[6]Er wordt veel geroepen tegen 't overdreven streng vieren van den Zondag in Engeland. We gelooven dan ook gaarne, dat 't voor den vreemdeling regt onaangenaam moet wezen, wanneer hij, één dag van de zeven, zich van tooneel en bal verstoken ziet, en slechts vóór en na kerkuren zijn honger en dorst kan stillen; even goed als we toestemmen, dat de rustdag overal en altijd een onuitstaanbaar vervelende dag is voor hen, die geenwerkdagkennen. Maar, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, kan men 't gedwongen zondagvieren niet genoeg aanbevelen. Onze vaderen heiligden den Sabbath alsden dag des Heeren, en geen policie-reglement was noodig om hen winkel en kantoor te doen sluiten. Naarmate echter de behoefte aan kerkdienst voor de praktische kinderen onzer praktische eeuw overbodig wordt, ziet de rijke er geen bezwaar in, den arme door geld tot werken tenoodzaken: want de armekanniet achterblijven, waar hem een kans geboden wordt tot leniging zijner ellende. — Prijzen we daarom een verordening, die ook den arbeider een dag van verpozing schenkt: een verordening, die hem vrijheid geeft, zijn menschzijn en zijn hoogere bestemming te gedenken: die hem tijdelijk onttrekt aan de slavernij des gelds, en zoodoende hem behoedt voor een algeheele verdierlijking.
[6]Er wordt veel geroepen tegen 't overdreven streng vieren van den Zondag in Engeland. We gelooven dan ook gaarne, dat 't voor den vreemdeling regt onaangenaam moet wezen, wanneer hij, één dag van de zeven, zich van tooneel en bal verstoken ziet, en slechts vóór en na kerkuren zijn honger en dorst kan stillen; even goed als we toestemmen, dat de rustdag overal en altijd een onuitstaanbaar vervelende dag is voor hen, die geenwerkdagkennen. Maar, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, kan men 't gedwongen zondagvieren niet genoeg aanbevelen. Onze vaderen heiligden den Sabbath alsden dag des Heeren, en geen policie-reglement was noodig om hen winkel en kantoor te doen sluiten. Naarmate echter de behoefte aan kerkdienst voor de praktische kinderen onzer praktische eeuw overbodig wordt, ziet de rijke er geen bezwaar in, den arme door geld tot werken tenoodzaken: want de armekanniet achterblijven, waar hem een kans geboden wordt tot leniging zijner ellende. — Prijzen we daarom een verordening, die ook den arbeider een dag van verpozing schenkt: een verordening, die hem vrijheid geeft, zijn menschzijn en zijn hoogere bestemming te gedenken: die hem tijdelijk onttrekt aan de slavernij des gelds, en zoodoende hem behoedt voor een algeheele verdierlijking.
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
Onze »Meermin" was afgetimmerd, opgetuigd en uit 't dok gehaald. — Wij, passagiers, hadden Engeland en onze Engelsche vrienden vaarwel gezegd, waren als lammeren ingescheept, en — reden ten tweeden male voor Spithead ten anker, om dienzelfden nacht nog onder zeil te gaan.
Nog een laatsten droeven afscheidsblik had ik geworpen op de lichtjes, die, flaauw schemerend in den mistigen Decembernacht, als schreijende sterretjes mij hun schijnsel toezonden — ver van over 't koude, breede water. En toen ik mijn weemoed genoeg had lucht gegeven — toen werd 't mij toch wat guur en eenzaam op 't dek; en ik ging omlaag, om wat afleiding te zoeken in den altijd gezelligen kring van Josua en Judocus, van Grogmeijer, Hupman, Lepidus en consorten. — Wél zou ik afleiding vinden; doch niet van dien aard als ik ze mij had voorgesteld.
Onder 't in de kerk verzameld gezelschap heerschte een ongewone stemming: iets sombers, iets dreigends, was op aller aanschijn te lezen. De Kapitein hield zich absent — 't geen 's avonds zelden gebeurde — en scheen 't ontzettend druk te hebben met in zijn hut eenige papieren dóór elkaâr te gooijen. — Ik zette mij neêr, ten hoogste verwonderd en eenigzins beangstigd door een stilzwijgen, dat mij voorkwam niet ongelijk te zijn aan de loerende onbeweeglijkheid van den tijger, die op 't punt is zijn prooi te bespringen; of — om eens een nieuw beeld te gebruiken — aan de doodsche kalmte die 't losbreken van den Cycloon voorafgaat. — Waarom toch galmde niet 't sonore stemgeluid van den onuitputtelijken Josua, en deed zich niet 't blij gegiggel hooren waarmeê de meisjes des geestigen Hupman's uijen plagten welkom te heeten; waarom zweeg van uit 't paviljoen de suikerzoete zang der schwärmerische nonna Flora; waarom solde de Majoor niet zijn Kareltje in slaap, en schold der Grogmeijers echtpaar niet op de stommiteiten, door Lepidus en ega onder 't quadrilleren begaan — ? Waren ze allen zóó bedroefd wegens hun vertrek uit Engeland? O neen, tot zóó'n malle smartbetuiging was slechts de sentimentele Gabriël in staat. Was er iets, broeijend tusschen de passagiers onderling? Ik wist, dat 't voorgevallene te Portsmouth met zeker min smakelijk kippeboutje, dat, in een paroxismus van ontembare verontwaardiging, door één der gehuwde dames op 't bord eener andere was geslingerd, tusschen beide die dames de zaden van onmin had gestrooid; doch 't was tevens van algemeene bekendheid, dat, dank zij de pogingen der verzoeninglievende echtgenooten, die veete sints lang was bijgelegd. Wat mogt dan wel de oorzaakwezen, dat er haat en nijd geschreven stonden op die anders steeds minzaam lagchende aangezigten?
Terwijl ik zoo gis en peins en rondkijk — staat de Hr. Hupman op, verdwijnt in zijn hut, en komt terug met een aangestoken bougie, mitsgaders een papieren zakje en een trekpot in de hand; hij verzoekt op pathetischen toon één der dames, zoo goed te willen zijn, thee te zetten voor 't gezelschap — : vanzijnthee, namelijk; vervolgens plaatst hij de kaars vóór zich, en vangt aan met zóó geconcentreerde aandacht te lezen — : bij 't licht vanzijnkaars, namelijk — dat 't scheen, alsof zijn eeuwig zieleheil er van afhing, nog dienzelfden avond heel »les Mystères de Londres" van buiten te leeren. — Intusschen heeft de Kapitein, die, met loenschen blik en gespitste ooren, alles zag en hoorde, 't noodig geoordeeld, na een dergelijke provocatie uit zijn schelp te kruipen, en op leuken, verbaasden toon te vragen, »of de scheepsthee niet deugde, dat de heeren en dames van hun eigen thee gingen zetten?" — Dáár was de klink van 't schip, de lont in de kruidkamer! — Een algemeene uitbarsting volgde: zooveel tongen er waren, zóóveel tongen klepperden er, als zeilen in een windhoos; en dermate oorverdoovend was 't geraas der stemmen, dat niemand dan ik 't vernam, hoe een paar liefhebberij-vogeltjes van den Hr. Grogmeijer, uit hun eersten sluimer gewekt, piepend omduikelden rond hun stokjes; en hoe de dertien honden op 't dek aansloegen en basten, als zooveel spruiten van den boozen Cerberus — !
Hoort hier wat er van de zaak was.
Reeds sedert ons vertrek uit Holland, had 't gezelschap zich beklaagd over de slechte kajuitverlichting, alleenlijkdaargesteld door twee lekkende, middeneeuwsche patent-olielampen. De weinige lezers lazen zich hoofd- en oogpijn; de kaartspelers zagen schoppen voor harten aan; sommige jongeheeren, door de duisternis misleid, misgrepen zich vaak deerlijk in 't waarnemen hunner galante functiën tegenover sommige jongedames — ja, wanneer er niet erger geschied is, hebben ouders en voogden 't geenszins te danken aan den overvloed van licht gedurende de lange avonden aan boord van de »Meermin" doorgebragt. Voeg bij deze grief nog 't toedienen van ongefiltreerde keteltjeskoffie, en van thee die slechts onder 't veelbeteekenend epitheton van geut- of bordewater werd genoten — en ge zult u een denkbeeld kunnen vormen van de lang verkropte woede onzer reizigers, en van de billijke verontwaardiging, waarmeê ze den schuldigen gezagvoerder in koor aanvielen: immers, de thee was ditmaal, meer dan ooit, dunne spoeling gelijk; en de lampen verspreidden, om zoo te zeggen, een stralenbundel van tastbaar duister. »Hij, de achtelooze schipper, had nu toch, na zóó herhaald en dringend betoog, zich in Engeland van betere phosphoren kunnen voorzien; en, wat de thee aanging — de thee was goed voor de varkens, als die ze lustten, maar niet voor menschen, die nog wel zóó'n hoog passagegeld moesten betalen." — Ik vond 't magtig juist geredeneerd. — Mijn edele Josua, die toch reeds in een, niet ongewonen, ietwat bacchantischen toestand verkeerde, stelde zich aan 't hoofd van de oppositie. Hooge woorden en harde waarheden werden van beide kanten met prijzenswaardige openhartigheid gewisseld; ieder besprak zijn regt, elk herinnerde zich een gruwel; en — ik vrees, hadden de Tritons opgedoken van uit de zee, en in schetterende toonen »vrede!" gebazuind— hun geblaas ware om niet geweest, en hun kunst zonder uitwerking op de verhitte gemoederen der twistende scheepbewoners. — »Panem et Circenses!" was de kreet van 't Romeinsch gepeupel. — »Kaas en brood!" wilde 't volk van Noord-Holland. — »Licht en thee!" klonk 't in de kajuit van de »Meermin" — »licht, of uw leven, o Kapitein — thee, of uw bloed!"
En hoe liep de strijd af? — Werd er bloed gestort; werden Kapitein en bemanning over boord gesmeten? — of, zag men de raddraaijers onder de passagiers hun muiterij boeten, kromgesloten in 't donkere scheepshol — ?
Noch 't een noch 't ander. — Nadat beide partijen zich, gedurende een zeker tijdverloop, de keel hadden schorgeschreeuwd, begon men te bedenken, dat, men elkaar nog drie à vier maanden lang — zegge, drie à vier lange maanden — van aangezigt tot aangezigt zou moeten bekijken; de Kapitein zag in, dat hij beter thee en lichtkongeven, en de passagiers overlegden in 't binnenst hunner harten, dat de thee en 't licht nu ook eigenlijkzooslecht niet waren; kortom — men begreep, dat men zich belagchelijk aanstelde — iets, dat de zachtzinnige nonna Flora en de levenswijze jongeling Gabriël van den beginne af reeds gegist hadden — ; daarop verklaarde men, 't zoo niet gemeend te hebben; en eindigde, met elkaar de liefderijkst mogelijke concessiën te doen. — Zoodat onze vrienden, een uur later, toen een buitengemeenelargessevan bisschop en koek was rondgediend, vredig zamen zaten tot 't maken van een genottelijk Zwarte-Pietje. Na beëindiging van welk onschuldig spel de Hr. Josua opstond, die, blakend van bier,grog en edelen vriendschapszin, een toepasselijken toast sloeg, welken hij besloot, met op de volgende wijs de woorden van den dichter te verminken:
»De Liefde zegt soms haatlijkheên,Die arme zielen plagen,Maar 't is tot nut van 't algemeen,En niet uitzuchttot plagen."
»Och", filosofeerde ik, toen ik in mijn bed stapte, »hoe kleingeestig is de mensch, dat hij om een handvol thee en een kruikvol olie den lieven vrede verstoort! Zouden de stomme visschen, in den schoot des oceaans, ook om zulke nietigheden malkander in 't haar vatten?" — »De visschen", stamelde Josua, met dubbelslaande tong, »die eten elkaâr op — vin en staart". — »En de menschen zuigen elkaâr uit, om slechts vel en been over te laten". — »De mensch is een redelijk wezen", stotterde Josua, »en neemt de vormen in acht". Dit zeggend, tuimelde hij te kooi, in een postuur dat ik liever niet beschrijven zal.
December, 1865.
(GABRIËL AAN ZIJN BROER WILLIBALD).
Home, sweet home — !
Home, sweet home — !
Con espressione.
We kruisten in de Golf van Biscaije: we kruisten tusschen 't land van den wijn, en 't rijk der Almaviva's; een ijzige wind blies ons om de ooren, een dikke mist stond op de wateren, en somber, als in winterdos gehuld, strekte zich een loodgraauw zwerk boven onze hoofden uit.
En 't was Kersmis: dát, broêr Willibald, herinnerde ik mij maar al te goed!
Ik was 't gewoon, dien dag als een dubbelen feestdag te vieren: als Kersdag, en, broêr Willibald — alsuwgeboortedag. — Helaas, van dubbel noch enkel feestvieren kon voor ons sprake wezen.
Verkleumd van koû en nat zaten we, geschommeld en geschud op ons wippend krukje: soesend, verlangend, nietwetend hoe ons te wringen van armoê en verveling. — 't Eénig teeken van openbare herdenking bestond voor ons in 't ontvangen van een kopje chokolaad, welke extra bedeeling ons gewoonlijk den Zondag van de overige dagen deed onderscheiden. — Onze Kapitein was immers een modern zeeman — heel praktisch en verlicht: »hij stoorde zich niet aan die gekheid: 't zat 'em daar toch niet in", zeî hij, »en de ééne dag was zoo goed als de ander." — — Arme Nederlandsche natie, — mét den devoten zin der vaderen, zijn ook uw kracht en glorie geweken! Zie dien schipper — : waar vroeger zijn ambtgenoot, gestukadoord en gestijfseld, 't psalmboek zwaaide — gaat de verbasterde nazaat vóór, als Silenus bij de dienst van den chokoladeketel! — »Horrible, horrible—most horrible— !"
En toch hadikgaarne een kerkdienst bijgewoond, dien dag. Gaarne had ik 't mij getroost, een preek aan te hooren, in de togtigste en onhuislijkste aller protestantsche kerken: een preek, opgegalmd door den leuterigsten en witbloedigsten aller protestantsche dominees: een solied-orthodoxe Kerspreek, in al haar afmetingen van lengte, breedte en diepte; met al haar verschrikkingen van punten en deelen en onderdeelen, van hoogopgetrokken bouffanten, walmende stoven, en bevrozen wintervoeten — — — ja, onder al dien jammer had ik blijmoedig 't hoofd gebogen — ochtend- en middagdienst zonder morren doorworsteld — — indien ik slechts den avond t'huis had mogen doorbrengen: den lieven, éénigen Kersavond had mogen slijten in den kring der mijnen!
Zag ik 't niet, broêr Willibald — zag ik 't niet, met gesloten oogen: hoe ze, na kerktijd, allen tot u kwamen, enu de hand drukten, en gelukwenschten — U, die toen de oudste en éénige zoon waart in moeders huis! — En 's avonds — zag ik ze 's avonds niet aan de ronde tafel vergaderd, ooms en tantes, neven en nichtjes — als er gezongen werd, en pianogespeeld — en krachtige punch gedronken, en keurigen tulband gegeten — en — en misschien, waar 't gesprek kwijnde, ook nog 'reis door dezen-of-genen gerept van den verloren zoon, 'tenfant terrible, die zijn moeders vetpotten versmaadde, om, in vreemdelingschap, van den draf te gaan eten met de zwijnen — ! — Broeder, broeder Willibald, wees ook van mij gegroet! Mijn heilwensch roep ik u toe, en den storm maak ik tot bode mijner woorden! Wees gezegend op dezen eersten Kersdag; en, is uw oor doof voor mijn stem, die wegsterft in 't magtig geluid rondom mij — o, broeder, laat in uw hart die stem weêrgalmen met al de kracht van een heilige, onverbreekbare vriendschap!
Maar, ook zonder de viering van eens dierbaren geboortedag — was Kersmis, en Kersmis alléén, mij altoos een kerkgang waardig. Kersmis is mij mijn grootst, mijn éénig Christelijk feest. Ik heb Paschen lief om de eijers, Pinkster om de bloemen; — maar Paschen huldigt een legende, Pinkster verstoffelijkt een allegorie. Kersmis alléén is mij heilig, als de geboortedag van Jezus den Nazarener, den Apostel der Liefde.
O schoone dag, vol zoete poësie! Ideaaldag van huiselijk geluk, van zalige, kinderlijk godsdienstige herinneringen! — : sneeuwvlokjes buiten — 't knappend haardvuur binnen; dood en sombere winterkoû in de natuur — hernieuwd leven en hopen in 't menschelijk hart!
Zie — de halve wereld juicht als één; secten en kerken vergeten haar vijandschap; arm knielt naast rijk, de vrijzinnige naast den drijver: want hierin zijn ze allen eensgezind — dat ze God danken willen voor de geboorte vanhem, dien ze noemen met verschillende namen, maar die — wie hij ook wezen mag — wat ook kortzigtige of belangzoekende dweepzucht hem gemaakt heeft — toch zeker in zóóver Gods Zoon mag heeten, dat hij 't eerst ons den Vader heeft leeren kennen: den Vader, die is, en eeuwig wezen zal: den God van 't Heelal, die deugd eischt zonder magtspreuk, goede werken zonder wet, en geloof zonder openbaring. — Hoe liefelijk, op dezen dag zaâm te wezen, als broeders! Komt, laat ons zamen opgaan met de schare ter kerke, om den Vorst der Liefde, den Stichter der éénige en eeuwige Godsdienst te aanbidden in eenvoudigheid des geestes — gelijk we 't deden toen we nog jongskens waren, wijs in onze onwetendheid: als moeder ons vertelde van den lieven Kindervriend, en we ons Kersfeest vierden, en de blijde vacantie, spelend rond den warmen haard! — We willen ons nu niet, ergeren aan dogma en formulier; — we hooren alleen 't plegtig orgelruischen, en stemmen in met 't »Vrede op aarde! — Vrede voor allen! — Vrede ook voor ons!" — — — — — — — — — — — — —— — — — dochstil — — 't waren nevelbeelden, die ik aanschouwde in den zwarten mist; St. Elmo's vonken waren 't, die ik hield voor Kerslichtjes; 't was 't loeijen van den storm, waarin ik orgeltoonen meende te hooren — !
— Neen — geen vrede voormij— geen vrede voor den balling! — Voormijgeen winterkoû, geen sneeuwvlokjes,geen knappend haardvuur — voormijgeen Kersmis meer! — : maar gloeijende zonnehitte en doodend heimwee in een land, waar slechts Plutus, Venus en Bacchus als drieëenheid voorzitten — !
O God — schreide ik — zijt Gij een God van Liefde, die zóóveel liefde hebt uitééngerukt — !
December. 1865.
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten" —
»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten" —
Smorzando e languendo.
— Zegt de Schrift; en onze catechiseermeester maakte er van: »arbeidenen uw broodverdienen" — ! Dat wist ik trouwens; 'k had er ook nooit iets tegen: en vaak, als ik naauw de pen of den strijkstok tusschen de verkleumde vingers kon houden, heb ik den Hemel gebeden, dat de bron van licht en warmte mijn zweet wat milder mogt doen vloeijen.
Doch hoe nu! — Moet ikrustenin 't zweet mijns aanschijns? moet ik 't zweet mijns aanschijns drinken? moet ik zwemmen in 't zweet mijns aanschijns? — Dat toch kan de bedoeling van Genesis niet wezen.
We dobberen onder de Linie: een gansche week reeds, dobberen, drijven en draaijen we, op, onder en boven den Equator.
't Waren schoone dagen geweest, toen we zeilden met den Noord-Oost-Passaat. Toen de lucht zoo blaauw was, en de zee zoo glanzend; toen de zon zoo helder straalde over onze bruisende vaart! — Schoone dagen waren 't; en gelukkiger dan Keizer Seged, hadden we volle tien zulke dagen van ongestoorden vrede mogen beleven.
Maar nu — — we dobberen onder de Linie: de Noord-Oost-Passaat heeft ons verlaten, de Zuid-Ooster komt nog niet: een gansche week reeds, draaijen, drijven en dobberen we, in den stiltegordel, boven, onder en op den Equator.
Geen zuchtje, geen zephyr, geen togtje verkwikt ons — niets dat naar wind gelijkt, dan 't blazen van den loggen botskop,[7]die opduikt, snakkend naar adem.
Toch — ondanks de stilte — rolt over 't spiegelgladde watervlak een deining uit den Noordwesten, die ons schommelt en slingert en zeeziek maakt — als ware er een Typhon los.
En 't is warm, vrienden — warm!
Vraagt niet, of 't warmer is dan in de hondsdagen, warmer dan in een kermistent, warmer dan in 't zweetkamertje van Leidsche of Utrechtsche academie! — — Ik zeg u, vrienden — de hel is hier — de hel van Torquemada!
Een dompige hitte drukt loodzwaar van uit den bewolkten hemel: geen drooge felle zonnebrand — maar vochtig, laauw, als stoom uit een ketel omringt ons de logge atmospheer.Ieder oogenblik kletteren tropische stortregens op 't dek neêr; gezondheidshalve kan men zich niet laten natregenen: men gaat dus omlaag; maar, ofschoon de luiken gesloten blijven, toch dringt de regen met stroomen binnen — een klamme, broeijende pestwalm vult den engen kerker — alles druipt, dampt, zweet en riekt!
»Zal de mensch" — zoo spreekt Mohammed, de Veelteprijzene — »zal de mensch, voor wien deze dingen zijn toebereid, even als hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren? — En wat zal u doen verstaan wat de hel is? Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen. Zij verbrandt des menschen vleesch."[8]
Met kokend water gelescht: ik bid U, groote Profeet, wiens neusgaten de geurigste van Arabiës reukwerken niet konden bevredigen — ons water kookt wel niet — maar 't riekt!Zij laat geen ding onverteerd: eilieve, zoon van Abdallah — zelfs onze ligchamen niet, want merg en bloed gaan op in damp!Zij verbrandt des menschen vleesch: ik zweer u, kleinzoon van Abdelmottalib, bij al de welgedane maagden die gij tot vrouwen hebt gehad — aan ons zullen eerstdaags niets dan uitgedroogde beenderen te verbranden overblijven!
De hel — ja, zoo men ze ergens zoeken mag — de hel ishier:hier, en in de zandvlakten van Sahara, en in 't gemoed van den onverdraagzame, en in de Roode zee, enin één huis met een booze wederhelft — maarhiervooral —hier, onder de Linie.
Komt dan, onmenschlijke vischwijven, die kreeften en garnalen springlevend durft koken! En gij, nog onmenschlijker godgeleerden, die heidenen en ongeloovigen springlevend durft neêrploffen in den ziedenden zwavelpoel uws eeuwigen vuurs — komt, doet een uitstapje naar Nederlands Overzeesche Bezittingen beoosten de Kaap de Goede Hoop; toeft een weekje in den stiltegordel onder den Evenaar of Evennachts-lijn; zweet er, smacht er, stikt er en braadt er, zooalsiker gezweet, gesmacht, gestikt en gebraden heb — — en voelt, en weet wat 't is, springlevend gekookt of geroosterd te worden! Komt, orthodoxen van alle gezindheden — komt alle, regtgeloovige woordaanbidders, die aan een hel gelooft voor anderen, en aan een hemel voor uzelf — komt, en leerthier't verschrikkelijke begrijpen van de pijnen, waartoe uwgeloofden broeder veroordeelt — leerthier't afschuwelijke inzien van den leelijksten, de tastbaarsten, den onchristelijksten uwer leugens — !
Edoch, zacht wat, Gabriël — wáár holt ge heen! Zal een philippica tegen regtgeloovigen u tot kouden omslag rond de slapen dienen — !
Ai, laat idioten en duivelen malkander een hel stoken! — Maar gij — roep gij de hulp der Goden in!
Aeolus, winderige Vader der Winden — slaapt ge — zijt ge dood?
Zie, de Nautilus zelfs heeft in wanhoop zijn rooskleurig zeiltje gestreken, en laat zich zachtkens neder in den azuren afgrond.
Hoe benijden we u, kleine Argonaut, als we u zien wegzinken in de diepte van uw frisch, doorschijnend bed!
Duik meê in, gestoofde sterveling — duik meê in, en koel u aan den boezem der hemelsche Amphitrite, die u wenkt — dáár, zie: spelend met haar jonkvrouwen: haar bruingevinde, witgebuikte, wijdgebekte jonkvrouwen! Duik — en wees zalig in haar omhelzing, als ze u zullen omvatten, en u meêvoeren in triomf — diep, diep — tot in 't koelste diep der blaauwe wateren — — ! O, Tantalus, arme Tantalus — !
Januarij, 1866.
[7]Een kleinere soort van 't geslacht der walvisschen.
[7]Een kleinere soort van 't geslacht der walvisschen.
[8]Alkoran, H. xlvii. V. 17, en H. lxxiv. V. 27-29.
[8]Alkoran, H. xlvii. V. 17, en H. lxxiv. V. 27-29.
(EEN ARTISTIEKE ONTBOEZEMING VAN GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
Hey de diddleThe cat and the fiddle:The cow jump'd over the moon —— — — — — — — — — — — —Engelsch liedje.Laat d'Elephant nu vrolijk zingen,En 't huppelend rendier in de wei —— — — — — — — — — — — —Schoolmeester.
Hey de diddleThe cat and the fiddle:The cow jump'd over the moon —— — — — — — — — — — — —
Engelsch liedje.
Laat d'Elephant nu vrolijk zingen,En 't huppelend rendier in de wei —— — — — — — — — — — — —
Schoolmeester.
De afgebeden wind, de krachtige Zuid-Oost-Passaat, was eindelijk doorgebroken. — Een paar dagen lang blies hij frisch in de zeilen; en toen we kaap Roque in 't oog kregen, en zachtkens voortgleden langs 't ruige kustgebergte van Brazilië — toen was 't heerlijk, goddelijk aan boord: de dagen glanzend, en liefelijk de nachten, als zouden de hemellichten voor 't eerst hun loflied zingen. — Doch, reeds ter hoogte van Pernambuco begon de Passaat flaauwer en flaauwer te waaien. Te vergeefs werd er gefloten en aanden bezaansmast gekrabt; St. Antonius luisterde naar geen rede. De zeilen hingen slap, als vlaggen op Koningsverjaardag; de zee lag plat, en glimmerde luiweg in de zon, als 't groote kwikbad van Professor Mulder. — Dan was, na den gloeijenden dag, de avond een tijd van feestelijk genot. Men vlijde zich onder den fonkelenden hemelboog, en, hijgend van wellust, zwelgde men 't suizend koeltje in, waarmeê de jonge nacht de zeilen rondt — blank en vol als maagdeboezems. Ons bloed stroomde weêr; nieuwe levenskracht verruimde de afgematte borst; als met frisschen balsemgeur vulden zich gretig de longen. — En de maan dook vrolijk op van uit den plas, lagchend en tintelend, verliefder dan ooit — als wist ze 't, dat we haarnudubbel welkom heetten — zij,» — die flonkert — en zwijgt!"
Zoo schonk ons de milde natuur een nacht van rust en koelte na den langen benaauwden dag; aan haar lag 't niet: zij heelde waar ze geslagen had. Doch — hoe zou 't anders kunnen — de mensch, de domme, eigenzinnige mensch, lette niet op haar wenken, verwaarloosde haar beste gaven — en volgde zijn eigen verkeerden zin. — In plaats dat men zou genieten van 't goede dat de avond bragt: in plaats dat men zou rusten, en toeven, en adem scheppen — wat deed men? — : men stelde alle pogingen in 't werk, om, door malle potsen en kromme sprongen, 't pas gestelpte zweet op nieuw in stroomen te doen uitbreken — : men offerde op de altaren van Euterpe en Terpsichore — doch, helaas, zoo vunzigen wierook, dat de schepsels 't wel moeten uitgeschreeuwd hebben van razende hoofdpijn.
Reeds meermalen, als onze reizigers over verveling klaagden — 't geen niet zelden plaats had — was door den Kapitein gewaagd van zeker draaiorgel, dat zich aan boord zou bevinden, en bij welks maatgeluid op schoone zomeravonden zou kunnen gedanst worden. Indrukwekkende konde: zoetklinkend in de ooren van velen; een mare van angst en schrik op 't klassiek-ontwikkeld trommelvlies van den fijnmuziekalen Gabriël.
Lang had ik gehoopt, dat 't orgel in 't diepst van ons scheepshol, en 't dansen mét 't orgel zou vergeten blijven — — toen, ik op zekeren avond — naauw was de zon, omstuwd door rozeroode wolkjes, den grijzen Meergod in de armen gezonken — uit mijn overpeinzingen gewekt werd, door een piepend, schreeuwend, knarsend geluid: een geluid, waarvan de toonen, zuchtend en stootend, de melodie van een Duitschen polka heetten aan te geven. — Ik luister — ik geloof mijn ooren niet! Ik zie op — ik geloof mijn oogen niet: want, bij St. Vitus, dáár, achter me, vlak achter me, alsof ze 't er om gedaan hadden, daar staat 't draaiorgel — en naast me, om me heen, zie ik paren van mannen en vrouwen, als draaijende poppen hokkend en sjokkend op 't afschuwlijk, maatloos gesnater! — Men maakte muziek en men danste!
Mijn vriend Judocus, die, ondanks de stijfheid zijner ledematen, in de hedendaagsche trippelkunst een matador bleek te zijn, wierp zich op alsmaître de ballet, en maakte zich alras beminnelijk door 't organiseren van eenige quadrilles, mazurka's en andere spring-combinatiën, die alle tot groot genoegen van executanten werden afgestoken. 't Animo nam dagelijks toe: elken avond liet Papageno zijn klokjes hooren;'t onderscheid tusschen rang en stand verdween: men zag passagiers, kapitein en stuurluî in gonzende mengeling en dwarrelende eendragt een galop of pas-de-trois uitvoeren — 't was jammerlijk, 't was menschonteerend! — Ziet ze huppelen, hoort ze jodelen! — Nog liever zag ik 't St. Elmus-vuur huppelen over de ra's, en hoorde den storm jodelen door de touwen!
Ondanks mijn kwalijk verbergen ergernis, had ik reeds verscheiden avonden een dergelijke dans- en zanglustige voorstelling moeten bijwonen. — Ten laatste echter, toen dit amusement tot een ware manie klom, besloot ik, aan mijn verontwaardiging lucht te geven, en, in een gemoedelijken speech, tegen de door mij verafschuwde Baälsdienst der populaire kunst te velde te trekken. Ik beklom, na mij met eenige glazen Rhijnwijn te hebben gesterkt, een watervat, en, als een jeugdige Pickwick, de linkerhand onder de slippen van mijn jasje verbergend en met de regter-bevalliglijk gesticulerend — hield ik — natuurlijk uit naam der beide diep beleedigde zanggodinnen — de volgende redevoering.
Mijne vrienden, riep ik — wanneer ik u zoo zie dansen en springen, zoo hoor jolen en zingen, voel ik mijn smaak voor 't goede en schoone op 't pijnlijkst aangedaan en gekrenkt. Niet, dat ik u een onschuldige uitspanning misgun, of met den adderblik van een Calvinist op uw Arcadische spelen nêerzie — — Sinte Laetitia behoede mij: ik aanbid de vreugd: ik heb genoeg geleden, om te weten hoe zalig 't is,eens blij te zijn. Edoch, ik herhaal 't, mijn schoonheidsgevoel is zóó kiesch — vooral waar 't op een verdedigen van de onschendbare bekoorlijkheden der negen gezusters aankomt — dat ik niet kan nalaten, uw blij genot voor een oogenblik te verstoren, om u te doen opmerken, hoe verschrikkelijk leelijk gijlieden doet — gij, mitsgaders de overgroote meerderheid uwer diletterende medemenschen — , ik herzegge: hoe verschrikkelijk leelijk gijlieden doet, en hoe ergerlijk ge uw waardigheid als gezeten burgers versmijt, wanneer ge daar zoo, gelijk ge 't noemen durft,danstenzingt.
Ikzelf, die tot u spreek, houd veel van dansen — maar, mijne vrienden: van dansen, als kunst, waarbij de mensch, bezield en opgewonden door een geestige muziek, met edele gebaren en bevallige bewegingen tracht uit te drukken wat hij gevoelt. »Tracer des chiffres d'amour", noemden 't dePrécieuses— en de uitdrukking is wél gekozen: men zie slechts door goede dansers een goed ballet opvoeren! — Om beter te bewijzen, hoe ik 't dansen als kunst hoogschat, en om weêr te geven, hoe ik wenschte 't toegepast te zien, haal ik hier de woorden van Beaumarchais aan, die ik, o vrienden, ter uwer aller leering, expresselijk voor deze gelegenheid heb van buiten geleerd:
»Il est un autre art d'imitation, en général beaucoup moins avancé que la musique, mais qui semble en ce point lui servir de leçon. Pour la variété seulement, la danse élevée est déjà le modèle du chant.
Voyez le superbe Vestris ou le fier d'Auberval engager un pas de caractère. Il ne danse pas encore, mais d'aussi loin qu'il paraît, son port libre et dégagé fait déjà lever la tête aux spectateurs. Il inspire autant de fierté qu'ilpromet de plaisir. Il est parti. — Pendant que le musicien redit vingt fois ses phrases et monotone ses mouvements, le danseur varie les siens à l'infini.
Le voyez-vous s'avancer légèrement à petits bonds, reculer à grands pas, et faire oublier le comble de l'art par la plus ingénieuse négligence? Tantôt sur un pied, gardant le plus savant équilibre, et suspendu sans mouvement pendant plusieurs mesures, il étonne, il surprend par l'immobilité de son aplomb. — Et soudain, comme s'il regrettait le temps du repos, il part comme un trait, vole au fond du théâtre, et revient, en pirouettant, avec une rapidité que l'oeil peut suivre à peine.
L'air a beau recommencer, rigaudonner, se répéter, se radoter — il ne se répète point, lui! Tout en déployant les mâles beautés d'un corps souple et puissant, il peint les mouvements violents dont son âme est agitée: il vous lance un regard passionné que ses bras mollement ouverts rendent plus expressif: et, comme s'il se lassait bientôt de vous plaire, il se relève avec dédain, se dérobe à l'oeil qui le suit, et la passion la plus fougueuse semble alors naître et sortir de la plus douce ivresse. Impétueux, turbulent, il exprime une colère si bouillante et si vraie, qu'il m'arrache à mon siége et me fait froncer le sourcil. Mais, reprenant soudain le geste et l'accent d'une volupté paisible, il erre nonchalamment avec une grâce, une mollesse et des mouvements si délicats, qu'il enlève autant de suffrages qu'il a de regards attachés sur sa danse enchanteresse."[9]
Beaumarchais spreekt hier van »le superbe Vestris ou le fier d'Auberval." Ik, Gabriël, als ik me een Mozartsch menuet en trio voor den geest haal, zie de Sylphen huppelen, en de Nixen haar zwevende rijen vormen. — Geen van die allen nu treft men in een gewoon gezelschap, evenmin als men ze aan boord van een Oost-Indie-vaarder moet zoeken. Men kan dan ook niet vorderen, dat burgermenschen zich op de maat zullen voortbewegen met de vlugheid en gratie van artisten of mythologische wezens. — Doch wél kan men eischen — aangezien niemand tot beoefening van den dans, of van welke kunst ook, wordt gedwongen — dat een iegelijk, die zich vrijwillig er op toelegt, zooveel zijn aanleg en vermogens 't toelaten, trachten zal, iets schoons, ten minste iets aangenaams voort te brengen. — Dit is ook zoo ontzettend moeijelijk niet: een losse beweging van de armen, een gracieuse wending van 't bovenlijf, een goed op de maat sluitende pas, vormen reeds een aangenaam geheel, zonder dat men als een priktol behoeft rond te draaijen, of, met een snelheid van tien knoopen, een zaal behoeft dóór te stuiven. 't Is waar, bijzulkdansen is een weinig oor onmisbaar: een oor, zooal niet voor muziek, dan toch voor maat; 't is niet voldoende, van een drie-kwarts tempo den neêrslag te kunnen meêtrappen — men moet ook, buiten't zwaretijddeel, 'tligtekunnen voelen, en eenig begrip hebben van de gewone basbegeleiding, die men, in al haar nuanceringen, met den voet als 't ware behoort aan te geven; doch juist daardoor alléén wordt 't mogelijk een dans te scheppen, die niet geheel op gelijke hoogte staat met de uitvoeringen der broederschap van Atta Troll.Zóó kan't dansen een kunst wezen, die fantasie en hartstogt uitdrukt,»un art d'imitation" — een kunst, die een Haydn en Mozart, ja, een deftige Bach en Haendel, niet geschroomd hebben, door hun onsterfelijke scheppingen aan te moedigen en te idealiseren.
En wat, mijne vrienden, wat hebt gijlieden van die kunst gemaakt? — De karikatuur van Hogarth — een uitstalling van de stijfste en stokkerigste ligchaams-verwringingen. — Ziet, ai ziet daar ginds den geleerden Judocus, anders zoo statig; den vluggen Josua, anders zoo galant: ziet, hoe ze, als lompe boerepummels, met de beenen verward zitten tusschen de rokken van hun danseressen Coba en Keetje! Ziet, hoe Hupman, dat toonbeeld van eenpreux chevalier, al dansend den rand van Mevrouw Tripvoet's ochtendjapon heeft afgetrapt! Hoe Lepidus, die slankste aller sinjo's, daar even, bij 't vertoonen zijner solo-passen, eenculbutemaakte, niet ongelijk aan decabriolesvan Don Quichotte in de Sierra Morena! Hoe zelfs onze logge Grogmeijer de niet minder vormelooze Fräulein Einheit doet rondzwieren: Leviathan, die Behemoth heeft ten dans genoodigd! Ziet en hoort, hoe men nuen corpslosbreekt, onder oorverdoovend geschuifel, en, met geringachting van schoenen en pantoffels, de planken onzer campagne glad galopeert! — Ik vraag u, is er in dit alles iets van 't uitdrukkingsvolle en afwisselend schoone, dat de geniale Franschman als hoofdvereischte van den dans aangeeft? — Antwoordt mij, dat ge niet beter dansenkunt, en toch dansenwilt; — goed, 't zij zoo: — dat is, wijl ge domme, ijdele schepsels zijt, net als een zekere Gabriël, die ook schrijvenwilzonder 't tekunnen. Maar stemt mij ten minste toe, dat ge zoodoende de kunst vernedert tot een onbevallig apenspel,en dat ge verkeerd doet,zoote dansen: want dat de mensch — zelfs de burgermensch — die dansen wil, alsmenschmoet dansen, en niet als een brombeer, of als een jeugdig mastodon, of als een losgelaten kalf in Grasmaand — !
Zóóveel, mijne vrienden, omtrent de zorgwekkende omstandigheden, waarin, door uwlieder toedoen, de snelvoetige Terpsichore verkeert.
Om nu ook over de zachte Euterpe, de inspiratrice en instigatrice van den dans, met een enkel woord te spreken, moet ik beginnen u te verzekeren, dat 't met haar nog veel treuriger gesteld is, en dat, in dezelfde mate als zij verheven is boven haar zuster, in die mate ook de Muse der Toonkunst dieper ontheiligd wordt door een wufte menigte, die haren naam ijdellijk durft misbruiken.
Muziek! — Dat is een tooverwoord in mijn oor: 't maakt me gelukkig, trotsch en rijk; 't sterkt me, en doet me 't hoofd opheffen; — en tegelijkertijd doet 't mijn hart overloopen van weemoedige herinneringen; doet me bitter pijnlijk gevoelen, wat ik mis — als had ik dáárin alléén een wereld achtergelaten! — Muziek, mijne vrienden — —
Doch, ik zie wel — mijn stem is als die van Aäron bij de dienst van 't Gouden Kalf! Elk danst zijn dansje, en liedelt zijn liedje; — en de hervormer Gabriël babbelt voor mast en touw.
Daarom — ik daal neêr van mijn gestoelte — vloek mijn bekeeringsijver — vat de pen op — en spreek tot U, broêr Willibald — tot U, die mij begrijpen kunt, omdat gij met me gevoelt.
Gijzult 't weten, hoe mijn gewaarwordingen wezen moeten, als ik, tot eenigen troost, de partituren nalees van onze aangebeden meesterstukken. Als ik de Zauberflöte-liederen doorloop, die we, sints jaar en dag, zamen zongen en speelden; als ik Fidelio volg in den donkeren kerker; of met Heiling mijn aardgeesten ter wrake roep! Als Figaro mij voert door al de rijke episoden van zijn veelbewogen bruiloft: in de slaapkamer der treurende Rosina, en in den geurigen Spaanschen oranjehof,
»Wo die sanften Abendlüfte— — — — — weh'n".
Of, als de heerlijke liederen van den vromen Jacob mij stemmen tot ootmoedige bewondering! — En als ik dan verder ga, en ik denk aan al onze oude lieve muziek, waarmeê we zoo dweepten, die ons zoo troostte en ophief in ons broederlijk gedeeld leed; als ik denk aan onze eigen nederige uitvoeringen: onze sonaten en orgelstukken; of, onder de vele magtige orkestwerken die we hoorden, aan 't dichtstuk, dat een Godheid niet heerlijker had kunnen scheppen: de groote Leonore-ouverture; — — als me dat alles zoo klingt en zingt door 't hoofd — zie,gijkunt beseffen, hoe ik dansehnenkan, met mijn gansche ziel, om nog éénmaal in wezenlijkheid te hooren, wat mijn geheugen me als een zwakke echo herhaalt — — iets, hoe weinig ook — een goede streek, een ferm akkoord!
En dat ik 't nu den lieden in 't algemeen zoo half kwalijk neem, wanneer ze »muziek willen maken", zal me elk ander als een malle pedanterie toerekenen. — Gij, amice, zult dat niet. Gij, als musicus, weet toch, hoe'n onverdraagzaam pedant wezen een musicusisenzijn moet. — Ik kanniet oordeelen over de stemming van andere artisten, van den schilder of beeldhouwer, wanneer ze hun kunst zien profaneren; — maar wél weet ik, hoe de kenner op muziekaal gebied van geen genade hooren mag voor alle pretentieuse oningewijden: hoe hij den ongelukkigen liefhebber veracht, en lager dan een straatmuziekant stelt, die valsch of buiten de maat durft zingen, die speelt zonder opvatting, die doof is voor de schoonheden van harmonie en contrapunct, die niet de breede klove overziet tusschen een Mozart en een Meijerbeer.
Ditzelfde verwijt ons zeker onsterfelijk Hollandsch schrijver — en, hierdoor bewijst de groote man, dat hij minder op 't gebied der noten dan op dat der letteren t'huis behoort, daar hij immers op geheel anderen toon zou moeten gesproken, en betoogd hebben: hoe de ware musicus haast niet te onverdraagzaamkanzijn.
Want, op mijn eer — er is geen kunst, waarvan elk zich spoediger meester waant, dan de muziek. — Ga rond bij de meeste welopgevoede lieden, en vraag hun, of ze kunnen teekenen, of ze een oordeel kunnen vellen over de waarde van een schilderij of marmergroep. Ze zullen u antwoorden: »neen", of, »een weinig". — Spreek hun over muziek — en ge zoudt meenen, met niets dan Leipziger Professoren te doen te hebben! — Elk prefereert zijn komponist, en verwerpt den anderen; kiest zijn stijl en genre; haalt de schouders op voordezeopera, en applaudisseert genadiglijkgene; elk heeft aanleg, smaak, gevoel; elk zingt, en bespeelt zijn instrument — of, zoo hij 'tnietdoet, is 't slechts, omdat hij verzuimd heeft er zich meer speciaal op toe te leggen; velen zelfs zijn harmonisten op hun wijs, en brommen een baspartij inde kerk; en — zij die aan niets van dat alles kunnen meêdoen, weten er toch altijd nog genoeg van, om artisten te recenseren, en Wagnersche compositiënfiascote doen maken — ! — Ja, ik heb, zoolang ik leef, slechtsdriemenschen ontmoet, die er gulweg voor uitkwamen,geenmuziekaal begrip te bezitten; — en toch durf ik beweren, dat ik, artisten uitgezonderd, ergeendrie gekend heb, die er met regt op bogen mogten.
Nu vraag ik denzelfden grooten Hollandschen schrijver — hem, wien 't maar half schijnt te bevallen, dat men op een concert een symphonie van Beethoven speelt; op wien fijne vioolfiguren en geestige fluitpassages den indruk maken van kurketrekkers, ziegezagen en krakelingen: — ik vraag denzelfden grooten schrijver, waar 't heen zou moeten, indien niet de artist en degelijke dilettant een weinig de kunst staande hielden, en haar, door een soms overdreven verwaandheid, beschermden tegen 't brullend publiek, dat meêbalkt met hoog opgestoken Midas-ooren, zonder eens den hoed af te nemen bij 't naderen van den troon waarop de Muse gezeten is — !
Dát is 't, wat ons 't Jubals-bloed naar den kop jaagt, met een aandoening tusschen bliksemende verontwaardiging en onuitsprekelijk dédain: een aandoening, gelijk ze Rembrandt moest gevoeld hebben, had hij op een uithangbord de woorden »Schilderen Glazenmaker" gelezen — : als elk zot nufje, dat, na jaren hakkens, eindelijk »les Cloches" en een potpourri uit de »Martha" heeft leeren oprammelen, verklaart: »dol veel van muziek te houden, en ook ijselijk veel gevoel te hebben." Of, als de elleridder getuigt: »den Franschen stijl te verkiezen boven den Duitschen, omdat de laatste saai is en niet zangrijk genoeg." Of, wanneer detimmermansbaas, die als voorloeijer eenoefeningpresideert, ook meêpraat, en pertinent beweert: »dat er geen schoonermeziekbestaat, dan dewijzenvan de Psalmen Davids — !" — — 't Nufje moest kraagjes borduren naar stalen uit deGracieuse; de toonbankheld moest gaan potspelen in »Zuid-holland"; de godzalige timmerman moest gaan huisjesmelken, of planken zagen, of zijn knechts 't loon beknibbelen. — — Datmoestenze doen. — En wat doen ze? — De ezels! Ze belasteren, belagen, profaneren en prostitueren, de reinste, goddelijkste, meest aetherische en aesthetische van Apollo's negen nichten — !
Maar is dan de muziek 't uitsluitend eigendom van artisten? — hoor ik vragen. Moet 't vinkje zwijgen, omdat de nachtegaal dáár is, die beter slaat? En is niet een vrolijk liedeken, de eenvoudige tolk van een opgeruimd gemoed, Gode welgevalliger, dan de strengst klassiekebravour-aria?
Zeker: vrolijkheid is meer waard dan kunstbeoefening. Laat elk vogeltje dus fluiten naar zijn aard; laat elk schepsel den toon aanslaan, dien Natuur hem in de keel lag, en tot 't uiten waarvan, zijn gevoel de behoefte in hem doet spreken. Wie met gevoel Pan's rietje blaast, is eenkunstenaar; doch wie Apollo's lier wil bespelen als een draaiorgel — is zelfs den naam vanorgeldraaijeronwaardig. — Weg dan met valsche pretenties; weg met een geaffekteerdjargonin den mond van hen, die kunst en kunstbegrip tot modestoffen verlagen, waaruit elk »fatsoenlijk mensch" — d. w. z.: de vrijer van de keukenmeid inclus — zich voor zijn geld een pakje kan snijden! Weg met de Orgeldraaijers, de Schilders en Glazenmakers, de van hun leest geloopen Schoenlappers, die niet beseffen, dat, tot 't aanleeren vaneen Kunst, veel meer nog dan van een wetenschap, aanleg, studie en talent vereischt worden! — Zie, de Muse opent haar tempel voor ieder. Niet enkel voor den virtuoos en den kwartetspeler — neen, juist zulke duizendkunstenaars blijven vaak op den drempel zitten. Zij ziet niet op uitvoering, en vraagt niet naar vingervaardigheid,embouchure en coup d'archet; — zij eischt begrip en gevoel: slechts waar die wonen, doet zij de wieken van den kunstenaar uitbotten. Want haar tempel staat hoog in de wolken, en — hij die wil binnentreden, kan niet kruipen of krabbelen naar omhoog; — hij moetvliegen! — d. i.: zijn geest moet, op de vleugels van aanleg, smaak en beschaving, zich kunnen opheffen van uit de lagere spheren van tokkelwoede en viedelzucht. — En daar nu, bij verreweg de meeste aspiranten, die vleugelsnooituitbotten — zoo treft men er vele, die, al viedelend en tokkelend, hun prachtig lange ooren voor vlerken aanzien, en er meê klepperen als gekortwiekte ganzen — !
Wie dan vleugels heeft om te vliegen — die vliege! — Wie ze niet heeft — blijve beneden — en houde den mond!
Edoch, genoeg hierover. — Gunnen we ook een oogenblik gehoor aan onze musicerende scheepsgenooten, die — terwijl wij op meesterachtigen toon de kunst monopoliseerden — zich daaraan volstrekt niet gestoord hebben, en, in 't vol bewustzijn hunner vrijheid, reeds verscheiden stukken »op aangename voce" hebben uitgevoerd.
't Orgel is weggeruimd. Nadat 't zijn rol had uitgespeeld, en de gillende meisjes haar draailust hadden botgevierd, heefteen andere liefhebberij de overhand gekregen: die van zingen en declameren.
Van 't laatste mag ik geen kwaad zeggen, omdat 't ons,à forcevan heroï-komische dwaasheid, waarlijk soms tot schreijens deed lagchen. 't Herinnerde mij op 't levendigst aan de scène uit van Effen: