HOOFDSTUK IX.VERBORGEN LEED.“Jo, ik ben ongerust over Betsy.”“Hé, Moeder, zij heeft er toch bizonder goed uitgezien na de komst van de kleintjes.”“Ik ben nu niet zoo zeer ongerust over haar gezondheid, als wel over haar zielstoestand. Ik geloof zeker, dat zij iets op het hart heeft, en ik wou zoo graag, dat jij probeerde te weten te komen, wat het is.”“Waarom denkt u dat, Moeder?”“Zij zit zooveel alleen, en praat niet zooveel met Vader als vroeger. Laatst zat zij met een van de kinderen op schoot te schreien. Als zij zingt, zijn het altijd treurige liederen, en nu en dan heeft haar gezicht een uitdrukking, die ik niet begrijp. Dat is niets voor Bets, en het maakt mij ongerust.”“Hebt u haar er naar gevraagd?”“Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar zij ontweek mijn vragen, of keek zoo bedroefd, dat ik maar ophield. Ik dring mij nooit in het vertrouwen van mijn kinderen, en ik hoef er gewoonlijk niet lang op te wachten.”Mevrouw March sloeg Jo gade terwijl zij sprak, maar het gezichttegenover haar scheen geheel onbewust van geheime bekommernis, behalve over Betsy; en na eenige oogenblikken zwijgend voortgenaaid te hebben, hervatte Jo:“Ik denk, dat het komt omdat zij ouder wordt, en natuurlijk begint te droomen, te hopen, te vreezen, en onrustig te zijn, zonder dat zij weet waarom, en zonder dat zij het uitleggen kan. Wel, Moeder, Bets is achttien; maar wij kunnen ons dat niet voorstellen en behandelen haar nog steeds als een kind, hoewel zij een jonge vrouw is.”“Het is waar, lieve kind, wat groeien jullie allemaal gauw op,” antwoordde haar moeder met een glimlach en een zucht.“Er is niets aan te doen, Moedertje; bereid u dus maar op allerlei tribulaties voor, en laat uw vogeltjes één voor één uit het nest vliegen.Ikzal nooit ver weg vliegen als u dat kan troosten.”“Dat is me zeker een groote troost, Jo; ik voel mij altijd sterk, als jij thuis bent, nu Meta weg is. Bets is te zwak en Amy te jong om op te vertrouwen; maar als het er op aankomt, ben jij altijd klaar.”“Och, u weet dat ik niet veel om een moeilijk karweitje geef, en er moet toch altijd één sloof in de familie zijn. Amy is onverbeterlijk voor fijne werkjes, ik lang niet; maar ik ben in mijn element, als al de kleeden moeten opgenomen worden, of als de heele familie tegelijk ziek is. Amy maakt zich buitenslands beroemd, maar als er thuis iets te doen is, dan ben ik uw man.”“Ik laat Betsy dan maar aan jou over; zij zal haar teeder hartje eerder voor haar Jo, dan voor iemand anders openen. Wees heel vriendelijk voor haar, en laat haar niet denken, dat iemand op haar let of over haar spreekt. Als zij maar weer sterk en vroolijk werd, zou ik niets ter wereld meer te wenschen hebben.”“Gelukkige ziel! Ik wensch zooveel!”“Wel kind, wat dan?”“Eerst zal ik Betsy’s bezwaren uit den weg zien te ruimen, en dan zal ik u de mijne vertellen. Zij zijn niet erg dringend, dus kan ik ze nog wel een poosje voor mij houden;” en Jo naaide voort met een wijs knikje, dat het hart van haar moeder, voor het oogenblik althans, volkomen omtrent haar geruststelde.Oogenschijnlijk in haar eigen bezigheden verdiept, hield Jo een oogje op Betsy; en na eenige elkander tegensprekende gissingen, kwam zij eindelijk op iets, dat de verandering volkomen scheen te verklaren.Een klein voorval gaf haar, naar zij meende, den sleutel van het geheim; en een levendige verbeelding en een liefhebbend hart deden het overige. Op zekeren Zaterdagmiddag toen zij en Betsy alleen bij elkander zaten, deed zij alsof zij geheel verdiept in haar schrijfwerk was; maar terwijl zij voortpende, lette zij telkens op haar zuster, die buitengewoon stil scheen te zijn. Zij zat aan het raam; en dikwijls liet zij haar werk op haar schoot zinken, en leundein een mismoedige houding met het hoofd in de hand, terwijl haar oogen over het sombere herfstlandschap dwaalden. Plotseling ging iemand beneden voorbij onder het fluiten van een vroolijk operadeuntje, en een stem riep haar toe:“Alles in orde! Ik kom van avond!”Betsy schrikte op, leunde uit het venster, glimlachte en knikte, staarde den voorbijganger na, totdat het geluid van zijn vluggen voetstap wegstierf, en zei zachtjes, als tot zich zelve:“Wat ziet die goede jongen er toch sterk en gezond en gelukkig uit!”“Hm,” kwam Jo, nog steeds aandachtig het gezichtje van haar zuster opnemende, want de blos verdween even spoedig als hij gekomen was, de glimlach stierf weg en een traan glinsterde op het kozijn. Betsy veegde hem af en keek schichtig naar Jo, maar deze krabbelde voort in wanhopige haast, schijnbaar geheel verdiept in “Olympia’s Eed.” Zoodra Betsy weer naar buiten staarde, sloeg Jo haar opnieuw gade, zag meer dan eens haar hand stilletjes naar haar oogen gaan, en las in haar half afgewend gelaat een onderworpen droefheid, die haar eigen oogen vol tranen deed schieten. Bevreesd zich te verraden sloop zij de kamer uit, iets mompelend over papier dat zij noodig had.“Lieve hemel, Bets is verliefd op Laurie!” zei zij, terwijl zij op een stoel in haar kamer neerviel, doodsbleek van schrik over de ontdekking, die zij meende gedaan te hebben. “Dat zou ik nooit gedroomd hebben! Wat zal Moeder zeggen! Ik wou wel eens weten of hij—” hier hield Jo op, en werd vuurrood bij een plotseling invallende gedachte. “Als hij haar eens niet liefhad, wat zou dat vreeselijk zijn. Maar hijmoet, ik zal er hem wel toe dwingen,”en zij schudde dreigend het hoofd tegen het portret van den ondeugend glimlachenden jongen aan den muur. “O heden, watschietenwe in eens op! Meta getrouwd en mama, Amy aan het coquetteeren in Parijs, en onze Bets verliefd! Ik ben de eenige, die verstandig genoeg is, om zich niet met die gekheid in te laten.” Jo stond een oogenblik in gedachten verzonken het portret aan te staren; toen ontplooide zich haar gefronst voorhoofd, en zei zij met een beslist knikje—“neen, dank u, mijnheer, u bent heel aardig, maar niet standvastiger dan een weerhaan; schrijf dus maar geen aandoenlijke briefjes, en glimlach maar niet zoo dierbaar, want het helpt je niets, en ik wil het niet hebben!”Ze zuchtte eens diep en verviel in ernstig gepeins, waaruit zij eerst ontwaakte bij het invallen van de vroege schemering. Toen ging ze naar beneden om nieuwe opmerkingen te maken, die haar vermoedens slechts bevestigden. Hoewel Laurie met Amy flirtte, en altijd gekheid maakte met Jo, was zijn gedrag tegenover Betsy steeds bizonder vriendelijk en zacht geweest, maar dat was het geval met iedereen; daarom kwam het in niemand op, dat hij meer om haar zou geven, dan om de anderen. Integendeel, in den laatstentijd leefde de heele familie onder den indruk, dat “onze jongen” meer dan ooit van Jo ging houden, die evenwel geen woord over dit onderwerp wilde hooren, en hevig uitvoer tegen ieder, die er van durfde gewagen. Als zij iets geweten hadden van al de teedere episoden in het afgeloopen jaar, of liever van de pogingen tot teederheid, die in de kiem verstikt waren, zouden zij allen met innige voldoening hebben kunnen zeggen: “Ik heb het wel voorspeld!” Maar Jo had een hekel aan “sentimenteel gezeur”, wilde het niet toestaan, en was altijd klaar met een grap of een snauw, als zij het minste gevaar van dien kant zag naderen.Toen Laurie pas aan de academie was, raakte hij zoowat elke maand verliefd; maar deze kleine vlammetjes waren even kort als hevig, schaadden niemand, en vermaakten Jo geweldig, die groot belang stelde in al de afwisselingen van hoop, wanhoop en gelatenheid, die haar in hun wekelijksche samenkomsten werden toevertrouwd. Maar er kwam een tijd, dat Laurie ophield met het offeren op verschillende altaren, geheimzinnige wenken gaf aangaande een verterenden hartstocht, en aanvallen had van Byroniaansche somberheid. Daarna vermeed hij het teeder onderwerp geheel en al, schreef wijsgeerige briefjes aan Jo, werkte hard, en verkondigde dat hij aan ’t “pompen” ging, om in een stralenkrans van roem te promoveeren. Dit beviel de jonge dame beter dan schemer-avond-confidenties, teedere handdrukken en welsprekende blikken; want bij Jo was het hoofd eerder ontwikkeld dan het hart en zij verkoos denkbeeldige helden boven werkelijke, omdat de eerste, als zij haar verveelden, tot nader order in de blikken poppenkeuken konden opgesloten worden, en de laatste minder handelbaar waren.Zoo stonden de zaken, toen de groote ontdekking gedaan werd, en Jo nam Laurie dien avond oplettender waar, dan ooit tevoren. Wanneer zij dit nieuwe denkbeeld niet in ’t hoofd gekregen had, zou zij niets bizonders gezien hebben in de omstandigheid, dat Betsy heel stil, en Laurie heel vriendelijk jegens haar was. Maar daar zij haar levendige verbeelding den vrijen teugel liet, draafde deze in snellen draf met haar voort, en daar haar gezond verstand wel wat scheen te lijden onder het vele romanschrijven kwam dit haar niet te hulp. Bets lag als naar gewoonte op de sofa; Laurie zat op een laag stoeltje dicht bij en amuseerde haar met allerlei verhalen. Ze verlangde altijd naar haar wekelijksch praatje, en Laurie stelde haar nooit te leur. Maar dien avond verbeeldde Jo zich, dat Betsy’s oogen met bizonder welgevallen op het levendige, donkere gezichtnaasthaar rustten, en dat zij met gespannen aandacht luisterde naar een verhaal van een interessant cricketspel, hoewel de verschillende technische termen even onverstaanbaar voor haar waren als sanscrit. En, daar zij het zoo van harte wenschte, verbeeldde Jo zich ook, dat zij een toenemende innigheid in Laurie’s gedrag opmerkte, dat hij nu en dan fluisterde, minder dan gewoonlijklachte, een beetje afgetrokken was, en gedurig den shawl over Betsy’s voeten goed legde, met een bezorgdheid, die werkelijk teeder genoemd kon worden.“Wie weet! er zijn wel vreemder dingen gebeurd!” dacht Jo, terwijl zij door de kamer drentelde. “Zij zal een engel van hem maken, en wat kan hij voor onze Bets het leven gemakkelijk en aangenaam doen zijn, als zij elkaar liefhebben! Ik zie niet in, hoe hij het zou kunnen laten, en ik geloof, dat hij haarzekerlief zou krijgen, als wij anderen maar uit den weg waren.”Daar iedereen uit den wegwas, behalve zij zelve, begon Jo te begrijpen, dat zij zich zoo gauw mogelijk uit de voeten moest maken. Maar waar zou zij heengaan? Brandende van verlangen om zich op het altaar van zusterlijke liefde te offeren, zette zij zich neer om dit punt eens ernstig te overdenken.Nu was de oude sofa een wezenlijke patriarch van een sofa,—lang, breed, vol kussens en laag. Wel wat vaal en versleten, en geen wonder, want als zuigelingen hadden de meisjes er op geslapen en rondgekropen, als kinderen hadden zij over den rug gevischt, op de armen gereden, en menagerie er onder gespeeld, en als jonge meisjes hadden zij hun vermoeide hoofdjes er op neergelegd, droomen gedroomd, of naar teedere woorden geluisterd. Zij hadden allen die oude canapé lief, want zij was een familie-toevluchtsoord, en éen hoekje was altoos Jo’s geliefkoosd rustplaatsje geweest. Onder de vele kussens, die de eerwaardige rustbank versierden, was er éen langwerpig rond, met stekelig paardenhaar bekleed, en versierd met een harden knoop aan de uiteinden; dit weinig uitlokkend kussen was haar particulier eigendom en werd door haar gebruikt als verdedigingswapen, barricade, of streng voorbehoedmiddel tegen al te grooten sluimerlust.Laurie kende dit kussen maar al te goed, en had reden om het met bizonderen afkeer te beschouwen, daar hij er in vroeger dagen, toen stoeien nog geoorloofd was, vaak onbarmhartig mee toegetakeld werd, en het hem nu dikwijls beroofde van het plaatsje, waarop hij het meest gesteld was, naast Jo, in het hoekje van de canapé. Als “de worst”, zooals zij het noemden, overeind stond, was dit een teeken, dat hij mocht naderen en rusten, maar wee over man, vrouw en kind, die het durfde verleggen, wanneer het dwars over de sofa lag! Dien avond vergat Jo haar hoekje te barricadeeren, en ze zat nog geen vijf minuten, of een lange gedaante verscheen naast haar, en met beide armen uitgespreid over den rug van de canapé en beide lange beenen voor zich uitgestrekt, riep Laurie, met een zucht van voldoening: “Datis een tref.”“Geen nonsens, alstjeblieft!” snauwde Jo, haar kussen zwaaiende. Maar het was al te laat, er was geen plaats meer voor; het kwam op den grond te land en verdween op de meest geheimzinnige manier.“Kom Jo, wees nu niet stekelig! Nadat een mensch zich de heeleweek tot een geraamte heeft afgesloofd, verdient hij wel eens een beetje verwend te worden.”“Betsy zal je wel verwennen, ik heb het te druk!”“Neen, ik wil haar niet lastig vallen; maar jij houdt van zoo iets, of je moest er plotseling den smaak voor verloren hebben. Is dat zoo? heb je een hekel aan me gekregen en begeer je me met kussens te verjagen?”Iets meer verteederends dan deze treffende vraag kon moeilijk bedacht worden, maar Jo trachtte “haar jongen” te vernietigen door hem op het lijf te vallen met de grimmige vraag:“Hoeveel bouquetten heb je deze week aan juffrouw Randal gezonden?”“Geen een, op mijn woord. Zij is geëngageerd—dus!”“Daar ben ik blij om; dat is een van je vele dwaze geldverspillingen, bloemen en prullen te sturen aan meisjes, om wie je geen zier geeft,” zei Jo berispend.“Verstandige meisjes om wie ikergveel geef, willen niet hebben, dat ik hen ‘bloemen en prullen’ stuur, en wat moet ik dan doen? Mijn gevoelensmoeteneen uitweg hebben!”“Moeder houdt niet van flirten, zelfs niet uit gekheid, en jij flirt vreeselijk, Teddy.”“Ik zou alles willen geven, als ik kon antwoorden: jij ook. Maar nu ik dit niet kan, wil ik alleen maar zeggen, dat ik niets geen kwaad zie in dit vermakelijke spelletje, als beide partijen begrijpen, dat het maar gekheid is.”“Het lijkt wel amusant, maar ik kan het eenvoudig niet leeren. Ik heb het geprobeerd, omdat het zoo stijf staat in gezelschap, als je niet doet zooals ieder ander; maar ik heb het er nog niet ver in gebracht,” bekende Jo, haar rol van mentor vergetende.“Neem les bij Amy; die heeft er goed slag van!”“Ja, zij doet het handig, en schijnt het nooit te ver te drijven. Ik geloof, dat het sommige menschen natuurlijk afgaat en dat zij zonder eenige moeite kunnen behagen, terwijl andere altijd op verkeerde plaatsen verkeerde dingen zeggen en doen.”“Ik ben blij, dat jij niet kunt flirten; het is zoo’n verkwikking eens een verstandig, openhartig meisje te zien, dat vertrouwelijk en vriendelijk kan zijn, zonder zich gek aan te stellen. Onder ons gezegd, Jo, een paar van de meisjes, die ik ken, gaan er zoo ver mee, dat zij zich moesten schamen. Zij meenen niets kwaads, dat geloof ik wel; maar als zij wisten hoe er later over hen gesproken werd, zouden zij het stellig laten.”“Zij bepraten jullie evengoed; en daar hun tongen het scherpst zijn, zijn jullie, jongens, er het ergst aan toe, want jullie zijn precies even coquet als zij. Wanneer jongelui zich gewoon gedroegen, zouden zij het ook doen; maar omdat zij weten, dat jullie van dien nonsens houdt, gaan ze er mee voort; en dan veroordeel je hen er later om!”“Je weet er nog niet veel van, jongejuffrouw,” zei Laurie, beleerend. “Wij houden niet van die malle coquettes, al nemen wij er soms den schijn van aan. Over lieve, eenvoudige meisjes wordt onder jongelui nooit dan met achting gesproken. Heilige onschuld, als je eens voor een maand in mijn plaats was, zou je dingen hooren, die je stellig zouden verbazen. Op mijn woord, als ik een van die aanstellerige wezens zie, zou ik altijd wel willen zeggen, wat in dat kinderversje staat: ‘Schaam u, poedel, schaam u wat!’”Het was onmogelijk niet te lachen over den potsierlijken strijd tusschen Laurie’s ridderlijken afkeer om iets kwaads van het vrouwelijke geslacht te zeggen, en zijn zeer natuurlijke antipathie tegen de onvrouwelijke dwaasheden, waarvan hij in zijn studentenleven zoo menig voorbeeld aantrof. Jo wist, dat “de jonge Laurence” door berekenende moeders als een “hoogst verkieselijke partij” werd beschouwd, dat hun dochters hem toelachten, en dat hij genoeg gevleid werd door vrouwen van allerlei leeftijd, om een zotskap van hem te maken; zij hield dus naijverig de wacht over hem, vreezende, dat hij bedorven zou worden, en zij was nu veel meer verheugd, dan zij wilde toonen, toen zij hoorde, dat hij nog in eenvoudige, natuurlijke meisjes geloofde. Plotseling weer in haar vermanenden toon vervallende zei zij wat zachter: “Als je gevoelens bepaald een uitwegmoetenhebben, Teddy, wijd je dan aan een van die ‘lieve, eenvoudige meisjes’, voor wie je achting voelt, en verbeuzel je tijd niet met die laffe wezens.”“Raad je mij dat in ernst aan?” en Laurie keek haar in de oogen met een dwaze mengeling van onrust en vroolijkheid.“Ja zeker; maar je zou beter doen met te wachten, tot je gepromoveerd was, en je onderwijl vast een beetje te verbeteren. Je bent niet half goed genoeg voor—nu, voor wie dat ‘lieve, eenvoudige meisje’ dan ook mag zijn;” en Jo keek ook een beetje eigenaardig want bijna was haar een naam ontsnapt.“Neen, dat ben ik ook niet,” bekende Laurie, met een voor hem geheel nieuwe uitdrukking van nederigheid, terwijl hij de banden van Jo’s schortje om zijn vinger wond.“Lieve hemel, zoo komen wij nooit verder,” dacht Jo, en voegde er overluid bij: “Toe, ga eens wat zingen; ik snak naar wat muziek, en ik hoor je altijd zoo graag.”“Ik blijf liever hier zitten, dank je.”“Neen, dat kan niet, er is geen plaats. Kom, maak jezelf nu maar eens verdienstelijk, nu je te groot bent om voor ornament te dienen. Ik dacht, dat jij er zoo’n hekel aan had om aan den boezelaar van een vrouw te hangen,” prikkelde Jo, een paar van zijn oproerige woorden aanhalende.“Dat hangt er heelemaal van af, wie den boezelaar voorheeft;” en Laurie gaf een brutalen ruk aan de banden.“Ga je haast?” vroeg Jo naar het kussen duikende.Laurie vloog op, en zoodra het eerste studentenlied weerklonk,sloop zij stil weg, en kwam niet terug, voordat de jonge heer in heftige verontwaardiging verdwenen was.Jo lag dien nacht lang wakker, en eindelijk, juist op het punt van in te slapen, deed een gesmoorde snik haar op eens naar Betsy’s bed vliegen, met de bezorgde vraag: “Wat scheelt er aan, Bets?”“Ik dacht, dat je al sliep,” snikte Betsy.“Is het de oude pijn, lieveling?”“Neen, het is iets nieuws, maar ik kan het wel dragen,” en Betsy trachtte haar tranen te bedwingen.“Toe, vertel er mij eens alles van, en laat ik het genezen, zooals ik de andere pijn heb gedaan.”“Dat kun je niet; hier helpt niets voor.” Verder kon Betsy niet spreken, maar ze klemde zich aan haar zuster vast en schreide zoo wanhopend, dat Jo er van schrikte.“Waar zit het? zal ik Moeder gaan roepen?”Betsy antwoordde niet op de eerste vraag, maar in het donker ging de eene hand onwillekeurig naar haar hart, alsof zij de pijn daar voelde; met de andere hield zij Jo stijf vast, en fluisterde driftig: “Neen, neen, roep Moeder niet, vertel het haar niet! Ik zal wel gauw beter zijn, kom hier bij mij liggen, en strijk met je hand over mijn voorhoofd. Dan zal ik stil zijn en gauw gaan slapen; heusch, ik beloof het je.”Jo gehoorzaamde, maar terwijl haar hand zachtjes heen en weer gleed over Betsy’s gloeiend voorhoofd en vochtige oogleden, was haar hart overvol, en verlangde ze innig te mogen spreken. Maar, jong als zij was, zij had geleerd, dat harten, evenmin als bloemen tegen een ruwe behandeling kunnen, en zich van zelf moeten openen; daarom, hoewel zij de reden van Betsy’s nieuwe droefheid meende te weten, zei zij enkel op teederen toon: “Is er iets, dat je hindert, Bets?”“Ja, Jo!” na een lange pauze.“Zou het je geen troost geven, als je mij vertelde wat het is?”“Nu niet—nog niet.”“Dan zal ik er niet naar vragen,maarvergeet niet, Betslief, dat Moeder en Jo altijd klaar zijn om naar je te luisteren en je te helpen, als zij kunnen.”“Dat weet ik. Ik zal het je later wel vertellen.“Is de pijn nu beter?”“O ja, veel beter; je bent zoo’n goede troost Jo.”“Ga dan maar slapen, lieveling, ik zal bij je blijven.”Zoo vielen zij in elkanders armen in slaap, en den volgenden morgen scheen Betsy weer geheel en al in orde te zijn; want als men achttien jaar is, duurt de pijn in hoofd noch hart lang, en kan een deelnemend woord de meeste kwalen genezen.Maar Jo had een besluit genomen, en na eenige dagen nadenkens deelde zij het haar moeder mee.“U vroeg mij laatst, wat mijn wenschen waren,” begon zij, toenzij eens alleen bij elkander zaten. “Ik zal er u een van vertellen’, Moeder; ik zou dezen winter zoo graag eens voor een verandering ergens heen gaan.”“Waarom, Jo?” en haar Moeder keek plotseling op, alsof zij een verborgen meening in haar woorden zocht.Met haar oogen op haar werk antwoordde Jo ernstig: “Ik wou eens iets nieuws hebben; ik voel me zoo rusteloos, en verlang meer te zien, te doen en te leeren, dan tot nog toe. Ik denk te veel aan mijn eigen kleine wederwaardigheden, en ik heb een opfrisschinkje noodig; dus nu ik van den winter wel gemist kan worden, zou ik graag eens uitvliegen en op eigen wieken drijven.”“En waar wil je heenvliegen?”“Naar New-York. Ik kreeg gisteren een gelukkigen inval. U herinnert zich wel, dat mevrouw Kirke u schreef over een beschaafd meisje om de kinderen te leeren en wat te naaien, ’t Is moeilijk iets te vinden, dat mij in alle opzichten zou bevallen, maar ik denk dat ik dit wel zou kunnen, als ik mijn best doe.”“Kind, wil je in betrekking gaan in dat groote pension?” en mevrouw March keek verwonderd, maar niet onvriendelijk.“Het is niet bepaald in betrekking, want mevrouw Kirke is uw vriendin—de vriendelijkste ziel, die ooit geleefd heeft—en zij zou alles zoo aangenaam mogelijk voor mij inrichten. Haar gezin leeft afgezonderd van die vreemde menschen en niemand kent mij daar. En daar zou ik toch ook niet om geven; het is eerlijk werk en ik schaam mij er niet voor.”“Ik ook niet, maar je schrijverij?”“Daar zal een verandering ook goed voor zijn. Ik zal nieuwe dingen zien en hooren, en nieuwe denkbeelden opdoen, en al heb ik er daar niet veel tijd voor, ik zal overvloed van stof voor mijn verhalen mee naar huis brengen.”“Daar twijfel ik niet aan; maar is dit de eenige reden voor dat plotselinge plan?”“Neen, moeder.”“Mag ik de andere reden weten?”Jo keek naar boven en Jo keek naar beneden, bloosde en antwoordde toen zachtjes:“Misschien is het ijdel of verkeerd van mij, dat ik het zeg, maar—ik ben bang,—dat Laurie te veel van me gaat houden.”“Dus geef jij niet om hem op de manier, waarop hij blijkbaar van jou houdt?” vroeg mevrouw March met een bezorgde uitdrukking op het gelaat.“O hemel, neen! ik houd evenveel van hem, als ik altijd gedaan heb, en ik ben heel trotsch op hem; maar van een dieper gevoel kan geen sprake zijn.”“Daar ben ik blij om, Jo.”“Waarom?”“Omdat ik niet geloof, lieve kind, dat jullie bij elkander zoudtpassen. Als vrienden kun je het samen best vinden, en jullie telkens terugkeerende kibbelpartijtjes zijn gauw genoeg bijgelegd; maar ik vrees, dat je beiden in opstand zoudt komen als je voor je heele leven verbonden waart. Jullie zijn te veel van dezelfde natuur en te veel op je vrijheid gesteld—om niet eens van jullie opvliegendheid en onbuigzaamheid te spreken—dan dat je tezamen gelukkig zoudt kunnen zijn in een verhouding, die zoowel oneindig geduld en verdraagzaamheid, als liefde vordert.”“Dat is juist, wat ik ook voelde, maar ik kon het niet zoo uitdrukken. Ik ben blij, dat u denkt, dat hij pas begonnen is van mij te houden. Het zou mij erg aan ’t hart gaan hem ongelukkig te maken; maar ik kan toch niet alleen uit dankbaarheid en medelijden op den ouwen jongen verliefd worden, wel?”“Ben je zeker van zijn gevoelens omtrent jou?”Weer vloog Jo het bloed naar de wangen, en ze antwoordde met een blik van voldoening, trots en medelijden, eigen aan jonge meisjes, als zij van hun eersten aanbidder spreken:“Ik vrees van ja, Moeder; hij heeft wel niets gezegd met woorden, maar des te meer met zijn oogen. Ik geloof dat het maar beter is heen te gaan, eer het uitgesproken wordt.”“Dat geloof ik ook, en als het geschikt kan worden, mag je gaan.”Jo scheen verlicht en zei na eenige oogenblikken glimlachend:“Wat zou mevrouw Moffat versteld staan over uw gebrek aan overleg, als zij het wist; en wat zal ze blij zijn, dat Annie nu weer kan hopen.”“Och, Jo, moeders mogen verschillen in de soort van overleg, maar hun begeerte is altijd dezelfde: hun kinderen recht gelukkig te zien. Meta is gelukkig en ik verheug mij daar innig over. Jij moogt je vrijheid genieten, totdat je er genoeg van hebt, want eerst dan zul je kunnen begrijpen, dat er iets nog beters bestaat. Amy veroorzaakt mij op ’t oogenblik de meeste zorg, maar haar gezond verstand zal haar wel helpen. Wat Betsy betreft, voor haar durf ik niets hopen, dan dat zij gezond mag worden. Maar, zij scheen wat opgewekter in de laatste dagen. Heb je met haar gesproken?”“Ja, zij erkende, dat zij iets op het hart had, en beloofde het mij over een poos te zullen vertellen. Ik vroeg niets meer, want ik geloof, dat ik het wel weet,” en Jo vertelde haar kleine geschiedenis.Mevrouw March schudde het hoofd, en beschouwde de zaak niet geheel uit zoo’n romantisch oogpunt, maar zij keek ernstig, en zei nogmaals, dat Jo, terwille van Laurie, maar voor eenigen tijd van huis moest gaan.“Laten wij er hem niets van zeggen, voordat het plan vastgesteld is; en dan zal ik verdwenen zijn, eer hij zijn gedachten bij elkander heeft en tragisch kan worden. Betsy moet in den waan blijven, dat ik voor mijn eigen plezier ga, want ik kan met haar niet over Laurie spreken; maar zij kan hem opbeuren en vertroosten als ik weg ben, en hem zoodoende die sentimenteele gedachten uithet hoofd jagen. Hij heeft al verscheiden van die kleine beproevingen achter den rug; hij is er aan gewoon, en zal zijn ‘liefdesmart’ dus wel gauw te boven komen.”Jo sprak hoopvol, maar zij kon de vrees niet wegredeneeren, datdeze“kleine beproeving” zwaarder zou blijken, dan de vorige, en dat Laurie niet zoo gemakkelijk als tot nog toe zijn “liefdesmart” te boven zou komen.Het plan werd in den familieraad besproken en goedgekeurd, want mevrouw Kirke was zeer ingenomen met Jo’s aanbod, en beloofde haar een aangenaam tehuis.Haar salaris was voldoende om haar onafhankelijk te doen zijn, en den vrijen tijd, dien zij over had, kon zij aan schrijven besteden; bovendien zou de verandering van tooneel en omgeving zoowel nuttig als aangenaam voor haar wezen. Jo verheugde zich in het vooruitzicht en verlangde weg te komen, want het ouderlijk huis werd te eng voor haar rustelooze natuur en avontuurlijken geest. Toen alles bepaald was, vertelde zij het onder vreezen en beven aan Laurie; maar, tot haar verwondering, nam hij het heel kalm op. Hij was in den laatsten tijd ernstiger dan gewoonlijk geweest, maar “heel genoeglijk,” vond Jo, en wanneer ze hem in scherts vroeg of hij een nieuw blaadje had omgeslagen, antwoordde hij rustig: “Dat heb ik, en ik ben van plan dit omgeslagen te laten blijven.”Jo was bizonder in haar schik, dat nu juist een zijner deugdzame buien over hem gekomen was, en maakte haar toebereidselen met een verruimd gemoed—want Betsy scheen wat vroolijker—en zij hoopte, dat wat zij ondernam werkelijk voor allen het beste zou blijken.“Voor één ding hoop ik, dat je bizonder zorg zult dragen, Bets,” zei zij den avond voor haar vertrek.“Voor je papieren?” vroeg Betsy.“Neen—voor mijn jongen. Wees heel lief voor hem—wil je?”“Natuurlijk, ik zal ’t probeeren; maar ik kan jouw plaats niet vervullen, en hij zal je erg missen.”“Dat zal hem geen kwaad doen; onthoud dus, dat ik hem in jouw speciale zorg achterlaat, om hem te plagen, te bederven en in ’t rechte spoor te houden.”“Ik zal mijn best doen,” beloofde Betsy, verwonderd dat Jo haar zoo vreemd aankeek.Toen Laurie afscheid kwam nemen, fluisterde hij veelbeteekenend: “’t Zal geen zier helpen, Jo. Mijn oog is op jou gevestigd, bedenk dus wel wat je doet, of ik kom je op een goeien dag naar huis halen.”HOOFDSTUK X.JO’S DAGBOEK.New-York, Nov.Lieve Moeder en Betsy.Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.Dinsdagavond.Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg“Kennst du das Land”.begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:“Herein!”Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”“Een gouvernante of zooiets.”“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”“Een vriendin van de oude vrouw.”“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!Donderdag.De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.Zaterdag.Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk vanUw ouwe trouweJo.P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!Dec.Mijn allerliefste Bets,Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou, omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog al amusant—en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger “Herculanumsche” pogingen noemde, op ’t gebied van geestelijke en zedelijke “agricultuur”, beginnen mijn paedagogische begrippen zich te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens, maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij, om de orde te bewaren; je weet niet, hoe ’n pret we dan hebben!Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo’n grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer Bhaer’s kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.“Heb je ooit zoo’n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft, die ik hem niet lang geleden gegeven heb.”Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens rond, want het was wezenlijk een “hol.” Overal boeken en papier; een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel, zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor ’t vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie van de verloren schapen voor den dag—één hing over de vogelkooi, één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt om er een gloeiende pook mee aan te vatten.“Wat een man!” lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de overblijfselen in de prullemand stopte.“Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten, verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid.”“Laat ik het verstelwerk maar op me nemen,” stelde ik voor, “ik geef er niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen; hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen, en mij boeken te leenen.”Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren; want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot een nieuwe leerling zei, die even dom is in ’t Duitsch als ik. Het meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen, terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.“Zoo,” zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde.“U begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie, ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?”“Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren,” stamelde ik, zoo rood als een pioen.“Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik heb deze rekening te betalen,” terwijl hij op mijn werk wees. “Ja, zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken, dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur, of geen goede fee mag meer aan ’t werk voor mij en het mijne.”Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo’n uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk, alsof ik mijn naam met roem had overladen.“Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven, dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft.”Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen’s sprookjes zoo uitlokkend voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk toog met een gevoel van “overwinnen of sterven,” dat hem ontzaglijk scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn hartelijke manier uit: “Das ist gut! Nu gaan wij goed!—Mijn beurt. Ik doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!” En daar ging hij, terwijl hij met zijn heldere stem de lange woorden met zoo’n genot uitgalmde, dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen wij de geschiedenis van het “Tinnen Soldaatje,” die, zooals je weet, grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik de helftniet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen, hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo onweerstaanbaar komisch.Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel, dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan ’t werk schijnt te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.Jan.Een gelukkig Nieuwjaar wensch ik mijn heele familie; mijnheer L. en een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam ’s morgens, maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven; ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van “gevoel” gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote, vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en maakte een luchtsprong. Het was zoothuis-achtigen heerlijk, dat ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken, te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had, en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van gekocht. Betsy’s nieuwe “inktboezelaar” was kapitaal, en Hanna’s trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft, en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik dank u allen duizend en duizendmaal!Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde, toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mijmijn naam op het titelblad wees, met daaronder: “Van mijn vriend Friedrich Bhaer.”“Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een: want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan, en ze met uw pen te teekenen.”Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen “vriend Friedrich Bhaer.”Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben, gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi, of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor zijn bloem—want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt—en een “aanpakkertje” voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn “mouchoirs” zooals Amy ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy’s model—een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels, paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is, vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis; en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe, vergat hém. Daar was ik zoo blij om!Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop1, en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij, want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille, trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf en koel ben, en dat ben ik ooktegen uilskuikens) kon dansen, zich verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien, hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest; en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom2, en Tina was Titania, in zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen was “een landschap”, om een Teddyisme te gebruiken.Over ’t geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbendeJo.1Mrs. Malaprop (mal à propos) is een figuur uit Sheridan’s blijspelThe Rivals(de Medeminnaars), bekend om de grappige manier waarop ze verschillende uitdrukkingen en personen dooreenhaspelt.2Een Atheensch wever, voorkomende in Shakespeare’s:Midzomernachtsdroom, waarin Titania, de feeënkoningin, ook een hoofdrol vervult.
HOOFDSTUK IX.VERBORGEN LEED.“Jo, ik ben ongerust over Betsy.”“Hé, Moeder, zij heeft er toch bizonder goed uitgezien na de komst van de kleintjes.”“Ik ben nu niet zoo zeer ongerust over haar gezondheid, als wel over haar zielstoestand. Ik geloof zeker, dat zij iets op het hart heeft, en ik wou zoo graag, dat jij probeerde te weten te komen, wat het is.”“Waarom denkt u dat, Moeder?”“Zij zit zooveel alleen, en praat niet zooveel met Vader als vroeger. Laatst zat zij met een van de kinderen op schoot te schreien. Als zij zingt, zijn het altijd treurige liederen, en nu en dan heeft haar gezicht een uitdrukking, die ik niet begrijp. Dat is niets voor Bets, en het maakt mij ongerust.”“Hebt u haar er naar gevraagd?”“Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar zij ontweek mijn vragen, of keek zoo bedroefd, dat ik maar ophield. Ik dring mij nooit in het vertrouwen van mijn kinderen, en ik hoef er gewoonlijk niet lang op te wachten.”Mevrouw March sloeg Jo gade terwijl zij sprak, maar het gezichttegenover haar scheen geheel onbewust van geheime bekommernis, behalve over Betsy; en na eenige oogenblikken zwijgend voortgenaaid te hebben, hervatte Jo:“Ik denk, dat het komt omdat zij ouder wordt, en natuurlijk begint te droomen, te hopen, te vreezen, en onrustig te zijn, zonder dat zij weet waarom, en zonder dat zij het uitleggen kan. Wel, Moeder, Bets is achttien; maar wij kunnen ons dat niet voorstellen en behandelen haar nog steeds als een kind, hoewel zij een jonge vrouw is.”“Het is waar, lieve kind, wat groeien jullie allemaal gauw op,” antwoordde haar moeder met een glimlach en een zucht.“Er is niets aan te doen, Moedertje; bereid u dus maar op allerlei tribulaties voor, en laat uw vogeltjes één voor één uit het nest vliegen.Ikzal nooit ver weg vliegen als u dat kan troosten.”“Dat is me zeker een groote troost, Jo; ik voel mij altijd sterk, als jij thuis bent, nu Meta weg is. Bets is te zwak en Amy te jong om op te vertrouwen; maar als het er op aankomt, ben jij altijd klaar.”“Och, u weet dat ik niet veel om een moeilijk karweitje geef, en er moet toch altijd één sloof in de familie zijn. Amy is onverbeterlijk voor fijne werkjes, ik lang niet; maar ik ben in mijn element, als al de kleeden moeten opgenomen worden, of als de heele familie tegelijk ziek is. Amy maakt zich buitenslands beroemd, maar als er thuis iets te doen is, dan ben ik uw man.”“Ik laat Betsy dan maar aan jou over; zij zal haar teeder hartje eerder voor haar Jo, dan voor iemand anders openen. Wees heel vriendelijk voor haar, en laat haar niet denken, dat iemand op haar let of over haar spreekt. Als zij maar weer sterk en vroolijk werd, zou ik niets ter wereld meer te wenschen hebben.”“Gelukkige ziel! Ik wensch zooveel!”“Wel kind, wat dan?”“Eerst zal ik Betsy’s bezwaren uit den weg zien te ruimen, en dan zal ik u de mijne vertellen. Zij zijn niet erg dringend, dus kan ik ze nog wel een poosje voor mij houden;” en Jo naaide voort met een wijs knikje, dat het hart van haar moeder, voor het oogenblik althans, volkomen omtrent haar geruststelde.Oogenschijnlijk in haar eigen bezigheden verdiept, hield Jo een oogje op Betsy; en na eenige elkander tegensprekende gissingen, kwam zij eindelijk op iets, dat de verandering volkomen scheen te verklaren.Een klein voorval gaf haar, naar zij meende, den sleutel van het geheim; en een levendige verbeelding en een liefhebbend hart deden het overige. Op zekeren Zaterdagmiddag toen zij en Betsy alleen bij elkander zaten, deed zij alsof zij geheel verdiept in haar schrijfwerk was; maar terwijl zij voortpende, lette zij telkens op haar zuster, die buitengewoon stil scheen te zijn. Zij zat aan het raam; en dikwijls liet zij haar werk op haar schoot zinken, en leundein een mismoedige houding met het hoofd in de hand, terwijl haar oogen over het sombere herfstlandschap dwaalden. Plotseling ging iemand beneden voorbij onder het fluiten van een vroolijk operadeuntje, en een stem riep haar toe:“Alles in orde! Ik kom van avond!”Betsy schrikte op, leunde uit het venster, glimlachte en knikte, staarde den voorbijganger na, totdat het geluid van zijn vluggen voetstap wegstierf, en zei zachtjes, als tot zich zelve:“Wat ziet die goede jongen er toch sterk en gezond en gelukkig uit!”“Hm,” kwam Jo, nog steeds aandachtig het gezichtje van haar zuster opnemende, want de blos verdween even spoedig als hij gekomen was, de glimlach stierf weg en een traan glinsterde op het kozijn. Betsy veegde hem af en keek schichtig naar Jo, maar deze krabbelde voort in wanhopige haast, schijnbaar geheel verdiept in “Olympia’s Eed.” Zoodra Betsy weer naar buiten staarde, sloeg Jo haar opnieuw gade, zag meer dan eens haar hand stilletjes naar haar oogen gaan, en las in haar half afgewend gelaat een onderworpen droefheid, die haar eigen oogen vol tranen deed schieten. Bevreesd zich te verraden sloop zij de kamer uit, iets mompelend over papier dat zij noodig had.“Lieve hemel, Bets is verliefd op Laurie!” zei zij, terwijl zij op een stoel in haar kamer neerviel, doodsbleek van schrik over de ontdekking, die zij meende gedaan te hebben. “Dat zou ik nooit gedroomd hebben! Wat zal Moeder zeggen! Ik wou wel eens weten of hij—” hier hield Jo op, en werd vuurrood bij een plotseling invallende gedachte. “Als hij haar eens niet liefhad, wat zou dat vreeselijk zijn. Maar hijmoet, ik zal er hem wel toe dwingen,”en zij schudde dreigend het hoofd tegen het portret van den ondeugend glimlachenden jongen aan den muur. “O heden, watschietenwe in eens op! Meta getrouwd en mama, Amy aan het coquetteeren in Parijs, en onze Bets verliefd! Ik ben de eenige, die verstandig genoeg is, om zich niet met die gekheid in te laten.” Jo stond een oogenblik in gedachten verzonken het portret aan te staren; toen ontplooide zich haar gefronst voorhoofd, en zei zij met een beslist knikje—“neen, dank u, mijnheer, u bent heel aardig, maar niet standvastiger dan een weerhaan; schrijf dus maar geen aandoenlijke briefjes, en glimlach maar niet zoo dierbaar, want het helpt je niets, en ik wil het niet hebben!”Ze zuchtte eens diep en verviel in ernstig gepeins, waaruit zij eerst ontwaakte bij het invallen van de vroege schemering. Toen ging ze naar beneden om nieuwe opmerkingen te maken, die haar vermoedens slechts bevestigden. Hoewel Laurie met Amy flirtte, en altijd gekheid maakte met Jo, was zijn gedrag tegenover Betsy steeds bizonder vriendelijk en zacht geweest, maar dat was het geval met iedereen; daarom kwam het in niemand op, dat hij meer om haar zou geven, dan om de anderen. Integendeel, in den laatstentijd leefde de heele familie onder den indruk, dat “onze jongen” meer dan ooit van Jo ging houden, die evenwel geen woord over dit onderwerp wilde hooren, en hevig uitvoer tegen ieder, die er van durfde gewagen. Als zij iets geweten hadden van al de teedere episoden in het afgeloopen jaar, of liever van de pogingen tot teederheid, die in de kiem verstikt waren, zouden zij allen met innige voldoening hebben kunnen zeggen: “Ik heb het wel voorspeld!” Maar Jo had een hekel aan “sentimenteel gezeur”, wilde het niet toestaan, en was altijd klaar met een grap of een snauw, als zij het minste gevaar van dien kant zag naderen.Toen Laurie pas aan de academie was, raakte hij zoowat elke maand verliefd; maar deze kleine vlammetjes waren even kort als hevig, schaadden niemand, en vermaakten Jo geweldig, die groot belang stelde in al de afwisselingen van hoop, wanhoop en gelatenheid, die haar in hun wekelijksche samenkomsten werden toevertrouwd. Maar er kwam een tijd, dat Laurie ophield met het offeren op verschillende altaren, geheimzinnige wenken gaf aangaande een verterenden hartstocht, en aanvallen had van Byroniaansche somberheid. Daarna vermeed hij het teeder onderwerp geheel en al, schreef wijsgeerige briefjes aan Jo, werkte hard, en verkondigde dat hij aan ’t “pompen” ging, om in een stralenkrans van roem te promoveeren. Dit beviel de jonge dame beter dan schemer-avond-confidenties, teedere handdrukken en welsprekende blikken; want bij Jo was het hoofd eerder ontwikkeld dan het hart en zij verkoos denkbeeldige helden boven werkelijke, omdat de eerste, als zij haar verveelden, tot nader order in de blikken poppenkeuken konden opgesloten worden, en de laatste minder handelbaar waren.Zoo stonden de zaken, toen de groote ontdekking gedaan werd, en Jo nam Laurie dien avond oplettender waar, dan ooit tevoren. Wanneer zij dit nieuwe denkbeeld niet in ’t hoofd gekregen had, zou zij niets bizonders gezien hebben in de omstandigheid, dat Betsy heel stil, en Laurie heel vriendelijk jegens haar was. Maar daar zij haar levendige verbeelding den vrijen teugel liet, draafde deze in snellen draf met haar voort, en daar haar gezond verstand wel wat scheen te lijden onder het vele romanschrijven kwam dit haar niet te hulp. Bets lag als naar gewoonte op de sofa; Laurie zat op een laag stoeltje dicht bij en amuseerde haar met allerlei verhalen. Ze verlangde altijd naar haar wekelijksch praatje, en Laurie stelde haar nooit te leur. Maar dien avond verbeeldde Jo zich, dat Betsy’s oogen met bizonder welgevallen op het levendige, donkere gezichtnaasthaar rustten, en dat zij met gespannen aandacht luisterde naar een verhaal van een interessant cricketspel, hoewel de verschillende technische termen even onverstaanbaar voor haar waren als sanscrit. En, daar zij het zoo van harte wenschte, verbeeldde Jo zich ook, dat zij een toenemende innigheid in Laurie’s gedrag opmerkte, dat hij nu en dan fluisterde, minder dan gewoonlijklachte, een beetje afgetrokken was, en gedurig den shawl over Betsy’s voeten goed legde, met een bezorgdheid, die werkelijk teeder genoemd kon worden.“Wie weet! er zijn wel vreemder dingen gebeurd!” dacht Jo, terwijl zij door de kamer drentelde. “Zij zal een engel van hem maken, en wat kan hij voor onze Bets het leven gemakkelijk en aangenaam doen zijn, als zij elkaar liefhebben! Ik zie niet in, hoe hij het zou kunnen laten, en ik geloof, dat hij haarzekerlief zou krijgen, als wij anderen maar uit den weg waren.”Daar iedereen uit den wegwas, behalve zij zelve, begon Jo te begrijpen, dat zij zich zoo gauw mogelijk uit de voeten moest maken. Maar waar zou zij heengaan? Brandende van verlangen om zich op het altaar van zusterlijke liefde te offeren, zette zij zich neer om dit punt eens ernstig te overdenken.Nu was de oude sofa een wezenlijke patriarch van een sofa,—lang, breed, vol kussens en laag. Wel wat vaal en versleten, en geen wonder, want als zuigelingen hadden de meisjes er op geslapen en rondgekropen, als kinderen hadden zij over den rug gevischt, op de armen gereden, en menagerie er onder gespeeld, en als jonge meisjes hadden zij hun vermoeide hoofdjes er op neergelegd, droomen gedroomd, of naar teedere woorden geluisterd. Zij hadden allen die oude canapé lief, want zij was een familie-toevluchtsoord, en éen hoekje was altoos Jo’s geliefkoosd rustplaatsje geweest. Onder de vele kussens, die de eerwaardige rustbank versierden, was er éen langwerpig rond, met stekelig paardenhaar bekleed, en versierd met een harden knoop aan de uiteinden; dit weinig uitlokkend kussen was haar particulier eigendom en werd door haar gebruikt als verdedigingswapen, barricade, of streng voorbehoedmiddel tegen al te grooten sluimerlust.Laurie kende dit kussen maar al te goed, en had reden om het met bizonderen afkeer te beschouwen, daar hij er in vroeger dagen, toen stoeien nog geoorloofd was, vaak onbarmhartig mee toegetakeld werd, en het hem nu dikwijls beroofde van het plaatsje, waarop hij het meest gesteld was, naast Jo, in het hoekje van de canapé. Als “de worst”, zooals zij het noemden, overeind stond, was dit een teeken, dat hij mocht naderen en rusten, maar wee over man, vrouw en kind, die het durfde verleggen, wanneer het dwars over de sofa lag! Dien avond vergat Jo haar hoekje te barricadeeren, en ze zat nog geen vijf minuten, of een lange gedaante verscheen naast haar, en met beide armen uitgespreid over den rug van de canapé en beide lange beenen voor zich uitgestrekt, riep Laurie, met een zucht van voldoening: “Datis een tref.”“Geen nonsens, alstjeblieft!” snauwde Jo, haar kussen zwaaiende. Maar het was al te laat, er was geen plaats meer voor; het kwam op den grond te land en verdween op de meest geheimzinnige manier.“Kom Jo, wees nu niet stekelig! Nadat een mensch zich de heeleweek tot een geraamte heeft afgesloofd, verdient hij wel eens een beetje verwend te worden.”“Betsy zal je wel verwennen, ik heb het te druk!”“Neen, ik wil haar niet lastig vallen; maar jij houdt van zoo iets, of je moest er plotseling den smaak voor verloren hebben. Is dat zoo? heb je een hekel aan me gekregen en begeer je me met kussens te verjagen?”Iets meer verteederends dan deze treffende vraag kon moeilijk bedacht worden, maar Jo trachtte “haar jongen” te vernietigen door hem op het lijf te vallen met de grimmige vraag:“Hoeveel bouquetten heb je deze week aan juffrouw Randal gezonden?”“Geen een, op mijn woord. Zij is geëngageerd—dus!”“Daar ben ik blij om; dat is een van je vele dwaze geldverspillingen, bloemen en prullen te sturen aan meisjes, om wie je geen zier geeft,” zei Jo berispend.“Verstandige meisjes om wie ikergveel geef, willen niet hebben, dat ik hen ‘bloemen en prullen’ stuur, en wat moet ik dan doen? Mijn gevoelensmoeteneen uitweg hebben!”“Moeder houdt niet van flirten, zelfs niet uit gekheid, en jij flirt vreeselijk, Teddy.”“Ik zou alles willen geven, als ik kon antwoorden: jij ook. Maar nu ik dit niet kan, wil ik alleen maar zeggen, dat ik niets geen kwaad zie in dit vermakelijke spelletje, als beide partijen begrijpen, dat het maar gekheid is.”“Het lijkt wel amusant, maar ik kan het eenvoudig niet leeren. Ik heb het geprobeerd, omdat het zoo stijf staat in gezelschap, als je niet doet zooals ieder ander; maar ik heb het er nog niet ver in gebracht,” bekende Jo, haar rol van mentor vergetende.“Neem les bij Amy; die heeft er goed slag van!”“Ja, zij doet het handig, en schijnt het nooit te ver te drijven. Ik geloof, dat het sommige menschen natuurlijk afgaat en dat zij zonder eenige moeite kunnen behagen, terwijl andere altijd op verkeerde plaatsen verkeerde dingen zeggen en doen.”“Ik ben blij, dat jij niet kunt flirten; het is zoo’n verkwikking eens een verstandig, openhartig meisje te zien, dat vertrouwelijk en vriendelijk kan zijn, zonder zich gek aan te stellen. Onder ons gezegd, Jo, een paar van de meisjes, die ik ken, gaan er zoo ver mee, dat zij zich moesten schamen. Zij meenen niets kwaads, dat geloof ik wel; maar als zij wisten hoe er later over hen gesproken werd, zouden zij het stellig laten.”“Zij bepraten jullie evengoed; en daar hun tongen het scherpst zijn, zijn jullie, jongens, er het ergst aan toe, want jullie zijn precies even coquet als zij. Wanneer jongelui zich gewoon gedroegen, zouden zij het ook doen; maar omdat zij weten, dat jullie van dien nonsens houdt, gaan ze er mee voort; en dan veroordeel je hen er later om!”“Je weet er nog niet veel van, jongejuffrouw,” zei Laurie, beleerend. “Wij houden niet van die malle coquettes, al nemen wij er soms den schijn van aan. Over lieve, eenvoudige meisjes wordt onder jongelui nooit dan met achting gesproken. Heilige onschuld, als je eens voor een maand in mijn plaats was, zou je dingen hooren, die je stellig zouden verbazen. Op mijn woord, als ik een van die aanstellerige wezens zie, zou ik altijd wel willen zeggen, wat in dat kinderversje staat: ‘Schaam u, poedel, schaam u wat!’”Het was onmogelijk niet te lachen over den potsierlijken strijd tusschen Laurie’s ridderlijken afkeer om iets kwaads van het vrouwelijke geslacht te zeggen, en zijn zeer natuurlijke antipathie tegen de onvrouwelijke dwaasheden, waarvan hij in zijn studentenleven zoo menig voorbeeld aantrof. Jo wist, dat “de jonge Laurence” door berekenende moeders als een “hoogst verkieselijke partij” werd beschouwd, dat hun dochters hem toelachten, en dat hij genoeg gevleid werd door vrouwen van allerlei leeftijd, om een zotskap van hem te maken; zij hield dus naijverig de wacht over hem, vreezende, dat hij bedorven zou worden, en zij was nu veel meer verheugd, dan zij wilde toonen, toen zij hoorde, dat hij nog in eenvoudige, natuurlijke meisjes geloofde. Plotseling weer in haar vermanenden toon vervallende zei zij wat zachter: “Als je gevoelens bepaald een uitwegmoetenhebben, Teddy, wijd je dan aan een van die ‘lieve, eenvoudige meisjes’, voor wie je achting voelt, en verbeuzel je tijd niet met die laffe wezens.”“Raad je mij dat in ernst aan?” en Laurie keek haar in de oogen met een dwaze mengeling van onrust en vroolijkheid.“Ja zeker; maar je zou beter doen met te wachten, tot je gepromoveerd was, en je onderwijl vast een beetje te verbeteren. Je bent niet half goed genoeg voor—nu, voor wie dat ‘lieve, eenvoudige meisje’ dan ook mag zijn;” en Jo keek ook een beetje eigenaardig want bijna was haar een naam ontsnapt.“Neen, dat ben ik ook niet,” bekende Laurie, met een voor hem geheel nieuwe uitdrukking van nederigheid, terwijl hij de banden van Jo’s schortje om zijn vinger wond.“Lieve hemel, zoo komen wij nooit verder,” dacht Jo, en voegde er overluid bij: “Toe, ga eens wat zingen; ik snak naar wat muziek, en ik hoor je altijd zoo graag.”“Ik blijf liever hier zitten, dank je.”“Neen, dat kan niet, er is geen plaats. Kom, maak jezelf nu maar eens verdienstelijk, nu je te groot bent om voor ornament te dienen. Ik dacht, dat jij er zoo’n hekel aan had om aan den boezelaar van een vrouw te hangen,” prikkelde Jo, een paar van zijn oproerige woorden aanhalende.“Dat hangt er heelemaal van af, wie den boezelaar voorheeft;” en Laurie gaf een brutalen ruk aan de banden.“Ga je haast?” vroeg Jo naar het kussen duikende.Laurie vloog op, en zoodra het eerste studentenlied weerklonk,sloop zij stil weg, en kwam niet terug, voordat de jonge heer in heftige verontwaardiging verdwenen was.Jo lag dien nacht lang wakker, en eindelijk, juist op het punt van in te slapen, deed een gesmoorde snik haar op eens naar Betsy’s bed vliegen, met de bezorgde vraag: “Wat scheelt er aan, Bets?”“Ik dacht, dat je al sliep,” snikte Betsy.“Is het de oude pijn, lieveling?”“Neen, het is iets nieuws, maar ik kan het wel dragen,” en Betsy trachtte haar tranen te bedwingen.“Toe, vertel er mij eens alles van, en laat ik het genezen, zooals ik de andere pijn heb gedaan.”“Dat kun je niet; hier helpt niets voor.” Verder kon Betsy niet spreken, maar ze klemde zich aan haar zuster vast en schreide zoo wanhopend, dat Jo er van schrikte.“Waar zit het? zal ik Moeder gaan roepen?”Betsy antwoordde niet op de eerste vraag, maar in het donker ging de eene hand onwillekeurig naar haar hart, alsof zij de pijn daar voelde; met de andere hield zij Jo stijf vast, en fluisterde driftig: “Neen, neen, roep Moeder niet, vertel het haar niet! Ik zal wel gauw beter zijn, kom hier bij mij liggen, en strijk met je hand over mijn voorhoofd. Dan zal ik stil zijn en gauw gaan slapen; heusch, ik beloof het je.”Jo gehoorzaamde, maar terwijl haar hand zachtjes heen en weer gleed over Betsy’s gloeiend voorhoofd en vochtige oogleden, was haar hart overvol, en verlangde ze innig te mogen spreken. Maar, jong als zij was, zij had geleerd, dat harten, evenmin als bloemen tegen een ruwe behandeling kunnen, en zich van zelf moeten openen; daarom, hoewel zij de reden van Betsy’s nieuwe droefheid meende te weten, zei zij enkel op teederen toon: “Is er iets, dat je hindert, Bets?”“Ja, Jo!” na een lange pauze.“Zou het je geen troost geven, als je mij vertelde wat het is?”“Nu niet—nog niet.”“Dan zal ik er niet naar vragen,maarvergeet niet, Betslief, dat Moeder en Jo altijd klaar zijn om naar je te luisteren en je te helpen, als zij kunnen.”“Dat weet ik. Ik zal het je later wel vertellen.“Is de pijn nu beter?”“O ja, veel beter; je bent zoo’n goede troost Jo.”“Ga dan maar slapen, lieveling, ik zal bij je blijven.”Zoo vielen zij in elkanders armen in slaap, en den volgenden morgen scheen Betsy weer geheel en al in orde te zijn; want als men achttien jaar is, duurt de pijn in hoofd noch hart lang, en kan een deelnemend woord de meeste kwalen genezen.Maar Jo had een besluit genomen, en na eenige dagen nadenkens deelde zij het haar moeder mee.“U vroeg mij laatst, wat mijn wenschen waren,” begon zij, toenzij eens alleen bij elkander zaten. “Ik zal er u een van vertellen’, Moeder; ik zou dezen winter zoo graag eens voor een verandering ergens heen gaan.”“Waarom, Jo?” en haar Moeder keek plotseling op, alsof zij een verborgen meening in haar woorden zocht.Met haar oogen op haar werk antwoordde Jo ernstig: “Ik wou eens iets nieuws hebben; ik voel me zoo rusteloos, en verlang meer te zien, te doen en te leeren, dan tot nog toe. Ik denk te veel aan mijn eigen kleine wederwaardigheden, en ik heb een opfrisschinkje noodig; dus nu ik van den winter wel gemist kan worden, zou ik graag eens uitvliegen en op eigen wieken drijven.”“En waar wil je heenvliegen?”“Naar New-York. Ik kreeg gisteren een gelukkigen inval. U herinnert zich wel, dat mevrouw Kirke u schreef over een beschaafd meisje om de kinderen te leeren en wat te naaien, ’t Is moeilijk iets te vinden, dat mij in alle opzichten zou bevallen, maar ik denk dat ik dit wel zou kunnen, als ik mijn best doe.”“Kind, wil je in betrekking gaan in dat groote pension?” en mevrouw March keek verwonderd, maar niet onvriendelijk.“Het is niet bepaald in betrekking, want mevrouw Kirke is uw vriendin—de vriendelijkste ziel, die ooit geleefd heeft—en zij zou alles zoo aangenaam mogelijk voor mij inrichten. Haar gezin leeft afgezonderd van die vreemde menschen en niemand kent mij daar. En daar zou ik toch ook niet om geven; het is eerlijk werk en ik schaam mij er niet voor.”“Ik ook niet, maar je schrijverij?”“Daar zal een verandering ook goed voor zijn. Ik zal nieuwe dingen zien en hooren, en nieuwe denkbeelden opdoen, en al heb ik er daar niet veel tijd voor, ik zal overvloed van stof voor mijn verhalen mee naar huis brengen.”“Daar twijfel ik niet aan; maar is dit de eenige reden voor dat plotselinge plan?”“Neen, moeder.”“Mag ik de andere reden weten?”Jo keek naar boven en Jo keek naar beneden, bloosde en antwoordde toen zachtjes:“Misschien is het ijdel of verkeerd van mij, dat ik het zeg, maar—ik ben bang,—dat Laurie te veel van me gaat houden.”“Dus geef jij niet om hem op de manier, waarop hij blijkbaar van jou houdt?” vroeg mevrouw March met een bezorgde uitdrukking op het gelaat.“O hemel, neen! ik houd evenveel van hem, als ik altijd gedaan heb, en ik ben heel trotsch op hem; maar van een dieper gevoel kan geen sprake zijn.”“Daar ben ik blij om, Jo.”“Waarom?”“Omdat ik niet geloof, lieve kind, dat jullie bij elkander zoudtpassen. Als vrienden kun je het samen best vinden, en jullie telkens terugkeerende kibbelpartijtjes zijn gauw genoeg bijgelegd; maar ik vrees, dat je beiden in opstand zoudt komen als je voor je heele leven verbonden waart. Jullie zijn te veel van dezelfde natuur en te veel op je vrijheid gesteld—om niet eens van jullie opvliegendheid en onbuigzaamheid te spreken—dan dat je tezamen gelukkig zoudt kunnen zijn in een verhouding, die zoowel oneindig geduld en verdraagzaamheid, als liefde vordert.”“Dat is juist, wat ik ook voelde, maar ik kon het niet zoo uitdrukken. Ik ben blij, dat u denkt, dat hij pas begonnen is van mij te houden. Het zou mij erg aan ’t hart gaan hem ongelukkig te maken; maar ik kan toch niet alleen uit dankbaarheid en medelijden op den ouwen jongen verliefd worden, wel?”“Ben je zeker van zijn gevoelens omtrent jou?”Weer vloog Jo het bloed naar de wangen, en ze antwoordde met een blik van voldoening, trots en medelijden, eigen aan jonge meisjes, als zij van hun eersten aanbidder spreken:“Ik vrees van ja, Moeder; hij heeft wel niets gezegd met woorden, maar des te meer met zijn oogen. Ik geloof dat het maar beter is heen te gaan, eer het uitgesproken wordt.”“Dat geloof ik ook, en als het geschikt kan worden, mag je gaan.”Jo scheen verlicht en zei na eenige oogenblikken glimlachend:“Wat zou mevrouw Moffat versteld staan over uw gebrek aan overleg, als zij het wist; en wat zal ze blij zijn, dat Annie nu weer kan hopen.”“Och, Jo, moeders mogen verschillen in de soort van overleg, maar hun begeerte is altijd dezelfde: hun kinderen recht gelukkig te zien. Meta is gelukkig en ik verheug mij daar innig over. Jij moogt je vrijheid genieten, totdat je er genoeg van hebt, want eerst dan zul je kunnen begrijpen, dat er iets nog beters bestaat. Amy veroorzaakt mij op ’t oogenblik de meeste zorg, maar haar gezond verstand zal haar wel helpen. Wat Betsy betreft, voor haar durf ik niets hopen, dan dat zij gezond mag worden. Maar, zij scheen wat opgewekter in de laatste dagen. Heb je met haar gesproken?”“Ja, zij erkende, dat zij iets op het hart had, en beloofde het mij over een poos te zullen vertellen. Ik vroeg niets meer, want ik geloof, dat ik het wel weet,” en Jo vertelde haar kleine geschiedenis.Mevrouw March schudde het hoofd, en beschouwde de zaak niet geheel uit zoo’n romantisch oogpunt, maar zij keek ernstig, en zei nogmaals, dat Jo, terwille van Laurie, maar voor eenigen tijd van huis moest gaan.“Laten wij er hem niets van zeggen, voordat het plan vastgesteld is; en dan zal ik verdwenen zijn, eer hij zijn gedachten bij elkander heeft en tragisch kan worden. Betsy moet in den waan blijven, dat ik voor mijn eigen plezier ga, want ik kan met haar niet over Laurie spreken; maar zij kan hem opbeuren en vertroosten als ik weg ben, en hem zoodoende die sentimenteele gedachten uithet hoofd jagen. Hij heeft al verscheiden van die kleine beproevingen achter den rug; hij is er aan gewoon, en zal zijn ‘liefdesmart’ dus wel gauw te boven komen.”Jo sprak hoopvol, maar zij kon de vrees niet wegredeneeren, datdeze“kleine beproeving” zwaarder zou blijken, dan de vorige, en dat Laurie niet zoo gemakkelijk als tot nog toe zijn “liefdesmart” te boven zou komen.Het plan werd in den familieraad besproken en goedgekeurd, want mevrouw Kirke was zeer ingenomen met Jo’s aanbod, en beloofde haar een aangenaam tehuis.Haar salaris was voldoende om haar onafhankelijk te doen zijn, en den vrijen tijd, dien zij over had, kon zij aan schrijven besteden; bovendien zou de verandering van tooneel en omgeving zoowel nuttig als aangenaam voor haar wezen. Jo verheugde zich in het vooruitzicht en verlangde weg te komen, want het ouderlijk huis werd te eng voor haar rustelooze natuur en avontuurlijken geest. Toen alles bepaald was, vertelde zij het onder vreezen en beven aan Laurie; maar, tot haar verwondering, nam hij het heel kalm op. Hij was in den laatsten tijd ernstiger dan gewoonlijk geweest, maar “heel genoeglijk,” vond Jo, en wanneer ze hem in scherts vroeg of hij een nieuw blaadje had omgeslagen, antwoordde hij rustig: “Dat heb ik, en ik ben van plan dit omgeslagen te laten blijven.”Jo was bizonder in haar schik, dat nu juist een zijner deugdzame buien over hem gekomen was, en maakte haar toebereidselen met een verruimd gemoed—want Betsy scheen wat vroolijker—en zij hoopte, dat wat zij ondernam werkelijk voor allen het beste zou blijken.“Voor één ding hoop ik, dat je bizonder zorg zult dragen, Bets,” zei zij den avond voor haar vertrek.“Voor je papieren?” vroeg Betsy.“Neen—voor mijn jongen. Wees heel lief voor hem—wil je?”“Natuurlijk, ik zal ’t probeeren; maar ik kan jouw plaats niet vervullen, en hij zal je erg missen.”“Dat zal hem geen kwaad doen; onthoud dus, dat ik hem in jouw speciale zorg achterlaat, om hem te plagen, te bederven en in ’t rechte spoor te houden.”“Ik zal mijn best doen,” beloofde Betsy, verwonderd dat Jo haar zoo vreemd aankeek.Toen Laurie afscheid kwam nemen, fluisterde hij veelbeteekenend: “’t Zal geen zier helpen, Jo. Mijn oog is op jou gevestigd, bedenk dus wel wat je doet, of ik kom je op een goeien dag naar huis halen.”
“Jo, ik ben ongerust over Betsy.”
“Hé, Moeder, zij heeft er toch bizonder goed uitgezien na de komst van de kleintjes.”
“Ik ben nu niet zoo zeer ongerust over haar gezondheid, als wel over haar zielstoestand. Ik geloof zeker, dat zij iets op het hart heeft, en ik wou zoo graag, dat jij probeerde te weten te komen, wat het is.”
“Waarom denkt u dat, Moeder?”
“Zij zit zooveel alleen, en praat niet zooveel met Vader als vroeger. Laatst zat zij met een van de kinderen op schoot te schreien. Als zij zingt, zijn het altijd treurige liederen, en nu en dan heeft haar gezicht een uitdrukking, die ik niet begrijp. Dat is niets voor Bets, en het maakt mij ongerust.”
“Hebt u haar er naar gevraagd?”
“Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar zij ontweek mijn vragen, of keek zoo bedroefd, dat ik maar ophield. Ik dring mij nooit in het vertrouwen van mijn kinderen, en ik hoef er gewoonlijk niet lang op te wachten.”
Mevrouw March sloeg Jo gade terwijl zij sprak, maar het gezichttegenover haar scheen geheel onbewust van geheime bekommernis, behalve over Betsy; en na eenige oogenblikken zwijgend voortgenaaid te hebben, hervatte Jo:
“Ik denk, dat het komt omdat zij ouder wordt, en natuurlijk begint te droomen, te hopen, te vreezen, en onrustig te zijn, zonder dat zij weet waarom, en zonder dat zij het uitleggen kan. Wel, Moeder, Bets is achttien; maar wij kunnen ons dat niet voorstellen en behandelen haar nog steeds als een kind, hoewel zij een jonge vrouw is.”
“Het is waar, lieve kind, wat groeien jullie allemaal gauw op,” antwoordde haar moeder met een glimlach en een zucht.
“Er is niets aan te doen, Moedertje; bereid u dus maar op allerlei tribulaties voor, en laat uw vogeltjes één voor één uit het nest vliegen.Ikzal nooit ver weg vliegen als u dat kan troosten.”
“Dat is me zeker een groote troost, Jo; ik voel mij altijd sterk, als jij thuis bent, nu Meta weg is. Bets is te zwak en Amy te jong om op te vertrouwen; maar als het er op aankomt, ben jij altijd klaar.”
“Och, u weet dat ik niet veel om een moeilijk karweitje geef, en er moet toch altijd één sloof in de familie zijn. Amy is onverbeterlijk voor fijne werkjes, ik lang niet; maar ik ben in mijn element, als al de kleeden moeten opgenomen worden, of als de heele familie tegelijk ziek is. Amy maakt zich buitenslands beroemd, maar als er thuis iets te doen is, dan ben ik uw man.”
“Ik laat Betsy dan maar aan jou over; zij zal haar teeder hartje eerder voor haar Jo, dan voor iemand anders openen. Wees heel vriendelijk voor haar, en laat haar niet denken, dat iemand op haar let of over haar spreekt. Als zij maar weer sterk en vroolijk werd, zou ik niets ter wereld meer te wenschen hebben.”
“Gelukkige ziel! Ik wensch zooveel!”
“Wel kind, wat dan?”
“Eerst zal ik Betsy’s bezwaren uit den weg zien te ruimen, en dan zal ik u de mijne vertellen. Zij zijn niet erg dringend, dus kan ik ze nog wel een poosje voor mij houden;” en Jo naaide voort met een wijs knikje, dat het hart van haar moeder, voor het oogenblik althans, volkomen omtrent haar geruststelde.
Oogenschijnlijk in haar eigen bezigheden verdiept, hield Jo een oogje op Betsy; en na eenige elkander tegensprekende gissingen, kwam zij eindelijk op iets, dat de verandering volkomen scheen te verklaren.
Een klein voorval gaf haar, naar zij meende, den sleutel van het geheim; en een levendige verbeelding en een liefhebbend hart deden het overige. Op zekeren Zaterdagmiddag toen zij en Betsy alleen bij elkander zaten, deed zij alsof zij geheel verdiept in haar schrijfwerk was; maar terwijl zij voortpende, lette zij telkens op haar zuster, die buitengewoon stil scheen te zijn. Zij zat aan het raam; en dikwijls liet zij haar werk op haar schoot zinken, en leundein een mismoedige houding met het hoofd in de hand, terwijl haar oogen over het sombere herfstlandschap dwaalden. Plotseling ging iemand beneden voorbij onder het fluiten van een vroolijk operadeuntje, en een stem riep haar toe:
“Alles in orde! Ik kom van avond!”
Betsy schrikte op, leunde uit het venster, glimlachte en knikte, staarde den voorbijganger na, totdat het geluid van zijn vluggen voetstap wegstierf, en zei zachtjes, als tot zich zelve:
“Wat ziet die goede jongen er toch sterk en gezond en gelukkig uit!”
“Hm,” kwam Jo, nog steeds aandachtig het gezichtje van haar zuster opnemende, want de blos verdween even spoedig als hij gekomen was, de glimlach stierf weg en een traan glinsterde op het kozijn. Betsy veegde hem af en keek schichtig naar Jo, maar deze krabbelde voort in wanhopige haast, schijnbaar geheel verdiept in “Olympia’s Eed.” Zoodra Betsy weer naar buiten staarde, sloeg Jo haar opnieuw gade, zag meer dan eens haar hand stilletjes naar haar oogen gaan, en las in haar half afgewend gelaat een onderworpen droefheid, die haar eigen oogen vol tranen deed schieten. Bevreesd zich te verraden sloop zij de kamer uit, iets mompelend over papier dat zij noodig had.
“Lieve hemel, Bets is verliefd op Laurie!” zei zij, terwijl zij op een stoel in haar kamer neerviel, doodsbleek van schrik over de ontdekking, die zij meende gedaan te hebben. “Dat zou ik nooit gedroomd hebben! Wat zal Moeder zeggen! Ik wou wel eens weten of hij—” hier hield Jo op, en werd vuurrood bij een plotseling invallende gedachte. “Als hij haar eens niet liefhad, wat zou dat vreeselijk zijn. Maar hijmoet, ik zal er hem wel toe dwingen,”en zij schudde dreigend het hoofd tegen het portret van den ondeugend glimlachenden jongen aan den muur. “O heden, watschietenwe in eens op! Meta getrouwd en mama, Amy aan het coquetteeren in Parijs, en onze Bets verliefd! Ik ben de eenige, die verstandig genoeg is, om zich niet met die gekheid in te laten.” Jo stond een oogenblik in gedachten verzonken het portret aan te staren; toen ontplooide zich haar gefronst voorhoofd, en zei zij met een beslist knikje—“neen, dank u, mijnheer, u bent heel aardig, maar niet standvastiger dan een weerhaan; schrijf dus maar geen aandoenlijke briefjes, en glimlach maar niet zoo dierbaar, want het helpt je niets, en ik wil het niet hebben!”
Ze zuchtte eens diep en verviel in ernstig gepeins, waaruit zij eerst ontwaakte bij het invallen van de vroege schemering. Toen ging ze naar beneden om nieuwe opmerkingen te maken, die haar vermoedens slechts bevestigden. Hoewel Laurie met Amy flirtte, en altijd gekheid maakte met Jo, was zijn gedrag tegenover Betsy steeds bizonder vriendelijk en zacht geweest, maar dat was het geval met iedereen; daarom kwam het in niemand op, dat hij meer om haar zou geven, dan om de anderen. Integendeel, in den laatstentijd leefde de heele familie onder den indruk, dat “onze jongen” meer dan ooit van Jo ging houden, die evenwel geen woord over dit onderwerp wilde hooren, en hevig uitvoer tegen ieder, die er van durfde gewagen. Als zij iets geweten hadden van al de teedere episoden in het afgeloopen jaar, of liever van de pogingen tot teederheid, die in de kiem verstikt waren, zouden zij allen met innige voldoening hebben kunnen zeggen: “Ik heb het wel voorspeld!” Maar Jo had een hekel aan “sentimenteel gezeur”, wilde het niet toestaan, en was altijd klaar met een grap of een snauw, als zij het minste gevaar van dien kant zag naderen.
Toen Laurie pas aan de academie was, raakte hij zoowat elke maand verliefd; maar deze kleine vlammetjes waren even kort als hevig, schaadden niemand, en vermaakten Jo geweldig, die groot belang stelde in al de afwisselingen van hoop, wanhoop en gelatenheid, die haar in hun wekelijksche samenkomsten werden toevertrouwd. Maar er kwam een tijd, dat Laurie ophield met het offeren op verschillende altaren, geheimzinnige wenken gaf aangaande een verterenden hartstocht, en aanvallen had van Byroniaansche somberheid. Daarna vermeed hij het teeder onderwerp geheel en al, schreef wijsgeerige briefjes aan Jo, werkte hard, en verkondigde dat hij aan ’t “pompen” ging, om in een stralenkrans van roem te promoveeren. Dit beviel de jonge dame beter dan schemer-avond-confidenties, teedere handdrukken en welsprekende blikken; want bij Jo was het hoofd eerder ontwikkeld dan het hart en zij verkoos denkbeeldige helden boven werkelijke, omdat de eerste, als zij haar verveelden, tot nader order in de blikken poppenkeuken konden opgesloten worden, en de laatste minder handelbaar waren.
Zoo stonden de zaken, toen de groote ontdekking gedaan werd, en Jo nam Laurie dien avond oplettender waar, dan ooit tevoren. Wanneer zij dit nieuwe denkbeeld niet in ’t hoofd gekregen had, zou zij niets bizonders gezien hebben in de omstandigheid, dat Betsy heel stil, en Laurie heel vriendelijk jegens haar was. Maar daar zij haar levendige verbeelding den vrijen teugel liet, draafde deze in snellen draf met haar voort, en daar haar gezond verstand wel wat scheen te lijden onder het vele romanschrijven kwam dit haar niet te hulp. Bets lag als naar gewoonte op de sofa; Laurie zat op een laag stoeltje dicht bij en amuseerde haar met allerlei verhalen. Ze verlangde altijd naar haar wekelijksch praatje, en Laurie stelde haar nooit te leur. Maar dien avond verbeeldde Jo zich, dat Betsy’s oogen met bizonder welgevallen op het levendige, donkere gezichtnaasthaar rustten, en dat zij met gespannen aandacht luisterde naar een verhaal van een interessant cricketspel, hoewel de verschillende technische termen even onverstaanbaar voor haar waren als sanscrit. En, daar zij het zoo van harte wenschte, verbeeldde Jo zich ook, dat zij een toenemende innigheid in Laurie’s gedrag opmerkte, dat hij nu en dan fluisterde, minder dan gewoonlijklachte, een beetje afgetrokken was, en gedurig den shawl over Betsy’s voeten goed legde, met een bezorgdheid, die werkelijk teeder genoemd kon worden.
“Wie weet! er zijn wel vreemder dingen gebeurd!” dacht Jo, terwijl zij door de kamer drentelde. “Zij zal een engel van hem maken, en wat kan hij voor onze Bets het leven gemakkelijk en aangenaam doen zijn, als zij elkaar liefhebben! Ik zie niet in, hoe hij het zou kunnen laten, en ik geloof, dat hij haarzekerlief zou krijgen, als wij anderen maar uit den weg waren.”
Daar iedereen uit den wegwas, behalve zij zelve, begon Jo te begrijpen, dat zij zich zoo gauw mogelijk uit de voeten moest maken. Maar waar zou zij heengaan? Brandende van verlangen om zich op het altaar van zusterlijke liefde te offeren, zette zij zich neer om dit punt eens ernstig te overdenken.
Nu was de oude sofa een wezenlijke patriarch van een sofa,—lang, breed, vol kussens en laag. Wel wat vaal en versleten, en geen wonder, want als zuigelingen hadden de meisjes er op geslapen en rondgekropen, als kinderen hadden zij over den rug gevischt, op de armen gereden, en menagerie er onder gespeeld, en als jonge meisjes hadden zij hun vermoeide hoofdjes er op neergelegd, droomen gedroomd, of naar teedere woorden geluisterd. Zij hadden allen die oude canapé lief, want zij was een familie-toevluchtsoord, en éen hoekje was altoos Jo’s geliefkoosd rustplaatsje geweest. Onder de vele kussens, die de eerwaardige rustbank versierden, was er éen langwerpig rond, met stekelig paardenhaar bekleed, en versierd met een harden knoop aan de uiteinden; dit weinig uitlokkend kussen was haar particulier eigendom en werd door haar gebruikt als verdedigingswapen, barricade, of streng voorbehoedmiddel tegen al te grooten sluimerlust.
Laurie kende dit kussen maar al te goed, en had reden om het met bizonderen afkeer te beschouwen, daar hij er in vroeger dagen, toen stoeien nog geoorloofd was, vaak onbarmhartig mee toegetakeld werd, en het hem nu dikwijls beroofde van het plaatsje, waarop hij het meest gesteld was, naast Jo, in het hoekje van de canapé. Als “de worst”, zooals zij het noemden, overeind stond, was dit een teeken, dat hij mocht naderen en rusten, maar wee over man, vrouw en kind, die het durfde verleggen, wanneer het dwars over de sofa lag! Dien avond vergat Jo haar hoekje te barricadeeren, en ze zat nog geen vijf minuten, of een lange gedaante verscheen naast haar, en met beide armen uitgespreid over den rug van de canapé en beide lange beenen voor zich uitgestrekt, riep Laurie, met een zucht van voldoening: “Datis een tref.”
“Geen nonsens, alstjeblieft!” snauwde Jo, haar kussen zwaaiende. Maar het was al te laat, er was geen plaats meer voor; het kwam op den grond te land en verdween op de meest geheimzinnige manier.
“Kom Jo, wees nu niet stekelig! Nadat een mensch zich de heeleweek tot een geraamte heeft afgesloofd, verdient hij wel eens een beetje verwend te worden.”
“Betsy zal je wel verwennen, ik heb het te druk!”
“Neen, ik wil haar niet lastig vallen; maar jij houdt van zoo iets, of je moest er plotseling den smaak voor verloren hebben. Is dat zoo? heb je een hekel aan me gekregen en begeer je me met kussens te verjagen?”
Iets meer verteederends dan deze treffende vraag kon moeilijk bedacht worden, maar Jo trachtte “haar jongen” te vernietigen door hem op het lijf te vallen met de grimmige vraag:
“Hoeveel bouquetten heb je deze week aan juffrouw Randal gezonden?”
“Geen een, op mijn woord. Zij is geëngageerd—dus!”
“Daar ben ik blij om; dat is een van je vele dwaze geldverspillingen, bloemen en prullen te sturen aan meisjes, om wie je geen zier geeft,” zei Jo berispend.
“Verstandige meisjes om wie ikergveel geef, willen niet hebben, dat ik hen ‘bloemen en prullen’ stuur, en wat moet ik dan doen? Mijn gevoelensmoeteneen uitweg hebben!”
“Moeder houdt niet van flirten, zelfs niet uit gekheid, en jij flirt vreeselijk, Teddy.”
“Ik zou alles willen geven, als ik kon antwoorden: jij ook. Maar nu ik dit niet kan, wil ik alleen maar zeggen, dat ik niets geen kwaad zie in dit vermakelijke spelletje, als beide partijen begrijpen, dat het maar gekheid is.”
“Het lijkt wel amusant, maar ik kan het eenvoudig niet leeren. Ik heb het geprobeerd, omdat het zoo stijf staat in gezelschap, als je niet doet zooals ieder ander; maar ik heb het er nog niet ver in gebracht,” bekende Jo, haar rol van mentor vergetende.
“Neem les bij Amy; die heeft er goed slag van!”
“Ja, zij doet het handig, en schijnt het nooit te ver te drijven. Ik geloof, dat het sommige menschen natuurlijk afgaat en dat zij zonder eenige moeite kunnen behagen, terwijl andere altijd op verkeerde plaatsen verkeerde dingen zeggen en doen.”
“Ik ben blij, dat jij niet kunt flirten; het is zoo’n verkwikking eens een verstandig, openhartig meisje te zien, dat vertrouwelijk en vriendelijk kan zijn, zonder zich gek aan te stellen. Onder ons gezegd, Jo, een paar van de meisjes, die ik ken, gaan er zoo ver mee, dat zij zich moesten schamen. Zij meenen niets kwaads, dat geloof ik wel; maar als zij wisten hoe er later over hen gesproken werd, zouden zij het stellig laten.”
“Zij bepraten jullie evengoed; en daar hun tongen het scherpst zijn, zijn jullie, jongens, er het ergst aan toe, want jullie zijn precies even coquet als zij. Wanneer jongelui zich gewoon gedroegen, zouden zij het ook doen; maar omdat zij weten, dat jullie van dien nonsens houdt, gaan ze er mee voort; en dan veroordeel je hen er later om!”
“Je weet er nog niet veel van, jongejuffrouw,” zei Laurie, beleerend. “Wij houden niet van die malle coquettes, al nemen wij er soms den schijn van aan. Over lieve, eenvoudige meisjes wordt onder jongelui nooit dan met achting gesproken. Heilige onschuld, als je eens voor een maand in mijn plaats was, zou je dingen hooren, die je stellig zouden verbazen. Op mijn woord, als ik een van die aanstellerige wezens zie, zou ik altijd wel willen zeggen, wat in dat kinderversje staat: ‘Schaam u, poedel, schaam u wat!’”
Het was onmogelijk niet te lachen over den potsierlijken strijd tusschen Laurie’s ridderlijken afkeer om iets kwaads van het vrouwelijke geslacht te zeggen, en zijn zeer natuurlijke antipathie tegen de onvrouwelijke dwaasheden, waarvan hij in zijn studentenleven zoo menig voorbeeld aantrof. Jo wist, dat “de jonge Laurence” door berekenende moeders als een “hoogst verkieselijke partij” werd beschouwd, dat hun dochters hem toelachten, en dat hij genoeg gevleid werd door vrouwen van allerlei leeftijd, om een zotskap van hem te maken; zij hield dus naijverig de wacht over hem, vreezende, dat hij bedorven zou worden, en zij was nu veel meer verheugd, dan zij wilde toonen, toen zij hoorde, dat hij nog in eenvoudige, natuurlijke meisjes geloofde. Plotseling weer in haar vermanenden toon vervallende zei zij wat zachter: “Als je gevoelens bepaald een uitwegmoetenhebben, Teddy, wijd je dan aan een van die ‘lieve, eenvoudige meisjes’, voor wie je achting voelt, en verbeuzel je tijd niet met die laffe wezens.”
“Raad je mij dat in ernst aan?” en Laurie keek haar in de oogen met een dwaze mengeling van onrust en vroolijkheid.
“Ja zeker; maar je zou beter doen met te wachten, tot je gepromoveerd was, en je onderwijl vast een beetje te verbeteren. Je bent niet half goed genoeg voor—nu, voor wie dat ‘lieve, eenvoudige meisje’ dan ook mag zijn;” en Jo keek ook een beetje eigenaardig want bijna was haar een naam ontsnapt.
“Neen, dat ben ik ook niet,” bekende Laurie, met een voor hem geheel nieuwe uitdrukking van nederigheid, terwijl hij de banden van Jo’s schortje om zijn vinger wond.
“Lieve hemel, zoo komen wij nooit verder,” dacht Jo, en voegde er overluid bij: “Toe, ga eens wat zingen; ik snak naar wat muziek, en ik hoor je altijd zoo graag.”
“Ik blijf liever hier zitten, dank je.”
“Neen, dat kan niet, er is geen plaats. Kom, maak jezelf nu maar eens verdienstelijk, nu je te groot bent om voor ornament te dienen. Ik dacht, dat jij er zoo’n hekel aan had om aan den boezelaar van een vrouw te hangen,” prikkelde Jo, een paar van zijn oproerige woorden aanhalende.
“Dat hangt er heelemaal van af, wie den boezelaar voorheeft;” en Laurie gaf een brutalen ruk aan de banden.
“Ga je haast?” vroeg Jo naar het kussen duikende.
Laurie vloog op, en zoodra het eerste studentenlied weerklonk,sloop zij stil weg, en kwam niet terug, voordat de jonge heer in heftige verontwaardiging verdwenen was.
Jo lag dien nacht lang wakker, en eindelijk, juist op het punt van in te slapen, deed een gesmoorde snik haar op eens naar Betsy’s bed vliegen, met de bezorgde vraag: “Wat scheelt er aan, Bets?”
“Ik dacht, dat je al sliep,” snikte Betsy.
“Is het de oude pijn, lieveling?”
“Neen, het is iets nieuws, maar ik kan het wel dragen,” en Betsy trachtte haar tranen te bedwingen.
“Toe, vertel er mij eens alles van, en laat ik het genezen, zooals ik de andere pijn heb gedaan.”
“Dat kun je niet; hier helpt niets voor.” Verder kon Betsy niet spreken, maar ze klemde zich aan haar zuster vast en schreide zoo wanhopend, dat Jo er van schrikte.
“Waar zit het? zal ik Moeder gaan roepen?”
Betsy antwoordde niet op de eerste vraag, maar in het donker ging de eene hand onwillekeurig naar haar hart, alsof zij de pijn daar voelde; met de andere hield zij Jo stijf vast, en fluisterde driftig: “Neen, neen, roep Moeder niet, vertel het haar niet! Ik zal wel gauw beter zijn, kom hier bij mij liggen, en strijk met je hand over mijn voorhoofd. Dan zal ik stil zijn en gauw gaan slapen; heusch, ik beloof het je.”
Jo gehoorzaamde, maar terwijl haar hand zachtjes heen en weer gleed over Betsy’s gloeiend voorhoofd en vochtige oogleden, was haar hart overvol, en verlangde ze innig te mogen spreken. Maar, jong als zij was, zij had geleerd, dat harten, evenmin als bloemen tegen een ruwe behandeling kunnen, en zich van zelf moeten openen; daarom, hoewel zij de reden van Betsy’s nieuwe droefheid meende te weten, zei zij enkel op teederen toon: “Is er iets, dat je hindert, Bets?”
“Ja, Jo!” na een lange pauze.
“Zou het je geen troost geven, als je mij vertelde wat het is?”
“Nu niet—nog niet.”
“Dan zal ik er niet naar vragen,maarvergeet niet, Betslief, dat Moeder en Jo altijd klaar zijn om naar je te luisteren en je te helpen, als zij kunnen.”
“Dat weet ik. Ik zal het je later wel vertellen.
“Is de pijn nu beter?”
“O ja, veel beter; je bent zoo’n goede troost Jo.”
“Ga dan maar slapen, lieveling, ik zal bij je blijven.”
Zoo vielen zij in elkanders armen in slaap, en den volgenden morgen scheen Betsy weer geheel en al in orde te zijn; want als men achttien jaar is, duurt de pijn in hoofd noch hart lang, en kan een deelnemend woord de meeste kwalen genezen.
Maar Jo had een besluit genomen, en na eenige dagen nadenkens deelde zij het haar moeder mee.
“U vroeg mij laatst, wat mijn wenschen waren,” begon zij, toenzij eens alleen bij elkander zaten. “Ik zal er u een van vertellen’, Moeder; ik zou dezen winter zoo graag eens voor een verandering ergens heen gaan.”
“Waarom, Jo?” en haar Moeder keek plotseling op, alsof zij een verborgen meening in haar woorden zocht.
Met haar oogen op haar werk antwoordde Jo ernstig: “Ik wou eens iets nieuws hebben; ik voel me zoo rusteloos, en verlang meer te zien, te doen en te leeren, dan tot nog toe. Ik denk te veel aan mijn eigen kleine wederwaardigheden, en ik heb een opfrisschinkje noodig; dus nu ik van den winter wel gemist kan worden, zou ik graag eens uitvliegen en op eigen wieken drijven.”
“En waar wil je heenvliegen?”
“Naar New-York. Ik kreeg gisteren een gelukkigen inval. U herinnert zich wel, dat mevrouw Kirke u schreef over een beschaafd meisje om de kinderen te leeren en wat te naaien, ’t Is moeilijk iets te vinden, dat mij in alle opzichten zou bevallen, maar ik denk dat ik dit wel zou kunnen, als ik mijn best doe.”
“Kind, wil je in betrekking gaan in dat groote pension?” en mevrouw March keek verwonderd, maar niet onvriendelijk.
“Het is niet bepaald in betrekking, want mevrouw Kirke is uw vriendin—de vriendelijkste ziel, die ooit geleefd heeft—en zij zou alles zoo aangenaam mogelijk voor mij inrichten. Haar gezin leeft afgezonderd van die vreemde menschen en niemand kent mij daar. En daar zou ik toch ook niet om geven; het is eerlijk werk en ik schaam mij er niet voor.”
“Ik ook niet, maar je schrijverij?”
“Daar zal een verandering ook goed voor zijn. Ik zal nieuwe dingen zien en hooren, en nieuwe denkbeelden opdoen, en al heb ik er daar niet veel tijd voor, ik zal overvloed van stof voor mijn verhalen mee naar huis brengen.”
“Daar twijfel ik niet aan; maar is dit de eenige reden voor dat plotselinge plan?”
“Neen, moeder.”
“Mag ik de andere reden weten?”
Jo keek naar boven en Jo keek naar beneden, bloosde en antwoordde toen zachtjes:
“Misschien is het ijdel of verkeerd van mij, dat ik het zeg, maar—ik ben bang,—dat Laurie te veel van me gaat houden.”
“Dus geef jij niet om hem op de manier, waarop hij blijkbaar van jou houdt?” vroeg mevrouw March met een bezorgde uitdrukking op het gelaat.
“O hemel, neen! ik houd evenveel van hem, als ik altijd gedaan heb, en ik ben heel trotsch op hem; maar van een dieper gevoel kan geen sprake zijn.”
“Daar ben ik blij om, Jo.”
“Waarom?”
“Omdat ik niet geloof, lieve kind, dat jullie bij elkander zoudtpassen. Als vrienden kun je het samen best vinden, en jullie telkens terugkeerende kibbelpartijtjes zijn gauw genoeg bijgelegd; maar ik vrees, dat je beiden in opstand zoudt komen als je voor je heele leven verbonden waart. Jullie zijn te veel van dezelfde natuur en te veel op je vrijheid gesteld—om niet eens van jullie opvliegendheid en onbuigzaamheid te spreken—dan dat je tezamen gelukkig zoudt kunnen zijn in een verhouding, die zoowel oneindig geduld en verdraagzaamheid, als liefde vordert.”
“Dat is juist, wat ik ook voelde, maar ik kon het niet zoo uitdrukken. Ik ben blij, dat u denkt, dat hij pas begonnen is van mij te houden. Het zou mij erg aan ’t hart gaan hem ongelukkig te maken; maar ik kan toch niet alleen uit dankbaarheid en medelijden op den ouwen jongen verliefd worden, wel?”
“Ben je zeker van zijn gevoelens omtrent jou?”
Weer vloog Jo het bloed naar de wangen, en ze antwoordde met een blik van voldoening, trots en medelijden, eigen aan jonge meisjes, als zij van hun eersten aanbidder spreken:
“Ik vrees van ja, Moeder; hij heeft wel niets gezegd met woorden, maar des te meer met zijn oogen. Ik geloof dat het maar beter is heen te gaan, eer het uitgesproken wordt.”
“Dat geloof ik ook, en als het geschikt kan worden, mag je gaan.”
Jo scheen verlicht en zei na eenige oogenblikken glimlachend:
“Wat zou mevrouw Moffat versteld staan over uw gebrek aan overleg, als zij het wist; en wat zal ze blij zijn, dat Annie nu weer kan hopen.”
“Och, Jo, moeders mogen verschillen in de soort van overleg, maar hun begeerte is altijd dezelfde: hun kinderen recht gelukkig te zien. Meta is gelukkig en ik verheug mij daar innig over. Jij moogt je vrijheid genieten, totdat je er genoeg van hebt, want eerst dan zul je kunnen begrijpen, dat er iets nog beters bestaat. Amy veroorzaakt mij op ’t oogenblik de meeste zorg, maar haar gezond verstand zal haar wel helpen. Wat Betsy betreft, voor haar durf ik niets hopen, dan dat zij gezond mag worden. Maar, zij scheen wat opgewekter in de laatste dagen. Heb je met haar gesproken?”
“Ja, zij erkende, dat zij iets op het hart had, en beloofde het mij over een poos te zullen vertellen. Ik vroeg niets meer, want ik geloof, dat ik het wel weet,” en Jo vertelde haar kleine geschiedenis.
Mevrouw March schudde het hoofd, en beschouwde de zaak niet geheel uit zoo’n romantisch oogpunt, maar zij keek ernstig, en zei nogmaals, dat Jo, terwille van Laurie, maar voor eenigen tijd van huis moest gaan.
“Laten wij er hem niets van zeggen, voordat het plan vastgesteld is; en dan zal ik verdwenen zijn, eer hij zijn gedachten bij elkander heeft en tragisch kan worden. Betsy moet in den waan blijven, dat ik voor mijn eigen plezier ga, want ik kan met haar niet over Laurie spreken; maar zij kan hem opbeuren en vertroosten als ik weg ben, en hem zoodoende die sentimenteele gedachten uithet hoofd jagen. Hij heeft al verscheiden van die kleine beproevingen achter den rug; hij is er aan gewoon, en zal zijn ‘liefdesmart’ dus wel gauw te boven komen.”
Jo sprak hoopvol, maar zij kon de vrees niet wegredeneeren, datdeze“kleine beproeving” zwaarder zou blijken, dan de vorige, en dat Laurie niet zoo gemakkelijk als tot nog toe zijn “liefdesmart” te boven zou komen.
Het plan werd in den familieraad besproken en goedgekeurd, want mevrouw Kirke was zeer ingenomen met Jo’s aanbod, en beloofde haar een aangenaam tehuis.
Haar salaris was voldoende om haar onafhankelijk te doen zijn, en den vrijen tijd, dien zij over had, kon zij aan schrijven besteden; bovendien zou de verandering van tooneel en omgeving zoowel nuttig als aangenaam voor haar wezen. Jo verheugde zich in het vooruitzicht en verlangde weg te komen, want het ouderlijk huis werd te eng voor haar rustelooze natuur en avontuurlijken geest. Toen alles bepaald was, vertelde zij het onder vreezen en beven aan Laurie; maar, tot haar verwondering, nam hij het heel kalm op. Hij was in den laatsten tijd ernstiger dan gewoonlijk geweest, maar “heel genoeglijk,” vond Jo, en wanneer ze hem in scherts vroeg of hij een nieuw blaadje had omgeslagen, antwoordde hij rustig: “Dat heb ik, en ik ben van plan dit omgeslagen te laten blijven.”
Jo was bizonder in haar schik, dat nu juist een zijner deugdzame buien over hem gekomen was, en maakte haar toebereidselen met een verruimd gemoed—want Betsy scheen wat vroolijker—en zij hoopte, dat wat zij ondernam werkelijk voor allen het beste zou blijken.
“Voor één ding hoop ik, dat je bizonder zorg zult dragen, Bets,” zei zij den avond voor haar vertrek.
“Voor je papieren?” vroeg Betsy.
“Neen—voor mijn jongen. Wees heel lief voor hem—wil je?”
“Natuurlijk, ik zal ’t probeeren; maar ik kan jouw plaats niet vervullen, en hij zal je erg missen.”
“Dat zal hem geen kwaad doen; onthoud dus, dat ik hem in jouw speciale zorg achterlaat, om hem te plagen, te bederven en in ’t rechte spoor te houden.”
“Ik zal mijn best doen,” beloofde Betsy, verwonderd dat Jo haar zoo vreemd aankeek.
Toen Laurie afscheid kwam nemen, fluisterde hij veelbeteekenend: “’t Zal geen zier helpen, Jo. Mijn oog is op jou gevestigd, bedenk dus wel wat je doet, of ik kom je op een goeien dag naar huis halen.”
HOOFDSTUK X.JO’S DAGBOEK.New-York, Nov.Lieve Moeder en Betsy.Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.Dinsdagavond.Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg“Kennst du das Land”.begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:“Herein!”Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”“Een gouvernante of zooiets.”“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”“Een vriendin van de oude vrouw.”“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!Donderdag.De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.Zaterdag.Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk vanUw ouwe trouweJo.P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!Dec.Mijn allerliefste Bets,Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou, omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog al amusant—en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger “Herculanumsche” pogingen noemde, op ’t gebied van geestelijke en zedelijke “agricultuur”, beginnen mijn paedagogische begrippen zich te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens, maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij, om de orde te bewaren; je weet niet, hoe ’n pret we dan hebben!Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo’n grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer Bhaer’s kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.“Heb je ooit zoo’n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft, die ik hem niet lang geleden gegeven heb.”Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens rond, want het was wezenlijk een “hol.” Overal boeken en papier; een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel, zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor ’t vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie van de verloren schapen voor den dag—één hing over de vogelkooi, één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt om er een gloeiende pook mee aan te vatten.“Wat een man!” lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de overblijfselen in de prullemand stopte.“Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten, verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid.”“Laat ik het verstelwerk maar op me nemen,” stelde ik voor, “ik geef er niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen; hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen, en mij boeken te leenen.”Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren; want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot een nieuwe leerling zei, die even dom is in ’t Duitsch als ik. Het meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen, terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.“Zoo,” zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde.“U begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie, ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?”“Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren,” stamelde ik, zoo rood als een pioen.“Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik heb deze rekening te betalen,” terwijl hij op mijn werk wees. “Ja, zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken, dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur, of geen goede fee mag meer aan ’t werk voor mij en het mijne.”Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo’n uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk, alsof ik mijn naam met roem had overladen.“Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven, dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft.”Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen’s sprookjes zoo uitlokkend voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk toog met een gevoel van “overwinnen of sterven,” dat hem ontzaglijk scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn hartelijke manier uit: “Das ist gut! Nu gaan wij goed!—Mijn beurt. Ik doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!” En daar ging hij, terwijl hij met zijn heldere stem de lange woorden met zoo’n genot uitgalmde, dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen wij de geschiedenis van het “Tinnen Soldaatje,” die, zooals je weet, grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik de helftniet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen, hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo onweerstaanbaar komisch.Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel, dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan ’t werk schijnt te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.Jan.Een gelukkig Nieuwjaar wensch ik mijn heele familie; mijnheer L. en een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam ’s morgens, maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven; ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van “gevoel” gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote, vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en maakte een luchtsprong. Het was zoothuis-achtigen heerlijk, dat ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken, te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had, en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van gekocht. Betsy’s nieuwe “inktboezelaar” was kapitaal, en Hanna’s trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft, en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik dank u allen duizend en duizendmaal!Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde, toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mijmijn naam op het titelblad wees, met daaronder: “Van mijn vriend Friedrich Bhaer.”“Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een: want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan, en ze met uw pen te teekenen.”Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen “vriend Friedrich Bhaer.”Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben, gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi, of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor zijn bloem—want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt—en een “aanpakkertje” voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn “mouchoirs” zooals Amy ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy’s model—een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels, paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is, vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis; en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe, vergat hém. Daar was ik zoo blij om!Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop1, en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij, want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille, trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf en koel ben, en dat ben ik ooktegen uilskuikens) kon dansen, zich verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien, hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest; en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom2, en Tina was Titania, in zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen was “een landschap”, om een Teddyisme te gebruiken.Over ’t geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbendeJo.1Mrs. Malaprop (mal à propos) is een figuur uit Sheridan’s blijspelThe Rivals(de Medeminnaars), bekend om de grappige manier waarop ze verschillende uitdrukkingen en personen dooreenhaspelt.2Een Atheensch wever, voorkomende in Shakespeare’s:Midzomernachtsdroom, waarin Titania, de feeënkoningin, ook een hoofdrol vervult.
New-York, Nov.Lieve Moeder en Betsy.Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.Dinsdagavond.Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg“Kennst du das Land”.begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:“Herein!”Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”“Een gouvernante of zooiets.”“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”“Een vriendin van de oude vrouw.”“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!Donderdag.De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.Zaterdag.Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk vanUw ouwe trouweJo.P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!
New-York, Nov.Lieve Moeder en Betsy.Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.Dinsdagavond.Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg“Kennst du das Land”.begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:“Herein!”Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”“Een gouvernante of zooiets.”“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”“Een vriendin van de oude vrouw.”“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!Donderdag.De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.Zaterdag.Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk vanUw ouwe trouweJo.P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!
New-York, Nov.Lieve Moeder en Betsy.Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.Dinsdagavond.Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg“Kennst du das Land”.begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:“Herein!”Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”“Een gouvernante of zooiets.”“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”“Een vriendin van de oude vrouw.”“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!Donderdag.De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.Zaterdag.Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk vanUw ouwe trouweJo.P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!
New-York, Nov.
Lieve Moeder en Betsy.
Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.
Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.
Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht—het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen—een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van “De zeven Geitjes,” en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.
Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor ’t oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik benheuschverlegen, al wil niemand het gelooven.
“Nu kindlief, doe alsof je thuis bent,” zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, “ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo’n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!” en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.
Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:
“Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten.”
Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:
“Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen.”
Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.
Dinsdagavond.
Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.
Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg
“Kennst du das Land”.
“Kennst du das Land”.
“Kennst du das Land”.
begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher—nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:
“Herein!”
Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.
“Ik zoek mijn Beertje,” zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.
“Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina,” zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.
“Nou moet Tina les leeren,” ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.
Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: “Neen, maar professor!” en de andere sprak haar Duitsch met zoo’n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.
Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: “Neen, neen, zoo is hetniet, u luistert niet half naar wat ik zeg.”En eensklonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: “Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!”
De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.
Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal ’t mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zijschroktenin den vollen zin van ’t woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.
Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die “Hare Hoogheid” ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want “ik zie graag menschen smakelijk eten,” zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo’n heelen dag lesgeven aan idioten.
Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: “Wie was die nieuweling?”
“Een gouvernante of zooiets.”
“Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?”
“Een vriendin van de oude vrouw.”
“Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie.”
“Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen.”
Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!
Donderdag.
De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.
Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en deprachtigeverhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem “ouwe Frits”, “de groote Beer”, en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.
De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus “aangenaam zien te maken,” want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.
Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: “Dit is mama’s vriendin, juffrouw March.”
“Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar,” voegde Kitty, een echt “enfant terrible” er bij.
Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.
“Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom,” zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.
Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlotte zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:
“Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle.”
Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.
Zaterdag.
Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.
Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo’n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.
“Wij spelenmenazerie,” legde Kitty uit.
“Dit is mijn olevant,” voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.
“Als Franz en Emil ’s Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is ’t niet, mijnheer Bhaer?” vroeg Minnie.
De “olevant”, die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:
“Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts ‘st!’ tot ons, en wij gaan zachter.”
Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij—want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zichallen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!
Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy’s brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk van
Uw ouwe trouwe
Jo.
P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg “Bhaerachtig” voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!
Dec.Mijn allerliefste Bets,Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou, omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog al amusant—en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger “Herculanumsche” pogingen noemde, op ’t gebied van geestelijke en zedelijke “agricultuur”, beginnen mijn paedagogische begrippen zich te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens, maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij, om de orde te bewaren; je weet niet, hoe ’n pret we dan hebben!Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo’n grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer Bhaer’s kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.“Heb je ooit zoo’n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft, die ik hem niet lang geleden gegeven heb.”Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens rond, want het was wezenlijk een “hol.” Overal boeken en papier; een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel, zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor ’t vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie van de verloren schapen voor den dag—één hing over de vogelkooi, één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt om er een gloeiende pook mee aan te vatten.“Wat een man!” lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de overblijfselen in de prullemand stopte.“Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten, verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid.”“Laat ik het verstelwerk maar op me nemen,” stelde ik voor, “ik geef er niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen; hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen, en mij boeken te leenen.”Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren; want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot een nieuwe leerling zei, die even dom is in ’t Duitsch als ik. Het meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen, terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.“Zoo,” zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde.“U begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie, ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?”“Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren,” stamelde ik, zoo rood als een pioen.“Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik heb deze rekening te betalen,” terwijl hij op mijn werk wees. “Ja, zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken, dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur, of geen goede fee mag meer aan ’t werk voor mij en het mijne.”Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo’n uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk, alsof ik mijn naam met roem had overladen.“Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven, dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft.”Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen’s sprookjes zoo uitlokkend voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk toog met een gevoel van “overwinnen of sterven,” dat hem ontzaglijk scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn hartelijke manier uit: “Das ist gut! Nu gaan wij goed!—Mijn beurt. Ik doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!” En daar ging hij, terwijl hij met zijn heldere stem de lange woorden met zoo’n genot uitgalmde, dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen wij de geschiedenis van het “Tinnen Soldaatje,” die, zooals je weet, grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik de helftniet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen, hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo onweerstaanbaar komisch.Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel, dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan ’t werk schijnt te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.Jan.Een gelukkig Nieuwjaar wensch ik mijn heele familie; mijnheer L. en een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam ’s morgens, maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven; ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van “gevoel” gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote, vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en maakte een luchtsprong. Het was zoothuis-achtigen heerlijk, dat ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken, te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had, en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van gekocht. Betsy’s nieuwe “inktboezelaar” was kapitaal, en Hanna’s trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft, en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik dank u allen duizend en duizendmaal!Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde, toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mijmijn naam op het titelblad wees, met daaronder: “Van mijn vriend Friedrich Bhaer.”“Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een: want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan, en ze met uw pen te teekenen.”Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen “vriend Friedrich Bhaer.”Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben, gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi, of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor zijn bloem—want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt—en een “aanpakkertje” voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn “mouchoirs” zooals Amy ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy’s model—een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels, paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is, vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis; en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe, vergat hém. Daar was ik zoo blij om!Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop1, en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij, want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille, trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf en koel ben, en dat ben ik ooktegen uilskuikens) kon dansen, zich verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien, hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest; en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom2, en Tina was Titania, in zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen was “een landschap”, om een Teddyisme te gebruiken.Over ’t geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbendeJo.
Dec.
Mijn allerliefste Bets,
Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou, omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog al amusant—en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger “Herculanumsche” pogingen noemde, op ’t gebied van geestelijke en zedelijke “agricultuur”, beginnen mijn paedagogische begrippen zich te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens, maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij, om de orde te bewaren; je weet niet, hoe ’n pret we dan hebben!
Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo’n grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer Bhaer’s kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.
“Heb je ooit zoo’n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft, die ik hem niet lang geleden gegeven heb.”
Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens rond, want het was wezenlijk een “hol.” Overal boeken en papier; een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel, zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor ’t vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie van de verloren schapen voor den dag—één hing over de vogelkooi, één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt om er een gloeiende pook mee aan te vatten.
“Wat een man!” lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de overblijfselen in de prullemand stopte.
“Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten, verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid.”
“Laat ik het verstelwerk maar op me nemen,” stelde ik voor, “ik geef er niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen; hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen, en mij boeken te leenen.”
Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren; want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot een nieuwe leerling zei, die even dom is in ’t Duitsch als ik. Het meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen, terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.
“Zoo,” zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde.“U begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie, ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?”
“Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren,” stamelde ik, zoo rood als een pioen.
“Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik heb deze rekening te betalen,” terwijl hij op mijn werk wees. “Ja, zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken, dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur, of geen goede fee mag meer aan ’t werk voor mij en het mijne.”
Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo’n uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk, alsof ik mijn naam met roem had overladen.
“Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven, dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft.”
Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen’s sprookjes zoo uitlokkend voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk toog met een gevoel van “overwinnen of sterven,” dat hem ontzaglijk scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn hartelijke manier uit: “Das ist gut! Nu gaan wij goed!—Mijn beurt. Ik doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!” En daar ging hij, terwijl hij met zijn heldere stem de lange woorden met zoo’n genot uitgalmde, dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen wij de geschiedenis van het “Tinnen Soldaatje,” die, zooals je weet, grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik de helftniet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen, hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo onweerstaanbaar komisch.
Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel, dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!
Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan ’t werk schijnt te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.
Jan.
Een gelukkig Nieuwjaar wensch ik mijn heele familie; mijnheer L. en een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam ’s morgens, maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven; ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van “gevoel” gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote, vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en maakte een luchtsprong. Het was zoothuis-achtigen heerlijk, dat ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken, te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had, en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van gekocht. Betsy’s nieuwe “inktboezelaar” was kapitaal, en Hanna’s trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft, en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik dank u allen duizend en duizendmaal!
Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde, toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mijmijn naam op het titelblad wees, met daaronder: “Van mijn vriend Friedrich Bhaer.”
“Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een: want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan, en ze met uw pen te teekenen.”
Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen “vriend Friedrich Bhaer.”
Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben, gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi, of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor zijn bloem—want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt—en een “aanpakkertje” voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn “mouchoirs” zooals Amy ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy’s model—een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels, paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is, vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis; en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe, vergat hém. Daar was ik zoo blij om!
Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop1, en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij, want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille, trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf en koel ben, en dat ben ik ooktegen uilskuikens) kon dansen, zich verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien, hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest; en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom2, en Tina was Titania, in zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen was “een landschap”, om een Teddyisme te gebruiken.
Over ’t geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbende
Jo.
1Mrs. Malaprop (mal à propos) is een figuur uit Sheridan’s blijspelThe Rivals(de Medeminnaars), bekend om de grappige manier waarop ze verschillende uitdrukkingen en personen dooreenhaspelt.2Een Atheensch wever, voorkomende in Shakespeare’s:Midzomernachtsdroom, waarin Titania, de feeënkoningin, ook een hoofdrol vervult.
1Mrs. Malaprop (mal à propos) is een figuur uit Sheridan’s blijspelThe Rivals(de Medeminnaars), bekend om de grappige manier waarop ze verschillende uitdrukkingen en personen dooreenhaspelt.
2Een Atheensch wever, voorkomende in Shakespeare’s:Midzomernachtsdroom, waarin Titania, de feeënkoningin, ook een hoofdrol vervult.