Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in 't mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen.
—We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes.
Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den gek te houden.
De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit.
—Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door zachtheid vangen.
—C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte, voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten, honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun armen ten hemel.
—Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij.
Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting. Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht gesloten.
Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis, de steenen treden op.
Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's genade nu!
De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond, maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen, de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en gruzelementen.
De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in 't voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als 't eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten, die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin?
Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op hen af.
—Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen?
De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland.
—Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man.
—Tien frank, meneer.
De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om.
—Negen frank, meneer, liep de man hem na.
De generaal gaf geen antwoord.
—Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord.
De generaal bleef staan.
—Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij.
—Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café bezig iets te gebruiken.
De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde taal:
—Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig.
Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige knollen bespannen.
—Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen.
—Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen.
De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf. Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat 'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en toch maar te voet gaan?
—Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames.
Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn wensch te volgen, drong hij niet verder aan.
—Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij, ongeduldig schokschouderend.
Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit die hel maar wegkwamen.
Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten. De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote, leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte, akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk, waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen.
—Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van verontwaardiging trillende snor.
Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om.
—Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend.
Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op 't ruggebankje plaats.
—Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd.
—Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde de man met een woedenden blik.
—Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard in.
—Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden.
De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen.
De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de donkere gaping van een slop.
Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in hun sombere, eenzame verlatenheid.
Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien. De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom? Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander in den hemel zochten en bevochten.
In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster trok het dekseltje voorzichtig open.
Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd.
—Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn armen in de lucht slaande.
De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki bedaarde.
—Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde nog de generaal.
—Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem, evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster, vergoelijkend.
—Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik hou van hem, maar hij moet zoet zijn.
—Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje.
In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele lichtjes in de duisternis.
De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te halen.
Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel weerklonk, kort en hard:
—Halt!
De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de inzittenden der victoria.
—Papiers! klonk het kortaf.
De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de politie-muts en hakken bij elkaar.
—Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen achteruit.
De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig ratelde langzaam voorwaarts.
Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort. Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen.
Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar 't was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en betaalde.
Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij.
Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes; een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal. De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok.
—Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van neen.
—O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde de man.
De generaal slaakte bijna een vloek.
—Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden.
De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen naar Vlissingen bespreken.
—Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant.
De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift.
Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en maakte geen opmerking.
De lift zoog hen naar boven.
Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven, zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware, innerlijke zorg.
Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen, naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde, viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde. Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu, spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook, 't is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van hen allen wilden redden.
Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht langdurige ballingschap zouden versomberen.
Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke, goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar schoot wilde hebben.
—O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval.
De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van 't verrukte kind.
—Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend.
—Rikiki, glimlachte de generaal.
—Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk het warrelkopje streelend.
De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje met den generaal en de twee dames.
—'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend met kennersoogen.
De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het inderdaad een heel kostbaar hondje was.
—Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man.
—Naar Engeland, verbeterde de generaal.
—O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht.
De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats op.
—Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend.
—Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk.
De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op 't gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek; zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op gezagvoerenden toon:
—Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet!
De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach bedwingen.
—Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al sinds vele jaren, zei hij.
Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op zijn beurt.
—Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij aankomst zes weken in quarantaine gehouden.
De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren man om.
—Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal.
—Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man.
Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere, blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan.
—Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland geweigerd.
De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld, keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen om.
—Is dat heusch zoo? vorschte de generaal.
—Heusch, meneer, verzekerde de magere man.
De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde 't hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de wetsbepalingen.
—Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg.
Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven: de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki, op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten.
—En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande.
De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden, al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven, al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden.
De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon. Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof zij door een onbekende ramp werd overweldigd.
Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige reisgenooten toe.
—Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn?
De dames staakten haar schreien en keken in verbouwereerdheid naar den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost, innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte, onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje, zoentjes toezond...
Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot, die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren.
De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki. 's Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er beslist van af.
—Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar twee armpjes om zijn hals op beide wangen.
De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken, hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden, het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn. De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames.
—Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een paar hapjes genomen had.
—O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki ook eventjes mocht proeven.
—Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar?
Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn korfje, werd even te voorschijn gehaald.
De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden. Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op hun goede gezondheid.
Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld werd.
De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar bonbondoos.
—Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal, haar zacht blond hoofdje aaiend.
Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig.
—En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen maken. Ja?
—O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje.
—Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds dooretenden dikkerd.
—Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog enkele maanden.
De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal foeterde:
—Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen!
—Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg! dat we weer de baas zijn in ons eigen huis.
Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan.
De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte.
—Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar 's gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames, En knikte, en dronk.
De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de woelige restauratiezaal.
De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en grappen wisselend met de aan wal staanden.
De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in zijn binnenzak naar de paspoorten.
—Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje:
—En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald.
Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot in 't diepste van je ingewand doordreunde.
Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor.
—Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend.
Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend.
O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger, duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden.
Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden. Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk opstonden en ook meenden dat het beter was.
Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen. Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt optilde, piepte hij even.
—Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een doodkist.
Zij spoedden zich over de brug naar beneden...
De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit een eind aan zou komen.
Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij dat type wel gezien had.
—Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend.
—Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach.
—Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden meer in Engeland werden toegelaten.
Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn geruite pet afnemend.
—Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach.
—Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen, antwoordde de generaal vagelijk verontrust.
—U weet toch dat het Duitschers zijn?
—Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames, een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond drukten.
—Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig.
—'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring.
De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden uitbrengen.
—Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei 't mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken.
—Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en niet begrijpend.
—Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe.
—O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg.
—Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed, verzekerde 't mannetje.
—Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren, vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling krankzinnig werd.
Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van schrik.
Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal, als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen, riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te halen.
—O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw, angstig in de foule achteruitwijkend.
In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren.
—Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om neer te halen.
De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen 't water op te malen.
—O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven zeggen.
Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig geen notitie meer van de twee huilende vrouwen. Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór Elsatje met Rikiki.
—Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten, zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend.
De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit.
Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair.
—Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen.
Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend
—Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben.
De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn schoonzuster en verweet haar vol toorn:
—Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier niet konden reizen!
Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde, met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje.
—Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de aftrekkende menigte.
—Naar 't hotel, beval de generaal.
—Welk hotel, meneer? vroeg de kruier.
—Kan me niet schelen; 't eerste 't beste.
Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer.
Eindelijk waagde zijn vrouw:
—Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons niet van de boot zien komen.
Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer.
Blijven voorloopig hier. Brief volgt. Generaal.
Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en de dames.
—Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was.
De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg.
In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in feestgetooi, naar de volle zee toe.
De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille, zoete woordjes te sussen.
—Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen..
De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer.
Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp voorbijgetrokken...
Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf...
Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden...
Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende granaten in de straat begonnen neer te slaan.
Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun dorp zien branden...
Nu was de storm voorbij en keerden zij terug.
't Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden zij niet rechtstreeks als een groot verlies.
Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór de drempels stonden.
Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets eigenaardigs aan:
Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild gezang scheen op te stijgen.
Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op zijn drempel kijken.
Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje, dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje.
Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!—'t Was Pierken, het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong, het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden...
Het voertuig naderde. Toen het tusschen de eerste huizen over het puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden dikke klapzoenen.
Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan. Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar aldoor en aldoor met zijn vlaggetje—een zwart en wit en rood gestreepte—zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen.
—Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken neerslachtig.
Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest.
—'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei 't mannetje met schuwe oogen.
Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in 't schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën opspringend.
Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die twee welbekenden—het kleine Pierken en zijn vader—die zoo maar door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou.
Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan, evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een stoel, wat zitten "noenstonden".
Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken, genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein, schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu, niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren.
—Heurt ge 't weer? vraagt Kobeken, de lucht inkijkend, nadat ze daar een poosje roerloos hebben gezeten.
De vrouw kijkt eveneens in 't blauwe van de lucht en knikt dan met het hoofd toestemmend, dat ze 't heel goed hoort.
—Ze zijn weere bezig, zille! roept Kobeken, door 't opengebleven deurgat, zijn dochter toe.
De karn houdt even op met klotsen,
—Wat zegt-e? vraagt Seelevie's stem daarbinnen.
—Da ze weere firm bezig zijn! herhaalt Kobeken. 'k Geleuve zelfs, dat 't noader komt as gisteren.
Blijkbaar boezemt de mededeeling Seelevie geen buitengewone belangstelling in. Zij reageert althans niet verder en in doffe kadans begint de karn weer gelijkmatig te klotsen.
Het is en blijft ook elken dag hetzelfde. Hoe lang zou het nu reeds duren: twee weken, drie weken, vier weken, dat zij dag aan dag, in de verte, het kanongebulder hooren? Sinds lang zijn al hun buren. Van Heule, Bosschaert, Van Lancker, Van Keirsbilke gevlucht, sommigen met hun vee, anderen hun heele boeltje in den steek latend; maar daar moet Kobeken om lachen: hij vlucht niet en zàl niet vluchten, wat er ook gebeure; hij blijft doodkalm waar hij is en bij mooi weer zit hij met zijn vrouw naar het verre gebulder te luisteren, niet meer bewogen dan hij door een ververwijderd onweer zou bewogen worden.
Maar, 't is niet te loochenen: vandaag, voor 't eerst, klinkt het gedonder dichterbij. Vroeger was 't slechts een aanhoudend, dof geroffel. Vandaag zijn 't slagen, echte slagen, wel heel verre nog, maar duidelijk hoorbaar: Boemmm!... en dan een korte stilte, en dan een Rrrannn!... waarbij de ruiten trillen en de aarde dreunt.
—Heurt ge 't, Seelevie? roept Kobeken nog eens naar binnen.
Doch Seelevie hoort blijkbaar niets; zij geeft niet eens antwoord en de karn blijft maar ongestoord stampen en klotsen.
Eensklaps is 't alsof een licht, grijsachtig-geel, doorschijnend floers het helder hemelsblauw komt oversluieren. Het lijkt wel vreemd en eigenaardig, want de zon glinstert en geen enkel wolkje vertoont zich aan den horizont. Zou het soms ergens branden? Of wat is het ook? Harder en talrijker vallen intusschen de slagen, met dreunenden bons, en plots komt in de lucht een dichte vogelzwerm musschen, duiven, meerlen, allerlei vogels door elkaar, die in één grooten, wilden trek naar 't Westen schijnen weg te vluchten. En pas zijn ze verdwenen, of daar verschijnt, hoog in 't azuur, een andere, groote vogel, een die machtig snort en zoemt, en, langs den onderkant goud-glinsterend beschenen door de zon, op strak-breed-uitgespreide vleugels drijft en zwenkt en cirkelt, vlak boven een onzichtbare plek in het veld, waar het nu dadelijk loeit en rookt en kraakt van uit elkaar barstende bommen.
—Seelevie, kom ne keer hier, de vliegmachine es doar, heurt-e gij da niet! roept voor de derde maal Kobeken naar binnen.
Maar Seelevie geeft absoluut geen antwoord en de karn houdt geen oogenblik op met klotsen.
Kobeken is in 't geheel niet bang; en ook zijn vrouw schijnt niet den minsten angst te voelen. Misschien zijn ze te oud en te zeer afgestompt om schrik te hebben: althans, ze blijven rustig zitten en kijken vol belangstelling naar wat nu om hen heen gebeurt.
In Bosschaert's weiland loopen koeien en twee paarden rond, die de eigenaar daar, vóór zijn vlucht, heeft losgelaten. De koeien grazen rustig, alsof er niets gebeurde, maar de paarden zijn wel zenuwachtig onder het loeien en het donderend geknal en rennen op en neer in wilde vaart, met hoog-uitslaande, blinkende hoeven. En plotseling, zonder dat er iets bijzonders schijnt gebeurd te zijn, stort er een neer en blijft het roerloos op het groene weiland liggen.
—Kijk ne keer! kijk ne keer! roept Kobeken verbaasd.
Vóór zijn vrouw den tijd heeft om te antwoorden, liggen ook twee koeien neer en staat Bosschaert's schuur in lichte laaie.
—Seelevie, Seelevie, Bosschaert's schure brandt! roept Kobeken.
Maar eensklaps dreunt de grond als onder een aardbeving en, over den grintweg, langs Kobeke's huisje heen, stormt als 't ware een orkaan voorbij. 't Zijn paarden en ruiters, en automobielen en kanonnen, één zwoegend geraas in verblindende stofwolk, dat bliksemsnel om een scherpe bocht van den landweg verdwijnt.
De glinsterende vlieger inde hooge lucht schijnt hun vluchtende beweging mee te maken. Hij snort en zweeft, als door hen meegetrokken, maar weldra blijft hij nog eens cirkelen en hangen en meteen kraakt en bonst alweer het boemm... boemm... boemm... en schijnt de lucht vol onzichtbare, schril loeiende en gierende monsters, die met razend en fluitend en stoomend en sissend geweld op de aarde neerbarsten.
Kobeken en zijn vrouw zijn opgestaan. Bang zijn ze nog steeds niet, maar wel sterk opgezweept en zelven als het ware in de vlucht meegetrokken. Wat is dat alles gauw gegaan! Waar zijn ze nu, die daar straks als een orkaan voorbijstormden? En wat komt er nog meer? Is 't niet alsof zij droomden? Alsof ze 'n nachtmerrie beleefden? De stem van Seelevie in 't achterhuis roept hen eensklaps tot de werkelijkheid terug:
—Moeder! Moeder!...
De stem klinkt boos, kwaadaardig. En, daar Kobeken noch zijn vrouw dadelijk antwoorden, verschijnt de meid, hijgend en bezweet, met verhit gelaat en slordige haren, op den drempel en herhaalt:
—Ala, toe, moeder, help mij ne keer: de kirn es af!
—Heurt-e da niet! Zie-je da niet! gilt Kobeken, naar het aftrekkend gedonder en geloei in 't Westen wijzend.
Maar reeds is de bezorgde meid weer binnen en moeder volgt haar haastig en amechtig, bang voor standjes.
Alleen blijft Kobeken daar nog even staan. Hij ziet den glinsterenden vlieger cirkelend in de hooge lucht; hij hoort de steeds verdere donderslagen der kanonnen en het suizen en het barsten der granaten, in den grijsachtig-gelen sluier, die zich nu naar het ander einde van den horizont uitspreidt.
Dan loost hij een zucht en zijn blik valt weer op Bosschaert's afbrandende hoeve.
't Is ook al bijna over. Het dak der schuur is geheel ingestort en alleen dichte rookzuilen, met spattende vonken doorflitst, als van een geweldig vuurwerk, stijgen nog ten blauwen hemel op. In 't groene weiland liggen de lijken van het paard en de twee koeien onbewegelijk. Het tweede paard en de overige koeien zijn reeds rustig, op het verste hoekje, weer aan 't grazen...
—Kom, voader, 'n potse káffee drijnken, verzoekt Kobeken's vrouw van op den drempel.
Kobeken kijkt nog eens even in het verre, bruisend Westen en gaat binnen. En, terwijl ze met hun drieën om het tafeltje zitten te slurpen, hooren zij weer, evenals al die andere dagen, niets meer dan een aanhoudend ver en dof geroffel, maar nu aan 't ander einde van den horizont...
—Wel, sakkerdeeke, 'k 'n wist toch niet, dat da zeu gauwe ging! merkte Kobeken nog even op.
Doch de oude moeder zuchtte maar eens even en de nurksche, plompe dochter zeide niets; en al spoedig was Kobeken weer buiten om naar Bosschaert's afgebrande schuur en naar de doode beesten te gaan kijken.
Marchons sans bruit, Voici voici la nuit. Halte-là, on ne passe pas! La garde-civique est là!
Acht uur. 't Is stil en donker...
De loopgraven strekken zich uit langs het kanaal, in een diepte, achter den berm van het begrinte jaagpad.
Daarin liggen de burgerwachten...
Sinds den vroegen middag liggen zij er verscholen, wachtend op den vijand.
Den ganschen dag heeft in de verte het kanon gebulderd. Met den avond zweeg het, maar het leger trekt terug en even vóór duister is, met een gedreun als van een aardbeving, de kanaalbrug door de aftrekkende troepen opgeblazen.
't Is nog de eerste maal, dat de burgerwacht niet vóór het leger wijkt. Totnogtoe, in alle plaatsen, zoodra eenig gevaar dreigde, werd de burgerwacht veilig verder opgezonden. Er werd zelfs den spot mee gedreven en de menschen zeiden:
"Daar, waar zich de burgerwacht bevindt, hoeft men voor den vijand niet bevreesd te zijn."
Maar nu is 't anders. Nu is het leger geweken en de burgerwacht gebleven. Voor 't eerst werd haar een eerepost toevertrouwd. Nu zullen zij eindelijk den vijand zien: den beduchten, wreeden vijand, voor wien alles vlucht!
De commandant der burgerwacht sluipt met zijn adjudant in stilte langs de loopgraven en deelt nog eens met nadruk zijn bevelen uit: "Niet zingen, niet lachen, niet praten, want ieder oogenblik kan de vijand aan de overzijde van 't kanaal verschijnen. Kleine patroeljes uhlanen werden reeds, vóór duisternis, in den omtrek gesignaleerd. En ook niet rooken, streng verbod te rooken, want de vijand zou van verre het licht der aangestreken lucifers of den rooden gloed der brandende sigaren kunnen zien."
Als stille, donkere schimmen en gestalten zitten de burgerwachten in de lange loopgraven. De geweren, op den anderen oever gemikt, liggen onzichtbaar tusschen graszoden, klaar om afgevuurd te worden. De mitrailleuses en ook twee electrische zoeklichten staan achteraan op zij, onder en achter takkenbos verdekt.
De burgerwachten zijn niet bang. Zij zullen moedig hun plicht doen. Wel kloppen hamerend de harten, want het is toch de eerste maal, en het is nacht, en 't is een zenuwspannend wachten op een vijand, die maar niet verschijnt, maar die toch ieder oogenblik, gansch onverwacht en bliksemsnel, kan opduiken. De oogen van de burgerwachten peilen strak de duisternis en hun gespitste ooren luisteren naar elk verwijderd rumoer, naar ieder vaag geluid. Doch zij zien alleen het vage, vale blikkeren van 't donker water in 't kanaal en zij hooren slechts het zuchten van den wind, die zachtjes door het oeverriet suist.
Dat duurt zoo, langen, langen tijd. De moeheid van het vruchteloos wachten verslapt weldra de stramheid der overspannen zenuwen en de oogleden vallen van verveling en afmatting dicht. Het zal alweer een loos alarm zijn. Enkelen rekken hun verkleumde ledematen uit en geeuwen, en anderen wagen zich reeds aan een gefluisterd praatje, als eensklaps een gesmoord bevel door de loopgraven ruischt:
"Opgepast! Ze zijn daar!"
Bliksemsnel omknellen alle handen loop en kolf der geweren. De adem wordt opgehouden, de oogen schitteren in den nacht, de ooren vernemen het zwakste geluid.
Jawel, daar zijn ze, aan den overkant van 't donker water! Men ziet ze nog niet, maar men hoort ze, heel duidelijk. Het zijn uhlanen; zonder twijfel de vlak vóór duisternis daar in de buurt gesignaleerde uhlanen! Men hoort het hoevengetrappel der paarden en het gekletter der sabels tegen de zadels. Zijn er veel? Zijn er weinig? 't Is moeilijk te onderscheiden. Te oordeelen naar het geluid zou men, hoe eigenaardig!, zeggen: weinig paarden en toch heel veel sabels. Hoe kan dat?
De commandant, ineengebukt, loopt als een gejaagde schaduw heen en weer. Alle man klaar? Opgepast! Straks zullen, bliksemsnel, de lichten der electrische projecteurs even opflikkeren, om den vijand te ontdekken, en dan maar vuur! De volle laag!
Een... twee... drie!...
Twee schelle,verblindende lichtbundels doorboren den donkeren nacht! Hun felle gloed valt volop op den vijand en... even is er een stilte, door een plotselingen, langen schaterlach gevolgd!
Wat daar aan den overkant van 't water langs het jaagpad rijdt, is een gewone bierkar!
Een bierkar, bespannen met twee paarden; een bierkar, groengeverfd, met groote, gele advertentie-letters, en volgeladen met tegen elkaar aanrammelende en kletterende, volle en leege flesschen!
De burgerwachten schateren en proesten, terwijl het helle zoeklicht, plots uitgedoofd en weer ontvlamd, met zijn fellen, witten stralenbundel, het aftrekkend gerammel en gekletter achtervolgt. En bij dat zicht voelen de burgerwachten, die daar nu al zoo veel uren liggen, eensklaps folterenden dorst en een bevel weerklinkt, van den eenen oever naar den anderen:
"Halt!"
Het karretje houdt stil. De lichten wemelen en spelen op de flikkerende flesschen en het verschrikte gezicht van den voerman kijkt eventjes uit van onder de kap.