HOOFDSTUK XVI.LUIE LAURENCE.Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer een proefje van,—want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen “bederven” als de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich als ’t ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd—want niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren.Maar terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten, deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid, voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en slaagde er in,—want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden, die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen, waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had, alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben, als zij ze had willen aannemen,—maar onderwijl gevoelde hij, dat hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen, en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen, die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen waar te nemen.“Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa, schetsen; ga je soms mee?” vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.“Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo’n lange wandeling?” antwoordde hij dralend,—want het koele salon zag er uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.“Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen dat je handschoenen schoon blijven,” antwoordde Amy, met een spottenden blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie’s zwakke punt waren.“Dan ga ik met alle genoegen mee,” en hij stak zijn hand uit voor haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp: “Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn.”Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.De twee kibbelden nooit; Amy was “te wel-opgevoed,” en Laurie op dit oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan schilderachtige kijkjes, die zoo’n genot zijn voor schoonheidlievende oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen, terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras, trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met eencapalineover het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen, of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen, terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten, scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan, die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje, waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden, als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras, vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de met witte muren omgeven stad aan de kust.“Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen gezien?” vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht windje haar toevoerde, in te ademen.“Neen, en ’k heb ook nooit zulke doorns gevoeld,” antwoordde Laurie, met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.“Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten,” zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met eenvreemde uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie, waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen, die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen hunner dooden leggen,—nooit in bruidskransen vlechten,—en gedurende een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit, en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.“’t Is een goede raad,—je deed beter hem op te volgen en je vingers te sparen,” zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking lachte.“Dank je, dat zal ik doen,” antwoordde hij in gekheid—en een paar maanden later deed hij het in ernst.“Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?” vroeg ze na een poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.“Heel gauw.”“Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd.”“Wel mogelijk; korte antwoorden zijn ’t gemakkelijkst.”“Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan.”“Bizonder gastvrij. Maar ’k weet wel dat ik gaan moet.”“Waarom doe je ’t dan niet?”“Natuurlijke verdorvenheid, denk ik.”“Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!” en Amy keek verontwaardigd.“Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer plagen—jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat jij het wel prettig vindt!” Waarna Laurie over den breeden rand van de balustrade ging hangen.Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor “dien jongen” de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.“Waar ben je op ’t oogenblik mee bezig?”“Ik kijk naar hagedissen.”“Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je te gaan doen?”“Een sigarette te rooken, als jij het toestaat.”“Watbenje toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen; ik heb een figuur noodig.”“Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte, of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden; neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets ‘Dolce far niente.’”“Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt.Ikben van plan hard te werken,” antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.“Wat een heerlijk enthousiasme!” en hij leunde tegen een hooge urn, met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.“Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?” vroeg Amy ongeduldig, in de hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar nog energiekere zuster te noemen.“Als naar gewoonte: ‘Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.’”Hij lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe uitdrukking in Laurie’s oogen waar te nemen—een harden bitteren blik, vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.“Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn graftombe,” zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend, dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.“Ik wou, dat ik het was!”“Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk—” hier zweeg Amy, met een half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar onvoltooiden zin.Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij, zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:“Alles in orde, mejuffrouw!”Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen, die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:“Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere mooie getrouwde Fransche vrouw, of een anderedwaasheid begaan had, iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen, maar kom hier liever op het gras liggen, en ‘laten w’eens vertrouwelijk zijn’, zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen.”Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy’s hoed, die op den grond lag.“Ik ben een en al gehoor voor je geheimen,” zei hij met plotselinge belangstelling naar haar opkijkende.“Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen.”“Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt.”“Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou schrijven.”“Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht, Raphaella?” vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist en er over verlangde te praten.“Nooit!” antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. “Rome heeft alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten, en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen.”“Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?”“Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven.”“En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen mag?”“Mijn andere talenten te polijsten en ‘een sieraad van de maatschappij te worden,’ als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden.”Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy’s eerzucht had een goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht, waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.“Mooi! en hier komt nu, denk ik, FredVaughnin ’t spel?”Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:“Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag ik?”“Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal.”“Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof, dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is ’t niet zoo?”“Dat kan ik moeilijk beantwoorden,” zei Amy stijf; maar haar oogen glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht kende en behagen schepte in die wetenschap.“Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?” en Laurie keek eensklaps heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.“Neen.”“Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een knieval doet, is ’t niet?”“Best mogelijk!”“Je houdt dus heel veel van Fred?”“Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde.”“Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man, dien ik dacht, dat jij zou liefhebben.”“Hij is rijk, een ‘gentleman’ en heeft bizonder innemende manieren,”—begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken, maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de zuiverheid harer bedoelingen.“Ik begrijp je—schoonheden, die in de wereld willen schitteren, hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de oogen van ‘men’, maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter van je moeder.”“’t Is toch zoo!”De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling, waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen, gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.“Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger te zijn,” viel zij scherp uit.“Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid.”“Ik zou het best kunnen, als ik wou,” en zij zag er uit, alsof zij het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.“Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming,” antwoordde Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.“Je zou binnen vijf minuten boos zijn.”“Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw.”“Je weet niet, wat ik doen kan—als sneeuw goed toegepast wordt, doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd, zou je zien dat ik gelijk had.”“Schud mij dan eens ferm door elkaar! ’t Zal mij geen pijn doen, en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van lichaamsoefening je goed doet.”Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar toon als haar potlood en begon:“Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: ‘luie Laurence’, hoebevaltje die?” Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen, maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei onverstoord:“Niet kwaad, ik dank de dames wel.”“Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?”“Ik smacht er naar het te hooren.”“Nu, ik veràcht je.”Al had zij gezegd: “Ik haat je,” op een kregeligen of coquetten toon, hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige, bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:“Waarom, als ik ’t weten mag?”“Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn, aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent.”“Krachtige taal, mejuffrouw.”“Als ’t je bevalt, zal ik voortgaan.”“Alstjeblieft, het is hoogst interessant.”“Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen praten altijd graag over zichzelf.”“Benikzelfzuchtig?” de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak meende te mogen maken, was grootmoedigheid.“Ja, vreeselijk zelfzuchtig,” antwoordde Amy op een kalmen, koelen toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een heftige. “Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrektniet tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen.”“Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard gewerkt te hebben?”“Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie, gezondheid en schoonheid,—dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,—in ’t bezit en ’t genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon en moest zijn, ben je—” hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel teleurstelling als medelijden te lezen stonden.“De heilige Laurentius op een rooster,” voegde Laurie er bij, den zin kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking, want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren, en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in van de vroegere onverschilligheid.“Ik dacht wel, dat je ’t zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons, dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel een bewijs hoeveel die vleierij waard is!” Amy sprak bitter en draaide den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een berouwvol kinderstemmetje:“Ik zal zoet zijn, héél zoet!”Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:“Schaam je je niet over zoo’n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan Jouvin’s fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij, dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O, ik wou, dat zij hier was om mij te helpen.”“Dàt wou ik ook!”De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur, waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in—maar hij had zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen, en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras, alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy’s hoofd, en vertelden haar, wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich, dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude ringetje—geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van; haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak, was het op een zachten, vriendelijken toon.“Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie; en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest—hoewel zij daar de verandering misschien beter zouden begrijpen.”“Dat denk ik zeker,” klonk het van onder den hoed, op een grimmigen toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest zijn.“Zij hadden ’t mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en nu haat ik haar!” zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.“Juffrouw Randal?!” Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.“O, neem me niet kwalijk, ik dacht—” hier zweeg zij diplomatisch.“Niet waar! dat dacht jeniet! Je wist heel goed, dat ik nooit om iemand gegeven heb, dan om Jo.” Laurie uitte dit op zijn ouden heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.“Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van je hield!”“Zijhoudtook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang; en ’t is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als ik dan toch zoo’n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar gerust vertellen.”De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.“Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg, Teddy.”“Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me,” en Laurie hief de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo’s half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te houden. “Wacht tot je ’t zelf ondervonden hebt,” voegde hij er zachtjes bij, handenvol gras uittrekkende.“Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als ik niet bemind kon worden,” riep Amy, met de beslistheid van iemand, die er niets van af weet.Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragenhad,—hij had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy’s woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:“Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?”“Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, endwingje haar niet, je lief te hebben?”“Ik heb mijn best gedaan, maar ’t hielp niet.”“Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en terwijl iedereen wist, hoe goed je werkenkon!”“Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij niet liefhebben,” begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de hand rusten.“Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,—want het deed je goed, en bewees, dat je, als je ’t maar probeerde, best iets ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger, en je verdriet vergeten.”“Dat is onmogelijk!”“Probeer het eerst en zie dan eens. Je hoeft de schouders niet op te trekken en te denken: ‘Wat weet zij van die dingen.’ Ik doe mij niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust in hebt,—maar laat je er niet door ten onder brengen,—want het is slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene, waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom—ik zal je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen, en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!”Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets, die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie met de woorden:“Hoe vind je dit?”Hij keek en glimlachte—wat hij moeilijk laten kon, want het was uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd van den droomer in rook hulde.“Wat teeken je toch goed!” riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:“Ja, dat bén ik.”“Zooals jenubent—dit is, zooals je wás,” en Amy legde een andere schets naast degene, die hij in de hand hield.Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in, wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op, alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze bevalligheid van de “Dolce far niente”-schets. Laurie zei niets, maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek, kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder eenantwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:“Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste, en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille, werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien.”“Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd, en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit ‘paradijs’ te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?”Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden, dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nuwashet “aanstellerij”,—want de vermaning had meer uitgewerkt, dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekerekoelheidin zijn manieren, en zei tot zich zelve: “Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als ’t hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu ’t land aan me krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen woord van terugnemen.”Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, datmonsieurenmademoisellebizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn, en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt van hun schijnbare vroolijkheid. “Zullen wij je van avond zien,mon frère?” vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante afscheid namen.“Ik heb ongelukkig een afspraak.Au revoir, mademoiselle,” en Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier, hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn gezicht dwong Amy haastig te zeggen:“Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk, dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten.”“Dag, Amy,” en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk van hartelijkheid.Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek, een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het einde zuchten:Mijn lieve Mentor!Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want “luie Laurence” is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter,en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.Steeds de uweTELEMACHUS.“Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is,” zei Amy met een goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een onwillekeurigen zucht bij:“Ja, ikbenblij, maar wat zál ik hem missen!”HOOFDSTUK XVII.DE VALLEI DER SCHADUWEN DES DOODS.Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk, huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had—bloemen, platen, haar piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel, Jo’s schrijftafel, Amy’s beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van “Tante Bets”. John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes, om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen, en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden, trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen, die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig, en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. eenpaar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels, zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond, en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee, die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven, die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken, haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes, vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om zich heen en zeide dan: “Wat is alles heerlijk!” als zij zoo gezellig bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk, terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden, en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden geschreven werden—een kleine tempel, waar een vaderlijk priester zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters; want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars, en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem, zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een poosje klaagde Bets, dat de naald “zoo zwaar” werd, en legde zij haar voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden, wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet: “Help mij, o, toe help mij!” en zij geen hulp konden aanbrengen. Een donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit terug.Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim, die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest bereid was om te sterven.Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: “Ik voel mij sterker, wanneer jij bij mij bent.” Zij sliep op een rustbank in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar best deed “om niemand tot last te zijn”, te laven, goed te leggen, of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer, naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming, die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof, dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij ’s nachts wakker werd, Betsy vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende, door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de muziek, die zij zoo liefhad.Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken, de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde zij de schoonheid beseffen van Betsy’s leven—door niets bizonders gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden, die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.Op zekeren nacht zocht Bets onder de boeken op haar tafeltje naar iets, dat haar de doodelijke vermoeidheid zou kunnen doen vergeten, die bijna even zwaar te dragen viel als pijn; zij doorbladerde haar ouden lieveling “De Reize naar de Eeuwigheid”1en vond een stukje, papier door Jo bekrabbeld. Het opschrift trokhaar aandacht, en de doorgeloopen letters deden haar zien, dat er tranen op gevallen waren.“Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien, en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees,” dacht Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander viel, bij de hand te zijn.MIJN BETSY.Stil, geduldig in de schaduwUitziend naar het Hemelsch licht,Zit zij rustig af te wachten,’t Vriendelijk oog omhoog gericht.Aardsche hoop en vreugd en droefheidHebben welhaast afgedaan.Nog maar kort en ’t is geleden—Dan breekt d’eeuwge morgen aan.Hebt gij bijna uitgestreden,Laat me een deel van uwen geest,Waardoor uw kortstondig levenZoo aantreklijk is geweest;Van ’t geduld dat u bezielde,En u, in de grootste pijn,Altijd vriendlijk en blijmoedig,Hoopvol en getroost deed zijn.Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig—Van uw nooit verflauwden moed,Die den weg der plichtsbetrachtingEffen maakte voor uw voet.Geef m’uw onbekrompen liefdeDie zoo godd’lijk schoon en vrij’t Kwaad met liefde kon vergeven—Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!Zoo verliest het afscheid daaglijksIets van d’ al te bittre pijn;Zoo zal, als ’k de les wil leeren,Mijn verlies mijn winste zijn.Droefheid toch zal zachter stemmenMijn nog ongetemd gemoed;Hooger streven in mij wekken,Streven naar het Hemelsch goed.Voortaan zie ’k in mijn gedachten,Veilig in het land der rust,U, mijn liev’ling, die mij opwacht,Toewenkt van de zaalge kust.Hoop, geloof, uit smart geboren,Doen mij stil zijn onder ’t kruis;En de zuster, die mij voorging,Leidt mij aan haar hand naar huis.Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van onuitsprekelijke blijdschap op Betsy’s gelaat te voorschijn, want het was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had, en Jo’s versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut was voorbijgegaan—dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken, waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant, in de hoop, dat Bets zou slapen.“Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk’s, ik heb dit gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben ik dat alles voor je geweest, Jo?” vroeg zij bescheiden en ernstig.“O Bets, zooveel, zooveel!” en Jo legde haar hoofd op het kussen naast haar zusje.“Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief, maar ikhebmijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te vatten, is het mij zoo’n troost te weten, dat er iemand is, die mij innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest.”“Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies; dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo.”“Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor, want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen, Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken, herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige, wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt het einde zooveel gemakkelijker.”“Ik zal mijn best doen, Bets,” en in dat ernstig oogenblik besloot Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen, die haar haar gansche leven door geleid hadden—aan Vader en Moeder, die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen des doods, waar zij haar overgaven aan God.Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had, gebeurde: het “getij” verliep zachtkens en rustig, en in het donkere uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord worden—en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een weldoendeengelwas en niet een koning der verschrikking.Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het vuur uit, Jo’s plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden, door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk alles wel was met Bets.1John Bunyan:The Pilgrim’s Progress.
HOOFDSTUK XVI.LUIE LAURENCE.Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer een proefje van,—want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen “bederven” als de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich als ’t ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd—want niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren.Maar terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten, deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid, voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en slaagde er in,—want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden, die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen, waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had, alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben, als zij ze had willen aannemen,—maar onderwijl gevoelde hij, dat hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen, en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen, die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen waar te nemen.“Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa, schetsen; ga je soms mee?” vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.“Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo’n lange wandeling?” antwoordde hij dralend,—want het koele salon zag er uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.“Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen dat je handschoenen schoon blijven,” antwoordde Amy, met een spottenden blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie’s zwakke punt waren.“Dan ga ik met alle genoegen mee,” en hij stak zijn hand uit voor haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp: “Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn.”Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.De twee kibbelden nooit; Amy was “te wel-opgevoed,” en Laurie op dit oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan schilderachtige kijkjes, die zoo’n genot zijn voor schoonheidlievende oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen, terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras, trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met eencapalineover het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen, of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen, terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten, scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan, die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje, waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden, als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras, vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de met witte muren omgeven stad aan de kust.“Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen gezien?” vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht windje haar toevoerde, in te ademen.“Neen, en ’k heb ook nooit zulke doorns gevoeld,” antwoordde Laurie, met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.“Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten,” zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met eenvreemde uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie, waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen, die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen hunner dooden leggen,—nooit in bruidskransen vlechten,—en gedurende een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit, en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.“’t Is een goede raad,—je deed beter hem op te volgen en je vingers te sparen,” zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking lachte.“Dank je, dat zal ik doen,” antwoordde hij in gekheid—en een paar maanden later deed hij het in ernst.“Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?” vroeg ze na een poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.“Heel gauw.”“Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd.”“Wel mogelijk; korte antwoorden zijn ’t gemakkelijkst.”“Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan.”“Bizonder gastvrij. Maar ’k weet wel dat ik gaan moet.”“Waarom doe je ’t dan niet?”“Natuurlijke verdorvenheid, denk ik.”“Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!” en Amy keek verontwaardigd.“Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer plagen—jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat jij het wel prettig vindt!” Waarna Laurie over den breeden rand van de balustrade ging hangen.Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor “dien jongen” de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.“Waar ben je op ’t oogenblik mee bezig?”“Ik kijk naar hagedissen.”“Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je te gaan doen?”“Een sigarette te rooken, als jij het toestaat.”“Watbenje toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen; ik heb een figuur noodig.”“Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte, of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden; neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets ‘Dolce far niente.’”“Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt.Ikben van plan hard te werken,” antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.“Wat een heerlijk enthousiasme!” en hij leunde tegen een hooge urn, met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.“Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?” vroeg Amy ongeduldig, in de hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar nog energiekere zuster te noemen.“Als naar gewoonte: ‘Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.’”Hij lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe uitdrukking in Laurie’s oogen waar te nemen—een harden bitteren blik, vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.“Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn graftombe,” zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend, dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.“Ik wou, dat ik het was!”“Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk—” hier zweeg Amy, met een half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar onvoltooiden zin.Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij, zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:“Alles in orde, mejuffrouw!”Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen, die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:“Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere mooie getrouwde Fransche vrouw, of een anderedwaasheid begaan had, iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen, maar kom hier liever op het gras liggen, en ‘laten w’eens vertrouwelijk zijn’, zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen.”Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy’s hoed, die op den grond lag.“Ik ben een en al gehoor voor je geheimen,” zei hij met plotselinge belangstelling naar haar opkijkende.“Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen.”“Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt.”“Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou schrijven.”“Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht, Raphaella?” vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist en er over verlangde te praten.“Nooit!” antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. “Rome heeft alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten, en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen.”“Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?”“Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven.”“En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen mag?”“Mijn andere talenten te polijsten en ‘een sieraad van de maatschappij te worden,’ als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden.”Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy’s eerzucht had een goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht, waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.“Mooi! en hier komt nu, denk ik, FredVaughnin ’t spel?”Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:“Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag ik?”“Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal.”“Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof, dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is ’t niet zoo?”“Dat kan ik moeilijk beantwoorden,” zei Amy stijf; maar haar oogen glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht kende en behagen schepte in die wetenschap.“Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?” en Laurie keek eensklaps heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.“Neen.”“Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een knieval doet, is ’t niet?”“Best mogelijk!”“Je houdt dus heel veel van Fred?”“Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde.”“Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man, dien ik dacht, dat jij zou liefhebben.”“Hij is rijk, een ‘gentleman’ en heeft bizonder innemende manieren,”—begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken, maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de zuiverheid harer bedoelingen.“Ik begrijp je—schoonheden, die in de wereld willen schitteren, hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de oogen van ‘men’, maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter van je moeder.”“’t Is toch zoo!”De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling, waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen, gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.“Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger te zijn,” viel zij scherp uit.“Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid.”“Ik zou het best kunnen, als ik wou,” en zij zag er uit, alsof zij het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.“Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming,” antwoordde Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.“Je zou binnen vijf minuten boos zijn.”“Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw.”“Je weet niet, wat ik doen kan—als sneeuw goed toegepast wordt, doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd, zou je zien dat ik gelijk had.”“Schud mij dan eens ferm door elkaar! ’t Zal mij geen pijn doen, en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van lichaamsoefening je goed doet.”Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar toon als haar potlood en begon:“Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: ‘luie Laurence’, hoebevaltje die?” Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen, maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei onverstoord:“Niet kwaad, ik dank de dames wel.”“Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?”“Ik smacht er naar het te hooren.”“Nu, ik veràcht je.”Al had zij gezegd: “Ik haat je,” op een kregeligen of coquetten toon, hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige, bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:“Waarom, als ik ’t weten mag?”“Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn, aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent.”“Krachtige taal, mejuffrouw.”“Als ’t je bevalt, zal ik voortgaan.”“Alstjeblieft, het is hoogst interessant.”“Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen praten altijd graag over zichzelf.”“Benikzelfzuchtig?” de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak meende te mogen maken, was grootmoedigheid.“Ja, vreeselijk zelfzuchtig,” antwoordde Amy op een kalmen, koelen toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een heftige. “Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrektniet tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen.”“Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard gewerkt te hebben?”“Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie, gezondheid en schoonheid,—dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,—in ’t bezit en ’t genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon en moest zijn, ben je—” hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel teleurstelling als medelijden te lezen stonden.“De heilige Laurentius op een rooster,” voegde Laurie er bij, den zin kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking, want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren, en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in van de vroegere onverschilligheid.“Ik dacht wel, dat je ’t zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons, dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel een bewijs hoeveel die vleierij waard is!” Amy sprak bitter en draaide den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een berouwvol kinderstemmetje:“Ik zal zoet zijn, héél zoet!”Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:“Schaam je je niet over zoo’n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan Jouvin’s fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij, dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O, ik wou, dat zij hier was om mij te helpen.”“Dàt wou ik ook!”De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur, waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in—maar hij had zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen, en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras, alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy’s hoofd, en vertelden haar, wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich, dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude ringetje—geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van; haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak, was het op een zachten, vriendelijken toon.“Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie; en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest—hoewel zij daar de verandering misschien beter zouden begrijpen.”“Dat denk ik zeker,” klonk het van onder den hoed, op een grimmigen toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest zijn.“Zij hadden ’t mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en nu haat ik haar!” zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.“Juffrouw Randal?!” Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.“O, neem me niet kwalijk, ik dacht—” hier zweeg zij diplomatisch.“Niet waar! dat dacht jeniet! Je wist heel goed, dat ik nooit om iemand gegeven heb, dan om Jo.” Laurie uitte dit op zijn ouden heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.“Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van je hield!”“Zijhoudtook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang; en ’t is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als ik dan toch zoo’n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar gerust vertellen.”De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.“Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg, Teddy.”“Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me,” en Laurie hief de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo’s half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te houden. “Wacht tot je ’t zelf ondervonden hebt,” voegde hij er zachtjes bij, handenvol gras uittrekkende.“Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als ik niet bemind kon worden,” riep Amy, met de beslistheid van iemand, die er niets van af weet.Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragenhad,—hij had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy’s woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:“Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?”“Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, endwingje haar niet, je lief te hebben?”“Ik heb mijn best gedaan, maar ’t hielp niet.”“Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en terwijl iedereen wist, hoe goed je werkenkon!”“Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij niet liefhebben,” begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de hand rusten.“Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,—want het deed je goed, en bewees, dat je, als je ’t maar probeerde, best iets ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger, en je verdriet vergeten.”“Dat is onmogelijk!”“Probeer het eerst en zie dan eens. Je hoeft de schouders niet op te trekken en te denken: ‘Wat weet zij van die dingen.’ Ik doe mij niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust in hebt,—maar laat je er niet door ten onder brengen,—want het is slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene, waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom—ik zal je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen, en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!”Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets, die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie met de woorden:“Hoe vind je dit?”Hij keek en glimlachte—wat hij moeilijk laten kon, want het was uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd van den droomer in rook hulde.“Wat teeken je toch goed!” riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:“Ja, dat bén ik.”“Zooals jenubent—dit is, zooals je wás,” en Amy legde een andere schets naast degene, die hij in de hand hield.Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in, wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op, alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze bevalligheid van de “Dolce far niente”-schets. Laurie zei niets, maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek, kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder eenantwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:“Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste, en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille, werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien.”“Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd, en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit ‘paradijs’ te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?”Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden, dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nuwashet “aanstellerij”,—want de vermaning had meer uitgewerkt, dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekerekoelheidin zijn manieren, en zei tot zich zelve: “Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als ’t hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu ’t land aan me krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen woord van terugnemen.”Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, datmonsieurenmademoisellebizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn, en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt van hun schijnbare vroolijkheid. “Zullen wij je van avond zien,mon frère?” vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante afscheid namen.“Ik heb ongelukkig een afspraak.Au revoir, mademoiselle,” en Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier, hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn gezicht dwong Amy haastig te zeggen:“Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk, dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten.”“Dag, Amy,” en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk van hartelijkheid.Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek, een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het einde zuchten:Mijn lieve Mentor!Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want “luie Laurence” is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter,en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.Steeds de uweTELEMACHUS.“Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is,” zei Amy met een goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een onwillekeurigen zucht bij:“Ja, ikbenblij, maar wat zál ik hem missen!”
Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer een proefje van,—want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen “bederven” als de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich als ’t ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd—want niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren.Maar terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten, deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid, voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en slaagde er in,—want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden, die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen, waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had, alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben, als zij ze had willen aannemen,—maar onderwijl gevoelde hij, dat hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen, en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen, die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen waar te nemen.
“Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa, schetsen; ga je soms mee?” vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.
“Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo’n lange wandeling?” antwoordde hij dralend,—want het koele salon zag er uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.
“Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen dat je handschoenen schoon blijven,” antwoordde Amy, met een spottenden blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie’s zwakke punt waren.
“Dan ga ik met alle genoegen mee,” en hij stak zijn hand uit voor haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp: “Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn.”
Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.
De twee kibbelden nooit; Amy was “te wel-opgevoed,” en Laurie op dit oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.
Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan schilderachtige kijkjes, die zoo’n genot zijn voor schoonheidlievende oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen, terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras, trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met eencapalineover het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen, of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen, terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten, scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.
Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan, die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje, waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden, als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras, vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de met witte muren omgeven stad aan de kust.
“Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen gezien?” vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht windje haar toevoerde, in te ademen.
“Neen, en ’k heb ook nooit zulke doorns gevoeld,” antwoordde Laurie, met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.
“Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten,” zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met eenvreemde uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie, waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen, die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen hunner dooden leggen,—nooit in bruidskransen vlechten,—en gedurende een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit, en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.
“’t Is een goede raad,—je deed beter hem op te volgen en je vingers te sparen,” zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking lachte.
“Dank je, dat zal ik doen,” antwoordde hij in gekheid—en een paar maanden later deed hij het in ernst.
“Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?” vroeg ze na een poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.
“Heel gauw.”
“Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd.”
“Wel mogelijk; korte antwoorden zijn ’t gemakkelijkst.”
“Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan.”
“Bizonder gastvrij. Maar ’k weet wel dat ik gaan moet.”
“Waarom doe je ’t dan niet?”
“Natuurlijke verdorvenheid, denk ik.”
“Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!” en Amy keek verontwaardigd.
“Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer plagen—jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat jij het wel prettig vindt!” Waarna Laurie over den breeden rand van de balustrade ging hangen.
Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor “dien jongen” de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.
“Waar ben je op ’t oogenblik mee bezig?”
“Ik kijk naar hagedissen.”
“Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je te gaan doen?”
“Een sigarette te rooken, als jij het toestaat.”
“Watbenje toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen; ik heb een figuur noodig.”
“Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte, of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden; neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets ‘Dolce far niente.’”
“Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt.Ikben van plan hard te werken,” antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.
“Wat een heerlijk enthousiasme!” en hij leunde tegen een hooge urn, met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.
“Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?” vroeg Amy ongeduldig, in de hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar nog energiekere zuster te noemen.
“Als naar gewoonte: ‘Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.’”Hij lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.
Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe uitdrukking in Laurie’s oogen waar te nemen—een harden bitteren blik, vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.
“Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn graftombe,” zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend, dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.
“Ik wou, dat ik het was!”
“Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk—” hier zweeg Amy, met een half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar onvoltooiden zin.
Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij, zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:
“Alles in orde, mejuffrouw!”
Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen, die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:
“Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere mooie getrouwde Fransche vrouw, of een anderedwaasheid begaan had, iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen, maar kom hier liever op het gras liggen, en ‘laten w’eens vertrouwelijk zijn’, zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen.”
Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy’s hoed, die op den grond lag.
“Ik ben een en al gehoor voor je geheimen,” zei hij met plotselinge belangstelling naar haar opkijkende.
“Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen.”
“Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt.”
“Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou schrijven.”
“Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht, Raphaella?” vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist en er over verlangde te praten.
“Nooit!” antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. “Rome heeft alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten, en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen.”
“Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?”
“Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven.”
“En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen mag?”
“Mijn andere talenten te polijsten en ‘een sieraad van de maatschappij te worden,’ als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden.”
Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy’s eerzucht had een goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht, waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.
“Mooi! en hier komt nu, denk ik, FredVaughnin ’t spel?”
Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:
“Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag ik?”
“Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal.”
“Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof, dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is ’t niet zoo?”
“Dat kan ik moeilijk beantwoorden,” zei Amy stijf; maar haar oogen glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht kende en behagen schepte in die wetenschap.
“Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?” en Laurie keek eensklaps heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.
“Neen.”
“Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een knieval doet, is ’t niet?”
“Best mogelijk!”
“Je houdt dus heel veel van Fred?”
“Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde.”
“Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man, dien ik dacht, dat jij zou liefhebben.”
“Hij is rijk, een ‘gentleman’ en heeft bizonder innemende manieren,”—begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken, maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de zuiverheid harer bedoelingen.
“Ik begrijp je—schoonheden, die in de wereld willen schitteren, hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de oogen van ‘men’, maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter van je moeder.”
“’t Is toch zoo!”
De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling, waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen, gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.
“Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger te zijn,” viel zij scherp uit.
“Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid.”
“Ik zou het best kunnen, als ik wou,” en zij zag er uit, alsof zij het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.
“Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming,” antwoordde Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.
“Je zou binnen vijf minuten boos zijn.”
“Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw.”
“Je weet niet, wat ik doen kan—als sneeuw goed toegepast wordt, doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd, zou je zien dat ik gelijk had.”
“Schud mij dan eens ferm door elkaar! ’t Zal mij geen pijn doen, en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van lichaamsoefening je goed doet.”
Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar toon als haar potlood en begon:
“Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: ‘luie Laurence’, hoebevaltje die?” Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen, maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei onverstoord:
“Niet kwaad, ik dank de dames wel.”
“Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?”
“Ik smacht er naar het te hooren.”
“Nu, ik veràcht je.”
Al had zij gezegd: “Ik haat je,” op een kregeligen of coquetten toon, hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige, bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:
“Waarom, als ik ’t weten mag?”
“Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn, aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent.”
“Krachtige taal, mejuffrouw.”
“Als ’t je bevalt, zal ik voortgaan.”
“Alstjeblieft, het is hoogst interessant.”
“Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen praten altijd graag over zichzelf.”
“Benikzelfzuchtig?” de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak meende te mogen maken, was grootmoedigheid.
“Ja, vreeselijk zelfzuchtig,” antwoordde Amy op een kalmen, koelen toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een heftige. “Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrektniet tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen.”
“Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard gewerkt te hebben?”
“Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie, gezondheid en schoonheid,—dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,—in ’t bezit en ’t genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon en moest zijn, ben je—” hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel teleurstelling als medelijden te lezen stonden.
“De heilige Laurentius op een rooster,” voegde Laurie er bij, den zin kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking, want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren, en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in van de vroegere onverschilligheid.
“Ik dacht wel, dat je ’t zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons, dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel een bewijs hoeveel die vleierij waard is!” Amy sprak bitter en draaide den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.
Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een berouwvol kinderstemmetje:
“Ik zal zoet zijn, héél zoet!”
Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:
“Schaam je je niet over zoo’n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan Jouvin’s fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij, dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O, ik wou, dat zij hier was om mij te helpen.”
“Dàt wou ik ook!”
De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur, waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in—maar hij had zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen, en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras, alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy’s hoofd, en vertelden haar, wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich, dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude ringetje—geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van; haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak, was het op een zachten, vriendelijken toon.
“Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie; en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest—hoewel zij daar de verandering misschien beter zouden begrijpen.”
“Dat denk ik zeker,” klonk het van onder den hoed, op een grimmigen toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest zijn.
“Zij hadden ’t mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en nu haat ik haar!” zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.
“Juffrouw Randal?!” Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.
“O, neem me niet kwalijk, ik dacht—” hier zweeg zij diplomatisch.
“Niet waar! dat dacht jeniet! Je wist heel goed, dat ik nooit om iemand gegeven heb, dan om Jo.” Laurie uitte dit op zijn ouden heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.
“Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van je hield!”
“Zijhoudtook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang; en ’t is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als ik dan toch zoo’n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar gerust vertellen.”
De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.
“Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg, Teddy.”
“Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me,” en Laurie hief de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo’s half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te houden. “Wacht tot je ’t zelf ondervonden hebt,” voegde hij er zachtjes bij, handenvol gras uittrekkende.
“Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als ik niet bemind kon worden,” riep Amy, met de beslistheid van iemand, die er niets van af weet.
Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragenhad,—hij had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy’s woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:
“Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?”
“Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, endwingje haar niet, je lief te hebben?”
“Ik heb mijn best gedaan, maar ’t hielp niet.”
“Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en terwijl iedereen wist, hoe goed je werkenkon!”
“Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij niet liefhebben,” begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de hand rusten.
“Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,—want het deed je goed, en bewees, dat je, als je ’t maar probeerde, best iets ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger, en je verdriet vergeten.”
“Dat is onmogelijk!”
“Probeer het eerst en zie dan eens. Je hoeft de schouders niet op te trekken en te denken: ‘Wat weet zij van die dingen.’ Ik doe mij niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust in hebt,—maar laat je er niet door ten onder brengen,—want het is slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene, waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom—ik zal je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen, en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!”
Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets, die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie met de woorden:
“Hoe vind je dit?”
Hij keek en glimlachte—wat hij moeilijk laten kon, want het was uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd van den droomer in rook hulde.
“Wat teeken je toch goed!” riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:
“Ja, dat bén ik.”
“Zooals jenubent—dit is, zooals je wás,” en Amy legde een andere schets naast degene, die hij in de hand hield.
Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in, wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op, alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze bevalligheid van de “Dolce far niente”-schets. Laurie zei niets, maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek, kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder eenantwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:
“Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste, en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille, werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien.”
“Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd, en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit ‘paradijs’ te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?”
Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden, dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nuwashet “aanstellerij”,—want de vermaning had meer uitgewerkt, dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekerekoelheidin zijn manieren, en zei tot zich zelve: “Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als ’t hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu ’t land aan me krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen woord van terugnemen.”
Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, datmonsieurenmademoisellebizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn, en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt van hun schijnbare vroolijkheid. “Zullen wij je van avond zien,mon frère?” vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante afscheid namen.
“Ik heb ongelukkig een afspraak.Au revoir, mademoiselle,” en Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier, hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn gezicht dwong Amy haastig te zeggen:
“Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk, dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten.”
“Dag, Amy,” en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk van hartelijkheid.
Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek, een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het einde zuchten:
Mijn lieve Mentor!Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want “luie Laurence” is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter,en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.Steeds de uweTELEMACHUS.
Mijn lieve Mentor!
Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want “luie Laurence” is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter,en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.
Steeds de uwe
TELEMACHUS.
“Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is,” zei Amy met een goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een onwillekeurigen zucht bij:
“Ja, ikbenblij, maar wat zál ik hem missen!”
HOOFDSTUK XVII.DE VALLEI DER SCHADUWEN DES DOODS.Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk, huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had—bloemen, platen, haar piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel, Jo’s schrijftafel, Amy’s beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van “Tante Bets”. John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes, om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen, en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden, trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen, die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig, en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. eenpaar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels, zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond, en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee, die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven, die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken, haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes, vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om zich heen en zeide dan: “Wat is alles heerlijk!” als zij zoo gezellig bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk, terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden, en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden geschreven werden—een kleine tempel, waar een vaderlijk priester zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters; want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars, en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem, zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een poosje klaagde Bets, dat de naald “zoo zwaar” werd, en legde zij haar voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden, wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet: “Help mij, o, toe help mij!” en zij geen hulp konden aanbrengen. Een donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit terug.Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim, die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest bereid was om te sterven.Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: “Ik voel mij sterker, wanneer jij bij mij bent.” Zij sliep op een rustbank in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar best deed “om niemand tot last te zijn”, te laven, goed te leggen, of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer, naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming, die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof, dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij ’s nachts wakker werd, Betsy vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende, door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de muziek, die zij zoo liefhad.Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken, de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde zij de schoonheid beseffen van Betsy’s leven—door niets bizonders gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden, die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.Op zekeren nacht zocht Bets onder de boeken op haar tafeltje naar iets, dat haar de doodelijke vermoeidheid zou kunnen doen vergeten, die bijna even zwaar te dragen viel als pijn; zij doorbladerde haar ouden lieveling “De Reize naar de Eeuwigheid”1en vond een stukje, papier door Jo bekrabbeld. Het opschrift trokhaar aandacht, en de doorgeloopen letters deden haar zien, dat er tranen op gevallen waren.“Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien, en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees,” dacht Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander viel, bij de hand te zijn.MIJN BETSY.Stil, geduldig in de schaduwUitziend naar het Hemelsch licht,Zit zij rustig af te wachten,’t Vriendelijk oog omhoog gericht.Aardsche hoop en vreugd en droefheidHebben welhaast afgedaan.Nog maar kort en ’t is geleden—Dan breekt d’eeuwge morgen aan.Hebt gij bijna uitgestreden,Laat me een deel van uwen geest,Waardoor uw kortstondig levenZoo aantreklijk is geweest;Van ’t geduld dat u bezielde,En u, in de grootste pijn,Altijd vriendlijk en blijmoedig,Hoopvol en getroost deed zijn.Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig—Van uw nooit verflauwden moed,Die den weg der plichtsbetrachtingEffen maakte voor uw voet.Geef m’uw onbekrompen liefdeDie zoo godd’lijk schoon en vrij’t Kwaad met liefde kon vergeven—Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!Zoo verliest het afscheid daaglijksIets van d’ al te bittre pijn;Zoo zal, als ’k de les wil leeren,Mijn verlies mijn winste zijn.Droefheid toch zal zachter stemmenMijn nog ongetemd gemoed;Hooger streven in mij wekken,Streven naar het Hemelsch goed.Voortaan zie ’k in mijn gedachten,Veilig in het land der rust,U, mijn liev’ling, die mij opwacht,Toewenkt van de zaalge kust.Hoop, geloof, uit smart geboren,Doen mij stil zijn onder ’t kruis;En de zuster, die mij voorging,Leidt mij aan haar hand naar huis.Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van onuitsprekelijke blijdschap op Betsy’s gelaat te voorschijn, want het was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had, en Jo’s versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut was voorbijgegaan—dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken, waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant, in de hoop, dat Bets zou slapen.“Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk’s, ik heb dit gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben ik dat alles voor je geweest, Jo?” vroeg zij bescheiden en ernstig.“O Bets, zooveel, zooveel!” en Jo legde haar hoofd op het kussen naast haar zusje.“Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief, maar ikhebmijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te vatten, is het mij zoo’n troost te weten, dat er iemand is, die mij innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest.”“Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies; dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo.”“Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor, want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen, Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken, herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige, wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt het einde zooveel gemakkelijker.”“Ik zal mijn best doen, Bets,” en in dat ernstig oogenblik besloot Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen, die haar haar gansche leven door geleid hadden—aan Vader en Moeder, die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen des doods, waar zij haar overgaven aan God.Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had, gebeurde: het “getij” verliep zachtkens en rustig, en in het donkere uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord worden—en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een weldoendeengelwas en niet een koning der verschrikking.Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het vuur uit, Jo’s plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden, door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk alles wel was met Bets.1John Bunyan:The Pilgrim’s Progress.
Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk, huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.
De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had—bloemen, platen, haar piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel, Jo’s schrijftafel, Amy’s beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van “Tante Bets”. John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes, om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.
Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen, en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden, trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen, die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig, en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. eenpaar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels, zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond, en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee, die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven, die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken, haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes, vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.
De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om zich heen en zeide dan: “Wat is alles heerlijk!” als zij zoo gezellig bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk, terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden, en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden geschreven werden—een kleine tempel, waar een vaderlijk priester zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters; want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars, en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem, zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.
Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een poosje klaagde Bets, dat de naald “zoo zwaar” werd, en legde zij haar voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden, wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet: “Help mij, o, toe help mij!” en zij geen hulp konden aanbrengen. Een donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit terug.Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim, die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest bereid was om te sterven.
Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: “Ik voel mij sterker, wanneer jij bij mij bent.” Zij sliep op een rustbank in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar best deed “om niemand tot last te zijn”, te laven, goed te leggen, of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer, naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming, die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof, dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.
Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij ’s nachts wakker werd, Betsy vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende, door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de muziek, die zij zoo liefhad.
Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken, de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde zij de schoonheid beseffen van Betsy’s leven—door niets bizonders gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden, die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.
Op zekeren nacht zocht Bets onder de boeken op haar tafeltje naar iets, dat haar de doodelijke vermoeidheid zou kunnen doen vergeten, die bijna even zwaar te dragen viel als pijn; zij doorbladerde haar ouden lieveling “De Reize naar de Eeuwigheid”1en vond een stukje, papier door Jo bekrabbeld. Het opschrift trokhaar aandacht, en de doorgeloopen letters deden haar zien, dat er tranen op gevallen waren.
“Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien, en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees,” dacht Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander viel, bij de hand te zijn.
MIJN BETSY.Stil, geduldig in de schaduwUitziend naar het Hemelsch licht,Zit zij rustig af te wachten,’t Vriendelijk oog omhoog gericht.Aardsche hoop en vreugd en droefheidHebben welhaast afgedaan.Nog maar kort en ’t is geleden—Dan breekt d’eeuwge morgen aan.
MIJN BETSY.Stil, geduldig in de schaduwUitziend naar het Hemelsch licht,Zit zij rustig af te wachten,’t Vriendelijk oog omhoog gericht.Aardsche hoop en vreugd en droefheidHebben welhaast afgedaan.Nog maar kort en ’t is geleden—Dan breekt d’eeuwge morgen aan.
Stil, geduldig in de schaduw
Uitziend naar het Hemelsch licht,
Zit zij rustig af te wachten,
’t Vriendelijk oog omhoog gericht.
Aardsche hoop en vreugd en droefheid
Hebben welhaast afgedaan.
Nog maar kort en ’t is geleden—
Dan breekt d’eeuwge morgen aan.
Hebt gij bijna uitgestreden,Laat me een deel van uwen geest,Waardoor uw kortstondig levenZoo aantreklijk is geweest;Van ’t geduld dat u bezielde,En u, in de grootste pijn,Altijd vriendlijk en blijmoedig,Hoopvol en getroost deed zijn.
Hebt gij bijna uitgestreden,Laat me een deel van uwen geest,Waardoor uw kortstondig levenZoo aantreklijk is geweest;Van ’t geduld dat u bezielde,En u, in de grootste pijn,Altijd vriendlijk en blijmoedig,Hoopvol en getroost deed zijn.
Hebt gij bijna uitgestreden,
Laat me een deel van uwen geest,
Waardoor uw kortstondig leven
Zoo aantreklijk is geweest;
Van ’t geduld dat u bezielde,
En u, in de grootste pijn,
Altijd vriendlijk en blijmoedig,
Hoopvol en getroost deed zijn.
Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig—Van uw nooit verflauwden moed,Die den weg der plichtsbetrachtingEffen maakte voor uw voet.Geef m’uw onbekrompen liefdeDie zoo godd’lijk schoon en vrij’t Kwaad met liefde kon vergeven—Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!
Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig—Van uw nooit verflauwden moed,Die den weg der plichtsbetrachtingEffen maakte voor uw voet.Geef m’uw onbekrompen liefdeDie zoo godd’lijk schoon en vrij’t Kwaad met liefde kon vergeven—Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!
Geef mij—want ik heb ’t zoo noodig—
Van uw nooit verflauwden moed,
Die den weg der plichtsbetrachting
Effen maakte voor uw voet.
Geef m’uw onbekrompen liefde
Die zoo godd’lijk schoon en vrij
’t Kwaad met liefde kon vergeven—
Waar ’k misdeed, vergeef ook mij!
Zoo verliest het afscheid daaglijksIets van d’ al te bittre pijn;Zoo zal, als ’k de les wil leeren,Mijn verlies mijn winste zijn.Droefheid toch zal zachter stemmenMijn nog ongetemd gemoed;Hooger streven in mij wekken,Streven naar het Hemelsch goed.
Zoo verliest het afscheid daaglijksIets van d’ al te bittre pijn;Zoo zal, als ’k de les wil leeren,Mijn verlies mijn winste zijn.Droefheid toch zal zachter stemmenMijn nog ongetemd gemoed;Hooger streven in mij wekken,Streven naar het Hemelsch goed.
Zoo verliest het afscheid daaglijks
Iets van d’ al te bittre pijn;
Zoo zal, als ’k de les wil leeren,
Mijn verlies mijn winste zijn.
Droefheid toch zal zachter stemmen
Mijn nog ongetemd gemoed;
Hooger streven in mij wekken,
Streven naar het Hemelsch goed.
Voortaan zie ’k in mijn gedachten,Veilig in het land der rust,U, mijn liev’ling, die mij opwacht,Toewenkt van de zaalge kust.Hoop, geloof, uit smart geboren,Doen mij stil zijn onder ’t kruis;En de zuster, die mij voorging,Leidt mij aan haar hand naar huis.
Voortaan zie ’k in mijn gedachten,Veilig in het land der rust,U, mijn liev’ling, die mij opwacht,Toewenkt van de zaalge kust.Hoop, geloof, uit smart geboren,Doen mij stil zijn onder ’t kruis;En de zuster, die mij voorging,Leidt mij aan haar hand naar huis.
Voortaan zie ’k in mijn gedachten,
Veilig in het land der rust,
U, mijn liev’ling, die mij opwacht,
Toewenkt van de zaalge kust.
Hoop, geloof, uit smart geboren,
Doen mij stil zijn onder ’t kruis;
En de zuster, die mij voorging,
Leidt mij aan haar hand naar huis.
Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van onuitsprekelijke blijdschap op Betsy’s gelaat te voorschijn, want het was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had, en Jo’s versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut was voorbijgegaan—dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken, waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant, in de hoop, dat Bets zou slapen.
“Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk’s, ik heb dit gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben ik dat alles voor je geweest, Jo?” vroeg zij bescheiden en ernstig.
“O Bets, zooveel, zooveel!” en Jo legde haar hoofd op het kussen naast haar zusje.
“Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief, maar ikhebmijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te vatten, is het mij zoo’n troost te weten, dat er iemand is, die mij innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest.”
“Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies; dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo.”
“Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor, want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen, Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken, herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige, wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt het einde zooveel gemakkelijker.”
“Ik zal mijn best doen, Bets,” en in dat ernstig oogenblik besloot Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.
Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen, die haar haar gansche leven door geleid hadden—aan Vader en Moeder, die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen des doods, waar zij haar overgaven aan God.
Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had, gebeurde: het “getij” verliep zachtkens en rustig, en in het donkere uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.
Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord worden—en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een weldoendeengelwas en niet een koning der verschrikking.
Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het vuur uit, Jo’s plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden, door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk alles wel was met Bets.
1John Bunyan:The Pilgrim’s Progress.
1John Bunyan:The Pilgrim’s Progress.