III. DE KEPER.

III. DE KEPER.1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog.Wat hebben wij nu tot deze dingen te zeggen?Allereerst richt ik mij tegen het imponerend betoog, dat recht niet kan en mag in de plaats treden van oorlog. Het berust op een onzuivere, valse tegenstelling: Tegenover de oorlog als stuwkracht, verovering en geweld als middel en wijze van krachtsontplooiing en bezitsverwerving staat niet het recht, dat nooit zulk een dynamiese funktie voor zich heeft opgeeist, maar staan devele vreedzame stuwkrachtenen wijzen van bezitsvermeerdering en machtsverwerving, van leven en wasdom, die de dynamiek der geschiedenis kent, bij individuen, groepen, steden en staten:tegenover roof en krijgstaat, neen niet het recht, maar: rechtens en zedelik geregelde en geoorloofdearbeid,eerlike wedstrijd, staat bij de volken het gebruik van al hun kulturele, dus alle ekonomiese, wetenschappelike, artistieke, morele krachten. Die vreedzamewedijver met àlle krachtenmaakt eenlingen en gemeenschappen groot en sterk—en de geschiedenis der laatste eeuwen is het levend bewijs, hoe enkelingen, geslachten, steden, verenigingen, industrieën, kerken en partijen kunnen opkomen en ondergaan, veldwinnen, groeien en bloeien zonder roof of verovering, zonder wapengeweld. Sinds hoe lang heeft Amsterdam of Berlijn of b.v. Chicago geen oorlog gevoerd? Dus stilstand, bederf, ontbinding, dood? Het lijkt er vooralsnog niet naar. Zeker, strijd is nodig, wedstrijd en selektie—daarover zijn wij het eens, dat is de waarheid inSteinmetz' betoog. Maar allerminst is het recht, is arbitrage in de plaats getreden van de stedenoorlog als stuwkracht der ontwikkeling! En misplaatst is dus de spot vanStörkmet de voorstanders van internationale arbitrage: „das Weltgericht setzt fortan Weltgeschichte”, misplaatstSteinmetz' apostrofe: „Ist dieser Gedankenicht der verrückteste, der je ausgeheckt wurde: die Zukunft der Rassen und Völker, der ganzen Menschheit durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen gelenkt! Wie wenig zeugt diese entsetzliche Illusion von Ehrfurcht vor den höchsten Interessen der Menschheit, vor der Zukunft der Völker!”Welk een wonderlik eenzijdige, povere geschiedbeschouwing! Neen, wat de wereldgeschiedenis maakt, wat de rassen en volken leidt zonder statenoorlog, zonder wapengeweld, zal evenmin recht of arbitrage zijn, als rechtspraak tans de drijfkracht is die de machts- en bezitsverhoudingen der enkelingen en groepen wijzigt, hun opkomst, aanzien, eer en ondergang bepaalt, waar alle fysiek geweld, alle doodslag en roof hun rechtens en feitelik is ontzegd. Gebleven is immers de strijd om 't bestaan. Gebleven is, en blijven moet, de zegen van „Gefahr, Not und Kampf”, van inspanning, wedijver en wedstrijd, kortom van selektie. Andere dan fysieke krachten konden zich doen gelden en beslissend worden, op edeler vermogens seligeerde de strijd, waar organisatie en samenwerking anarchie en verdeeldheid verving. Veranderd is alleen de wijze en het terrein van strijdvoeren, zijn alleen de middelen vanSelbstbehauptungenSelbsterweiterung. Het recht vervangt niet, maar vervormt de strijd. Selektie wordt door recht niet opgeheven, maar verschoven. En wat is zelfs het socialisme anders dan het streven, de anarchiese strijd om individuele, materiële winst met zijn verderfelike selektie-gevolgen door middel van organisatie te vervangen door een des te heviger, immers algemener strijd van hoger selektief allooi op alle terreinen der kultuur?De vraag is dus alleen of 't in strijd is met de dynamiek der historie, dat ook de staten hun „Selbsterweiterung” ééns zullen moeten zoeken zonder wapengeweld en verovering. Daarop luidt dus ons antwoord: neen—arbeidmet alle kulturele vermogens en vreedzame, recht en rechten eerbiedigendewedijveris in de plaats getreden van roof en geweld bij individuen, stammen, gemeenten, steden, provincies, staatjes en verenigde staten; in het histories karakter van „dynamiese” oorlog en „staties” recht ligt niets hoegenaamd wat ons noopt te geloven aan een verbreking van deze historiese lijn. Integendeel. Dezelfde historiese machten en invloeden voorspellen gevolgen in dezelfde richting. Dezelfde ekonomiese en kulturele faktoren, die de rechtsgemeenschappen, waarbinnen militaire grenzen zijn uitgewist, en met de militaire zelfstandigheid oorlogsmogelikheid, oorlogsaanleiding en oorlogsbelangzijn verdwenen, steeds omvattender hebben gemaakt, zullen ook voortaan de volken- en staten-kringen uitbreiden, waarbinnen arbeid, recht en vrede zullen treden in plaats van roof, geweld en krijg. De gelegenheid maakt de dief—de gelegenheid maakt de oorlog, gelijk alleen de duelzede (b.v. in Duitse studentenkorpsen) dageliks duelaanleiding, duelbelang, duelnoodzakelikheid schept.En ook dit dienen wij hier te bedenken, dat de „dynamiese” oorlog—deveroveringsoorlogis, de belangenoorlog, die door regeringen en volken reeds tans om 't hardst wordt verloochend met leuzen van zelfverdediging en geschonden heilig recht, die nog slechts door verdwijnende minderheden van belanghebbenden met hun buitensporig, verouderd en ten dode gedoemd machtsoverwicht wordt gewild, en doorgedreven tegen het belang, de wil, de rechtszin van de kultuurvolken zelf, in hun overgrote meerderheid, die hem verfoeit,die hem zedelik te boven, er te redelik en te goed voor is. Van deze „dynamiese”, „expansieve”, dus op roof en buit beluste volksgeweldpleging geldt inderdaad en letterlik, watSchopenhauerschreef in algemener zin: „Diese Raubthiere des menschlichen Geschlechts sind die erobernden Völker, welche wir, von den ältesten Zeiten an bis auf die neuesten, überall auftreten sehn, mit wechselndem Glück, indem ihr jeweiliges Gelingen und Misslingen durchweg den Stoff der Weltgeschichte liefert, daher eben Voltaire Recht hat zu sagen:Dans toutes les guerres il ne s'agit que de voler.Dass sie sich der Sache schämen geht daraus hervor, dass jede Regierung laut betheuert, nie anders als zur Selbstvertheidigung die Waffen ergreifen zu wollen. Statt aber die Sache mit öffentlichen, officiellen Lügen zu beschönigen, die fast noch mehr, als jene selbst, empören, sollten sie sich, frech und frei, auf die Lehre des Machiavelli berufen.”—Zoveel over de veroveringsoorlog—waarbij ik nog buiten bespreking laat het Norman-Angellisme, voor zoverre dat betoogt, hoe „verovering” ook ekonomies een onding is geworden, waarbij meer verloren dan gewonnen wordt, dank zij het moderne krediet-systeem en de steeds inniger en veelzijdiger internationale ekonomiese afhankelikheid, zodat „The great Illusion” dient overwonnen, als zoude militaire en politieke macht een volk commerciële en sociale voordelen schenken of als ware het ekonomies nog mogelik, kolonies te „bezitten”, de rijkdom van een ander volk met wapengeweld inplaats van ekonomiese mededinging duurzaam te bemachtigen of te vernietigen. „Die Menschenseele hat kein theureres Gut als die Illusion” zegt ergensMax Nordau.VolgensNorman Angellis wel de duurste van al die illusiesthe great illusion. „War does not pay”.Bevestigt dieper ekonomiese studie deze beschouwing, dan is daarmee het ekonomies doodvonnis over de oorlog geveld.Maar genoeg van de veroveringsoorlog en zijn gewaande histories-dynamiese noodzakelikheid.2. De kollektieve selektie.En nu het allesbeheersend, beslissend punt:de kollektief-selektoriese funktie, de oorlog als onmisbaar opvoeder en volkenrichter.Vooraf nog tweeërlei opmerking tot voorkoming van misverstand: wij miskennen niet het belang van strijd, van wedijver en selektie voor maatschappij zowel als natuur, voor heel de geschiedenis èn de toekomst der kultuur, al zal geen bezonnen evolutionist zover gaan, defittest, de best-aangepasten, reeds daarom als de besten, de edelsten te beschouwen, de martelaar te verachten voor zijn geweldenaar; de hoogste aanpassing aan het milieu is aanpassing van het milieu; en edele persoonlikheid gaat liever onder, dan zich aan te passen; „Es ist das Unkraut, das überall gedeiht” (Scheler).—En voorts: men kan de zegeningen der fysieke krachtmeting tussen mens en roofdier, mens en mens (het oudehomo homini lupus), stam en stam, volk en volk, de zegeningen van het vuistrecht, familieveten, bloedwraak en oorlog dankbaar erkennen, de geschiedenis dier krachtmetingen zien als iets anders dan een „lelike domheid, waarvan slechts de proporties groot zijn”—en toch als historicus het historisme voldoende te boven zijn, om te beseffen, dat deze dankbaarheid evenmin voor het behoud, voor de toekomst van de oorlog pleit, als tegen de historiese vervanging van clanveten, bloedwraak en stamverantwoordelikheid door strafrechtspleging en persoonlike schuld. Ook vrouwenroof en mensenoffers, slavernij, adel, inquisitie hebben hun plicht gedaan... en hun tijd gehad. En mocht dus ook de oorlog eens de weg der bloedwraak gaan—dan zal de geschiedenis zelf hem uitluiden met haar lijfspreuk: „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan—der Mohr kann gehn.”Tans ter zake. Om de kollektieve oorlogselektie op de keper te beschouwen—en te wijzen A: op de doorSteinmetzvergetenzedelikwerkende faktor derindividueleselektie en daarnaast op de gunstig werkende faktoren van de vreedzame maatschappelikestrijd, en B: op de doorSteinmetzvergeten faktoren, die deoorlogselektie deels zedelik bederven deels te niet doen.Beide punten samen zijn nodig en voldoende om aan oorlog selektief en zijn onontbeerlikheid en zijn recht van bestaan te ontnemen.A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering zonder oorlog.Aanvaardt men de met goede gronden gestaafde leer vanSchopenhauerenHeymans, dat het individueel karakter, de zedelike persoonlikheid, gegeven in de onderlinge machtsverhouding van zedelike en onzedelike neigingen, vrijwel onveranderlik is, dan krijgt de selektie voor de zedelike vooruitgang een allesbeheersende betekenis: fundamentele zedelike verbetering is niet mogelik van het verdwijnend individu, maar slechts van de blijvende mensheid, doordien en in zoverre de minderwaardigen geringer kansen hebben op voortplanting en propagering van hun eigenschappen in de nakomelingschap dan de hogerstaanden, indien derhalve het percentage dezer laatsten wast, hoe weinig ook, met elk nieuw geslacht. Voldoende zorgt voor deze percentsgewijze uitroeiing van de slechtere elementen zeer zeker noch de huidige overheersende ekonomiese wedstrijd, waarin factoren van intellekt (kennis, scherpzinnigheid, tegenover onwetendheid en domheid) en temperament (aktiviteit en bezonnenheid tegenover luiheid en wispelturigheid) nog wèl, maar van karakter niet, of altans niet minder ten kwade (ruim geweten, zelfzucht, meedogenloosheid) dan ten goede de doorslag geven, noch de weinig betekenende opzettelike eliminering door het strafrecht, zelf weer voor een belangrijk deel afhankelik van non-selektieve ekonomiese faktoren.Maar wij hebben gelukkig één grote blijvende kracht, die er op gericht blijkt, de zedelike minderwaardigheid verhoudingsgewijs uit te roeien: dat is de groter aantrekkelikheid van het goede boven het slechte, gelijk die tot uiting komt in desexuele teeltkeus. Hier werkt de zielkundige waarheid, dat werkelike goedheid, karakterschoonheid, edele persoonlikheid aantrekt en echte slechtheid, gemeenheid, laagheid afstoot... zowel de slechten als de goeden. Want slechtheid is niemands einddoel, is enkel middel. „Auch des Egoist wertet die Liebe höher als die Selbstsucht, auch der Unzuverlässige zicht die Wahrheit der Lüge vor: aber sienehmen Selbstsucht und Lüge gleichsam mit in den Kauf, um irgend welche Genüsse oder Vorteile zu erzielen.” (Heymans) Deze waarheid en de daarop gegronde verwachting, dat ook bij de huwelikskeuze, hoe zeer ook dikwerf resultaat van hartstocht of berekening, van uiterlikheden, van allerleiraison en tort, toch het zedelik goede van weerszijden „ceteris paribus” voorrang en voorkeur zal vinden boven het minderwaardige, toch hetliebens-würdigsteook hetliebenswürdigste, het beminnenswaardigste het beminnelikste zal blijken, die verwachting vindt haar bevestiging in het enig daaromtrent ingesteld wetenschappelik onderzoek, vanHeymansenWiersma13). Voor tal van zedelike eigenschappen werd een hoger percentage bij gehuwden dan bij ongehuwden gekonstateerd, zodat, in verband met een onderzoek omtrent de biezondere erfelikheid dezer eigenschappen uit de gevonden cijfers „auf eine Zunahme sittlich wertvoller und eine Abnahme sittlich verwerflicher Eigenschaften von 1 bis 1.5% pro Generation geschlossen werden kann”.14)Zo ziet danHeymansin deze kracht der sexuele selektie, die stijgt met elk bereikt resultaat, met de steeds hoger waardering der persoonlikheid boven stand en bezit, met de steeds vrijer, natuurliker en veelzijdiger omgang van meisjes en jonge mannen, met verdiept en verhelderd zielkundig onderscheidingsvermogen, de grote waarborg van een steeds sneller en ongestoorder zedelike vooruitgang—van „de zelfopvoeding der mensheid”15)En wij voor ons konkluderen uit dit betoog: het huwelik is een bolwerk tegen de oorlog.—Hier wordt het wonder werkelikheid,das Unzulängliche hier wird es Ereigniss: deugden die het individu schaden in de strijd om het bestaan: onbaatzuchtigheid, opofferingsgezindheid, eerlikheid, waarheidsliefde... die dus hun eigen graf graven—ze bouwen ook hun eigen huis, houden de soort en zich zelf in stand.Voor het karakter zelf, dus voor het diepste zedelik wezen van de mens, zijn innerlike, eigenlike, zedelike wil en waarde blijft duserfelikheidendodelikeselektie: uitsluiting van de voortplanting, van overwegend belang, indien we wijziging uitgesloten, zedelikheid niet aan- of afleerbaar, opvoedinghierdus machteloosachten. Het tegendeel echter is het geval met het zedelik levensgedrag, het doen en laten van de mens, zijn karakteropenbaringen, de levensresultaten van zijn zedelike aanleg, die immers evenzeer als de aangeboren geestelike, intellektuele begaafdheid zowel in z'n ontwikkeling belemmerd, verstikt worden, eeuwig latent en kiem blijven kan als tot z'n volle recht en ontplooiing komen. We betreden hier het terrein van levenservaring en levensmilieu, van opvoeding en onderwijs, van verleiding en bekering, die de voorstellingswereld, de denkbeelden, de beweegredenen, wijzigen en beheersen, heel het motievenspel, dat de sluimerende neigingen wakker roept, het karakter doet reageren met wil en besluit. Hier heerst de zgn.naboots-selektie, die zonder erfelikheid (ideeën, denkbeelden worden niet aangeboren) en zonder lichamelike krachtmeting en uitroeiing door geestelik propageren en elimineren, door evenzeer opzettelik als automaties aankweken, door heel het maatschappelike systeem van denkbeeldverspreiding en ideeënstrijd, van bewuste en onbewuste invloedoefening des te sneller en zekerder voor de kulturele vooruitgang zorgt. Tot dit gebied behoort alle verworven kennis en deugd, intellektuele en zedelike bekwaamheid, alle begrip en inzicht, dus ook alle aanleerbare „socialiteit” (van Embden), gemeenschapszin als „inzicht in het nut van en toewijding aan krachtig gemeenschapsleven”, de kunst, te gehoorzamen en te leiden, verdraagzaamheid, ontvankelikheid voor lof en blaam, eer en schande, solidariteitsgevoel en stiptheid, ijver en volharding, „altruïsme” als belangstelling in andermans lief en leed, trouwe plichtsvervulling en al wat ooit scholing en beproeving zal vermogen, al wat ooit de levenstrijd aan morele kracht en het gemeenschapsleven aan maatschappelikheid kan schenken.Heel die verworvenheid nu, hoewel niet erfelik, is voor het kultuurpeil, voor de zedelike en geestelike vooruitgang van het mensdom van niet te overschatten belang—want al moet hier elk jonggeborene en elke nieuwe generatie van voren af aan beginnen, evenwel—dank zij enerzijds de „nabootszin” en „suggestibiliteit”, anderzijds het veelzijdig georganiseerd maatschappelik stelsel van onderwijs en opvoeding in gezin en school, bond en kerk, stad en staat, omgang en verkeer, mondeling en in geschriften—kan één mensenleeftijd het gemiddeld peil bereiken en verwerven waarvoor de mensheid alle voorafgaande geslachten nodig heeft gehad. Het door de eeuwen opgestapeld kapitaal aan kennis enmaatschappelike deugd, aan zeden en gewoonten, idealen en overtuigingen, instellingen en organisaties, aan recht en kunst, wetenschap en wijsheid, al die schatten der kultuur, ze liggen voor elk geslacht gereed:„Was du ererbt von deinen Vätern hastErwirb es um es zu besitzen.”Dieverwerving, waarop dus na deoverervingen tezamen met descheppende voortbrengingalle voortbestaan en vooruitgang berust, vereistarbeid,inspanning,strijd, van enkelingen en groepen, zowel tegen onpersoonlike machten: de eeuwige strijd tegen de natuur (honger, ziekten, mikroben), tegen domheid en gemeenheid, tegen verslapping en ontmoediging, verleiding en bederf, als tegen andere enkelingen en groepen, in één woord: tegen onze vriend de vijand, die ons de nodige noden en gevaren, de zegen der ontbering, vooralsnog niet doet ontberen. Deze strijd noopt tot steeds intensiever en extensiever groepvorming. Zie de ekonomiese worsteling, met wereldomspannende ondernemingen en maatschappijen, trusts, kartels, werkgeversbonden en arbeidersorganisaties, zie de politieke strijd der partijen, de godsdienstige kamp der kerkgenootschappen onderling en met hun zich organiserende tegenstanders, zie die duizendvoudig georganiseerde speciale strijd tegen afzonderlike maatschappelike euvelen en kwalen en voor al die biezondere belangen en behoeften, die tot vereniging en groepsgewijze botsing leiden.Welke krachten nu deze groepenstrijd gaande houden—welke belangeneenheid en tegenstelling voor de groepvorming zelf, voor binding en isolering zorgt, behoeft hier niet nader onderzocht—immers dit ene staat vast: oorlog, militaire krachtmeting, is het niet. En dezelfde sociale deugden die de staat behoeft om sterk te zijn en zijn oorlog te winnen, die vergt het vrije verenigingsleven en de vrije vreedzame groepenstrijd met zijn eisen van verdraagzaamheid, toewijding, vertrouwen en betrouwbaarheid, solidariteit, ijver, onbaatzuchtige krachtsinspanning,payer de sa personne, in één woord maatschappelikheid. Niemand blijft buiten alle groepsverband, niemand kan slagen in volkomen isolement, ieder ondergaat de eisen en de reakties van het gemeenschapsleven, van kennissenkring en openbare mening, met hun seligerende machtsmiddelen van onverschilligheid, verachting, af-keer, schande, boykot, en daartegenover vriendschap, sympathie, hulp, eer, aanzien, invloed, macht. De sluwsten, zelfzuchtigsten en schijnheiligstenhebben ook tans reeds niet overal en niet voortdurend succès—in het dageliks omgangs- en maatschappelik leven werkt en seligeert ook tans reeds mee—hoe honderdvoudig overvleugeld ook—diezelfde reine voorkeur, die de geslachtelike teeltkeus adelt. Maar machtiger werkt stellig ook nu reeds—trots alle straks aan te duiden gebreken—de wedijver der vrije groepen. Deze vrije verenigingen heten „kleiner”, „eenzijdiger” dan de staat. Het voordeel schijnt mij groter dan het nadeel, dat door hun verscheidenheid nog wordt gereduceerd. Ze bieden des te beter waarborg voor eensgezindheid en geestverwantschap, voor echte vrijwillige volle toewijding. Maar de staat kan alles, zelfs het leven van zijn burgers opeisen? Och ja—voor de staatoffertmen, desnoods, zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven.... aan gezin, partij, kerk, wetenschap, kunst,wijdtmen zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven. Voor de staat kan men sterven, maar wie kan leven voor de staat? Maar dwang en tucht zijn onmisbaar: „Der freie Verein verhält sich paedagogisch zum Staate wie das Concubinat der freien Liebe zur Ehe.” Een matig gelukkig beeld: Wee het huwelik bij de gratie zijner onontbindbaarheid. Tucht en dwang willen wij evenmin missen als huwelik en staat. Maar het huwelik, dat zich zonder dwang en de staat die zich zonder oorlog niet kan handhaven, is ons noch dwang noch oorlog waard. En de vraag vanSteinmetz: Waartoe zonder oorlog nog de staat, „der ja nichts tun darf”? zou waarlik het „mangelnde Verständnis für das Wesen des Staates” verraden, dat hij de vredesvrienden verwijt, indien we niet wisten, dat hier als elders slechts de pleiter voor de oorlog vergeet, wat de socioloog beter weet dan de meesten. De staat is het gezagsorganisme van een volksgeheel,—dat in dienst kàn worden gesteld van velerlei volksbelang—maar altijd en uiteraard één eigen funktie heeft: rechtsbedéling: verwezenliking en handhaving der rechtsorde. Zonder gezag geen recht, maar anarchie, d.w.z. het „recht” van de sterkste, van brute macht en geweld,—zo in de volkerenverhouding en in het ekonomies leven. Daarom zijn we vóór de staat op dezelfde grond als we tegen de oorlog zijn—wanneer ons blijken zal, dat groepsmacht en staatsgeweld allerminst pseudoniem zijn van gerechtigheid.Hebben we dus, na de zedelike faktor der individuele selektie, gewezen op de gunstig-gerichte faktoren van de vrije groepenstrijd,—we willen in de 3e plaats nog opmerken, dat heel deze vreedzame maatschappelike evolutie selektief vooralsnog erbarmelik slechtis—doch voor radikale principiële verbetering vatbaar. Zegenrijk toch zal deze selektie eerst dan ten volle zijn, wanneer de besten de meeste kans van slagen hebben, wanneer de edelsten en begaafdsten, de hoogste, kloekste, vrijste, fijnste geesten en karakters, de vinders en scheppers, de denkers en zieners, maar ook de mannen en vrouwen van de daad, de organisatoren, de durvers en de kundigen... de leiders en overwinnaars worden, dus aanhang,invloed, macht en eer verwerven.Tans echter beheerst vooralsnog de ekonomiese worsteling, de inkomensverwerving, het maatschappelik ontwikkelingsproces; deze werkt slechts gedeeltelik selektief (armoede, ondergang zonder persoonlike „schuld”, rijkdom, succès zonder persoonlike „verdienste”: gouden wieg) en kweekt voor zover selektief naast goede zeer slechte hoedanigheden en bederft door haar gebreken al de andere selekties; derhalve dient deze ekonomiese strijd verdrongen (van staatswege verstrekking van kosteloos onderwijs, ook middelbaar en hoger; kosteloze openbare boekerijen en leeszalen, kosteloze gezondheidsverzorging, rechtsbescherming, kiesrecht zonder welstandseisen, presentiegeld enz.) en vervangen door ekonomiese samenwerking, koöperatie, socialisering—en zover dat niet of nog niet mogelik is, altans gezuiverd van non-selektieve „voorgiften” (erfrecht enz.) en tot ietwat minder laakbaar selektief gehalte („ekonomisering” van de gemeenschapszin) gelouterd16).—Zo leiden ook hier vele wegen naar het selektief maatschappelik ideaal van „loon naar verdienste”, van het Saint-Simonisties:A chacun selon ses capacités, à chaque capacité selon ses oeuvres.17)B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft.En tans de faktoren, die de kollektieve oorlogselektie deels zedelik en geestelik bederven, deels te niet doen.a. Geen groepsuitroeiing meer.Ware het noodzakelik gevolg van de oorlog „dass ein tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”—dan zou deze respektabele prestatie mogelik met alle oorlogsoffers niet te duur betaald zijn. Maar hoorden we niet juist, dat onze geciviliseerde oorlogen gelukkig (want het was minder wreed) geen uitroeiingsoorlogen meer zijn—dat het overwonnen volk wel gedemoedigd, niet meer verdelgd wordt? Wat blijft er dan over van die fraaie fraze? Eigenlik niets. Geen van de huidige volken of staten van Europa heeft niet z'n oorlog of oorlogen gehad de laatste paar eeuwen: vernietigd, vervangen is er geen. Toegegeven, een ogenblik, dat het verliezend volk „slap”, het winnende „flink” was—Boeren en Engelsen, Engelsen en Nederlanders, Grieken en Turken, Turken en Russen, Russen en Japanners,Napoleon's volken en Russen, Zweden en Russen, Noren en Zweden, Zweden en Denen, Denen en Duitsers, Duitsers en Fransen (Napoleon), Fransen en Duitsers, Italianen en Oostenrijkers, Oostenrijkers en Italianen, de Balkanstaten onderling (de daar wisselende flinkheid en slapheid valt moeilik bij te houden), de Krimoorlogsvolken (wie was daar slap?)—wie van al deze flinke bekwame zegevierders is in de plaats getreden van een van al deze slappe minderwaardige verslagenen? Hoeden wij ons dus voor demisleidende schijn, als zoude de oorlogselektiede zwakkere(dus naar wij nog een ogenblik toegeven: minderwaardige)groep vernietigen, dodelik seligeren, „ausmerzen”.18)Maar dan wordt dadelik heel de richting der selektie twijfelachtig: zal en moet die zwakke, minderwaardige groep van de nederlaag nòg zwakker, nog ellendiger, nog minder waard worden, dan wel juist sterker, zedelik en geestelik beter? Is het gevolg van de nederlaag groepverzwakking, dan is dat tevens een verergering, verslechtering—is het gevolg opleving, versterking der onbekwame groep, dan wordt doelbereiking en voortplanting van betrekkelik minderwaardigendoor oorlog weer niet belemmerd, maar zelfs bevorderd.19)Selektief gunstig kan oorlog dus in elk geval nog slechts daardoor werken, dat het percentage zedelike en geestelike kracht na de oorlog bij winnaar en verliezer samen genomen groter is dan te voren—wat moeilik met goede gronden zou zijn te staven, gegeven ook de individuele contra-selektie—en waarbij het dan nog twijfelachtig zou blijven, welke betrekkelike vermeerdering van het deugdelik element opweegt tegen de volstrekte dodelike vermindering, die bovendien met het aantal mededingers de waarde van het selektief produkt doet dalen.—Het dradenweefsel der werkelikheid is inderdaad te subtiel voor globale machtspreuken.b. Contraselektieve faktoren?We resumeren nog even: de (gewelddadige) groepenkrachtmeting is slechts dan „recht”, oorlog slechts dan te rechtvaardigen, wanneer (militaire) groepsovermacht uitsluitend berust op, leidt tot superioriteit van de leden.Wij erkennen het element van waarheid in het betoog, dat de talrijkheid en grootte, de rijkdom, de wapenmacht van een volk niet zo „materieel”, niet zo onafhankelik van zijn zedelik en geestelik peil zijn, als het oppervlakkig schijnt: zedelike krachten, sociale deugden zijn nodig om een groot volk bijeen te brengen en te doen blijven, om de bevolking gezond en op peil te houden, om volkswelvaart (bloei van landbouw, handel, industrie) te verwerven en te handhaven; zelfs het bemachtigen en exploiteren van de gunstigste, vruchtbaarste bodem gaat niet om buiten alle persoonlike hoedanigheden, zij het dan ook veelal van verre voorvaders; en voldoende bewapening vergt niet te onderschatten offers, intelligentie, organisatie; ondeugden als korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming en volksuitmergeling, machtsmisbruik, rechteloosheid, kortom, al wat rot is in het groot organisme, verzwakt een staat ook militair...Dat is één zijde van de zaak.Nu de keerzijde.Genoemd dient allereerst, al acht ik voor mij het punt nog niet beslissend, dat in de groepskrachtmeting niet alleen (het zal ons hoofdargument worden) non-selektore faktoren heersen, maar dat de hooggeroemde kollektieve selektie zelfs faktoren vancontra-selektieschijnt te bevatten: er zijn belangrijke zedelike eigenschappen, die de zeer grote groepsmacht tegenwerken, fnuiken, en kleine groepen voor opgaan in grotere massa's behoeden en stand doen houden: dat zijn de individualisties gerichte deugden van „autonomie”: zelfstandigheid, eigen oordeel en objektiviteit, onafhankelikheid, fierheid, zelfrespekt, oppositiemoed... al wat indruist tegen de kuddegeest en de massamacht. En ik herinner mij, eens gelezen te hebben, „dat de groep wel steunen kan, maar niet sterker maakt, integendeel, en dat te meer, naar mate zij grooter en machtiger is. De sterkste meest helpende groep maakt haar leden het zwakst.” Zo zou de zege der sterkste groep—dus de kollektieve krachtmeting (die oorlog heet)—de zwakste, afhankelikste individuen kweken! Welk een contraselektie, voor ieder, wiens ideaal de „sterken, edelen, kloeken, vrijen” zijn! En toch was die dat schreef ook een groot socioloog, wiens autoriteit door Prof.Steinmetzwel niet zal worden gewraakt. Het was Prof.Steinmetz. Maar toen was niet de verdediger van de oorlog, van de groepsmacht aan het woord, die zich keert tegen gebrek aan „Staatsgefühl”, tegen „den übertriebenen Individualismus unserer Kulturvölker”, maar... de individualistiese bestrijder van socialistiese groeps- en staatsmacht!20)Wie van beiden heeft nu gelijk? Ik zou zeggen, geen van beiden in zijn eenzijdigheid. Beide tendenties dienen erkend. De werkelikheid en de sociologie en Prof.Steinmetzblijken ruimer en wijzer dan zijn oorlogsfilosofie.21)De vraag is nu maar, of de contraselektore dan wel de gunstige faktoren der kollektieve selektie de overhand hebben. Wie durft dat eens en voor al, of zelfs maar globaal beslissen? Wie zonder zekerheid ten deze nog oorlogsverdediger zijn?Vervalt zo reeds elke waarborg, dat de machtigste groep de zedelik en geestelik sterkste, hoogststaande leden heeft—ook bijde „groepsmachtmeting” zelf, bij het krijgvoeren, komt nog de zedelike contraselektie in het spel: hier als elders kan ruimer geweten ruimer kans van winnen geven: minder schroom voor onverhoedse aanval zonder oorlogsverklaring, voor krijgsplan en strategie via woordbreuk en schending van volkenrecht, voor verraderlike spionnage en omkoperij, voor valse stemmingmakerij (blinde haat, woede, verbittering), voor wreedheid (terrorisering), arglist en bedrog, kortom voor allerlei voordeligeRücksichtslosigkeitin plaats van ridderlikheid, rechtsontzag, humaniteit en dergelijke „sentimentaliteiten”. Zo kàn ongunstiger volkskarakter, lager peil van oorbaarheid tot de zege bijdragen. Misschien is de hoop niet ijdel, dat wassende machten tegen „contraselektie” van deze kant waken: al te schennend optreden kan reeds door de reaktie die het wekt (het élan van heilige verontwaardiging; haat, boykot enz., ook bij de niet onmiddellik betrokkenen) een misslag worden waarvan geldt: „c'est plus qu'un crime, c'est une faute”22). Maar het blijft zelfs de vraag in hoeverre krijgsleiding en „landsverdediging” zich de weelde van ridderlikheid en geweten mag veroorloven ten koste van eigen volk en eigen zaak, dus, naar men gaarne gelooft, van de hoogste en heiligste belangen der mensheid—al zou men individueel nòg zo zeer geneigd zijn, ook van deze luxeVoltaire's woord te laten gelden:Le superflu, chose très-nécessaire.De machtspreuk, dat in elk geval „Kräfteund keineSchwächen” tot overwinning leiden, vergeet, dat er onzedelike „kracht” is, of liever, dat „kracht” en „zwakheid” hun zin verliezen, wanneer men er andere dan fysieke en intellektuele, dus ook zedelike waarden onder verstaat. Want dan rijst de vraag of voordeelverzakende zedelike schroom, rechtszin, ridderlikheid, goede trouw enerzijds—krijgswinst-gevende wreedheid, ruwheid, ruim geweten anderzijds „kracht” dan wel „zwakheid” moeten heten.Het oordeel over „selektie” of „contraselektie” is alles behalve eenvoudig.23)In elk geval moeten we betwijfelen, of in 't algemeen de zachtmoedigste, fijnzinnigste, ruimstdenkende volken het schrikwekkendst, bruikbaarst materiaal zullen vormen voor het ietwat ouderwets heetbloedig handgemeen of biezondere gemoedsbegaafdheid zullen tonen voor het modern machinaal beulsbedrijf in koelen bloede. M.a.w. of niet ook waardeerbare zedelike karaktertrekken de ware krijgsmansdeugdelikheid zouden kunnen schaden?c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval.Doch heel deze contra-selektie der gewelddadige groepsmachtmeting kunnen we laten voor wat ze bij gezette studie zal blijken te zijn—om tans over te gaan tot ons afdoend argument:de niet uit te schakelennon-selektievefaktoren:De selektieverijdelende faktor bij uitnemendheid, die de beweerde rechtvaardigheid der groepenkrachtmeting eenvoudig illusoir maakt en in één slag te niet doet is: hettoeval; toeval, voeg ik er in één adem bij, niet in de causale betekenis van het woord, als tegenstelling tot noodzakelikheid of wettelikheid, of in de psychologiese zin van het onvoorspelbare, onberekenbare, onbedoelde, niet verwachtbare, van wil en weten onafhankelike (schijnbaar of niet-adaequaat causaal verband), maar in dezuiver selektieve zinvan: faktor, onafhankelik van de persoonlike te seligeren hoedanigheden, onpersoonlik („toevallig”) verworven onpersoonlike strijdkracht. Bijvoorbeeld: in de ekonomiese strijd om het bestaan schakelt het „toeval” der geboorte met zijn „voorgiften” de selektie op ekonomiese begaafdheid uit; bij sollicitaties kan winnen, wie „toevallig” een kruiwagen heeft; het „toeval” van weers- of terreinsgesteldheid kan voor een match beslissend zijn.Toeval in selektieve zin is dus voor de oorlogselektie:I. al wat een staat op een gegeven ogenblik militair (over)machtigmaakt onafhankelik van de zedelike en geestelike vermogens der inwoners, enII. al wat bij de krijgvoering zelf onafhankelik van deze morele en intellektuele krachten over nederlaag of zege beslist.Keurden wij de oorlog uitsluitend op zijnzedelikeselektiewaarde, wat misschien ons recht of zelfs onze plicht ware, dan hadden wij het pleit nog veel gemakkeliker gewonnen—want dan zouden zelfs alleintellektuelefaktoren, die een volk militair machtig maken en in de krijg zelf doen zegevieren—non-selektief toeval zijn. Maar zó streng behoeven we niet eens met de oorlogselektie in het gericht te treden.I. De sterkste legermacht heeft op een gegeven ogenblik in 't algemeen,ceteris paribus, de staat met de talrijkste bevolking—met het meeste en geschiktste levend en dood oorlogsmateriaal. Talrijkheid der bevolking, staatsoppervlak en bevolkingsdichtheid—van hoe velerlei „toeval” leren ons geschiedenis en aardrijkskunde niet hun afhankelikheid! Daar is de bodem- en klimaatgesteldheid, die zonder „schuld” of „verdienste” der eenmaal opwonenden, rijkdom (nooit vermoede mijnschatten, natuurlike verkeerswegen enz.) en verarming (uitdroging, overstroming, misoogst, hongersnood) bracht, ziekten heeft gekeerd of verspreid. Daar zijn die soms reeds in dubbele zin „historiese” machten, die met volken en landen als met legblokken hebben gespeeld: dynastieke huweliken, erfopvolging en verdragen, om slechts één groep te noemen; daar is verschil in rasvruchtbaarheid en derg. bij gelijk moreel en intellektueel peil; cultus, die hele stammen door zelfopoffering en zelfverarming decimeerde, en hier verbrokkelend, ginds weer bindend werkte; toevallige nabuurschap van machtiger of kleiner, hoger ontwikkelde of minderwaardige, assimileerbare of assimilerende, sterkend of verderfelik werkende stammen en kulturen; dan vooral de oorlogsuitslagen zelf met al hun aanstonds te noemen toevalligheden—kortom dat alles, wat in elk geval tot resultaat had de werkelikheid, die tans vóór ons ligt: kleine en grote staten, militaire dwergen en militaire reuzen op gelijk of overeenkomstig kultuurpeil: Zwitserland, België, Nederland, Denemarken naast Frankrijk, Duitsland, Italië, de Verenigde Staten—en krasser nog: staatjes, die zedelik en geestelik aan de spits der wereldbeschaving staan en militair in 't niet zinken bij de grootste volkrijkste staten met een kultureel achterlike, ja ten dele nog barbaarse bevolking: China, Rusland naast Nederland,Finland. Hoe overwegend moeten de contra-selektieve en non-selectieve faktoren zijn van grote-staten-vorming, om tot dergelijke resultaten te kunnen leiden! Hoe ongenadig logenstraft en weerlegt de werkelikheid het keurig eenzijdig betoog van het edel selektief gehalte van militaire staatsmacht. Wee, zo Nederland zich militair moest meten met Rusland. Maar een vergelijking op al die bovengenoemde faktoren, op volks- en staats-gezondheid, op welvaart en ontwikkeling enerzijds—en anderzijds op korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming, machtsmisbruik, rechteloosheid... zou wel niet al te sterk pleiten voor de superioriteit van de grootste, militair machtigste staat.24)Gelukkig is hier een militaire krachtmeting niet waarschijnlik. Maar dat is een gelukkig... „toeval” van ligging, nabuurschap. Neem Finland. EnSteinmetzzelf geeft u toe, dat hier „ein sittlich reines, begabtes, liebenswürdiges Volk durch ein rohes, aber starkes und grosses unterdrückt wird.”Kom, laat mij u zijn menselike verontwaardiging niet onthouden over Finlands rampzalig lot: „Das humane Gefühl empört sich schmerzlich in einem solchen Falle von rücksichtsloser Unterdrückung durch die grobe Uebermacht, tiefes Mitleid mit den ihrer freien Selbstbestimmung Beraubten drängt sich auf, besonders wenn ein freies, gebildetes Volk in dieser Weise in die Herde der rohen, geknechteten Barbaren zurückgedrängt wird.”25)Steinmetzzelf erkent „offen” de „moeilikheid”... en bewijst zijns ondanks de onmogelikheid, „einen solchen Fall noch günstig zu deuten”. Immers, de capitulerende vraag: „Warum sollte es keine Ausnahmen geben?” schijnt mij al even weinig troostrijk voor de overweldigde uitzonderingsgevallen en ons beledigd rechtsgevoel, als de blijmoedige variaties op het thema: men kan nooit weten waar het goed voor is.26)Maar wat men wel weten kan en moetis dit: met de toegegeven mogelikheid en werkelikheid van „uitzonderingen” valt reeds elke waarborg van het selektief recht, de „innere Gerechtigkeit” van elke bepaalde groepsmachtmeting, van elke bepaalde oorlog. Oorlog die deze rechtvaardigingsgrond mist... het is een rechter over leven en dood, over het lot van volken—in een vlaag van waanzin!II. Edoch—al geven we voor een ogenblik eens toe, dat de militaire macht van een staat een maatstaf is voor het zedelik en geestelik peil, voor de kultuurwaarde der bevolking—of stel, dat in het allergunstigste geval de legermachten eens ten naaste bij aan dit ideaal beantwoordden—dan komt nog weer de oorlog zelf, de krijgskans met al z'n non-selektieve faktoren, met z'n „toeval” alle selektiewaarborgen verijdelen: want selektieftoevalis1º. heel hetveldheergenie. Het is niets dan een gelukkig toeval voor een volk, onafhankelik van zijn gemiddeld kultureel peil, op een gegeven ogenblik een geniaal legeraanvoerder ter beschikking te hebben. Zelfs de groter bekwaamheid of eendracht der krijgsleiding is niet alleen van selektieve faktoren (meer of minder korruptie, kastebevoorrechting en derg.), maar ook van allerlei „toeval” afhankelik (ziekte, dood, al wat tot plotselinge vervanging leidt).Van selektief standpunt is het dus niet te betreuren maar nog een geluk, wanneer buitengewone beslissende superioriteit of genialiteit bij de krijgvoering vergeefs op zich laat wachten.. Maar uit te schakelen schijnt ook voor de toekomst trots de steeds betere verkenningsdienst en geringer (maar door uitvindingen weer te vergroten) verrassingskans, noch deze faktor noch zijn non-selektief gehalte, zolang nog staten of volken hun toekomst, hun bestaan dusdanig roekeloos op het spel, het krijgspel zetten.2º. alleoorlogsbondgenootschap. Hoe wordt reeds principieel het keurig selektie-schema door deze faktor omvergekegeld! Want laat nu de grote militair-machtige staat betekenen het superieure volk... de vele inferieure volkjes, tot grote-groepvorming onmachtig—ze kunnen samen strijdend door tijdelike eendracht macht en overmacht maken; en precies zó als de lichamelike faktoren, die het individu sterk maken bij de fysieke worsteling tussen individuen worden uitgeschakeld door groepshulp—zó worden al die kulturele deugden, waar de staatsmacht van heet af te hangen—buiten geding geschoven door oorlogsbondgenootschap. Vele kleinen maken—en breken—een grote.Dat is de negatieve principiële zijde. En nu de positieve kant der praktijk—de faktoren die in de plaats treden van het uitgeschakelde, de voorwaarden, die tot bondgenootschap leiden: kan men zich die „toevallig”, futiel, onkultureel genoeg denken? Waar blijft in heel dat diplomatenspel, die wisseling van wereldpolitieke konstellaties, kombinaties en machinaties het verband met zedelik of geestelik kultuurpeil? Of met dieper geest- of rasverwantschap, volks-antipathie of rassenhaat, karakterverschil of -overeenstemming?Turk en Pruis en Oostenrijker hier, Rus en Engelsman, Fransman en Japanner ginds—ze gaan nu broederlik samen, Brit en Duitser, Pruis en Rus ze zijn nu geslagen vijanden. Maar is er iets oppervlakkigers dan wapenbroederschap en oorlogsvijandschap? Vijanden waren binnen de laatste eeuw (een moment in het volkerenleven) Fransen en Engelsen, Engelsen en Russen, Russen en Fransen, Pruisen en Oostenrijkers, Noord- en Zuid-Duitsers, Russen en Japanners,—wapenbroeders Fransen en Duitsers, Duitsers en Russen, Oostenrijkers en Russen, Engelsen en Duitsers.... ja, ware niet nogBismarck's hoogste triomf geweest een bondgenootschap met Rusland, en wordt niet zelfs tans nog, tijdens de oorlog, aan een nieuwe Drie-keizers-bond, een nieuwe „Heilige Alliantie” gedacht? Wel heilig en diep is wat die partijgroepering heel de geschiedenis door heeft beheerst...Voor de krijg van staat tot staat heet oorlogsaanleiding of -oorzaak selektief van weinig of geen belang: „Die Veranlassung des Krieges kann empörend ungerecht oder lächerlich oberflächlich sein”.... de sterkste (dus naar de leer de waardigste!) wint; het zij zo, maar voor de hier behandelde bondgenootschappelike groepering wordt de futiliteit, ja frivoliteit die daar heerst en beslist, heel die van oorlog, van statenmachtmeting onafscheidelike karakterloze diplomatieke strategie, die nauweliks een ander gebod toelaat dan samenspanning om overmacht, selektief tot de grotetoevalsfaktor, die de zege der kwaliteit(toegegeven dat de groep kwantiteit stempelt tot kwaliteit—want daar komt de verdediging van het groepsgeweld eigenlik op neer)wederom verijdelt door kwantiteit: niet meer de sterkste (edelste!) maar het overmachtig aantal zwakkeren (minderwaardigen!) wint! En al is de sterkste—die tegenwerping verwacht ik—weer de meest begeerde bondgenoot (maar allicht ook de meestbelaagde vijand)—altijd zullen de zwaksten weer naar verhouding het meest geneigd en genooptzijn tot samenspanning, tot „evenwichtvorming”, tot kwantitatieve vergoeding van hun kwalitatief te kort: wie niet sterk is moet slim zijn27).Maar de oorlogsapologie heeft zover ik weet dit punt vergeten.3º. Gelijksoortig selektieverijdelend toeval als het bondgenootschappelikgelijktijdigis het niet-eens verenigd maaropeenvolgend aantalvijanden: Heeft de sterkste (zeg superieure) van twee staten het eindelik gewonnen, dan kan hij, nog uitgeput of verzwakt, door een nieuwe, weliswaar inferieure, maar kersverse vijand worden aangevallen en verslagen.... in strijd met alle regelen der oorlogsapologie! Langs een omweg van tijd wordt dus ook hier weer kwaliteit door kwantiteit, recht door macht overweldigd!28)Zo wordt aan oorlog een hogere historiese gerechtigheid voltrokken, dan van oorlog zelf te wachten valt: zijnvitium originis—geweld boven recht—blijkt zijn noodlot, dat hem altijd weer achterhaalt en waaraan zijn eigen recht te gronde gaat.4º. Behalve die diplomatieke konstellatie is selektief krijgstoeval: de oorlogspolitieke positie tengevolge derligging(België, dat de zonde begaan heeft, bufferstaat te zijn; vgk. de militaire positie van Nederland, Zwitserland, IJsland, Skandinavië, Finland); deterreins- en weersgesteldheid: vernamen we niet onlangs, hoemistofnevelNapoleonbij Waterloo een halve dag te laat enBlücherzodoende trots deslechte wegennog op tijd heeft doen komen? En heeft nietwaterenijsreeds tal van krijgskansen doen keren? Denk eens, aan welke soort machten hier door oorlog het volkerenlot (indien en voorzover daarover oorlog beslist) blindelings wordt overgeleverd!5º. Voorts het toeval der groter of geringerekonomiese onafhankelikheidvanbepaaldevijanden en het daardoor gegevenuithoudingsvermogen. Bodemgesteldheid, klimaat, oogst enz. beslissen, in hoever een staat zich zelf min of meer bedruipen kan, weer trots zijn zedelik of intellektueel peil; daar is b.v. de toevallige voorraad kali of chilisalpeter of koper—het is geenszins ondenkbaar dat zulk een faktor: gebrek aan ammunitie, aan kunstmest, voor een oorlog beslissend werd!29)6º. Het veelsoortig toeval, dat destemming, het élan van legers en volk beheerst: aanvankelik succès of échec, de pakkende leus, de welkome grief en wat niet al; de binnenlandse politieke konstellatie: overgangsperioden of gevestigd evenwicht, meer of minder gelukkig bewind; de populariteit van de oorlog, met een wellicht contraselektieve faktor: hoe zelfstandiger, objektiever, rechtvaardiger, ruimer, onchauvinistieser de geesten, des te meer kans op kritiek, gewetensbezwaar, oppositie en op edelmoedigheid en verzoenlikheid.30)7º. Eindelik het huiveringwekkend toeval, dat bij debewapeningalle selektieve faktoren van rijkdom, industrieel en technies peil kan verslaan: ik bedoel nog niet, welke staat op een gegeven ogenblik „toevallig” (want wat bepaalt niet al het moment der oorlogsverklaring?) het best „klaar” en dus allicht in dubbele zin de „meestgerede” partij was (vgk. ook hier weer de rol van binnenlandse politieke verhoudingen: macht en drijven van oorlogsbelanghebbenden)—maar wat ik bedoel is de rol, vooruitvindingenweggelegd. Laat de schrik der 42-cM.-mortieren uit taktiek overdreven zijn—waarom zou de wedstrijd tussen vestingwal of pantserplaat en projektiel niet door zulk een mortier of hypermortier beslist kunnen wezen—en een nederlaag voorkomen,een oorlog gewonnen? Of stel, dat één der partijen z'n vijand verrast met hyperbommen, die hun tienduizenden verslaan31), of met een onderzeeër of luchtschip waartegen geen weermacht bestand blijkt... Het ingenieurspeil kan hier en ginds op precies dezelfde hoogte staan—en het selektief toeval van een beslissende of beslissing-wijzigende uitvinding, een luguber geniale inval, mogelik van een vreemdeling, wie weet, uit het later „vijandelik” land, door de meestbiedende of de eerste de beste gekocht... maakt alle technies meesterschap te schande, te schande kultuurpeil en volkskracht en heldenmoed en groepselektie en oorlogsapologie. En terwijl militair en diplomatiek krijgsbeleid hun noodlottige toevalsrol vooral in het verleden hebben gespeeld, opent juist de toekomst, naar het schijnt, voor de gruwel van het technies uitvindingstoeval onbegrensde mogelikheden...Nemen wij nu in aanmerking, dat juist het krijgskansspel tot dusver in de geschiedenis een hoofdrol heeft gespeeld bij de bepaling der staatsgrenzen, dan begrijpen wij, hoe staatsmacht en oorlogsverloop in één vicieuse cirkel, één draaikolk, hun beider toevalsfaktoren rondwentelen, de rode maalstroom van het oorlogstoeval, waarin alle oorlogsrecht en oorlogsredelikheid verdwijnt.En in die maalstroom moeten wij het lot der volken werpen?„Von Zufälligkeiten hängt das Geschick der Völker nicht ab”, zegtBelochen met begrijpelike graagte zegtSteinmetzhet hem na.32)Dat klinkt overtuigend, voor wie bij „toeval” denkt aan wat in strijd zou zijn met historiese noodwendigheid. Maar het wordt een vrome wens of een met de werkelikheid vloekend optimisme, wanneer men (metBeloch) „toeval” neemt in onze zuiverselektieve zin van zegefaktor, onafhankelik van 's volks zedelik en geestelik peil—en oorlog het lot van volken beslist.Want de werkelikheid, de resultante van alle selektieve, contra-selektieve en non-selektieve faktoren, die ik heb genoemd en die ik heb vergeten—toont ons onder de staten nu eenmaal militaire reuzen, korrupt, voos en barbaars en militaire dwergen, kerngezond, fysiek, moreel en intellektueel in 't voorste gelid33)—zo goed als omgekeerd. En het verwondert ons niet—want reeds om de boven aangewezen faktoren zou het een wonder wezen zo het anders ware.d. Besluit: Oorlog als wereldgericht.Des Pudels Kern.Zo heeft dan ons betoog in overeenstemming met de werkelikheid bewezen:Oorlog mist,theoreties en prakties, feitelik en in wezen,elke waarborg van selektieve rechtvaardigheid, van kultureel gunstig in plaats van verderfelik selektief effekt.Daarmee is zijn vonnis ook ten deze geveld. De zekerheid van oorlogsrampen en oorlogsoffers zonder zekerheid van kultuurgewin, ja, met kans op kultuurverlies—het is een onverdedigbare gruwel.Wij hebben gezien, historiese noodzakelikheid kan selektief toeval en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven aan eenhistorisme, dat spreekt van „onvermijdelik—derhalve rechtvaardig”34)—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt: „Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als Folge hingenommen werden.”35)Een historisme, dat zich niet alleen tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert, omdat het in de grond berust op een fatalistiesnaturalisme, bewust en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”, „domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.36)Vandaar dat smalen op het recht der mensen met hun„ehrfurchtloses Eingreifen”, „ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”, „den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten Eingriffe gestalten zu können”...en vandaar anderzijds die dithyramben op de oorlog als„Richter und Reformator”: „Und gerade seine Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste, weil die allersicherste, sie beruhtnur[ik cursiveer]auf der inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren, der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”37); de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis der„historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres, nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche Urteil!”....Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zouSchopenhauerzeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken. Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze, rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat redelik is onwerkelik zijn.„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars en overweldigers de geschiedenis schrijven enTote stille Leutezijn. Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis!Gloria victis!De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott istimmer mit den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk:Victrix causa deis placuit sed victa Catoni.38)De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensenUrteilssprücheals „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatsteErgebnisseniet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur, der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind onrechtvaardig toeval?Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de „naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding. Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall” (Nietzsche) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen en de oorlog als rechter in het biezonder.Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.3. Oorlog als hervormer en opvoeder.Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt nu eensqui perd gagne, dan weerqui gagne perd. We zagen dat boven. En erkent nietSteinmetzzelf, dat mensenverlies en contraselektie door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig, blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?39)Neen, de werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid, pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op peil.40)Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen evenzeer als na overwinningen:propterof ondanks? Om 't even. In geen geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden, ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel, arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelikleven, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen, ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:) tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en hervormend automatisme,bestemd en geschikt voor de taak waarin oorlog jammerlik te kort schiet.41)Van de Russies-Japanse oorlog lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”42)De oorlog bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende, volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.43)Wel zwaar is de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een kwaad aanvaardt!Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ikherinner er hier slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd, nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit, Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid, brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel, de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze aandacht wijden.4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogsalzijdigheidover? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken!44)Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik en geestelik volkspeil.Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van hun tegenpartij? Zelfs komt het mijtwijfelachtig voor of velen onzer de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig, verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets anders dan krijgsgeschiedenis.Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt (Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims, Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten, in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het kunstvonnis van militaire machtmeting!Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert, welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen. Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde, zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest, zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef, zijn dichten en denken, levenshouding enlevensstijl—al die fijner en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hungeestesstrijdstrijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling, kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen” worden misbruikt.Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haaten dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige, laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter, kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” deTriple Ententemet haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en „volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel iemand onzer, zou zelfsSteinmetzde positieve of negatieve graad van zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of antipathie dempen en verzoenen.Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardighoefteen overwinning niet te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdigkangeen oorlogsuitslag wezen.Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het ruw, grof eenzijdig, „niet-beslissend” individueel geweld, dat tot „abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet ruwe, alzijdige, dus „beslissende” staatsgeweldpleging.Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op geestesadel, op „altruïsme”45)seligerend middel van kollektieve, van staten-wedijver!Maar zelfs toegegeven, dat „staten”als zodanigalleen konkurreren in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs,recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.

Wat hebben wij nu tot deze dingen te zeggen?

Allereerst richt ik mij tegen het imponerend betoog, dat recht niet kan en mag in de plaats treden van oorlog. Het berust op een onzuivere, valse tegenstelling: Tegenover de oorlog als stuwkracht, verovering en geweld als middel en wijze van krachtsontplooiing en bezitsverwerving staat niet het recht, dat nooit zulk een dynamiese funktie voor zich heeft opgeeist, maar staan devele vreedzame stuwkrachtenen wijzen van bezitsvermeerdering en machtsverwerving, van leven en wasdom, die de dynamiek der geschiedenis kent, bij individuen, groepen, steden en staten:tegenover roof en krijgstaat, neen niet het recht, maar: rechtens en zedelik geregelde en geoorloofdearbeid,eerlike wedstrijd, staat bij de volken het gebruik van al hun kulturele, dus alle ekonomiese, wetenschappelike, artistieke, morele krachten. Die vreedzamewedijver met àlle krachtenmaakt eenlingen en gemeenschappen groot en sterk—en de geschiedenis der laatste eeuwen is het levend bewijs, hoe enkelingen, geslachten, steden, verenigingen, industrieën, kerken en partijen kunnen opkomen en ondergaan, veldwinnen, groeien en bloeien zonder roof of verovering, zonder wapengeweld. Sinds hoe lang heeft Amsterdam of Berlijn of b.v. Chicago geen oorlog gevoerd? Dus stilstand, bederf, ontbinding, dood? Het lijkt er vooralsnog niet naar. Zeker, strijd is nodig, wedstrijd en selektie—daarover zijn wij het eens, dat is de waarheid inSteinmetz' betoog. Maar allerminst is het recht, is arbitrage in de plaats getreden van de stedenoorlog als stuwkracht der ontwikkeling! En misplaatst is dus de spot vanStörkmet de voorstanders van internationale arbitrage: „das Weltgericht setzt fortan Weltgeschichte”, misplaatstSteinmetz' apostrofe: „Ist dieser Gedankenicht der verrückteste, der je ausgeheckt wurde: die Zukunft der Rassen und Völker, der ganzen Menschheit durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen gelenkt! Wie wenig zeugt diese entsetzliche Illusion von Ehrfurcht vor den höchsten Interessen der Menschheit, vor der Zukunft der Völker!”

Welk een wonderlik eenzijdige, povere geschiedbeschouwing! Neen, wat de wereldgeschiedenis maakt, wat de rassen en volken leidt zonder statenoorlog, zonder wapengeweld, zal evenmin recht of arbitrage zijn, als rechtspraak tans de drijfkracht is die de machts- en bezitsverhoudingen der enkelingen en groepen wijzigt, hun opkomst, aanzien, eer en ondergang bepaalt, waar alle fysiek geweld, alle doodslag en roof hun rechtens en feitelik is ontzegd. Gebleven is immers de strijd om 't bestaan. Gebleven is, en blijven moet, de zegen van „Gefahr, Not und Kampf”, van inspanning, wedijver en wedstrijd, kortom van selektie. Andere dan fysieke krachten konden zich doen gelden en beslissend worden, op edeler vermogens seligeerde de strijd, waar organisatie en samenwerking anarchie en verdeeldheid verving. Veranderd is alleen de wijze en het terrein van strijdvoeren, zijn alleen de middelen vanSelbstbehauptungenSelbsterweiterung. Het recht vervangt niet, maar vervormt de strijd. Selektie wordt door recht niet opgeheven, maar verschoven. En wat is zelfs het socialisme anders dan het streven, de anarchiese strijd om individuele, materiële winst met zijn verderfelike selektie-gevolgen door middel van organisatie te vervangen door een des te heviger, immers algemener strijd van hoger selektief allooi op alle terreinen der kultuur?

De vraag is dus alleen of 't in strijd is met de dynamiek der historie, dat ook de staten hun „Selbsterweiterung” ééns zullen moeten zoeken zonder wapengeweld en verovering. Daarop luidt dus ons antwoord: neen—arbeidmet alle kulturele vermogens en vreedzame, recht en rechten eerbiedigendewedijveris in de plaats getreden van roof en geweld bij individuen, stammen, gemeenten, steden, provincies, staatjes en verenigde staten; in het histories karakter van „dynamiese” oorlog en „staties” recht ligt niets hoegenaamd wat ons noopt te geloven aan een verbreking van deze historiese lijn. Integendeel. Dezelfde historiese machten en invloeden voorspellen gevolgen in dezelfde richting. Dezelfde ekonomiese en kulturele faktoren, die de rechtsgemeenschappen, waarbinnen militaire grenzen zijn uitgewist, en met de militaire zelfstandigheid oorlogsmogelikheid, oorlogsaanleiding en oorlogsbelangzijn verdwenen, steeds omvattender hebben gemaakt, zullen ook voortaan de volken- en staten-kringen uitbreiden, waarbinnen arbeid, recht en vrede zullen treden in plaats van roof, geweld en krijg. De gelegenheid maakt de dief—de gelegenheid maakt de oorlog, gelijk alleen de duelzede (b.v. in Duitse studentenkorpsen) dageliks duelaanleiding, duelbelang, duelnoodzakelikheid schept.

En ook dit dienen wij hier te bedenken, dat de „dynamiese” oorlog—deveroveringsoorlogis, de belangenoorlog, die door regeringen en volken reeds tans om 't hardst wordt verloochend met leuzen van zelfverdediging en geschonden heilig recht, die nog slechts door verdwijnende minderheden van belanghebbenden met hun buitensporig, verouderd en ten dode gedoemd machtsoverwicht wordt gewild, en doorgedreven tegen het belang, de wil, de rechtszin van de kultuurvolken zelf, in hun overgrote meerderheid, die hem verfoeit,die hem zedelik te boven, er te redelik en te goed voor is. Van deze „dynamiese”, „expansieve”, dus op roof en buit beluste volksgeweldpleging geldt inderdaad en letterlik, watSchopenhauerschreef in algemener zin: „Diese Raubthiere des menschlichen Geschlechts sind die erobernden Völker, welche wir, von den ältesten Zeiten an bis auf die neuesten, überall auftreten sehn, mit wechselndem Glück, indem ihr jeweiliges Gelingen und Misslingen durchweg den Stoff der Weltgeschichte liefert, daher eben Voltaire Recht hat zu sagen:Dans toutes les guerres il ne s'agit que de voler.Dass sie sich der Sache schämen geht daraus hervor, dass jede Regierung laut betheuert, nie anders als zur Selbstvertheidigung die Waffen ergreifen zu wollen. Statt aber die Sache mit öffentlichen, officiellen Lügen zu beschönigen, die fast noch mehr, als jene selbst, empören, sollten sie sich, frech und frei, auf die Lehre des Machiavelli berufen.”—Zoveel over de veroveringsoorlog—waarbij ik nog buiten bespreking laat het Norman-Angellisme, voor zoverre dat betoogt, hoe „verovering” ook ekonomies een onding is geworden, waarbij meer verloren dan gewonnen wordt, dank zij het moderne krediet-systeem en de steeds inniger en veelzijdiger internationale ekonomiese afhankelikheid, zodat „The great Illusion” dient overwonnen, als zoude militaire en politieke macht een volk commerciële en sociale voordelen schenken of als ware het ekonomies nog mogelik, kolonies te „bezitten”, de rijkdom van een ander volk met wapengeweld inplaats van ekonomiese mededinging duurzaam te bemachtigen of te vernietigen. „Die Menschenseele hat kein theureres Gut als die Illusion” zegt ergensMax Nordau.VolgensNorman Angellis wel de duurste van al die illusiesthe great illusion. „War does not pay”.Bevestigt dieper ekonomiese studie deze beschouwing, dan is daarmee het ekonomies doodvonnis over de oorlog geveld.

Maar genoeg van de veroveringsoorlog en zijn gewaande histories-dynamiese noodzakelikheid.

En nu het allesbeheersend, beslissend punt:de kollektief-selektoriese funktie, de oorlog als onmisbaar opvoeder en volkenrichter.

Vooraf nog tweeërlei opmerking tot voorkoming van misverstand: wij miskennen niet het belang van strijd, van wedijver en selektie voor maatschappij zowel als natuur, voor heel de geschiedenis èn de toekomst der kultuur, al zal geen bezonnen evolutionist zover gaan, defittest, de best-aangepasten, reeds daarom als de besten, de edelsten te beschouwen, de martelaar te verachten voor zijn geweldenaar; de hoogste aanpassing aan het milieu is aanpassing van het milieu; en edele persoonlikheid gaat liever onder, dan zich aan te passen; „Es ist das Unkraut, das überall gedeiht” (Scheler).—En voorts: men kan de zegeningen der fysieke krachtmeting tussen mens en roofdier, mens en mens (het oudehomo homini lupus), stam en stam, volk en volk, de zegeningen van het vuistrecht, familieveten, bloedwraak en oorlog dankbaar erkennen, de geschiedenis dier krachtmetingen zien als iets anders dan een „lelike domheid, waarvan slechts de proporties groot zijn”—en toch als historicus het historisme voldoende te boven zijn, om te beseffen, dat deze dankbaarheid evenmin voor het behoud, voor de toekomst van de oorlog pleit, als tegen de historiese vervanging van clanveten, bloedwraak en stamverantwoordelikheid door strafrechtspleging en persoonlike schuld. Ook vrouwenroof en mensenoffers, slavernij, adel, inquisitie hebben hun plicht gedaan... en hun tijd gehad. En mocht dus ook de oorlog eens de weg der bloedwraak gaan—dan zal de geschiedenis zelf hem uitluiden met haar lijfspreuk: „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan—der Mohr kann gehn.”

Tans ter zake. Om de kollektieve oorlogselektie op de keper te beschouwen—en te wijzen A: op de doorSteinmetzvergetenzedelikwerkende faktor derindividueleselektie en daarnaast op de gunstig werkende faktoren van de vreedzame maatschappelikestrijd, en B: op de doorSteinmetzvergeten faktoren, die deoorlogselektie deels zedelik bederven deels te niet doen.

Beide punten samen zijn nodig en voldoende om aan oorlog selektief en zijn onontbeerlikheid en zijn recht van bestaan te ontnemen.

Aanvaardt men de met goede gronden gestaafde leer vanSchopenhauerenHeymans, dat het individueel karakter, de zedelike persoonlikheid, gegeven in de onderlinge machtsverhouding van zedelike en onzedelike neigingen, vrijwel onveranderlik is, dan krijgt de selektie voor de zedelike vooruitgang een allesbeheersende betekenis: fundamentele zedelike verbetering is niet mogelik van het verdwijnend individu, maar slechts van de blijvende mensheid, doordien en in zoverre de minderwaardigen geringer kansen hebben op voortplanting en propagering van hun eigenschappen in de nakomelingschap dan de hogerstaanden, indien derhalve het percentage dezer laatsten wast, hoe weinig ook, met elk nieuw geslacht. Voldoende zorgt voor deze percentsgewijze uitroeiing van de slechtere elementen zeer zeker noch de huidige overheersende ekonomiese wedstrijd, waarin factoren van intellekt (kennis, scherpzinnigheid, tegenover onwetendheid en domheid) en temperament (aktiviteit en bezonnenheid tegenover luiheid en wispelturigheid) nog wèl, maar van karakter niet, of altans niet minder ten kwade (ruim geweten, zelfzucht, meedogenloosheid) dan ten goede de doorslag geven, noch de weinig betekenende opzettelike eliminering door het strafrecht, zelf weer voor een belangrijk deel afhankelik van non-selektieve ekonomiese faktoren.

Maar wij hebben gelukkig één grote blijvende kracht, die er op gericht blijkt, de zedelike minderwaardigheid verhoudingsgewijs uit te roeien: dat is de groter aantrekkelikheid van het goede boven het slechte, gelijk die tot uiting komt in desexuele teeltkeus. Hier werkt de zielkundige waarheid, dat werkelike goedheid, karakterschoonheid, edele persoonlikheid aantrekt en echte slechtheid, gemeenheid, laagheid afstoot... zowel de slechten als de goeden. Want slechtheid is niemands einddoel, is enkel middel. „Auch des Egoist wertet die Liebe höher als die Selbstsucht, auch der Unzuverlässige zicht die Wahrheit der Lüge vor: aber sienehmen Selbstsucht und Lüge gleichsam mit in den Kauf, um irgend welche Genüsse oder Vorteile zu erzielen.” (Heymans) Deze waarheid en de daarop gegronde verwachting, dat ook bij de huwelikskeuze, hoe zeer ook dikwerf resultaat van hartstocht of berekening, van uiterlikheden, van allerleiraison en tort, toch het zedelik goede van weerszijden „ceteris paribus” voorrang en voorkeur zal vinden boven het minderwaardige, toch hetliebens-würdigsteook hetliebenswürdigste, het beminnenswaardigste het beminnelikste zal blijken, die verwachting vindt haar bevestiging in het enig daaromtrent ingesteld wetenschappelik onderzoek, vanHeymansenWiersma13). Voor tal van zedelike eigenschappen werd een hoger percentage bij gehuwden dan bij ongehuwden gekonstateerd, zodat, in verband met een onderzoek omtrent de biezondere erfelikheid dezer eigenschappen uit de gevonden cijfers „auf eine Zunahme sittlich wertvoller und eine Abnahme sittlich verwerflicher Eigenschaften von 1 bis 1.5% pro Generation geschlossen werden kann”.14)Zo ziet danHeymansin deze kracht der sexuele selektie, die stijgt met elk bereikt resultaat, met de steeds hoger waardering der persoonlikheid boven stand en bezit, met de steeds vrijer, natuurliker en veelzijdiger omgang van meisjes en jonge mannen, met verdiept en verhelderd zielkundig onderscheidingsvermogen, de grote waarborg van een steeds sneller en ongestoorder zedelike vooruitgang—van „de zelfopvoeding der mensheid”15)En wij voor ons konkluderen uit dit betoog: het huwelik is een bolwerk tegen de oorlog.—Hier wordt het wonder werkelikheid,das Unzulängliche hier wird es Ereigniss: deugden die het individu schaden in de strijd om het bestaan: onbaatzuchtigheid, opofferingsgezindheid, eerlikheid, waarheidsliefde... die dus hun eigen graf graven—ze bouwen ook hun eigen huis, houden de soort en zich zelf in stand.

Voor het karakter zelf, dus voor het diepste zedelik wezen van de mens, zijn innerlike, eigenlike, zedelike wil en waarde blijft duserfelikheidendodelikeselektie: uitsluiting van de voortplanting, van overwegend belang, indien we wijziging uitgesloten, zedelikheid niet aan- of afleerbaar, opvoedinghierdus machteloosachten. Het tegendeel echter is het geval met het zedelik levensgedrag, het doen en laten van de mens, zijn karakteropenbaringen, de levensresultaten van zijn zedelike aanleg, die immers evenzeer als de aangeboren geestelike, intellektuele begaafdheid zowel in z'n ontwikkeling belemmerd, verstikt worden, eeuwig latent en kiem blijven kan als tot z'n volle recht en ontplooiing komen. We betreden hier het terrein van levenservaring en levensmilieu, van opvoeding en onderwijs, van verleiding en bekering, die de voorstellingswereld, de denkbeelden, de beweegredenen, wijzigen en beheersen, heel het motievenspel, dat de sluimerende neigingen wakker roept, het karakter doet reageren met wil en besluit. Hier heerst de zgn.naboots-selektie, die zonder erfelikheid (ideeën, denkbeelden worden niet aangeboren) en zonder lichamelike krachtmeting en uitroeiing door geestelik propageren en elimineren, door evenzeer opzettelik als automaties aankweken, door heel het maatschappelike systeem van denkbeeldverspreiding en ideeënstrijd, van bewuste en onbewuste invloedoefening des te sneller en zekerder voor de kulturele vooruitgang zorgt. Tot dit gebied behoort alle verworven kennis en deugd, intellektuele en zedelike bekwaamheid, alle begrip en inzicht, dus ook alle aanleerbare „socialiteit” (van Embden), gemeenschapszin als „inzicht in het nut van en toewijding aan krachtig gemeenschapsleven”, de kunst, te gehoorzamen en te leiden, verdraagzaamheid, ontvankelikheid voor lof en blaam, eer en schande, solidariteitsgevoel en stiptheid, ijver en volharding, „altruïsme” als belangstelling in andermans lief en leed, trouwe plichtsvervulling en al wat ooit scholing en beproeving zal vermogen, al wat ooit de levenstrijd aan morele kracht en het gemeenschapsleven aan maatschappelikheid kan schenken.

Heel die verworvenheid nu, hoewel niet erfelik, is voor het kultuurpeil, voor de zedelike en geestelike vooruitgang van het mensdom van niet te overschatten belang—want al moet hier elk jonggeborene en elke nieuwe generatie van voren af aan beginnen, evenwel—dank zij enerzijds de „nabootszin” en „suggestibiliteit”, anderzijds het veelzijdig georganiseerd maatschappelik stelsel van onderwijs en opvoeding in gezin en school, bond en kerk, stad en staat, omgang en verkeer, mondeling en in geschriften—kan één mensenleeftijd het gemiddeld peil bereiken en verwerven waarvoor de mensheid alle voorafgaande geslachten nodig heeft gehad. Het door de eeuwen opgestapeld kapitaal aan kennis enmaatschappelike deugd, aan zeden en gewoonten, idealen en overtuigingen, instellingen en organisaties, aan recht en kunst, wetenschap en wijsheid, al die schatten der kultuur, ze liggen voor elk geslacht gereed:

„Was du ererbt von deinen Vätern hastErwirb es um es zu besitzen.”

„Was du ererbt von deinen Vätern hastErwirb es um es zu besitzen.”

„Was du ererbt von deinen Vätern hast

Erwirb es um es zu besitzen.”

Dieverwerving, waarop dus na deoverervingen tezamen met descheppende voortbrengingalle voortbestaan en vooruitgang berust, vereistarbeid,inspanning,strijd, van enkelingen en groepen, zowel tegen onpersoonlike machten: de eeuwige strijd tegen de natuur (honger, ziekten, mikroben), tegen domheid en gemeenheid, tegen verslapping en ontmoediging, verleiding en bederf, als tegen andere enkelingen en groepen, in één woord: tegen onze vriend de vijand, die ons de nodige noden en gevaren, de zegen der ontbering, vooralsnog niet doet ontberen. Deze strijd noopt tot steeds intensiever en extensiever groepvorming. Zie de ekonomiese worsteling, met wereldomspannende ondernemingen en maatschappijen, trusts, kartels, werkgeversbonden en arbeidersorganisaties, zie de politieke strijd der partijen, de godsdienstige kamp der kerkgenootschappen onderling en met hun zich organiserende tegenstanders, zie die duizendvoudig georganiseerde speciale strijd tegen afzonderlike maatschappelike euvelen en kwalen en voor al die biezondere belangen en behoeften, die tot vereniging en groepsgewijze botsing leiden.

Welke krachten nu deze groepenstrijd gaande houden—welke belangeneenheid en tegenstelling voor de groepvorming zelf, voor binding en isolering zorgt, behoeft hier niet nader onderzocht—immers dit ene staat vast: oorlog, militaire krachtmeting, is het niet. En dezelfde sociale deugden die de staat behoeft om sterk te zijn en zijn oorlog te winnen, die vergt het vrije verenigingsleven en de vrije vreedzame groepenstrijd met zijn eisen van verdraagzaamheid, toewijding, vertrouwen en betrouwbaarheid, solidariteit, ijver, onbaatzuchtige krachtsinspanning,payer de sa personne, in één woord maatschappelikheid. Niemand blijft buiten alle groepsverband, niemand kan slagen in volkomen isolement, ieder ondergaat de eisen en de reakties van het gemeenschapsleven, van kennissenkring en openbare mening, met hun seligerende machtsmiddelen van onverschilligheid, verachting, af-keer, schande, boykot, en daartegenover vriendschap, sympathie, hulp, eer, aanzien, invloed, macht. De sluwsten, zelfzuchtigsten en schijnheiligstenhebben ook tans reeds niet overal en niet voortdurend succès—in het dageliks omgangs- en maatschappelik leven werkt en seligeert ook tans reeds mee—hoe honderdvoudig overvleugeld ook—diezelfde reine voorkeur, die de geslachtelike teeltkeus adelt. Maar machtiger werkt stellig ook nu reeds—trots alle straks aan te duiden gebreken—de wedijver der vrije groepen. Deze vrije verenigingen heten „kleiner”, „eenzijdiger” dan de staat. Het voordeel schijnt mij groter dan het nadeel, dat door hun verscheidenheid nog wordt gereduceerd. Ze bieden des te beter waarborg voor eensgezindheid en geestverwantschap, voor echte vrijwillige volle toewijding. Maar de staat kan alles, zelfs het leven van zijn burgers opeisen? Och ja—voor de staatoffertmen, desnoods, zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven.... aan gezin, partij, kerk, wetenschap, kunst,wijdtmen zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven. Voor de staat kan men sterven, maar wie kan leven voor de staat? Maar dwang en tucht zijn onmisbaar: „Der freie Verein verhält sich paedagogisch zum Staate wie das Concubinat der freien Liebe zur Ehe.” Een matig gelukkig beeld: Wee het huwelik bij de gratie zijner onontbindbaarheid. Tucht en dwang willen wij evenmin missen als huwelik en staat. Maar het huwelik, dat zich zonder dwang en de staat die zich zonder oorlog niet kan handhaven, is ons noch dwang noch oorlog waard. En de vraag vanSteinmetz: Waartoe zonder oorlog nog de staat, „der ja nichts tun darf”? zou waarlik het „mangelnde Verständnis für das Wesen des Staates” verraden, dat hij de vredesvrienden verwijt, indien we niet wisten, dat hier als elders slechts de pleiter voor de oorlog vergeet, wat de socioloog beter weet dan de meesten. De staat is het gezagsorganisme van een volksgeheel,—dat in dienst kàn worden gesteld van velerlei volksbelang—maar altijd en uiteraard één eigen funktie heeft: rechtsbedéling: verwezenliking en handhaving der rechtsorde. Zonder gezag geen recht, maar anarchie, d.w.z. het „recht” van de sterkste, van brute macht en geweld,—zo in de volkerenverhouding en in het ekonomies leven. Daarom zijn we vóór de staat op dezelfde grond als we tegen de oorlog zijn—wanneer ons blijken zal, dat groepsmacht en staatsgeweld allerminst pseudoniem zijn van gerechtigheid.

Hebben we dus, na de zedelike faktor der individuele selektie, gewezen op de gunstig-gerichte faktoren van de vrije groepenstrijd,—we willen in de 3e plaats nog opmerken, dat heel deze vreedzame maatschappelike evolutie selektief vooralsnog erbarmelik slechtis—doch voor radikale principiële verbetering vatbaar. Zegenrijk toch zal deze selektie eerst dan ten volle zijn, wanneer de besten de meeste kans van slagen hebben, wanneer de edelsten en begaafdsten, de hoogste, kloekste, vrijste, fijnste geesten en karakters, de vinders en scheppers, de denkers en zieners, maar ook de mannen en vrouwen van de daad, de organisatoren, de durvers en de kundigen... de leiders en overwinnaars worden, dus aanhang,invloed, macht en eer verwerven.

Tans echter beheerst vooralsnog de ekonomiese worsteling, de inkomensverwerving, het maatschappelik ontwikkelingsproces; deze werkt slechts gedeeltelik selektief (armoede, ondergang zonder persoonlike „schuld”, rijkdom, succès zonder persoonlike „verdienste”: gouden wieg) en kweekt voor zover selektief naast goede zeer slechte hoedanigheden en bederft door haar gebreken al de andere selekties; derhalve dient deze ekonomiese strijd verdrongen (van staatswege verstrekking van kosteloos onderwijs, ook middelbaar en hoger; kosteloze openbare boekerijen en leeszalen, kosteloze gezondheidsverzorging, rechtsbescherming, kiesrecht zonder welstandseisen, presentiegeld enz.) en vervangen door ekonomiese samenwerking, koöperatie, socialisering—en zover dat niet of nog niet mogelik is, altans gezuiverd van non-selektieve „voorgiften” (erfrecht enz.) en tot ietwat minder laakbaar selektief gehalte („ekonomisering” van de gemeenschapszin) gelouterd16).—Zo leiden ook hier vele wegen naar het selektief maatschappelik ideaal van „loon naar verdienste”, van het Saint-Simonisties:A chacun selon ses capacités, à chaque capacité selon ses oeuvres.17)

En tans de faktoren, die de kollektieve oorlogselektie deels zedelik en geestelik bederven, deels te niet doen.

Ware het noodzakelik gevolg van de oorlog „dass ein tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”—dan zou deze respektabele prestatie mogelik met alle oorlogsoffers niet te duur betaald zijn. Maar hoorden we niet juist, dat onze geciviliseerde oorlogen gelukkig (want het was minder wreed) geen uitroeiingsoorlogen meer zijn—dat het overwonnen volk wel gedemoedigd, niet meer verdelgd wordt? Wat blijft er dan over van die fraaie fraze? Eigenlik niets. Geen van de huidige volken of staten van Europa heeft niet z'n oorlog of oorlogen gehad de laatste paar eeuwen: vernietigd, vervangen is er geen. Toegegeven, een ogenblik, dat het verliezend volk „slap”, het winnende „flink” was—Boeren en Engelsen, Engelsen en Nederlanders, Grieken en Turken, Turken en Russen, Russen en Japanners,Napoleon's volken en Russen, Zweden en Russen, Noren en Zweden, Zweden en Denen, Denen en Duitsers, Duitsers en Fransen (Napoleon), Fransen en Duitsers, Italianen en Oostenrijkers, Oostenrijkers en Italianen, de Balkanstaten onderling (de daar wisselende flinkheid en slapheid valt moeilik bij te houden), de Krimoorlogsvolken (wie was daar slap?)—wie van al deze flinke bekwame zegevierders is in de plaats getreden van een van al deze slappe minderwaardige verslagenen? Hoeden wij ons dus voor demisleidende schijn, als zoude de oorlogselektiede zwakkere(dus naar wij nog een ogenblik toegeven: minderwaardige)groep vernietigen, dodelik seligeren, „ausmerzen”.18)Maar dan wordt dadelik heel de richting der selektie twijfelachtig: zal en moet die zwakke, minderwaardige groep van de nederlaag nòg zwakker, nog ellendiger, nog minder waard worden, dan wel juist sterker, zedelik en geestelik beter? Is het gevolg van de nederlaag groepverzwakking, dan is dat tevens een verergering, verslechtering—is het gevolg opleving, versterking der onbekwame groep, dan wordt doelbereiking en voortplanting van betrekkelik minderwaardigendoor oorlog weer niet belemmerd, maar zelfs bevorderd.19)Selektief gunstig kan oorlog dus in elk geval nog slechts daardoor werken, dat het percentage zedelike en geestelike kracht na de oorlog bij winnaar en verliezer samen genomen groter is dan te voren—wat moeilik met goede gronden zou zijn te staven, gegeven ook de individuele contra-selektie—en waarbij het dan nog twijfelachtig zou blijven, welke betrekkelike vermeerdering van het deugdelik element opweegt tegen de volstrekte dodelike vermindering, die bovendien met het aantal mededingers de waarde van het selektief produkt doet dalen.—Het dradenweefsel der werkelikheid is inderdaad te subtiel voor globale machtspreuken.

We resumeren nog even: de (gewelddadige) groepenkrachtmeting is slechts dan „recht”, oorlog slechts dan te rechtvaardigen, wanneer (militaire) groepsovermacht uitsluitend berust op, leidt tot superioriteit van de leden.

Wij erkennen het element van waarheid in het betoog, dat de talrijkheid en grootte, de rijkdom, de wapenmacht van een volk niet zo „materieel”, niet zo onafhankelik van zijn zedelik en geestelik peil zijn, als het oppervlakkig schijnt: zedelike krachten, sociale deugden zijn nodig om een groot volk bijeen te brengen en te doen blijven, om de bevolking gezond en op peil te houden, om volkswelvaart (bloei van landbouw, handel, industrie) te verwerven en te handhaven; zelfs het bemachtigen en exploiteren van de gunstigste, vruchtbaarste bodem gaat niet om buiten alle persoonlike hoedanigheden, zij het dan ook veelal van verre voorvaders; en voldoende bewapening vergt niet te onderschatten offers, intelligentie, organisatie; ondeugden als korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming en volksuitmergeling, machtsmisbruik, rechteloosheid, kortom, al wat rot is in het groot organisme, verzwakt een staat ook militair...

Dat is één zijde van de zaak.

Nu de keerzijde.

Genoemd dient allereerst, al acht ik voor mij het punt nog niet beslissend, dat in de groepskrachtmeting niet alleen (het zal ons hoofdargument worden) non-selektore faktoren heersen, maar dat de hooggeroemde kollektieve selektie zelfs faktoren vancontra-selektieschijnt te bevatten: er zijn belangrijke zedelike eigenschappen, die de zeer grote groepsmacht tegenwerken, fnuiken, en kleine groepen voor opgaan in grotere massa's behoeden en stand doen houden: dat zijn de individualisties gerichte deugden van „autonomie”: zelfstandigheid, eigen oordeel en objektiviteit, onafhankelikheid, fierheid, zelfrespekt, oppositiemoed... al wat indruist tegen de kuddegeest en de massamacht. En ik herinner mij, eens gelezen te hebben, „dat de groep wel steunen kan, maar niet sterker maakt, integendeel, en dat te meer, naar mate zij grooter en machtiger is. De sterkste meest helpende groep maakt haar leden het zwakst.” Zo zou de zege der sterkste groep—dus de kollektieve krachtmeting (die oorlog heet)—de zwakste, afhankelikste individuen kweken! Welk een contraselektie, voor ieder, wiens ideaal de „sterken, edelen, kloeken, vrijen” zijn! En toch was die dat schreef ook een groot socioloog, wiens autoriteit door Prof.Steinmetzwel niet zal worden gewraakt. Het was Prof.Steinmetz. Maar toen was niet de verdediger van de oorlog, van de groepsmacht aan het woord, die zich keert tegen gebrek aan „Staatsgefühl”, tegen „den übertriebenen Individualismus unserer Kulturvölker”, maar... de individualistiese bestrijder van socialistiese groeps- en staatsmacht!20)Wie van beiden heeft nu gelijk? Ik zou zeggen, geen van beiden in zijn eenzijdigheid. Beide tendenties dienen erkend. De werkelikheid en de sociologie en Prof.Steinmetzblijken ruimer en wijzer dan zijn oorlogsfilosofie.21)De vraag is nu maar, of de contraselektore dan wel de gunstige faktoren der kollektieve selektie de overhand hebben. Wie durft dat eens en voor al, of zelfs maar globaal beslissen? Wie zonder zekerheid ten deze nog oorlogsverdediger zijn?

Vervalt zo reeds elke waarborg, dat de machtigste groep de zedelik en geestelik sterkste, hoogststaande leden heeft—ook bijde „groepsmachtmeting” zelf, bij het krijgvoeren, komt nog de zedelike contraselektie in het spel: hier als elders kan ruimer geweten ruimer kans van winnen geven: minder schroom voor onverhoedse aanval zonder oorlogsverklaring, voor krijgsplan en strategie via woordbreuk en schending van volkenrecht, voor verraderlike spionnage en omkoperij, voor valse stemmingmakerij (blinde haat, woede, verbittering), voor wreedheid (terrorisering), arglist en bedrog, kortom voor allerlei voordeligeRücksichtslosigkeitin plaats van ridderlikheid, rechtsontzag, humaniteit en dergelijke „sentimentaliteiten”. Zo kàn ongunstiger volkskarakter, lager peil van oorbaarheid tot de zege bijdragen. Misschien is de hoop niet ijdel, dat wassende machten tegen „contraselektie” van deze kant waken: al te schennend optreden kan reeds door de reaktie die het wekt (het élan van heilige verontwaardiging; haat, boykot enz., ook bij de niet onmiddellik betrokkenen) een misslag worden waarvan geldt: „c'est plus qu'un crime, c'est une faute”22). Maar het blijft zelfs de vraag in hoeverre krijgsleiding en „landsverdediging” zich de weelde van ridderlikheid en geweten mag veroorloven ten koste van eigen volk en eigen zaak, dus, naar men gaarne gelooft, van de hoogste en heiligste belangen der mensheid—al zou men individueel nòg zo zeer geneigd zijn, ook van deze luxeVoltaire's woord te laten gelden:Le superflu, chose très-nécessaire.

De machtspreuk, dat in elk geval „Kräfteund keineSchwächen” tot overwinning leiden, vergeet, dat er onzedelike „kracht” is, of liever, dat „kracht” en „zwakheid” hun zin verliezen, wanneer men er andere dan fysieke en intellektuele, dus ook zedelike waarden onder verstaat. Want dan rijst de vraag of voordeelverzakende zedelike schroom, rechtszin, ridderlikheid, goede trouw enerzijds—krijgswinst-gevende wreedheid, ruwheid, ruim geweten anderzijds „kracht” dan wel „zwakheid” moeten heten.

Het oordeel over „selektie” of „contraselektie” is alles behalve eenvoudig.23)

In elk geval moeten we betwijfelen, of in 't algemeen de zachtmoedigste, fijnzinnigste, ruimstdenkende volken het schrikwekkendst, bruikbaarst materiaal zullen vormen voor het ietwat ouderwets heetbloedig handgemeen of biezondere gemoedsbegaafdheid zullen tonen voor het modern machinaal beulsbedrijf in koelen bloede. M.a.w. of niet ook waardeerbare zedelike karaktertrekken de ware krijgsmansdeugdelikheid zouden kunnen schaden?

Doch heel deze contra-selektie der gewelddadige groepsmachtmeting kunnen we laten voor wat ze bij gezette studie zal blijken te zijn—om tans over te gaan tot ons afdoend argument:

de niet uit te schakelennon-selektievefaktoren:

De selektieverijdelende faktor bij uitnemendheid, die de beweerde rechtvaardigheid der groepenkrachtmeting eenvoudig illusoir maakt en in één slag te niet doet is: hettoeval; toeval, voeg ik er in één adem bij, niet in de causale betekenis van het woord, als tegenstelling tot noodzakelikheid of wettelikheid, of in de psychologiese zin van het onvoorspelbare, onberekenbare, onbedoelde, niet verwachtbare, van wil en weten onafhankelike (schijnbaar of niet-adaequaat causaal verband), maar in dezuiver selektieve zinvan: faktor, onafhankelik van de persoonlike te seligeren hoedanigheden, onpersoonlik („toevallig”) verworven onpersoonlike strijdkracht. Bijvoorbeeld: in de ekonomiese strijd om het bestaan schakelt het „toeval” der geboorte met zijn „voorgiften” de selektie op ekonomiese begaafdheid uit; bij sollicitaties kan winnen, wie „toevallig” een kruiwagen heeft; het „toeval” van weers- of terreinsgesteldheid kan voor een match beslissend zijn.

Toeval in selektieve zin is dus voor de oorlogselektie:

I. al wat een staat op een gegeven ogenblik militair (over)machtigmaakt onafhankelik van de zedelike en geestelike vermogens der inwoners, en

II. al wat bij de krijgvoering zelf onafhankelik van deze morele en intellektuele krachten over nederlaag of zege beslist.

Keurden wij de oorlog uitsluitend op zijnzedelikeselektiewaarde, wat misschien ons recht of zelfs onze plicht ware, dan hadden wij het pleit nog veel gemakkeliker gewonnen—want dan zouden zelfs alleintellektuelefaktoren, die een volk militair machtig maken en in de krijg zelf doen zegevieren—non-selektief toeval zijn. Maar zó streng behoeven we niet eens met de oorlogselektie in het gericht te treden.

I. De sterkste legermacht heeft op een gegeven ogenblik in 't algemeen,ceteris paribus, de staat met de talrijkste bevolking—met het meeste en geschiktste levend en dood oorlogsmateriaal. Talrijkheid der bevolking, staatsoppervlak en bevolkingsdichtheid—van hoe velerlei „toeval” leren ons geschiedenis en aardrijkskunde niet hun afhankelikheid! Daar is de bodem- en klimaatgesteldheid, die zonder „schuld” of „verdienste” der eenmaal opwonenden, rijkdom (nooit vermoede mijnschatten, natuurlike verkeerswegen enz.) en verarming (uitdroging, overstroming, misoogst, hongersnood) bracht, ziekten heeft gekeerd of verspreid. Daar zijn die soms reeds in dubbele zin „historiese” machten, die met volken en landen als met legblokken hebben gespeeld: dynastieke huweliken, erfopvolging en verdragen, om slechts één groep te noemen; daar is verschil in rasvruchtbaarheid en derg. bij gelijk moreel en intellektueel peil; cultus, die hele stammen door zelfopoffering en zelfverarming decimeerde, en hier verbrokkelend, ginds weer bindend werkte; toevallige nabuurschap van machtiger of kleiner, hoger ontwikkelde of minderwaardige, assimileerbare of assimilerende, sterkend of verderfelik werkende stammen en kulturen; dan vooral de oorlogsuitslagen zelf met al hun aanstonds te noemen toevalligheden—kortom dat alles, wat in elk geval tot resultaat had de werkelikheid, die tans vóór ons ligt: kleine en grote staten, militaire dwergen en militaire reuzen op gelijk of overeenkomstig kultuurpeil: Zwitserland, België, Nederland, Denemarken naast Frankrijk, Duitsland, Italië, de Verenigde Staten—en krasser nog: staatjes, die zedelik en geestelik aan de spits der wereldbeschaving staan en militair in 't niet zinken bij de grootste volkrijkste staten met een kultureel achterlike, ja ten dele nog barbaarse bevolking: China, Rusland naast Nederland,Finland. Hoe overwegend moeten de contra-selektieve en non-selectieve faktoren zijn van grote-staten-vorming, om tot dergelijke resultaten te kunnen leiden! Hoe ongenadig logenstraft en weerlegt de werkelikheid het keurig eenzijdig betoog van het edel selektief gehalte van militaire staatsmacht. Wee, zo Nederland zich militair moest meten met Rusland. Maar een vergelijking op al die bovengenoemde faktoren, op volks- en staats-gezondheid, op welvaart en ontwikkeling enerzijds—en anderzijds op korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming, machtsmisbruik, rechteloosheid... zou wel niet al te sterk pleiten voor de superioriteit van de grootste, militair machtigste staat.24)Gelukkig is hier een militaire krachtmeting niet waarschijnlik. Maar dat is een gelukkig... „toeval” van ligging, nabuurschap. Neem Finland. EnSteinmetzzelf geeft u toe, dat hier „ein sittlich reines, begabtes, liebenswürdiges Volk durch ein rohes, aber starkes und grosses unterdrückt wird.”

Kom, laat mij u zijn menselike verontwaardiging niet onthouden over Finlands rampzalig lot: „Das humane Gefühl empört sich schmerzlich in einem solchen Falle von rücksichtsloser Unterdrückung durch die grobe Uebermacht, tiefes Mitleid mit den ihrer freien Selbstbestimmung Beraubten drängt sich auf, besonders wenn ein freies, gebildetes Volk in dieser Weise in die Herde der rohen, geknechteten Barbaren zurückgedrängt wird.”25)Steinmetzzelf erkent „offen” de „moeilikheid”... en bewijst zijns ondanks de onmogelikheid, „einen solchen Fall noch günstig zu deuten”. Immers, de capitulerende vraag: „Warum sollte es keine Ausnahmen geben?” schijnt mij al even weinig troostrijk voor de overweldigde uitzonderingsgevallen en ons beledigd rechtsgevoel, als de blijmoedige variaties op het thema: men kan nooit weten waar het goed voor is.26)Maar wat men wel weten kan en moetis dit: met de toegegeven mogelikheid en werkelikheid van „uitzonderingen” valt reeds elke waarborg van het selektief recht, de „innere Gerechtigkeit” van elke bepaalde groepsmachtmeting, van elke bepaalde oorlog. Oorlog die deze rechtvaardigingsgrond mist... het is een rechter over leven en dood, over het lot van volken—in een vlaag van waanzin!

II. Edoch—al geven we voor een ogenblik eens toe, dat de militaire macht van een staat een maatstaf is voor het zedelik en geestelik peil, voor de kultuurwaarde der bevolking—of stel, dat in het allergunstigste geval de legermachten eens ten naaste bij aan dit ideaal beantwoordden—dan komt nog weer de oorlog zelf, de krijgskans met al z'n non-selektieve faktoren, met z'n „toeval” alle selektiewaarborgen verijdelen: want selektieftoevalis

1º. heel hetveldheergenie. Het is niets dan een gelukkig toeval voor een volk, onafhankelik van zijn gemiddeld kultureel peil, op een gegeven ogenblik een geniaal legeraanvoerder ter beschikking te hebben. Zelfs de groter bekwaamheid of eendracht der krijgsleiding is niet alleen van selektieve faktoren (meer of minder korruptie, kastebevoorrechting en derg.), maar ook van allerlei „toeval” afhankelik (ziekte, dood, al wat tot plotselinge vervanging leidt).

Van selektief standpunt is het dus niet te betreuren maar nog een geluk, wanneer buitengewone beslissende superioriteit of genialiteit bij de krijgvoering vergeefs op zich laat wachten.. Maar uit te schakelen schijnt ook voor de toekomst trots de steeds betere verkenningsdienst en geringer (maar door uitvindingen weer te vergroten) verrassingskans, noch deze faktor noch zijn non-selektief gehalte, zolang nog staten of volken hun toekomst, hun bestaan dusdanig roekeloos op het spel, het krijgspel zetten.

2º. alleoorlogsbondgenootschap. Hoe wordt reeds principieel het keurig selektie-schema door deze faktor omvergekegeld! Want laat nu de grote militair-machtige staat betekenen het superieure volk... de vele inferieure volkjes, tot grote-groepvorming onmachtig—ze kunnen samen strijdend door tijdelike eendracht macht en overmacht maken; en precies zó als de lichamelike faktoren, die het individu sterk maken bij de fysieke worsteling tussen individuen worden uitgeschakeld door groepshulp—zó worden al die kulturele deugden, waar de staatsmacht van heet af te hangen—buiten geding geschoven door oorlogsbondgenootschap. Vele kleinen maken—en breken—een grote.

Dat is de negatieve principiële zijde. En nu de positieve kant der praktijk—de faktoren die in de plaats treden van het uitgeschakelde, de voorwaarden, die tot bondgenootschap leiden: kan men zich die „toevallig”, futiel, onkultureel genoeg denken? Waar blijft in heel dat diplomatenspel, die wisseling van wereldpolitieke konstellaties, kombinaties en machinaties het verband met zedelik of geestelik kultuurpeil? Of met dieper geest- of rasverwantschap, volks-antipathie of rassenhaat, karakterverschil of -overeenstemming?

Turk en Pruis en Oostenrijker hier, Rus en Engelsman, Fransman en Japanner ginds—ze gaan nu broederlik samen, Brit en Duitser, Pruis en Rus ze zijn nu geslagen vijanden. Maar is er iets oppervlakkigers dan wapenbroederschap en oorlogsvijandschap? Vijanden waren binnen de laatste eeuw (een moment in het volkerenleven) Fransen en Engelsen, Engelsen en Russen, Russen en Fransen, Pruisen en Oostenrijkers, Noord- en Zuid-Duitsers, Russen en Japanners,—wapenbroeders Fransen en Duitsers, Duitsers en Russen, Oostenrijkers en Russen, Engelsen en Duitsers.... ja, ware niet nogBismarck's hoogste triomf geweest een bondgenootschap met Rusland, en wordt niet zelfs tans nog, tijdens de oorlog, aan een nieuwe Drie-keizers-bond, een nieuwe „Heilige Alliantie” gedacht? Wel heilig en diep is wat die partijgroepering heel de geschiedenis door heeft beheerst...

Voor de krijg van staat tot staat heet oorlogsaanleiding of -oorzaak selektief van weinig of geen belang: „Die Veranlassung des Krieges kann empörend ungerecht oder lächerlich oberflächlich sein”.... de sterkste (dus naar de leer de waardigste!) wint; het zij zo, maar voor de hier behandelde bondgenootschappelike groepering wordt de futiliteit, ja frivoliteit die daar heerst en beslist, heel die van oorlog, van statenmachtmeting onafscheidelike karakterloze diplomatieke strategie, die nauweliks een ander gebod toelaat dan samenspanning om overmacht, selektief tot de grotetoevalsfaktor, die de zege der kwaliteit(toegegeven dat de groep kwantiteit stempelt tot kwaliteit—want daar komt de verdediging van het groepsgeweld eigenlik op neer)wederom verijdelt door kwantiteit: niet meer de sterkste (edelste!) maar het overmachtig aantal zwakkeren (minderwaardigen!) wint! En al is de sterkste—die tegenwerping verwacht ik—weer de meest begeerde bondgenoot (maar allicht ook de meestbelaagde vijand)—altijd zullen de zwaksten weer naar verhouding het meest geneigd en genooptzijn tot samenspanning, tot „evenwichtvorming”, tot kwantitatieve vergoeding van hun kwalitatief te kort: wie niet sterk is moet slim zijn27).

Maar de oorlogsapologie heeft zover ik weet dit punt vergeten.

3º. Gelijksoortig selektieverijdelend toeval als het bondgenootschappelikgelijktijdigis het niet-eens verenigd maaropeenvolgend aantalvijanden: Heeft de sterkste (zeg superieure) van twee staten het eindelik gewonnen, dan kan hij, nog uitgeput of verzwakt, door een nieuwe, weliswaar inferieure, maar kersverse vijand worden aangevallen en verslagen.... in strijd met alle regelen der oorlogsapologie! Langs een omweg van tijd wordt dus ook hier weer kwaliteit door kwantiteit, recht door macht overweldigd!28)

Zo wordt aan oorlog een hogere historiese gerechtigheid voltrokken, dan van oorlog zelf te wachten valt: zijnvitium originis—geweld boven recht—blijkt zijn noodlot, dat hem altijd weer achterhaalt en waaraan zijn eigen recht te gronde gaat.

4º. Behalve die diplomatieke konstellatie is selektief krijgstoeval: de oorlogspolitieke positie tengevolge derligging(België, dat de zonde begaan heeft, bufferstaat te zijn; vgk. de militaire positie van Nederland, Zwitserland, IJsland, Skandinavië, Finland); deterreins- en weersgesteldheid: vernamen we niet onlangs, hoemistofnevelNapoleonbij Waterloo een halve dag te laat enBlücherzodoende trots deslechte wegennog op tijd heeft doen komen? En heeft nietwaterenijsreeds tal van krijgskansen doen keren? Denk eens, aan welke soort machten hier door oorlog het volkerenlot (indien en voorzover daarover oorlog beslist) blindelings wordt overgeleverd!

5º. Voorts het toeval der groter of geringerekonomiese onafhankelikheidvanbepaaldevijanden en het daardoor gegevenuithoudingsvermogen. Bodemgesteldheid, klimaat, oogst enz. beslissen, in hoever een staat zich zelf min of meer bedruipen kan, weer trots zijn zedelik of intellektueel peil; daar is b.v. de toevallige voorraad kali of chilisalpeter of koper—het is geenszins ondenkbaar dat zulk een faktor: gebrek aan ammunitie, aan kunstmest, voor een oorlog beslissend werd!29)

6º. Het veelsoortig toeval, dat destemming, het élan van legers en volk beheerst: aanvankelik succès of échec, de pakkende leus, de welkome grief en wat niet al; de binnenlandse politieke konstellatie: overgangsperioden of gevestigd evenwicht, meer of minder gelukkig bewind; de populariteit van de oorlog, met een wellicht contraselektieve faktor: hoe zelfstandiger, objektiever, rechtvaardiger, ruimer, onchauvinistieser de geesten, des te meer kans op kritiek, gewetensbezwaar, oppositie en op edelmoedigheid en verzoenlikheid.30)

7º. Eindelik het huiveringwekkend toeval, dat bij debewapeningalle selektieve faktoren van rijkdom, industrieel en technies peil kan verslaan: ik bedoel nog niet, welke staat op een gegeven ogenblik „toevallig” (want wat bepaalt niet al het moment der oorlogsverklaring?) het best „klaar” en dus allicht in dubbele zin de „meestgerede” partij was (vgk. ook hier weer de rol van binnenlandse politieke verhoudingen: macht en drijven van oorlogsbelanghebbenden)—maar wat ik bedoel is de rol, vooruitvindingenweggelegd. Laat de schrik der 42-cM.-mortieren uit taktiek overdreven zijn—waarom zou de wedstrijd tussen vestingwal of pantserplaat en projektiel niet door zulk een mortier of hypermortier beslist kunnen wezen—en een nederlaag voorkomen,een oorlog gewonnen? Of stel, dat één der partijen z'n vijand verrast met hyperbommen, die hun tienduizenden verslaan31), of met een onderzeeër of luchtschip waartegen geen weermacht bestand blijkt... Het ingenieurspeil kan hier en ginds op precies dezelfde hoogte staan—en het selektief toeval van een beslissende of beslissing-wijzigende uitvinding, een luguber geniale inval, mogelik van een vreemdeling, wie weet, uit het later „vijandelik” land, door de meestbiedende of de eerste de beste gekocht... maakt alle technies meesterschap te schande, te schande kultuurpeil en volkskracht en heldenmoed en groepselektie en oorlogsapologie. En terwijl militair en diplomatiek krijgsbeleid hun noodlottige toevalsrol vooral in het verleden hebben gespeeld, opent juist de toekomst, naar het schijnt, voor de gruwel van het technies uitvindingstoeval onbegrensde mogelikheden...

Nemen wij nu in aanmerking, dat juist het krijgskansspel tot dusver in de geschiedenis een hoofdrol heeft gespeeld bij de bepaling der staatsgrenzen, dan begrijpen wij, hoe staatsmacht en oorlogsverloop in één vicieuse cirkel, één draaikolk, hun beider toevalsfaktoren rondwentelen, de rode maalstroom van het oorlogstoeval, waarin alle oorlogsrecht en oorlogsredelikheid verdwijnt.

En in die maalstroom moeten wij het lot der volken werpen?

„Von Zufälligkeiten hängt das Geschick der Völker nicht ab”, zegtBelochen met begrijpelike graagte zegtSteinmetzhet hem na.32)

Dat klinkt overtuigend, voor wie bij „toeval” denkt aan wat in strijd zou zijn met historiese noodwendigheid. Maar het wordt een vrome wens of een met de werkelikheid vloekend optimisme, wanneer men (metBeloch) „toeval” neemt in onze zuiverselektieve zin van zegefaktor, onafhankelik van 's volks zedelik en geestelik peil—en oorlog het lot van volken beslist.

Want de werkelikheid, de resultante van alle selektieve, contra-selektieve en non-selektieve faktoren, die ik heb genoemd en die ik heb vergeten—toont ons onder de staten nu eenmaal militaire reuzen, korrupt, voos en barbaars en militaire dwergen, kerngezond, fysiek, moreel en intellektueel in 't voorste gelid33)—zo goed als omgekeerd. En het verwondert ons niet—want reeds om de boven aangewezen faktoren zou het een wonder wezen zo het anders ware.

Zo heeft dan ons betoog in overeenstemming met de werkelikheid bewezen:Oorlog mist,theoreties en prakties, feitelik en in wezen,elke waarborg van selektieve rechtvaardigheid, van kultureel gunstig in plaats van verderfelik selektief effekt.Daarmee is zijn vonnis ook ten deze geveld. De zekerheid van oorlogsrampen en oorlogsoffers zonder zekerheid van kultuurgewin, ja, met kans op kultuurverlies—het is een onverdedigbare gruwel.

Wij hebben gezien, historiese noodzakelikheid kan selektief toeval en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven aan eenhistorisme, dat spreekt van „onvermijdelik—derhalve rechtvaardig”34)—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt: „Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als Folge hingenommen werden.”35)Een historisme, dat zich niet alleen tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert, omdat het in de grond berust op een fatalistiesnaturalisme, bewust en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”, „domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.36)Vandaar dat smalen op het recht der mensen met hun„ehrfurchtloses Eingreifen”, „ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”, „den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten Eingriffe gestalten zu können”...en vandaar anderzijds die dithyramben op de oorlog als„Richter und Reformator”: „Und gerade seine Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste, weil die allersicherste, sie beruhtnur[ik cursiveer]auf der inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren, der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”37); de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis der„historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres, nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche Urteil!”....

Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.

Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zouSchopenhauerzeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken. Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.

Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze, rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat redelik is onwerkelik zijn.

„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars en overweldigers de geschiedenis schrijven enTote stille Leutezijn. Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis!Gloria victis!

De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott istimmer mit den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk:Victrix causa deis placuit sed victa Catoni.38)

De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.

„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.

En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensenUrteilssprücheals „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatsteErgebnisseniet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur, der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind onrechtvaardig toeval?

Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de „naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding. Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall” (Nietzsche) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.

Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen en de oorlog als rechter in het biezonder.

Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.

Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt nu eensqui perd gagne, dan weerqui gagne perd. We zagen dat boven. En erkent nietSteinmetzzelf, dat mensenverlies en contraselektie door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig, blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?39)Neen, de werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid, pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op peil.40)Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen evenzeer als na overwinningen:propterof ondanks? Om 't even. In geen geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden, ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel, arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelikleven, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen, ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:) tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en hervormend automatisme,bestemd en geschikt voor de taak waarin oorlog jammerlik te kort schiet.41)Van de Russies-Japanse oorlog lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”42)De oorlog bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende, volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.43)Wel zwaar is de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een kwaad aanvaardt!Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ikherinner er hier slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd, nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit, Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid, brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel, de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze aandacht wijden.

Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogsalzijdigheidover? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken!44)

Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik en geestelik volkspeil.

Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van hun tegenpartij? Zelfs komt het mijtwijfelachtig voor of velen onzer de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig, verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets anders dan krijgsgeschiedenis.

Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt (Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims, Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten, in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het kunstvonnis van militaire machtmeting!

Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert, welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen. Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde, zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest, zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef, zijn dichten en denken, levenshouding enlevensstijl—al die fijner en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hungeestesstrijdstrijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling, kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen” worden misbruikt.

Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haaten dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige, laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter, kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” deTriple Ententemet haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en „volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel iemand onzer, zou zelfsSteinmetzde positieve of negatieve graad van zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of antipathie dempen en verzoenen.

Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardighoefteen overwinning niet te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdigkangeen oorlogsuitslag wezen.

Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het ruw, grof eenzijdig, „niet-beslissend” individueel geweld, dat tot „abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet ruwe, alzijdige, dus „beslissende” staatsgeweldpleging.

Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op geestesadel, op „altruïsme”45)seligerend middel van kollektieve, van staten-wedijver!

Maar zelfs toegegeven, dat „staten”als zodanigalleen konkurreren in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs,recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.

Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.


Back to IndexNext