gij, Judocus, toch ook meermalen ondervonden. — Was die jonge mensch niet beleefd, die ons, als we den eersten avond hier ter stede doorbragten, overal den weg wees, en ons op ettelijke pintenBurtononthaalde ondanks de stroeve stilzwijgendheid van U en Josua, die steeds in angst verkeerdet, dat de man zou eindigen, met ons in 't een-of-ander moordhol te lokken — ? Was 't geen beleefd oud heer, die zijn thee liet koud worden, om voor ons een overbodig introductie-briefje te schrijven aan onze Londonsche hospita — ? Waren die kommiezen (N.B.) niet beleefd, toen we aan 'tCustom-housesigaren kwamen halen, en zij niet ophielden, of we moesten aan hun middagmaal deelnemen, zonder dat ze ons wilden veroorloven, hun wederkeerig een paar potten ale aan te bieden — ? Bleken ook die Londonschepolice-menniet zeer beleefd, die u, Judocus, telkens wanneer uw oudheidzoekend hoofd u in den steek liet, en gij op 't punt stond verloren te raken in de meest gecompliceerde labyrinthen van de wereldstad — die u, o ondankbaarste van Radboud's zonen, zoo bereidwillig den draad reikten, om u terug te leiden tot uw stillen schuilhoek onder de herbergzame daken der eerzame Weduwe Eusebia Rackham — ?
JUDOC. Val-jij dood met je Weduwe Rackham!
GABR. Nu dan — waren de militairen niet beleefd — —
JUDOC. — Militairen! Spreek me in 's hemelsnaam niet van Engelsche militairen! Stijver, pedanter, onhebbelijker lummels zag ik mijn leven niet — met hun lange carcassen, geoliede haren, en ploertige flesschebakjes op één oor — !
GABR. 't Is waar, ze hebben dát met alle militairen gemeen, dat ze — in plaats van over hun jammerlijke roeping te schreijen — zich een air van fierheid eigen maken, 't welk alleen een dom bewustzijn van physieke kracht billijken zou; ook dát is een bitter kwaad onder de zon; en ook dát zal niet veranderen, zoolang de roem van een Bonaparte of von Bismarck niet zal gelijk gesteld zijn met dien van een Herostrates. — Edoch, vergelijk daarbij de vuile aanmatiging van onze militairen, die daarin den Pruissen niets gewonnen geven: hoe elk korporaaltje, naauwelijks vijf voet hoog, knikkend onder den last van zijn geweer, en de kleêren aan 't lijf gegooid als een vogelverschrikker, reeds vloekt enbralt als een veteraan; hoe dit onzinnigbullyismmet den rang opklimt tot den — —
JUDOC. Zeg eens, denk er aan — ik heb een broêr die Luitenant is —
GABR. — en die mij, weêrloozen pennelikker, met zijn geduchte strijdlat wel eens den kop zou kunnen klieven! — Pardon! — ik wou alleen maar zeggen, dat de Engelsche krijgers zich ten minste nog kunnen laten voorstaan op meer dan burgerlijke afmetingen in lengte van beenen en breedte van schouders — en, behalve dat, ook dikwijls op eenige wereldkennis en een soms goede opvoeding.
JUDOC. Ik meende, Gabriël, dat we afgesproken waren, geen contrasten te teekenen van Hollandsche en Engelsche toestanden.
GABR. Juist zoo — doch waarom noodzaakt ge mij er toe, door me in de rede te vallen! — Ik laat dan die zonen van Mars buiten 't spel, en wil U slechts verzoeken, mij, ten overvloede, de volgende vraag naar waarheid te beantwoorden. Werdt gij, Judocus, ooit beleedigd, of als vreemdeling bespot, de enkele malen dat ge u verwaardigen wildet voor een oogenblik uw nationale antipathie ter zijde te zetten, en 't u behaagde, met deze-of-gene Dulcinea in een derboxesvan Portsmouth'sMusic-hallplaats te nemen, alwaar ge toch dikwijls omringd waart door sergeants en stuurluî benevens derzelver respectieve uitverkoren beauties — ? En vertel me verder: zaagt ge zoo iets in Holland een Engelschman wel eens proberen, zonder dat de man als een wild dier werd aangegaapt en uitgelagchen — ?
JUDOC. Laat Holland toch rusten! — Beleedigd — neen, beleedigd juist niet — maar toch ——
GABR. — Maar toch — ?
JUDOC. — Ja, hoor eens, — je moogt zeggen wat je wilt — ik blijf er bij: ik heb 't zuur aan de Engelschen. Niets in hen van 't jolige en innemende dat den Franschen en Duitschers zoo eigen is, en dat vreemdelingen tot broeders maakt; — de Engelschman staat daar, stokstijf, onwrikbaar op zijn eiland, voor anderen ongenaakbaar, voor zichzelf algenoegzaam. Hij verdient in alle opzigten de naamgenoot te zijn van den breedgemuilden kettinghond: hij verschanst zich in zijn hok, slorpt zijn drank, zwelgt zijn roastbeef; en, als een speelsch medehondje in onschuldige koutzucht hem nadert — »damn it", bast hij; of »what do you want, Sir", bromt hij; of, »I'll knock your bl.... brains out — boe, woe, woe", brult de bullebijter John Bull — !
GABR. Bravo, mijn zoon — uw verontwaardiging grenst aan 't edele! Voeg er bij, om uw hondjes-metaphora te volmaken, dat de wakkere, trouwebull-dogniet altijd ongelijk heeft, wanneer hij 't onbeduidend, schelschreeuwend keffertje op een afstand houdt.
Maar, in ernst gesproken, Judocus, uw vooroordeel is even ingeworteld als dom. — Dat ge vroeger, vóór uw verblijf in Engeland, zoo dacht, is te begrijpen. Gij hebt, in Delft- en Groningerland, de naburige volken leeren beoordeelen uit weinige en zeer slecht gekozen gegevens. — De Britten meendet ge te kennen: 1°., uit de stokers en zeeluî op de straat en in kroegen; 2°., uit de karikaturen, die in sommige geestige boeken en tijdschriften te vinden zijn; 3°., uit de verschillende categoriën van Sternesche reizigers, die men in onze steden en in Duitsche badplaatsen ziet rondtrekken; — die laatste zijn dikwijls dwaas — en, hoezou 't anders kunnen: ze reizen met een ziels- of ligchaamskwaal onder de leden, en zijn dus vrij onverschillig omtrent hun omgeving. — De Franschen, daarentegen, hebt gij gemeend vertegenwoordigd te zien door een corps pluimstrijkendecommis-voyageurs, taalmeesters, kappers en dergelijke poenen. Vooral — en dit pleit noch voor uw smaak, noch voor de degelijkheid van uw karakter — hebt gij de Fransche natie lief gekregen om de produkten van haar suikerzoete, doch walgingwekkende en zwaarvergiftige moderne romanliteratuur, die — —
JUDOC. Houd op — blijf niet steken in een tirade, die even zwaar op de hand dreigt te worden, als uw veelgeroemde Walter Scottsche novellen!
GABR. Laster niet, Judocus! Drink u in stilte een roes aan de maagbedervende likeuren der Fransche stokerij; — maar ik bid u — bazuin 't niet zoo rond, dat de fontein des levenden waters voor u gesloten blijft: dat ge de meesterstukken van een Fielding, een Scott en Dickens niet kennen wilt, en dat uw hart en geest slechts behagen vinden in den sentimentelen onzin van een de Balzac, of in de zwarte schilderingen van een Xavier de Montépin: verdoolde talenten, die niet schrijven om 't volk te onderrigten, doch om 't te bedwelmen; die zich daarbij ten doel schijnen gesteld te hebben, alle huislijke deugd en familiebanden te vernietigen, door een bandeloozen omgang met vrouwen als 's menschen hoogste roeping op aarde te prediken — vooral ook echtbreuk als een zeer passende aardigheid en hoogst fashionable tijdkorting aan te bevelen. — Ja, ik bidde u, Judocus, ter wille van uw eigen, goeden, Delfzijlschen familienaam, ——
JUDOC. — Bid mij niets! — Ik lees tot mijn uitspanning, en de Fransche lektuur amuseert me nu eenmaal.
GABR. Dan, basta! Met iemand die leest, enkel om zich teamuseren, is geen ernstige polemiek mogelijk. — Ik bepaal mij tot een "argumentum fistulatorium."
JUDOC. Holla, bedwing op uw beurt uw verontwaardiging! — Ik vraag u, zijn de meeste Fransche klassieken niet boven allen lof verheven?
GABR. Ontwijfelbaar — even als de meeste Fransche romantieken, om de strekking hunner werken, er ver beneden staan.
JUDOC. Bah — toch altijd nog Paul Féval boven uw ziekelijke Misses Oliphant!
Maar, ik weet wel, uw dolle anglomanie wordt alleen geëvenaard door uw haat tegen Franschen en Hollanders.
GABR. Volstrekt niet! Ik vind de Franschen goedig en gul, en, onder zekere voorwaarden, vrij hoffelijk; overigens liberaal in doen en denken, geestig, artistiek, en begaafd met veel gezond verstand, alias, "household understanding"; — maar, aan den anderen kant, noem ik ze oppervlakkig, partijdig, beginselloos, verwaand zonder reden, zinnelijk en toch koud, en, behalve tegenover vrouwen, dikwijls plomper dan de plompste Bergschot.
Wat aangaat de Hollanders — —
JUDOC. — De Hollanders? — wel, zouden er ook onder Bato's zonen enkele deugden huisvesten, die hen in uw hoogwijze oogen genade doen vinden — ?
GABR. Ge wordt spijtig, Judocus — de gewone toevlugt van hen, die hun argument moeten laten glippen. — Ik heb mijn volk en vaderland lief — meer dan éénig ander: want in dat vaderland heb ik 't leven ontvangen, en al wat't leven mij schonk; onder dat volk heb ik ouders en vrienden gevonden. Ik ben trotsch op de groote rol door onze vaderen gespeeld; ik ben overtuigd, dat, ook heden nog, den Hollandschen gentleman niets ontbreekt dan een weinig energie, en een op zijde zetten van kleinsteedsche vooroordeelen, om zich, bij zijn uitnemenden aanleg en veelzijdige studiën, de fijnst beschaafde type van Europa's bewoners te toonen. Ik betreur 't alleen, dat bij ons de beschaving van geest en inborst zich zoo uitsluitend tot enkele standen bepaalt, en dat in den regel, 't gemeen in Holland zooijzingwekkend gemeen, en de kleine burgerman zoo allerjammerlijkstplatenburgerlijkis.
JUDOC. Komaan, die verklaring maakt alles weêr goed. 't Spijt me, dat ik ze u alleen heb kunnen ontwringen, door u ten derden male van streek te helpen.
GABR. Hoezoo?
JUDOC. Ge zult gelieven op te merken, dat ge uw pleidooi ten voordeele van de Engelschen, met een lofrede op de Hollanders besluit.
GABR. Dan wil ik voor mijn afwijkingen boeten, door een tweeden pintje sherry te bestellen, dat we zullen ledigen met den hartelijken wensch, van nog eenmaal, als een driewerfgezegende leverkwaal ons zal doen terugkeeren van uit de ballingschap tusschensawah'senklappa's— een tijd te mogen doorbrengen, zóó vrolijk en onbezorgd, als dien we sleten in »old, merry England"!
JUDOC. Ik heb er niets tegen. Maar toch woû ik, dat onze Oost-Indie-vaarder, in plaats van te Portsmouth, te Brest of te Havre met averij lag — dan had ik mijn Fransch kunnen perfectionneren,—
GABR. — En den goeden, gullen, Hollandschen boer uithangen tegenover de heldinnnen vanMabilleenRue Bréda— —
Hier begon Josua, wiens geduld ten einde was, met de tinnen wijnkan zoo onmanierlijk op de tafel te hameren, datmistur,missisenmisste gelijk binnenvlogen.
't Edel nat werd genoten; 't gelag betaald. Een wandeling in den kouden Noord-Ooster bragt onze hoofden tot den normalen toestand terug; en 't heerlijk vischmaal, dat onze restaurateur, Mr. Alexander Howes, ons had bereid, verzoende voor 't oogenblik zelfs Judocus, zoo niet met de Engelsche taal- en letterkunde — dan toch met de Engelsche tong, die, zwemmend in boterige peterselie-saus, door haar stomme, blankvleezige welsprekendheid, zelfs een Pool zijn Russenhaat, en een Ier zijn Erin's grieven zou hebben doen vergeten.
Portsmouth. December, 1865.