Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer Bollekens zag.
—Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken.
Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij, bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde, met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij gedreigd hem neer te schieten.
Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken! En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij, sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren.
Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou.
In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar vond.
't Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer.
—Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht, zoodra de militair verdwenen was.
—Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij.
Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig. Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet.
—Waarover spraakt ge? vorschte hij,
—O, over alles en over niets.
Hij werd nog meer wantrouwend.
—Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want hij ging dadelijk weg.
Zij zweeg.
—Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als een verwend kind. Wat zei hij!
Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij:
—Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn.
Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op.
—Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd?
—Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij.
—O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de Rosbach ballend.
Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen.
—Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk.
—Wat meent ge? zei hij.
—Met me trouwen.
Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de deur toe.
—Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend.
De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en zuchtend binnen.
—Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander paard nu ook hebben.
—Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior.
De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en liet er zich zwaar in neervallen.
—Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen.
Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen de kanonnen en de redders kwamen niet.
Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen, dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat eener grenzenlooze, doodende verveling.
Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als 't ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er alweer een nieuwe ramp zou gebeuren.
De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven, waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou zeggen.
En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden teruggetrokken.
De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader, 't beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug sloot zij haar lippen op elkaar.
—Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk, met dien vijand, dien verrader!
—Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij en heeft mij ten huwelijk gevraagd.
—En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend van woede.
—Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel.
De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem toesnelden.
—Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon.
Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden uit te brengen.
En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en geschreid hebben.
Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de binnendeur werd aangeklopt.
Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee ingekwartierde officieren traden binnen.
Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van de twee, de Rosbachkerel, zei:
—Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten gastvrijheid te danken.
't Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren."
Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen:
—Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven.
Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps overweldigde hem een vreeselijke angst:
—Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij.
—Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen achterblijven, antwoordde de Rosbach-man.
Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer Bollekens' verlicht gemoed.
—Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar?
—Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij elkaar en reikten de hand.
Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen. Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede.
Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel, die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield.
—Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel, dat zij hem in haar strikken hield.
Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare teleurstelling verbeet.
In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid, waren zij eindelijk weg.
Zeven weken hadden zij daar doorgebracht
Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het leger vertrekken.
Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten.
Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de geweren deden ietwat grimmig aan.
Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's, waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid.
Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden.
Toen kwamen de kanonnen...
Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als 't ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien, en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer meester in hun eigen huis geworden.
't Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog, maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de toekomst had.
Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders, zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun plechtigsten eed op.
En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had.
Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat.
—Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist aangekomen zijn. Zouden we van avond niet...
De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken.
—Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar nog? Heeft hij ze bij zich?
De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij volgde Marie naar de deur.
—Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe meid.
Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet heelemaal van de lucht was.
Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke, witte kolken uit zijn lange pijp.
Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die gewichtig met den vischman onderhandelde...
Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér gelukkig mensch.
Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis, met een dienstknecht en een meid.
Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht, en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en 't een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of gezeur geplaagd te worden.
Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen. Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen.
In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar hij kon het niet laten.
Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen handelsgeest.
Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen, op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten.
Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand in het dorp doorbladerd had.
Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis. Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut geen sprake.
Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien, was alweer een onoplosbaar raadsel.
Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde, terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid, in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een, of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin, nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van. 't Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg, omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen. Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op. Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen. Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te zinspelen.
Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden. Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit:
—'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd. Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al eens van keukenmeid. Versta-je 't?
De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe:
—En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven, versta-je 't?
De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins 't gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel bleven.
Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig, zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds vijanden ontdekte.
—Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen, daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet uitvechten!
—De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen, wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in 't midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en riep uit:
—Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij, onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik, die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen? Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u, en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden!
Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen. 't Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan.
Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen brand en plundering en moord en vernieling.
Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of ik hem daar niet eens kwam opzoeken.
Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan. Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde.
Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het. Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als 't ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje, waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender aan wien ik den weg vroeg.
—'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de man, naar een der huisjes wijzend.
Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak, met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.
't Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede, als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat wantrouwig, glimlachte.
—Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na gegroet te hebben.
—Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.
—Is meneer thuis?
—Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.
Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.
—Is... is... begon ik hopeloos te stameren.
—Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.
—Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel, haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze terug zouden komen?
—Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.
Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen, als ik zoowat over een uur dien weg opliep.
—Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.
—Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, inDen Arend, heel goed. En zij wees het mij met de hand.
Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.
Met vlugge schreden liep ik naarDen Arendtoe.
MevrouwCathoen, dacht ik,mevrouwCathoen! En als een sarrend refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude, hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens, zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.
Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.
Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille eetkamer vanDen Arend, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en vooralmevrouwCathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.
Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen, —'t was niet goedkoop—en na haastig een sigaar te hebben aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van ongezelligheid en holde den dijkweg op.
Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht, midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.
Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen, dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is gaan leven!
Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.
Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu. Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!
Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem over zijn schouder.
—Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.
Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.
—Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld. Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had gelezen.
Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen. —Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde hij.
Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op was.
—Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer vandaan.
Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit het grijze huisje mij had meegedeeld.
—Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.
—O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.
Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.
—En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.
Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.
Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:
—We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen. Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.
Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:
—Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in 't land terug kunnen komen.
Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk. Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd zenuwachtig-gejaagd.
—Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.
Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.
—Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.
Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!
Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien. Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met jonge sparren.
Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op. Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan, die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:
—Laten we hier even gaan zitten.
Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half ontblooten eikenwortel!
—Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem, meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.
In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich in wanhoop en ellende voelt vergaan.
Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en reikte hem mij over.
—Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms, maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?
Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.
—Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.
—Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.
Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen zucht en plotseling begon hij te schreien.
Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.
—Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.
Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij houden moest.
Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te schamen en poogde te glimlachen.
—Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!
—Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat beletten, poogde ik hem te troosten.
—Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende vuisten.
Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje, nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u, 't wordt hier te koud."
Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den dijkweg.
Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte, die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een waskaars bij een lijkbaar.
—Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van 't grijze huisje openend.
—Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.
Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te voorschijn.
—Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend en groetend.
Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond.
—Mijn zuster, stelde de andere haar voor.
Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de kamer uit.
—'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de eerste, zich om de lamp beijverend.
—Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en Fietriene eenstemmig.
Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid.
—'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei ze, zich weghaastend.
Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge geen idee van," zei hij.
Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte gezelligheid.
—Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het ishunkamer, maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge 't niet een delicate attentie?
Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten en ik las:
"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."
Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en vriendelijk vond.
De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar geel en zwart gezicht.
—Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze aanmoedigend.
Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen inDen Arend, waren de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd. Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt, van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo, onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid. O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in uitgelaten feeststemming zou zijn.
Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte:
—Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé?
—Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik.
Daar had hij eensklaps dolle pret om. Zoo!... Had ik daar toch wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis, dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken.
Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in 't geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had. Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor 't laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er meteen een einde aan zou maken.
Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte, weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die even een zucht loosde.
—Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had! klaagde hij.
—Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene.
Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit tot afscheid.
—'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer Cathoen.
—Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte Fietriene zich bezorgd.
Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat zei.
—Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op.
Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest.
Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends had gezegd.
—Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten.
Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad, geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie van sombere, triestige dingen daarbinnen.
Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch. Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket en in een hoek stond een man bij een nietig kranten-en-boekenstalletje.
—Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem.
—'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen.
—Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man.
—Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend.
Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen zou.
—Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad inslaande.
—Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man.
—En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep meneer Cathoen verontwaardigd.
—Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper.
—Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of anderhalf uur voor noodig!
Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de couranten.
—Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend.
Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en zei:
—Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons dierbaar land terug zullen zien.
Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens" wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg, zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend.
—Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken! dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om zich te troosten.
Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten.
—Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man.
Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog.
[Voetnoot van de schrijver: 1) Victorine]
Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten...
Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en, nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van 't onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en 't verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige, akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille, helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou woeden.
De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van 't bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen, maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp. De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch beteekenis meer.
De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster, waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer, die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed, met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking; en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden: hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude begraven worden.
Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster, en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki. Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde, de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin!
"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven worden!"
Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst, zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn nijdige, razende klachten. Het woest brutale recht, het recht van den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen.
De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden. Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor 't bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid.
Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem ongedeerd weer zagen binnen komen.
—We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere stem.
Zij juichten op, als van verlossing.
—O, ja! O, ja! riepen zij smachtend.
In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig.
—Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds bommen daarbuiten.
—Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast excuseerend.
Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten.
Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren. Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt, volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht.
Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen, men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen.
Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit, alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad! Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den drempel, kijken.
't Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende vernieling, tegen de huizen uit elkaar.
De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen.
Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki, die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige, gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te kennen!
Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende, misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn huisje niet scheiden.
Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn divisie aanvoerde en riep:
—Vooruit nu!
Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het tafeltje stond.
—Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster.
Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend, oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend.