The Project Gutenberg eBook ofOntboezemingen

The Project Gutenberg eBook ofOntboezemingenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: OntboezemingenAuthor: Carel van NieveltRelease date: February 23, 2008 [eBook #24675]Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ONTBOEZEMINGEN ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: OntboezemingenAuthor: Carel van NieveltRelease date: February 23, 2008 [eBook #24675]Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net

Title: Ontboezemingen

Author: Carel van Nievelt

Author: Carel van Nievelt

Release date: February 23, 2008 [eBook #24675]

Language: Dutch

Credits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ONTBOEZEMINGEN ***

See also theTranscriber's Notesat the end of this eBook.

See also theTranscriber's Notesat the end of this eBook.

ELK DEEL IS AFZONDERLIJK VERKRIJGBAARGULDENS-EDITIE.ONTBOEZEMINGENDOORGABRIËL.ARNHEM, D. A. THIEME.

ELK DEEL IS AFZONDERLIJK VERKRIJGBAAR

GULDENS-EDITIE.

DOOR

ARNHEM, D. A. THIEME.

DE PRIJS VAN ELK DEEL IS EEN GULDEN.ONTBOEZEMINGEN,DOORGABRIËL.ARNHEM,D. A. THIEME.1869.

DE PRIJS VAN ELK DEEL IS EEN GULDEN.

DOOR

ARNHEM,

D. A. THIEME.

1869.

Snelpersdruk van H. C. A. Thieme, te Nijmegen.

AAN ZIJN BROEDER WILLIBALD.

EEN PROLOOG.

Strange! quoth I, debating the matter with myself, that one-and-twenty miles sailing, should give a man these rights. —STERNE.

Strange! quoth I, debating the matter with myself, that one-and-twenty miles sailing, should give a man these rights. —STERNE.

Strange! quoth I, debating the matter with myself, that one-and-twenty miles sailing, should give a man these rights. —

STERNE.

Hebt ge wel eens een neef, of broêr, of vriend van een eerste zeereis zien t'huiskomen? Hebt ge, wanneer 't verdoolde schaap per Zierikzeesche boot zou arriveren, hem in dat Zeeuwsche stedeken opgewacht, en van dáár 't trajekt tot Rotterdam met hem zamen gemaakt?

Zóó iets deed ik onlangs.

De boot slingerde een weinig — doch mijn bereisde neef op 't achterdek aan 't wandelen, om te toonen hoe zeevast hij op de beenen stond. 't Was gloeijend heet — maar onverstoorbaar hield zich onze held buiten de beschuttende zonnetent, opdat 't middagvuur nog een laatste hand mogt leggen aan de roode kleur van gelaat en handen, waarop hij zoo trotsch was. Straks ging hij zitten — niet, gelijkeen gewoon mensch, op een bank of krukje — neen, met roekelooze gratie zette zich de waaghals op 't ijzeren hekje naast de raderkast, en verrigtte er de ijzingwekkendste evolutiën, om toch een iegelijk de overtuiging te schenken, dathijniet over boord vallenkon. Maar hij had geen rust: zijn koffers moesten nagezien worden: zijn koffers, waarop met enorme letters de namen van Batavia, Samarang, Tagal en Brouwershaven prijkten; een gesp werd losgemaakt en weêr aangetrokken, een touw werd versjord: — want men moest 't weten, dat die koffers met die uitheemsche etiquettenhemtoebehoorden! — Aan de stad genaderd, kamde mijn brave zich den haveloozen vlasbaard wat uit, trok een norsch, regt cosmopolitisch gezigt, gaf zich zooveel mogelijk 't woeste air van een pas geretourneerden Marco Paolo, en stapte aan wal met den zwaaijenden gang van een op zee gewonnen en getogen zeebonk. — In zijn moeders woning geïnstalleerd, behield hij nog geruimen tijd de hebbelijkheid, van net te doen alsof hij in zijn geboortestad den weg niet meer kende; ja, wel een jaarlang ná zijn terugkomst, bleef hij, tot groot ongerief der huisgenooten, een gedecideerde antipathie aan den dag leggen tegen aardappelen, groenten, en dergelijke "Hollandsche burgerkosten"; terwijl hij zich schadeloos stelde door 't gebruik van aanzienlijke hoeveelheden drooge rijst, die hij, in de oogen zijner verbaasde medeaanzitters, oneetbaar maakte door toevoeging vancurry,lombok,sambal,trassi, en meerdere zulke stankverspreidende ingrediënten, van wier genot — hoewel hij slechts weinig maanden in Indië had doorgebragt — hij gemoedelijkweg verzekerde, zijn maag niet meer te kunnen spenen.

Vroeg men dien neef van mij, wat hij eigenlijk op zijn togten alzoo gezien had — dan wist hij bitter weinig meê te deelen.

In 't eerst verwonderde mij dit, en vond ik 't zooveel te belagchelijker in hem, dat hij roemen dorst op een bereisdheid, waarvan hij blijkbaar zóó weinig vruchten had geplukt.

Sedert ik echter zelf een uitstapje naar Java volbragt, leerde ik op 't humaanst den onschuldigen reizigerstrots van mijn goeden neef verklaren, en tevens de onmogelijkheid waarin hij zich bevond, om op de tallooze tot hem gerigte vragen steeds belangwekkende en romaneskklinkende antwoorden te geven.

Er zijn er onder de landmenschen, die zich voorstellen, dat men op zoo'n zeereisje — naar Oost-Indië b.v. — al magtig veel te zien krijgt, en die u zonder schromen — gelijk wij onzen neef — voor stompzinnig en gevoelloos zullen uitmaken, wanneer ge, t'huiskomend, hun niet een menigte curieuse bijzonderheden kunt opdisschen. »Vertel ons toch — roepen ze — : hoe ziet de zee er uit; hoe hoog zijn de golven; wat eet men aan boord; ontmoet men soms zeeslangen en meerminnen; zijn de zilte wateren groen of blaauw gekleurd; heeft men ook last van kakkerlakken; braakt een vulkaan werkelijk rook en vlammen uit; is een haai heuschelijk zoo'n bloedgierig beest; speelt zoo'n scheepskapitein niet erg den bully; en is 't waar, dat damespassagiers altoos 't eerst aanleiding geven tot krakeelingen — ?" — Andere daarentegen, zijn van meening, dat de drie of vier maanden aan boord doorgeworsteld, niet anderskunnenopleveren, dan een vagevuur tusschen waken en slapen, bestaan en niet bestaan: een polaire winter voor ligchaam en geest, waarin geen zon verrijst dan 't noorderlicht van eten en drinken, en gedurende welken de mensch niet verstandiger zou kunnen doen, dan oogen en ooren sluiten, en in een beerehuid kruipen, om te slapen en zich op de duimen te zuigen.

De ware opvatting ligt ook hier, gelijk elders, in 't midden.

Zij, namelijk, die verwachten, op zee iets anders te zullen aanschouwen dan lucht en water, moeten zich, uit den aard der zaak, jammerlijk bedrogen vinden. — Voor den schilder, den dichter, den natuurminnaar, steekt in die woorden,lucht en water, een schat van onuitputtelijk schoon: zóó iemand ziet dan ook op zee veel meer, dan penseel of pen zouden kunnen teruggeven. — Doch wee hem, die, door een alledaagschen reis- en kijklust aangespoord, de bevrediging zijner manie op den breeden oceaan zou willen zoeken — : die man zal zich gruwelijk vervelen, en zijn domheid verwenschen, dat hij de vette weilanden en omwilgde slootjes van Holland verliet, om te gaan staren, dagen, weken, maanden lang, op een graauwen waterplas, voorhemzoo doodsch en onbewoond, als de wolken die er óver drijven.

Vooral op de reis van Holland naar Java beklaagt zich de min diepzinnige passagier over de weinige afwisseling, die de togt hem biedt. — Gedurende 't zeilen van Indië naar huis, ontmoet men verscheiden malen land, en doet 't somwijlen aan. Men passeert dan altijd 't Kaapland digt genoeg, om op 't Kaapsche rif naar kabeljaauw te kunnen angelen, en, onder 't kruisen, de sombere, in stormen gehulde bergen van Afrika's uithoek te kunnen bespieden; teSt. Helena neemt 't schip gewoonlijk water in, en hebben de reizigers dus gelegenheid, om — 't zij mét of zonder behulp van den Engelschen sherry — in geestdrift te geraken bij 't leêge graf van den Corsicaanschen gier; kort daarop stuurt men Ascension rakelings voorbij; en krijgt ten slotte, als men niet tusschen de Hesperiden doorloopt, vaak nog een bergtop van de Azoren in 't oog. — Op de heenreis echter — als men ze voorspoedig maakt — geen zweem van dat alles. Juist, wanneer 't den nieuweling zoo aangenaam zou zijn: als hij slechts uitkijkt naar een ijsberg, een vulkaan, een onbewoond eiland — des noods een zaagvisch of cachelot — om zijn stervend dagboek met bladen vol schilderachtige beschrijvingen te verrijken — — juist dan, niets van dat alles! Een armzalige haai, een verdwaalde walvisch, een kudde blazende »botskoppen", een vliegend vischje, een troep bruinvisschen of bonieten, wat albatrossen, »dominees", »bootsluî", »kleêrmakers", zwaluwen, Kaapsche duiven en boebi's[1]— — nu ja, die visschen- en vogelwereld hadhij zich kunnen voorstellen. Land wil hij zien: hooge bergen, verre kusten! Hij benijdt den Sindbad van vorige eeuwen, die, door schraalheid van water en proviand,genoodzaaktwerd, nu en dan 't anker neêr te laten; hij zou een ligten aanval van scheurbuik zegenen, waardoor 't binnenloopen in een verafgelegen haven onvermijdelijk werd; en hij bidt om een goedig orkaantje, dat zijn schip, met behoud van volk en lading, aan de kust van la Plata of Madagascar zou vastzetten. Te vergeefs tuurt hij aan den horizon naar Teneriffe's spitse piek; te vergeefs tracht zijn binocle de nevelen te doorboren, die de tuinen der Gelukkige Eilanden wreedelijk omsluijeren; 't bestaan van St. Helena blijft voor hem, niet minder dan dat van 't meer Kinibaloe, een punt van blind geloof; de Tafelberg eindelijk, weet hij, vertoont zich even zoo weinig als de Man in de Maan; en, »na zooveel leed en ommezwerven", zal hij zich niet mogen verheugen in den aanblik van zijn natuurlijk element, vóór zijn 't rondzien ontwend oog zich verkwikken zal aan 't donkergroen der eilanden, die sluimeren in Straat Soenda's schoot — als smaragden, los gestrooid in een bekken van kristal.

Maar 't water — hoor ik vragen — de zee zelf, is zij niet oneindig rijk aan treffende verscheidenheden, onbeschrijflijk schoon in de majesteit van haar nooit rustende onmeetlijkheid! Is zij niet schoon, wanneer golven van dertig voet hoog haar met schuim gekroonde kammen doen sprankelen in de zon, als heuvelen van saffier: als nu eens 't hulkje wegtuimelt in 't warrelend golfdal — dan weêr — —

— — Halt, jongeling — strijk uw wieken, wisch u 't dichterlijk angstzweet van de slapen! die Pegasus-ridjes naar't verhevene maken doorgaans den ongelukkigen jockey tot een Icarus, en laten, per slot van rekening, den aanschouwer zoo koud als een Uranusbewoner!

Ik antwoord u, o dichtlievend lezer, met de — woorden van een ander, zeer groot dichter — :

» — — — — — — — 't is wel verheven,Altans, bij storm! doch ik verkoos de lieve drevenDer aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook vrijEentoonig ras, op zee, als in de poëzij."

Wanneer men voor 't eerst aan boord stapt, voelt men zich vervuld van een kostelijk enthousiasme voor al wat golft en al wat drijft: men zou de peregrinaties van een notedop in een stroopflap kunnen vereeuwigen. Getrouwelijk beschrijft men dan ook een eersten storm, mitsgaders de poëtische gewaarwordingen, die zoo'n phenomenon in 's menschen boezem doet ontbranden.

Edoch, zoodra men eenmaal de stereotype termen van:klepperende touwen,loeijende vlagen,schuimende wateren,donderende stortzeeën,ratelende bliksemslagen, en wat dies meer zij, in behoorlijke volgorde heeft opééngestapeld — ontwaart men, tot zijn niet geringe spijt, dat van een zoo grootsch natuurverschijnsel weinig anders te bezingen overblijft, dan de veelmeer in 't oog vallende kleine jammeren, die er onvermijdelijk uit voortvloeijen, en die alras den rijksten schat van poëzie doen verkeeren tot een hoopje druipend, bibberend, diep ongelukkig proza — : als daar zijn:zeezieke heeren,zieltogende dames,benaauwde hutten,door lekwater bedorven beddegoed,gebroken wijnglazen,omgesmeten soepterrienen,druipnatte matrozen,gemelijkestuurlui,ongenaakbare kapiteins, endronken hofmeesters met builen op 't hoofd.

Van dáár dan ook, dat geen stormbeschrijving ooit zóó treffend en waarachtig gegeven is, als die van den Schoolmeester: want waarlijk — hoe grootsch en verheven een onstuimige zee den landbewoner, die haar van rots of duin overziet, moge toeschijnen — van een schip bekeken, levert ze, met al haar bovengemelden stoet van rampen, zelfs den stoutstgewiekten hoogvlieger zóó weinig stof tot geestverheffing, dat de enthousiast, die haar met woorden prijzenwil, daartoe geen veiliger weg kan inslaan dan dien van een aangename parodie. En, wat 't onmogelijke en onwaarschijnlijke van zoo'n geparodieerde schilderij betreft — men geloove mij, dat zelfs 't dansen van quadrilles met de inboorlingen van een onbewoond eiland, in werkelijkheid minder onwaarschijnlijk is, dan de vervoering, waarin sommige jeugdige dagboekschrijvers voorgeven te geraken, wanneer ze van door hen bijgewoonde stormen een tafereel gaan ophangen.

Kan men dus over 't geheel zeggen, dat bereisdheid ter zee den bezitter weinig regt geeft tot zelfverheffing — bereisdheid te land mag daartoe evenmin een voorwendsel zijn.

Vroeger, ja — toen men den rid van Londen naar Edinburgh (»God willing") in drie weken volbragt, was zoo'n togt werkelijk eenlandreis. Maar nu, dat men in minder uren dan toen dagen denzelfden afstand doorloopt, en gedurende dien tijd geen enkele maallandonder de voeten krijgt — nu kan toch de reiziger, die een poos lang op de banken van een spoorwegwaggon zat te suffen, moeijelijk spreken van de ondervinding die hij op zijn togten opdeed, en van 't vele vreemde dat hij in de door hem doortrokken oorden ontmoette. — Een landreis per dampwagen is als een zeereis per stoomboot: 't meesterstuk — of monsterstuk — van menschelijke vinding, verschrikt de dieren in 't veld en de visschen in den schoot der wateren; doet alle natuurschoon wegvlieden van voor zijn verschroeijenden adem; verwerkt heuvelen en bergen tot afzigtelijk praktische kolenschuren, en zal weldra de reine Muse van poëzie en schoonheidsgevoel in de lompen steken van een geldverdienende, met roet besmeerde fabriekarbeidster[2].

De éénige landreiziger, die, mijns inziens, nog op bereisdheid bogen mag, d. i. die met regt beweren kan, van een land en zijn bewoners iets gezien te hebben — is niet hij, die in één dag naar Parijs, en van dáár, in drie dagen, naar Moskou stoomt — — 't is derara avis, die waarlijkvoor zijn pleizierreist: de gemoedelijke trekvogel, die, op jonge beenen, met een jolig makker aan den arm, den knapzak op den rug, en een paar tientjes in de beurs, zijn Geldersch of Rhijnlandsch voetreisje maakt. — Deze alléén ziet veel, en »kan ook wat verhalen": hij doorkruist de steden, die onze moderne vliegreiziger slechts in de verte als hoopjes huizen bespeurt; hij spreekt en leeft met de menschen, diede ander als schimmen aan den weg naauw opmerkt. Hij alléén ziet veel: omdat hij tijd en lust heeft, in den aard der zaken dóór te dringen; terwijl de spoorwegman, in een eeuwig rammelenden roes van 't eene station naar 't andere rennend, niet anders kan, dan met Mundungus en Smelfungus uitroepen: »'t is all barren!"

Bereisde lieden! — Zie ze er op aan, als ge kunt — onze hedendaagsche cosmopolieten! Misschien zult ge aan zekere stijfheid in de knieën den man erkennen, die zijn halve leven in een treinwaggon heeft doorgebragt; — maar zoek bij hem geen forschgeharde trekken, geen vrolijken levensmoed, geen diepe menschen- en wereldkennis meer.

Bereisde lieden! — Ik herinner me, op een mijner mailtogten eencommis-voyageurontmoet te hebben, zóó een verwaand en ploertig individu, als één zijner ambtgenooten 't ooit was. Die man had twee reizen naar de Vereenigde Staten en Californië, twee naar Indië en Australië, en even zoovele naar China en Japan gemaakt: hij had meer van onzen aardkloot gezien dan een Cook of Bontekoe — maar, met zijn vettige bakbaardjes, zijn bleeke gelaatskleur en stijve witte dasjes, geleek hij juist zooveel op een wereldburger als mijn goede catechiseermeester zaliger. — Een andermaal sprak ik een oude Jufvrouw, die mij vertelde: hoe ze te Calcutta geboren, te Melbourne opgevoed, en in Schotland gehuwd was; hoe ze in Kaapstad sedert had geleefd, en nu, bij haar familie te Padang, rustig haar levenseind hoopte af te wachten. 't Mensch toonde voor 't overige, in doen en laten, niet de minste superioriteit boven een gewone Delftsche stovenzetster — !

Zulke voorbeelden hebben inmijal spoedig den ontluikenden bereisdheidstrots gefnuikt.

En toch, toch, goedgunstig lezer — ben ookikniet geheel vrij van dien trots: ik kan hem in anderen en mezelf verklaren en door de vingers zien.

Wie beseft niet den roem die er in ligt,bereisdte heeten — zij 't dan ook per spoortrein of stoomboot! Wie boog nooit onder den hartstogt die den aspirantwereldburger aandrijft: omveelte zien, of liever, om — hoe oppervlakkig —velerleite zien! »That craving desire, natural to untravelled men of fresh and lively minds, to see strange lands, and to visit scenes famous in history or fable." Wie, in 't kort, reisde nooit tot voldoening van zijnijdelheid— !

Er blijft ons ook van langverleden omzwervingen zoo'n zoete, dichterlijke herinnering bij, die ons onwillekeurig 't hoofd doet opheffen. De reis, met al haar verveling, met haar bezwaren en vermoeijenissen, schuift men op den achtergrond: hitte en koû, gebrek en ongemak zijn vergeten. Maar vóóraan op 't schouwtooneel des geheugens opent zich in nevelig zachten kleurendos een panorama van 't schoone en liefelijke, van 't vreemde en boeijende — hoe weinig ook — dat men aanschouwde. Van 't gloeijend Oosten herinnert men zich slechts palmboschjes en zwartoogige feeën, van 't barre Noorden ziet men slechts sombere sparrewouden, met donzige sneeuw omzoomd, en bevolkt door de blonde nymphenwereld die de verbeelding zoo gaarne rond den warmen haard 't leven roept. — Men heeft te Rio de Janeiro drie weken met averij gelegen — : men denkt er niet aan, hoe warm't daar was, en hoe duur, en hoe afschuwelijk 't logies, en hoe onaangenaam de bevolking; — men gelooft slechts aan dien éénen avond, toen men schelpen zocht aan 't zeestrand, en de zon zoo prachtig onderging over de bergen en wouden van 't onmeetlijk Brazilië. De mailroute heeft men afgelegd van Suez naar Alexandrië — : men weet niet meer van de wolken stofs, die mond en neus en ooren vullen, noch van de smerige Arabieren waarmeê men zamen in een beestewagen werd gestopt; — men ziet droomend slechts de vale woestijn, die Israël doortrok, de luchtspiegelingen, en de witte zandheuvels — dan, plotseling oprijzend als uit een zee van groen, de koepels en minarets van 't groot Caïro; men ziet den Nijl, en de Pyramiden, en de Delta, en 't klassiek Alexandrië — — tot verbeelding en herinnering elkaâr de hand reiken, om uit de dorre Oostersche werkelijkheid den schat van Oostersche poëzij te verwekken, die ons in 't Bijbelsch geschiedverhaal en in de sprookjes der Duizend-en-Een-Nacht zoo onverklaarbaar boeit en meêsleept.

En als men dan is teruggekeerd in den sleur van 't dagelijksch leven — dan bewaart men voor zichzelf een rijk en leerzaam souvenir, dat de tijd aldóór tot liefelijker vormen afrondt. — En voor anderen? Welnu — voor anderen heet men een man van ondervinding, en mag, zoo nederig weg, in schrijven en spreken, den »bereisden Roel," den »Heer Jurriaan" uithangen, door 't éénig magtwoord:ik ben er geweest. — Ja, men neme 't hoe men wil — schoon 't reizen ter zee en te land in onzen tijd een ware oude-vrijsters-bezigheid is geworden; schoon er tegenwoordig meer moed toe noodig is, van zijn huis naar zijn bureau te kuijeren — als wanneer men nog blootstaat aan accidenten met rijtuigen en dakpannen — dan om een mailtogt naar China te aanvaarden — — toch zal 't, omdatmagtwoord alléén zelfs bij overigens redelijke wezens, een toppunt van glorie en zelfvoldoening blijven, den evenmensch te kunnen toeroepen: »ikheb mijn oog laten weiden, mijn vleeschelijk oog, over landouwen, die gij, huismusch, achter uw moeders kagchel gezeten, slechts als stipjes op de wereldkaart bekeken hebt!"

O, ijdelheid der ijdelheden!

Zeker! — En ook ik, Gabriël, beken volgaarne mijn zwakheid in dit opzigt.

Hebben we niet — broêr Willibald en ik — ons eerste uitstapje naar London gemaakt, grootendeels met 't doel, onszelf te mogen opblazen bij de gedachte, de zee overgestoken, en op transoceanischen bodem den voet te hebben gezet! — Herinnert ge u nog, broêr Willibald, hoe we wandelden door de groote wereldstad — wij, jongens in jaren, maar toch moedig, onbeschroomd, soms roekeloos! Hoe we er rondzwierven, terend op een pintstouten eenmutton-chop— overal heen — vol verachting voor hoofdstraten en omnibussen —per pedes apostolorum— geen hol ons te donker, geen steeg ons te naauw: opdat we toch met regt er ons op zouden kunnen beroemen, »dat we gansch London met voeten gemeten hadden" — !

Beslootikniet later, bij mijn vertrek uit Indië, met de mail te reizen: vooreerst, om spoediger t'huis te zijn, doch, hoofdzakelijk, om ééns met eensuprême dédainop allen te kunnen neêrzien, die niet, als ik, een zeker aantal punten van den aardbol met eigen zolen hebben gedrukt! — Enzelfsnu, terwijl ik deze bekentenis neêrschrijf — heeft 't niet al den schijn, of ik mezelf slechts beschuldig, om ongestraft alweêr dezelfde dwaasheid te mogen begaan, en — quasi een fout opbiechtend — enkel de gelegenheid beoog, aan een iegelijk te vertellen: hoe ik, nog zóó jeugdig, reeds te Singapore heb ananas gegeten, te Pointe-de-Galles topazen van Candy gekocht, te Aden een regiment Fellah's ontmoet, te Suez uit een echtechiboukechtenRatakiagerookt, in de woestijn te vergeefs naar manna en kwakkelen gezocht, te Caïro de moskee van Mehemed-Ali betreden, te Messina mij aanMarsala-wijn berauscht, te MassiliaNotre-dame-de-la-Gardebestegen, te Arles de dochters der Phoeniciërs, en te Avignon 't Pauselijk kasteel bewonderd, te DijonBourgognegedronken, te Parijs't Quartier Latinbezocht — ja, te St. Quentin voor 't eerst artisjokken geproefd heb — !

IJdelheid der ijdelheden! — Nogmaals en nogmaals galmen we 't den ijdelsten aller koningen na.

Doch, daar we minder wijs — hoewel misschien wat verstandiger en liefderijker zijn, dan de wijze Joodsche despoot — zoo vergeven we onszelf en den naaste ookdezekleine ijdelheid, laten elk in vrede zijn stokpaardje berijden, en zegenen voor 't minst hierin onze dorre eeuw van stoom- en dommekrachten: dat ze aan elk de gelegenheid biedt, om op zijn wijsbereisdte heeten.

[1]Ik weet niet, onder welke namen Cuvier en Buffon de bovenstaande vogels geclassificeerd hebben; ik laat hen dus de titels behouden, die ik hun de zeelui hoorde geven. — Al deze knapen kan men gemakkelijk door middel van spek en hoek betrappen — behalve de professionele heeren. Inzonderheid de vogel »dominee" staat als een toonbeeld van bedachtzaamheid bekend — »voorzigtig gelijk de slangen"; en de oudste matrozen herinneren zich niet, dat een dergelijk weleerwaard dier zich ooit door den lust der zinnen — den omspekten angel — heeft laten verlokken; — Toch, beweert men, zitten ze dik in 't vleesch en warm in de vêeren. — Zoodra een Albatros of Kaapsche duif levend aan boord komt, wordt hij zeeziek, geeft teekenen van onpasselijkheid, en eindigt, met, op zeer menschelijke wijs, zijn maag te ontlasten.

[1]Ik weet niet, onder welke namen Cuvier en Buffon de bovenstaande vogels geclassificeerd hebben; ik laat hen dus de titels behouden, die ik hun de zeelui hoorde geven. — Al deze knapen kan men gemakkelijk door middel van spek en hoek betrappen — behalve de professionele heeren. Inzonderheid de vogel »dominee" staat als een toonbeeld van bedachtzaamheid bekend — »voorzigtig gelijk de slangen"; en de oudste matrozen herinneren zich niet, dat een dergelijk weleerwaard dier zich ooit door den lust der zinnen — den omspekten angel — heeft laten verlokken; — Toch, beweert men, zitten ze dik in 't vleesch en warm in de vêeren. — Zoodra een Albatros of Kaapsche duif levend aan boord komt, wordt hij zeeziek, geeft teekenen van onpasselijkheid, en eindigt, met, op zeer menschelijke wijs, zijn maag te ontlasten.

[2]Men vergeve mij deze indirekte lofrede op »de dagen van Olim"; doch men sta mij toe, mét mijn oudoom, den organist, en mijn oudtante, de met zes dochters gezegende domineesweduwe, van meening te zijn: dat we, én 't tegenwoordig verval van de kunst, én den weinigen trouwlust onzer huwbare jonge mannen, voor een groot deel te wijten hebben aan den gaarkokenden, ziel- en ligchaamcreosoterenden invloed van stoom en kolendamp.

[2]Men vergeve mij deze indirekte lofrede op »de dagen van Olim"; doch men sta mij toe, mét mijn oudoom, den organist, en mijn oudtante, de met zes dochters gezegende domineesweduwe, van meening te zijn: dat we, én 't tegenwoordig verval van de kunst, én den weinigen trouwlust onzer huwbare jonge mannen, voor een groot deel te wijten hebben aan den gaarkokenden, ziel- en ligchaamcreosoterenden invloed van stoom en kolendamp.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

Vaterland! dich musst' ich jung verlassen. —»JOSEPH."

Vaterland! dich musst' ich jung verlassen. —»JOSEPH."

Vaterland! dich musst' ich jung verlassen. —

»JOSEPH."

Andante affettuoso.

't Anker werd geligt; de breede lappen werden bijgezet; met een zacht briesje dreven we langzaam de zee te gemoet. — De wind nam toe; we gleden voorbij de vuurtorens, voorbij ton en baak — — nog weinig oogenblikken, en Hollands kust zou uit ons oog verdwenen zijn.

Ik zat, en tuurde naar de verre oeverkanten.

De lucht hing zwoel en dampig, de zee lag kalm en vriendelijk: 't was de ziekelijke kalmte van een dier slaperige, half heldere, half mistige herfstdagen, die over alles een waas spreiden van kwijnende lusteloosheid. Mat en glansloos stond de ondergaande najaarszon aan den melkkleurigen hemel: ze straalde niet, ze verborg zich ook niet — doch met den glimlach eener stervende scheen ze weemoedig op ons neêr te zien, alsof ook zij afscheid nam, en zich terugtrok uit een vreugdeloos leven. — Had een orkaan mij door de haren geblazen, had een tropische gloed mij de wangen gebrand — 't ware mij liever geweest: onder storm en bliksem, als een Vliegende Hollander gedreven, had ik mijn vaderland willen verlaten! Maar nu — die slappe koelte, die slechts aarzelend de zeilen vulde; die dof glinsterende golfjes, die mij, den nieuweling, zoo vreedzaam lonkend welkom heetten — o, 't was of hun kruipende tred mij grafwaarts voerde!

Wat zou ze met mij doen, de magtige Zee? Zou ze mij brengen naar een land van leven en arbeid, waar ten minste een stoffelijk fortuin en een rijke natuur mij de ballingschap zouden verzoeten; — of, naar een land van heimwee, en nieuwe, ongedeelde beproeving? Zou ze mij laternog eensliefderijk opnemen, en me, zielsverlangend, terugdragen naar 't ouderlijk huis; — of, zou ze mij achterlaten in 't verre oord, om mij slechts troost en rust te gunnen in 't graf van den vreemdeling — ? — Ja, had ik Ulieden bij me — gij, die me altoos liever waart dan ziel en zaligheid! — met wat vreugd zou ik haar begroeten, die wijde zee; met wat vervoering zou ik uitroepen: »Thalatta, Thalatta, sei mir gegrüsst!" Dan zou geen vreemdelingschap mij hard vallen; ik zou den geboortegrond weinig betreuren: want, gelijk de dagen vele zijn, dat droeve mist en regen dien bodem omhullen — zóó waren ook talrijk de zorgen, die mijn jonkheid er doorworstelen moest. Vol moed en levenslust zouden we zamen 't nieuwe leven zijn ingetreden: ligt toch, dat we elders wat meer zon en vreugd vonden, dan onder den karigen hemel dien we vaarwel zeiden. Ook op den breeden Oceaan, ook in de wildernissen van 't verre Oosten, zoudenwe, in elkaârs stem en blik, in elkaârs warmen handdruk, alles blijven vinden wat 't leven ons kostelijks schonk; ook dáár zouden liefde en huislijke vrede ons eent'huishebben geschapen. — — — Maar gij zijt achtergebleven — en ik ben alléén gegaan; alléén ben ik: vrijwillig banneling, voor een weinig geld, dat ik altoos verachtte! — Moeder, en broêr, en zuster — waar zijt gij! Neen — staat niet vóór me als schimmen uit 't verleden, als spookgestalten van beminde dooden! We dachten immers ten beste te handelen; 't was immers goed en noodig, dat ik heenging, om in den vreemde 't brood te zoeken dat 't vaderland mij scheen te weigeren; 't was goed en noodig, dat ik den zoeten band verbrak, die ons als één deed leven en ademen; dat ik opwaakte uit de droomen en spelen mijner jeugd, om te gaan arbeiden voor ons aller toekomst. Verwijt 't mij dan niet, dat ik uw woning gemaakt heb als een sterfhuis, waarin er één gemist wordt, die wég is, voor jaren, jaren — misschien voor altijd! En is er een plaats ledig aan den disch, is de kleine kring gebroken rond den haard — o, moeder, schrei niet, tob niet; lach, wees vrolijk — doe, wat ikzelf te vergeefs zal trachten: vergeet en hoop!

Zóó zat ik, en tuurde. — En toen ik uit mijn mijmering ontwaakte, waren de oude vuurtorens niet meer daar; doch, door den nevel mijner tranen, zag ik — een kleurloos uitspansel en een loodgraauwe zee — lucht en water — niets meer!

Daar klinkt een schorre kreet — »hip hip hip, hoera!" — De laatste baak is gepasseerd — »welkom, welkom inzee!" — De kapitein houdt een speech, waarin hij spreekt van »eendragt, sympathie, wederzijdsche hoogachting en onderling vertrouwen"; de stuurluî volgen, tot bootsman en hofmeester toe — alles geeft handjes en wenscht een voorspoedige reis. En roode- en rhijnwijn gaan rond, likeuren, bitter en madeira: men klinkt en drinkt, men lacht en joolt, en neemt de zaak luchtig op: een overbevolkt moeras heeft men immers verlaten — een eeuwig bloeijenden lusthof gaat men te gemoet — — o zoete waan! — Dochikwist beter. — Wel nam ik den wijn, en klonk en dronk; — maar ik was niet vrolijk, moederlief — vrolijk was Gabriël niet.

October 1865.

Heil dir! du junge Königin!HEINE.

Heil dir! du junge Königin!

HEINE.

Pomposo e con brio.

Ook U is de kroon der poësie ontroofd, Zee van mijn Vaderland! Ook gij zijt niet meer die ge vroeger waart: vroeger, toen 't Godendom troonde over de wonderen uwer diepte; als uw strand weêrgalmde van vreugdekreten uit Gladheim en Asgard's Reuzenstoet uit peuren toog aan uw oevers, of konijnen strikte in uw duin.

Wie heeft de Helden der Edda verstrooid? Wie heeft Krakèn opgeschrikt van uit uw afgrond, en Jormungandr[3]uw kolken doen verlaten? — Was 't Thor met zijn moker, of Hymer met zijn vischhoek?

De mensch, die worm der schepping, heeft zich meester gemaakt van uw gebied; met de Runenspreuken zijns vernufts heeft hij uw golven getemd; met den bezem zijnerbeschaving heeft hij Goden en Monsters weggevaagd, tot aan 't uiterste einde van 't bevrozen Thule. — Waar eertijds de Weefzang der Walkyren uw strand deed daveren — klinkt thans 't ruischend maatgeluid van Botgorschek's kapel; waar, in angst en strijd, de woeste Kaninefaat zijn terpen bouwde — ziet men badkoetsjes rijden in zee, en schoone dames, lagchend en gerust, zich flodderend vermeijen in uw versterkend nat. Waar toen, de fiere Zeekoning zijn met roof beladen hulkje zag te gronde gaan, waar de stoute wereldveroveraar zijn beste gaven offerde om uw woede te bezweren — vliegen nu, trots wind en stroomen, trots Monsters en Goden, duizend scherpgekielde vaartuigen, uw golven doorklievend, en spottend met uw verloren grootheid — als waart ge niet sterker dan 't plasje, waarop kinderen spelevaren.

Ja, de kroon der poësie is U ontroofd!

Maar treur niet, Zee van 't Noorden, treur niet: want een andere kroon is U opgezet.

Aanzie wat ge waart in de dagen van Hymer en Thor; aanzie ook wat genuzijt! — : Zijt ge niet, meer dan toen, de eerste, de Koninginne onder de zeeën! — Van dáár, waar ge de Landhoofden vaneenscheidt, om een doortogt te banen voor de boden, van weelde en beschaving — tot aan den breeden zoom, waar ge, spokend langs Noorweêgs klipgevaarten, tezaâmvloeit met de graauwe wateren der ijzige Poolzee — zijt ge niet overal 't middenpunt, dat de volkeren van wijd-en-zijd tot zich trekt!

Wél is der Goden veste in puin gevallen; — maar zijnniet de hoofdzetels der menschen, zijn niet London en Harwich, Brouwershaven en Katwijk verrezen aan uw oevers! — Wél wascht niet meer uw branding eens Odin's doorluchtig voetenpaar; — doch hebben niet andere godjes, hebben niet Victoria en Napoleon III, Bismarck en Heemstra hun gansche goddelijk ligchaam in uw zilt gedompeld! — Wél is der Noren brandfakkel uitgebluscht; — maar hebben niet Tromp en de Ruijter, Merrimac en Monitor 't lot der natiën beslist op uw vlakte! — Wél verstomde voor goed der Skalden harpgetokkel; — maar heeft niet Heinrich Heine u bezongen, Noordzee — en benikniet bezig uw lof te verkonden, ik, Gabriël — ik!

En nog wreekt ge U soms, ondankbare, op den mensch, die U den eerelauwer rond de slapen vlocht! Nog, wanneer een bode van 't Noordwesten U uit den doodslaap wekt, en U heimelijk tijding influistert van de verbannen Goden daarginds — — trilt en hijgt uw boezem bij de herinnering; dan jaagt de toorn nijdige rimpels over uw fronsend voorhoofd; dan staat gij op, in blinde woede, en beukt 't schamel bolwerk dat ge opwierpt tegen U zelf; of vergrijpt U aan goed en leven van den armen visscher, die van Goden noch Godinnen weet.

Zelfs opmijschijnt ge heden vergramd te zijn, omdat ik U spreken dorst van langvervlogen heerlijkheid: zelfsmijnbarkje schudt en schommelt ge, als kon 't zwakke ding 't gebeteren, dat Thor, Thor niet meer is. — Zeg, Noordzee — is dát 't loon voor mijn lofzang; betaalt gij zóó uw barden, dat ge hen zeeziek maakt!

Toch heb ik U lief, Zee van mijn Vaderland; sombere schoone, met uw sluijer van nevel en mist! Moeder van Hollands rijkdom, Schutgodin van Engelands magt — ik heb U lief! En ter uwer eere heb ik dit lied aangeheven, zamen met de luide stem van den wind die me U te gemoet voert!

Want schoon zijt ge nog — als in de ure, toen Caligula schelpjes zamelde aan uw strand. En is ook de Krakèn tot panharing geworden, en de Zeeslang tot kabeljaauw — toch blijft Gij immer nog de Magtige, de Gevreesde, de Hooggeprezene — eeuwig, eeuwig — zoolang er water zal zijn in uw bed, en zand aan uw oevers!

Zee van mijn duinen — ik heb U lief!

October, 1865.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.STERNE.

Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.

STERNE.

We zaten nog vrij laat bij elkaâr, in dien gedenkwaardigen nacht van 24 op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.

»Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, »'k mag lijden dat we toch ook 'reis een storm bijwonen!" — »O wee," kermde Judocus, van achter 't kooigordijntje — .

»Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat,Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme,Und jetzo warm und ruhig sitztIm guten Rathskeller zu Bremen."

Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als bandieten, en droomden als poëten bij maneschijn.

Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd geslapen, gesnorkt en gedroomd, — lang kon 't niet wezen, want onze kajuitslamp brandde nog, — toen ik, Gabriël, gewekt werd door — — ja, door iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor; — daar volgt een slag — een gerinkel als van brekend glas; — ik spring mijn kooi uit, loop naar de tafel, en — zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.

De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze »Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.

Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken; doch, waren onze ooren ons van weinig dienst — we zagen beiden nog zeer goed uit de oogen, en — wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaâr — want nog niemand had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan — , een flesch jenever was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten en stommelen — als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten los. Bij alle krachten en resultanten — hier had Galileï zijn hellend vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand! — We trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd, dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand te blijven afwachten; — — maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik in een killen waterplas: ik vloek, zie rond, — hemel, hebben we een lek gemaakt, gaan we te gronde! — neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die, mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten — !

»Geduld is zulk een schoone zaak"! — Juist, mijn brave Sancte Hieronyme, uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze geëmancipeerde schooljeugd er van zeggen — maar, als ge mij de daarin vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U, ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken »bondel gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen — !

's Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen naar boven. — Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.

De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan. — Hoe ze steigeren en ploffen door elkaâr, jagend voortgestuwd door den magtigen Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden! — Hoe klein vond ik alles aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen, als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ookmijnaanzijn als »Koningder Schepselen »gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want ookikhad moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste wateren — gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind, die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan mogelijk gevaar — alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed weêr eens warm en jeugdig vloeijen — ja, voor de eerste maal sints 't smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de verre kust zijner droomen zag heengedragen. — Lang stond ik zóó, me vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten — : opgetogen, boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen omrukken; ofik't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en als meester bevel voerde over den strijd der elementen — !

Eilaas — »stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."

Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord bewonderen der worstelende natuurkrachten — toen een hoogst stoffelijk voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.

Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen, met 't loffelijk voornemen,om, in vertrouwelijke overgave des harten, zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning bukken — — boem — daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug. — »Hel en dood!" vloekte de patiënt. — »Bravissimo!" lachten de omstanders. — »Voelt u zich niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij op de beenen stond; — Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen de tanden, en — bibberend van koû en katterigheid zette hij zich op 't kippenhok, om wat bij te komen. — »Wil ik je wat eten boven brengen?" vroegiktoen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen toon. — »Stik-jij!" siste hij nijdig. — Kort daarop, na 't trekken van eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en hekjes naar omlaag scharrelen — om, in zijn kooi, 't voorbeeld van zooveel andere braven na te volgen.

Mij dunkt — ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf, boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn — welke overtuiging oorzaak is, dat men, onder zeeluî, op een zeezieke ongeveer evenveel acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim; — en, van dit beginsel uitgaande, ziet men er minder bezwaar in — mits men zelf frisch en gezond blijft — een weinig aanschadenfreudetoe te geven, en aan een neiging tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo onbevreesd en levenslustig — nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel zieltogenden erbij neêrliggen.

Wáár bleef — vraagt men — toch de reddende kracht van de heerlijke probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde — ? Wáár was die heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn giftA qua Laur. cer.; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en saffraan — ? — Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige radicalen; ons zou geenaqua mirabilissterken; geenspecificiumuit Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de jammerlijkste aller misselijkheden; — en juist dáárom bleven we zoo gezond, meende Josua, in zijn overmoed; — hoe dat ook zij, 't was ons geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren — wij, buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord: want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer inclus, waren naar kooi — zóó hevig was 't stampen. — Hoe kwam 't, dat we zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk? — »Ik zal 't je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet, begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund,quantum sufficit, en, om de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood, ham, snert of ossetong.

Ik voor mij geloof — indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets anders te gelooven mag overblijven — dat niets de zeeziekte kan voorkomen of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit opzigt volmaakt ééns met Lepidus — spitsvondiger gedachtenis — die, tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten in 't midden brengen: »hoezijnondervinding hem had geleerd, dat men, in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten 't gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te strekken." — Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden — edoch, hier vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden: want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen — ge moogt eten wat ge wilt — ham of brood, tong of snert — 't zal u alles opbreken als den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras — ; zoodat, uit de tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den wind slaan:nietzullen eten,nietdrinken — maar te kooi gaan liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel wenschen.


Back to IndexNext