HOOFDSTUK VII.

HOOFDSTUK VII.GEVOLGEN.De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen, daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald “met de armen in de zij” de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen onzachten stoot berokkende. Het “trotsche, oninteressante schepsel” werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te vervaardigen en te verzamelen.Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge, met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary, dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van Amy begrijpen, toen mevrouw Chester—die natuurlijk boos was over de vermeende bespotting van haar dochter—op den laatsten avond, terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel, op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:“Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet, dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk een van de andere tafels nemen.”Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was, vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen, terwijl Amy’s oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:“Misschien hebt u liever, dat ik in ’t geheel geen tafel neem?”“Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen, dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks.”“Voorál voor de heeren.” voegde Mary er bij met een blik, waaruit Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid: “Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt.”“Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je dat soms wilt,” bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:“O zeker, als het je in den weg staat,” en nadat zij haar bijdragenbij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.“Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd er over te spreken, Mama,” zei Mary, met een treurig gezicht naar de ledige plaatsen op de tafel ziende.“Meisjesgekibbel duurt nooit lang,” antwoordde haar moeder, die met recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den twist had genomen.De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed; zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe; ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen, en de kleine meisjes maakten ’t haar nog moeilijker en de verwarring nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen om alles te regelen en te schikken.De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij was opgezet, maar waggelde bij ’t minste stootje en dreigde op Amy’s hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar met onrust vervulde voor den volgenden dag.Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in ’t geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige menschen alleen voor den boel liet zitten.“Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook zou zijn. Ik vind zoo’n manier van doen echt onbeschaafd, maar al meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?”“Zeker, kindlief! kwaad met goed vergelden is altijd het beste ofschoon het soms niet heel makkelijk is,” zei haar moeder, met een uitdrukking op haar gelaat, die duidelijk deed zien, dat zij het verschil had leeren verstaan tusschen zeggen en doen.Hoewel Amy herhaaldelijk de natuurlijke verzoeking voelde opkomen, om zich gekrenkt te toonen en zich te wreken, volhardde zij den heelen volgenden dag in haar voornemen om haar vijanden door vriendelijkheid te winnen. Zij maakte een goed begin, dank zij een stilzwijgende vermaning, die zij ongezocht maar zeer van pas ontving. Toen zij dien morgen bezig was met het schikken van haar tafel, terwijl de kinderen in een zijkamer de mandjes vulden, nam zij een klein boekje met een antiek bandje op, dat haar vaderonder zijn schatten had gevonden, en waarin zij op velijnpapier verschillende teksten had geïllustreerd. Terwijl zij met vergeeflijk zelfbehagen de blaadjes omsloeg, viel haar oog op een vers, dat haar tot nadenken bracht. Gevat in een smaakvol randje, las zij deze woorden: “Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.” “Ik moest het doen, maar ik doe het niet,” dacht Amy, terwijl haar oog dwaalde van de leerrijke bladzijde naar het ontevreden gezicht van Mary achter de groote vazen, die de leegten niet konden verbergen, door het wegnemen van Amy’s “kunstvoorwerpen” ontstaan. Amy bleef een oogenblik nadenkend de bladzijden omslaan, waarin zij achtereenvolgens menig zacht verwijt las over elke opwelling van wrevel en onverdraagzaamheid. Vele verstandige en goede preeken worden ons dagelijks door allerlei onbewuste predikers op straat, op school, in het bureau, of thuis gehouden, zelfs een bazaarkraampje kan een preekstoel worden, als zij ons de woorden in ’t hart zendt, waaraan wij juist behoefte hebben. Amy’s geweten hield haar daar een klein betoog over dien tekst, en zij deed, wat velen van ons niet altijd doen, zij nam de les ter harte, en bracht haar dadelijk in praktijk.Een groep meisjes stond rondom Mary’s tafel; zij bewonderden haar mooie voorwerpen en praatten over de verwisseling der verkoopsters. Al fluisterden zij, toch wist Amy heel goed dat zij over haar spraken, slechts één kant van de zaak hoorden en haar daarnaar beoordeelden. Het was niet aangenaam, maar een beter gevoel was in haar ontwaakt, en de gelegendheid bood zich weldra aan om daarvan een bewijs te geven. Zij hoorde Mary op teleurgestelden toon zeggen:“’t Is jammer, want de tijd is te kort om andere dingen te maken, en ik kan de leegten niet vullen met lorren en prullen. De tafel was zoo goed in orde, en nu is zij letterlijk bedorven.”“Misschien zou Amy ze wel terug willen geven, als je ’t haar vroeg,” deed een der meisjes aan de hand.“Hoe zou ik dat kunnen, na al de onaangenaamheden,” begon Mary te zeggen, maar zij voltooide haar zin niet, want Amy’s stem riep opgewekt van den anderen kant der zaal:“Je kunt ze met alle plezier krijgen, Mary, zonder er zelfs om te vragen, als je ze noodig hebt! Ik was juist van plan je voor te stellen ze weer op jouw tafel te zetten, want ze passen beter op de jouwe dan op de mijne. Hier zijn ze, neem ze maar terug; ’t was niet aardig van me, dat ik ze gisterenavond zoo gauw meenam.”Onderwijl had Amy haar bijdragen weer met een vriendelijken glimlach op de tafel gezet en liep toen haastig weg met het gevoel, dat het gemakkelijker is een goede daad te verrichten, dan er dank voor aan te nemen.“Dat is echt aardig van haar, vind je niet?” riep een der meisjes. Het antwoord van Mary was onverstaanbaar, maar een ander meisje, wier taak het geweest was, limonade te maken, en wierhumeur daardoor misschien wat verzuurd was, antwoordde met een onaangenamen lach: “O, jaechtaardig! ze wist natuurlijk wel, dat zij ze op haar eigen tafel toch niet zou kunnen verkoopen.”Dat was wreed; wanneer we ons een opoffering getroosten, zien wij die tenminste graag gewaardeerd; en voor een oogenblik speet het Amy, dat zij zoo gehandeld had, maar haar ergernis week heel gauw voor een gevoel van voldoening. Haar werk begon beter te vlotten; de meisjes waren allen even vriendelijk, en de kleine daad van zelfverloochening scheen de lucht rondom haar eensklaps gezuiverd te hebben.De dag was lang en vervelend voor Amy; zij zat bijna den heelen tijd alleen achter haar tafel, want de kinderen lieten haar spoedig in den steek; slechts weinige bezoekers hadden geld over voor bloemen in den zomer en haar bouquetten begonnen lang voor den avond te verwelken.De kunsttafel oefende voortdurend de grootste aantrekkingskracht in de zaal; den geheelen dag verdrong men er zich, en de verkoopsters waren gedurig in de weer, en liepen af en aan met gewichtige gezichten en rammelende geldtaschjes, Amy keek ze dikwijls met droevige oogen na; ze verlangde ook te zijn, waar zij zich thuis gevoelde, in plaats van in een hoek, waar zij niets te doen had, en de gedachte, dat haar heele familie en Laurie en zijn vrienden haar ’s avonds zoo zouden zien zitten, was een ware marteling voor haar.Zij ging eerst tegen den avond naar huis, zag toen zoo bleek en was zoo stil, dat allen begrepen, hoe ’n moeilijke dag het voor haar geweest was, ofschoon zij nergens over klaagde en zelfs niet vertelde, wat zij gedaan had. Haar moeder schonk haar een extra lekker kopje thee, Bets hielp haar zich kleeden, en maakte een beelderig bouquetje voor haar, terwijl Jo de familie verbaasde door zich met bizondere zorg op te sieren, terwijl zij allerlei geheimzinnige wenken gaf, dat het blaadje wel gauw zou omgekeerd worden.“Jo, ik bid je, doe niets onmogelijks; ik wil er volstrekt geen drukte over gemaakt hebben; laat dus alles over je kant gaan en gedraag je ordentelijk,” smeekte Amy, die vroeg van huis ging, in de hoop een frisschen voorraad bloemen te vinden om haar ongelukkige tafel een beetje op te kunnen sieren.“Ik ben alleen van plan zoo betooverend mogelijk te zijn, tegen ieder dien ik ken, en ze zoo lang mogelijk in jouw hoekje te houden. Teddy en zijn club zullen ons wel een handje helpen, en je zult zien dat we nog plezier hebben!” antwoordde Jo, terwijl zij over het hek leunde om op Laurie te wachten. Na eenige oogenblikken hoorde zij in den schemer den welbekenden stap naderen, en liep hem tegemoet.“Is dat mijn jongen?”“Zoo zeker als dat mijn meisje is,” en Laurie trok haar handin zijn arm, met het genoeglijke gezicht van iemand, wiens hoogste wenschen vervuld zijn.“O, Teddy, je moet eens hooren wat er gebeurd is!” en Jo vertelde al Amy’s grieven met zusterlijke warmte.“Verscheiden van mijn kennissen zijn van plan er heen te gaan, en ik laat mij hangen, als ik ze niet al Amy’s bloemen zal laten opkoopen, en daarna post vatten voor haar tafel,” riep Laurie, de zaak onmiddellijk met warmte omhelzende.“Amy zegt, dat haar bloemen in ’t geheel niet mooi meer zijn, en de nieuwe zullen misschien niet bijtijds komen. Ik wil niet onrechtvaardig of ergdenkend wezen, maar ’t zou mij toch niet verbazen, als zij in ’t geheel niet kwamen. Als menschen tot één laagheid in staat zijn, kunnen zij ook wel eene tweede begaan,” zei Jo op een toon vol verachting.“Heeft Hayes haar dan niet de mooiste bloemen uit onzen tuin gebracht? Ik had het hem toch gezegd.”“Dat wist ik niet, hij heeft het zeker vergeten; en nu je grootvader niet heel wel is, wou ik hem niet lastig vallen met er om te vragen.”“Hè, Jo, hoe kon je nu denken, dat je er om vragen moest? Zij zijn immers even goed van jou als van mij; wij deelen immers alles samen?” begon Laurie op een toon, die Jo al dadelijk “stekelig” maakte.“Goeie Hemel! Dat hoop ik niet! In sommige van jouw dingen zou ik in het geheel niet graag deelen. Maar wij moeten hier niet staan zeuren; ik moet Amy nog helpen; verdwijn dus maar gauw, en maak je netjes; en als je dan zoo goed wilt zijn om Hayes nog een mand met mooie bloemen naar de zaal te laten brengen, zal ik je mijn leven lang zegenen.”“Zou je dat nu maar niet vast doen?” verzocht Laurie, zoo smeekend, dat Jo met alles behalve beleefden haast het hek voor zijn neus dichtgooide, en hem door de tralies toeriep: “Gaalstjeblieftheen, Teddy, ik heb het druk.”En het blaadjewerddien avond omgekeerd, dank zij de samenzweerders, want Hayes bracht een massa bloemen, met een keurig mandje, dat hij naar zijn beste vermogen geschikt had, voor een middenstuk; en toen verscheen de familie March in haar geheel, en Jo deed niet tevergeefs haar best, want de menschen kwamen niet alleen, maar bleven ook, lachten om haar grappen, bewonderden Amy’s smaak, en schenen zich bizonder goed te amuseeren. Daarna sprongen Laurie en zijn vrienden beleefd in de bres; zij kochten al de bouquetten, schaarden zich om de tafel, en maakten Amy’s hoekje tot het vroolijkste plekje in de zaal. Amy raakte nu volkomen in haar element, en was, al ware het alleen maar uit dankbaarheid, zoo vroolijk en vriendelijk mogelijk, tot de conclusie komende, dat de deugd toch soms zich zelve wel eens loont.Jo gedroeg zich voorbeeldig; en toen Amy gelukkig door haar eerewacht omgeven was, drentelde haar zuster door de zaal, en ving hier en daar een paar gezegden op, die haar licht gaven omtrent het veranderd gedrag der Chesters. Zij betreurde haar aandeel in de onaangenaamheid, en besloot Amy zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten; zij ontdekte ook wat Amy ’s morgens met haar bijdragen gedaan had, en vond haar een toonbeeld van zelfverloochening. Toen zij de kunsttafel voorbijging, keek zij eens rond naar de bijdragen van haar zuster, maar kon er geen spoor van ontdekken. “Zeker ergens in een hoek gestopt,” dacht Jo, die, verongelijkingen haar zelf aangedaan, kon vergeven, maar vuur en vlam was, als iemand haar familie beleedigde.“Dag juffrouw March, hoe gaat het Amy met het verkoopen?” vroeg Mary op verzoenenden toon—want zij verlangde te toonen, dat zij ook edelmoedig kon wezen.“Zij heeft alles verkocht wat de moeite waard was, en amuseert zich nu. De bloementafel heeft zooals u weet, altijd veel aantrekkelijks,vooralvoor heeren.”Jokonzich niet weerhouden om haar dien kleinen steek te geven, maar Mary nam het zoo zachtzinnig op, dat zij er een oogenblik later spijt van had, en de groote vazen die nog steeds onverkocht stonden, begon te prijzen.“Is dat boekje met geïllustreerde teksten van Amy nog ergens hier? Ik zou dat graag voor Vader koopen,” zei Jo, brandend van verlangen om te hooren, hoe het met het werk van haar zuster gegaan was.“O, alles van Amy is al láng verkocht; ik zorgde dat de rechte menschen het te zien kregen, en ze hebben ons een aardig sommetje opgebracht,” antwoordde Mary, die, even goed als Amy, dien dag haar kleine verzoekingen had overwonnen.Zeer bevredigd snelde Jo terug om de goede tijding over te brengen, en Amy was zoowel getroffen als verwonderd over het verhaal aangaande Mary’s woorden en toon.“Nu hoop ik, dat jullie even edelmoedig je plicht zult doen bij de andere tafels, als je het bij de mijne gedaan hebt, vooral bij de kunsttafel,” verzocht Amy, die “Teddy’s bende,” zooals de meisjes de academievrienden noemden, graag een beetje commandeerde.“Val aan, Chester, val aan! is het motto voor die tafel. Doe manmoedig je plicht, en jullie zult de waarde van je geld aankunstin elke beteekenis van het woord ontvangen,” riep de onbedwingbare Jo, toen de gehoorzame phalanx gereed stond om te velde te trekken.“Ik haast mij naar de bron der kunst, dochenkelom te komen inuwgunst!” zei de kleine Parker met een wanhopige poging om tegelijk teeder en dichterlijk te zijn, maar hij werd onmiddellijk tot zwijgen gebracht door Laurie, met een: “Zeer verdienstelijk, mijn zoon, voor zoo’n kleinen jongen,” terwijl hij hem vaderlijk op het hoofd tikte, en met hem weg stapte.“Koop de vazen,” fluisterde Amy Laurie toe, als een laatste vurige kool op het hoofd harer vijandin.Tot Mary’s groote vreugde kocht “de jonge Laurence” niet alleen de vazen, maar wandelde hij zelfs de zaal door met een prachtstuk onder elken arm. De andere jongelui vielen even begeerig aan op allerlei broze ornamenten, en dwaalden daarna hulpeloos rond, beladen met theewarmers, lucifers-doosjes, beschilderde waaiers, linialen en thermometers van houtsnijwerk en andere nuttige en gepaste aankoopen.Tante Carrol was er ook, hoorde het verhaal, keek heel vergenoegd, en fluisterde in een hoekje mevrouw March iets in het oor, dat de oogen van die dame van blijdschap deed schitteren, en haar Amy deed gadeslaan met een mengeling van trots en bezorgdheid, hoewel zij de oorzaak harer voldoening eerst eenige dagen later openhaarde.De bazaar was bizonder goed geslaagd, en toen Mary Amy goeden nacht wenschte, maakte zij niet zooveel beweging als anders, maar gaf haar een hartelijken kus met een blik, waarin “wil vergeven en vergeten” te lezen stond. Hiermee was Amy voldaan, en toen zij thuis kwam, vond zij de vazen met groote bouquetten er in te pronk staan op den schoorsteenmantel in de zitkamer. “Een belooning voor de verdiensten van een edelmoedige March,” zooals Laurie met een buiging aankondigde.“Je bent veel vaster van karakter en opofferender en liever dan ik ooit gedacht had, Amy. Je hebt je kranig gehouden, en ik bewonder je met mijn heele hart,” zei Jo gul, toen zij dien avond laat te zamen hun haar stonden te borstelen.“Ja, dat doen wij allemaal, het was verbazend aardig van je haar zoo gauw te vergeven, ’t Leek me heel moeilijk nu je ’r zoo lang voor gewerkt en er je hart op gezet had zelf je mooie dingetjes te verkoopen. Ik geloof niet, datikzoo vriendelijk zou geweest zijn!” riep Betsy van haar kussen.“Och, jullie hoeft mij niet zoo te prijzen. Ik deed alleen maar, wat ik graag zou willen dat anderen voor mij deden. Jullie lacht mij altijd uit, als ik zeg, dat ik een echte dame hoop te worden, maar daarmee meen ik eenechtebeschaafde vrouw, en daar doe ik mijn best voor. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik zou zoo graag verheven zijn boven al die kleine streken en bekrompenheden die vrouwen vaak onverdraaglijk maken. Ik ben er nog wel mijlen ver vandaan, maar ik doe mijn best, en ik hoop eenmaal te worden, zooals Moeder is.”Amy sprak heel ernstig, en Jo zei met een hartelijken kus:“Nu begrijp ik, wat je meent, en ik zal je nooit weer uitlachen, hoor! Je maakt meer vorderingen dan je denkt, en ik zal van jou een lesje nemen in ware beleefdheid, want je hebt het geheim afgekeken, geloof ik. Doe je best maar, kindlief, den een of anderen dag zul je er wel voor beloond worden, en niemand zal er zichhartelijker over verblijden dan ik,” eindigde ze moederlijk.Een week laterwerdAmy er voor beloond, maar de arme Jo vond het heel moeilijk blij te zijn. Er kwam een brief van Tante Carrol, en het gezicht van mevrouw March straalde zoo onder het lezen, dat Jo en Bets, die er bij zaten, verlangend vroegen welk heugelijk nieuws er was.“Tante Carrol gaat de volgende week op reis, en vraagt....”“Of ik met haar mee wil gaan!” viel Jo haar in de rede, in blijde verrukking uit haar stoel opvliegende.“Neen, kindlief, jij niet, maar Amy.”“O, Moeder, zij is nog zoo jong, ik kom het eerst aan de beurt; ik heb er zoo lang naar verlangd ... het zou mij zoo veel goed doen, en het zou zoo heerlijk zijn ... ik moet gaan!”“Ik vrees, dat het onmogelijk is, Jo. Tante spreekt bepaald van Amy, en wij kunnen haar de wet niet stellen, als zij ons zoo’n aanbod doet.”“Zoo is het altijd; Amy heeft al de pret, en ik al het werk. Het is niet eerlijk, o, het is niet eerlijk!” riep Jo hartstochtelijk.“Ik vrees, dat het gedeeltelijk je eigen schuld is, kindlief. Toen ik Tante laatst sprak, klaagde zij over je onverschillige manieren en al te onafhankelijken geest, en hier schrijft zij, alsof zij iets, wat jij gezegd hebt, aanhaalt. Eerst meende ik Jo te vragen, maar daar ‘gunstbewijzen haar drukken’ en zij ‘een afschuw heeft van vreemde talen,’ durfde ik de invitatie niet wagen. Amy is zachter, zij zal prettig gezelschap voor Flo wezen, en dankbaar voor het nut, dat zij wellicht van deze reis trekken kan.”“O, mijn tong, mijn afschuwelijke tong! O, waarom kan ik toch niet leeren zwijgen?” kreunde Jo, toen zij zich de woorden te binnen bracht, die over haar lot hadden beslist.Toen mevrouw March den uitleg van de aangehaalde woorden vernomen had, zei zij deelnemend:“Ik wou, dat jij had kunnen gaan, maar er is dezen keer geen kans op; tracht het dus blijmoedig te dragen, en bederf Amy’s genot niet door verwijten en klachten.”“Ik zal mijn best doen,” beloofde Jo, met de oogen knippende, terwijl zij neerknielde om den inhoud van een werkmandje, dat zij in haar blijdschap had omgegooid, weer op te rapen. “Ik zal niet alleen trachten blij te schijnen, maar het ook werkelijk te zijn, en haar geen minuutje geluk te misgunnen, maar het zal mij niet gemakkelijk vallen, want het is een afschuwelijke teleurstelling,” en de arme Jo besproeide het mollige speldenkussentje, dat zij in de hand hield, met vele bittere tranen.“Lieve Jo, ’t is wel heel zelfzuchtig, maar ik zou je niet kunnen missen, en ik ben zoo blij, dat jij dezen keer nog niet gaat,” fluisterde Betsy, terwijl zij haar, met mandje en al, zoo hartelijk en met zoo’n liefdevol gezichtje omhelsde, dat Jo zich getroost voelde, niettegenstaande het knagend berouw, dat haar den lust gaf om zichzelve een stevige oorvijg te geven, en Tante Carrol nederig te smeeken haar met dit gunstbewijs te willen bezwaren, om te zien, hoe dankbaar zij het zou dragen.Tegen dat Amy thuis kwam, was Jo in staat haar aandeel in de familievreugde te nemen; misschien niet zóó hartelijk als gewoonlijk, maar toch zonder Amy haar geluk te benijden. De jonge dame zelve ontving de heerlijke tijding met innige blijdschap, liep in stille verrukking door het huis, en begon dienzelfden avond haar verf te sorteeren en haar penseelen in te pakken, terwijl zij de bezorging van zulke kleinigheden als kleeren, geld enz. overliet aan hen, die niet zoozeer als zij in kunstvisioenen verdiept waren.“Het is niet alleen een plezierreis voor mij, kinderen!” zei zij nadrukkelijk, terwijl zij haar beste palet afschrapte. “Deze reis zal over mijn loopbaan beslissen, want als ik eenig genie bezit, zal dat in Rome blijken, en dan zal ik iets doen om het te bewijzen.”“En als je het niet bezit?” vroeg Jo, met roode oogen doorbordurend aan de nieuwe zakdoekjes, die Amy moest meenemen.“Dan kom ik weer naar huis, en ga teekenlessen geven,” verklaarde de jeugdige artiste met wijsgeerige kalmte, maar zij trok een zuur gezicht bij het vooruitzicht, en schrapte haar palet, alsof zij van plan was krachtige pogingen in ’t werk te stellen, eer zij haar aspiraties opgaf.“Neen, dat doe je toch niet; je houdt niet van hard werken, en je zult met een rijken man trouwen, en naar huis komen om je heele verdere leven in den schoot der weelde te zitten,” voorspelde Jo.“Je voorspellingen komen wel eens uit, maar ik geloof niet, dat deze uit zal komen. Ik zou het wel willen, want als ik zelf geen kunstenares kan zijn, zou ik toch graag anderen voorthelpen, die het wel zijn,” antwoordde Amy glimlachend, alsof de rol van genadige beschermvrouwe haar veel meer toelachte dan die van teekenleerares.“Hm!” kwam Jo met een zucht, “als jij ’t hoopt, dan zal het wel gebeuren ook, want jouw wenschen komen altijd uit—de mijne nooit.”“Zou jij graag gaan?” vroeg Amy, nadenkend haar neus met haar mes platdrukkend.“Nou!”“Dan zal ik over een paar jaar om je schrijven, en zullen we in het Forum naar antiquiteiten zoeken, en al de plannen, die wij zoo dikwijls gemaakt hebben, ten uitvoer brengen.”“Dank je, ik zal je aan je belofte herinneren, zoodra die blijde dag dáár is—als hij ten minste ooit komt,” antwoordde Jo, dit nevelachtig maar schitterend aanbod zoo dankbaar mogelijk aannemend.Er was niet veel tijd voor toebereidselen, en het heele huis stondop stelten, totdat Amy vertrokken was. Jo hield zich goed, tot de laatste glimp van Amy’s blauwen hoed verdween, toen vloog zij naar haar schuilplaats, den zolder, en schreide, tot zij niet meer kon. Amy was ook heel dapper, eer de boot van wal stak, maar juist toen de loopplank zou weggenomen worden, kwam het haar plotseling in de gedachte, dat weldra de wijde oceaan zou golven tusschen haar en allen, die zij het meest liefhad, en zij klemde zich vast aan Laurie, die het laatst bij haar was achtergebleven, en smeekte snikkend:“O, zorg toch goed voor hen, als er iets mocht gebeuren”—“Ja, ja, Amy, enalser iets mocht gebeuren, dan zal ik overkomen om je te troosten,” fluisterde Laurie, weinig denkende, hoe spoedig hij geroepen zou worden, deze belofte gestand te doen.Zoo stoomde Amy weg naar de oude wereld, die altijd nieuw en schoon is voor jonge oogen, terwijl haar vader en haar vriend haar van den oever natuurden, vurig hopende, dat niets dan geluk het deel mocht zijn van het blijmoedige kind, dat hen bleef toewuiven, tot zij niets meer zagen dan het glinsteren van den zomer-zonneschijn op de golven.HOOFDSTUK VIII.ONZE BUITENLANDSCHE CORRESPONDENTE.Londen.Liefste Allemaal!Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”Belachelijk, hè?Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:“Nou, juffrouw?”Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.Middernacht.Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ikUw liefhebbende Amy.Parijs.Lieve Zusjes,In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen, hoe vriendelijk de Vaughn’s waren, en wat prettige uitstapjes zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en naar Kensington-Museum de allerheerlijkste—want in Hampton zag ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De dag in Richmond-Park was goddelijk—we hadden er een echt Engelschen pic-nic—en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten, te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust—dank zij Fred en Frank—en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen, geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet gebeurde,want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens zijn erg aardig en leuk—vooral Fred.Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon; maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is, want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante’s uitspraak is ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat “geparlefransch” zooals Oom het noemt, op zich neemt.’t Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in de vroolijke café’s om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in ’t Louvre en haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft; maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote personen, want ik heb Napoleon’s steek en overjas, zijn wieg en een oud tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette, de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.Het Paleis Royal ismeerdan prachtig—zoo vol byouterieën en mooie dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk niet toestaan.Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elyséestrès-magnifiques! en wandelen we dikwijls in de tuinen van de Tuilerieën, waar ’t ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche Luxembourgtuinen mijnogbeter bevallen. Père la Chaise is heel eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je ’r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten, als zij komen treuren. Echt Franschachtign’est-ce pas?Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten, kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig, dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij te vermoeid zijn van ons “dagwerk” om weer uit te gaan. Fred is bizonder onderhoudend en over ’t geheel de aardigsteen geschiktste jongen, dien ik ooit ontmoet heb—behalve Laurie! Die heeft nog iets innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht “al wat ik zie en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven,” zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en ’t zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis geven, dan deze kattebelletjes.Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.Votre Amy.Heidelberg.Mijn lieve Mama,Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken, zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een heldere maneschijn, en om één uur ’s nachts werden Flo en ik gewekt door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart zou doen smelten!Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en eindelijk lachend verdwijnen—om te gaan rooken en bier te drinken, zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik lachte hem uit en zei, datikze niet uit het raam gegooid had, maar Flo—wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat jongemensch zou krijgen—het begon er naar uit te zien.De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetjekapittelde. Hij heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen, en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort beviel mij bizonder; ik zag Goethe’s en Schillers standbeeld en Dannecker’s beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten, of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu, dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen, dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon, en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,—maar ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden, ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik, dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen: “O, die kleine geldzuchtige heks,” maar ik ben toch vast besloten Fred te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en heel rijk—veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in de stad in een fashionable straat—het maakt niet zooveel vertooning als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van onsmoeteen goed huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en Betsy kan het op’t oogenblik niet—daarom zalikhet maar doen, en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken, dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier, die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman—een verloopen soort van baron—overein wunderschönes Blöndchen, en Fred keek zoo woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo’n heftigheid, dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo’n koele, stijve Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur, met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en denNeckardoor het dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder—want als een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou, en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.Na een poosje hoorde ik Fred’s stem, en daar kwam hij aandraven door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit, dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld voor mijzelf—maar dat duurde maar een minuut—omdat hij, terwijl hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging vatbaar was, zei: “Ik kom gauw terug—zul je mij niet vergeten, Amy?”Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden—er was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen, want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog niets van dien aard te doen—want hij is nog al heet gebakerd, en de oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander, zal ik, als hij vraagt: “Wil je mijn vrouw worden?” antwoorden: “Ja, met alle genoegen.”Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw “voorzichtige Amy” ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben, Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.Als altijdUw Amy.

HOOFDSTUK VII.GEVOLGEN.De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen, daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald “met de armen in de zij” de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen onzachten stoot berokkende. Het “trotsche, oninteressante schepsel” werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te vervaardigen en te verzamelen.Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge, met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary, dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van Amy begrijpen, toen mevrouw Chester—die natuurlijk boos was over de vermeende bespotting van haar dochter—op den laatsten avond, terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel, op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:“Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet, dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk een van de andere tafels nemen.”Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was, vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen, terwijl Amy’s oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:“Misschien hebt u liever, dat ik in ’t geheel geen tafel neem?”“Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen, dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks.”“Voorál voor de heeren.” voegde Mary er bij met een blik, waaruit Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid: “Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt.”“Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je dat soms wilt,” bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:“O zeker, als het je in den weg staat,” en nadat zij haar bijdragenbij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.“Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd er over te spreken, Mama,” zei Mary, met een treurig gezicht naar de ledige plaatsen op de tafel ziende.“Meisjesgekibbel duurt nooit lang,” antwoordde haar moeder, die met recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den twist had genomen.De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed; zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe; ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen, en de kleine meisjes maakten ’t haar nog moeilijker en de verwarring nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen om alles te regelen en te schikken.De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij was opgezet, maar waggelde bij ’t minste stootje en dreigde op Amy’s hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar met onrust vervulde voor den volgenden dag.Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in ’t geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige menschen alleen voor den boel liet zitten.“Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook zou zijn. Ik vind zoo’n manier van doen echt onbeschaafd, maar al meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?”“Zeker, kindlief! kwaad met goed vergelden is altijd het beste ofschoon het soms niet heel makkelijk is,” zei haar moeder, met een uitdrukking op haar gelaat, die duidelijk deed zien, dat zij het verschil had leeren verstaan tusschen zeggen en doen.Hoewel Amy herhaaldelijk de natuurlijke verzoeking voelde opkomen, om zich gekrenkt te toonen en zich te wreken, volhardde zij den heelen volgenden dag in haar voornemen om haar vijanden door vriendelijkheid te winnen. Zij maakte een goed begin, dank zij een stilzwijgende vermaning, die zij ongezocht maar zeer van pas ontving. Toen zij dien morgen bezig was met het schikken van haar tafel, terwijl de kinderen in een zijkamer de mandjes vulden, nam zij een klein boekje met een antiek bandje op, dat haar vaderonder zijn schatten had gevonden, en waarin zij op velijnpapier verschillende teksten had geïllustreerd. Terwijl zij met vergeeflijk zelfbehagen de blaadjes omsloeg, viel haar oog op een vers, dat haar tot nadenken bracht. Gevat in een smaakvol randje, las zij deze woorden: “Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.” “Ik moest het doen, maar ik doe het niet,” dacht Amy, terwijl haar oog dwaalde van de leerrijke bladzijde naar het ontevreden gezicht van Mary achter de groote vazen, die de leegten niet konden verbergen, door het wegnemen van Amy’s “kunstvoorwerpen” ontstaan. Amy bleef een oogenblik nadenkend de bladzijden omslaan, waarin zij achtereenvolgens menig zacht verwijt las over elke opwelling van wrevel en onverdraagzaamheid. Vele verstandige en goede preeken worden ons dagelijks door allerlei onbewuste predikers op straat, op school, in het bureau, of thuis gehouden, zelfs een bazaarkraampje kan een preekstoel worden, als zij ons de woorden in ’t hart zendt, waaraan wij juist behoefte hebben. Amy’s geweten hield haar daar een klein betoog over dien tekst, en zij deed, wat velen van ons niet altijd doen, zij nam de les ter harte, en bracht haar dadelijk in praktijk.Een groep meisjes stond rondom Mary’s tafel; zij bewonderden haar mooie voorwerpen en praatten over de verwisseling der verkoopsters. Al fluisterden zij, toch wist Amy heel goed dat zij over haar spraken, slechts één kant van de zaak hoorden en haar daarnaar beoordeelden. Het was niet aangenaam, maar een beter gevoel was in haar ontwaakt, en de gelegendheid bood zich weldra aan om daarvan een bewijs te geven. Zij hoorde Mary op teleurgestelden toon zeggen:“’t Is jammer, want de tijd is te kort om andere dingen te maken, en ik kan de leegten niet vullen met lorren en prullen. De tafel was zoo goed in orde, en nu is zij letterlijk bedorven.”“Misschien zou Amy ze wel terug willen geven, als je ’t haar vroeg,” deed een der meisjes aan de hand.“Hoe zou ik dat kunnen, na al de onaangenaamheden,” begon Mary te zeggen, maar zij voltooide haar zin niet, want Amy’s stem riep opgewekt van den anderen kant der zaal:“Je kunt ze met alle plezier krijgen, Mary, zonder er zelfs om te vragen, als je ze noodig hebt! Ik was juist van plan je voor te stellen ze weer op jouw tafel te zetten, want ze passen beter op de jouwe dan op de mijne. Hier zijn ze, neem ze maar terug; ’t was niet aardig van me, dat ik ze gisterenavond zoo gauw meenam.”Onderwijl had Amy haar bijdragen weer met een vriendelijken glimlach op de tafel gezet en liep toen haastig weg met het gevoel, dat het gemakkelijker is een goede daad te verrichten, dan er dank voor aan te nemen.“Dat is echt aardig van haar, vind je niet?” riep een der meisjes. Het antwoord van Mary was onverstaanbaar, maar een ander meisje, wier taak het geweest was, limonade te maken, en wierhumeur daardoor misschien wat verzuurd was, antwoordde met een onaangenamen lach: “O, jaechtaardig! ze wist natuurlijk wel, dat zij ze op haar eigen tafel toch niet zou kunnen verkoopen.”Dat was wreed; wanneer we ons een opoffering getroosten, zien wij die tenminste graag gewaardeerd; en voor een oogenblik speet het Amy, dat zij zoo gehandeld had, maar haar ergernis week heel gauw voor een gevoel van voldoening. Haar werk begon beter te vlotten; de meisjes waren allen even vriendelijk, en de kleine daad van zelfverloochening scheen de lucht rondom haar eensklaps gezuiverd te hebben.De dag was lang en vervelend voor Amy; zij zat bijna den heelen tijd alleen achter haar tafel, want de kinderen lieten haar spoedig in den steek; slechts weinige bezoekers hadden geld over voor bloemen in den zomer en haar bouquetten begonnen lang voor den avond te verwelken.De kunsttafel oefende voortdurend de grootste aantrekkingskracht in de zaal; den geheelen dag verdrong men er zich, en de verkoopsters waren gedurig in de weer, en liepen af en aan met gewichtige gezichten en rammelende geldtaschjes, Amy keek ze dikwijls met droevige oogen na; ze verlangde ook te zijn, waar zij zich thuis gevoelde, in plaats van in een hoek, waar zij niets te doen had, en de gedachte, dat haar heele familie en Laurie en zijn vrienden haar ’s avonds zoo zouden zien zitten, was een ware marteling voor haar.Zij ging eerst tegen den avond naar huis, zag toen zoo bleek en was zoo stil, dat allen begrepen, hoe ’n moeilijke dag het voor haar geweest was, ofschoon zij nergens over klaagde en zelfs niet vertelde, wat zij gedaan had. Haar moeder schonk haar een extra lekker kopje thee, Bets hielp haar zich kleeden, en maakte een beelderig bouquetje voor haar, terwijl Jo de familie verbaasde door zich met bizondere zorg op te sieren, terwijl zij allerlei geheimzinnige wenken gaf, dat het blaadje wel gauw zou omgekeerd worden.“Jo, ik bid je, doe niets onmogelijks; ik wil er volstrekt geen drukte over gemaakt hebben; laat dus alles over je kant gaan en gedraag je ordentelijk,” smeekte Amy, die vroeg van huis ging, in de hoop een frisschen voorraad bloemen te vinden om haar ongelukkige tafel een beetje op te kunnen sieren.“Ik ben alleen van plan zoo betooverend mogelijk te zijn, tegen ieder dien ik ken, en ze zoo lang mogelijk in jouw hoekje te houden. Teddy en zijn club zullen ons wel een handje helpen, en je zult zien dat we nog plezier hebben!” antwoordde Jo, terwijl zij over het hek leunde om op Laurie te wachten. Na eenige oogenblikken hoorde zij in den schemer den welbekenden stap naderen, en liep hem tegemoet.“Is dat mijn jongen?”“Zoo zeker als dat mijn meisje is,” en Laurie trok haar handin zijn arm, met het genoeglijke gezicht van iemand, wiens hoogste wenschen vervuld zijn.“O, Teddy, je moet eens hooren wat er gebeurd is!” en Jo vertelde al Amy’s grieven met zusterlijke warmte.“Verscheiden van mijn kennissen zijn van plan er heen te gaan, en ik laat mij hangen, als ik ze niet al Amy’s bloemen zal laten opkoopen, en daarna post vatten voor haar tafel,” riep Laurie, de zaak onmiddellijk met warmte omhelzende.“Amy zegt, dat haar bloemen in ’t geheel niet mooi meer zijn, en de nieuwe zullen misschien niet bijtijds komen. Ik wil niet onrechtvaardig of ergdenkend wezen, maar ’t zou mij toch niet verbazen, als zij in ’t geheel niet kwamen. Als menschen tot één laagheid in staat zijn, kunnen zij ook wel eene tweede begaan,” zei Jo op een toon vol verachting.“Heeft Hayes haar dan niet de mooiste bloemen uit onzen tuin gebracht? Ik had het hem toch gezegd.”“Dat wist ik niet, hij heeft het zeker vergeten; en nu je grootvader niet heel wel is, wou ik hem niet lastig vallen met er om te vragen.”“Hè, Jo, hoe kon je nu denken, dat je er om vragen moest? Zij zijn immers even goed van jou als van mij; wij deelen immers alles samen?” begon Laurie op een toon, die Jo al dadelijk “stekelig” maakte.“Goeie Hemel! Dat hoop ik niet! In sommige van jouw dingen zou ik in het geheel niet graag deelen. Maar wij moeten hier niet staan zeuren; ik moet Amy nog helpen; verdwijn dus maar gauw, en maak je netjes; en als je dan zoo goed wilt zijn om Hayes nog een mand met mooie bloemen naar de zaal te laten brengen, zal ik je mijn leven lang zegenen.”“Zou je dat nu maar niet vast doen?” verzocht Laurie, zoo smeekend, dat Jo met alles behalve beleefden haast het hek voor zijn neus dichtgooide, en hem door de tralies toeriep: “Gaalstjeblieftheen, Teddy, ik heb het druk.”En het blaadjewerddien avond omgekeerd, dank zij de samenzweerders, want Hayes bracht een massa bloemen, met een keurig mandje, dat hij naar zijn beste vermogen geschikt had, voor een middenstuk; en toen verscheen de familie March in haar geheel, en Jo deed niet tevergeefs haar best, want de menschen kwamen niet alleen, maar bleven ook, lachten om haar grappen, bewonderden Amy’s smaak, en schenen zich bizonder goed te amuseeren. Daarna sprongen Laurie en zijn vrienden beleefd in de bres; zij kochten al de bouquetten, schaarden zich om de tafel, en maakten Amy’s hoekje tot het vroolijkste plekje in de zaal. Amy raakte nu volkomen in haar element, en was, al ware het alleen maar uit dankbaarheid, zoo vroolijk en vriendelijk mogelijk, tot de conclusie komende, dat de deugd toch soms zich zelve wel eens loont.Jo gedroeg zich voorbeeldig; en toen Amy gelukkig door haar eerewacht omgeven was, drentelde haar zuster door de zaal, en ving hier en daar een paar gezegden op, die haar licht gaven omtrent het veranderd gedrag der Chesters. Zij betreurde haar aandeel in de onaangenaamheid, en besloot Amy zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten; zij ontdekte ook wat Amy ’s morgens met haar bijdragen gedaan had, en vond haar een toonbeeld van zelfverloochening. Toen zij de kunsttafel voorbijging, keek zij eens rond naar de bijdragen van haar zuster, maar kon er geen spoor van ontdekken. “Zeker ergens in een hoek gestopt,” dacht Jo, die, verongelijkingen haar zelf aangedaan, kon vergeven, maar vuur en vlam was, als iemand haar familie beleedigde.“Dag juffrouw March, hoe gaat het Amy met het verkoopen?” vroeg Mary op verzoenenden toon—want zij verlangde te toonen, dat zij ook edelmoedig kon wezen.“Zij heeft alles verkocht wat de moeite waard was, en amuseert zich nu. De bloementafel heeft zooals u weet, altijd veel aantrekkelijks,vooralvoor heeren.”Jokonzich niet weerhouden om haar dien kleinen steek te geven, maar Mary nam het zoo zachtzinnig op, dat zij er een oogenblik later spijt van had, en de groote vazen die nog steeds onverkocht stonden, begon te prijzen.“Is dat boekje met geïllustreerde teksten van Amy nog ergens hier? Ik zou dat graag voor Vader koopen,” zei Jo, brandend van verlangen om te hooren, hoe het met het werk van haar zuster gegaan was.“O, alles van Amy is al láng verkocht; ik zorgde dat de rechte menschen het te zien kregen, en ze hebben ons een aardig sommetje opgebracht,” antwoordde Mary, die, even goed als Amy, dien dag haar kleine verzoekingen had overwonnen.Zeer bevredigd snelde Jo terug om de goede tijding over te brengen, en Amy was zoowel getroffen als verwonderd over het verhaal aangaande Mary’s woorden en toon.“Nu hoop ik, dat jullie even edelmoedig je plicht zult doen bij de andere tafels, als je het bij de mijne gedaan hebt, vooral bij de kunsttafel,” verzocht Amy, die “Teddy’s bende,” zooals de meisjes de academievrienden noemden, graag een beetje commandeerde.“Val aan, Chester, val aan! is het motto voor die tafel. Doe manmoedig je plicht, en jullie zult de waarde van je geld aankunstin elke beteekenis van het woord ontvangen,” riep de onbedwingbare Jo, toen de gehoorzame phalanx gereed stond om te velde te trekken.“Ik haast mij naar de bron der kunst, dochenkelom te komen inuwgunst!” zei de kleine Parker met een wanhopige poging om tegelijk teeder en dichterlijk te zijn, maar hij werd onmiddellijk tot zwijgen gebracht door Laurie, met een: “Zeer verdienstelijk, mijn zoon, voor zoo’n kleinen jongen,” terwijl hij hem vaderlijk op het hoofd tikte, en met hem weg stapte.“Koop de vazen,” fluisterde Amy Laurie toe, als een laatste vurige kool op het hoofd harer vijandin.Tot Mary’s groote vreugde kocht “de jonge Laurence” niet alleen de vazen, maar wandelde hij zelfs de zaal door met een prachtstuk onder elken arm. De andere jongelui vielen even begeerig aan op allerlei broze ornamenten, en dwaalden daarna hulpeloos rond, beladen met theewarmers, lucifers-doosjes, beschilderde waaiers, linialen en thermometers van houtsnijwerk en andere nuttige en gepaste aankoopen.Tante Carrol was er ook, hoorde het verhaal, keek heel vergenoegd, en fluisterde in een hoekje mevrouw March iets in het oor, dat de oogen van die dame van blijdschap deed schitteren, en haar Amy deed gadeslaan met een mengeling van trots en bezorgdheid, hoewel zij de oorzaak harer voldoening eerst eenige dagen later openhaarde.De bazaar was bizonder goed geslaagd, en toen Mary Amy goeden nacht wenschte, maakte zij niet zooveel beweging als anders, maar gaf haar een hartelijken kus met een blik, waarin “wil vergeven en vergeten” te lezen stond. Hiermee was Amy voldaan, en toen zij thuis kwam, vond zij de vazen met groote bouquetten er in te pronk staan op den schoorsteenmantel in de zitkamer. “Een belooning voor de verdiensten van een edelmoedige March,” zooals Laurie met een buiging aankondigde.“Je bent veel vaster van karakter en opofferender en liever dan ik ooit gedacht had, Amy. Je hebt je kranig gehouden, en ik bewonder je met mijn heele hart,” zei Jo gul, toen zij dien avond laat te zamen hun haar stonden te borstelen.“Ja, dat doen wij allemaal, het was verbazend aardig van je haar zoo gauw te vergeven, ’t Leek me heel moeilijk nu je ’r zoo lang voor gewerkt en er je hart op gezet had zelf je mooie dingetjes te verkoopen. Ik geloof niet, datikzoo vriendelijk zou geweest zijn!” riep Betsy van haar kussen.“Och, jullie hoeft mij niet zoo te prijzen. Ik deed alleen maar, wat ik graag zou willen dat anderen voor mij deden. Jullie lacht mij altijd uit, als ik zeg, dat ik een echte dame hoop te worden, maar daarmee meen ik eenechtebeschaafde vrouw, en daar doe ik mijn best voor. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik zou zoo graag verheven zijn boven al die kleine streken en bekrompenheden die vrouwen vaak onverdraaglijk maken. Ik ben er nog wel mijlen ver vandaan, maar ik doe mijn best, en ik hoop eenmaal te worden, zooals Moeder is.”Amy sprak heel ernstig, en Jo zei met een hartelijken kus:“Nu begrijp ik, wat je meent, en ik zal je nooit weer uitlachen, hoor! Je maakt meer vorderingen dan je denkt, en ik zal van jou een lesje nemen in ware beleefdheid, want je hebt het geheim afgekeken, geloof ik. Doe je best maar, kindlief, den een of anderen dag zul je er wel voor beloond worden, en niemand zal er zichhartelijker over verblijden dan ik,” eindigde ze moederlijk.Een week laterwerdAmy er voor beloond, maar de arme Jo vond het heel moeilijk blij te zijn. Er kwam een brief van Tante Carrol, en het gezicht van mevrouw March straalde zoo onder het lezen, dat Jo en Bets, die er bij zaten, verlangend vroegen welk heugelijk nieuws er was.“Tante Carrol gaat de volgende week op reis, en vraagt....”“Of ik met haar mee wil gaan!” viel Jo haar in de rede, in blijde verrukking uit haar stoel opvliegende.“Neen, kindlief, jij niet, maar Amy.”“O, Moeder, zij is nog zoo jong, ik kom het eerst aan de beurt; ik heb er zoo lang naar verlangd ... het zou mij zoo veel goed doen, en het zou zoo heerlijk zijn ... ik moet gaan!”“Ik vrees, dat het onmogelijk is, Jo. Tante spreekt bepaald van Amy, en wij kunnen haar de wet niet stellen, als zij ons zoo’n aanbod doet.”“Zoo is het altijd; Amy heeft al de pret, en ik al het werk. Het is niet eerlijk, o, het is niet eerlijk!” riep Jo hartstochtelijk.“Ik vrees, dat het gedeeltelijk je eigen schuld is, kindlief. Toen ik Tante laatst sprak, klaagde zij over je onverschillige manieren en al te onafhankelijken geest, en hier schrijft zij, alsof zij iets, wat jij gezegd hebt, aanhaalt. Eerst meende ik Jo te vragen, maar daar ‘gunstbewijzen haar drukken’ en zij ‘een afschuw heeft van vreemde talen,’ durfde ik de invitatie niet wagen. Amy is zachter, zij zal prettig gezelschap voor Flo wezen, en dankbaar voor het nut, dat zij wellicht van deze reis trekken kan.”“O, mijn tong, mijn afschuwelijke tong! O, waarom kan ik toch niet leeren zwijgen?” kreunde Jo, toen zij zich de woorden te binnen bracht, die over haar lot hadden beslist.Toen mevrouw March den uitleg van de aangehaalde woorden vernomen had, zei zij deelnemend:“Ik wou, dat jij had kunnen gaan, maar er is dezen keer geen kans op; tracht het dus blijmoedig te dragen, en bederf Amy’s genot niet door verwijten en klachten.”“Ik zal mijn best doen,” beloofde Jo, met de oogen knippende, terwijl zij neerknielde om den inhoud van een werkmandje, dat zij in haar blijdschap had omgegooid, weer op te rapen. “Ik zal niet alleen trachten blij te schijnen, maar het ook werkelijk te zijn, en haar geen minuutje geluk te misgunnen, maar het zal mij niet gemakkelijk vallen, want het is een afschuwelijke teleurstelling,” en de arme Jo besproeide het mollige speldenkussentje, dat zij in de hand hield, met vele bittere tranen.“Lieve Jo, ’t is wel heel zelfzuchtig, maar ik zou je niet kunnen missen, en ik ben zoo blij, dat jij dezen keer nog niet gaat,” fluisterde Betsy, terwijl zij haar, met mandje en al, zoo hartelijk en met zoo’n liefdevol gezichtje omhelsde, dat Jo zich getroost voelde, niettegenstaande het knagend berouw, dat haar den lust gaf om zichzelve een stevige oorvijg te geven, en Tante Carrol nederig te smeeken haar met dit gunstbewijs te willen bezwaren, om te zien, hoe dankbaar zij het zou dragen.Tegen dat Amy thuis kwam, was Jo in staat haar aandeel in de familievreugde te nemen; misschien niet zóó hartelijk als gewoonlijk, maar toch zonder Amy haar geluk te benijden. De jonge dame zelve ontving de heerlijke tijding met innige blijdschap, liep in stille verrukking door het huis, en begon dienzelfden avond haar verf te sorteeren en haar penseelen in te pakken, terwijl zij de bezorging van zulke kleinigheden als kleeren, geld enz. overliet aan hen, die niet zoozeer als zij in kunstvisioenen verdiept waren.“Het is niet alleen een plezierreis voor mij, kinderen!” zei zij nadrukkelijk, terwijl zij haar beste palet afschrapte. “Deze reis zal over mijn loopbaan beslissen, want als ik eenig genie bezit, zal dat in Rome blijken, en dan zal ik iets doen om het te bewijzen.”“En als je het niet bezit?” vroeg Jo, met roode oogen doorbordurend aan de nieuwe zakdoekjes, die Amy moest meenemen.“Dan kom ik weer naar huis, en ga teekenlessen geven,” verklaarde de jeugdige artiste met wijsgeerige kalmte, maar zij trok een zuur gezicht bij het vooruitzicht, en schrapte haar palet, alsof zij van plan was krachtige pogingen in ’t werk te stellen, eer zij haar aspiraties opgaf.“Neen, dat doe je toch niet; je houdt niet van hard werken, en je zult met een rijken man trouwen, en naar huis komen om je heele verdere leven in den schoot der weelde te zitten,” voorspelde Jo.“Je voorspellingen komen wel eens uit, maar ik geloof niet, dat deze uit zal komen. Ik zou het wel willen, want als ik zelf geen kunstenares kan zijn, zou ik toch graag anderen voorthelpen, die het wel zijn,” antwoordde Amy glimlachend, alsof de rol van genadige beschermvrouwe haar veel meer toelachte dan die van teekenleerares.“Hm!” kwam Jo met een zucht, “als jij ’t hoopt, dan zal het wel gebeuren ook, want jouw wenschen komen altijd uit—de mijne nooit.”“Zou jij graag gaan?” vroeg Amy, nadenkend haar neus met haar mes platdrukkend.“Nou!”“Dan zal ik over een paar jaar om je schrijven, en zullen we in het Forum naar antiquiteiten zoeken, en al de plannen, die wij zoo dikwijls gemaakt hebben, ten uitvoer brengen.”“Dank je, ik zal je aan je belofte herinneren, zoodra die blijde dag dáár is—als hij ten minste ooit komt,” antwoordde Jo, dit nevelachtig maar schitterend aanbod zoo dankbaar mogelijk aannemend.Er was niet veel tijd voor toebereidselen, en het heele huis stondop stelten, totdat Amy vertrokken was. Jo hield zich goed, tot de laatste glimp van Amy’s blauwen hoed verdween, toen vloog zij naar haar schuilplaats, den zolder, en schreide, tot zij niet meer kon. Amy was ook heel dapper, eer de boot van wal stak, maar juist toen de loopplank zou weggenomen worden, kwam het haar plotseling in de gedachte, dat weldra de wijde oceaan zou golven tusschen haar en allen, die zij het meest liefhad, en zij klemde zich vast aan Laurie, die het laatst bij haar was achtergebleven, en smeekte snikkend:“O, zorg toch goed voor hen, als er iets mocht gebeuren”—“Ja, ja, Amy, enalser iets mocht gebeuren, dan zal ik overkomen om je te troosten,” fluisterde Laurie, weinig denkende, hoe spoedig hij geroepen zou worden, deze belofte gestand te doen.Zoo stoomde Amy weg naar de oude wereld, die altijd nieuw en schoon is voor jonge oogen, terwijl haar vader en haar vriend haar van den oever natuurden, vurig hopende, dat niets dan geluk het deel mocht zijn van het blijmoedige kind, dat hen bleef toewuiven, tot zij niets meer zagen dan het glinsteren van den zomer-zonneschijn op de golven.

De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen, daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald “met de armen in de zij” de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen onzachten stoot berokkende. Het “trotsche, oninteressante schepsel” werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te vervaardigen en te verzamelen.

Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge, met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary, dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van Amy begrijpen, toen mevrouw Chester—die natuurlijk boos was over de vermeende bespotting van haar dochter—op den laatsten avond, terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel, op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:

“Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet, dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk een van de andere tafels nemen.”

Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was, vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen, terwijl Amy’s oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.

Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:

“Misschien hebt u liever, dat ik in ’t geheel geen tafel neem?”

“Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen, dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks.”

“Voorál voor de heeren.” voegde Mary er bij met een blik, waaruit Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid: “Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt.”

“Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je dat soms wilt,” bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:

“O zeker, als het je in den weg staat,” en nadat zij haar bijdragenbij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.

“Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd er over te spreken, Mama,” zei Mary, met een treurig gezicht naar de ledige plaatsen op de tafel ziende.

“Meisjesgekibbel duurt nooit lang,” antwoordde haar moeder, die met recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den twist had genomen.

De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed; zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe; ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen, en de kleine meisjes maakten ’t haar nog moeilijker en de verwarring nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen om alles te regelen en te schikken.

De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij was opgezet, maar waggelde bij ’t minste stootje en dreigde op Amy’s hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar met onrust vervulde voor den volgenden dag.

Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in ’t geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige menschen alleen voor den boel liet zitten.

“Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook zou zijn. Ik vind zoo’n manier van doen echt onbeschaafd, maar al meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?”

“Zeker, kindlief! kwaad met goed vergelden is altijd het beste ofschoon het soms niet heel makkelijk is,” zei haar moeder, met een uitdrukking op haar gelaat, die duidelijk deed zien, dat zij het verschil had leeren verstaan tusschen zeggen en doen.

Hoewel Amy herhaaldelijk de natuurlijke verzoeking voelde opkomen, om zich gekrenkt te toonen en zich te wreken, volhardde zij den heelen volgenden dag in haar voornemen om haar vijanden door vriendelijkheid te winnen. Zij maakte een goed begin, dank zij een stilzwijgende vermaning, die zij ongezocht maar zeer van pas ontving. Toen zij dien morgen bezig was met het schikken van haar tafel, terwijl de kinderen in een zijkamer de mandjes vulden, nam zij een klein boekje met een antiek bandje op, dat haar vaderonder zijn schatten had gevonden, en waarin zij op velijnpapier verschillende teksten had geïllustreerd. Terwijl zij met vergeeflijk zelfbehagen de blaadjes omsloeg, viel haar oog op een vers, dat haar tot nadenken bracht. Gevat in een smaakvol randje, las zij deze woorden: “Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.” “Ik moest het doen, maar ik doe het niet,” dacht Amy, terwijl haar oog dwaalde van de leerrijke bladzijde naar het ontevreden gezicht van Mary achter de groote vazen, die de leegten niet konden verbergen, door het wegnemen van Amy’s “kunstvoorwerpen” ontstaan. Amy bleef een oogenblik nadenkend de bladzijden omslaan, waarin zij achtereenvolgens menig zacht verwijt las over elke opwelling van wrevel en onverdraagzaamheid. Vele verstandige en goede preeken worden ons dagelijks door allerlei onbewuste predikers op straat, op school, in het bureau, of thuis gehouden, zelfs een bazaarkraampje kan een preekstoel worden, als zij ons de woorden in ’t hart zendt, waaraan wij juist behoefte hebben. Amy’s geweten hield haar daar een klein betoog over dien tekst, en zij deed, wat velen van ons niet altijd doen, zij nam de les ter harte, en bracht haar dadelijk in praktijk.

Een groep meisjes stond rondom Mary’s tafel; zij bewonderden haar mooie voorwerpen en praatten over de verwisseling der verkoopsters. Al fluisterden zij, toch wist Amy heel goed dat zij over haar spraken, slechts één kant van de zaak hoorden en haar daarnaar beoordeelden. Het was niet aangenaam, maar een beter gevoel was in haar ontwaakt, en de gelegendheid bood zich weldra aan om daarvan een bewijs te geven. Zij hoorde Mary op teleurgestelden toon zeggen:

“’t Is jammer, want de tijd is te kort om andere dingen te maken, en ik kan de leegten niet vullen met lorren en prullen. De tafel was zoo goed in orde, en nu is zij letterlijk bedorven.”

“Misschien zou Amy ze wel terug willen geven, als je ’t haar vroeg,” deed een der meisjes aan de hand.

“Hoe zou ik dat kunnen, na al de onaangenaamheden,” begon Mary te zeggen, maar zij voltooide haar zin niet, want Amy’s stem riep opgewekt van den anderen kant der zaal:

“Je kunt ze met alle plezier krijgen, Mary, zonder er zelfs om te vragen, als je ze noodig hebt! Ik was juist van plan je voor te stellen ze weer op jouw tafel te zetten, want ze passen beter op de jouwe dan op de mijne. Hier zijn ze, neem ze maar terug; ’t was niet aardig van me, dat ik ze gisterenavond zoo gauw meenam.”

Onderwijl had Amy haar bijdragen weer met een vriendelijken glimlach op de tafel gezet en liep toen haastig weg met het gevoel, dat het gemakkelijker is een goede daad te verrichten, dan er dank voor aan te nemen.

“Dat is echt aardig van haar, vind je niet?” riep een der meisjes. Het antwoord van Mary was onverstaanbaar, maar een ander meisje, wier taak het geweest was, limonade te maken, en wierhumeur daardoor misschien wat verzuurd was, antwoordde met een onaangenamen lach: “O, jaechtaardig! ze wist natuurlijk wel, dat zij ze op haar eigen tafel toch niet zou kunnen verkoopen.”

Dat was wreed; wanneer we ons een opoffering getroosten, zien wij die tenminste graag gewaardeerd; en voor een oogenblik speet het Amy, dat zij zoo gehandeld had, maar haar ergernis week heel gauw voor een gevoel van voldoening. Haar werk begon beter te vlotten; de meisjes waren allen even vriendelijk, en de kleine daad van zelfverloochening scheen de lucht rondom haar eensklaps gezuiverd te hebben.

De dag was lang en vervelend voor Amy; zij zat bijna den heelen tijd alleen achter haar tafel, want de kinderen lieten haar spoedig in den steek; slechts weinige bezoekers hadden geld over voor bloemen in den zomer en haar bouquetten begonnen lang voor den avond te verwelken.

De kunsttafel oefende voortdurend de grootste aantrekkingskracht in de zaal; den geheelen dag verdrong men er zich, en de verkoopsters waren gedurig in de weer, en liepen af en aan met gewichtige gezichten en rammelende geldtaschjes, Amy keek ze dikwijls met droevige oogen na; ze verlangde ook te zijn, waar zij zich thuis gevoelde, in plaats van in een hoek, waar zij niets te doen had, en de gedachte, dat haar heele familie en Laurie en zijn vrienden haar ’s avonds zoo zouden zien zitten, was een ware marteling voor haar.

Zij ging eerst tegen den avond naar huis, zag toen zoo bleek en was zoo stil, dat allen begrepen, hoe ’n moeilijke dag het voor haar geweest was, ofschoon zij nergens over klaagde en zelfs niet vertelde, wat zij gedaan had. Haar moeder schonk haar een extra lekker kopje thee, Bets hielp haar zich kleeden, en maakte een beelderig bouquetje voor haar, terwijl Jo de familie verbaasde door zich met bizondere zorg op te sieren, terwijl zij allerlei geheimzinnige wenken gaf, dat het blaadje wel gauw zou omgekeerd worden.

“Jo, ik bid je, doe niets onmogelijks; ik wil er volstrekt geen drukte over gemaakt hebben; laat dus alles over je kant gaan en gedraag je ordentelijk,” smeekte Amy, die vroeg van huis ging, in de hoop een frisschen voorraad bloemen te vinden om haar ongelukkige tafel een beetje op te kunnen sieren.

“Ik ben alleen van plan zoo betooverend mogelijk te zijn, tegen ieder dien ik ken, en ze zoo lang mogelijk in jouw hoekje te houden. Teddy en zijn club zullen ons wel een handje helpen, en je zult zien dat we nog plezier hebben!” antwoordde Jo, terwijl zij over het hek leunde om op Laurie te wachten. Na eenige oogenblikken hoorde zij in den schemer den welbekenden stap naderen, en liep hem tegemoet.

“Is dat mijn jongen?”

“Zoo zeker als dat mijn meisje is,” en Laurie trok haar handin zijn arm, met het genoeglijke gezicht van iemand, wiens hoogste wenschen vervuld zijn.

“O, Teddy, je moet eens hooren wat er gebeurd is!” en Jo vertelde al Amy’s grieven met zusterlijke warmte.

“Verscheiden van mijn kennissen zijn van plan er heen te gaan, en ik laat mij hangen, als ik ze niet al Amy’s bloemen zal laten opkoopen, en daarna post vatten voor haar tafel,” riep Laurie, de zaak onmiddellijk met warmte omhelzende.

“Amy zegt, dat haar bloemen in ’t geheel niet mooi meer zijn, en de nieuwe zullen misschien niet bijtijds komen. Ik wil niet onrechtvaardig of ergdenkend wezen, maar ’t zou mij toch niet verbazen, als zij in ’t geheel niet kwamen. Als menschen tot één laagheid in staat zijn, kunnen zij ook wel eene tweede begaan,” zei Jo op een toon vol verachting.

“Heeft Hayes haar dan niet de mooiste bloemen uit onzen tuin gebracht? Ik had het hem toch gezegd.”

“Dat wist ik niet, hij heeft het zeker vergeten; en nu je grootvader niet heel wel is, wou ik hem niet lastig vallen met er om te vragen.”

“Hè, Jo, hoe kon je nu denken, dat je er om vragen moest? Zij zijn immers even goed van jou als van mij; wij deelen immers alles samen?” begon Laurie op een toon, die Jo al dadelijk “stekelig” maakte.

“Goeie Hemel! Dat hoop ik niet! In sommige van jouw dingen zou ik in het geheel niet graag deelen. Maar wij moeten hier niet staan zeuren; ik moet Amy nog helpen; verdwijn dus maar gauw, en maak je netjes; en als je dan zoo goed wilt zijn om Hayes nog een mand met mooie bloemen naar de zaal te laten brengen, zal ik je mijn leven lang zegenen.”

“Zou je dat nu maar niet vast doen?” verzocht Laurie, zoo smeekend, dat Jo met alles behalve beleefden haast het hek voor zijn neus dichtgooide, en hem door de tralies toeriep: “Gaalstjeblieftheen, Teddy, ik heb het druk.”

En het blaadjewerddien avond omgekeerd, dank zij de samenzweerders, want Hayes bracht een massa bloemen, met een keurig mandje, dat hij naar zijn beste vermogen geschikt had, voor een middenstuk; en toen verscheen de familie March in haar geheel, en Jo deed niet tevergeefs haar best, want de menschen kwamen niet alleen, maar bleven ook, lachten om haar grappen, bewonderden Amy’s smaak, en schenen zich bizonder goed te amuseeren. Daarna sprongen Laurie en zijn vrienden beleefd in de bres; zij kochten al de bouquetten, schaarden zich om de tafel, en maakten Amy’s hoekje tot het vroolijkste plekje in de zaal. Amy raakte nu volkomen in haar element, en was, al ware het alleen maar uit dankbaarheid, zoo vroolijk en vriendelijk mogelijk, tot de conclusie komende, dat de deugd toch soms zich zelve wel eens loont.

Jo gedroeg zich voorbeeldig; en toen Amy gelukkig door haar eerewacht omgeven was, drentelde haar zuster door de zaal, en ving hier en daar een paar gezegden op, die haar licht gaven omtrent het veranderd gedrag der Chesters. Zij betreurde haar aandeel in de onaangenaamheid, en besloot Amy zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten; zij ontdekte ook wat Amy ’s morgens met haar bijdragen gedaan had, en vond haar een toonbeeld van zelfverloochening. Toen zij de kunsttafel voorbijging, keek zij eens rond naar de bijdragen van haar zuster, maar kon er geen spoor van ontdekken. “Zeker ergens in een hoek gestopt,” dacht Jo, die, verongelijkingen haar zelf aangedaan, kon vergeven, maar vuur en vlam was, als iemand haar familie beleedigde.

“Dag juffrouw March, hoe gaat het Amy met het verkoopen?” vroeg Mary op verzoenenden toon—want zij verlangde te toonen, dat zij ook edelmoedig kon wezen.

“Zij heeft alles verkocht wat de moeite waard was, en amuseert zich nu. De bloementafel heeft zooals u weet, altijd veel aantrekkelijks,vooralvoor heeren.”

Jokonzich niet weerhouden om haar dien kleinen steek te geven, maar Mary nam het zoo zachtzinnig op, dat zij er een oogenblik later spijt van had, en de groote vazen die nog steeds onverkocht stonden, begon te prijzen.

“Is dat boekje met geïllustreerde teksten van Amy nog ergens hier? Ik zou dat graag voor Vader koopen,” zei Jo, brandend van verlangen om te hooren, hoe het met het werk van haar zuster gegaan was.

“O, alles van Amy is al láng verkocht; ik zorgde dat de rechte menschen het te zien kregen, en ze hebben ons een aardig sommetje opgebracht,” antwoordde Mary, die, even goed als Amy, dien dag haar kleine verzoekingen had overwonnen.

Zeer bevredigd snelde Jo terug om de goede tijding over te brengen, en Amy was zoowel getroffen als verwonderd over het verhaal aangaande Mary’s woorden en toon.

“Nu hoop ik, dat jullie even edelmoedig je plicht zult doen bij de andere tafels, als je het bij de mijne gedaan hebt, vooral bij de kunsttafel,” verzocht Amy, die “Teddy’s bende,” zooals de meisjes de academievrienden noemden, graag een beetje commandeerde.

“Val aan, Chester, val aan! is het motto voor die tafel. Doe manmoedig je plicht, en jullie zult de waarde van je geld aankunstin elke beteekenis van het woord ontvangen,” riep de onbedwingbare Jo, toen de gehoorzame phalanx gereed stond om te velde te trekken.

“Ik haast mij naar de bron der kunst, dochenkelom te komen inuwgunst!” zei de kleine Parker met een wanhopige poging om tegelijk teeder en dichterlijk te zijn, maar hij werd onmiddellijk tot zwijgen gebracht door Laurie, met een: “Zeer verdienstelijk, mijn zoon, voor zoo’n kleinen jongen,” terwijl hij hem vaderlijk op het hoofd tikte, en met hem weg stapte.

“Koop de vazen,” fluisterde Amy Laurie toe, als een laatste vurige kool op het hoofd harer vijandin.

Tot Mary’s groote vreugde kocht “de jonge Laurence” niet alleen de vazen, maar wandelde hij zelfs de zaal door met een prachtstuk onder elken arm. De andere jongelui vielen even begeerig aan op allerlei broze ornamenten, en dwaalden daarna hulpeloos rond, beladen met theewarmers, lucifers-doosjes, beschilderde waaiers, linialen en thermometers van houtsnijwerk en andere nuttige en gepaste aankoopen.

Tante Carrol was er ook, hoorde het verhaal, keek heel vergenoegd, en fluisterde in een hoekje mevrouw March iets in het oor, dat de oogen van die dame van blijdschap deed schitteren, en haar Amy deed gadeslaan met een mengeling van trots en bezorgdheid, hoewel zij de oorzaak harer voldoening eerst eenige dagen later openhaarde.

De bazaar was bizonder goed geslaagd, en toen Mary Amy goeden nacht wenschte, maakte zij niet zooveel beweging als anders, maar gaf haar een hartelijken kus met een blik, waarin “wil vergeven en vergeten” te lezen stond. Hiermee was Amy voldaan, en toen zij thuis kwam, vond zij de vazen met groote bouquetten er in te pronk staan op den schoorsteenmantel in de zitkamer. “Een belooning voor de verdiensten van een edelmoedige March,” zooals Laurie met een buiging aankondigde.

“Je bent veel vaster van karakter en opofferender en liever dan ik ooit gedacht had, Amy. Je hebt je kranig gehouden, en ik bewonder je met mijn heele hart,” zei Jo gul, toen zij dien avond laat te zamen hun haar stonden te borstelen.

“Ja, dat doen wij allemaal, het was verbazend aardig van je haar zoo gauw te vergeven, ’t Leek me heel moeilijk nu je ’r zoo lang voor gewerkt en er je hart op gezet had zelf je mooie dingetjes te verkoopen. Ik geloof niet, datikzoo vriendelijk zou geweest zijn!” riep Betsy van haar kussen.

“Och, jullie hoeft mij niet zoo te prijzen. Ik deed alleen maar, wat ik graag zou willen dat anderen voor mij deden. Jullie lacht mij altijd uit, als ik zeg, dat ik een echte dame hoop te worden, maar daarmee meen ik eenechtebeschaafde vrouw, en daar doe ik mijn best voor. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik zou zoo graag verheven zijn boven al die kleine streken en bekrompenheden die vrouwen vaak onverdraaglijk maken. Ik ben er nog wel mijlen ver vandaan, maar ik doe mijn best, en ik hoop eenmaal te worden, zooals Moeder is.”

Amy sprak heel ernstig, en Jo zei met een hartelijken kus:

“Nu begrijp ik, wat je meent, en ik zal je nooit weer uitlachen, hoor! Je maakt meer vorderingen dan je denkt, en ik zal van jou een lesje nemen in ware beleefdheid, want je hebt het geheim afgekeken, geloof ik. Doe je best maar, kindlief, den een of anderen dag zul je er wel voor beloond worden, en niemand zal er zichhartelijker over verblijden dan ik,” eindigde ze moederlijk.

Een week laterwerdAmy er voor beloond, maar de arme Jo vond het heel moeilijk blij te zijn. Er kwam een brief van Tante Carrol, en het gezicht van mevrouw March straalde zoo onder het lezen, dat Jo en Bets, die er bij zaten, verlangend vroegen welk heugelijk nieuws er was.

“Tante Carrol gaat de volgende week op reis, en vraagt....”

“Of ik met haar mee wil gaan!” viel Jo haar in de rede, in blijde verrukking uit haar stoel opvliegende.

“Neen, kindlief, jij niet, maar Amy.”

“O, Moeder, zij is nog zoo jong, ik kom het eerst aan de beurt; ik heb er zoo lang naar verlangd ... het zou mij zoo veel goed doen, en het zou zoo heerlijk zijn ... ik moet gaan!”

“Ik vrees, dat het onmogelijk is, Jo. Tante spreekt bepaald van Amy, en wij kunnen haar de wet niet stellen, als zij ons zoo’n aanbod doet.”

“Zoo is het altijd; Amy heeft al de pret, en ik al het werk. Het is niet eerlijk, o, het is niet eerlijk!” riep Jo hartstochtelijk.

“Ik vrees, dat het gedeeltelijk je eigen schuld is, kindlief. Toen ik Tante laatst sprak, klaagde zij over je onverschillige manieren en al te onafhankelijken geest, en hier schrijft zij, alsof zij iets, wat jij gezegd hebt, aanhaalt. Eerst meende ik Jo te vragen, maar daar ‘gunstbewijzen haar drukken’ en zij ‘een afschuw heeft van vreemde talen,’ durfde ik de invitatie niet wagen. Amy is zachter, zij zal prettig gezelschap voor Flo wezen, en dankbaar voor het nut, dat zij wellicht van deze reis trekken kan.”

“O, mijn tong, mijn afschuwelijke tong! O, waarom kan ik toch niet leeren zwijgen?” kreunde Jo, toen zij zich de woorden te binnen bracht, die over haar lot hadden beslist.

Toen mevrouw March den uitleg van de aangehaalde woorden vernomen had, zei zij deelnemend:

“Ik wou, dat jij had kunnen gaan, maar er is dezen keer geen kans op; tracht het dus blijmoedig te dragen, en bederf Amy’s genot niet door verwijten en klachten.”

“Ik zal mijn best doen,” beloofde Jo, met de oogen knippende, terwijl zij neerknielde om den inhoud van een werkmandje, dat zij in haar blijdschap had omgegooid, weer op te rapen. “Ik zal niet alleen trachten blij te schijnen, maar het ook werkelijk te zijn, en haar geen minuutje geluk te misgunnen, maar het zal mij niet gemakkelijk vallen, want het is een afschuwelijke teleurstelling,” en de arme Jo besproeide het mollige speldenkussentje, dat zij in de hand hield, met vele bittere tranen.

“Lieve Jo, ’t is wel heel zelfzuchtig, maar ik zou je niet kunnen missen, en ik ben zoo blij, dat jij dezen keer nog niet gaat,” fluisterde Betsy, terwijl zij haar, met mandje en al, zoo hartelijk en met zoo’n liefdevol gezichtje omhelsde, dat Jo zich getroost voelde, niettegenstaande het knagend berouw, dat haar den lust gaf om zichzelve een stevige oorvijg te geven, en Tante Carrol nederig te smeeken haar met dit gunstbewijs te willen bezwaren, om te zien, hoe dankbaar zij het zou dragen.

Tegen dat Amy thuis kwam, was Jo in staat haar aandeel in de familievreugde te nemen; misschien niet zóó hartelijk als gewoonlijk, maar toch zonder Amy haar geluk te benijden. De jonge dame zelve ontving de heerlijke tijding met innige blijdschap, liep in stille verrukking door het huis, en begon dienzelfden avond haar verf te sorteeren en haar penseelen in te pakken, terwijl zij de bezorging van zulke kleinigheden als kleeren, geld enz. overliet aan hen, die niet zoozeer als zij in kunstvisioenen verdiept waren.

“Het is niet alleen een plezierreis voor mij, kinderen!” zei zij nadrukkelijk, terwijl zij haar beste palet afschrapte. “Deze reis zal over mijn loopbaan beslissen, want als ik eenig genie bezit, zal dat in Rome blijken, en dan zal ik iets doen om het te bewijzen.”

“En als je het niet bezit?” vroeg Jo, met roode oogen doorbordurend aan de nieuwe zakdoekjes, die Amy moest meenemen.

“Dan kom ik weer naar huis, en ga teekenlessen geven,” verklaarde de jeugdige artiste met wijsgeerige kalmte, maar zij trok een zuur gezicht bij het vooruitzicht, en schrapte haar palet, alsof zij van plan was krachtige pogingen in ’t werk te stellen, eer zij haar aspiraties opgaf.

“Neen, dat doe je toch niet; je houdt niet van hard werken, en je zult met een rijken man trouwen, en naar huis komen om je heele verdere leven in den schoot der weelde te zitten,” voorspelde Jo.

“Je voorspellingen komen wel eens uit, maar ik geloof niet, dat deze uit zal komen. Ik zou het wel willen, want als ik zelf geen kunstenares kan zijn, zou ik toch graag anderen voorthelpen, die het wel zijn,” antwoordde Amy glimlachend, alsof de rol van genadige beschermvrouwe haar veel meer toelachte dan die van teekenleerares.

“Hm!” kwam Jo met een zucht, “als jij ’t hoopt, dan zal het wel gebeuren ook, want jouw wenschen komen altijd uit—de mijne nooit.”

“Zou jij graag gaan?” vroeg Amy, nadenkend haar neus met haar mes platdrukkend.

“Nou!”

“Dan zal ik over een paar jaar om je schrijven, en zullen we in het Forum naar antiquiteiten zoeken, en al de plannen, die wij zoo dikwijls gemaakt hebben, ten uitvoer brengen.”

“Dank je, ik zal je aan je belofte herinneren, zoodra die blijde dag dáár is—als hij ten minste ooit komt,” antwoordde Jo, dit nevelachtig maar schitterend aanbod zoo dankbaar mogelijk aannemend.

Er was niet veel tijd voor toebereidselen, en het heele huis stondop stelten, totdat Amy vertrokken was. Jo hield zich goed, tot de laatste glimp van Amy’s blauwen hoed verdween, toen vloog zij naar haar schuilplaats, den zolder, en schreide, tot zij niet meer kon. Amy was ook heel dapper, eer de boot van wal stak, maar juist toen de loopplank zou weggenomen worden, kwam het haar plotseling in de gedachte, dat weldra de wijde oceaan zou golven tusschen haar en allen, die zij het meest liefhad, en zij klemde zich vast aan Laurie, die het laatst bij haar was achtergebleven, en smeekte snikkend:

“O, zorg toch goed voor hen, als er iets mocht gebeuren”—

“Ja, ja, Amy, enalser iets mocht gebeuren, dan zal ik overkomen om je te troosten,” fluisterde Laurie, weinig denkende, hoe spoedig hij geroepen zou worden, deze belofte gestand te doen.

Zoo stoomde Amy weg naar de oude wereld, die altijd nieuw en schoon is voor jonge oogen, terwijl haar vader en haar vriend haar van den oever natuurden, vurig hopende, dat niets dan geluk het deel mocht zijn van het blijmoedige kind, dat hen bleef toewuiven, tot zij niets meer zagen dan het glinsteren van den zomer-zonneschijn op de golven.

HOOFDSTUK VIII.ONZE BUITENLANDSCHE CORRESPONDENTE.Londen.Liefste Allemaal!Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”Belachelijk, hè?Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:“Nou, juffrouw?”Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.Middernacht.Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ikUw liefhebbende Amy.Parijs.Lieve Zusjes,In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen, hoe vriendelijk de Vaughn’s waren, en wat prettige uitstapjes zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en naar Kensington-Museum de allerheerlijkste—want in Hampton zag ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De dag in Richmond-Park was goddelijk—we hadden er een echt Engelschen pic-nic—en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten, te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust—dank zij Fred en Frank—en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen, geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet gebeurde,want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens zijn erg aardig en leuk—vooral Fred.Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon; maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is, want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante’s uitspraak is ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat “geparlefransch” zooals Oom het noemt, op zich neemt.’t Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in de vroolijke café’s om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in ’t Louvre en haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft; maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote personen, want ik heb Napoleon’s steek en overjas, zijn wieg en een oud tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette, de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.Het Paleis Royal ismeerdan prachtig—zoo vol byouterieën en mooie dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk niet toestaan.Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elyséestrès-magnifiques! en wandelen we dikwijls in de tuinen van de Tuilerieën, waar ’t ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche Luxembourgtuinen mijnogbeter bevallen. Père la Chaise is heel eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je ’r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten, als zij komen treuren. Echt Franschachtign’est-ce pas?Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten, kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig, dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij te vermoeid zijn van ons “dagwerk” om weer uit te gaan. Fred is bizonder onderhoudend en over ’t geheel de aardigsteen geschiktste jongen, dien ik ooit ontmoet heb—behalve Laurie! Die heeft nog iets innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht “al wat ik zie en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven,” zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en ’t zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis geven, dan deze kattebelletjes.Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.Votre Amy.Heidelberg.Mijn lieve Mama,Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken, zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een heldere maneschijn, en om één uur ’s nachts werden Flo en ik gewekt door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart zou doen smelten!Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en eindelijk lachend verdwijnen—om te gaan rooken en bier te drinken, zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik lachte hem uit en zei, datikze niet uit het raam gegooid had, maar Flo—wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat jongemensch zou krijgen—het begon er naar uit te zien.De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetjekapittelde. Hij heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen, en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort beviel mij bizonder; ik zag Goethe’s en Schillers standbeeld en Dannecker’s beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten, of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu, dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen, dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon, en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,—maar ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden, ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik, dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen: “O, die kleine geldzuchtige heks,” maar ik ben toch vast besloten Fred te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en heel rijk—veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in de stad in een fashionable straat—het maakt niet zooveel vertooning als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van onsmoeteen goed huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en Betsy kan het op’t oogenblik niet—daarom zalikhet maar doen, en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken, dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier, die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman—een verloopen soort van baron—overein wunderschönes Blöndchen, en Fred keek zoo woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo’n heftigheid, dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo’n koele, stijve Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur, met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en denNeckardoor het dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder—want als een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou, en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.Na een poosje hoorde ik Fred’s stem, en daar kwam hij aandraven door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit, dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld voor mijzelf—maar dat duurde maar een minuut—omdat hij, terwijl hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging vatbaar was, zei: “Ik kom gauw terug—zul je mij niet vergeten, Amy?”Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden—er was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen, want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog niets van dien aard te doen—want hij is nog al heet gebakerd, en de oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander, zal ik, als hij vraagt: “Wil je mijn vrouw worden?” antwoorden: “Ja, met alle genoegen.”Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw “voorzichtige Amy” ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben, Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.Als altijdUw Amy.

Londen.Liefste Allemaal!Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”Belachelijk, hè?Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:“Nou, juffrouw?”Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.Middernacht.Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ikUw liefhebbende Amy.

Londen.Liefste Allemaal!Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”Belachelijk, hè?Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:“Nou, juffrouw?”Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.Middernacht.Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ikUw liefhebbende Amy.

Londen.Liefste Allemaal!Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”Belachelijk, hè?Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:“Nou, juffrouw?”Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.Middernacht.Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ikUw liefhebbende Amy.

Londen.

Liefste Allemaal!

Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel, Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen met jullie te vertellenhoeheerlijk alles is! ’t Is eenvoudig onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert ik van huis ging.

Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; ’k was bijna nooit ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij, vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen, en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.

Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, duswanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven amuseeren.Heerlijkwaren die wandelingen op het dek, en dan die goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast, of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.

Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit, met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen, en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes, de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes; ik zal het nooit vergeten!

Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox, van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij, en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:

“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”

“Wie kent haar niet, Kate Kearny?Zij woont aan het meer van Killarney;Voor haar blik, vol van glans,Taant de zon aan den trans;Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”

“Wie kent haar niet, Kate Kearny?

Zij woont aan het meer van Killarney;

Voor haar blik, vol van glans,

Taant de zon aan den trans;

Maar noodlottig is ’t oog van Kate Kearny.”

Belachelijk, hè?

Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren “à la cotelette”. Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: “Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!” Oom moest er vreeselijk om lachen.—O, maar ikmoetu vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met “Robert Lennox’ hartelijke groeten.” Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!

Ik zalnooitmet mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaandevensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker—ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: “O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!” Flo schiet naar hetraampje: “O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is ’t niet, Vader?” Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: “Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij.”

Een pauze—dan roept Flo uit: “O,kijkeens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!”

“Waar? Waar?” gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. “Een mijn,” merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.—“’k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in ’t gras,” waarschuwt Amy. “O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?” vraagt Flo sentimenteel. “Ganzen, jonge dames,” zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.

Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Eenkeurigenwitten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?

Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heelcomme il fautwas voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen ’t wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen denrijtuigdrom voort—en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:

“Nou, juffrouw?”

Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een “Jawel juffrouw” het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep “Een beetje harder,” en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.

Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.

Je weet niet, lieve menschen, wat ik in ’t Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.

“Rotten Row” beteekent “Route de Roi” of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach’s ark.

Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hunbuttonholesomwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.

Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven—ik kan alleen maar zeggen, dat hetmeerdan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.

Middernacht.

Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten?Lauries’ Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik waszooverbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,—Engelsch type—en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas’ en vroolijks in ’t verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn “onderdanige groeten aan den grooten hoed.” Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?

Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die “Ah” zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ik

Uw liefhebbende Amy.

Parijs.Lieve Zusjes,In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen, hoe vriendelijk de Vaughn’s waren, en wat prettige uitstapjes zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en naar Kensington-Museum de allerheerlijkste—want in Hampton zag ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De dag in Richmond-Park was goddelijk—we hadden er een echt Engelschen pic-nic—en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten, te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust—dank zij Fred en Frank—en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen, geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet gebeurde,want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens zijn erg aardig en leuk—vooral Fred.Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon; maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is, want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante’s uitspraak is ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat “geparlefransch” zooals Oom het noemt, op zich neemt.’t Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in de vroolijke café’s om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in ’t Louvre en haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft; maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote personen, want ik heb Napoleon’s steek en overjas, zijn wieg en een oud tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette, de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.Het Paleis Royal ismeerdan prachtig—zoo vol byouterieën en mooie dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk niet toestaan.Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elyséestrès-magnifiques! en wandelen we dikwijls in de tuinen van de Tuilerieën, waar ’t ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche Luxembourgtuinen mijnogbeter bevallen. Père la Chaise is heel eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je ’r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten, als zij komen treuren. Echt Franschachtign’est-ce pas?Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten, kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig, dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij te vermoeid zijn van ons “dagwerk” om weer uit te gaan. Fred is bizonder onderhoudend en over ’t geheel de aardigsteen geschiktste jongen, dien ik ooit ontmoet heb—behalve Laurie! Die heeft nog iets innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht “al wat ik zie en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven,” zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en ’t zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis geven, dan deze kattebelletjes.Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.Votre Amy.

Parijs.

Lieve Zusjes,

In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen, hoe vriendelijk de Vaughn’s waren, en wat prettige uitstapjes zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en naar Kensington-Museum de allerheerlijkste—want in Hampton zag ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De dag in Richmond-Park was goddelijk—we hadden er een echt Engelschen pic-nic—en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten, te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust—dank zij Fred en Frank—en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen, geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet gebeurde,want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens zijn erg aardig en leuk—vooral Fred.

Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon; maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is, want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante’s uitspraak is ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat “geparlefransch” zooals Oom het noemt, op zich neemt.

’t Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in de vroolijke café’s om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in ’t Louvre en haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft; maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote personen, want ik heb Napoleon’s steek en overjas, zijn wieg en een oud tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette, de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.

Het Paleis Royal ismeerdan prachtig—zoo vol byouterieën en mooie dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk niet toestaan.

Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elyséestrès-magnifiques! en wandelen we dikwijls in de tuinen van de Tuilerieën, waar ’t ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche Luxembourgtuinen mijnogbeter bevallen. Père la Chaise is heel eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je ’r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten, als zij komen treuren. Echt Franschachtign’est-ce pas?

Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten, kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig, dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij te vermoeid zijn van ons “dagwerk” om weer uit te gaan. Fred is bizonder onderhoudend en over ’t geheel de aardigsteen geschiktste jongen, dien ik ooit ontmoet heb—behalve Laurie! Die heeft nog iets innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.

De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht “al wat ik zie en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven,” zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en ’t zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis geven, dan deze kattebelletjes.

Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.

Votre Amy.

Heidelberg.Mijn lieve Mama,Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken, zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een heldere maneschijn, en om één uur ’s nachts werden Flo en ik gewekt door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart zou doen smelten!Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en eindelijk lachend verdwijnen—om te gaan rooken en bier te drinken, zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik lachte hem uit en zei, datikze niet uit het raam gegooid had, maar Flo—wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat jongemensch zou krijgen—het begon er naar uit te zien.De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetjekapittelde. Hij heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen, en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort beviel mij bizonder; ik zag Goethe’s en Schillers standbeeld en Dannecker’s beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten, of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu, dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen, dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon, en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,—maar ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden, ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik, dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen: “O, die kleine geldzuchtige heks,” maar ik ben toch vast besloten Fred te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en heel rijk—veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in de stad in een fashionable straat—het maakt niet zooveel vertooning als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van onsmoeteen goed huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en Betsy kan het op’t oogenblik niet—daarom zalikhet maar doen, en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken, dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier, die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman—een verloopen soort van baron—overein wunderschönes Blöndchen, en Fred keek zoo woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo’n heftigheid, dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo’n koele, stijve Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur, met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en denNeckardoor het dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder—want als een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou, en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.Na een poosje hoorde ik Fred’s stem, en daar kwam hij aandraven door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit, dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld voor mijzelf—maar dat duurde maar een minuut—omdat hij, terwijl hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging vatbaar was, zei: “Ik kom gauw terug—zul je mij niet vergeten, Amy?”Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden—er was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen, want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog niets van dien aard te doen—want hij is nog al heet gebakerd, en de oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander, zal ik, als hij vraagt: “Wil je mijn vrouw worden?” antwoorden: “Ja, met alle genoegen.”Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw “voorzichtige Amy” ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben, Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.Als altijdUw Amy.

Heidelberg.

Mijn lieve Mama,

Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken, zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.

De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een heldere maneschijn, en om één uur ’s nachts werden Flo en ik gewekt door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart zou doen smelten!

Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en eindelijk lachend verdwijnen—om te gaan rooken en bier te drinken, zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik lachte hem uit en zei, datikze niet uit het raam gegooid had, maar Flo—wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat jongemensch zou krijgen—het begon er naar uit te zien.

De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetjekapittelde. Hij heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen, en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort beviel mij bizonder; ik zag Goethe’s en Schillers standbeeld en Dannecker’s beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten, of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu, dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.

Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen, dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon, en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,—maar ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden, ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik, dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen: “O, die kleine geldzuchtige heks,” maar ik ben toch vast besloten Fred te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en heel rijk—veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in de stad in een fashionable straat—het maakt niet zooveel vertooning als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van onsmoeteen goed huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en Betsy kan het op’t oogenblik niet—daarom zalikhet maar doen, en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken, dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier, die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman—een verloopen soort van baron—overein wunderschönes Blöndchen, en Fred keek zoo woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo’n heftigheid, dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo’n koele, stijve Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.

Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur, met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en denNeckardoor het dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder—want als een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou, en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.

Na een poosje hoorde ik Fred’s stem, en daar kwam hij aandraven door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit, dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld voor mijzelf—maar dat duurde maar een minuut—omdat hij, terwijl hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging vatbaar was, zei: “Ik kom gauw terug—zul je mij niet vergeten, Amy?”

Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden—er was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen, want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog niets van dien aard te doen—want hij is nog al heet gebakerd, en de oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander, zal ik, als hij vraagt: “Wil je mijn vrouw worden?” antwoorden: “Ja, met alle genoegen.”

Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw “voorzichtige Amy” ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben, Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.

Als altijd

Uw Amy.


Back to IndexNext