HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.HUISELIJKE ONDERVINDINGEN.Evenals de meeste jonge vrouwen begon Meta haar huwelijksleven met het voornemen, om een model-huishoudster te zijn. John zou zijn woning een paradijs vinden, elken dag smullen, en niet weten, wat het was een knoop te missen. Zij begon haar taak met zooveel liefde, goeden wil en blijmoedigheid, dat zij wel moest slagen, in weerwil van sommige hinderpalen. Haar paradijs was niet zoo heel rustig, want het jonge vrouwtje maakte veel drukte, was te bezorgd om John genoegen te geven, en draafde rond als een ware Martha, gebukt onder al haar kleine zorgen. Soms was ze zelfs te vermoeid om te glimlachen. John’s spijsvertering raakte in de war, na een opeenvolging van lekkere schoteltjes, en de ondankbare begon naar eenvoudiger spijzen te verlangen. Wat de knoopen betreft, het werd Meta spoedig een raadsel, waar zij toch bleven, en dikwijls schudde ze ’t hoofd over de achteloosheid der mannen, met de bedreiging, dat hij ze op een goeden dag zelf zou mogen aanzetten, om te probeeren ofzijnwerk beter dan het hare bestand zou zijn tegen ongeduldig rukken en onhandige vingers.Maar ze waren overgelukkig, zelfs nadat ze ontdekt haddendat zij niet van liefde alleen konden leven. John vond Meta niet minder mooi, nu zij hem van achter de koffiekan toelachte, en Meta vond den dagelijkschen afscheidskus volstrekt niet minder poëtisch, al liet de echtgenoot dien ook vergezeld gaan van de teedere vraag: “Zal ik voor vanmiddag rund- of kalfsvleesch bestellen, lieveling?” Het kleine huisje was niet langer een tooverpriëel, maar het werd eenthuis, en het jonge paar voelde weldra, dat deze verandering een verbetering was. Eerst speelden zij huishoudentje en maakten er evenveel plezier over als kinderen; toen verdiepte John zich in zijn werk, onder het volle besef van zijn verantwoordelijkheid als huisvader; en Meta borg haar neteldoeksch morgenjaponnetje op, deed een grooten boezelaar voor, en ging, zooals wij reeds zeiden, met meer ijver dan verstand aan het werk.Zoolang de kookmanie duurde, gebruikte zij haar receptenboek, alsof het een rekenboekje was, en werkte al de problemen met zorg en geduld uit. Soms werd de heele familie geïnviteerd om hen te helpen in het opeten van een àl te overvloedige, welgelukte lekkernij; dan weer werd Lotty stilletjes weggestuurd met een schaaltje misbaksels, die voor ieders oog verborgen werden in de alverterende magen der kleine Hummels. Een avond met John en het huishoudboek bracht gewoonlijk een staking in de culinaire proefnemingen teweeg, en dan volgde er een spaarzame bui, waarin de arme man voortdurend broodpudding, haché en opgewarmde koffie te genieten kreeg, een ware beproeving voor hem, die hij echter met lofwaardige lijdzaamheid verdroeg. Maar voordat de gulden middenweg was gevonden, ontstond er, waar weinig jonge paren lang buiten blijven: een huiselijke oneenigheid.Toegevende aan het huismoederlijk verlangen om de planken in haar provisiekast goed gevuld te zien met eigen inmaak, besloot Meta zelf haar bessengelei te maken. John werd verzocht ongeveer een dozijn kleine potjes en een grooten zak suiker te bestellen, want daar hun eigen bessen rijp waren, kon het werk dadelijk beginnen.John, die vast geloofde dat “mijn vrouw” alles kon en niet weinig trotsch was op haar handigheid, bleek onmiddellijk bereid haar verzoek in te willigen, zoodat hun eenige vruchtenoogst op de aangenaamste manier voor wintergebruik zou kunnen bewaard worden. Hij bezorgde haar dus vier dozijn “allergezelligste” potjes, tien kilo suiker en een kleinen jongen om bessen te plukken. Met een mutsje over haar haar, opgestroopte mouwen en een groot keukenschort voor, dat ondanks alles iets coquets had, ging de jonge huisvrouw, vol vertrouwen in haar succes, aan den arbeid, want—had zij het Hanna niet honderdmaal zien doen? Het groote aantal potjes deed haar op het eerste gezicht ontstellen, maar John hield zooveel van gelei, en de nette glazen potjes zouden zoo aardig staan op de bovenste plank, dat Meta besloot ze alle te vullen, en zij bracht een ganschen langen dag door met plukken,koken, filtreeren en tobben over haar inmaak. Ze deed haar best. Ze raadpleegde het kookboek, zij spande zich in om te bedenken wat Hanna toch deed, dat zij niet gedaan had; zij kookte alles nog eens over, deed er nog eens weer suiker bij, liet het nog eens door de zeef loopen, te vergeefs, het akelige goed wilde niet stijf worden.’t Liefst zou ze met boezelaar en al naar huis zijn geloopen om haar moeder om hulp te vragen, maar John en zij waren overeengekomen, dat zij nooit iemand met hun huiselijke moeilijkheden, proefnemingen of twisten zouden lastig vallen. Over dat laatste woord hadden ze gelachen, alsof de gedachte daaraan de grootste absurditeit was; maar zij hadden hun besluit volgehouden, en wanneer zij er maar eenigszins buiten konden, vroegen ze niet om hulp; dus bemoeide zich niemand met hun zaken, want mevrouw March had dit plan bizonder goedgekeurd. Zoo worstelde Meta op dien snikheeten zomerdag geheel alleen met haar weerspannige lekkernij, en om vijf uur viel zij moedeloos neer op een stoel in haar rommelige keuken, wrong haar kleverige handen en barstte in snikken uit.Nu had zij in de eerste weken van haar nieuwe leven dikwijls gezegd: “Mijn man zal altijd, wanneer hij maar wil, een vriend mee naar huis kunnen brengen. Ik zal er altijd op voorbereid zijn, zoodat er geen verwarring, gevlieg of gebrom behoeft te wezen, waar hij een net huis, een vroolijke vrouw en een goed middagmaal zal vinden. Johnlief, vraag maar nooit mijn goedkeuring, inviteer gerust wien je wilt, en wees er zeker van, dat hij welkom zal zijn.”Dat klonk veelbelovend! John straalde van voldoening, toen hij haar dat hoorde zeggen, en voelde opnieuw, hoe ’n zegen het toch was zoo’n lief, verstandig vrouwtje te bezitten. Maar hoewel zij nu en dan wel gasten hadden ontvangen, was het nog nooit onverwachts gebeurd, en dus had Meta tot nog toe geen gelegenheid gevonden om zich in dat opzicht te onderscheiden. Zoo gaat het altijd in dit tranendal; er schijnt aan zulke dingen een zeker noodlot verbonden, waarover wij ons kunnen verwonderen, dat wij kunnen betreuren, doch waarin wij ons zoo goed mogelijk moeten zien te schikken.Als John niet alles omtrent de gelei vergeten had, zou het onvergeeflijk van hem geweest zijn, om op dien dag, uit al de dagen van het jaar, onverwachts een vriend mee ten eten te brengen. In de blijde bewustheid dat hij dien morgen een goed middagmaal besteld had, vast overtuigd dat het op de minuut af gereed zou zijn, en vervuld met aangename voorgevoelens over het bekoorlijk effect, dat zijn oog zou streelen, wanneer zijn mooi vrouwtje naar buiten kwam loopen om hem tegemoet te gaan, voerde hij zijn vriend naar zijn woning, met al de opgewektheid van een jong gastheer en echtgenoot.Maar de wereld is vol teleurstellingen, dat ondervond John, toenhij zijn “duiventil” naderde. De voordeur stond gewoonlijk heel gastvrij open; nu was zij niet alleen dicht, maar op slot, en de modder van den vorigen dag ontsierde nog de stoep. De gordijnen van de voorkamer waren neergelaten, zoodat er niets te zien was van het liefelijk tafereel, dat hij zich had voorgesteld: een mooi in ’t wit gekleed huisvrouwtje dat, met een bloem in haar ceintuur, onder de veranda zat te naaien, of een helderoogige gastvrouw, die haar gast met een vriendelijk beschroomd lachje welkom heette. Niets van dien aard; geen levende ziel verscheen, alleen een jongen met bloedrooden mond en vingers lag tusschen de bessestruiken te slapen.“Ik vrees, dat er iets gebeurd is; ga zoolang in den tuin, Scott, terwijl ik mijn vrouw ga opzoeken,” zei John, wien de stilte en eenzaamheid begon te benauwen.Hij haastte zich naar de achterzijde van het huis, geleid door een afschuwelijken reuk van aangebrande suiker, en Scott drentelde hem achterna met een spotachtige uitdrukking op het gezicht. Hij bleef, toen Brooke verdween, bescheiden op een afstand staan, maar toch kon hij alles hooren en zien en genoot hij, als vrijgezel, bizonder van het tooneel.In de keuken heerschte wanhoop en verwarring; één editie van de gelei was van potje tot potje overgezeefd; een tweede lag op den grond, en een derde stond lustig op het vuur aan te branden. Lotty zat met Teutonisch flegma kalm te genieten van brood met bessensap, want de gelei was nog steeds in een hopeloos vloeibaren staat, terwijl mevrouw Brooke, met het gezicht in haar boezelaar verborgen, wanhopig zat te snikken.“Mijn liefste meisje, wat scheelt er aan?” riep John naar binnen stormende, met verschrikkelijke visioenen van verbrande handen, plotselinge noodlottige tijdingen, en een heimelijken schrik, bij de gedachte aan den gast in den tuin.“O, John, ik ben zoo moe, en warm, en boos, en ellendig. O, o! help me toch, want ik ben doodop!” en de uitgeputte huisvrouw wierp zich in zijn armen en gaf hem een in alle opzichten zoete ontvangst, want haar boezelaar had ruimschoots gedeeld in de morspartij.“Wat maakt je ellendig, lieveling? Is er iets verschrikkelijks gebeurd?” vroeg de bezorgde John, terwijl hij teeder de kruin van het kleine mutsje kuste, dat geheel op één oor was gezakt.“Ja,” snikte Meta wanhopig.“Vertel het mij dan gauw; schrei niet zoo; ik kan alles beter dragen dan dat. Voor den dag er mee, kind.”“De—de gelei wil niet stijf worden, en ik weet niet wat ik beginnen moet.”Toen barstte John uit in zoo’n vroolijk gelach, als hij later nooit weer bij een dergelijke gelegenheid durfde aanheffen, en de spotachtige Scott glimlachte onwillekeurig, toen hij het hartelijke geschater vernam, dat Meta’s ellende de kroon opzette.“Is dat alles? Smijt den boel het raam uit en tob er niet langer over! Ik zal wel zooveel potten van dat goed voor je bestellen, als je noodig hebt, maar krijg het in ’s hemelsnaam niet op je zenuwen, want ik heb Jack Scott mee ten eten gebracht, en—” John kon niet verder gaan, want Meta stiet hem terug, sloeg de handen tragisch inéén, terwijl zij op een stoel neerzonk, en op een toon van verontwaardiging, verwijt en wanhoop uitriep:“Een man ten eten, en alles in de war! John hoekonje zoo iets doen?”“Stil, hij is in den tuin; ik vergat die heele ongelukkige gelei, maar er is nu niets aan te veranderen,” zei John, met klimmende onrust de naaste toekomst inziende.“Je had het mij moeten laten weten, of het mij van morgen moeten zeggen, en je had moeten bedenken, hoe wanhopig druk ik het had,” ging Meta heftig voort; want zelfs tortelduiven pikken, als zij boos worden.“Ik wist het van morgen nog niet, en er was geen tijd om het je te laten weten, want ik ontmoette hem op mijn terugweg. Ik heb er ook geen oogenblik aan gedacht, je toestemming te vragen, omdat je me altijd gezegd hebt, dat ik doen kon, zooals ik wou. Ik heb het nog nooit geprobeerd, maar dit is voor ’t eerst en voor ’t laatst,” antwoordde John op een beleedigden toon.“Dat hoop ik! Stuur hem dadelijk weg. Ik kan hem niet ontvangen, en er is niets meer te eten.”“Onzin! Waar is het rundvleesch dan en de groenten die ik bestelde, en de pudding, die je van plan was te maken?” vroeg John, op de glazenkast toesnellende.“Ik had geen tijd iets klaar te maken, ik was van plan met je bij Moeder te gaan eten. Het spijt mij erg, maar ik had het zoo druk—” en Meta’s tranen begonnen opnieuw te vloeien.John was een zachtzinnig man, maar hij was menschelijk; en om, na een langen dag op het kantoor, vermoeid, hongerig en vol verwachting thuis te komen, en dan een ontredderd huis, een leege tafel en een knorrige vrouw te vinden, is niet bepaald geschikt om iemand kalm van humeur en manieren te maken. Hij bedwong zich evenwel, en de kleine kibbelarij zou afgedreven zijn, als hij maar niet één ongelukkig woord gebruikt had.“Het is een gek geval, dat beken ik, maar als je een handje helpen wilt, dan zullen wij het toch wel klaarspelen en nog een aardigen avond hebben. Schrei niet meer, best kind, maar span je een beetje in en scharrel wat bij elkaar om te eten. Wij zijn allebei zoo hongerig als wolven, en zullen er niet op zien, wat het is. Geef ons het koude vleesch maar, en wat brood en kaas; we zullen niet om gelei vragen.”Hij bedoelde het als eene goedhartige grap, maar dit ééne woord besliste over zijn lot. Meta vond, dat het al te wreed was, nog met haar droevig ongeval den draak te steken, en haar laatste greintje geduld verdween terwijl hij sprak.“Je moet er je zelf maar zien uit te redden; ik ben veel te moe, om mij nog voor iemand ‘in te spannen.’ Echt iets voor een man, een gast koud vleesch en niets dan brood en kaas te willen voorzetten. Maar dat zal in mijn huis niet gebeuren! Neem Scott dan mee naar Moeder, en zeg hem, dat ik weg ben—ziek, dood, of wat je maar wilt. Ik wil hem niet zien, en jullie kunt met je beiden over mij en mijn gelei lachen, zooveel je maar wilt, maar hier krijg je niets anders,” en nadat zij er deze uitdaging in één adem had uitgegooid, trok Meta haar boezelaar af, en verliet overhaast het veld, om haar droevig lot in haar kamer te gaan beweenen.Wat de twee mannen in haar afwezigheid uitvoerden, kwam zij nooit te weten, maar Scott werd “niet mee naar Moeder genomen,” en toen Meta beneden verscheen, nadat zij samen weggewandeld waren, vond zij overblijfsels van een zeer gemengd maal, die haar met afgrijzen vervulden. Lotty verhaalde, dat zij “een heele boel” gegeten en erg gelachen hadden; en dat mijnheer haar gezegd had, dat zij al het zoete goed moest weggooien, en de potjes verstoppen.Meta verlangde vurig naar haar moeder te gaan en haar alles te vertellen; maar een gevoel van schaamte over haar eigen tekortkomingen en van eerlijkheid en trouw ten opzichte van John, (hij mocht dan wreed zijn, maarniemandzou het ooit te weten komen) weerhield haar; en na een voorloopige opruiming kleedde zij zich netjes aan, en ging zitten wachten tot John thuis zou komen om alles weer goed te maken.Ongelukkigerwijze kwam John echter niet, en beschouwde hij de zaak ook niet in dat licht. Hij had het heele geval met Scott als een grap behandeld, zijn vrouw zoo goed mogelijk verontschuldigd, en was zoo’n gul en aangenaam gastheer geweest, dat zijn vriend het geïmproviseerd diner voor lief nam en beloofde eens gauw terug te zullen komen. Maar John was boos, al toonde hij het niet; hij voelde, hoe Meta hem eerst in een moeilijkheid had gebracht, en daarna in den steek gelaten had. “Wat een manier, iemand eerst te zeggen, dat hij volkomen vrij was, zijn vrienden mee thuis te brengen, en, zoodra je haar aan haar woord hield, op te stuiven, verwijten te doen, je een gek figuur te laten slaan en je er aan bloot te stellen uitgelachen of beklaagd te worden? ’t Was gewoon onredelijk, en dat zou hij Meta ook wel eens aan haar verstand brengen!” Onder den maaltijd had hij inwendig gekookt; maar toen alles voorbij was, en hij langzaam huiswaarts keerde, nadat hij Scott had weggebracht, kwam hij in een zachtere stemming. “Arm klein ding! Het was toch ook wel verdrietig voor haar, terwijl zij zoo haar best deed om hem genoegen te geven. Zij had natuurlijk ongelijk, maar zij was nog zoo jong. Ik moet geduldig zijn en haar een beetje leiden.” Hij hoopte maar, dat zij niet naar huis zou gegaan zijn; hij had het land aan veel heen en weer praten en bemoeiingen van anderen. Voor een oogenblik stoof hij weer op bij de enkele gedachte daaraan; maar toen verzachttede vrees, dat Meta zich ziek zou schreien, zijn hart, en deed hem met versnelden pas huiswaarts keeren, vast besloten kalm en vriendelijk, maar ferm, héél ferm te zijn, en haar aan te toonen, in welk opzicht zij in haar plicht jegens haar Heer Gemaal was te kort geschoten.Meta besloot eveneens “kalm en vriendelijk, maarferm” te zijn en John op zijn plicht te wijzen. Zij verlangde niets liever dan hem te gemoet te vliegen, hem vergeving te vragen, en gekust en vertroost te worden, zooals zij zeker wist, dat hij doen zou; maar natuurlijk deed zij niets van dien aard, en toen zij John zag aankomen, begon zij heel natuurlijk te neuriën, terwijl zij, als een dame, die niets omhanden had, in de voorkamer in haar schommelstoel zat te borduren.John was wel wat teleurgesteld geen teedere Niobe te vinden; maar gevoelende dat het zijn waardigheid te kort zou doen, wanneer hij begon met verontschuldigingen te maken, zei hij niets, kwam bedaard binnen, en strekte zich op de sofa uit met de zeldzaam belangrijke opmerking:“’t Is van avond nieuwe maan.”“Mij best,” was Meta’s even interessant antwoord.Een paar andere onderwerpen van algemeen belang werden door mijnheer Brooke op het tapijt gebracht, doch doodgezwegen door mevrouw Brooke, en dus kwijnde het gesprek. John ging naar het eene raam, nam de courant, en begroef zich daarin, figuurlijk gesproken. Meta ging naar het andere en werkte, alsof mooie letters voor haar zakdoeken onder de eerste levensbehoeften behoorden. Geen van beiden sprak, maar beiden zagen er buitengewoon “kalm en ferm” uit, en beiden gevoelden zich dood-ongelukkig.“O hemel!” dacht Meta, “het huwelijksleven is toch wèl heel moeilijk en vereischt, zooals Moeder zegt, eenoneindiggeduld zoowel als eeneoneindigeliefde.” Het woord “moeder” bracht haar andere moederlijke raadgevingen voor den geest, die indertijd met ongeloovige ooren waren aangehoord.“John is een beste man, maar hij heeft zijn gebreken, en je moet die leeren verdragen, door aan je eigene te denken. Hij is zeer beslist, maar zal nooit stijfhoofdig zijn, wanneer je vriendelijk met hem redeneert, en je niet ongeduldig verzet. Hij is erg accuraat, en eischt de stipte waarheid in alles—een uitstekende hoedanigheid, al noem jij hem ‘wat al te precies’. Bedrieg hem nooit door blik of woord, Meta, en hij zal je het vertrouwen schenken dat je verdient, en al de teedere zorg, waaraan je behoefte hebt. Hij heeft een ander temperament dan het onze—bij ons is na een uitbarsting alles weer voorbij—maar is John’s toorn, die zelden ontbrandt, eenmaal opgewekt, dan is die heel moeilijk tot bedaren te brengen. Draag vooral zorg dien toorn niet jegens jezelf gaande te maken, want je vrede en geluk zijn verloren, als hij zijn achting voor je verliest. Wees dus voorzichtig; vraag het eerst om vergeving,als jullie beiden gedwaald hebt, en wacht je voor kleine grieven, misverstanden en driftige woorden, die dikwijls den weg banen tot diepe droefheid en lang naberouw.”Deze woorden kwamen Meta te binnen, terwijl zij in het schijnsel van de ondergaande zon zat te borduren, ’t Was hun eerste ernstige oneenigheid; haar eigen heftige uitval scheen haar nu laf en onredelijk toe, nu zij zich dien weer voor den geest riep; haar boosheid leek opeens zoo kinderachtig, en de gedachte aan den armen John, die bij zijn thuiskomst met zoo’n scène verwelkomd werd, verteederde haar geheel. Met tranen in de oogen gluurde ze naar hem, maar hij zag het niet; toen legde zij haar werk neer en stond op, denkende: “Ikzalde eerste zijn om te zeggen ‘vergeef mij,’”maar hij scheen haar niet te hooren; zij liep langzaam de kamer door—want het viel haar heel moeilijk haar trots te onderdrukken—en bleef bij hem staan, maar hij keerde zijn hoofd niet om. Een minuut lang meende ze, dat ze hetonmogelijkdoen kon; toen drong de gedachte naar boven: “Dit is het begin; ik zal het mijne doen, dan heb ik mij niets te verwijten,” en zich bukkende kuste zij haar man op het voorhoofd. Dit besliste de zaak natuurlijk; de berouwvolle kus was beter dan een zee van woorden, en in een oogenblik had John haar op zijn knie, terwijl hij teeder zei:“Het was ook onhebbelijk van me, om over die ongelukkige geleipotjes te lachen; vergeef mij, lieveling, ik zal het nooit weer doen.”Maar hij deed het wel weer, o ja, wel honderdmaal en Meta ook, doch beiden waren ’t er over eens, dat dit de beste gelei was, die zij ooit gemaakt hadden, want huiselijke vrede werd geboren uit dien kleinen huiselijken twist.Eenigen tijd daarna had Meta John’s vriend op een speciale uitnoodiging ten eten, en zorgde ze voor een keurig dinertje, zonder een gekookte huisvrouw als eerste gerecht; en bij deze gelegenheid was zij zoo vroolijk en vriendelijk, en wist alles zoo aardig te regelen, dat Scott Brooke een overgelukkigen kerel noemde, en den heelen weg naar huis zijn hoofd liep te schudden over de ontberingen van het vrijgezellen-leven.In den herfst deed Meta nieuwe ondervindingen op. Sallie Moffat knoopte de vriendschap weer aan, en liep gedurig eens over om een praatje te maken in het kleine huisje, of “die arme lieve Meta” over te halen, den dag in het groote huis te komen doorbrengen. Dat was heel gezellig, want met somber weer voelde Meta zich dikwijls eenzaam; thuis waren allen bezig. John bleef tot den avond weg, en zij had niets te doen dan te handwerken, te lezen en wat rond te scharrelen. Het was dus niet meer dan natuurlijk, dat Meta in de gewoonte verviel, met haar vriendin uit te loopen en wat te babbelen. Het zien van Sallie’s dingen deed haar verlangen ze ook zoo te bezitten, en zich zelve beklagen, omdat zij ze niet kon bekostigen. Sallie was heel vriendelijk, en bood haar dikwijlsde begeerde kleinigheden aan, maar Meta sloeg ze af, overtuigd dat John ’t niet graag zou hebben; en toch kwam dat dwaze ijdele schepseltje langzamerhand tot dingen, die John nog oneindig meer ergernis gaven.Zij wist precies hoeveel inkomen haar man had, en vond het een heerlijke gedachte dat hij haar niet alleen zijn geluk, maar ook, wat veel mannen nog hooger schijnen te schatten, zijn geld toevertrouwde. Zij wist, waar het lag, en zij kon te allen tijde nemen, zooveel zij wilde; al wat hij verlangde was, dat zij alles nauwkeurig zou opschrijven, eens in de maand haar rekeningen zou betalen, en in ’t oog houden, dat zij de vrouw van een onbemiddeld man was. Tot nog toe had zij goed opgepast, was voorzichtig en nauwkeurig geweest, had haar huishoudboek netjes bijgehouden en het hem elke maand onbeschroomd laten zien.Maar in ’t najaar sloop de slang in Meta’s paradijs en verleidde haar, als zoo menige Eva uit den lateren tijd, niet met appels, maar met opschik. Meta vond het onuitstaanbaar beklaagd te worden en zich arm te voelen; het maakte haar knorrig; maar zij was te beschaamd om dat te erkennen, en trachtte zich te troosten, door nu en dan iets moois te koopen; zoodat Sallie niet hoefde te denken, dat zij zich moest bekrimpen. Zij gevoelde zich daarna altijd een beetje zondig, want de mooie dingen waren zelden noodig, maar ze waren immers toch zoo goedkoop! ’t Was de moeite niet waard er over te tobben! Dus groeiden de kleinigheden onmerkbaar aan, en bij ’t winkelen bleef Meta niet langer een werkeloos toeschouwster.Modesnufjes kosten evenwel meer, dan men zoo oppervlakkig zou denken, en toen Meta aan het einde der maand haar kasboek opmaakte, stond zij versteld over het bedrag. John had het die maand extra druk, en liet de rekeningen aan haar over; de volgende maand was hij van huis, maar de daarop volgende hield hij een groote driemaandelijksche afrekening, die Meta nooit weer vergat. Een paar dagen geleden had ze iets vreeslijks gedaan, dat als lood op haar geweten drukte. Sallie had pas een nieuwe zijden japon gekocht, waar Meta ook juist zoo naar smachtte—een mooi licht zijdje om in uit te gaan! Haar zwarte zijden stond zoo stemmig, en een dun stofje als avondtoilet was alleen goed voor jonge meisjes. Tante March gaf gewoonlijk ieder der zusters vijfentwintig dollar als Nieuwjaarsgift, daarop behoefde zij dus nog maar een maand te wachten, en nu was er juist een koopje van beeldige lila zijde, en zij had het geld er voor in handen. Als zij het er maar voor durfde gebruiken! John zei altijd wel, dat het zijne het hare was, maar zou hij het goed vinden, dat zij niet alleen die vijfentwintig dollar, die nog komen moesten, maar ook vijfentwintig dollar van het huishoudgeld gebruikte? Dat was de vraag. Sallie had haar erg gedrongen om het te doen, haar aangeboden het geld voor te schieten, en met de beste bedoelingen ter wereld Meta in een onweerstaanbareverzoeking gebracht. In een zwak oogenblik spreidde de winkelbediende de verleidelijke, glanzige stof uit, en zei: “Een koopje, mevrouw, dat verzeker ik u.” Toen was Meta bezweken en had gezegd: “Ik neem het!” en het werd afgesneden en betaald, en Sallie had in de handen geklapt en Meta had gelachen, alsof het iets van geen beteekenis was, maar zij reed naar huis met een gevoel, alsof zij iets had gestolen en de politie haar op de hielen zat.Toen zij thuis kwam, trachtte zij haar gewetenswroegingen te stillen door de glanzige zijde uit te spreiden, maar zij leek nu niet half zoo zilverachtig en kleurde haar toch volstrekt niet zoo bizonder, en de woorden “vijftig dollar” schenen als een patroon op elken meter gedrukt te zijn. Zij borg het goed weg, maar de gedachte er aan vervolgde haar: niet op aangename wijze, zooals een nieuwe japon anders zou doen, maar benauwend als een spooksel. Toen John dien avond zijn boeken voor den dag haalde, ontzonk haar de moed, en voor de eerste maal sedert haar huwelijk was zij bang voor haar man. De vriendelijke bruine oogen zagen er uit, of zij streng konden zijn, en hoewel hij buitengewoon vroolijk leek, verbeeldde zij zich, dat hij haar misdaad op het spoor gekomen was, maar dit niet wilde laten merken. De huishoudelijke rekeningen waren alle betaald en alle posten in orde; John had haar geprezen, en wilde nu het oude zakboek, dat zij “de bank” noemden, openleggen, toen Meta, die wist, dat er niets op de creditzijde stond, zijn hand vast hield en op gejaagden toon zei:“Je hebt mijn kleedgeldboekje nog niet gezien.” John vroeg daar nooit naar, maar zij stond er altijd op, dat hij het door zou kijken, en vermaakte zich dan met zijn mannelijke verbazing over de wonderlijke dingen die vrouwen noodig hadden, liet hem gissen wat een “pleureuse” was of zich verwonderen, hoe een klein prul, bestaande uit drie rozen, een beetje stroo en een paar el lint, bij mogelijkheid een hoed kon zijn, en vijf of zes dollar kostte. Dien avond zag hij er uit, alsof hij met het grootste plezier haar om haar cijfers zou uitlachen, of voorwenden dat hij versteld stond over haar buitensporigheid, hoewel hij bizonder trotsch was op zijn overlegzaam vrouwtje.Het kleine boekje werd langzaam voor den dag gehaald en voor hem neergelegd. Meta ging achter zijn stoel staan, onder voorwendsel, de rimpels van zijn vermoeid voorhoofd glad te strijken, en zoo als zij daar stond, zei zij, terwijl haar angst met ieder woord toenam:“John, beste man, ik schaam mij eigenlijk om je mijn boek te laten zien, want ik ben in den laatsten tijd zoo verkwistend geweest. Ik ga zooveel uit, en daarom begrijp je wel, dat ik allerlei dingen noodig heb. Sally raadde mij dikwijls aan iets te koopen, en dat deed ik dan wel eens meer dan verstandig was. Met mijn nieuwjaarsgeld kan ik er een gedeelte van betalen; maar het spijt mijtoch erg, dat ik het gedaan heb, want ik wist, dat je het verkeerd van mij zou vinden.”John lachte en trok haar naast zich, terwijl hij vriendelijk zei: “Wind er maar geen doekjes om; ik zal je geen pak slaag geven, als je een paar nuffige laarsjes gekocht hebt! Ik ben wel een beetje trotsch op de voetjes van mijn vrouw, en ’t kan mij niet schelen, of zij drie of vier dollar voor haar laarzen betaalt, als het maar goede zijn.”Dit was een van haar laatste “kleinigheden” geweest, en John’s oog was er onder het spreken op gevallen.“O, watzalhij zeggen, als hij aan die vreeselijke vijftig dollar komt,” dacht Meta met een rilling.“’t Is erger dan een paar laarzen—’t is een zijden japon,” zei zij met de kalmte der wanhoop, want zij verlangde nu maar het ergste te hooren.“Wel kind, ‘wat is het drommelsche totaal,’ zooals mijnheer Mantalini1het noemde.”Dit klonk in ’t geheel niet als een gezegde van John en zij wist, dat hij haar aankeek met dien openhartigen blik, dien zij tot nu toe altijd even vrijmoedig had durven beantwoorden. Zij sloeg het blad om en wendde het hoofd af, terwijl ze op de som wees, die zonder de vijftig dollar al hoog genoeg geweest zou zijn, maar die mèt dat bijvoegsel eenvoudig verpletterend scheen. Gedurende een oogenblik was het doodstil in de kamer; toen zei John langzaam—maar zij voelde, dat het hem moeite kostte geen ongenoegen te toonen:“Ik weet natuurlijk niet, of vijftig dollar veel is voor een japon, met al de kanten en tirlantijnen, die er tegenwoordig bij noodig zijn.”“Hij is nog niet gemaakt of gegarneerd,” fluisterde Meta bijna onhoorbaar, want de plotselinge gedachte aan de onkosten, die dat nog met zich zou slepen, benam haar het laatste greintje moed.“Twintig el zij schijnt nog al veel om zoo’n slank persoontje te kleeden, maar ik twijfel niet, of mijn vrouw zal, als zij die japon aanheeft, even mooi zijn als mevrouw Ned Moffat,” merkte John droogjes op.“Ik weet dat je boos bent, John, maar ik kan het heusch niet helpen; ik was niet van plan je geld zoo te verspillen, en ik dacht niet, dat al die kleinigheden zoo zouden oploopen. Ik kán het niet laten als ik Sallie, al wat zij noodig heeft, zie koopen, en als zij mij beklaagt, dat ik het niet doen kan! ’k Doe werkelijk mijn best tevreden te blijven, maar ’t is zoo moeilijk, en het verveelt mij soms vreeselijk arm te zijn.”De laatste woorden zei ze zóó zachtjes, dat zij meende, dat Johnze niet verstaan kon, maar hij verstond ze wél, en ze kwetsten hem diep, daar hij zich om Meta’s wil menig genoegen ontzegd had. Zij zou haar tong wel hebben willen afbijten, zoodra zij het geuit had, want John stond op, schoof de boeken van zich af, en zei met een eenigszins onvaste stem: “Daar ben ik wel bang voor geweest; ik doe mijn best, Meta.” Als hij tegen haar was uitgevaren, of haar zelfs verwoed door elkaar had geschud, zou ’t haar niet zóó getroffen hebben als die paar woorden. Zij liep op hem toe, sloot hem vast in haar armen, en riep onder berouwvolle tranen: “O, John! mijn lieve, goeie, ijverige jongen, ik meende het niet! Het was zoo slecht, zoo onwaar en zoo schandelijk ondankbaar! Hoe kon ik zoo iets zeggen! O, hoe kón ik zoo iets zeggen!”John was heel vriendelijk, vergaf het haar dadelijk en uitte geen enkel verwijt, maar Meta wist, dat zij iets had gedaan en gezegd, wat hij niet spoedig zou vergeten, hoewel hij er misschien nooit op terugkomen zou. Zij had beloofd hem in voor- en tegenspoed te zullen liefhebben, en nu verweet zij, zijn vrouw, hem zijn armoede, nadat zij zijn verdiend geld lichtzinnig had verspild! Hoe vreeselijk! en het ergste was nog, dat John daarna voortging, alsof er niets was gebeurd. Hij bleef alleen nog langer op zijn kantoor, en werkte tot in den nacht, nadat Meta zich al lang in slaap had geschreid. Een week van wroeging maakte haar bijna ziek, en de ontdekking, dat John zijn nieuwe overjas had afbesteld, bracht haar in een toestand van wanhoop, die tragisch was om aan te zien. In antwoord op haar verwonderde vraag naar de reden hiervan, zei hij enkel: “Ik kan het niet bekostigen, lieveling.”Meta zei niets meer, maar even later vond hij haar in de gang, met haar gezicht in de oude overjas verborgen,schreiende, alsof haar hart zou breken. Zij hadden dien avond een lang gesprek, en Meta begon haar echtgenoot nog meer lief te krijgen, juist om zijn armoede, want die hadhem een mangemaakt—had hem de kracht en den moed gegeven zich een eigen weg te banen—en hem dat vriendelijk geduld geleerd, waarmee hij al de natuurlijke verlangens en tekortkomingen van hen, die hij liefhad, wist te bevredigen en te verdragen.Den volgenden dag zette zij al haar hoogmoed op zij, ging naar Sallie, vertelde haar de volle waarheid, en verzocht haar als een gunst de zijde te willen overnemen.Het goedhartige mevrouwtje Moffat was hier dadelijk toe bereid, en had gelukkig zooveel fijn gevoel, dat zij ze haar vriendin niet dadelijk daarna cadeau deed. Toen liet Meta de overjas bezorgen en tegen dat John thuis kwam, trok zij die aan en vroeg hem, hoe hij haar nieuwe zijden japon vond. Iedereen begrijpt welk antwoord zij kreeg, hoe John het geschenk aannam, en hoe innig gelukkig zij daarna waren. John kwam weer vroeg thuis, Meta liep niet meer uit, en de overjas werd elken morgen door een zeer gelukkige echtgenoot aan- en elken avond door een zeer liefhebbendevrouw uitgetrokken. Zoo ging het jaar voorbij, en den volgenden zomer deed Meta een nieuwe ondervinding op, de diepste en teederste in het leven eener vrouw.Laurie kwam op zekeren Zaterdag met een geheimzinnig gezicht de keuken van “de duiventil” binnen sluipen en werd met cymbaalgeschal ontvangen, want Hanna klapte in de handen, met een pan in de eene en het deksel in de andere hand.“Hoe gaat het de jonge mama? Waar is iedereen? Waarom hebben ze het mij niet geschreven, voordat ik thuis kwam,” vroeg Laurie op luid fluisterenden toon.“Zoo gelukkig als een koningin, de lieve engel! Zij zijn allemaal boven aan ’t aanbidden, en we hadden geen wervelwinden noodig. Ga maar in de voorkamer en ik zal wel iemand bij u sturen,” en na dit eenigszins ingewikkeld antwoord, verdween Hanna, vergenoegd grinnekend.Een oogenblik daarna verscheen Jo, met een klein flanellen pakje op een groot kussen. Jo’s gezicht stond heel ernstig, maar haar oogen schitterden en aan haar stem kon men hooren, dat zij een aandoening trachtte te bedwingen.“Doe je oogen toe, en steek je armen uit,” commandeerde zij.Laurie trok zich overhaast in een hoek terug, en hield zijn handen met een smeekend gebaar achter zich—“Neen, dankje, liever niet. Ik zal het zoo zeker als iets laten vallen of verpletteren.”“Dan krijg je je neefje niet te zien,” zei Jo, zich omkeerend om heen te gaan.“Neen, neen, ik zal het aannemen, maar jij bent verantwoordelijk voor alle ongelukken,” en gehoorzaam aan de ontvangen bevelen, sloot Laurie heldhaftig de oogen, terwijl iets in zijn armen werd gelegd. Een luid gelach van Jo, Amy, mevrouw March, Hanna en John, deed hem een minuut later opzien, en daar zag hij in zijn armen twee zuigelingen in plaats van één.Geen wonder dat zij lachten, want de uitdrukking van zijn gezicht was dwaas genoeg om den ergsten druiloor te doen schateren, zooals hij daar stond en met zoo’n hulpelooze verslagenheid beurtelings de onschuldige schapen en de lachende toeschouwers aanstaarde, dat Jo op den grond neerviel, en het uitgilde.“Tweelingen, bij Jupiter!” was al, wat hij in de eerste oogenblikken kon uitbrengen; toen keerde hij zich tot de vrouwen met een smeekenden blik, die waarlijk treffend was, en voegde er bij: “Laat iemand ze overnemen, gauw! Ik moet lachen, en ik zal ze nog laten vallen!”John redde zijn kleintjes, en wandelde toen de kamer op en neer, met een kind in elken arm, alsof hij het zijn heele leven gewend was geweest, terwijl Laurie lachte, totdat hem de tranen langs de wangen rolden.“Dat is de beste grap, die wij in lang gehad hebben, is ’t niet? Ik wou niet, dat iemand het je schreef; want ik wou je eens verrassen,en me dunkt, het is gelukt!” zei Jo, toen zij weer op adem gekomen was.“Ik ben nog nooit in mijn heele leven zóó geschrikt! Wat een toestand! Zijn het jongens? Hoe zullen ze heeten? Laat ze nog eens zien! Houd me vast, Jo, want op mijn woord, ’t is één te veel voor mij,” antwoordde Laurie en bekeek de kleintjes, zooals een goedige groote Newfoundlander een paar kleine poesjes zou bekijken.“Een jongen en een meisje. Zijn het geen prachtexemplaren?” vroeg de trotsche vader, de kleine roode, wringende schepseltjes zoo bewonderend aanstarende,alsofhet vleugellooze engeltjes waren.“De merkwaardigste kinderen die ik ooit gezien heb! Maar hoe hou je ze uit elkander?”“Amy heeft het jongetje een blauw en het meisje een rose lint omgedaan, volgens de Fransche mode, dus daaraan kun je ’t altijd zien. Bovendien heeft het eene blauwe en het andere bruine oogen. Geef ze een kus, Oom Teddy,” zei de ondeugende Jo.“Ik vrees, dat ze het niet prettig zullen vinden,” begon Laurie, met ongewone beschroomdheid op dit punt.“Natuurlijk wel; zij zijn er nu al aan gewend; doe het oogenblikkelijk, jongmensch,” beval Jo, vreezend, dat hij een uitstel mocht voorslaan.Laurie trok zijn neus op, en gehoorzaamde door op ieder klein wangetje een behoedzaam pikje te geven, dat een nieuwe lachbui veroorzaakte en de kinderen aan het huilen maakte.“Daar nou! ik wist wel, dat zij het niet graag zouden hebben. Dat is de jongen natuurlijk! Kijk hem eens schoppen! hij steekt zijn vuisten al uit als een flinke bokser. Nu, hoor eens, jonge Brooke, val iemand van je eigen grootte aan, wil je?” riep Laurie uit, zeer in zijn schik met een duw in zijn gezicht van het kleine vuistje, dat doelloos rondschermde.“Hij zal John Laurence heeten, en het meisje Margaretha, naar haar moeder en grootmoeder. Wij zullen haar Daisy noemen, om geen twee Meta’s in de familie te hebben, en ik denk, dat dit kleine baasje wel Jack zal heeten, of wij moesten nog een beteren naam voor hem vinden,” vertelde Amy, met tantelijke belangstelling.“Noem hem Demi-John, en bij verkorting Demi,” stelde Laurie voor.“Daisy en Demy—prachtig! Ikwistwel, dat Teddy er iets op zou vinden,” riep Jo, in de handen klappende.Teddy had er dezen keer zeker iets op gevonden, want de kinderen bleven “Daisy en Demy” tot het eind van hun levensdagen.1Mantalini, een bekende figuur uit Dickens’Nicholas Nickleby, die steeds schulden maakt en op kosten van zijn vrouw leeft.HOOFDSTUK VI.VISITES MAKEN.“Kom Jo, het is tijd.”“Waarvoor?”“Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een stuk of zes visites met mij te gaan maken!”“Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele week van de wijs brengt.”“Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden.”“Als het mooi weer was; dat stond in het contract en ik houd mij aan de letter van het verdrag, Shylock.1Er zijn donderwolken in het oosten; het is géén mooi weer, en ik ga dusniet.”“Dát is flauw van je! ’t Is prachtig weer; geen kwestie van regen, en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht, dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten.”Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk; en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking, dat zij een donderbui “rook”, gaf zij toe, borg haar werk weg, nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op, en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.“Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik,” riep Amy, haar met verbazing aanstarend.“Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al die prullen vind ik maar last.”“O, hemel!” zuchtte Amy, “nu is zij in de contramine, en zal me half dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.—’t Is voor mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen, die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!”“Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te vleien en te bepraten. Verbeeld je!Ikgedistingeerd en welgemanierd, en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet, en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?” vroeg Jo, plotseling van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.“Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje; die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken.”Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen, en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen, keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:“Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben, sterf ik gelukkig!”“Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat ik je eens goed opnemen.”Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:“Jo, ’t is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen nietzoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen, ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het dan ook niet.”“Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te aanschouwen,” verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde haar opnam. “Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik hem opnemen, mejuffrouw?”“Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt vooralonmiddellijklos, want dat vergat je laatst! Je hebt je eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let, want zij maken het nette geheel uit.”Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen, maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. “Net een paar schilderijtjes,” vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze na te kijken.“Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje uithouden,” zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken arm, waren geïnspecteerd.“Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,—ja, dat kan ik wel op mij nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen, en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien; wees dus volkomen gerust, mijn kind.”Amy glimlachte tevreden, maar de ondeugende Jo hield haar aan haar woord; want gedurende het eerste bezoek zat zij daar in een keurige houding, met onberispelijke kleeren, kalm en effen als de zomerzee, koel als een ijsschots, en stom als een sphinx. Tevergeefs sprak mevrouw Chester over haar “interessanten roman”; tevergeefs brachten de jonge dames Chester partijen, pic-nics, de opera en de modes op het tapijt; alles werd beantwoord met een glimlach, een hoofdbuiging en een stemmig “ja” of “neen.” Tevergeefs telegrafeerde Amy het woord “práát”, tevergeefs trachtte zij haar in ’t gesprek te mengen, of stootte ze haar ongemerkt met haar voet aan; Jo keek zoo onschuldig, alsof zij de beschrijving van Maud’s2gelaat: “IJskoude schoonheid, prachtige nul,” plastisch wilde voorstellen.“Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March,” was de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen, en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.“Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar, dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen, en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een verkeerden indruk maken.”“Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een ‘allerliefstmeisje’ noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de Lambs niet zullen zeggen: ‘Wat een levendig, aardig schepseltje is die Jo March!’”Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou ophouden. Het was de moeite waard Amy’s gezicht te zien, toen zij haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van Lucy’s laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van haar lijden, daar zij fragmenten opving als:“Zij rijdt keurig—van wien heeft zij het geleerd?”“Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames dresseert. Zij is er zoo’n hartstochtelijke liefhebstervan, dat zij in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden, en zoo den kost verdienen.”Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was, zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen en beging nog vreeselijker misslagen.“Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam, het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een plezierritje, hè?”“En welk nam zij?” vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang in dit onderwerp stelden.“Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had, besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!”“En bereed zij dat paard?”“Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in toom te houden, en was de ziel van de partij.”“Nou, dat noem ik kranig!” en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat haar zoo rood en verlegen maakte.Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met geheel onnoodige openhartigheid: “O, Amy had hem geverfd; die zachte kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden in elke tint, die wij verlangen. Ja ’t is een groot gemak als je een kunstenares tot zuster hebt!”“Hoe origineel!” riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.“Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets, wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes noodig voor Sallie’s partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt, en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren,” voegde Jo erbij, met een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.“Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van u gelezen,” merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen, op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van haar “werken” had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking van onderwerp veranderde. “Het spijt mij, dat u niets beters te lezen had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?”Daar juffrouw Lamb het verhaal “met groot genoegen” gelezen had, was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees, dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling, dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin bleven steken.“Amy, wij moetenheuschgaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eensgauwopzoeken; wij verlangenvreeselijknaar een bezoekje! Ik durfuniet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komenmocht, zult uhartelijkwelkom zijn!”Jo zei dit alles met zoo’n dwaze nabootsing van Mary Chester’s overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde, niet wetende of zij lachen of huilen zou.“Heb ik mij nu niet goed gehouden?” vroeg Jo voldaan, onder het wegwandelen.“Het kón niet erger,” was Amy’s verpletterend antwoord. “Wat heeft je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en die schoenen en al die dingen te vertellen?”“Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best, dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen, en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen.”“Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of je mond houden,” klaagde Amy wanhopig.De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor haar wangedrag.“Hoe moet ik mij hier gedragen?” vroeg zij, toen zij de derde woning naderden.“Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af,” antwoordde Amy kort.“Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid,” antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar pogingen om te behagen.Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden, stemde van harte toe, dat “Tom Brown een bar leuke jongen was,” zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord, en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van een vorstelijken spruit,—waarschijnlijk nog een overblijfsel van de liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,—vurig hopend, dat ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen, die schande zou brengen over den naam der familie March.Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl zij een van Laurie’s studentenstreken aan het bewonderend gehoor meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy’s parasol, een ander knabbelde koekjes boven Jo’s gekleeden hoed, en een derde had een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar terug te komen.—Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!“Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!” zei Jo, voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte parasol te verbergen.“Waarom ontwijk je Tudor altijd?” vroeg Amy, wijselijk geen aanmerkingen makende op Jo’s ontredderd voorkomen.“Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie zegt, dat hij een doordraaier is, enikverlang zijn kennismaking niet; dus houd ik mij op een afstand.”“Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain—zijn vader heeft een kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom had toegedeeld, zou het goed geweest zijn,” zei Amy berispend.“Neen, dat zou het niet,” antwoordde de weerbarstige Jo,“want ik bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes.”“Het geeft niets, of men jou al iets aan ’t verstand zoekt te brengen,” begon Amy.“Neen, volstrekt niets, kindlief,” viel Jo haar in de rede; “laten wij dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven, want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben.”Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.“Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen, nu wij al knorrig en moe zijn.”“Spreek alleen voor jezelf, als ’t jeblieft. Tante heeft graag, dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. ’t Is maar een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet, dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens, dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan.”“Wat ben je toch een geduldig lam, Amy,” zei Jo, met een berouwvollen blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster, dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. “Ik wou, dat het mij ook zoo gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te doen. Ik denk er wel aan, maar het neemtmij te veel tijd, om ze te doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog verder mee, geloof ik.”Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:“Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in ’t oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent.”“Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven; maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. ’t Valt mij alleen maar gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. ’t Is heel lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt, vind je niet?”“’t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is.”“Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij ’t gedrag van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen.”“Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van andere jongens aangehaald worden,” zei Amy op een toon van stellige overtuiging, die den “zeer bizonderen jongen” zeker zou hebben doen schaterlachen, als hij ’t gehoord had. “Wanneer we schoonheden waren, of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen; maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui, omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen, omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben, en ons maar den naam van ‘raar’ of ‘preutsch’ op den hals halen.”“Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren, omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort van zedeleer!”“Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten, voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden.”“Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als ’t mijmogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen en dat uitlachen, denk ik.”“Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe denkbeelden.”“Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!”Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij later met zooveel woorden tot elkander zeiden: “Dat kind wordt met den dag liever.”“Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?” vroeg mevrouw Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid, die oude menschen zoo graag in jongeren zien.“Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders geven kan dan mijn tijd.”“Ik doe niet mee,” viel Jo op beslisten toon in, “ik kan dat gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy—het is alleen maar om je aan het werk te zetten.”“Nu, ik wil wel werken—’t is even goed voor ’t goede doel als voor de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik er niets tegen.”“Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is heel treurig,” merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk op dat oogenblik voor een van hen beidenin de weegschaal lag, zou zij misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige les op den hals—een les in de kunst om haar tong in toom te houden.“Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken, en wil volkomen onafhankelijk zijn.”“Hm!” kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.“Ik heb het je wel gezegd,” gaf deze door een gedecideerd knikje Tante Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen, dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.“Spreek je Fransch, kindlief?” informeerde mevrouw Carrol, haar hand op die van Amy leggende.“Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil, gelegenheid geeft om met Esther te praten,” antwoordde Amy, met een dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.“Hoe staat het in dit opzicht met jou?” vroeg mevrouw Carrol aan Jo.“Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in ’t leeren; en Fransch kan ik niet uitstaan; het is zoo’n glibberige, onmogelijke taal,” was het ruwe antwoord.Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:“Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt geen last meer van je oogen, wel?”“Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben van plan dezen winter flink aan ’t werk te gaan, om klaar te zijn voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt.”“Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van dat het wel eens gebeuren zal,” zei Tante March, met een goedkeurend tikje op Amy’s wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.“Knorrepot, sliep uit!” riep Polly, die als naar gewoonte op den rug van tante’s stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken, met zoo’n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het onmogelijk was niet te lachen.“Een zeldzaam schrander dier,” vond de oude dame.“Uitgaan, liefje?” riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij een klontje suiker hoopte te krijgen.“Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy,” en Jo maakte een einde aan het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites eenslechten invloed op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren, lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk Tante March de volgende woorden in den mond gaf:“Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor ’t geld zorgen,” waarop Tante Carrol vast besloten antwoordde: “Ik zal ’t stellig doen, als haar vader en moeder het goed vinden.”1Uit Shakespeare’s:Koopman van Venetië.2In Tennyson’s gedicht van dien naam: “Icily regular, splendidly null.”

HOOFDSTUK V.HUISELIJKE ONDERVINDINGEN.Evenals de meeste jonge vrouwen begon Meta haar huwelijksleven met het voornemen, om een model-huishoudster te zijn. John zou zijn woning een paradijs vinden, elken dag smullen, en niet weten, wat het was een knoop te missen. Zij begon haar taak met zooveel liefde, goeden wil en blijmoedigheid, dat zij wel moest slagen, in weerwil van sommige hinderpalen. Haar paradijs was niet zoo heel rustig, want het jonge vrouwtje maakte veel drukte, was te bezorgd om John genoegen te geven, en draafde rond als een ware Martha, gebukt onder al haar kleine zorgen. Soms was ze zelfs te vermoeid om te glimlachen. John’s spijsvertering raakte in de war, na een opeenvolging van lekkere schoteltjes, en de ondankbare begon naar eenvoudiger spijzen te verlangen. Wat de knoopen betreft, het werd Meta spoedig een raadsel, waar zij toch bleven, en dikwijls schudde ze ’t hoofd over de achteloosheid der mannen, met de bedreiging, dat hij ze op een goeden dag zelf zou mogen aanzetten, om te probeeren ofzijnwerk beter dan het hare bestand zou zijn tegen ongeduldig rukken en onhandige vingers.Maar ze waren overgelukkig, zelfs nadat ze ontdekt haddendat zij niet van liefde alleen konden leven. John vond Meta niet minder mooi, nu zij hem van achter de koffiekan toelachte, en Meta vond den dagelijkschen afscheidskus volstrekt niet minder poëtisch, al liet de echtgenoot dien ook vergezeld gaan van de teedere vraag: “Zal ik voor vanmiddag rund- of kalfsvleesch bestellen, lieveling?” Het kleine huisje was niet langer een tooverpriëel, maar het werd eenthuis, en het jonge paar voelde weldra, dat deze verandering een verbetering was. Eerst speelden zij huishoudentje en maakten er evenveel plezier over als kinderen; toen verdiepte John zich in zijn werk, onder het volle besef van zijn verantwoordelijkheid als huisvader; en Meta borg haar neteldoeksch morgenjaponnetje op, deed een grooten boezelaar voor, en ging, zooals wij reeds zeiden, met meer ijver dan verstand aan het werk.Zoolang de kookmanie duurde, gebruikte zij haar receptenboek, alsof het een rekenboekje was, en werkte al de problemen met zorg en geduld uit. Soms werd de heele familie geïnviteerd om hen te helpen in het opeten van een àl te overvloedige, welgelukte lekkernij; dan weer werd Lotty stilletjes weggestuurd met een schaaltje misbaksels, die voor ieders oog verborgen werden in de alverterende magen der kleine Hummels. Een avond met John en het huishoudboek bracht gewoonlijk een staking in de culinaire proefnemingen teweeg, en dan volgde er een spaarzame bui, waarin de arme man voortdurend broodpudding, haché en opgewarmde koffie te genieten kreeg, een ware beproeving voor hem, die hij echter met lofwaardige lijdzaamheid verdroeg. Maar voordat de gulden middenweg was gevonden, ontstond er, waar weinig jonge paren lang buiten blijven: een huiselijke oneenigheid.Toegevende aan het huismoederlijk verlangen om de planken in haar provisiekast goed gevuld te zien met eigen inmaak, besloot Meta zelf haar bessengelei te maken. John werd verzocht ongeveer een dozijn kleine potjes en een grooten zak suiker te bestellen, want daar hun eigen bessen rijp waren, kon het werk dadelijk beginnen.John, die vast geloofde dat “mijn vrouw” alles kon en niet weinig trotsch was op haar handigheid, bleek onmiddellijk bereid haar verzoek in te willigen, zoodat hun eenige vruchtenoogst op de aangenaamste manier voor wintergebruik zou kunnen bewaard worden. Hij bezorgde haar dus vier dozijn “allergezelligste” potjes, tien kilo suiker en een kleinen jongen om bessen te plukken. Met een mutsje over haar haar, opgestroopte mouwen en een groot keukenschort voor, dat ondanks alles iets coquets had, ging de jonge huisvrouw, vol vertrouwen in haar succes, aan den arbeid, want—had zij het Hanna niet honderdmaal zien doen? Het groote aantal potjes deed haar op het eerste gezicht ontstellen, maar John hield zooveel van gelei, en de nette glazen potjes zouden zoo aardig staan op de bovenste plank, dat Meta besloot ze alle te vullen, en zij bracht een ganschen langen dag door met plukken,koken, filtreeren en tobben over haar inmaak. Ze deed haar best. Ze raadpleegde het kookboek, zij spande zich in om te bedenken wat Hanna toch deed, dat zij niet gedaan had; zij kookte alles nog eens over, deed er nog eens weer suiker bij, liet het nog eens door de zeef loopen, te vergeefs, het akelige goed wilde niet stijf worden.’t Liefst zou ze met boezelaar en al naar huis zijn geloopen om haar moeder om hulp te vragen, maar John en zij waren overeengekomen, dat zij nooit iemand met hun huiselijke moeilijkheden, proefnemingen of twisten zouden lastig vallen. Over dat laatste woord hadden ze gelachen, alsof de gedachte daaraan de grootste absurditeit was; maar zij hadden hun besluit volgehouden, en wanneer zij er maar eenigszins buiten konden, vroegen ze niet om hulp; dus bemoeide zich niemand met hun zaken, want mevrouw March had dit plan bizonder goedgekeurd. Zoo worstelde Meta op dien snikheeten zomerdag geheel alleen met haar weerspannige lekkernij, en om vijf uur viel zij moedeloos neer op een stoel in haar rommelige keuken, wrong haar kleverige handen en barstte in snikken uit.Nu had zij in de eerste weken van haar nieuwe leven dikwijls gezegd: “Mijn man zal altijd, wanneer hij maar wil, een vriend mee naar huis kunnen brengen. Ik zal er altijd op voorbereid zijn, zoodat er geen verwarring, gevlieg of gebrom behoeft te wezen, waar hij een net huis, een vroolijke vrouw en een goed middagmaal zal vinden. Johnlief, vraag maar nooit mijn goedkeuring, inviteer gerust wien je wilt, en wees er zeker van, dat hij welkom zal zijn.”Dat klonk veelbelovend! John straalde van voldoening, toen hij haar dat hoorde zeggen, en voelde opnieuw, hoe ’n zegen het toch was zoo’n lief, verstandig vrouwtje te bezitten. Maar hoewel zij nu en dan wel gasten hadden ontvangen, was het nog nooit onverwachts gebeurd, en dus had Meta tot nog toe geen gelegenheid gevonden om zich in dat opzicht te onderscheiden. Zoo gaat het altijd in dit tranendal; er schijnt aan zulke dingen een zeker noodlot verbonden, waarover wij ons kunnen verwonderen, dat wij kunnen betreuren, doch waarin wij ons zoo goed mogelijk moeten zien te schikken.Als John niet alles omtrent de gelei vergeten had, zou het onvergeeflijk van hem geweest zijn, om op dien dag, uit al de dagen van het jaar, onverwachts een vriend mee ten eten te brengen. In de blijde bewustheid dat hij dien morgen een goed middagmaal besteld had, vast overtuigd dat het op de minuut af gereed zou zijn, en vervuld met aangename voorgevoelens over het bekoorlijk effect, dat zijn oog zou streelen, wanneer zijn mooi vrouwtje naar buiten kwam loopen om hem tegemoet te gaan, voerde hij zijn vriend naar zijn woning, met al de opgewektheid van een jong gastheer en echtgenoot.Maar de wereld is vol teleurstellingen, dat ondervond John, toenhij zijn “duiventil” naderde. De voordeur stond gewoonlijk heel gastvrij open; nu was zij niet alleen dicht, maar op slot, en de modder van den vorigen dag ontsierde nog de stoep. De gordijnen van de voorkamer waren neergelaten, zoodat er niets te zien was van het liefelijk tafereel, dat hij zich had voorgesteld: een mooi in ’t wit gekleed huisvrouwtje dat, met een bloem in haar ceintuur, onder de veranda zat te naaien, of een helderoogige gastvrouw, die haar gast met een vriendelijk beschroomd lachje welkom heette. Niets van dien aard; geen levende ziel verscheen, alleen een jongen met bloedrooden mond en vingers lag tusschen de bessestruiken te slapen.“Ik vrees, dat er iets gebeurd is; ga zoolang in den tuin, Scott, terwijl ik mijn vrouw ga opzoeken,” zei John, wien de stilte en eenzaamheid begon te benauwen.Hij haastte zich naar de achterzijde van het huis, geleid door een afschuwelijken reuk van aangebrande suiker, en Scott drentelde hem achterna met een spotachtige uitdrukking op het gezicht. Hij bleef, toen Brooke verdween, bescheiden op een afstand staan, maar toch kon hij alles hooren en zien en genoot hij, als vrijgezel, bizonder van het tooneel.In de keuken heerschte wanhoop en verwarring; één editie van de gelei was van potje tot potje overgezeefd; een tweede lag op den grond, en een derde stond lustig op het vuur aan te branden. Lotty zat met Teutonisch flegma kalm te genieten van brood met bessensap, want de gelei was nog steeds in een hopeloos vloeibaren staat, terwijl mevrouw Brooke, met het gezicht in haar boezelaar verborgen, wanhopig zat te snikken.“Mijn liefste meisje, wat scheelt er aan?” riep John naar binnen stormende, met verschrikkelijke visioenen van verbrande handen, plotselinge noodlottige tijdingen, en een heimelijken schrik, bij de gedachte aan den gast in den tuin.“O, John, ik ben zoo moe, en warm, en boos, en ellendig. O, o! help me toch, want ik ben doodop!” en de uitgeputte huisvrouw wierp zich in zijn armen en gaf hem een in alle opzichten zoete ontvangst, want haar boezelaar had ruimschoots gedeeld in de morspartij.“Wat maakt je ellendig, lieveling? Is er iets verschrikkelijks gebeurd?” vroeg de bezorgde John, terwijl hij teeder de kruin van het kleine mutsje kuste, dat geheel op één oor was gezakt.“Ja,” snikte Meta wanhopig.“Vertel het mij dan gauw; schrei niet zoo; ik kan alles beter dragen dan dat. Voor den dag er mee, kind.”“De—de gelei wil niet stijf worden, en ik weet niet wat ik beginnen moet.”Toen barstte John uit in zoo’n vroolijk gelach, als hij later nooit weer bij een dergelijke gelegenheid durfde aanheffen, en de spotachtige Scott glimlachte onwillekeurig, toen hij het hartelijke geschater vernam, dat Meta’s ellende de kroon opzette.“Is dat alles? Smijt den boel het raam uit en tob er niet langer over! Ik zal wel zooveel potten van dat goed voor je bestellen, als je noodig hebt, maar krijg het in ’s hemelsnaam niet op je zenuwen, want ik heb Jack Scott mee ten eten gebracht, en—” John kon niet verder gaan, want Meta stiet hem terug, sloeg de handen tragisch inéén, terwijl zij op een stoel neerzonk, en op een toon van verontwaardiging, verwijt en wanhoop uitriep:“Een man ten eten, en alles in de war! John hoekonje zoo iets doen?”“Stil, hij is in den tuin; ik vergat die heele ongelukkige gelei, maar er is nu niets aan te veranderen,” zei John, met klimmende onrust de naaste toekomst inziende.“Je had het mij moeten laten weten, of het mij van morgen moeten zeggen, en je had moeten bedenken, hoe wanhopig druk ik het had,” ging Meta heftig voort; want zelfs tortelduiven pikken, als zij boos worden.“Ik wist het van morgen nog niet, en er was geen tijd om het je te laten weten, want ik ontmoette hem op mijn terugweg. Ik heb er ook geen oogenblik aan gedacht, je toestemming te vragen, omdat je me altijd gezegd hebt, dat ik doen kon, zooals ik wou. Ik heb het nog nooit geprobeerd, maar dit is voor ’t eerst en voor ’t laatst,” antwoordde John op een beleedigden toon.“Dat hoop ik! Stuur hem dadelijk weg. Ik kan hem niet ontvangen, en er is niets meer te eten.”“Onzin! Waar is het rundvleesch dan en de groenten die ik bestelde, en de pudding, die je van plan was te maken?” vroeg John, op de glazenkast toesnellende.“Ik had geen tijd iets klaar te maken, ik was van plan met je bij Moeder te gaan eten. Het spijt mij erg, maar ik had het zoo druk—” en Meta’s tranen begonnen opnieuw te vloeien.John was een zachtzinnig man, maar hij was menschelijk; en om, na een langen dag op het kantoor, vermoeid, hongerig en vol verwachting thuis te komen, en dan een ontredderd huis, een leege tafel en een knorrige vrouw te vinden, is niet bepaald geschikt om iemand kalm van humeur en manieren te maken. Hij bedwong zich evenwel, en de kleine kibbelarij zou afgedreven zijn, als hij maar niet één ongelukkig woord gebruikt had.“Het is een gek geval, dat beken ik, maar als je een handje helpen wilt, dan zullen wij het toch wel klaarspelen en nog een aardigen avond hebben. Schrei niet meer, best kind, maar span je een beetje in en scharrel wat bij elkaar om te eten. Wij zijn allebei zoo hongerig als wolven, en zullen er niet op zien, wat het is. Geef ons het koude vleesch maar, en wat brood en kaas; we zullen niet om gelei vragen.”Hij bedoelde het als eene goedhartige grap, maar dit ééne woord besliste over zijn lot. Meta vond, dat het al te wreed was, nog met haar droevig ongeval den draak te steken, en haar laatste greintje geduld verdween terwijl hij sprak.“Je moet er je zelf maar zien uit te redden; ik ben veel te moe, om mij nog voor iemand ‘in te spannen.’ Echt iets voor een man, een gast koud vleesch en niets dan brood en kaas te willen voorzetten. Maar dat zal in mijn huis niet gebeuren! Neem Scott dan mee naar Moeder, en zeg hem, dat ik weg ben—ziek, dood, of wat je maar wilt. Ik wil hem niet zien, en jullie kunt met je beiden over mij en mijn gelei lachen, zooveel je maar wilt, maar hier krijg je niets anders,” en nadat zij er deze uitdaging in één adem had uitgegooid, trok Meta haar boezelaar af, en verliet overhaast het veld, om haar droevig lot in haar kamer te gaan beweenen.Wat de twee mannen in haar afwezigheid uitvoerden, kwam zij nooit te weten, maar Scott werd “niet mee naar Moeder genomen,” en toen Meta beneden verscheen, nadat zij samen weggewandeld waren, vond zij overblijfsels van een zeer gemengd maal, die haar met afgrijzen vervulden. Lotty verhaalde, dat zij “een heele boel” gegeten en erg gelachen hadden; en dat mijnheer haar gezegd had, dat zij al het zoete goed moest weggooien, en de potjes verstoppen.Meta verlangde vurig naar haar moeder te gaan en haar alles te vertellen; maar een gevoel van schaamte over haar eigen tekortkomingen en van eerlijkheid en trouw ten opzichte van John, (hij mocht dan wreed zijn, maarniemandzou het ooit te weten komen) weerhield haar; en na een voorloopige opruiming kleedde zij zich netjes aan, en ging zitten wachten tot John thuis zou komen om alles weer goed te maken.Ongelukkigerwijze kwam John echter niet, en beschouwde hij de zaak ook niet in dat licht. Hij had het heele geval met Scott als een grap behandeld, zijn vrouw zoo goed mogelijk verontschuldigd, en was zoo’n gul en aangenaam gastheer geweest, dat zijn vriend het geïmproviseerd diner voor lief nam en beloofde eens gauw terug te zullen komen. Maar John was boos, al toonde hij het niet; hij voelde, hoe Meta hem eerst in een moeilijkheid had gebracht, en daarna in den steek gelaten had. “Wat een manier, iemand eerst te zeggen, dat hij volkomen vrij was, zijn vrienden mee thuis te brengen, en, zoodra je haar aan haar woord hield, op te stuiven, verwijten te doen, je een gek figuur te laten slaan en je er aan bloot te stellen uitgelachen of beklaagd te worden? ’t Was gewoon onredelijk, en dat zou hij Meta ook wel eens aan haar verstand brengen!” Onder den maaltijd had hij inwendig gekookt; maar toen alles voorbij was, en hij langzaam huiswaarts keerde, nadat hij Scott had weggebracht, kwam hij in een zachtere stemming. “Arm klein ding! Het was toch ook wel verdrietig voor haar, terwijl zij zoo haar best deed om hem genoegen te geven. Zij had natuurlijk ongelijk, maar zij was nog zoo jong. Ik moet geduldig zijn en haar een beetje leiden.” Hij hoopte maar, dat zij niet naar huis zou gegaan zijn; hij had het land aan veel heen en weer praten en bemoeiingen van anderen. Voor een oogenblik stoof hij weer op bij de enkele gedachte daaraan; maar toen verzachttede vrees, dat Meta zich ziek zou schreien, zijn hart, en deed hem met versnelden pas huiswaarts keeren, vast besloten kalm en vriendelijk, maar ferm, héél ferm te zijn, en haar aan te toonen, in welk opzicht zij in haar plicht jegens haar Heer Gemaal was te kort geschoten.Meta besloot eveneens “kalm en vriendelijk, maarferm” te zijn en John op zijn plicht te wijzen. Zij verlangde niets liever dan hem te gemoet te vliegen, hem vergeving te vragen, en gekust en vertroost te worden, zooals zij zeker wist, dat hij doen zou; maar natuurlijk deed zij niets van dien aard, en toen zij John zag aankomen, begon zij heel natuurlijk te neuriën, terwijl zij, als een dame, die niets omhanden had, in de voorkamer in haar schommelstoel zat te borduren.John was wel wat teleurgesteld geen teedere Niobe te vinden; maar gevoelende dat het zijn waardigheid te kort zou doen, wanneer hij begon met verontschuldigingen te maken, zei hij niets, kwam bedaard binnen, en strekte zich op de sofa uit met de zeldzaam belangrijke opmerking:“’t Is van avond nieuwe maan.”“Mij best,” was Meta’s even interessant antwoord.Een paar andere onderwerpen van algemeen belang werden door mijnheer Brooke op het tapijt gebracht, doch doodgezwegen door mevrouw Brooke, en dus kwijnde het gesprek. John ging naar het eene raam, nam de courant, en begroef zich daarin, figuurlijk gesproken. Meta ging naar het andere en werkte, alsof mooie letters voor haar zakdoeken onder de eerste levensbehoeften behoorden. Geen van beiden sprak, maar beiden zagen er buitengewoon “kalm en ferm” uit, en beiden gevoelden zich dood-ongelukkig.“O hemel!” dacht Meta, “het huwelijksleven is toch wèl heel moeilijk en vereischt, zooals Moeder zegt, eenoneindiggeduld zoowel als eeneoneindigeliefde.” Het woord “moeder” bracht haar andere moederlijke raadgevingen voor den geest, die indertijd met ongeloovige ooren waren aangehoord.“John is een beste man, maar hij heeft zijn gebreken, en je moet die leeren verdragen, door aan je eigene te denken. Hij is zeer beslist, maar zal nooit stijfhoofdig zijn, wanneer je vriendelijk met hem redeneert, en je niet ongeduldig verzet. Hij is erg accuraat, en eischt de stipte waarheid in alles—een uitstekende hoedanigheid, al noem jij hem ‘wat al te precies’. Bedrieg hem nooit door blik of woord, Meta, en hij zal je het vertrouwen schenken dat je verdient, en al de teedere zorg, waaraan je behoefte hebt. Hij heeft een ander temperament dan het onze—bij ons is na een uitbarsting alles weer voorbij—maar is John’s toorn, die zelden ontbrandt, eenmaal opgewekt, dan is die heel moeilijk tot bedaren te brengen. Draag vooral zorg dien toorn niet jegens jezelf gaande te maken, want je vrede en geluk zijn verloren, als hij zijn achting voor je verliest. Wees dus voorzichtig; vraag het eerst om vergeving,als jullie beiden gedwaald hebt, en wacht je voor kleine grieven, misverstanden en driftige woorden, die dikwijls den weg banen tot diepe droefheid en lang naberouw.”Deze woorden kwamen Meta te binnen, terwijl zij in het schijnsel van de ondergaande zon zat te borduren, ’t Was hun eerste ernstige oneenigheid; haar eigen heftige uitval scheen haar nu laf en onredelijk toe, nu zij zich dien weer voor den geest riep; haar boosheid leek opeens zoo kinderachtig, en de gedachte aan den armen John, die bij zijn thuiskomst met zoo’n scène verwelkomd werd, verteederde haar geheel. Met tranen in de oogen gluurde ze naar hem, maar hij zag het niet; toen legde zij haar werk neer en stond op, denkende: “Ikzalde eerste zijn om te zeggen ‘vergeef mij,’”maar hij scheen haar niet te hooren; zij liep langzaam de kamer door—want het viel haar heel moeilijk haar trots te onderdrukken—en bleef bij hem staan, maar hij keerde zijn hoofd niet om. Een minuut lang meende ze, dat ze hetonmogelijkdoen kon; toen drong de gedachte naar boven: “Dit is het begin; ik zal het mijne doen, dan heb ik mij niets te verwijten,” en zich bukkende kuste zij haar man op het voorhoofd. Dit besliste de zaak natuurlijk; de berouwvolle kus was beter dan een zee van woorden, en in een oogenblik had John haar op zijn knie, terwijl hij teeder zei:“Het was ook onhebbelijk van me, om over die ongelukkige geleipotjes te lachen; vergeef mij, lieveling, ik zal het nooit weer doen.”Maar hij deed het wel weer, o ja, wel honderdmaal en Meta ook, doch beiden waren ’t er over eens, dat dit de beste gelei was, die zij ooit gemaakt hadden, want huiselijke vrede werd geboren uit dien kleinen huiselijken twist.Eenigen tijd daarna had Meta John’s vriend op een speciale uitnoodiging ten eten, en zorgde ze voor een keurig dinertje, zonder een gekookte huisvrouw als eerste gerecht; en bij deze gelegenheid was zij zoo vroolijk en vriendelijk, en wist alles zoo aardig te regelen, dat Scott Brooke een overgelukkigen kerel noemde, en den heelen weg naar huis zijn hoofd liep te schudden over de ontberingen van het vrijgezellen-leven.In den herfst deed Meta nieuwe ondervindingen op. Sallie Moffat knoopte de vriendschap weer aan, en liep gedurig eens over om een praatje te maken in het kleine huisje, of “die arme lieve Meta” over te halen, den dag in het groote huis te komen doorbrengen. Dat was heel gezellig, want met somber weer voelde Meta zich dikwijls eenzaam; thuis waren allen bezig. John bleef tot den avond weg, en zij had niets te doen dan te handwerken, te lezen en wat rond te scharrelen. Het was dus niet meer dan natuurlijk, dat Meta in de gewoonte verviel, met haar vriendin uit te loopen en wat te babbelen. Het zien van Sallie’s dingen deed haar verlangen ze ook zoo te bezitten, en zich zelve beklagen, omdat zij ze niet kon bekostigen. Sallie was heel vriendelijk, en bood haar dikwijlsde begeerde kleinigheden aan, maar Meta sloeg ze af, overtuigd dat John ’t niet graag zou hebben; en toch kwam dat dwaze ijdele schepseltje langzamerhand tot dingen, die John nog oneindig meer ergernis gaven.Zij wist precies hoeveel inkomen haar man had, en vond het een heerlijke gedachte dat hij haar niet alleen zijn geluk, maar ook, wat veel mannen nog hooger schijnen te schatten, zijn geld toevertrouwde. Zij wist, waar het lag, en zij kon te allen tijde nemen, zooveel zij wilde; al wat hij verlangde was, dat zij alles nauwkeurig zou opschrijven, eens in de maand haar rekeningen zou betalen, en in ’t oog houden, dat zij de vrouw van een onbemiddeld man was. Tot nog toe had zij goed opgepast, was voorzichtig en nauwkeurig geweest, had haar huishoudboek netjes bijgehouden en het hem elke maand onbeschroomd laten zien.Maar in ’t najaar sloop de slang in Meta’s paradijs en verleidde haar, als zoo menige Eva uit den lateren tijd, niet met appels, maar met opschik. Meta vond het onuitstaanbaar beklaagd te worden en zich arm te voelen; het maakte haar knorrig; maar zij was te beschaamd om dat te erkennen, en trachtte zich te troosten, door nu en dan iets moois te koopen; zoodat Sallie niet hoefde te denken, dat zij zich moest bekrimpen. Zij gevoelde zich daarna altijd een beetje zondig, want de mooie dingen waren zelden noodig, maar ze waren immers toch zoo goedkoop! ’t Was de moeite niet waard er over te tobben! Dus groeiden de kleinigheden onmerkbaar aan, en bij ’t winkelen bleef Meta niet langer een werkeloos toeschouwster.Modesnufjes kosten evenwel meer, dan men zoo oppervlakkig zou denken, en toen Meta aan het einde der maand haar kasboek opmaakte, stond zij versteld over het bedrag. John had het die maand extra druk, en liet de rekeningen aan haar over; de volgende maand was hij van huis, maar de daarop volgende hield hij een groote driemaandelijksche afrekening, die Meta nooit weer vergat. Een paar dagen geleden had ze iets vreeslijks gedaan, dat als lood op haar geweten drukte. Sallie had pas een nieuwe zijden japon gekocht, waar Meta ook juist zoo naar smachtte—een mooi licht zijdje om in uit te gaan! Haar zwarte zijden stond zoo stemmig, en een dun stofje als avondtoilet was alleen goed voor jonge meisjes. Tante March gaf gewoonlijk ieder der zusters vijfentwintig dollar als Nieuwjaarsgift, daarop behoefde zij dus nog maar een maand te wachten, en nu was er juist een koopje van beeldige lila zijde, en zij had het geld er voor in handen. Als zij het er maar voor durfde gebruiken! John zei altijd wel, dat het zijne het hare was, maar zou hij het goed vinden, dat zij niet alleen die vijfentwintig dollar, die nog komen moesten, maar ook vijfentwintig dollar van het huishoudgeld gebruikte? Dat was de vraag. Sallie had haar erg gedrongen om het te doen, haar aangeboden het geld voor te schieten, en met de beste bedoelingen ter wereld Meta in een onweerstaanbareverzoeking gebracht. In een zwak oogenblik spreidde de winkelbediende de verleidelijke, glanzige stof uit, en zei: “Een koopje, mevrouw, dat verzeker ik u.” Toen was Meta bezweken en had gezegd: “Ik neem het!” en het werd afgesneden en betaald, en Sallie had in de handen geklapt en Meta had gelachen, alsof het iets van geen beteekenis was, maar zij reed naar huis met een gevoel, alsof zij iets had gestolen en de politie haar op de hielen zat.Toen zij thuis kwam, trachtte zij haar gewetenswroegingen te stillen door de glanzige zijde uit te spreiden, maar zij leek nu niet half zoo zilverachtig en kleurde haar toch volstrekt niet zoo bizonder, en de woorden “vijftig dollar” schenen als een patroon op elken meter gedrukt te zijn. Zij borg het goed weg, maar de gedachte er aan vervolgde haar: niet op aangename wijze, zooals een nieuwe japon anders zou doen, maar benauwend als een spooksel. Toen John dien avond zijn boeken voor den dag haalde, ontzonk haar de moed, en voor de eerste maal sedert haar huwelijk was zij bang voor haar man. De vriendelijke bruine oogen zagen er uit, of zij streng konden zijn, en hoewel hij buitengewoon vroolijk leek, verbeeldde zij zich, dat hij haar misdaad op het spoor gekomen was, maar dit niet wilde laten merken. De huishoudelijke rekeningen waren alle betaald en alle posten in orde; John had haar geprezen, en wilde nu het oude zakboek, dat zij “de bank” noemden, openleggen, toen Meta, die wist, dat er niets op de creditzijde stond, zijn hand vast hield en op gejaagden toon zei:“Je hebt mijn kleedgeldboekje nog niet gezien.” John vroeg daar nooit naar, maar zij stond er altijd op, dat hij het door zou kijken, en vermaakte zich dan met zijn mannelijke verbazing over de wonderlijke dingen die vrouwen noodig hadden, liet hem gissen wat een “pleureuse” was of zich verwonderen, hoe een klein prul, bestaande uit drie rozen, een beetje stroo en een paar el lint, bij mogelijkheid een hoed kon zijn, en vijf of zes dollar kostte. Dien avond zag hij er uit, alsof hij met het grootste plezier haar om haar cijfers zou uitlachen, of voorwenden dat hij versteld stond over haar buitensporigheid, hoewel hij bizonder trotsch was op zijn overlegzaam vrouwtje.Het kleine boekje werd langzaam voor den dag gehaald en voor hem neergelegd. Meta ging achter zijn stoel staan, onder voorwendsel, de rimpels van zijn vermoeid voorhoofd glad te strijken, en zoo als zij daar stond, zei zij, terwijl haar angst met ieder woord toenam:“John, beste man, ik schaam mij eigenlijk om je mijn boek te laten zien, want ik ben in den laatsten tijd zoo verkwistend geweest. Ik ga zooveel uit, en daarom begrijp je wel, dat ik allerlei dingen noodig heb. Sally raadde mij dikwijls aan iets te koopen, en dat deed ik dan wel eens meer dan verstandig was. Met mijn nieuwjaarsgeld kan ik er een gedeelte van betalen; maar het spijt mijtoch erg, dat ik het gedaan heb, want ik wist, dat je het verkeerd van mij zou vinden.”John lachte en trok haar naast zich, terwijl hij vriendelijk zei: “Wind er maar geen doekjes om; ik zal je geen pak slaag geven, als je een paar nuffige laarsjes gekocht hebt! Ik ben wel een beetje trotsch op de voetjes van mijn vrouw, en ’t kan mij niet schelen, of zij drie of vier dollar voor haar laarzen betaalt, als het maar goede zijn.”Dit was een van haar laatste “kleinigheden” geweest, en John’s oog was er onder het spreken op gevallen.“O, watzalhij zeggen, als hij aan die vreeselijke vijftig dollar komt,” dacht Meta met een rilling.“’t Is erger dan een paar laarzen—’t is een zijden japon,” zei zij met de kalmte der wanhoop, want zij verlangde nu maar het ergste te hooren.“Wel kind, ‘wat is het drommelsche totaal,’ zooals mijnheer Mantalini1het noemde.”Dit klonk in ’t geheel niet als een gezegde van John en zij wist, dat hij haar aankeek met dien openhartigen blik, dien zij tot nu toe altijd even vrijmoedig had durven beantwoorden. Zij sloeg het blad om en wendde het hoofd af, terwijl ze op de som wees, die zonder de vijftig dollar al hoog genoeg geweest zou zijn, maar die mèt dat bijvoegsel eenvoudig verpletterend scheen. Gedurende een oogenblik was het doodstil in de kamer; toen zei John langzaam—maar zij voelde, dat het hem moeite kostte geen ongenoegen te toonen:“Ik weet natuurlijk niet, of vijftig dollar veel is voor een japon, met al de kanten en tirlantijnen, die er tegenwoordig bij noodig zijn.”“Hij is nog niet gemaakt of gegarneerd,” fluisterde Meta bijna onhoorbaar, want de plotselinge gedachte aan de onkosten, die dat nog met zich zou slepen, benam haar het laatste greintje moed.“Twintig el zij schijnt nog al veel om zoo’n slank persoontje te kleeden, maar ik twijfel niet, of mijn vrouw zal, als zij die japon aanheeft, even mooi zijn als mevrouw Ned Moffat,” merkte John droogjes op.“Ik weet dat je boos bent, John, maar ik kan het heusch niet helpen; ik was niet van plan je geld zoo te verspillen, en ik dacht niet, dat al die kleinigheden zoo zouden oploopen. Ik kán het niet laten als ik Sallie, al wat zij noodig heeft, zie koopen, en als zij mij beklaagt, dat ik het niet doen kan! ’k Doe werkelijk mijn best tevreden te blijven, maar ’t is zoo moeilijk, en het verveelt mij soms vreeselijk arm te zijn.”De laatste woorden zei ze zóó zachtjes, dat zij meende, dat Johnze niet verstaan kon, maar hij verstond ze wél, en ze kwetsten hem diep, daar hij zich om Meta’s wil menig genoegen ontzegd had. Zij zou haar tong wel hebben willen afbijten, zoodra zij het geuit had, want John stond op, schoof de boeken van zich af, en zei met een eenigszins onvaste stem: “Daar ben ik wel bang voor geweest; ik doe mijn best, Meta.” Als hij tegen haar was uitgevaren, of haar zelfs verwoed door elkaar had geschud, zou ’t haar niet zóó getroffen hebben als die paar woorden. Zij liep op hem toe, sloot hem vast in haar armen, en riep onder berouwvolle tranen: “O, John! mijn lieve, goeie, ijverige jongen, ik meende het niet! Het was zoo slecht, zoo onwaar en zoo schandelijk ondankbaar! Hoe kon ik zoo iets zeggen! O, hoe kón ik zoo iets zeggen!”John was heel vriendelijk, vergaf het haar dadelijk en uitte geen enkel verwijt, maar Meta wist, dat zij iets had gedaan en gezegd, wat hij niet spoedig zou vergeten, hoewel hij er misschien nooit op terugkomen zou. Zij had beloofd hem in voor- en tegenspoed te zullen liefhebben, en nu verweet zij, zijn vrouw, hem zijn armoede, nadat zij zijn verdiend geld lichtzinnig had verspild! Hoe vreeselijk! en het ergste was nog, dat John daarna voortging, alsof er niets was gebeurd. Hij bleef alleen nog langer op zijn kantoor, en werkte tot in den nacht, nadat Meta zich al lang in slaap had geschreid. Een week van wroeging maakte haar bijna ziek, en de ontdekking, dat John zijn nieuwe overjas had afbesteld, bracht haar in een toestand van wanhoop, die tragisch was om aan te zien. In antwoord op haar verwonderde vraag naar de reden hiervan, zei hij enkel: “Ik kan het niet bekostigen, lieveling.”Meta zei niets meer, maar even later vond hij haar in de gang, met haar gezicht in de oude overjas verborgen,schreiende, alsof haar hart zou breken. Zij hadden dien avond een lang gesprek, en Meta begon haar echtgenoot nog meer lief te krijgen, juist om zijn armoede, want die hadhem een mangemaakt—had hem de kracht en den moed gegeven zich een eigen weg te banen—en hem dat vriendelijk geduld geleerd, waarmee hij al de natuurlijke verlangens en tekortkomingen van hen, die hij liefhad, wist te bevredigen en te verdragen.Den volgenden dag zette zij al haar hoogmoed op zij, ging naar Sallie, vertelde haar de volle waarheid, en verzocht haar als een gunst de zijde te willen overnemen.Het goedhartige mevrouwtje Moffat was hier dadelijk toe bereid, en had gelukkig zooveel fijn gevoel, dat zij ze haar vriendin niet dadelijk daarna cadeau deed. Toen liet Meta de overjas bezorgen en tegen dat John thuis kwam, trok zij die aan en vroeg hem, hoe hij haar nieuwe zijden japon vond. Iedereen begrijpt welk antwoord zij kreeg, hoe John het geschenk aannam, en hoe innig gelukkig zij daarna waren. John kwam weer vroeg thuis, Meta liep niet meer uit, en de overjas werd elken morgen door een zeer gelukkige echtgenoot aan- en elken avond door een zeer liefhebbendevrouw uitgetrokken. Zoo ging het jaar voorbij, en den volgenden zomer deed Meta een nieuwe ondervinding op, de diepste en teederste in het leven eener vrouw.Laurie kwam op zekeren Zaterdag met een geheimzinnig gezicht de keuken van “de duiventil” binnen sluipen en werd met cymbaalgeschal ontvangen, want Hanna klapte in de handen, met een pan in de eene en het deksel in de andere hand.“Hoe gaat het de jonge mama? Waar is iedereen? Waarom hebben ze het mij niet geschreven, voordat ik thuis kwam,” vroeg Laurie op luid fluisterenden toon.“Zoo gelukkig als een koningin, de lieve engel! Zij zijn allemaal boven aan ’t aanbidden, en we hadden geen wervelwinden noodig. Ga maar in de voorkamer en ik zal wel iemand bij u sturen,” en na dit eenigszins ingewikkeld antwoord, verdween Hanna, vergenoegd grinnekend.Een oogenblik daarna verscheen Jo, met een klein flanellen pakje op een groot kussen. Jo’s gezicht stond heel ernstig, maar haar oogen schitterden en aan haar stem kon men hooren, dat zij een aandoening trachtte te bedwingen.“Doe je oogen toe, en steek je armen uit,” commandeerde zij.Laurie trok zich overhaast in een hoek terug, en hield zijn handen met een smeekend gebaar achter zich—“Neen, dankje, liever niet. Ik zal het zoo zeker als iets laten vallen of verpletteren.”“Dan krijg je je neefje niet te zien,” zei Jo, zich omkeerend om heen te gaan.“Neen, neen, ik zal het aannemen, maar jij bent verantwoordelijk voor alle ongelukken,” en gehoorzaam aan de ontvangen bevelen, sloot Laurie heldhaftig de oogen, terwijl iets in zijn armen werd gelegd. Een luid gelach van Jo, Amy, mevrouw March, Hanna en John, deed hem een minuut later opzien, en daar zag hij in zijn armen twee zuigelingen in plaats van één.Geen wonder dat zij lachten, want de uitdrukking van zijn gezicht was dwaas genoeg om den ergsten druiloor te doen schateren, zooals hij daar stond en met zoo’n hulpelooze verslagenheid beurtelings de onschuldige schapen en de lachende toeschouwers aanstaarde, dat Jo op den grond neerviel, en het uitgilde.“Tweelingen, bij Jupiter!” was al, wat hij in de eerste oogenblikken kon uitbrengen; toen keerde hij zich tot de vrouwen met een smeekenden blik, die waarlijk treffend was, en voegde er bij: “Laat iemand ze overnemen, gauw! Ik moet lachen, en ik zal ze nog laten vallen!”John redde zijn kleintjes, en wandelde toen de kamer op en neer, met een kind in elken arm, alsof hij het zijn heele leven gewend was geweest, terwijl Laurie lachte, totdat hem de tranen langs de wangen rolden.“Dat is de beste grap, die wij in lang gehad hebben, is ’t niet? Ik wou niet, dat iemand het je schreef; want ik wou je eens verrassen,en me dunkt, het is gelukt!” zei Jo, toen zij weer op adem gekomen was.“Ik ben nog nooit in mijn heele leven zóó geschrikt! Wat een toestand! Zijn het jongens? Hoe zullen ze heeten? Laat ze nog eens zien! Houd me vast, Jo, want op mijn woord, ’t is één te veel voor mij,” antwoordde Laurie en bekeek de kleintjes, zooals een goedige groote Newfoundlander een paar kleine poesjes zou bekijken.“Een jongen en een meisje. Zijn het geen prachtexemplaren?” vroeg de trotsche vader, de kleine roode, wringende schepseltjes zoo bewonderend aanstarende,alsofhet vleugellooze engeltjes waren.“De merkwaardigste kinderen die ik ooit gezien heb! Maar hoe hou je ze uit elkander?”“Amy heeft het jongetje een blauw en het meisje een rose lint omgedaan, volgens de Fransche mode, dus daaraan kun je ’t altijd zien. Bovendien heeft het eene blauwe en het andere bruine oogen. Geef ze een kus, Oom Teddy,” zei de ondeugende Jo.“Ik vrees, dat ze het niet prettig zullen vinden,” begon Laurie, met ongewone beschroomdheid op dit punt.“Natuurlijk wel; zij zijn er nu al aan gewend; doe het oogenblikkelijk, jongmensch,” beval Jo, vreezend, dat hij een uitstel mocht voorslaan.Laurie trok zijn neus op, en gehoorzaamde door op ieder klein wangetje een behoedzaam pikje te geven, dat een nieuwe lachbui veroorzaakte en de kinderen aan het huilen maakte.“Daar nou! ik wist wel, dat zij het niet graag zouden hebben. Dat is de jongen natuurlijk! Kijk hem eens schoppen! hij steekt zijn vuisten al uit als een flinke bokser. Nu, hoor eens, jonge Brooke, val iemand van je eigen grootte aan, wil je?” riep Laurie uit, zeer in zijn schik met een duw in zijn gezicht van het kleine vuistje, dat doelloos rondschermde.“Hij zal John Laurence heeten, en het meisje Margaretha, naar haar moeder en grootmoeder. Wij zullen haar Daisy noemen, om geen twee Meta’s in de familie te hebben, en ik denk, dat dit kleine baasje wel Jack zal heeten, of wij moesten nog een beteren naam voor hem vinden,” vertelde Amy, met tantelijke belangstelling.“Noem hem Demi-John, en bij verkorting Demi,” stelde Laurie voor.“Daisy en Demy—prachtig! Ikwistwel, dat Teddy er iets op zou vinden,” riep Jo, in de handen klappende.Teddy had er dezen keer zeker iets op gevonden, want de kinderen bleven “Daisy en Demy” tot het eind van hun levensdagen.1Mantalini, een bekende figuur uit Dickens’Nicholas Nickleby, die steeds schulden maakt en op kosten van zijn vrouw leeft.

Evenals de meeste jonge vrouwen begon Meta haar huwelijksleven met het voornemen, om een model-huishoudster te zijn. John zou zijn woning een paradijs vinden, elken dag smullen, en niet weten, wat het was een knoop te missen. Zij begon haar taak met zooveel liefde, goeden wil en blijmoedigheid, dat zij wel moest slagen, in weerwil van sommige hinderpalen. Haar paradijs was niet zoo heel rustig, want het jonge vrouwtje maakte veel drukte, was te bezorgd om John genoegen te geven, en draafde rond als een ware Martha, gebukt onder al haar kleine zorgen. Soms was ze zelfs te vermoeid om te glimlachen. John’s spijsvertering raakte in de war, na een opeenvolging van lekkere schoteltjes, en de ondankbare begon naar eenvoudiger spijzen te verlangen. Wat de knoopen betreft, het werd Meta spoedig een raadsel, waar zij toch bleven, en dikwijls schudde ze ’t hoofd over de achteloosheid der mannen, met de bedreiging, dat hij ze op een goeden dag zelf zou mogen aanzetten, om te probeeren ofzijnwerk beter dan het hare bestand zou zijn tegen ongeduldig rukken en onhandige vingers.

Maar ze waren overgelukkig, zelfs nadat ze ontdekt haddendat zij niet van liefde alleen konden leven. John vond Meta niet minder mooi, nu zij hem van achter de koffiekan toelachte, en Meta vond den dagelijkschen afscheidskus volstrekt niet minder poëtisch, al liet de echtgenoot dien ook vergezeld gaan van de teedere vraag: “Zal ik voor vanmiddag rund- of kalfsvleesch bestellen, lieveling?” Het kleine huisje was niet langer een tooverpriëel, maar het werd eenthuis, en het jonge paar voelde weldra, dat deze verandering een verbetering was. Eerst speelden zij huishoudentje en maakten er evenveel plezier over als kinderen; toen verdiepte John zich in zijn werk, onder het volle besef van zijn verantwoordelijkheid als huisvader; en Meta borg haar neteldoeksch morgenjaponnetje op, deed een grooten boezelaar voor, en ging, zooals wij reeds zeiden, met meer ijver dan verstand aan het werk.

Zoolang de kookmanie duurde, gebruikte zij haar receptenboek, alsof het een rekenboekje was, en werkte al de problemen met zorg en geduld uit. Soms werd de heele familie geïnviteerd om hen te helpen in het opeten van een àl te overvloedige, welgelukte lekkernij; dan weer werd Lotty stilletjes weggestuurd met een schaaltje misbaksels, die voor ieders oog verborgen werden in de alverterende magen der kleine Hummels. Een avond met John en het huishoudboek bracht gewoonlijk een staking in de culinaire proefnemingen teweeg, en dan volgde er een spaarzame bui, waarin de arme man voortdurend broodpudding, haché en opgewarmde koffie te genieten kreeg, een ware beproeving voor hem, die hij echter met lofwaardige lijdzaamheid verdroeg. Maar voordat de gulden middenweg was gevonden, ontstond er, waar weinig jonge paren lang buiten blijven: een huiselijke oneenigheid.

Toegevende aan het huismoederlijk verlangen om de planken in haar provisiekast goed gevuld te zien met eigen inmaak, besloot Meta zelf haar bessengelei te maken. John werd verzocht ongeveer een dozijn kleine potjes en een grooten zak suiker te bestellen, want daar hun eigen bessen rijp waren, kon het werk dadelijk beginnen.

John, die vast geloofde dat “mijn vrouw” alles kon en niet weinig trotsch was op haar handigheid, bleek onmiddellijk bereid haar verzoek in te willigen, zoodat hun eenige vruchtenoogst op de aangenaamste manier voor wintergebruik zou kunnen bewaard worden. Hij bezorgde haar dus vier dozijn “allergezelligste” potjes, tien kilo suiker en een kleinen jongen om bessen te plukken. Met een mutsje over haar haar, opgestroopte mouwen en een groot keukenschort voor, dat ondanks alles iets coquets had, ging de jonge huisvrouw, vol vertrouwen in haar succes, aan den arbeid, want—had zij het Hanna niet honderdmaal zien doen? Het groote aantal potjes deed haar op het eerste gezicht ontstellen, maar John hield zooveel van gelei, en de nette glazen potjes zouden zoo aardig staan op de bovenste plank, dat Meta besloot ze alle te vullen, en zij bracht een ganschen langen dag door met plukken,koken, filtreeren en tobben over haar inmaak. Ze deed haar best. Ze raadpleegde het kookboek, zij spande zich in om te bedenken wat Hanna toch deed, dat zij niet gedaan had; zij kookte alles nog eens over, deed er nog eens weer suiker bij, liet het nog eens door de zeef loopen, te vergeefs, het akelige goed wilde niet stijf worden.

’t Liefst zou ze met boezelaar en al naar huis zijn geloopen om haar moeder om hulp te vragen, maar John en zij waren overeengekomen, dat zij nooit iemand met hun huiselijke moeilijkheden, proefnemingen of twisten zouden lastig vallen. Over dat laatste woord hadden ze gelachen, alsof de gedachte daaraan de grootste absurditeit was; maar zij hadden hun besluit volgehouden, en wanneer zij er maar eenigszins buiten konden, vroegen ze niet om hulp; dus bemoeide zich niemand met hun zaken, want mevrouw March had dit plan bizonder goedgekeurd. Zoo worstelde Meta op dien snikheeten zomerdag geheel alleen met haar weerspannige lekkernij, en om vijf uur viel zij moedeloos neer op een stoel in haar rommelige keuken, wrong haar kleverige handen en barstte in snikken uit.

Nu had zij in de eerste weken van haar nieuwe leven dikwijls gezegd: “Mijn man zal altijd, wanneer hij maar wil, een vriend mee naar huis kunnen brengen. Ik zal er altijd op voorbereid zijn, zoodat er geen verwarring, gevlieg of gebrom behoeft te wezen, waar hij een net huis, een vroolijke vrouw en een goed middagmaal zal vinden. Johnlief, vraag maar nooit mijn goedkeuring, inviteer gerust wien je wilt, en wees er zeker van, dat hij welkom zal zijn.”

Dat klonk veelbelovend! John straalde van voldoening, toen hij haar dat hoorde zeggen, en voelde opnieuw, hoe ’n zegen het toch was zoo’n lief, verstandig vrouwtje te bezitten. Maar hoewel zij nu en dan wel gasten hadden ontvangen, was het nog nooit onverwachts gebeurd, en dus had Meta tot nog toe geen gelegenheid gevonden om zich in dat opzicht te onderscheiden. Zoo gaat het altijd in dit tranendal; er schijnt aan zulke dingen een zeker noodlot verbonden, waarover wij ons kunnen verwonderen, dat wij kunnen betreuren, doch waarin wij ons zoo goed mogelijk moeten zien te schikken.

Als John niet alles omtrent de gelei vergeten had, zou het onvergeeflijk van hem geweest zijn, om op dien dag, uit al de dagen van het jaar, onverwachts een vriend mee ten eten te brengen. In de blijde bewustheid dat hij dien morgen een goed middagmaal besteld had, vast overtuigd dat het op de minuut af gereed zou zijn, en vervuld met aangename voorgevoelens over het bekoorlijk effect, dat zijn oog zou streelen, wanneer zijn mooi vrouwtje naar buiten kwam loopen om hem tegemoet te gaan, voerde hij zijn vriend naar zijn woning, met al de opgewektheid van een jong gastheer en echtgenoot.

Maar de wereld is vol teleurstellingen, dat ondervond John, toenhij zijn “duiventil” naderde. De voordeur stond gewoonlijk heel gastvrij open; nu was zij niet alleen dicht, maar op slot, en de modder van den vorigen dag ontsierde nog de stoep. De gordijnen van de voorkamer waren neergelaten, zoodat er niets te zien was van het liefelijk tafereel, dat hij zich had voorgesteld: een mooi in ’t wit gekleed huisvrouwtje dat, met een bloem in haar ceintuur, onder de veranda zat te naaien, of een helderoogige gastvrouw, die haar gast met een vriendelijk beschroomd lachje welkom heette. Niets van dien aard; geen levende ziel verscheen, alleen een jongen met bloedrooden mond en vingers lag tusschen de bessestruiken te slapen.

“Ik vrees, dat er iets gebeurd is; ga zoolang in den tuin, Scott, terwijl ik mijn vrouw ga opzoeken,” zei John, wien de stilte en eenzaamheid begon te benauwen.

Hij haastte zich naar de achterzijde van het huis, geleid door een afschuwelijken reuk van aangebrande suiker, en Scott drentelde hem achterna met een spotachtige uitdrukking op het gezicht. Hij bleef, toen Brooke verdween, bescheiden op een afstand staan, maar toch kon hij alles hooren en zien en genoot hij, als vrijgezel, bizonder van het tooneel.

In de keuken heerschte wanhoop en verwarring; één editie van de gelei was van potje tot potje overgezeefd; een tweede lag op den grond, en een derde stond lustig op het vuur aan te branden. Lotty zat met Teutonisch flegma kalm te genieten van brood met bessensap, want de gelei was nog steeds in een hopeloos vloeibaren staat, terwijl mevrouw Brooke, met het gezicht in haar boezelaar verborgen, wanhopig zat te snikken.

“Mijn liefste meisje, wat scheelt er aan?” riep John naar binnen stormende, met verschrikkelijke visioenen van verbrande handen, plotselinge noodlottige tijdingen, en een heimelijken schrik, bij de gedachte aan den gast in den tuin.

“O, John, ik ben zoo moe, en warm, en boos, en ellendig. O, o! help me toch, want ik ben doodop!” en de uitgeputte huisvrouw wierp zich in zijn armen en gaf hem een in alle opzichten zoete ontvangst, want haar boezelaar had ruimschoots gedeeld in de morspartij.

“Wat maakt je ellendig, lieveling? Is er iets verschrikkelijks gebeurd?” vroeg de bezorgde John, terwijl hij teeder de kruin van het kleine mutsje kuste, dat geheel op één oor was gezakt.

“Ja,” snikte Meta wanhopig.

“Vertel het mij dan gauw; schrei niet zoo; ik kan alles beter dragen dan dat. Voor den dag er mee, kind.”

“De—de gelei wil niet stijf worden, en ik weet niet wat ik beginnen moet.”

Toen barstte John uit in zoo’n vroolijk gelach, als hij later nooit weer bij een dergelijke gelegenheid durfde aanheffen, en de spotachtige Scott glimlachte onwillekeurig, toen hij het hartelijke geschater vernam, dat Meta’s ellende de kroon opzette.

“Is dat alles? Smijt den boel het raam uit en tob er niet langer over! Ik zal wel zooveel potten van dat goed voor je bestellen, als je noodig hebt, maar krijg het in ’s hemelsnaam niet op je zenuwen, want ik heb Jack Scott mee ten eten gebracht, en—” John kon niet verder gaan, want Meta stiet hem terug, sloeg de handen tragisch inéén, terwijl zij op een stoel neerzonk, en op een toon van verontwaardiging, verwijt en wanhoop uitriep:

“Een man ten eten, en alles in de war! John hoekonje zoo iets doen?”

“Stil, hij is in den tuin; ik vergat die heele ongelukkige gelei, maar er is nu niets aan te veranderen,” zei John, met klimmende onrust de naaste toekomst inziende.

“Je had het mij moeten laten weten, of het mij van morgen moeten zeggen, en je had moeten bedenken, hoe wanhopig druk ik het had,” ging Meta heftig voort; want zelfs tortelduiven pikken, als zij boos worden.

“Ik wist het van morgen nog niet, en er was geen tijd om het je te laten weten, want ik ontmoette hem op mijn terugweg. Ik heb er ook geen oogenblik aan gedacht, je toestemming te vragen, omdat je me altijd gezegd hebt, dat ik doen kon, zooals ik wou. Ik heb het nog nooit geprobeerd, maar dit is voor ’t eerst en voor ’t laatst,” antwoordde John op een beleedigden toon.

“Dat hoop ik! Stuur hem dadelijk weg. Ik kan hem niet ontvangen, en er is niets meer te eten.”

“Onzin! Waar is het rundvleesch dan en de groenten die ik bestelde, en de pudding, die je van plan was te maken?” vroeg John, op de glazenkast toesnellende.

“Ik had geen tijd iets klaar te maken, ik was van plan met je bij Moeder te gaan eten. Het spijt mij erg, maar ik had het zoo druk—” en Meta’s tranen begonnen opnieuw te vloeien.

John was een zachtzinnig man, maar hij was menschelijk; en om, na een langen dag op het kantoor, vermoeid, hongerig en vol verwachting thuis te komen, en dan een ontredderd huis, een leege tafel en een knorrige vrouw te vinden, is niet bepaald geschikt om iemand kalm van humeur en manieren te maken. Hij bedwong zich evenwel, en de kleine kibbelarij zou afgedreven zijn, als hij maar niet één ongelukkig woord gebruikt had.

“Het is een gek geval, dat beken ik, maar als je een handje helpen wilt, dan zullen wij het toch wel klaarspelen en nog een aardigen avond hebben. Schrei niet meer, best kind, maar span je een beetje in en scharrel wat bij elkaar om te eten. Wij zijn allebei zoo hongerig als wolven, en zullen er niet op zien, wat het is. Geef ons het koude vleesch maar, en wat brood en kaas; we zullen niet om gelei vragen.”

Hij bedoelde het als eene goedhartige grap, maar dit ééne woord besliste over zijn lot. Meta vond, dat het al te wreed was, nog met haar droevig ongeval den draak te steken, en haar laatste greintje geduld verdween terwijl hij sprak.

“Je moet er je zelf maar zien uit te redden; ik ben veel te moe, om mij nog voor iemand ‘in te spannen.’ Echt iets voor een man, een gast koud vleesch en niets dan brood en kaas te willen voorzetten. Maar dat zal in mijn huis niet gebeuren! Neem Scott dan mee naar Moeder, en zeg hem, dat ik weg ben—ziek, dood, of wat je maar wilt. Ik wil hem niet zien, en jullie kunt met je beiden over mij en mijn gelei lachen, zooveel je maar wilt, maar hier krijg je niets anders,” en nadat zij er deze uitdaging in één adem had uitgegooid, trok Meta haar boezelaar af, en verliet overhaast het veld, om haar droevig lot in haar kamer te gaan beweenen.

Wat de twee mannen in haar afwezigheid uitvoerden, kwam zij nooit te weten, maar Scott werd “niet mee naar Moeder genomen,” en toen Meta beneden verscheen, nadat zij samen weggewandeld waren, vond zij overblijfsels van een zeer gemengd maal, die haar met afgrijzen vervulden. Lotty verhaalde, dat zij “een heele boel” gegeten en erg gelachen hadden; en dat mijnheer haar gezegd had, dat zij al het zoete goed moest weggooien, en de potjes verstoppen.

Meta verlangde vurig naar haar moeder te gaan en haar alles te vertellen; maar een gevoel van schaamte over haar eigen tekortkomingen en van eerlijkheid en trouw ten opzichte van John, (hij mocht dan wreed zijn, maarniemandzou het ooit te weten komen) weerhield haar; en na een voorloopige opruiming kleedde zij zich netjes aan, en ging zitten wachten tot John thuis zou komen om alles weer goed te maken.

Ongelukkigerwijze kwam John echter niet, en beschouwde hij de zaak ook niet in dat licht. Hij had het heele geval met Scott als een grap behandeld, zijn vrouw zoo goed mogelijk verontschuldigd, en was zoo’n gul en aangenaam gastheer geweest, dat zijn vriend het geïmproviseerd diner voor lief nam en beloofde eens gauw terug te zullen komen. Maar John was boos, al toonde hij het niet; hij voelde, hoe Meta hem eerst in een moeilijkheid had gebracht, en daarna in den steek gelaten had. “Wat een manier, iemand eerst te zeggen, dat hij volkomen vrij was, zijn vrienden mee thuis te brengen, en, zoodra je haar aan haar woord hield, op te stuiven, verwijten te doen, je een gek figuur te laten slaan en je er aan bloot te stellen uitgelachen of beklaagd te worden? ’t Was gewoon onredelijk, en dat zou hij Meta ook wel eens aan haar verstand brengen!” Onder den maaltijd had hij inwendig gekookt; maar toen alles voorbij was, en hij langzaam huiswaarts keerde, nadat hij Scott had weggebracht, kwam hij in een zachtere stemming. “Arm klein ding! Het was toch ook wel verdrietig voor haar, terwijl zij zoo haar best deed om hem genoegen te geven. Zij had natuurlijk ongelijk, maar zij was nog zoo jong. Ik moet geduldig zijn en haar een beetje leiden.” Hij hoopte maar, dat zij niet naar huis zou gegaan zijn; hij had het land aan veel heen en weer praten en bemoeiingen van anderen. Voor een oogenblik stoof hij weer op bij de enkele gedachte daaraan; maar toen verzachttede vrees, dat Meta zich ziek zou schreien, zijn hart, en deed hem met versnelden pas huiswaarts keeren, vast besloten kalm en vriendelijk, maar ferm, héél ferm te zijn, en haar aan te toonen, in welk opzicht zij in haar plicht jegens haar Heer Gemaal was te kort geschoten.

Meta besloot eveneens “kalm en vriendelijk, maarferm” te zijn en John op zijn plicht te wijzen. Zij verlangde niets liever dan hem te gemoet te vliegen, hem vergeving te vragen, en gekust en vertroost te worden, zooals zij zeker wist, dat hij doen zou; maar natuurlijk deed zij niets van dien aard, en toen zij John zag aankomen, begon zij heel natuurlijk te neuriën, terwijl zij, als een dame, die niets omhanden had, in de voorkamer in haar schommelstoel zat te borduren.

John was wel wat teleurgesteld geen teedere Niobe te vinden; maar gevoelende dat het zijn waardigheid te kort zou doen, wanneer hij begon met verontschuldigingen te maken, zei hij niets, kwam bedaard binnen, en strekte zich op de sofa uit met de zeldzaam belangrijke opmerking:

“’t Is van avond nieuwe maan.”

“Mij best,” was Meta’s even interessant antwoord.

Een paar andere onderwerpen van algemeen belang werden door mijnheer Brooke op het tapijt gebracht, doch doodgezwegen door mevrouw Brooke, en dus kwijnde het gesprek. John ging naar het eene raam, nam de courant, en begroef zich daarin, figuurlijk gesproken. Meta ging naar het andere en werkte, alsof mooie letters voor haar zakdoeken onder de eerste levensbehoeften behoorden. Geen van beiden sprak, maar beiden zagen er buitengewoon “kalm en ferm” uit, en beiden gevoelden zich dood-ongelukkig.

“O hemel!” dacht Meta, “het huwelijksleven is toch wèl heel moeilijk en vereischt, zooals Moeder zegt, eenoneindiggeduld zoowel als eeneoneindigeliefde.” Het woord “moeder” bracht haar andere moederlijke raadgevingen voor den geest, die indertijd met ongeloovige ooren waren aangehoord.

“John is een beste man, maar hij heeft zijn gebreken, en je moet die leeren verdragen, door aan je eigene te denken. Hij is zeer beslist, maar zal nooit stijfhoofdig zijn, wanneer je vriendelijk met hem redeneert, en je niet ongeduldig verzet. Hij is erg accuraat, en eischt de stipte waarheid in alles—een uitstekende hoedanigheid, al noem jij hem ‘wat al te precies’. Bedrieg hem nooit door blik of woord, Meta, en hij zal je het vertrouwen schenken dat je verdient, en al de teedere zorg, waaraan je behoefte hebt. Hij heeft een ander temperament dan het onze—bij ons is na een uitbarsting alles weer voorbij—maar is John’s toorn, die zelden ontbrandt, eenmaal opgewekt, dan is die heel moeilijk tot bedaren te brengen. Draag vooral zorg dien toorn niet jegens jezelf gaande te maken, want je vrede en geluk zijn verloren, als hij zijn achting voor je verliest. Wees dus voorzichtig; vraag het eerst om vergeving,als jullie beiden gedwaald hebt, en wacht je voor kleine grieven, misverstanden en driftige woorden, die dikwijls den weg banen tot diepe droefheid en lang naberouw.”

Deze woorden kwamen Meta te binnen, terwijl zij in het schijnsel van de ondergaande zon zat te borduren, ’t Was hun eerste ernstige oneenigheid; haar eigen heftige uitval scheen haar nu laf en onredelijk toe, nu zij zich dien weer voor den geest riep; haar boosheid leek opeens zoo kinderachtig, en de gedachte aan den armen John, die bij zijn thuiskomst met zoo’n scène verwelkomd werd, verteederde haar geheel. Met tranen in de oogen gluurde ze naar hem, maar hij zag het niet; toen legde zij haar werk neer en stond op, denkende: “Ikzalde eerste zijn om te zeggen ‘vergeef mij,’”maar hij scheen haar niet te hooren; zij liep langzaam de kamer door—want het viel haar heel moeilijk haar trots te onderdrukken—en bleef bij hem staan, maar hij keerde zijn hoofd niet om. Een minuut lang meende ze, dat ze hetonmogelijkdoen kon; toen drong de gedachte naar boven: “Dit is het begin; ik zal het mijne doen, dan heb ik mij niets te verwijten,” en zich bukkende kuste zij haar man op het voorhoofd. Dit besliste de zaak natuurlijk; de berouwvolle kus was beter dan een zee van woorden, en in een oogenblik had John haar op zijn knie, terwijl hij teeder zei:

“Het was ook onhebbelijk van me, om over die ongelukkige geleipotjes te lachen; vergeef mij, lieveling, ik zal het nooit weer doen.”

Maar hij deed het wel weer, o ja, wel honderdmaal en Meta ook, doch beiden waren ’t er over eens, dat dit de beste gelei was, die zij ooit gemaakt hadden, want huiselijke vrede werd geboren uit dien kleinen huiselijken twist.

Eenigen tijd daarna had Meta John’s vriend op een speciale uitnoodiging ten eten, en zorgde ze voor een keurig dinertje, zonder een gekookte huisvrouw als eerste gerecht; en bij deze gelegenheid was zij zoo vroolijk en vriendelijk, en wist alles zoo aardig te regelen, dat Scott Brooke een overgelukkigen kerel noemde, en den heelen weg naar huis zijn hoofd liep te schudden over de ontberingen van het vrijgezellen-leven.

In den herfst deed Meta nieuwe ondervindingen op. Sallie Moffat knoopte de vriendschap weer aan, en liep gedurig eens over om een praatje te maken in het kleine huisje, of “die arme lieve Meta” over te halen, den dag in het groote huis te komen doorbrengen. Dat was heel gezellig, want met somber weer voelde Meta zich dikwijls eenzaam; thuis waren allen bezig. John bleef tot den avond weg, en zij had niets te doen dan te handwerken, te lezen en wat rond te scharrelen. Het was dus niet meer dan natuurlijk, dat Meta in de gewoonte verviel, met haar vriendin uit te loopen en wat te babbelen. Het zien van Sallie’s dingen deed haar verlangen ze ook zoo te bezitten, en zich zelve beklagen, omdat zij ze niet kon bekostigen. Sallie was heel vriendelijk, en bood haar dikwijlsde begeerde kleinigheden aan, maar Meta sloeg ze af, overtuigd dat John ’t niet graag zou hebben; en toch kwam dat dwaze ijdele schepseltje langzamerhand tot dingen, die John nog oneindig meer ergernis gaven.

Zij wist precies hoeveel inkomen haar man had, en vond het een heerlijke gedachte dat hij haar niet alleen zijn geluk, maar ook, wat veel mannen nog hooger schijnen te schatten, zijn geld toevertrouwde. Zij wist, waar het lag, en zij kon te allen tijde nemen, zooveel zij wilde; al wat hij verlangde was, dat zij alles nauwkeurig zou opschrijven, eens in de maand haar rekeningen zou betalen, en in ’t oog houden, dat zij de vrouw van een onbemiddeld man was. Tot nog toe had zij goed opgepast, was voorzichtig en nauwkeurig geweest, had haar huishoudboek netjes bijgehouden en het hem elke maand onbeschroomd laten zien.

Maar in ’t najaar sloop de slang in Meta’s paradijs en verleidde haar, als zoo menige Eva uit den lateren tijd, niet met appels, maar met opschik. Meta vond het onuitstaanbaar beklaagd te worden en zich arm te voelen; het maakte haar knorrig; maar zij was te beschaamd om dat te erkennen, en trachtte zich te troosten, door nu en dan iets moois te koopen; zoodat Sallie niet hoefde te denken, dat zij zich moest bekrimpen. Zij gevoelde zich daarna altijd een beetje zondig, want de mooie dingen waren zelden noodig, maar ze waren immers toch zoo goedkoop! ’t Was de moeite niet waard er over te tobben! Dus groeiden de kleinigheden onmerkbaar aan, en bij ’t winkelen bleef Meta niet langer een werkeloos toeschouwster.

Modesnufjes kosten evenwel meer, dan men zoo oppervlakkig zou denken, en toen Meta aan het einde der maand haar kasboek opmaakte, stond zij versteld over het bedrag. John had het die maand extra druk, en liet de rekeningen aan haar over; de volgende maand was hij van huis, maar de daarop volgende hield hij een groote driemaandelijksche afrekening, die Meta nooit weer vergat. Een paar dagen geleden had ze iets vreeslijks gedaan, dat als lood op haar geweten drukte. Sallie had pas een nieuwe zijden japon gekocht, waar Meta ook juist zoo naar smachtte—een mooi licht zijdje om in uit te gaan! Haar zwarte zijden stond zoo stemmig, en een dun stofje als avondtoilet was alleen goed voor jonge meisjes. Tante March gaf gewoonlijk ieder der zusters vijfentwintig dollar als Nieuwjaarsgift, daarop behoefde zij dus nog maar een maand te wachten, en nu was er juist een koopje van beeldige lila zijde, en zij had het geld er voor in handen. Als zij het er maar voor durfde gebruiken! John zei altijd wel, dat het zijne het hare was, maar zou hij het goed vinden, dat zij niet alleen die vijfentwintig dollar, die nog komen moesten, maar ook vijfentwintig dollar van het huishoudgeld gebruikte? Dat was de vraag. Sallie had haar erg gedrongen om het te doen, haar aangeboden het geld voor te schieten, en met de beste bedoelingen ter wereld Meta in een onweerstaanbareverzoeking gebracht. In een zwak oogenblik spreidde de winkelbediende de verleidelijke, glanzige stof uit, en zei: “Een koopje, mevrouw, dat verzeker ik u.” Toen was Meta bezweken en had gezegd: “Ik neem het!” en het werd afgesneden en betaald, en Sallie had in de handen geklapt en Meta had gelachen, alsof het iets van geen beteekenis was, maar zij reed naar huis met een gevoel, alsof zij iets had gestolen en de politie haar op de hielen zat.

Toen zij thuis kwam, trachtte zij haar gewetenswroegingen te stillen door de glanzige zijde uit te spreiden, maar zij leek nu niet half zoo zilverachtig en kleurde haar toch volstrekt niet zoo bizonder, en de woorden “vijftig dollar” schenen als een patroon op elken meter gedrukt te zijn. Zij borg het goed weg, maar de gedachte er aan vervolgde haar: niet op aangename wijze, zooals een nieuwe japon anders zou doen, maar benauwend als een spooksel. Toen John dien avond zijn boeken voor den dag haalde, ontzonk haar de moed, en voor de eerste maal sedert haar huwelijk was zij bang voor haar man. De vriendelijke bruine oogen zagen er uit, of zij streng konden zijn, en hoewel hij buitengewoon vroolijk leek, verbeeldde zij zich, dat hij haar misdaad op het spoor gekomen was, maar dit niet wilde laten merken. De huishoudelijke rekeningen waren alle betaald en alle posten in orde; John had haar geprezen, en wilde nu het oude zakboek, dat zij “de bank” noemden, openleggen, toen Meta, die wist, dat er niets op de creditzijde stond, zijn hand vast hield en op gejaagden toon zei:

“Je hebt mijn kleedgeldboekje nog niet gezien.” John vroeg daar nooit naar, maar zij stond er altijd op, dat hij het door zou kijken, en vermaakte zich dan met zijn mannelijke verbazing over de wonderlijke dingen die vrouwen noodig hadden, liet hem gissen wat een “pleureuse” was of zich verwonderen, hoe een klein prul, bestaande uit drie rozen, een beetje stroo en een paar el lint, bij mogelijkheid een hoed kon zijn, en vijf of zes dollar kostte. Dien avond zag hij er uit, alsof hij met het grootste plezier haar om haar cijfers zou uitlachen, of voorwenden dat hij versteld stond over haar buitensporigheid, hoewel hij bizonder trotsch was op zijn overlegzaam vrouwtje.

Het kleine boekje werd langzaam voor den dag gehaald en voor hem neergelegd. Meta ging achter zijn stoel staan, onder voorwendsel, de rimpels van zijn vermoeid voorhoofd glad te strijken, en zoo als zij daar stond, zei zij, terwijl haar angst met ieder woord toenam:

“John, beste man, ik schaam mij eigenlijk om je mijn boek te laten zien, want ik ben in den laatsten tijd zoo verkwistend geweest. Ik ga zooveel uit, en daarom begrijp je wel, dat ik allerlei dingen noodig heb. Sally raadde mij dikwijls aan iets te koopen, en dat deed ik dan wel eens meer dan verstandig was. Met mijn nieuwjaarsgeld kan ik er een gedeelte van betalen; maar het spijt mijtoch erg, dat ik het gedaan heb, want ik wist, dat je het verkeerd van mij zou vinden.”

John lachte en trok haar naast zich, terwijl hij vriendelijk zei: “Wind er maar geen doekjes om; ik zal je geen pak slaag geven, als je een paar nuffige laarsjes gekocht hebt! Ik ben wel een beetje trotsch op de voetjes van mijn vrouw, en ’t kan mij niet schelen, of zij drie of vier dollar voor haar laarzen betaalt, als het maar goede zijn.”

Dit was een van haar laatste “kleinigheden” geweest, en John’s oog was er onder het spreken op gevallen.

“O, watzalhij zeggen, als hij aan die vreeselijke vijftig dollar komt,” dacht Meta met een rilling.

“’t Is erger dan een paar laarzen—’t is een zijden japon,” zei zij met de kalmte der wanhoop, want zij verlangde nu maar het ergste te hooren.

“Wel kind, ‘wat is het drommelsche totaal,’ zooals mijnheer Mantalini1het noemde.”

Dit klonk in ’t geheel niet als een gezegde van John en zij wist, dat hij haar aankeek met dien openhartigen blik, dien zij tot nu toe altijd even vrijmoedig had durven beantwoorden. Zij sloeg het blad om en wendde het hoofd af, terwijl ze op de som wees, die zonder de vijftig dollar al hoog genoeg geweest zou zijn, maar die mèt dat bijvoegsel eenvoudig verpletterend scheen. Gedurende een oogenblik was het doodstil in de kamer; toen zei John langzaam—maar zij voelde, dat het hem moeite kostte geen ongenoegen te toonen:

“Ik weet natuurlijk niet, of vijftig dollar veel is voor een japon, met al de kanten en tirlantijnen, die er tegenwoordig bij noodig zijn.”

“Hij is nog niet gemaakt of gegarneerd,” fluisterde Meta bijna onhoorbaar, want de plotselinge gedachte aan de onkosten, die dat nog met zich zou slepen, benam haar het laatste greintje moed.

“Twintig el zij schijnt nog al veel om zoo’n slank persoontje te kleeden, maar ik twijfel niet, of mijn vrouw zal, als zij die japon aanheeft, even mooi zijn als mevrouw Ned Moffat,” merkte John droogjes op.

“Ik weet dat je boos bent, John, maar ik kan het heusch niet helpen; ik was niet van plan je geld zoo te verspillen, en ik dacht niet, dat al die kleinigheden zoo zouden oploopen. Ik kán het niet laten als ik Sallie, al wat zij noodig heeft, zie koopen, en als zij mij beklaagt, dat ik het niet doen kan! ’k Doe werkelijk mijn best tevreden te blijven, maar ’t is zoo moeilijk, en het verveelt mij soms vreeselijk arm te zijn.”

De laatste woorden zei ze zóó zachtjes, dat zij meende, dat Johnze niet verstaan kon, maar hij verstond ze wél, en ze kwetsten hem diep, daar hij zich om Meta’s wil menig genoegen ontzegd had. Zij zou haar tong wel hebben willen afbijten, zoodra zij het geuit had, want John stond op, schoof de boeken van zich af, en zei met een eenigszins onvaste stem: “Daar ben ik wel bang voor geweest; ik doe mijn best, Meta.” Als hij tegen haar was uitgevaren, of haar zelfs verwoed door elkaar had geschud, zou ’t haar niet zóó getroffen hebben als die paar woorden. Zij liep op hem toe, sloot hem vast in haar armen, en riep onder berouwvolle tranen: “O, John! mijn lieve, goeie, ijverige jongen, ik meende het niet! Het was zoo slecht, zoo onwaar en zoo schandelijk ondankbaar! Hoe kon ik zoo iets zeggen! O, hoe kón ik zoo iets zeggen!”

John was heel vriendelijk, vergaf het haar dadelijk en uitte geen enkel verwijt, maar Meta wist, dat zij iets had gedaan en gezegd, wat hij niet spoedig zou vergeten, hoewel hij er misschien nooit op terugkomen zou. Zij had beloofd hem in voor- en tegenspoed te zullen liefhebben, en nu verweet zij, zijn vrouw, hem zijn armoede, nadat zij zijn verdiend geld lichtzinnig had verspild! Hoe vreeselijk! en het ergste was nog, dat John daarna voortging, alsof er niets was gebeurd. Hij bleef alleen nog langer op zijn kantoor, en werkte tot in den nacht, nadat Meta zich al lang in slaap had geschreid. Een week van wroeging maakte haar bijna ziek, en de ontdekking, dat John zijn nieuwe overjas had afbesteld, bracht haar in een toestand van wanhoop, die tragisch was om aan te zien. In antwoord op haar verwonderde vraag naar de reden hiervan, zei hij enkel: “Ik kan het niet bekostigen, lieveling.”

Meta zei niets meer, maar even later vond hij haar in de gang, met haar gezicht in de oude overjas verborgen,schreiende, alsof haar hart zou breken. Zij hadden dien avond een lang gesprek, en Meta begon haar echtgenoot nog meer lief te krijgen, juist om zijn armoede, want die hadhem een mangemaakt—had hem de kracht en den moed gegeven zich een eigen weg te banen—en hem dat vriendelijk geduld geleerd, waarmee hij al de natuurlijke verlangens en tekortkomingen van hen, die hij liefhad, wist te bevredigen en te verdragen.

Den volgenden dag zette zij al haar hoogmoed op zij, ging naar Sallie, vertelde haar de volle waarheid, en verzocht haar als een gunst de zijde te willen overnemen.

Het goedhartige mevrouwtje Moffat was hier dadelijk toe bereid, en had gelukkig zooveel fijn gevoel, dat zij ze haar vriendin niet dadelijk daarna cadeau deed. Toen liet Meta de overjas bezorgen en tegen dat John thuis kwam, trok zij die aan en vroeg hem, hoe hij haar nieuwe zijden japon vond. Iedereen begrijpt welk antwoord zij kreeg, hoe John het geschenk aannam, en hoe innig gelukkig zij daarna waren. John kwam weer vroeg thuis, Meta liep niet meer uit, en de overjas werd elken morgen door een zeer gelukkige echtgenoot aan- en elken avond door een zeer liefhebbendevrouw uitgetrokken. Zoo ging het jaar voorbij, en den volgenden zomer deed Meta een nieuwe ondervinding op, de diepste en teederste in het leven eener vrouw.

Laurie kwam op zekeren Zaterdag met een geheimzinnig gezicht de keuken van “de duiventil” binnen sluipen en werd met cymbaalgeschal ontvangen, want Hanna klapte in de handen, met een pan in de eene en het deksel in de andere hand.

“Hoe gaat het de jonge mama? Waar is iedereen? Waarom hebben ze het mij niet geschreven, voordat ik thuis kwam,” vroeg Laurie op luid fluisterenden toon.

“Zoo gelukkig als een koningin, de lieve engel! Zij zijn allemaal boven aan ’t aanbidden, en we hadden geen wervelwinden noodig. Ga maar in de voorkamer en ik zal wel iemand bij u sturen,” en na dit eenigszins ingewikkeld antwoord, verdween Hanna, vergenoegd grinnekend.

Een oogenblik daarna verscheen Jo, met een klein flanellen pakje op een groot kussen. Jo’s gezicht stond heel ernstig, maar haar oogen schitterden en aan haar stem kon men hooren, dat zij een aandoening trachtte te bedwingen.

“Doe je oogen toe, en steek je armen uit,” commandeerde zij.

Laurie trok zich overhaast in een hoek terug, en hield zijn handen met een smeekend gebaar achter zich—“Neen, dankje, liever niet. Ik zal het zoo zeker als iets laten vallen of verpletteren.”

“Dan krijg je je neefje niet te zien,” zei Jo, zich omkeerend om heen te gaan.

“Neen, neen, ik zal het aannemen, maar jij bent verantwoordelijk voor alle ongelukken,” en gehoorzaam aan de ontvangen bevelen, sloot Laurie heldhaftig de oogen, terwijl iets in zijn armen werd gelegd. Een luid gelach van Jo, Amy, mevrouw March, Hanna en John, deed hem een minuut later opzien, en daar zag hij in zijn armen twee zuigelingen in plaats van één.

Geen wonder dat zij lachten, want de uitdrukking van zijn gezicht was dwaas genoeg om den ergsten druiloor te doen schateren, zooals hij daar stond en met zoo’n hulpelooze verslagenheid beurtelings de onschuldige schapen en de lachende toeschouwers aanstaarde, dat Jo op den grond neerviel, en het uitgilde.

“Tweelingen, bij Jupiter!” was al, wat hij in de eerste oogenblikken kon uitbrengen; toen keerde hij zich tot de vrouwen met een smeekenden blik, die waarlijk treffend was, en voegde er bij: “Laat iemand ze overnemen, gauw! Ik moet lachen, en ik zal ze nog laten vallen!”

John redde zijn kleintjes, en wandelde toen de kamer op en neer, met een kind in elken arm, alsof hij het zijn heele leven gewend was geweest, terwijl Laurie lachte, totdat hem de tranen langs de wangen rolden.

“Dat is de beste grap, die wij in lang gehad hebben, is ’t niet? Ik wou niet, dat iemand het je schreef; want ik wou je eens verrassen,en me dunkt, het is gelukt!” zei Jo, toen zij weer op adem gekomen was.

“Ik ben nog nooit in mijn heele leven zóó geschrikt! Wat een toestand! Zijn het jongens? Hoe zullen ze heeten? Laat ze nog eens zien! Houd me vast, Jo, want op mijn woord, ’t is één te veel voor mij,” antwoordde Laurie en bekeek de kleintjes, zooals een goedige groote Newfoundlander een paar kleine poesjes zou bekijken.

“Een jongen en een meisje. Zijn het geen prachtexemplaren?” vroeg de trotsche vader, de kleine roode, wringende schepseltjes zoo bewonderend aanstarende,alsofhet vleugellooze engeltjes waren.

“De merkwaardigste kinderen die ik ooit gezien heb! Maar hoe hou je ze uit elkander?”

“Amy heeft het jongetje een blauw en het meisje een rose lint omgedaan, volgens de Fransche mode, dus daaraan kun je ’t altijd zien. Bovendien heeft het eene blauwe en het andere bruine oogen. Geef ze een kus, Oom Teddy,” zei de ondeugende Jo.

“Ik vrees, dat ze het niet prettig zullen vinden,” begon Laurie, met ongewone beschroomdheid op dit punt.

“Natuurlijk wel; zij zijn er nu al aan gewend; doe het oogenblikkelijk, jongmensch,” beval Jo, vreezend, dat hij een uitstel mocht voorslaan.

Laurie trok zijn neus op, en gehoorzaamde door op ieder klein wangetje een behoedzaam pikje te geven, dat een nieuwe lachbui veroorzaakte en de kinderen aan het huilen maakte.

“Daar nou! ik wist wel, dat zij het niet graag zouden hebben. Dat is de jongen natuurlijk! Kijk hem eens schoppen! hij steekt zijn vuisten al uit als een flinke bokser. Nu, hoor eens, jonge Brooke, val iemand van je eigen grootte aan, wil je?” riep Laurie uit, zeer in zijn schik met een duw in zijn gezicht van het kleine vuistje, dat doelloos rondschermde.

“Hij zal John Laurence heeten, en het meisje Margaretha, naar haar moeder en grootmoeder. Wij zullen haar Daisy noemen, om geen twee Meta’s in de familie te hebben, en ik denk, dat dit kleine baasje wel Jack zal heeten, of wij moesten nog een beteren naam voor hem vinden,” vertelde Amy, met tantelijke belangstelling.

“Noem hem Demi-John, en bij verkorting Demi,” stelde Laurie voor.

“Daisy en Demy—prachtig! Ikwistwel, dat Teddy er iets op zou vinden,” riep Jo, in de handen klappende.

Teddy had er dezen keer zeker iets op gevonden, want de kinderen bleven “Daisy en Demy” tot het eind van hun levensdagen.

1Mantalini, een bekende figuur uit Dickens’Nicholas Nickleby, die steeds schulden maakt en op kosten van zijn vrouw leeft.

1Mantalini, een bekende figuur uit Dickens’Nicholas Nickleby, die steeds schulden maakt en op kosten van zijn vrouw leeft.

HOOFDSTUK VI.VISITES MAKEN.“Kom Jo, het is tijd.”“Waarvoor?”“Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een stuk of zes visites met mij te gaan maken!”“Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele week van de wijs brengt.”“Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden.”“Als het mooi weer was; dat stond in het contract en ik houd mij aan de letter van het verdrag, Shylock.1Er zijn donderwolken in het oosten; het is géén mooi weer, en ik ga dusniet.”“Dát is flauw van je! ’t Is prachtig weer; geen kwestie van regen, en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht, dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten.”Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk; en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking, dat zij een donderbui “rook”, gaf zij toe, borg haar werk weg, nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op, en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.“Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik,” riep Amy, haar met verbazing aanstarend.“Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al die prullen vind ik maar last.”“O, hemel!” zuchtte Amy, “nu is zij in de contramine, en zal me half dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.—’t Is voor mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen, die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!”“Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te vleien en te bepraten. Verbeeld je!Ikgedistingeerd en welgemanierd, en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet, en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?” vroeg Jo, plotseling van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.“Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje; die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken.”Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen, en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen, keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:“Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben, sterf ik gelukkig!”“Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat ik je eens goed opnemen.”Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:“Jo, ’t is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen nietzoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen, ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het dan ook niet.”“Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te aanschouwen,” verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde haar opnam. “Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik hem opnemen, mejuffrouw?”“Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt vooralonmiddellijklos, want dat vergat je laatst! Je hebt je eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let, want zij maken het nette geheel uit.”Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen, maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. “Net een paar schilderijtjes,” vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze na te kijken.“Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje uithouden,” zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken arm, waren geïnspecteerd.“Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,—ja, dat kan ik wel op mij nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen, en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien; wees dus volkomen gerust, mijn kind.”Amy glimlachte tevreden, maar de ondeugende Jo hield haar aan haar woord; want gedurende het eerste bezoek zat zij daar in een keurige houding, met onberispelijke kleeren, kalm en effen als de zomerzee, koel als een ijsschots, en stom als een sphinx. Tevergeefs sprak mevrouw Chester over haar “interessanten roman”; tevergeefs brachten de jonge dames Chester partijen, pic-nics, de opera en de modes op het tapijt; alles werd beantwoord met een glimlach, een hoofdbuiging en een stemmig “ja” of “neen.” Tevergeefs telegrafeerde Amy het woord “práát”, tevergeefs trachtte zij haar in ’t gesprek te mengen, of stootte ze haar ongemerkt met haar voet aan; Jo keek zoo onschuldig, alsof zij de beschrijving van Maud’s2gelaat: “IJskoude schoonheid, prachtige nul,” plastisch wilde voorstellen.“Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March,” was de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen, en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.“Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar, dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen, en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een verkeerden indruk maken.”“Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een ‘allerliefstmeisje’ noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de Lambs niet zullen zeggen: ‘Wat een levendig, aardig schepseltje is die Jo March!’”Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou ophouden. Het was de moeite waard Amy’s gezicht te zien, toen zij haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van Lucy’s laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van haar lijden, daar zij fragmenten opving als:“Zij rijdt keurig—van wien heeft zij het geleerd?”“Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames dresseert. Zij is er zoo’n hartstochtelijke liefhebstervan, dat zij in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden, en zoo den kost verdienen.”Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was, zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen en beging nog vreeselijker misslagen.“Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam, het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een plezierritje, hè?”“En welk nam zij?” vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang in dit onderwerp stelden.“Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had, besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!”“En bereed zij dat paard?”“Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in toom te houden, en was de ziel van de partij.”“Nou, dat noem ik kranig!” en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat haar zoo rood en verlegen maakte.Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met geheel onnoodige openhartigheid: “O, Amy had hem geverfd; die zachte kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden in elke tint, die wij verlangen. Ja ’t is een groot gemak als je een kunstenares tot zuster hebt!”“Hoe origineel!” riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.“Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets, wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes noodig voor Sallie’s partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt, en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren,” voegde Jo erbij, met een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.“Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van u gelezen,” merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen, op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van haar “werken” had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking van onderwerp veranderde. “Het spijt mij, dat u niets beters te lezen had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?”Daar juffrouw Lamb het verhaal “met groot genoegen” gelezen had, was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees, dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling, dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin bleven steken.“Amy, wij moetenheuschgaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eensgauwopzoeken; wij verlangenvreeselijknaar een bezoekje! Ik durfuniet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komenmocht, zult uhartelijkwelkom zijn!”Jo zei dit alles met zoo’n dwaze nabootsing van Mary Chester’s overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde, niet wetende of zij lachen of huilen zou.“Heb ik mij nu niet goed gehouden?” vroeg Jo voldaan, onder het wegwandelen.“Het kón niet erger,” was Amy’s verpletterend antwoord. “Wat heeft je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en die schoenen en al die dingen te vertellen?”“Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best, dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen, en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen.”“Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of je mond houden,” klaagde Amy wanhopig.De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor haar wangedrag.“Hoe moet ik mij hier gedragen?” vroeg zij, toen zij de derde woning naderden.“Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af,” antwoordde Amy kort.“Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid,” antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar pogingen om te behagen.Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden, stemde van harte toe, dat “Tom Brown een bar leuke jongen was,” zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord, en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van een vorstelijken spruit,—waarschijnlijk nog een overblijfsel van de liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,—vurig hopend, dat ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen, die schande zou brengen over den naam der familie March.Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl zij een van Laurie’s studentenstreken aan het bewonderend gehoor meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy’s parasol, een ander knabbelde koekjes boven Jo’s gekleeden hoed, en een derde had een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar terug te komen.—Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!“Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!” zei Jo, voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte parasol te verbergen.“Waarom ontwijk je Tudor altijd?” vroeg Amy, wijselijk geen aanmerkingen makende op Jo’s ontredderd voorkomen.“Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie zegt, dat hij een doordraaier is, enikverlang zijn kennismaking niet; dus houd ik mij op een afstand.”“Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain—zijn vader heeft een kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom had toegedeeld, zou het goed geweest zijn,” zei Amy berispend.“Neen, dat zou het niet,” antwoordde de weerbarstige Jo,“want ik bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes.”“Het geeft niets, of men jou al iets aan ’t verstand zoekt te brengen,” begon Amy.“Neen, volstrekt niets, kindlief,” viel Jo haar in de rede; “laten wij dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven, want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben.”Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.“Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen, nu wij al knorrig en moe zijn.”“Spreek alleen voor jezelf, als ’t jeblieft. Tante heeft graag, dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. ’t Is maar een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet, dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens, dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan.”“Wat ben je toch een geduldig lam, Amy,” zei Jo, met een berouwvollen blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster, dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. “Ik wou, dat het mij ook zoo gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te doen. Ik denk er wel aan, maar het neemtmij te veel tijd, om ze te doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog verder mee, geloof ik.”Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:“Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in ’t oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent.”“Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven; maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. ’t Valt mij alleen maar gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. ’t Is heel lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt, vind je niet?”“’t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is.”“Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij ’t gedrag van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen.”“Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van andere jongens aangehaald worden,” zei Amy op een toon van stellige overtuiging, die den “zeer bizonderen jongen” zeker zou hebben doen schaterlachen, als hij ’t gehoord had. “Wanneer we schoonheden waren, of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen; maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui, omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen, omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben, en ons maar den naam van ‘raar’ of ‘preutsch’ op den hals halen.”“Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren, omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort van zedeleer!”“Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten, voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden.”“Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als ’t mijmogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen en dat uitlachen, denk ik.”“Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe denkbeelden.”“Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!”Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij later met zooveel woorden tot elkander zeiden: “Dat kind wordt met den dag liever.”“Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?” vroeg mevrouw Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid, die oude menschen zoo graag in jongeren zien.“Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders geven kan dan mijn tijd.”“Ik doe niet mee,” viel Jo op beslisten toon in, “ik kan dat gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy—het is alleen maar om je aan het werk te zetten.”“Nu, ik wil wel werken—’t is even goed voor ’t goede doel als voor de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik er niets tegen.”“Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is heel treurig,” merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk op dat oogenblik voor een van hen beidenin de weegschaal lag, zou zij misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige les op den hals—een les in de kunst om haar tong in toom te houden.“Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken, en wil volkomen onafhankelijk zijn.”“Hm!” kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.“Ik heb het je wel gezegd,” gaf deze door een gedecideerd knikje Tante Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen, dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.“Spreek je Fransch, kindlief?” informeerde mevrouw Carrol, haar hand op die van Amy leggende.“Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil, gelegenheid geeft om met Esther te praten,” antwoordde Amy, met een dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.“Hoe staat het in dit opzicht met jou?” vroeg mevrouw Carrol aan Jo.“Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in ’t leeren; en Fransch kan ik niet uitstaan; het is zoo’n glibberige, onmogelijke taal,” was het ruwe antwoord.Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:“Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt geen last meer van je oogen, wel?”“Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben van plan dezen winter flink aan ’t werk te gaan, om klaar te zijn voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt.”“Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van dat het wel eens gebeuren zal,” zei Tante March, met een goedkeurend tikje op Amy’s wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.“Knorrepot, sliep uit!” riep Polly, die als naar gewoonte op den rug van tante’s stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken, met zoo’n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het onmogelijk was niet te lachen.“Een zeldzaam schrander dier,” vond de oude dame.“Uitgaan, liefje?” riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij een klontje suiker hoopte te krijgen.“Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy,” en Jo maakte een einde aan het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites eenslechten invloed op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren, lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk Tante March de volgende woorden in den mond gaf:“Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor ’t geld zorgen,” waarop Tante Carrol vast besloten antwoordde: “Ik zal ’t stellig doen, als haar vader en moeder het goed vinden.”1Uit Shakespeare’s:Koopman van Venetië.2In Tennyson’s gedicht van dien naam: “Icily regular, splendidly null.”

“Kom Jo, het is tijd.”

“Waarvoor?”

“Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een stuk of zes visites met mij te gaan maken!”

“Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele week van de wijs brengt.”

“Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden.”

“Als het mooi weer was; dat stond in het contract en ik houd mij aan de letter van het verdrag, Shylock.1Er zijn donderwolken in het oosten; het is géén mooi weer, en ik ga dusniet.”

“Dát is flauw van je! ’t Is prachtig weer; geen kwestie van regen, en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht, dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten.”

Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk; en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking, dat zij een donderbui “rook”, gaf zij toe, borg haar werk weg, nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op, en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.

“Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik,” riep Amy, haar met verbazing aanstarend.

“Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al die prullen vind ik maar last.”

“O, hemel!” zuchtte Amy, “nu is zij in de contramine, en zal me half dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.—’t Is voor mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen, die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!”

“Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te vleien en te bepraten. Verbeeld je!Ikgedistingeerd en welgemanierd, en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet, en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?” vroeg Jo, plotseling van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.

“Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje; die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken.”

Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen, en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen, keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:

“Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben, sterf ik gelukkig!”

“Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat ik je eens goed opnemen.”

Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:

“Jo, ’t is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen nietzoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen, ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het dan ook niet.”

“Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te aanschouwen,” verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde haar opnam. “Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik hem opnemen, mejuffrouw?”

“Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt vooralonmiddellijklos, want dat vergat je laatst! Je hebt je eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let, want zij maken het nette geheel uit.”

Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen, maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. “Net een paar schilderijtjes,” vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze na te kijken.

“Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje uithouden,” zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken arm, waren geïnspecteerd.

“Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,—ja, dat kan ik wel op mij nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen, en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien; wees dus volkomen gerust, mijn kind.”

Amy glimlachte tevreden, maar de ondeugende Jo hield haar aan haar woord; want gedurende het eerste bezoek zat zij daar in een keurige houding, met onberispelijke kleeren, kalm en effen als de zomerzee, koel als een ijsschots, en stom als een sphinx. Tevergeefs sprak mevrouw Chester over haar “interessanten roman”; tevergeefs brachten de jonge dames Chester partijen, pic-nics, de opera en de modes op het tapijt; alles werd beantwoord met een glimlach, een hoofdbuiging en een stemmig “ja” of “neen.” Tevergeefs telegrafeerde Amy het woord “práát”, tevergeefs trachtte zij haar in ’t gesprek te mengen, of stootte ze haar ongemerkt met haar voet aan; Jo keek zoo onschuldig, alsof zij de beschrijving van Maud’s2gelaat: “IJskoude schoonheid, prachtige nul,” plastisch wilde voorstellen.

“Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March,” was de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen, en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.

“Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar, dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen, en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een verkeerden indruk maken.”

“Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een ‘allerliefstmeisje’ noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de Lambs niet zullen zeggen: ‘Wat een levendig, aardig schepseltje is die Jo March!’”

Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou ophouden. Het was de moeite waard Amy’s gezicht te zien, toen zij haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van Lucy’s laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van haar lijden, daar zij fragmenten opving als:

“Zij rijdt keurig—van wien heeft zij het geleerd?”

“Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames dresseert. Zij is er zoo’n hartstochtelijke liefhebstervan, dat zij in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden, en zoo den kost verdienen.”

Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was, zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen en beging nog vreeselijker misslagen.

“Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam, het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een plezierritje, hè?”

“En welk nam zij?” vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang in dit onderwerp stelden.

“Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had, besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!”

“En bereed zij dat paard?”

“Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in toom te houden, en was de ziel van de partij.”

“Nou, dat noem ik kranig!” en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat haar zoo rood en verlegen maakte.

Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met geheel onnoodige openhartigheid: “O, Amy had hem geverfd; die zachte kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden in elke tint, die wij verlangen. Ja ’t is een groot gemak als je een kunstenares tot zuster hebt!”

“Hoe origineel!” riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.

“Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets, wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes noodig voor Sallie’s partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt, en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren,” voegde Jo erbij, met een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.

“Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van u gelezen,” merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen, op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van haar “werken” had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking van onderwerp veranderde. “Het spijt mij, dat u niets beters te lezen had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?”

Daar juffrouw Lamb het verhaal “met groot genoegen” gelezen had, was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees, dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling, dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin bleven steken.

“Amy, wij moetenheuschgaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eensgauwopzoeken; wij verlangenvreeselijknaar een bezoekje! Ik durfuniet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komenmocht, zult uhartelijkwelkom zijn!”

Jo zei dit alles met zoo’n dwaze nabootsing van Mary Chester’s overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde, niet wetende of zij lachen of huilen zou.

“Heb ik mij nu niet goed gehouden?” vroeg Jo voldaan, onder het wegwandelen.

“Het kón niet erger,” was Amy’s verpletterend antwoord. “Wat heeft je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en die schoenen en al die dingen te vertellen?”

“Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best, dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen, en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen.”

“Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of je mond houden,” klaagde Amy wanhopig.

De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor haar wangedrag.

“Hoe moet ik mij hier gedragen?” vroeg zij, toen zij de derde woning naderden.

“Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af,” antwoordde Amy kort.

“Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid,” antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar pogingen om te behagen.

Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden, stemde van harte toe, dat “Tom Brown een bar leuke jongen was,” zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord, en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van een vorstelijken spruit,—waarschijnlijk nog een overblijfsel van de liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,—vurig hopend, dat ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen, die schande zou brengen over den naam der familie March.

Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl zij een van Laurie’s studentenstreken aan het bewonderend gehoor meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy’s parasol, een ander knabbelde koekjes boven Jo’s gekleeden hoed, en een derde had een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar terug te komen.—Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!

“Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!” zei Jo, voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte parasol te verbergen.

“Waarom ontwijk je Tudor altijd?” vroeg Amy, wijselijk geen aanmerkingen makende op Jo’s ontredderd voorkomen.

“Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie zegt, dat hij een doordraaier is, enikverlang zijn kennismaking niet; dus houd ik mij op een afstand.”

“Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain—zijn vader heeft een kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom had toegedeeld, zou het goed geweest zijn,” zei Amy berispend.

“Neen, dat zou het niet,” antwoordde de weerbarstige Jo,“want ik bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes.”

“Het geeft niets, of men jou al iets aan ’t verstand zoekt te brengen,” begon Amy.

“Neen, volstrekt niets, kindlief,” viel Jo haar in de rede; “laten wij dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven, want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben.”

Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.

“Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen, nu wij al knorrig en moe zijn.”

“Spreek alleen voor jezelf, als ’t jeblieft. Tante heeft graag, dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. ’t Is maar een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet, dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens, dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan.”

“Wat ben je toch een geduldig lam, Amy,” zei Jo, met een berouwvollen blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster, dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. “Ik wou, dat het mij ook zoo gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te doen. Ik denk er wel aan, maar het neemtmij te veel tijd, om ze te doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog verder mee, geloof ik.”

Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:

“Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in ’t oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent.”

“Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven; maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. ’t Valt mij alleen maar gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. ’t Is heel lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt, vind je niet?”

“’t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is.”

“Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij ’t gedrag van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen.”

“Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van andere jongens aangehaald worden,” zei Amy op een toon van stellige overtuiging, die den “zeer bizonderen jongen” zeker zou hebben doen schaterlachen, als hij ’t gehoord had. “Wanneer we schoonheden waren, of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen; maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui, omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen, omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben, en ons maar den naam van ‘raar’ of ‘preutsch’ op den hals halen.”

“Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren, omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort van zedeleer!”

“Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten, voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden.”

“Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als ’t mijmogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen en dat uitlachen, denk ik.”

“Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe denkbeelden.”

“Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!”

Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij later met zooveel woorden tot elkander zeiden: “Dat kind wordt met den dag liever.”

“Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?” vroeg mevrouw Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid, die oude menschen zoo graag in jongeren zien.

“Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders geven kan dan mijn tijd.”

“Ik doe niet mee,” viel Jo op beslisten toon in, “ik kan dat gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy—het is alleen maar om je aan het werk te zetten.”

“Nu, ik wil wel werken—’t is even goed voor ’t goede doel als voor de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik er niets tegen.”

“Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is heel treurig,” merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk op dat oogenblik voor een van hen beidenin de weegschaal lag, zou zij misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige les op den hals—een les in de kunst om haar tong in toom te houden.

“Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken, en wil volkomen onafhankelijk zijn.”

“Hm!” kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.

“Ik heb het je wel gezegd,” gaf deze door een gedecideerd knikje Tante Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen, dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.

“Spreek je Fransch, kindlief?” informeerde mevrouw Carrol, haar hand op die van Amy leggende.

“Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil, gelegenheid geeft om met Esther te praten,” antwoordde Amy, met een dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.

“Hoe staat het in dit opzicht met jou?” vroeg mevrouw Carrol aan Jo.

“Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in ’t leeren; en Fransch kan ik niet uitstaan; het is zoo’n glibberige, onmogelijke taal,” was het ruwe antwoord.

Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:

“Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt geen last meer van je oogen, wel?”

“Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben van plan dezen winter flink aan ’t werk te gaan, om klaar te zijn voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt.”

“Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van dat het wel eens gebeuren zal,” zei Tante March, met een goedkeurend tikje op Amy’s wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.

“Knorrepot, sliep uit!” riep Polly, die als naar gewoonte op den rug van tante’s stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken, met zoo’n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het onmogelijk was niet te lachen.

“Een zeldzaam schrander dier,” vond de oude dame.

“Uitgaan, liefje?” riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij een klontje suiker hoopte te krijgen.

“Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy,” en Jo maakte een einde aan het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites eenslechten invloed op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren, lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk Tante March de volgende woorden in den mond gaf:

“Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor ’t geld zorgen,” waarop Tante Carrol vast besloten antwoordde: “Ik zal ’t stellig doen, als haar vader en moeder het goed vinden.”

1Uit Shakespeare’s:Koopman van Venetië.2In Tennyson’s gedicht van dien naam: “Icily regular, splendidly null.”

1Uit Shakespeare’s:Koopman van Venetië.

2In Tennyson’s gedicht van dien naam: “Icily regular, splendidly null.”


Back to IndexNext