HOOFDSTUK XVIII.Laurie zoekt te vergeten.Amy’s vermaning deed Laurie goed, hoewel hij dat natuurlijk eerst veel later erkende; mannen zijn daar nooit zeer vlug mee. Wanneer de vrouwen een raad geven, nemen de heeren der schepping dien niet aan, tenzij zij zichzelf in den waan gebracht hebben, dat het juist was, wat zij van plan waren te doen; dan handelenzij er naar, en geven, als het goed uitkomt, aan het zwakkere geslacht de helft van de eer; komt het echter verkeerd uit, dan geven zij haar edelmoedig de geheele schuld.Laurie ging naar zijn grootvader terug, en wijdde zich gedurende verscheiden weken zoo met hart en ziel aan hem, dat de oude heer verklaarde, dat de lucht van Nice hem verwonderlijk veel goed had gedaan, en hij niet beter kon doen, dan er nogeens heen te gaan. Het jongmensch had niets liever gedaan—maar geen macht ter wereld zou hem terug hebben kunnen drijven, na de ontvangen berisping; zijn trots verbood het hem,—en werd soms het verlangen zeer sterk, dan verlevendigde hij zijn besluit, door de woorden te herhalen, die den diepsten indruk op hem gemaakt hadden: “Ik veracht je”, en, “Ga heen, en doe iets kranigs, dat haar zaldwingenvan je te houden.”Laurie keerde de zaak zoo dikwijls in zijn gedachten rond, dat hij weldra tot het inzicht kwam, dat hij werkelijk lui en zelfzuchtig was geweest, maar als een man een leed met zich omdraagt, heeft hij toch immers recht op alle soorten van verzetjes, totdat hij zijn smart is te boven gekomen! Hij voelde, dat zijn verwoeste liefde nu geheel en al dood was, en hoewel hij haar zijn leven trouw beweenen zou, vond hij het toch niet bepaald noodzakelijk zijn rouw zoo openlijk te blijven dragen. Jo wilde hem niet liefhebben, maar hij zou haar toch dwingen hem te achten en te bewonderen, door iets te doen, wat ten bewijze kon strekken, dat het “neen” van een meisje zijn leven niet bedorven had. Hij was altijd van plan geweest het een of ander aan te pakken, Amy’s raad kwam dus totaal overbodig. Hij had alleen maar gewacht, totdat bovengenoemde verwoeste liefde behoorlijk begraven zou zijn; zoodra dit gebeurd was, voelde hij zich in staat zijn gewond hart stil in zich om te dragen en den levensstrijd voort te zetten.Evenals Goethe, wanneer hij vreugde of droefheid ondervond, dit in een lied moest uitstorten, besloot Laurie nu om zijn liefdessmart te verheerlijken in een compositie, en een Requiem te vervaardigen, dat Jo’s ziel zou verscheuren, en het hart van ieder die het hoorde, zou doen smelten. Toen dus de oude heer bemerkte, dat hij opnieuw rusteloos en somber begon te worden, en hem raadde de reisstaf weer ter hand te nemen, ging hij naar Weenen, waar hij muzikale vrienden had, en zette zich aan den arbeid, met het vaste plan zich te onderscheiden. Maar, hetzij zijn droefheid te groot was om zich te laten belichamen in muziek, hetzij muziek iets te etherisch is om er menschelijk leed in op te lossen, hij ontdekte weldra, dat het Requiem, ten minste vooralsnog, zijn krachten te boven ging. Ook bleek, dat zijn geest nog niet tot werken geschikt was, en zijn gedachten nog opklaring noodig hadden; want het gebeurde menigmaal, dat hij zich, midden in een droefgeestige passage, op het neuriën van een danswijsje betrapte, en het Kerstmisbal te Nice levendig voor zijn verbeelding trad—vooral diestevige Franschman,—die voor ’t oogenblik krachtdadig een einde maakte aan elke tragische compositie.Toen probeerde hij het eens met een opera, want niets scheen hem in het begin onmogelijk, maar ook hier ontmoette hij allerlei onvoorziene moeilijkheden. Hij wilde Jo tot de heldin maken, en riep zijn geheugen te hulp, om hem eenige liefelijke tooneeltjes en romantische voorstellingen van zijn geliefde te binnen te brengen. Maar zijn geheugen speelde hem parten, en wilde, alsof het door den ondeugenden geest van het meisje zelve bezeten was, alleen Jo’s dwaasheden, gebreken en grillen voor hem oproepen; deed hem haar alleen in de bespottelijkste houdingen zien—hoe zij b. v. matten uitklopte, het hoofd omwonden met een bonten zijden doek, of zich verschanste achter het canapékussen, of hem een stortbad toediende om zijn hartstocht te blusschen,—en een niet te bedwingen lach bedierf het aandoenlijke beeld, dat hij trachtte te schilderen. Zijn aangebedene was met geen mogelijkheid tot heldin te maken van een opera, en hij moest het opgeven met een: “Ze is de plaag van mijn leven!” en een ruk aan zijn kuif, zooals een wanhopig componist past.Toen hij daarna eens omzag naar een minder onhandelbare jonkvrouw, die hij in zijn toondicht zou kunnen vereeuwigen, deed zijn geheugen er hem met de vriendelijkste bereidwilligheid een aan de hand. Dit beeld kreeg telkens verschillende gelaatstrekken, maar het had altijd gouden lokken, was gehuld in eene doorzichtige wolk, en zweefde luchtig voorbij zijn geestesoog, in een liefelijken chaos van rozen, pauwen, witte ponies en blauwe linten. Zonder een naam te geven aan die bekoorlijke schim, maakte hij haar tot zijn heldin, en kreeg haar innig lief, hetgeen niet te verwonderen was, want hij kende haar alle mogelijke gaven en bevalligheden toe, en leidde haar veilig door een reeks van beproevingen heen, die elke andere sterfelijke vrouw zouden vernietigd hebben.Dank zij deze inspiratie schoot hij geruimen tijd uitstekend op, maar langzamerhand verloor het werk zijn aantrekkelijkheid; hij liet de pen rusten, en bleef zitten mijmeren met het papier voor zich, of dwaalde door de drukke straten, om nieuwe denkbeelden op te doen en zijn geest te verfrisschen, die dezen winter bizonder ongestadig scheen te zijn. Hij deed niet veel, maar hij dacht over velerlei dingen na, en voelde, dat er onwillekeurig de een of andere verandering met hem plaats vond. “Het is misschien het bruisen van het genie—ik zal het laten bruisen, en zien wat er van komt,” zei hij, heimelijk vermoedende, dat het geen genie, maar iets anders, veel meer alledaagsch’ was. Maar wat het dan ook mocht wezen, het werkte toch iets uit, want hij werd steeds meer ontevreden met zijn onbeteekenend leven, begon te verlangen naar een bepaalde taak, waarin hij zich met hart en ziel kon verdiepen, en kwam eindelijk tot het verstandige inzicht, dat iemand, die veel van muziek houdt, daarom nog geen componist is. Toen hij op zekeren avondterugkwam uit het koninklijk theater, waar een van Mozart’s groote opera’s prachtig was opgevoerd, keek hij de zijne nog eens in, speelde een paar van de beste eindjes, zat een poosje te staren naar de busten van Mendelssohn, Beethoven en Bach, die op hun beurt welwillend op hem neerkeken; scheurde toen eensklaps al zijn volgeschreven vellen muziekpapier een voor een in stukken, en de laatste snippers wegwerpende, zei hij bedaard tegen zichzelf:“Zij heeft gelijk! talent is nog geen genie, en je kunt het er niet van maken. Die muziek heeft alle ijdelheid uit mij weggevaagd, evenals Rome haar een openbaring is geweest, en ik wil niet langer zoo dwaas zijn, er mij nog iets van voor te stellen. Ziezoo, wat zal ik nu beginnen?”Dat scheen een moeilijke vraag om te beantwoorden, en Laurie wenschte bijna, dat hij werken moest om zijn dagelijksch brood te verdienen. Zoo ooit, dan deed zich nu de gelegenheid voor “om naar den duivel te loopen,” zooals hij zich eens krachtig had uitgedrukt,—want hij had overvloed van geld, en niets te doen,—en Satan verschaft, zooals iedereen weet, graag bezigheid aan ledige handen.De arme jongen had verzoekingen genoeg van buiten en van binnen te bestrijden, maar hij weerstond ze vrij wel,—want hoe hoog hij zijn vrijheid ook mocht schatten, hij schatte ’t in hem gestelde vertrouwen nog hooger,—en zoo hielden de belofte aan zijn grootvader gedaan, en zijn wensch om de vriendinnen, die hem liefhadden, eerlijk in de oogen te kunnen zien, en te kunnen zeggen: “alles in orde,” hem op den goeden weg. Misschien zal de een of andere pessimist zeggen: “Dat geloof ik niet; jongens zijn jongens en jongelui moeten eerst hun wilde haren verliezen. Vrouwen moeten geen wonderen verwachten.” Ik laat ieder vrij te gelooven, wat hij wil, maar houd vol, dat het toch waar is. Vrouwen kunnen heel wat wonderen teweegbrengen, en ik ben er van overtuigd, dat zij zelfs het groote wonder kunnen uitwerken: het peil der mannen te doen rijzen, door te weigeren dergelijke gezegden te herhalen. Laat jongens, jongens zijn,—hoe langer hoe beter, en laten de jongemannen hun wilde haren verliezen, maar moeders, zusters en vriendinnen kunnen hun de behulpzame hand reiken in dien moeilijken tijd, door te toonen, dat zij gelooven aan de mogelijkheid van hun trouw aan die deugden, die den man doen rijzen in de schatting van goede vrouwen. Zoo het inbeelding is, laat ons er dan toch van genieten, zoolang wij kunnen, want zonder haar is de schoonheid en poëzie van het leven voor de helft verloren, en droevige voorgevoelens zouden al de hoop vernietigen, die wij koesteren omtrent de flinke, teerhartige kleine jongens, die nog altijd hun moeders liever hebben dan zich zelven, en zich niet schamen dat te bekennen.Laurie dacht, dat hij gedurende verscheiden jaren alle krachten zou hebben in te spannen om zijn liefde voor Jo te boven te komen;maar hij ontdekte tot zijn groote verbazing, dat het hem met den dag gemakkelijker viel. Hij wilde het in het begin niet gelooven, werd boos op zichzelf, en kon het niet begrijpen; maar onze harten zijn vreemde, tegenstrijdige dingen, en de tijd en de natuur doen het hunne, in weerwil van ons zelven. Laurie’s hartwildegeen pijn meer doen; de wond deed haar best om te genezen, met een snelheid die hem verbaasde, en in plaats dat hij alle krachten moest inspannen om te leeren vergeten, ontdekte hij, dat hij zich inspannen moest om er aan te denken. Hij had dezen ommekeer van zaken niet verwacht, en was er niet op voorbereid. Hij kreeg een afschuw van zichzelf, was verwonderd over zijn eigen veranderlijkheid en over het vreemde mengelmoes van teleurstellingen en verruimdheid, waarmee hij zich zoo spoedig kon herstellen van zulk een zwaren slag. Hij rakelde de sintels van zijn verloren liefde met de meeste zorg op, maar zij weigerden in lichte laaie te ontbranden; er kwam niets anders dan een weldadige gloed, die hem verwarmde en goeddeed, zonder hem koortshitte te bezorgen, en hij zag zich, hoewel met tegenzin, genoodzaakt te erkennen, dat de jeugdige hartstocht langzamerhand overging in rustige genegenheid,—zeer teeder, en nog een weinig droevig en gevoelig—maar dat zou met den tijd zeker wel overgaan, en een broederlijke liefde achterlaten, die onveranderlijk zou blijven bestaan tot aan het einde.Toen hem bij een dezer overpeinzingen het woord “broederlijk” voor den geest kwam, glimlachte hij en keek op naar het portret van Mozart, dat tegenover hem hing.“Hij was een groot man, en toen hij de eene zuster niet krijgen kon, wendde hij zich tot de andere en was gelukkig.”Laurie zei de woorden niet hardop, dácht ze alleen maar in stilte; en het volgend oogenblik kuste hij het kleine oude ringetje, fluisterend:“Neen, dat niet! Ik heb het niet vergeten, dat kan ik ook niet. Ik zal het nog eens probeeren, en als het dan weer mislukt, ja, dan—”Hij eindigde zijn zin niet, maar greep pen en papier en schreef aan Jo, dat hij niet in staat was zich tot iets te bepalen, zoolang er nog de geringste hoop bestond, dat zij van gedachten zou veranderen. Kon zij niet, wou zij niet,—zoodat hij thuis kon komen en gelukkig zijn? Hij voerde, terwijl hij op het antwoord zat te wachten, hoegenaamd niets uit, maar leefde in een koortsachtige spanning. Eindelijk kwam het, en bracht hem zekerheid op één punt,—want Jo schreef zeer bepaald, dat zij niet kon en niet wilde. Zij ging geheel en al op in Bets, en verlangde het woord “liefde” nooit weer te hooren. Daarop verzocht zij hem met iemand anders gelukkig te willen zijn, maar ten allen tijde in zijn hart een klein hoekje open te houden voor zijn liefhebbende zuster Jo. In een naschrift vroeg zij hem niet aan Amy te zeggen, dat Bets ergerwas; zij zou met het voorjaar thuiskomen, en het was niet noodig de laatste weken van haar verblijf in het buitenland te vergallen. Het zou later tijd genoeg zijn, maar Laurie moest haar maar dikwijls schrijven en zorgen, dat zij zich niet eenzaam of angstig gevoelde, of te veel naar huis verlangde.“Dat zal ik doen, en wel dadelijk. Arme, kleine meid, het zal eene treurige thuiskomst voor haar zijn, vrees ik,” en Laurie opende zijn schrijftafel, alsof een brief aan Amy het passend slot was van den volzin, dien hij eenige weken geleden onvoltooid had gelaten.Maar hij schreef toch niet dien dag; want toen hij naar zijn mooiste papier zocht, kwam hij iets tegen, dat hem van gedachte deed veranderen. Tusschen rekeningen en papieren van allerlei aard zwierven verscheiden brieven van Jo rond, en in een ander vakje van zijn schrijftafel lagen de briefjes van Amy, zorgvuldig saamgebonden met een van haar blauwe linten, dat herinneringen wekte aan de verwelkte roosjes, die er bij bewaard waren gebleven. Met een half berouwvollen, half lachenden blik, legde Laurie al de brieven van Jo bij elkander, streek ze glad, vouwde ze toe, en borg ze netjes in een klein laatje van zijn lessenaar, draaide een oogenblik in gedachten verzonken het ringetje in de rondte, deed het langzaam af, legde het bij de brieven, sloot het laatje, en ging toen naar de Kathedraal om de Hoogmis te hooren uitvoeren, met een gevoel, alsof er een begrafenis plaats had; en hoewel hij niet overstelpt was door droefheid, scheen dit toch een geschikter manier om het overige van den dag door te brengen, dan het correspondeeren met bekoorlijke jonge dames.De brief werd echter toch gauw geschreven en aanstonds beantwoord, want Amyhadheimwee, en bekende hem dat met zeer vleiende vertrouwelijkheid. De briefwisseling bloeide ongeloofelijk, en de brieven vlogen die geheele lente door, met nooit missende regelmatigheid, heen en weer. Laurie verkocht zijn busten, stak met de proeven van zijn opera zijn sigarettes aan, en ging naar Parijs terug, in de hoop, dat zeker iemand daar ook zou komen. Hij zou dolgraag naar Nice zijn gegaan, maar wilde niet, tenzij hij uitgenoodigd werd; en Amy wilde het hem niet vragen, want zij deed juist op dat oogenblik een kleine ondervinding op, die de oorzaak was, dat zij de onderzoekende oogen van “onzen jongen” eigenlijk vreesde.Fred Vaughn was teruggekomen en had haar de vraag gedaan, waarop zij vroeger besloten had “ja” te antwoorden; maar nu zei zij “neen”, wel vriendelijk, maar toch vast besloten, want toen het oogenblik daar was, ontzonk haar de moed, en bemerkte zij, dat er iets meer noodig was dan geld en een goede positie, om het nieuwe verlangen te bevredigen, dat haar hart met zooveel teedere hoop en vrees vervulde. De woorden “Fred is een goeie jongen, maar volstrekt niet de man, dien ik dacht, dat jij kiezen zou,” en Laurie’s gezicht, toen hij dat zei, kwamen met dezelfde hardnekkigheidvoor haar geest als haar eigene, toen zij met blikken, zooal niet met woorden, gezegd had: “Ik ben van plan te trouwen om geld.” Het hinderde haar nu; ze wou, dat zij ze terug kon nemen; ze klonken zoo onvrouwelijk, en ze wilde niet, dat Laurie haar zou houden voor een gevoelloos, wereldsch schepsel. Nu verlangde zij er veel meer naar om een beminnelijke vrouw te zijn dan te schitteren in de maatschappij; zij was zoo blij, dat hij haar den rug niet had toegekeerd, na al de vreeselijke dingen, die zij gezegd had, maar alles zoo goed opnam, en vriendelijker was dan ooit. Zijn brieven waren haar tot grooten troost—want de brieven van huis kwamen zoo ongeregeld en gaven niet half zooveel als de zijne, wanneer zij kwamen. Het beantwoorden was niet slechts een genoegen, maar ook een plicht, want de arme jongen voelde zich eenzaam, en moest wat afgeleid worden, nu Jo hardvochtig bleef. Zij had toch eens moeten probeeren, of zij hem niet kon liefhebben,—het kon niet zoo heel moeilijk zijn—menigeen zou trotsch en blij wezen, als zoo’n aardige jongeman van haar hield; maar Jo deed nu eenmaal nooit als andere meisjes, en dus schoot er niets over, dan maar heel vriendelijk te zijn en hem te behandelen als een broer.Als alle broers even lief behandeld werden als Laurie van nu af aan, zouden zij er veel gelukkiger aan toe wezen, dan zij nu zijn. Amy las hem nu nooit de les; zij vroeg zijn gevoelen op alle punten, stelde belang in al wat hij deed, maakte allerliefste cadeautjes voor hem, zond hem twee brieven per week, vol van allerlei levendige beschrijvingen, zusterlijk vertrouwelijke mededeelingen, en bekoorlijke schetsjes van al het moois, dat zij zag. Daar weinig broers zoo door hun zusters vereerd worden, dat ze hun brieven bij zich dragen om die telkens te lezen en te herlezen, die epistels hun tranen ontlokken, als zij kort, maar gekust worden, wanneer zij lang zijn, en als schatten bewaard worden, willen wij zelfs niet het vermoeden wekken, alsof Amy iets van die dwaze, teerhartige dingen deed. Maar zooveel is zeker, zij werd in dit voorjaar wel wat bleek en afgetrokken, verloor veel van haar lust voor allerlei uitgangetjes en ging dikwijls alleen schetsen. Zij had nooit veel te vertoonen bij haar tehuiskomst, maar bestudeerde vermoedelijk de natuur, als zij soms uren lang met gevouwen handen op het terras te Valrosa zat, of, zonder het zelf te weten, alles schetste wat haar voor den geest kwam—een dapper ridder op een graftombe, een jonge man slapend op het gras, met zijn hoed over de oogen getrokken, of een meisje met krulhaar, in een wit japonnetje, een balzaal doorwandelende, geleund op den arm van een lang heer, terwijl beider gezicht onherkenbaar was gemaakt door een groote vlek, hetgeen wel heel veilig, maar niet bepaald bevredigend kon genoemd worden.Haar tante dacht, dat zij berouw had over haar antwoord aan Fred, en toen Amy bevond, dat ontkenningen niets baatten, enopen kaart spelen ondoenlijk was, liet zij haar denken, wat zij verkoos, maar droeg intusschen zorg, Laurie te doen weten, dat Fred naar Egypte was vertrokken. Dat was alles; maar hij begreep het en voelde zich verlucht, terwijl hij met een heel gewichtig gezicht tot zich zelf zei:“Ik wist wel, dat zij zich bedenken zou. Arme jongen, ik heb het ook doorgemaakt, en kan dus met hem meevoelen.”Toen slaakte hij een diepen zucht, en alsof hij daarmee zijn plicht jegens het verledene vervuld had, vlijde hij zich gemakkelijk op de sofa, en genoot volop van Amy’s brief.Terwijl deze veranderingen plaats vonden in het buitenland, had droefheid de achtergeblevenen thuis bezocht; maar den brief die Amy meldde, dat Bets achteruit ging, kreeg zij nooit in handen; en toen zij den volgenden ontving, was het gras reeds groen boven het graf harer zuster. Het droevig nieuws bereikte haar te Vevey, want de warmte had hen in Mei uit Nice verdreven, en zij hadden langzaam doorgereisd naar Zwitserland, over Genua en de Italiaansche meren. Zij droeg het gelaten, en onderwierp zich zonder tegenspraak aan den wensch der familie, dat zij haar bezoek niet zou bekorten, want nu het toch te laat was om afscheid te nemen van Bets, deed zij beter met te blijven, waar zij was, en door tijd en afwezigheid haar droefheid te laten verzachten. Maar ze voelde zich gedrukt, verlangde erg naar huis, en liet haar blikken elken dag over het meer gaan, of zij Laurie nog niet zag aankomen om haar te troosten. Hij kwam dan ook weldra; want dezelfde mail bracht brieven aan beiden, maar hij was toen in Duitschland, en er verliepen een paar dagen, eer hij den zijne kreeg. Zoodra hij dien gelezen had, pakte hij zijn valies, nam afscheid van zijn mede-voetreizigers, en ging op weg om zijn belofte te vervullen, het hart vol vreugde en droefheid, hoop en spanning.Hij was te Vevey goed bekend, en zoodra de boot had aangelegd, haastte hij zich langs het meer naar La Tour, waar de Carrolsen pensionwaren. Het speet den knecht zeer, dat de heele familie een roeitochtje was gaan maken op het meer—maar neen, de blondemademoisellewas misschien in den tuin. Als mijnheer zich de moeite wilde geven, zoolang te gaan zitten, zou hij haar in een oogwenk roepen. Maar mijnheer kon zelfs geen oogwenk wachten en liep midden in een volzin weg, ten eindemademoisellezelf op te zoeken.’t Was een mooie, oude tuin, aan den oever van het heerlijke meer, met zware kastanjeboomen en overal klimop, terwijl de toren zijn schaduw ver over het zonnig watervlak wierp. Aan den eenen hoek van den breeden lagen muur was een bank, en hier ging Amy dikwijls heen om te lezen of te werken, of zich te troosten met de schoonheid der haar omringende natuur. Nu zat zij daar weer, het hoofd op de hand geleund, met een bezwaard, naar huis verlangend hart en droeve oogen, mijmerend over Betsy, en zichafvragend waarom Laurie nog niet kwam. Zij hoorde niet hoe hij de plaats overstak, en zag niet hoe hij stil bleef staan onder de poort, die naar den tuin voerde. Hij stond daar een oogenblik en beschouwde haar in een nieuw licht, want hij zag, wat niemand nog ooit gezien had—den teederen kant van Amy’s karakter. Alles aan haar getuigde van liefde en droefheid; de met tranen bevlekte brieven op haar schoot, de zwarte strik in haar haar, de uitdrukking van smart en geduld op haar bleek gezichtje, zelfs het kleine ivoren kruisje om haar hals scheen tot Laurie’s hart te spreken, want hij had het haar gegeven, en zij droeg het als eenig sieraad. Als hij nog eenigen twijfel mocht hebben gekoesterd omtrent de ontvangst, die zij hem zou geven, werd deze weggenomen, zoodra zij opkeek en hem zag; want zij liet alles op den grond vallen, liep naar hem toe, en riep op een toon, die duidelijk haar liefde en verlangen verried:“O, Laurie, Laurie! Ik wist wel, dat je bij mij komen zou!”Ik geloof, dat alles toen wel een feit werd, want terwijl zij daar zoo stil bij elkander stonden, en het donkergelokte hoofd zich zoo beschermend boog over het blonde kopje, gevoelde Amy, dat niemand haar zoo goed kon troosten en ondersteunen als Laurie, en Laurie kwam tot de overtuiging, dat Amy de eenige vrouw ter wereld was, die Jo’s plaats zou kunnen innemen en hem gelukkig maken. Hij zei het haar wel niet, maar dat stelde haar niet teleur, want beiden gevoelden hoe de zaken stonden, waren tevreden, en lieten met vreugde alles verder aan den tijd over.Na een oogenblik ging Amy weer naar haar plaats terug, en terwijl zij haar tranen droogde, raapte Laurie de gevallen papieren weer op en vond in het herkennen van verscheiden veel gelezen brieven en verraderlijke schetsjes goede voorteekens voor de toekomst. Toen hij naast haar ging zitten, werd Amy wat verlegen, en bloosde ze bij de herinnering aan haar onstuimige ontvangst.“Ik kon het niet helpen, ik voelde mij zoo eenzaam en ongelukkig en was zoo ontzettend blij, toen ik je weer zag. Het was zoo’n verrassing, toen ik opkeek en jou zag staan, en dat juist terwijl ik begon te vreezen, dat je niet komen zou,” zei zij, zich te vergeefs inspannend om volkomen natuurlijk te spreken.“Ik kwam, zoodra ik het hoorde. Ik wou, dat ik iets zeggen kon om je te troosten over het verlies van onze lieve Bets, maar ik kan alleen met je mee voelen, en—” hier bleef hij steken, want hij werd ook plotseling verlegen en wist niet recht, wat hij zeggen zou. Liefst zou hij Amy’s hoofd op zijn schouder getrokken hebben, om haar eens goed te laten uitschreien, maar hij durfde niet, en bepaalde er zich dus maar toe haar hand te vatten en die hartelijk te drukken, hetgeen beter was dan woorden.“Je hoeft niets te zeggen,—dit troost mij al,” zei zij zacht, “Bets is tot rust en gelukkig, en ik mag haar niet terugwenschen; maar ik zie zoo op tegen het naar huis gaan, hoewel ik toch ook zoovreeselijk naar allen verlang. We moeten er nu maar niet te veel over spreken, want het maakt mij aan het schreien, en ik wou graag van je genieten, zoolang je hier bent. Je hoeft toch niet dadelijk weer terug te gaan, wel?”“Niet, als jij mij noodig hebt, kleintje.”“O, zoo erg! Tante en Flo zijn heel lief, maar jij bent toch nog meer dan zij éen van de onzen, en ik zou het zoo heerlijk vinden, als je een poosje hier bleef.”Amy sprak en zag er uit als een bedroefd kind, dat erg naar huis verlangt, zoodat Laurie eensklaps al zijn schroom vergat, en haar gaf, wat zij noodig had, het vertroetelen, waaraan zij gewoon was, en het vertrouwelijk praatje, dat haar opfleurde.“Arm kleintje, je ziet er uit, of je half ziek bent van verdriet. Ik zal je wel eens verzorgen! Schrei nu maar niet langer, maar kom wat met me op- en neerloopen,—de wind is te schraal om hier stil te zitten,” zei hij op den half teederen, half bevelenden toon, dien Amy zoo graag hoorde; daarop zette zij haar hoed op, legde haar hand op zijn arm en begon in den zonneschijn heen en weer te wandelen, onder de uitbottende kastanjeboomen. Hij voelde zich meer op zijn gemak, nu hij zijn lange beenen gebruiken kon, en Amy vond het heerlijk te kunnen steunen op zijn sterken arm, het welbekende gezicht, dat haar zoo opbeurend toelachte, weer te zien, en zijn vriendelijke stem nu eens voor haar alleen zoo hartelijk en gezellig te hooren praten. De oude tuin had al menig paar gelieven geherbergd, en scheen bepaald ten hunnen gerieve aangelegd, daar hij zoo zonnig en rustig was—niemand toch, die hen kon bespieden dan de oude toren en het blauwe meer, dat aan hun voeten zijn kabbelende golfjes deed spelen en de echo hunner woorden wegvoerde. Dit nieuwe paar wandelde en praatte wel een uur lang; soms ook rustten zij eens op het lage muurtje, met volle teugen genietende van de weemoedig-gelukkige indrukken, die zoo’n eigenaardige bekoring bijzetten aan tijd en plaats, en toen een prozaïsche etensbel hen waarschuwde, dat er een eind komt aan alle dingen, had Amy een gevoel alsof zij haar zwaren last van eenzaamheid en droefheid in den ouden tuin achterliet.Zoodra mevrouw Carrol het opgeklaarde gezichtje zag, viel haar een nieuw denkbeeld in, en zei zij tot zich zelf: “Nu begrijp ik alles; het kind treurde om den jongen Laurence. Wel, wel, dat is nog nooit in mij opgekomen!”De goede mevrouw hield met lofwaardige bescheidenheid al deze dingen voor zich, gaf door geen enkel teeken te kennen, dat zij iets merkte, maar drong er hartelijk bij Laurie op aan, dat hij zou blijven, en ried Amy toch maar veel van zijn bijzijn te genieten, daar dat haar meer goed zou doen dan die eenzame wandelingen. Amy was een toonbeeld van gehoorzaamheid, en daar haar tante nog al eens met Flo uit moest, liet ze het aan Amy over haar vriend bezig te houden, wat haar buitengewoon goed gelukte.Te Nice had Laurie zijn tijd verbeuzeld, en Amy moeten knorren; te Vevey was Laurie nooit lui, maar altijd druk bezig met wandelen, rijden, roeien of studeeren, terwijl Amy, al wat hij deed, bewonderde en zijn voorbeeld volgde, voor zoover dat kon. Hij zei, dat die verandering toe te schrijven was aan het klimaat, en zij sprak hem niet tegen, blij hetzelfde excuus te hebben voor haar eigen opgewektheid en herstelde gezondheid.De versterkende lucht deed beiden goed, en veel beweging bracht gunstige verandering aan, zoowel lichamelijk als geestelijk. Het was alsof zij op de eeuwenoude bergen een duidelijker inzicht kregen in het leven en zijn plichten; de frissche wind verdreef droeve twijfelingen, bedriegelijke inbeeldingen en sombere hersenschimmen. De warme lentezon riep alle mogelijke hoogerstrevende begeerten, teedere verlangens en gelukkige gedachten wakker,—het meer scheen de zorgen van het verleden weg te spoelen, en het was alsof de trotsche oude bergen vriendelijk op hen neerkeken en hun toefluisterden: “Kinderen, hebt elkander lief.”In weerwil van het pas geleden verlies, waren het recht gelukkige dagen,—zoo gelukkig dat Laurie het niet van zich kon verkrijgen ze door een enkel woord te verstoren. Het duurde een poosje, eer hij van zijn verbazing bekwam over het spoedig genezen van zijn eerste, en naar hij stellig geloofd had, laatste en eenige liefde. Hij troostte zich over die schijnbare ontrouw, door de gedachte, dat Jo’s zuster bijna op hetzelfde neerkwam als Jo-zelf, en de overtuiging, dat het onmogelijk zou geweest zijn iemand anders dan Amy zoo kort daarna en zoo innig lief te krijgen. Zijn eerste liefde was van stormachtigen aard geweest; hij zag er op terug, en met een gemengd gevoel van medelijden en spijt alsof zij reeds jaren lang achter hem lag. Hij schaamde er zich niet over, maar begroef haar als een der bitter-zoete ondervindingen zijns levens, waarvoor hij dankbaar kon zijn, nu de smart gelenigd was. In zijn tweede liefdesgeschiedenis zou hij zich zoo kalm en eenvoudig mogelijk gedragen, besloot hij; het was niet noodig er veel beweging van te maken, bijna overbodig Amy met ronde woorden te zeggen, dat hij haar liefhad; zij wist het toch wel, en had hem reeds lang haar antwoord gegeven. Alles ging zoo natuurlijk en als vanzelf, dat niemand zich kon beklagen, en hij wist dat iedereen er mee ingenomen zou zijn,—zelfs Jo. Maar als onze eerste liefde onbeantwoord is gebleven, zijn wij zoo licht geneigd voorzichtig en langzaam te werk te gaan, bij het wagen van een tweede poging; daarom liet Laurie de dagen voorbijglijden, genietende van ieder uur, en het aan ’t toeval overlatende het woord uit te spreken, dat een eind zou maken aan het eerste en liefelijkste gedeelte van zijn nieuwen roman.Eigenlijk had hij zich voorgesteld, dat de ontknooping plaats zou vinden in den ouden tuin, bij maanlicht en op de meest poëtische en teedere manier, maar het viel heel anders uit,—want de zaakwerd op het meer beslist, op klaarlichten dag, met enkele korte woorden. Zij hadden den ganschen morgen gedobberd op het water, van het sombere St. Gingolf naar het zonnige Montreux, de Savooische Alpen aan de eene, de St. Bernard en de Dent du Midi aan de andere zijde, het liefelijk Vevey in de vallei, en Lausanne in de verte heuvelopwaarts, met een wolkeloozen hemel boven hun hoofd, en het blauwe meer onder hun voeten, bezaaid met de schilderachtige bootjes, die zooveel gelijken op witgevleugelde zeemeeuwen.Zij hadden gesproken over Bonnivard, toen zij langs Chillon voeren, en over Rousseau, toen zij hun blik lieten gaan over Clarens, waar hij zijn Heloïse schreef. Geen van beiden had het verhaal gelezen, maar zij wisten, dat het een liefdesgeschiedenis was, en in stilte vroegen zij zich af, of die wel half zoo belangwekkend zou wezen als de hunne. Amy had, gedurende een kleine pauze in het gesprek, het water tegen haar hand laten kabbelen, en toen zij opkeek, zat Laurie op zijn riemen te leunen met een uitdrukking in zijn oogen, die haar haastig deed zeggen: (alleen om het stilzwijgen af te breken) “Je zult wel moe zijn; rust een poosje en laat ik eens roeien; het zal mij goed doen, want sedert jij gekomen bent, ben ik veel te lui en te gemakzuchtig geworden.”“Ik ben niet moe, maar je kunt als je wilt, wel een riem krijgen. Er is plaats genoeg, hoewel ik wel bijna in het midden mag zitten, om de boot in evenwicht te houden,” antwoordde Laurie, alsof hij die schikking wel aardig vond. Amy nam, ofschoon zij begreep, dat de zaak er niet beter op geworden was, het aangeboden derde gedeelte der bank in, zette haar hoed wat in haar gezicht, en pakte een riem. Zij roeide goed, zooals zij trouwens de meeste dingen goed deed, en hoewel zij beide handen gebruikte en Laurie slechts één, hielden de riemen maat, en gleed de boot zachtkens over het water.“Wat roeien wij samen gelijk, vind je niet,” vroeg Amy, die op dat oogenblik liever geen nieuwe pauze zag intreden.“Zoo gelijk, dat ik wou, dat wij altijd in hetzelfde schuitje konden varen. Wil je, Amy?” vroeg hij op teederen toon.“Ja, Laurie!”—heel zachtjes.Toen lieten beiden de riemen rusten en voegden zonder het zelf te weten, een allerliefst tableau van menschelijke liefde en geluk, bij de weerspiegelingen van het schoone natuurtafereel in het heldere water.HOOFDSTUK XIX.ALLEEN.Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander, en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld; maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk haar belofte te houden.Hoe kon zij “Vader en Moeder vertroosten,” terwijl haar eigen hart pijn deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij “het huis gezellig maken,” nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een nieuw; en waar ter wereld kon zij “eenig nuttig en aangenaam werk vinden,” dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht te doen, maar ’t ging op een troostelooze wijze, in ’t blinde weg en kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd, haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde, meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning, niets dan teleurstelling, leed en hard werk.Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. “Ik kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo’n leven, en ik weet dat ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs doe, als de een of ander mij niet komt helpen,” zei zij tot zichzelf, toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.Maar er kwamen wel “iemanden” om haar te helpen, hoewel Jo niet dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten, die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen schrikte zij ’s nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed uitroepen: “O, Bets! kom terug! kóm terug!” dan strekte zij haar smeekende armen niet te vergeefs uit;want evenmin als de geringste beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen, die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen, en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig: “Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!”“Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit,” antwoordde hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo zich op Betsy’s kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten; want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige uren in de oude studeerkamer, door Jo “de kerk voor één gemeentelid” genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn, ongebruikt te laten voorbijgaan.Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken, en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stofferen theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger, want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen, te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig volgde zij Betsy’s ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand eens een hartelijk drukje gaf en zei: “Goed, zorgzaam schepsel! je doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen, wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien, dat Hij het doet.”Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten, hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel zij allen voor elkander waren.“Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid zich aanbood,” zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de woelige kinderkamer.“Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij, en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel er wel afvallen.”“De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke, en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een zak gestopt te worden,” antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden, want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.Meta lachte, blij Jo’s vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven, maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht, vooral daar twee van Meta’s meest afdoende argumenten de kinderen waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed “voor den zak”; nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en dan zou niet eenjongenhaar door ongeduldig schudden veroveren, maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen van den bolster, en den gaven, zoeten kernte bereiken. Had zij dit kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan, met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar zemet blijdschapte vervullen—zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd, dat zij “iets grootsch” wenschte te doen, het kwam er niet op aan, hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,—want wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder, en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen, plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?De Voorzienigheid had haar aan haar woord gehouden; hier was de taak,—niet zooals ze die verwacht had, maar een betere, omdat het eigen ik er geen rol in speelde en—kon zij haar nu vervullen? Zij besloot het te beproeven; en bij haar eerste pogen vond zij al hulp, bij die haar liefhadden. Nog een andere werd haar toegezonden, en zij nam die aan,—niet als een belooning, maar als een vertroosting, zooals Christiaan met dankbaarheid genoot van de verfrissching, die het kleine boschje hem bood, toen hij den heuvel “Moeilijkheid” beklom1.“Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo graag,” zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote moedeloosheid doorworstelde.“Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft toch iets om mijn verhalen.”“Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker, dat het je goed zou doen, enonsveel genoegen zou geven.”“Ik geloof niet, dat het zal lukken.” Maar Jo haalde toch haar lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens door te zien.Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur,en daar zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het, zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder veel opgang voor zoo’n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.“Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?” vroeg zij met de grootste verwondering.“Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind; je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best, en wees even gelukkig over je succes als wij.”“Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en Bets,” zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door eenigen lof van de buitenwereld.Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen, en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten, en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen, menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March, dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen voor “de kinderen”, nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om ’t hardst verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken, want niemand had iets tegen dit verbond.“U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?” vroeg Jo, de fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.“Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat iets beters, dan wat jij ‘de koopmansgeest’ noemt, in haarhart was gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden, dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen.”“Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen; u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd.”“Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven, om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was.”“Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn.”“Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen, te hooren, dat je ‘Teddy’ iemand anders had lief gekregen.”“Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt, en misschien het zuiverst was?”“Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij, kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft; daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen vervullen, als hij het nu nog eens beproefde.”“Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, ‘ja’ gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging, maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen.”“Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je belooning zal geven.”“Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn moedertje wel in ’t oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel kon bevatten—het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen, geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie; ik begrijp het niet.”“Ik wel,” en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.“Het is zoo’n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie; hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig, en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op, dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om, dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij denktdat ik ben, want ik heb mijn ‘kapitein’ met hart en ziel lief, en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder, ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!”“En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!” en Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af, waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar liefde was sterk, en Amy’s geluk wekte den vurigen wensch in haar op, ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.Op den zolder, waar Jo’s doelloos omdwalen tot een einde kwam, stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend, en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor, begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.“Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat laat worden, maar ik zal zeker komen.”“O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf heel alleen.”Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit verlatenheid, of neerslachtigheid? of was ’t het ontwaken van een gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij, die het inboezemde? Wie zal het zeggen?1Uit Bunyan’s “Reize naar de Eeuwigheid.”
HOOFDSTUK XVIII.Laurie zoekt te vergeten.Amy’s vermaning deed Laurie goed, hoewel hij dat natuurlijk eerst veel later erkende; mannen zijn daar nooit zeer vlug mee. Wanneer de vrouwen een raad geven, nemen de heeren der schepping dien niet aan, tenzij zij zichzelf in den waan gebracht hebben, dat het juist was, wat zij van plan waren te doen; dan handelenzij er naar, en geven, als het goed uitkomt, aan het zwakkere geslacht de helft van de eer; komt het echter verkeerd uit, dan geven zij haar edelmoedig de geheele schuld.Laurie ging naar zijn grootvader terug, en wijdde zich gedurende verscheiden weken zoo met hart en ziel aan hem, dat de oude heer verklaarde, dat de lucht van Nice hem verwonderlijk veel goed had gedaan, en hij niet beter kon doen, dan er nogeens heen te gaan. Het jongmensch had niets liever gedaan—maar geen macht ter wereld zou hem terug hebben kunnen drijven, na de ontvangen berisping; zijn trots verbood het hem,—en werd soms het verlangen zeer sterk, dan verlevendigde hij zijn besluit, door de woorden te herhalen, die den diepsten indruk op hem gemaakt hadden: “Ik veracht je”, en, “Ga heen, en doe iets kranigs, dat haar zaldwingenvan je te houden.”Laurie keerde de zaak zoo dikwijls in zijn gedachten rond, dat hij weldra tot het inzicht kwam, dat hij werkelijk lui en zelfzuchtig was geweest, maar als een man een leed met zich omdraagt, heeft hij toch immers recht op alle soorten van verzetjes, totdat hij zijn smart is te boven gekomen! Hij voelde, dat zijn verwoeste liefde nu geheel en al dood was, en hoewel hij haar zijn leven trouw beweenen zou, vond hij het toch niet bepaald noodzakelijk zijn rouw zoo openlijk te blijven dragen. Jo wilde hem niet liefhebben, maar hij zou haar toch dwingen hem te achten en te bewonderen, door iets te doen, wat ten bewijze kon strekken, dat het “neen” van een meisje zijn leven niet bedorven had. Hij was altijd van plan geweest het een of ander aan te pakken, Amy’s raad kwam dus totaal overbodig. Hij had alleen maar gewacht, totdat bovengenoemde verwoeste liefde behoorlijk begraven zou zijn; zoodra dit gebeurd was, voelde hij zich in staat zijn gewond hart stil in zich om te dragen en den levensstrijd voort te zetten.Evenals Goethe, wanneer hij vreugde of droefheid ondervond, dit in een lied moest uitstorten, besloot Laurie nu om zijn liefdessmart te verheerlijken in een compositie, en een Requiem te vervaardigen, dat Jo’s ziel zou verscheuren, en het hart van ieder die het hoorde, zou doen smelten. Toen dus de oude heer bemerkte, dat hij opnieuw rusteloos en somber begon te worden, en hem raadde de reisstaf weer ter hand te nemen, ging hij naar Weenen, waar hij muzikale vrienden had, en zette zich aan den arbeid, met het vaste plan zich te onderscheiden. Maar, hetzij zijn droefheid te groot was om zich te laten belichamen in muziek, hetzij muziek iets te etherisch is om er menschelijk leed in op te lossen, hij ontdekte weldra, dat het Requiem, ten minste vooralsnog, zijn krachten te boven ging. Ook bleek, dat zijn geest nog niet tot werken geschikt was, en zijn gedachten nog opklaring noodig hadden; want het gebeurde menigmaal, dat hij zich, midden in een droefgeestige passage, op het neuriën van een danswijsje betrapte, en het Kerstmisbal te Nice levendig voor zijn verbeelding trad—vooral diestevige Franschman,—die voor ’t oogenblik krachtdadig een einde maakte aan elke tragische compositie.Toen probeerde hij het eens met een opera, want niets scheen hem in het begin onmogelijk, maar ook hier ontmoette hij allerlei onvoorziene moeilijkheden. Hij wilde Jo tot de heldin maken, en riep zijn geheugen te hulp, om hem eenige liefelijke tooneeltjes en romantische voorstellingen van zijn geliefde te binnen te brengen. Maar zijn geheugen speelde hem parten, en wilde, alsof het door den ondeugenden geest van het meisje zelve bezeten was, alleen Jo’s dwaasheden, gebreken en grillen voor hem oproepen; deed hem haar alleen in de bespottelijkste houdingen zien—hoe zij b. v. matten uitklopte, het hoofd omwonden met een bonten zijden doek, of zich verschanste achter het canapékussen, of hem een stortbad toediende om zijn hartstocht te blusschen,—en een niet te bedwingen lach bedierf het aandoenlijke beeld, dat hij trachtte te schilderen. Zijn aangebedene was met geen mogelijkheid tot heldin te maken van een opera, en hij moest het opgeven met een: “Ze is de plaag van mijn leven!” en een ruk aan zijn kuif, zooals een wanhopig componist past.Toen hij daarna eens omzag naar een minder onhandelbare jonkvrouw, die hij in zijn toondicht zou kunnen vereeuwigen, deed zijn geheugen er hem met de vriendelijkste bereidwilligheid een aan de hand. Dit beeld kreeg telkens verschillende gelaatstrekken, maar het had altijd gouden lokken, was gehuld in eene doorzichtige wolk, en zweefde luchtig voorbij zijn geestesoog, in een liefelijken chaos van rozen, pauwen, witte ponies en blauwe linten. Zonder een naam te geven aan die bekoorlijke schim, maakte hij haar tot zijn heldin, en kreeg haar innig lief, hetgeen niet te verwonderen was, want hij kende haar alle mogelijke gaven en bevalligheden toe, en leidde haar veilig door een reeks van beproevingen heen, die elke andere sterfelijke vrouw zouden vernietigd hebben.Dank zij deze inspiratie schoot hij geruimen tijd uitstekend op, maar langzamerhand verloor het werk zijn aantrekkelijkheid; hij liet de pen rusten, en bleef zitten mijmeren met het papier voor zich, of dwaalde door de drukke straten, om nieuwe denkbeelden op te doen en zijn geest te verfrisschen, die dezen winter bizonder ongestadig scheen te zijn. Hij deed niet veel, maar hij dacht over velerlei dingen na, en voelde, dat er onwillekeurig de een of andere verandering met hem plaats vond. “Het is misschien het bruisen van het genie—ik zal het laten bruisen, en zien wat er van komt,” zei hij, heimelijk vermoedende, dat het geen genie, maar iets anders, veel meer alledaagsch’ was. Maar wat het dan ook mocht wezen, het werkte toch iets uit, want hij werd steeds meer ontevreden met zijn onbeteekenend leven, begon te verlangen naar een bepaalde taak, waarin hij zich met hart en ziel kon verdiepen, en kwam eindelijk tot het verstandige inzicht, dat iemand, die veel van muziek houdt, daarom nog geen componist is. Toen hij op zekeren avondterugkwam uit het koninklijk theater, waar een van Mozart’s groote opera’s prachtig was opgevoerd, keek hij de zijne nog eens in, speelde een paar van de beste eindjes, zat een poosje te staren naar de busten van Mendelssohn, Beethoven en Bach, die op hun beurt welwillend op hem neerkeken; scheurde toen eensklaps al zijn volgeschreven vellen muziekpapier een voor een in stukken, en de laatste snippers wegwerpende, zei hij bedaard tegen zichzelf:“Zij heeft gelijk! talent is nog geen genie, en je kunt het er niet van maken. Die muziek heeft alle ijdelheid uit mij weggevaagd, evenals Rome haar een openbaring is geweest, en ik wil niet langer zoo dwaas zijn, er mij nog iets van voor te stellen. Ziezoo, wat zal ik nu beginnen?”Dat scheen een moeilijke vraag om te beantwoorden, en Laurie wenschte bijna, dat hij werken moest om zijn dagelijksch brood te verdienen. Zoo ooit, dan deed zich nu de gelegenheid voor “om naar den duivel te loopen,” zooals hij zich eens krachtig had uitgedrukt,—want hij had overvloed van geld, en niets te doen,—en Satan verschaft, zooals iedereen weet, graag bezigheid aan ledige handen.De arme jongen had verzoekingen genoeg van buiten en van binnen te bestrijden, maar hij weerstond ze vrij wel,—want hoe hoog hij zijn vrijheid ook mocht schatten, hij schatte ’t in hem gestelde vertrouwen nog hooger,—en zoo hielden de belofte aan zijn grootvader gedaan, en zijn wensch om de vriendinnen, die hem liefhadden, eerlijk in de oogen te kunnen zien, en te kunnen zeggen: “alles in orde,” hem op den goeden weg. Misschien zal de een of andere pessimist zeggen: “Dat geloof ik niet; jongens zijn jongens en jongelui moeten eerst hun wilde haren verliezen. Vrouwen moeten geen wonderen verwachten.” Ik laat ieder vrij te gelooven, wat hij wil, maar houd vol, dat het toch waar is. Vrouwen kunnen heel wat wonderen teweegbrengen, en ik ben er van overtuigd, dat zij zelfs het groote wonder kunnen uitwerken: het peil der mannen te doen rijzen, door te weigeren dergelijke gezegden te herhalen. Laat jongens, jongens zijn,—hoe langer hoe beter, en laten de jongemannen hun wilde haren verliezen, maar moeders, zusters en vriendinnen kunnen hun de behulpzame hand reiken in dien moeilijken tijd, door te toonen, dat zij gelooven aan de mogelijkheid van hun trouw aan die deugden, die den man doen rijzen in de schatting van goede vrouwen. Zoo het inbeelding is, laat ons er dan toch van genieten, zoolang wij kunnen, want zonder haar is de schoonheid en poëzie van het leven voor de helft verloren, en droevige voorgevoelens zouden al de hoop vernietigen, die wij koesteren omtrent de flinke, teerhartige kleine jongens, die nog altijd hun moeders liever hebben dan zich zelven, en zich niet schamen dat te bekennen.Laurie dacht, dat hij gedurende verscheiden jaren alle krachten zou hebben in te spannen om zijn liefde voor Jo te boven te komen;maar hij ontdekte tot zijn groote verbazing, dat het hem met den dag gemakkelijker viel. Hij wilde het in het begin niet gelooven, werd boos op zichzelf, en kon het niet begrijpen; maar onze harten zijn vreemde, tegenstrijdige dingen, en de tijd en de natuur doen het hunne, in weerwil van ons zelven. Laurie’s hartwildegeen pijn meer doen; de wond deed haar best om te genezen, met een snelheid die hem verbaasde, en in plaats dat hij alle krachten moest inspannen om te leeren vergeten, ontdekte hij, dat hij zich inspannen moest om er aan te denken. Hij had dezen ommekeer van zaken niet verwacht, en was er niet op voorbereid. Hij kreeg een afschuw van zichzelf, was verwonderd over zijn eigen veranderlijkheid en over het vreemde mengelmoes van teleurstellingen en verruimdheid, waarmee hij zich zoo spoedig kon herstellen van zulk een zwaren slag. Hij rakelde de sintels van zijn verloren liefde met de meeste zorg op, maar zij weigerden in lichte laaie te ontbranden; er kwam niets anders dan een weldadige gloed, die hem verwarmde en goeddeed, zonder hem koortshitte te bezorgen, en hij zag zich, hoewel met tegenzin, genoodzaakt te erkennen, dat de jeugdige hartstocht langzamerhand overging in rustige genegenheid,—zeer teeder, en nog een weinig droevig en gevoelig—maar dat zou met den tijd zeker wel overgaan, en een broederlijke liefde achterlaten, die onveranderlijk zou blijven bestaan tot aan het einde.Toen hem bij een dezer overpeinzingen het woord “broederlijk” voor den geest kwam, glimlachte hij en keek op naar het portret van Mozart, dat tegenover hem hing.“Hij was een groot man, en toen hij de eene zuster niet krijgen kon, wendde hij zich tot de andere en was gelukkig.”Laurie zei de woorden niet hardop, dácht ze alleen maar in stilte; en het volgend oogenblik kuste hij het kleine oude ringetje, fluisterend:“Neen, dat niet! Ik heb het niet vergeten, dat kan ik ook niet. Ik zal het nog eens probeeren, en als het dan weer mislukt, ja, dan—”Hij eindigde zijn zin niet, maar greep pen en papier en schreef aan Jo, dat hij niet in staat was zich tot iets te bepalen, zoolang er nog de geringste hoop bestond, dat zij van gedachten zou veranderen. Kon zij niet, wou zij niet,—zoodat hij thuis kon komen en gelukkig zijn? Hij voerde, terwijl hij op het antwoord zat te wachten, hoegenaamd niets uit, maar leefde in een koortsachtige spanning. Eindelijk kwam het, en bracht hem zekerheid op één punt,—want Jo schreef zeer bepaald, dat zij niet kon en niet wilde. Zij ging geheel en al op in Bets, en verlangde het woord “liefde” nooit weer te hooren. Daarop verzocht zij hem met iemand anders gelukkig te willen zijn, maar ten allen tijde in zijn hart een klein hoekje open te houden voor zijn liefhebbende zuster Jo. In een naschrift vroeg zij hem niet aan Amy te zeggen, dat Bets ergerwas; zij zou met het voorjaar thuiskomen, en het was niet noodig de laatste weken van haar verblijf in het buitenland te vergallen. Het zou later tijd genoeg zijn, maar Laurie moest haar maar dikwijls schrijven en zorgen, dat zij zich niet eenzaam of angstig gevoelde, of te veel naar huis verlangde.“Dat zal ik doen, en wel dadelijk. Arme, kleine meid, het zal eene treurige thuiskomst voor haar zijn, vrees ik,” en Laurie opende zijn schrijftafel, alsof een brief aan Amy het passend slot was van den volzin, dien hij eenige weken geleden onvoltooid had gelaten.Maar hij schreef toch niet dien dag; want toen hij naar zijn mooiste papier zocht, kwam hij iets tegen, dat hem van gedachte deed veranderen. Tusschen rekeningen en papieren van allerlei aard zwierven verscheiden brieven van Jo rond, en in een ander vakje van zijn schrijftafel lagen de briefjes van Amy, zorgvuldig saamgebonden met een van haar blauwe linten, dat herinneringen wekte aan de verwelkte roosjes, die er bij bewaard waren gebleven. Met een half berouwvollen, half lachenden blik, legde Laurie al de brieven van Jo bij elkander, streek ze glad, vouwde ze toe, en borg ze netjes in een klein laatje van zijn lessenaar, draaide een oogenblik in gedachten verzonken het ringetje in de rondte, deed het langzaam af, legde het bij de brieven, sloot het laatje, en ging toen naar de Kathedraal om de Hoogmis te hooren uitvoeren, met een gevoel, alsof er een begrafenis plaats had; en hoewel hij niet overstelpt was door droefheid, scheen dit toch een geschikter manier om het overige van den dag door te brengen, dan het correspondeeren met bekoorlijke jonge dames.De brief werd echter toch gauw geschreven en aanstonds beantwoord, want Amyhadheimwee, en bekende hem dat met zeer vleiende vertrouwelijkheid. De briefwisseling bloeide ongeloofelijk, en de brieven vlogen die geheele lente door, met nooit missende regelmatigheid, heen en weer. Laurie verkocht zijn busten, stak met de proeven van zijn opera zijn sigarettes aan, en ging naar Parijs terug, in de hoop, dat zeker iemand daar ook zou komen. Hij zou dolgraag naar Nice zijn gegaan, maar wilde niet, tenzij hij uitgenoodigd werd; en Amy wilde het hem niet vragen, want zij deed juist op dat oogenblik een kleine ondervinding op, die de oorzaak was, dat zij de onderzoekende oogen van “onzen jongen” eigenlijk vreesde.Fred Vaughn was teruggekomen en had haar de vraag gedaan, waarop zij vroeger besloten had “ja” te antwoorden; maar nu zei zij “neen”, wel vriendelijk, maar toch vast besloten, want toen het oogenblik daar was, ontzonk haar de moed, en bemerkte zij, dat er iets meer noodig was dan geld en een goede positie, om het nieuwe verlangen te bevredigen, dat haar hart met zooveel teedere hoop en vrees vervulde. De woorden “Fred is een goeie jongen, maar volstrekt niet de man, dien ik dacht, dat jij kiezen zou,” en Laurie’s gezicht, toen hij dat zei, kwamen met dezelfde hardnekkigheidvoor haar geest als haar eigene, toen zij met blikken, zooal niet met woorden, gezegd had: “Ik ben van plan te trouwen om geld.” Het hinderde haar nu; ze wou, dat zij ze terug kon nemen; ze klonken zoo onvrouwelijk, en ze wilde niet, dat Laurie haar zou houden voor een gevoelloos, wereldsch schepsel. Nu verlangde zij er veel meer naar om een beminnelijke vrouw te zijn dan te schitteren in de maatschappij; zij was zoo blij, dat hij haar den rug niet had toegekeerd, na al de vreeselijke dingen, die zij gezegd had, maar alles zoo goed opnam, en vriendelijker was dan ooit. Zijn brieven waren haar tot grooten troost—want de brieven van huis kwamen zoo ongeregeld en gaven niet half zooveel als de zijne, wanneer zij kwamen. Het beantwoorden was niet slechts een genoegen, maar ook een plicht, want de arme jongen voelde zich eenzaam, en moest wat afgeleid worden, nu Jo hardvochtig bleef. Zij had toch eens moeten probeeren, of zij hem niet kon liefhebben,—het kon niet zoo heel moeilijk zijn—menigeen zou trotsch en blij wezen, als zoo’n aardige jongeman van haar hield; maar Jo deed nu eenmaal nooit als andere meisjes, en dus schoot er niets over, dan maar heel vriendelijk te zijn en hem te behandelen als een broer.Als alle broers even lief behandeld werden als Laurie van nu af aan, zouden zij er veel gelukkiger aan toe wezen, dan zij nu zijn. Amy las hem nu nooit de les; zij vroeg zijn gevoelen op alle punten, stelde belang in al wat hij deed, maakte allerliefste cadeautjes voor hem, zond hem twee brieven per week, vol van allerlei levendige beschrijvingen, zusterlijk vertrouwelijke mededeelingen, en bekoorlijke schetsjes van al het moois, dat zij zag. Daar weinig broers zoo door hun zusters vereerd worden, dat ze hun brieven bij zich dragen om die telkens te lezen en te herlezen, die epistels hun tranen ontlokken, als zij kort, maar gekust worden, wanneer zij lang zijn, en als schatten bewaard worden, willen wij zelfs niet het vermoeden wekken, alsof Amy iets van die dwaze, teerhartige dingen deed. Maar zooveel is zeker, zij werd in dit voorjaar wel wat bleek en afgetrokken, verloor veel van haar lust voor allerlei uitgangetjes en ging dikwijls alleen schetsen. Zij had nooit veel te vertoonen bij haar tehuiskomst, maar bestudeerde vermoedelijk de natuur, als zij soms uren lang met gevouwen handen op het terras te Valrosa zat, of, zonder het zelf te weten, alles schetste wat haar voor den geest kwam—een dapper ridder op een graftombe, een jonge man slapend op het gras, met zijn hoed over de oogen getrokken, of een meisje met krulhaar, in een wit japonnetje, een balzaal doorwandelende, geleund op den arm van een lang heer, terwijl beider gezicht onherkenbaar was gemaakt door een groote vlek, hetgeen wel heel veilig, maar niet bepaald bevredigend kon genoemd worden.Haar tante dacht, dat zij berouw had over haar antwoord aan Fred, en toen Amy bevond, dat ontkenningen niets baatten, enopen kaart spelen ondoenlijk was, liet zij haar denken, wat zij verkoos, maar droeg intusschen zorg, Laurie te doen weten, dat Fred naar Egypte was vertrokken. Dat was alles; maar hij begreep het en voelde zich verlucht, terwijl hij met een heel gewichtig gezicht tot zich zelf zei:“Ik wist wel, dat zij zich bedenken zou. Arme jongen, ik heb het ook doorgemaakt, en kan dus met hem meevoelen.”Toen slaakte hij een diepen zucht, en alsof hij daarmee zijn plicht jegens het verledene vervuld had, vlijde hij zich gemakkelijk op de sofa, en genoot volop van Amy’s brief.Terwijl deze veranderingen plaats vonden in het buitenland, had droefheid de achtergeblevenen thuis bezocht; maar den brief die Amy meldde, dat Bets achteruit ging, kreeg zij nooit in handen; en toen zij den volgenden ontving, was het gras reeds groen boven het graf harer zuster. Het droevig nieuws bereikte haar te Vevey, want de warmte had hen in Mei uit Nice verdreven, en zij hadden langzaam doorgereisd naar Zwitserland, over Genua en de Italiaansche meren. Zij droeg het gelaten, en onderwierp zich zonder tegenspraak aan den wensch der familie, dat zij haar bezoek niet zou bekorten, want nu het toch te laat was om afscheid te nemen van Bets, deed zij beter met te blijven, waar zij was, en door tijd en afwezigheid haar droefheid te laten verzachten. Maar ze voelde zich gedrukt, verlangde erg naar huis, en liet haar blikken elken dag over het meer gaan, of zij Laurie nog niet zag aankomen om haar te troosten. Hij kwam dan ook weldra; want dezelfde mail bracht brieven aan beiden, maar hij was toen in Duitschland, en er verliepen een paar dagen, eer hij den zijne kreeg. Zoodra hij dien gelezen had, pakte hij zijn valies, nam afscheid van zijn mede-voetreizigers, en ging op weg om zijn belofte te vervullen, het hart vol vreugde en droefheid, hoop en spanning.Hij was te Vevey goed bekend, en zoodra de boot had aangelegd, haastte hij zich langs het meer naar La Tour, waar de Carrolsen pensionwaren. Het speet den knecht zeer, dat de heele familie een roeitochtje was gaan maken op het meer—maar neen, de blondemademoisellewas misschien in den tuin. Als mijnheer zich de moeite wilde geven, zoolang te gaan zitten, zou hij haar in een oogwenk roepen. Maar mijnheer kon zelfs geen oogwenk wachten en liep midden in een volzin weg, ten eindemademoisellezelf op te zoeken.’t Was een mooie, oude tuin, aan den oever van het heerlijke meer, met zware kastanjeboomen en overal klimop, terwijl de toren zijn schaduw ver over het zonnig watervlak wierp. Aan den eenen hoek van den breeden lagen muur was een bank, en hier ging Amy dikwijls heen om te lezen of te werken, of zich te troosten met de schoonheid der haar omringende natuur. Nu zat zij daar weer, het hoofd op de hand geleund, met een bezwaard, naar huis verlangend hart en droeve oogen, mijmerend over Betsy, en zichafvragend waarom Laurie nog niet kwam. Zij hoorde niet hoe hij de plaats overstak, en zag niet hoe hij stil bleef staan onder de poort, die naar den tuin voerde. Hij stond daar een oogenblik en beschouwde haar in een nieuw licht, want hij zag, wat niemand nog ooit gezien had—den teederen kant van Amy’s karakter. Alles aan haar getuigde van liefde en droefheid; de met tranen bevlekte brieven op haar schoot, de zwarte strik in haar haar, de uitdrukking van smart en geduld op haar bleek gezichtje, zelfs het kleine ivoren kruisje om haar hals scheen tot Laurie’s hart te spreken, want hij had het haar gegeven, en zij droeg het als eenig sieraad. Als hij nog eenigen twijfel mocht hebben gekoesterd omtrent de ontvangst, die zij hem zou geven, werd deze weggenomen, zoodra zij opkeek en hem zag; want zij liet alles op den grond vallen, liep naar hem toe, en riep op een toon, die duidelijk haar liefde en verlangen verried:“O, Laurie, Laurie! Ik wist wel, dat je bij mij komen zou!”Ik geloof, dat alles toen wel een feit werd, want terwijl zij daar zoo stil bij elkander stonden, en het donkergelokte hoofd zich zoo beschermend boog over het blonde kopje, gevoelde Amy, dat niemand haar zoo goed kon troosten en ondersteunen als Laurie, en Laurie kwam tot de overtuiging, dat Amy de eenige vrouw ter wereld was, die Jo’s plaats zou kunnen innemen en hem gelukkig maken. Hij zei het haar wel niet, maar dat stelde haar niet teleur, want beiden gevoelden hoe de zaken stonden, waren tevreden, en lieten met vreugde alles verder aan den tijd over.Na een oogenblik ging Amy weer naar haar plaats terug, en terwijl zij haar tranen droogde, raapte Laurie de gevallen papieren weer op en vond in het herkennen van verscheiden veel gelezen brieven en verraderlijke schetsjes goede voorteekens voor de toekomst. Toen hij naast haar ging zitten, werd Amy wat verlegen, en bloosde ze bij de herinnering aan haar onstuimige ontvangst.“Ik kon het niet helpen, ik voelde mij zoo eenzaam en ongelukkig en was zoo ontzettend blij, toen ik je weer zag. Het was zoo’n verrassing, toen ik opkeek en jou zag staan, en dat juist terwijl ik begon te vreezen, dat je niet komen zou,” zei zij, zich te vergeefs inspannend om volkomen natuurlijk te spreken.“Ik kwam, zoodra ik het hoorde. Ik wou, dat ik iets zeggen kon om je te troosten over het verlies van onze lieve Bets, maar ik kan alleen met je mee voelen, en—” hier bleef hij steken, want hij werd ook plotseling verlegen en wist niet recht, wat hij zeggen zou. Liefst zou hij Amy’s hoofd op zijn schouder getrokken hebben, om haar eens goed te laten uitschreien, maar hij durfde niet, en bepaalde er zich dus maar toe haar hand te vatten en die hartelijk te drukken, hetgeen beter was dan woorden.“Je hoeft niets te zeggen,—dit troost mij al,” zei zij zacht, “Bets is tot rust en gelukkig, en ik mag haar niet terugwenschen; maar ik zie zoo op tegen het naar huis gaan, hoewel ik toch ook zoovreeselijk naar allen verlang. We moeten er nu maar niet te veel over spreken, want het maakt mij aan het schreien, en ik wou graag van je genieten, zoolang je hier bent. Je hoeft toch niet dadelijk weer terug te gaan, wel?”“Niet, als jij mij noodig hebt, kleintje.”“O, zoo erg! Tante en Flo zijn heel lief, maar jij bent toch nog meer dan zij éen van de onzen, en ik zou het zoo heerlijk vinden, als je een poosje hier bleef.”Amy sprak en zag er uit als een bedroefd kind, dat erg naar huis verlangt, zoodat Laurie eensklaps al zijn schroom vergat, en haar gaf, wat zij noodig had, het vertroetelen, waaraan zij gewoon was, en het vertrouwelijk praatje, dat haar opfleurde.“Arm kleintje, je ziet er uit, of je half ziek bent van verdriet. Ik zal je wel eens verzorgen! Schrei nu maar niet langer, maar kom wat met me op- en neerloopen,—de wind is te schraal om hier stil te zitten,” zei hij op den half teederen, half bevelenden toon, dien Amy zoo graag hoorde; daarop zette zij haar hoed op, legde haar hand op zijn arm en begon in den zonneschijn heen en weer te wandelen, onder de uitbottende kastanjeboomen. Hij voelde zich meer op zijn gemak, nu hij zijn lange beenen gebruiken kon, en Amy vond het heerlijk te kunnen steunen op zijn sterken arm, het welbekende gezicht, dat haar zoo opbeurend toelachte, weer te zien, en zijn vriendelijke stem nu eens voor haar alleen zoo hartelijk en gezellig te hooren praten. De oude tuin had al menig paar gelieven geherbergd, en scheen bepaald ten hunnen gerieve aangelegd, daar hij zoo zonnig en rustig was—niemand toch, die hen kon bespieden dan de oude toren en het blauwe meer, dat aan hun voeten zijn kabbelende golfjes deed spelen en de echo hunner woorden wegvoerde. Dit nieuwe paar wandelde en praatte wel een uur lang; soms ook rustten zij eens op het lage muurtje, met volle teugen genietende van de weemoedig-gelukkige indrukken, die zoo’n eigenaardige bekoring bijzetten aan tijd en plaats, en toen een prozaïsche etensbel hen waarschuwde, dat er een eind komt aan alle dingen, had Amy een gevoel alsof zij haar zwaren last van eenzaamheid en droefheid in den ouden tuin achterliet.Zoodra mevrouw Carrol het opgeklaarde gezichtje zag, viel haar een nieuw denkbeeld in, en zei zij tot zich zelf: “Nu begrijp ik alles; het kind treurde om den jongen Laurence. Wel, wel, dat is nog nooit in mij opgekomen!”De goede mevrouw hield met lofwaardige bescheidenheid al deze dingen voor zich, gaf door geen enkel teeken te kennen, dat zij iets merkte, maar drong er hartelijk bij Laurie op aan, dat hij zou blijven, en ried Amy toch maar veel van zijn bijzijn te genieten, daar dat haar meer goed zou doen dan die eenzame wandelingen. Amy was een toonbeeld van gehoorzaamheid, en daar haar tante nog al eens met Flo uit moest, liet ze het aan Amy over haar vriend bezig te houden, wat haar buitengewoon goed gelukte.Te Nice had Laurie zijn tijd verbeuzeld, en Amy moeten knorren; te Vevey was Laurie nooit lui, maar altijd druk bezig met wandelen, rijden, roeien of studeeren, terwijl Amy, al wat hij deed, bewonderde en zijn voorbeeld volgde, voor zoover dat kon. Hij zei, dat die verandering toe te schrijven was aan het klimaat, en zij sprak hem niet tegen, blij hetzelfde excuus te hebben voor haar eigen opgewektheid en herstelde gezondheid.De versterkende lucht deed beiden goed, en veel beweging bracht gunstige verandering aan, zoowel lichamelijk als geestelijk. Het was alsof zij op de eeuwenoude bergen een duidelijker inzicht kregen in het leven en zijn plichten; de frissche wind verdreef droeve twijfelingen, bedriegelijke inbeeldingen en sombere hersenschimmen. De warme lentezon riep alle mogelijke hoogerstrevende begeerten, teedere verlangens en gelukkige gedachten wakker,—het meer scheen de zorgen van het verleden weg te spoelen, en het was alsof de trotsche oude bergen vriendelijk op hen neerkeken en hun toefluisterden: “Kinderen, hebt elkander lief.”In weerwil van het pas geleden verlies, waren het recht gelukkige dagen,—zoo gelukkig dat Laurie het niet van zich kon verkrijgen ze door een enkel woord te verstoren. Het duurde een poosje, eer hij van zijn verbazing bekwam over het spoedig genezen van zijn eerste, en naar hij stellig geloofd had, laatste en eenige liefde. Hij troostte zich over die schijnbare ontrouw, door de gedachte, dat Jo’s zuster bijna op hetzelfde neerkwam als Jo-zelf, en de overtuiging, dat het onmogelijk zou geweest zijn iemand anders dan Amy zoo kort daarna en zoo innig lief te krijgen. Zijn eerste liefde was van stormachtigen aard geweest; hij zag er op terug, en met een gemengd gevoel van medelijden en spijt alsof zij reeds jaren lang achter hem lag. Hij schaamde er zich niet over, maar begroef haar als een der bitter-zoete ondervindingen zijns levens, waarvoor hij dankbaar kon zijn, nu de smart gelenigd was. In zijn tweede liefdesgeschiedenis zou hij zich zoo kalm en eenvoudig mogelijk gedragen, besloot hij; het was niet noodig er veel beweging van te maken, bijna overbodig Amy met ronde woorden te zeggen, dat hij haar liefhad; zij wist het toch wel, en had hem reeds lang haar antwoord gegeven. Alles ging zoo natuurlijk en als vanzelf, dat niemand zich kon beklagen, en hij wist dat iedereen er mee ingenomen zou zijn,—zelfs Jo. Maar als onze eerste liefde onbeantwoord is gebleven, zijn wij zoo licht geneigd voorzichtig en langzaam te werk te gaan, bij het wagen van een tweede poging; daarom liet Laurie de dagen voorbijglijden, genietende van ieder uur, en het aan ’t toeval overlatende het woord uit te spreken, dat een eind zou maken aan het eerste en liefelijkste gedeelte van zijn nieuwen roman.Eigenlijk had hij zich voorgesteld, dat de ontknooping plaats zou vinden in den ouden tuin, bij maanlicht en op de meest poëtische en teedere manier, maar het viel heel anders uit,—want de zaakwerd op het meer beslist, op klaarlichten dag, met enkele korte woorden. Zij hadden den ganschen morgen gedobberd op het water, van het sombere St. Gingolf naar het zonnige Montreux, de Savooische Alpen aan de eene, de St. Bernard en de Dent du Midi aan de andere zijde, het liefelijk Vevey in de vallei, en Lausanne in de verte heuvelopwaarts, met een wolkeloozen hemel boven hun hoofd, en het blauwe meer onder hun voeten, bezaaid met de schilderachtige bootjes, die zooveel gelijken op witgevleugelde zeemeeuwen.Zij hadden gesproken over Bonnivard, toen zij langs Chillon voeren, en over Rousseau, toen zij hun blik lieten gaan over Clarens, waar hij zijn Heloïse schreef. Geen van beiden had het verhaal gelezen, maar zij wisten, dat het een liefdesgeschiedenis was, en in stilte vroegen zij zich af, of die wel half zoo belangwekkend zou wezen als de hunne. Amy had, gedurende een kleine pauze in het gesprek, het water tegen haar hand laten kabbelen, en toen zij opkeek, zat Laurie op zijn riemen te leunen met een uitdrukking in zijn oogen, die haar haastig deed zeggen: (alleen om het stilzwijgen af te breken) “Je zult wel moe zijn; rust een poosje en laat ik eens roeien; het zal mij goed doen, want sedert jij gekomen bent, ben ik veel te lui en te gemakzuchtig geworden.”“Ik ben niet moe, maar je kunt als je wilt, wel een riem krijgen. Er is plaats genoeg, hoewel ik wel bijna in het midden mag zitten, om de boot in evenwicht te houden,” antwoordde Laurie, alsof hij die schikking wel aardig vond. Amy nam, ofschoon zij begreep, dat de zaak er niet beter op geworden was, het aangeboden derde gedeelte der bank in, zette haar hoed wat in haar gezicht, en pakte een riem. Zij roeide goed, zooals zij trouwens de meeste dingen goed deed, en hoewel zij beide handen gebruikte en Laurie slechts één, hielden de riemen maat, en gleed de boot zachtkens over het water.“Wat roeien wij samen gelijk, vind je niet,” vroeg Amy, die op dat oogenblik liever geen nieuwe pauze zag intreden.“Zoo gelijk, dat ik wou, dat wij altijd in hetzelfde schuitje konden varen. Wil je, Amy?” vroeg hij op teederen toon.“Ja, Laurie!”—heel zachtjes.Toen lieten beiden de riemen rusten en voegden zonder het zelf te weten, een allerliefst tableau van menschelijke liefde en geluk, bij de weerspiegelingen van het schoone natuurtafereel in het heldere water.
Amy’s vermaning deed Laurie goed, hoewel hij dat natuurlijk eerst veel later erkende; mannen zijn daar nooit zeer vlug mee. Wanneer de vrouwen een raad geven, nemen de heeren der schepping dien niet aan, tenzij zij zichzelf in den waan gebracht hebben, dat het juist was, wat zij van plan waren te doen; dan handelenzij er naar, en geven, als het goed uitkomt, aan het zwakkere geslacht de helft van de eer; komt het echter verkeerd uit, dan geven zij haar edelmoedig de geheele schuld.
Laurie ging naar zijn grootvader terug, en wijdde zich gedurende verscheiden weken zoo met hart en ziel aan hem, dat de oude heer verklaarde, dat de lucht van Nice hem verwonderlijk veel goed had gedaan, en hij niet beter kon doen, dan er nogeens heen te gaan. Het jongmensch had niets liever gedaan—maar geen macht ter wereld zou hem terug hebben kunnen drijven, na de ontvangen berisping; zijn trots verbood het hem,—en werd soms het verlangen zeer sterk, dan verlevendigde hij zijn besluit, door de woorden te herhalen, die den diepsten indruk op hem gemaakt hadden: “Ik veracht je”, en, “Ga heen, en doe iets kranigs, dat haar zaldwingenvan je te houden.”
Laurie keerde de zaak zoo dikwijls in zijn gedachten rond, dat hij weldra tot het inzicht kwam, dat hij werkelijk lui en zelfzuchtig was geweest, maar als een man een leed met zich omdraagt, heeft hij toch immers recht op alle soorten van verzetjes, totdat hij zijn smart is te boven gekomen! Hij voelde, dat zijn verwoeste liefde nu geheel en al dood was, en hoewel hij haar zijn leven trouw beweenen zou, vond hij het toch niet bepaald noodzakelijk zijn rouw zoo openlijk te blijven dragen. Jo wilde hem niet liefhebben, maar hij zou haar toch dwingen hem te achten en te bewonderen, door iets te doen, wat ten bewijze kon strekken, dat het “neen” van een meisje zijn leven niet bedorven had. Hij was altijd van plan geweest het een of ander aan te pakken, Amy’s raad kwam dus totaal overbodig. Hij had alleen maar gewacht, totdat bovengenoemde verwoeste liefde behoorlijk begraven zou zijn; zoodra dit gebeurd was, voelde hij zich in staat zijn gewond hart stil in zich om te dragen en den levensstrijd voort te zetten.
Evenals Goethe, wanneer hij vreugde of droefheid ondervond, dit in een lied moest uitstorten, besloot Laurie nu om zijn liefdessmart te verheerlijken in een compositie, en een Requiem te vervaardigen, dat Jo’s ziel zou verscheuren, en het hart van ieder die het hoorde, zou doen smelten. Toen dus de oude heer bemerkte, dat hij opnieuw rusteloos en somber begon te worden, en hem raadde de reisstaf weer ter hand te nemen, ging hij naar Weenen, waar hij muzikale vrienden had, en zette zich aan den arbeid, met het vaste plan zich te onderscheiden. Maar, hetzij zijn droefheid te groot was om zich te laten belichamen in muziek, hetzij muziek iets te etherisch is om er menschelijk leed in op te lossen, hij ontdekte weldra, dat het Requiem, ten minste vooralsnog, zijn krachten te boven ging. Ook bleek, dat zijn geest nog niet tot werken geschikt was, en zijn gedachten nog opklaring noodig hadden; want het gebeurde menigmaal, dat hij zich, midden in een droefgeestige passage, op het neuriën van een danswijsje betrapte, en het Kerstmisbal te Nice levendig voor zijn verbeelding trad—vooral diestevige Franschman,—die voor ’t oogenblik krachtdadig een einde maakte aan elke tragische compositie.
Toen probeerde hij het eens met een opera, want niets scheen hem in het begin onmogelijk, maar ook hier ontmoette hij allerlei onvoorziene moeilijkheden. Hij wilde Jo tot de heldin maken, en riep zijn geheugen te hulp, om hem eenige liefelijke tooneeltjes en romantische voorstellingen van zijn geliefde te binnen te brengen. Maar zijn geheugen speelde hem parten, en wilde, alsof het door den ondeugenden geest van het meisje zelve bezeten was, alleen Jo’s dwaasheden, gebreken en grillen voor hem oproepen; deed hem haar alleen in de bespottelijkste houdingen zien—hoe zij b. v. matten uitklopte, het hoofd omwonden met een bonten zijden doek, of zich verschanste achter het canapékussen, of hem een stortbad toediende om zijn hartstocht te blusschen,—en een niet te bedwingen lach bedierf het aandoenlijke beeld, dat hij trachtte te schilderen. Zijn aangebedene was met geen mogelijkheid tot heldin te maken van een opera, en hij moest het opgeven met een: “Ze is de plaag van mijn leven!” en een ruk aan zijn kuif, zooals een wanhopig componist past.
Toen hij daarna eens omzag naar een minder onhandelbare jonkvrouw, die hij in zijn toondicht zou kunnen vereeuwigen, deed zijn geheugen er hem met de vriendelijkste bereidwilligheid een aan de hand. Dit beeld kreeg telkens verschillende gelaatstrekken, maar het had altijd gouden lokken, was gehuld in eene doorzichtige wolk, en zweefde luchtig voorbij zijn geestesoog, in een liefelijken chaos van rozen, pauwen, witte ponies en blauwe linten. Zonder een naam te geven aan die bekoorlijke schim, maakte hij haar tot zijn heldin, en kreeg haar innig lief, hetgeen niet te verwonderen was, want hij kende haar alle mogelijke gaven en bevalligheden toe, en leidde haar veilig door een reeks van beproevingen heen, die elke andere sterfelijke vrouw zouden vernietigd hebben.
Dank zij deze inspiratie schoot hij geruimen tijd uitstekend op, maar langzamerhand verloor het werk zijn aantrekkelijkheid; hij liet de pen rusten, en bleef zitten mijmeren met het papier voor zich, of dwaalde door de drukke straten, om nieuwe denkbeelden op te doen en zijn geest te verfrisschen, die dezen winter bizonder ongestadig scheen te zijn. Hij deed niet veel, maar hij dacht over velerlei dingen na, en voelde, dat er onwillekeurig de een of andere verandering met hem plaats vond. “Het is misschien het bruisen van het genie—ik zal het laten bruisen, en zien wat er van komt,” zei hij, heimelijk vermoedende, dat het geen genie, maar iets anders, veel meer alledaagsch’ was. Maar wat het dan ook mocht wezen, het werkte toch iets uit, want hij werd steeds meer ontevreden met zijn onbeteekenend leven, begon te verlangen naar een bepaalde taak, waarin hij zich met hart en ziel kon verdiepen, en kwam eindelijk tot het verstandige inzicht, dat iemand, die veel van muziek houdt, daarom nog geen componist is. Toen hij op zekeren avondterugkwam uit het koninklijk theater, waar een van Mozart’s groote opera’s prachtig was opgevoerd, keek hij de zijne nog eens in, speelde een paar van de beste eindjes, zat een poosje te staren naar de busten van Mendelssohn, Beethoven en Bach, die op hun beurt welwillend op hem neerkeken; scheurde toen eensklaps al zijn volgeschreven vellen muziekpapier een voor een in stukken, en de laatste snippers wegwerpende, zei hij bedaard tegen zichzelf:
“Zij heeft gelijk! talent is nog geen genie, en je kunt het er niet van maken. Die muziek heeft alle ijdelheid uit mij weggevaagd, evenals Rome haar een openbaring is geweest, en ik wil niet langer zoo dwaas zijn, er mij nog iets van voor te stellen. Ziezoo, wat zal ik nu beginnen?”
Dat scheen een moeilijke vraag om te beantwoorden, en Laurie wenschte bijna, dat hij werken moest om zijn dagelijksch brood te verdienen. Zoo ooit, dan deed zich nu de gelegenheid voor “om naar den duivel te loopen,” zooals hij zich eens krachtig had uitgedrukt,—want hij had overvloed van geld, en niets te doen,—en Satan verschaft, zooals iedereen weet, graag bezigheid aan ledige handen.
De arme jongen had verzoekingen genoeg van buiten en van binnen te bestrijden, maar hij weerstond ze vrij wel,—want hoe hoog hij zijn vrijheid ook mocht schatten, hij schatte ’t in hem gestelde vertrouwen nog hooger,—en zoo hielden de belofte aan zijn grootvader gedaan, en zijn wensch om de vriendinnen, die hem liefhadden, eerlijk in de oogen te kunnen zien, en te kunnen zeggen: “alles in orde,” hem op den goeden weg. Misschien zal de een of andere pessimist zeggen: “Dat geloof ik niet; jongens zijn jongens en jongelui moeten eerst hun wilde haren verliezen. Vrouwen moeten geen wonderen verwachten.” Ik laat ieder vrij te gelooven, wat hij wil, maar houd vol, dat het toch waar is. Vrouwen kunnen heel wat wonderen teweegbrengen, en ik ben er van overtuigd, dat zij zelfs het groote wonder kunnen uitwerken: het peil der mannen te doen rijzen, door te weigeren dergelijke gezegden te herhalen. Laat jongens, jongens zijn,—hoe langer hoe beter, en laten de jongemannen hun wilde haren verliezen, maar moeders, zusters en vriendinnen kunnen hun de behulpzame hand reiken in dien moeilijken tijd, door te toonen, dat zij gelooven aan de mogelijkheid van hun trouw aan die deugden, die den man doen rijzen in de schatting van goede vrouwen. Zoo het inbeelding is, laat ons er dan toch van genieten, zoolang wij kunnen, want zonder haar is de schoonheid en poëzie van het leven voor de helft verloren, en droevige voorgevoelens zouden al de hoop vernietigen, die wij koesteren omtrent de flinke, teerhartige kleine jongens, die nog altijd hun moeders liever hebben dan zich zelven, en zich niet schamen dat te bekennen.
Laurie dacht, dat hij gedurende verscheiden jaren alle krachten zou hebben in te spannen om zijn liefde voor Jo te boven te komen;maar hij ontdekte tot zijn groote verbazing, dat het hem met den dag gemakkelijker viel. Hij wilde het in het begin niet gelooven, werd boos op zichzelf, en kon het niet begrijpen; maar onze harten zijn vreemde, tegenstrijdige dingen, en de tijd en de natuur doen het hunne, in weerwil van ons zelven. Laurie’s hartwildegeen pijn meer doen; de wond deed haar best om te genezen, met een snelheid die hem verbaasde, en in plaats dat hij alle krachten moest inspannen om te leeren vergeten, ontdekte hij, dat hij zich inspannen moest om er aan te denken. Hij had dezen ommekeer van zaken niet verwacht, en was er niet op voorbereid. Hij kreeg een afschuw van zichzelf, was verwonderd over zijn eigen veranderlijkheid en over het vreemde mengelmoes van teleurstellingen en verruimdheid, waarmee hij zich zoo spoedig kon herstellen van zulk een zwaren slag. Hij rakelde de sintels van zijn verloren liefde met de meeste zorg op, maar zij weigerden in lichte laaie te ontbranden; er kwam niets anders dan een weldadige gloed, die hem verwarmde en goeddeed, zonder hem koortshitte te bezorgen, en hij zag zich, hoewel met tegenzin, genoodzaakt te erkennen, dat de jeugdige hartstocht langzamerhand overging in rustige genegenheid,—zeer teeder, en nog een weinig droevig en gevoelig—maar dat zou met den tijd zeker wel overgaan, en een broederlijke liefde achterlaten, die onveranderlijk zou blijven bestaan tot aan het einde.
Toen hem bij een dezer overpeinzingen het woord “broederlijk” voor den geest kwam, glimlachte hij en keek op naar het portret van Mozart, dat tegenover hem hing.
“Hij was een groot man, en toen hij de eene zuster niet krijgen kon, wendde hij zich tot de andere en was gelukkig.”
Laurie zei de woorden niet hardop, dácht ze alleen maar in stilte; en het volgend oogenblik kuste hij het kleine oude ringetje, fluisterend:
“Neen, dat niet! Ik heb het niet vergeten, dat kan ik ook niet. Ik zal het nog eens probeeren, en als het dan weer mislukt, ja, dan—”
Hij eindigde zijn zin niet, maar greep pen en papier en schreef aan Jo, dat hij niet in staat was zich tot iets te bepalen, zoolang er nog de geringste hoop bestond, dat zij van gedachten zou veranderen. Kon zij niet, wou zij niet,—zoodat hij thuis kon komen en gelukkig zijn? Hij voerde, terwijl hij op het antwoord zat te wachten, hoegenaamd niets uit, maar leefde in een koortsachtige spanning. Eindelijk kwam het, en bracht hem zekerheid op één punt,—want Jo schreef zeer bepaald, dat zij niet kon en niet wilde. Zij ging geheel en al op in Bets, en verlangde het woord “liefde” nooit weer te hooren. Daarop verzocht zij hem met iemand anders gelukkig te willen zijn, maar ten allen tijde in zijn hart een klein hoekje open te houden voor zijn liefhebbende zuster Jo. In een naschrift vroeg zij hem niet aan Amy te zeggen, dat Bets ergerwas; zij zou met het voorjaar thuiskomen, en het was niet noodig de laatste weken van haar verblijf in het buitenland te vergallen. Het zou later tijd genoeg zijn, maar Laurie moest haar maar dikwijls schrijven en zorgen, dat zij zich niet eenzaam of angstig gevoelde, of te veel naar huis verlangde.
“Dat zal ik doen, en wel dadelijk. Arme, kleine meid, het zal eene treurige thuiskomst voor haar zijn, vrees ik,” en Laurie opende zijn schrijftafel, alsof een brief aan Amy het passend slot was van den volzin, dien hij eenige weken geleden onvoltooid had gelaten.
Maar hij schreef toch niet dien dag; want toen hij naar zijn mooiste papier zocht, kwam hij iets tegen, dat hem van gedachte deed veranderen. Tusschen rekeningen en papieren van allerlei aard zwierven verscheiden brieven van Jo rond, en in een ander vakje van zijn schrijftafel lagen de briefjes van Amy, zorgvuldig saamgebonden met een van haar blauwe linten, dat herinneringen wekte aan de verwelkte roosjes, die er bij bewaard waren gebleven. Met een half berouwvollen, half lachenden blik, legde Laurie al de brieven van Jo bij elkander, streek ze glad, vouwde ze toe, en borg ze netjes in een klein laatje van zijn lessenaar, draaide een oogenblik in gedachten verzonken het ringetje in de rondte, deed het langzaam af, legde het bij de brieven, sloot het laatje, en ging toen naar de Kathedraal om de Hoogmis te hooren uitvoeren, met een gevoel, alsof er een begrafenis plaats had; en hoewel hij niet overstelpt was door droefheid, scheen dit toch een geschikter manier om het overige van den dag door te brengen, dan het correspondeeren met bekoorlijke jonge dames.
De brief werd echter toch gauw geschreven en aanstonds beantwoord, want Amyhadheimwee, en bekende hem dat met zeer vleiende vertrouwelijkheid. De briefwisseling bloeide ongeloofelijk, en de brieven vlogen die geheele lente door, met nooit missende regelmatigheid, heen en weer. Laurie verkocht zijn busten, stak met de proeven van zijn opera zijn sigarettes aan, en ging naar Parijs terug, in de hoop, dat zeker iemand daar ook zou komen. Hij zou dolgraag naar Nice zijn gegaan, maar wilde niet, tenzij hij uitgenoodigd werd; en Amy wilde het hem niet vragen, want zij deed juist op dat oogenblik een kleine ondervinding op, die de oorzaak was, dat zij de onderzoekende oogen van “onzen jongen” eigenlijk vreesde.
Fred Vaughn was teruggekomen en had haar de vraag gedaan, waarop zij vroeger besloten had “ja” te antwoorden; maar nu zei zij “neen”, wel vriendelijk, maar toch vast besloten, want toen het oogenblik daar was, ontzonk haar de moed, en bemerkte zij, dat er iets meer noodig was dan geld en een goede positie, om het nieuwe verlangen te bevredigen, dat haar hart met zooveel teedere hoop en vrees vervulde. De woorden “Fred is een goeie jongen, maar volstrekt niet de man, dien ik dacht, dat jij kiezen zou,” en Laurie’s gezicht, toen hij dat zei, kwamen met dezelfde hardnekkigheidvoor haar geest als haar eigene, toen zij met blikken, zooal niet met woorden, gezegd had: “Ik ben van plan te trouwen om geld.” Het hinderde haar nu; ze wou, dat zij ze terug kon nemen; ze klonken zoo onvrouwelijk, en ze wilde niet, dat Laurie haar zou houden voor een gevoelloos, wereldsch schepsel. Nu verlangde zij er veel meer naar om een beminnelijke vrouw te zijn dan te schitteren in de maatschappij; zij was zoo blij, dat hij haar den rug niet had toegekeerd, na al de vreeselijke dingen, die zij gezegd had, maar alles zoo goed opnam, en vriendelijker was dan ooit. Zijn brieven waren haar tot grooten troost—want de brieven van huis kwamen zoo ongeregeld en gaven niet half zooveel als de zijne, wanneer zij kwamen. Het beantwoorden was niet slechts een genoegen, maar ook een plicht, want de arme jongen voelde zich eenzaam, en moest wat afgeleid worden, nu Jo hardvochtig bleef. Zij had toch eens moeten probeeren, of zij hem niet kon liefhebben,—het kon niet zoo heel moeilijk zijn—menigeen zou trotsch en blij wezen, als zoo’n aardige jongeman van haar hield; maar Jo deed nu eenmaal nooit als andere meisjes, en dus schoot er niets over, dan maar heel vriendelijk te zijn en hem te behandelen als een broer.
Als alle broers even lief behandeld werden als Laurie van nu af aan, zouden zij er veel gelukkiger aan toe wezen, dan zij nu zijn. Amy las hem nu nooit de les; zij vroeg zijn gevoelen op alle punten, stelde belang in al wat hij deed, maakte allerliefste cadeautjes voor hem, zond hem twee brieven per week, vol van allerlei levendige beschrijvingen, zusterlijk vertrouwelijke mededeelingen, en bekoorlijke schetsjes van al het moois, dat zij zag. Daar weinig broers zoo door hun zusters vereerd worden, dat ze hun brieven bij zich dragen om die telkens te lezen en te herlezen, die epistels hun tranen ontlokken, als zij kort, maar gekust worden, wanneer zij lang zijn, en als schatten bewaard worden, willen wij zelfs niet het vermoeden wekken, alsof Amy iets van die dwaze, teerhartige dingen deed. Maar zooveel is zeker, zij werd in dit voorjaar wel wat bleek en afgetrokken, verloor veel van haar lust voor allerlei uitgangetjes en ging dikwijls alleen schetsen. Zij had nooit veel te vertoonen bij haar tehuiskomst, maar bestudeerde vermoedelijk de natuur, als zij soms uren lang met gevouwen handen op het terras te Valrosa zat, of, zonder het zelf te weten, alles schetste wat haar voor den geest kwam—een dapper ridder op een graftombe, een jonge man slapend op het gras, met zijn hoed over de oogen getrokken, of een meisje met krulhaar, in een wit japonnetje, een balzaal doorwandelende, geleund op den arm van een lang heer, terwijl beider gezicht onherkenbaar was gemaakt door een groote vlek, hetgeen wel heel veilig, maar niet bepaald bevredigend kon genoemd worden.
Haar tante dacht, dat zij berouw had over haar antwoord aan Fred, en toen Amy bevond, dat ontkenningen niets baatten, enopen kaart spelen ondoenlijk was, liet zij haar denken, wat zij verkoos, maar droeg intusschen zorg, Laurie te doen weten, dat Fred naar Egypte was vertrokken. Dat was alles; maar hij begreep het en voelde zich verlucht, terwijl hij met een heel gewichtig gezicht tot zich zelf zei:
“Ik wist wel, dat zij zich bedenken zou. Arme jongen, ik heb het ook doorgemaakt, en kan dus met hem meevoelen.”
Toen slaakte hij een diepen zucht, en alsof hij daarmee zijn plicht jegens het verledene vervuld had, vlijde hij zich gemakkelijk op de sofa, en genoot volop van Amy’s brief.
Terwijl deze veranderingen plaats vonden in het buitenland, had droefheid de achtergeblevenen thuis bezocht; maar den brief die Amy meldde, dat Bets achteruit ging, kreeg zij nooit in handen; en toen zij den volgenden ontving, was het gras reeds groen boven het graf harer zuster. Het droevig nieuws bereikte haar te Vevey, want de warmte had hen in Mei uit Nice verdreven, en zij hadden langzaam doorgereisd naar Zwitserland, over Genua en de Italiaansche meren. Zij droeg het gelaten, en onderwierp zich zonder tegenspraak aan den wensch der familie, dat zij haar bezoek niet zou bekorten, want nu het toch te laat was om afscheid te nemen van Bets, deed zij beter met te blijven, waar zij was, en door tijd en afwezigheid haar droefheid te laten verzachten. Maar ze voelde zich gedrukt, verlangde erg naar huis, en liet haar blikken elken dag over het meer gaan, of zij Laurie nog niet zag aankomen om haar te troosten. Hij kwam dan ook weldra; want dezelfde mail bracht brieven aan beiden, maar hij was toen in Duitschland, en er verliepen een paar dagen, eer hij den zijne kreeg. Zoodra hij dien gelezen had, pakte hij zijn valies, nam afscheid van zijn mede-voetreizigers, en ging op weg om zijn belofte te vervullen, het hart vol vreugde en droefheid, hoop en spanning.
Hij was te Vevey goed bekend, en zoodra de boot had aangelegd, haastte hij zich langs het meer naar La Tour, waar de Carrolsen pensionwaren. Het speet den knecht zeer, dat de heele familie een roeitochtje was gaan maken op het meer—maar neen, de blondemademoisellewas misschien in den tuin. Als mijnheer zich de moeite wilde geven, zoolang te gaan zitten, zou hij haar in een oogwenk roepen. Maar mijnheer kon zelfs geen oogwenk wachten en liep midden in een volzin weg, ten eindemademoisellezelf op te zoeken.
’t Was een mooie, oude tuin, aan den oever van het heerlijke meer, met zware kastanjeboomen en overal klimop, terwijl de toren zijn schaduw ver over het zonnig watervlak wierp. Aan den eenen hoek van den breeden lagen muur was een bank, en hier ging Amy dikwijls heen om te lezen of te werken, of zich te troosten met de schoonheid der haar omringende natuur. Nu zat zij daar weer, het hoofd op de hand geleund, met een bezwaard, naar huis verlangend hart en droeve oogen, mijmerend over Betsy, en zichafvragend waarom Laurie nog niet kwam. Zij hoorde niet hoe hij de plaats overstak, en zag niet hoe hij stil bleef staan onder de poort, die naar den tuin voerde. Hij stond daar een oogenblik en beschouwde haar in een nieuw licht, want hij zag, wat niemand nog ooit gezien had—den teederen kant van Amy’s karakter. Alles aan haar getuigde van liefde en droefheid; de met tranen bevlekte brieven op haar schoot, de zwarte strik in haar haar, de uitdrukking van smart en geduld op haar bleek gezichtje, zelfs het kleine ivoren kruisje om haar hals scheen tot Laurie’s hart te spreken, want hij had het haar gegeven, en zij droeg het als eenig sieraad. Als hij nog eenigen twijfel mocht hebben gekoesterd omtrent de ontvangst, die zij hem zou geven, werd deze weggenomen, zoodra zij opkeek en hem zag; want zij liet alles op den grond vallen, liep naar hem toe, en riep op een toon, die duidelijk haar liefde en verlangen verried:
“O, Laurie, Laurie! Ik wist wel, dat je bij mij komen zou!”
Ik geloof, dat alles toen wel een feit werd, want terwijl zij daar zoo stil bij elkander stonden, en het donkergelokte hoofd zich zoo beschermend boog over het blonde kopje, gevoelde Amy, dat niemand haar zoo goed kon troosten en ondersteunen als Laurie, en Laurie kwam tot de overtuiging, dat Amy de eenige vrouw ter wereld was, die Jo’s plaats zou kunnen innemen en hem gelukkig maken. Hij zei het haar wel niet, maar dat stelde haar niet teleur, want beiden gevoelden hoe de zaken stonden, waren tevreden, en lieten met vreugde alles verder aan den tijd over.
Na een oogenblik ging Amy weer naar haar plaats terug, en terwijl zij haar tranen droogde, raapte Laurie de gevallen papieren weer op en vond in het herkennen van verscheiden veel gelezen brieven en verraderlijke schetsjes goede voorteekens voor de toekomst. Toen hij naast haar ging zitten, werd Amy wat verlegen, en bloosde ze bij de herinnering aan haar onstuimige ontvangst.
“Ik kon het niet helpen, ik voelde mij zoo eenzaam en ongelukkig en was zoo ontzettend blij, toen ik je weer zag. Het was zoo’n verrassing, toen ik opkeek en jou zag staan, en dat juist terwijl ik begon te vreezen, dat je niet komen zou,” zei zij, zich te vergeefs inspannend om volkomen natuurlijk te spreken.
“Ik kwam, zoodra ik het hoorde. Ik wou, dat ik iets zeggen kon om je te troosten over het verlies van onze lieve Bets, maar ik kan alleen met je mee voelen, en—” hier bleef hij steken, want hij werd ook plotseling verlegen en wist niet recht, wat hij zeggen zou. Liefst zou hij Amy’s hoofd op zijn schouder getrokken hebben, om haar eens goed te laten uitschreien, maar hij durfde niet, en bepaalde er zich dus maar toe haar hand te vatten en die hartelijk te drukken, hetgeen beter was dan woorden.
“Je hoeft niets te zeggen,—dit troost mij al,” zei zij zacht, “Bets is tot rust en gelukkig, en ik mag haar niet terugwenschen; maar ik zie zoo op tegen het naar huis gaan, hoewel ik toch ook zoovreeselijk naar allen verlang. We moeten er nu maar niet te veel over spreken, want het maakt mij aan het schreien, en ik wou graag van je genieten, zoolang je hier bent. Je hoeft toch niet dadelijk weer terug te gaan, wel?”
“Niet, als jij mij noodig hebt, kleintje.”
“O, zoo erg! Tante en Flo zijn heel lief, maar jij bent toch nog meer dan zij éen van de onzen, en ik zou het zoo heerlijk vinden, als je een poosje hier bleef.”
Amy sprak en zag er uit als een bedroefd kind, dat erg naar huis verlangt, zoodat Laurie eensklaps al zijn schroom vergat, en haar gaf, wat zij noodig had, het vertroetelen, waaraan zij gewoon was, en het vertrouwelijk praatje, dat haar opfleurde.
“Arm kleintje, je ziet er uit, of je half ziek bent van verdriet. Ik zal je wel eens verzorgen! Schrei nu maar niet langer, maar kom wat met me op- en neerloopen,—de wind is te schraal om hier stil te zitten,” zei hij op den half teederen, half bevelenden toon, dien Amy zoo graag hoorde; daarop zette zij haar hoed op, legde haar hand op zijn arm en begon in den zonneschijn heen en weer te wandelen, onder de uitbottende kastanjeboomen. Hij voelde zich meer op zijn gemak, nu hij zijn lange beenen gebruiken kon, en Amy vond het heerlijk te kunnen steunen op zijn sterken arm, het welbekende gezicht, dat haar zoo opbeurend toelachte, weer te zien, en zijn vriendelijke stem nu eens voor haar alleen zoo hartelijk en gezellig te hooren praten. De oude tuin had al menig paar gelieven geherbergd, en scheen bepaald ten hunnen gerieve aangelegd, daar hij zoo zonnig en rustig was—niemand toch, die hen kon bespieden dan de oude toren en het blauwe meer, dat aan hun voeten zijn kabbelende golfjes deed spelen en de echo hunner woorden wegvoerde. Dit nieuwe paar wandelde en praatte wel een uur lang; soms ook rustten zij eens op het lage muurtje, met volle teugen genietende van de weemoedig-gelukkige indrukken, die zoo’n eigenaardige bekoring bijzetten aan tijd en plaats, en toen een prozaïsche etensbel hen waarschuwde, dat er een eind komt aan alle dingen, had Amy een gevoel alsof zij haar zwaren last van eenzaamheid en droefheid in den ouden tuin achterliet.
Zoodra mevrouw Carrol het opgeklaarde gezichtje zag, viel haar een nieuw denkbeeld in, en zei zij tot zich zelf: “Nu begrijp ik alles; het kind treurde om den jongen Laurence. Wel, wel, dat is nog nooit in mij opgekomen!”
De goede mevrouw hield met lofwaardige bescheidenheid al deze dingen voor zich, gaf door geen enkel teeken te kennen, dat zij iets merkte, maar drong er hartelijk bij Laurie op aan, dat hij zou blijven, en ried Amy toch maar veel van zijn bijzijn te genieten, daar dat haar meer goed zou doen dan die eenzame wandelingen. Amy was een toonbeeld van gehoorzaamheid, en daar haar tante nog al eens met Flo uit moest, liet ze het aan Amy over haar vriend bezig te houden, wat haar buitengewoon goed gelukte.
Te Nice had Laurie zijn tijd verbeuzeld, en Amy moeten knorren; te Vevey was Laurie nooit lui, maar altijd druk bezig met wandelen, rijden, roeien of studeeren, terwijl Amy, al wat hij deed, bewonderde en zijn voorbeeld volgde, voor zoover dat kon. Hij zei, dat die verandering toe te schrijven was aan het klimaat, en zij sprak hem niet tegen, blij hetzelfde excuus te hebben voor haar eigen opgewektheid en herstelde gezondheid.
De versterkende lucht deed beiden goed, en veel beweging bracht gunstige verandering aan, zoowel lichamelijk als geestelijk. Het was alsof zij op de eeuwenoude bergen een duidelijker inzicht kregen in het leven en zijn plichten; de frissche wind verdreef droeve twijfelingen, bedriegelijke inbeeldingen en sombere hersenschimmen. De warme lentezon riep alle mogelijke hoogerstrevende begeerten, teedere verlangens en gelukkige gedachten wakker,—het meer scheen de zorgen van het verleden weg te spoelen, en het was alsof de trotsche oude bergen vriendelijk op hen neerkeken en hun toefluisterden: “Kinderen, hebt elkander lief.”
In weerwil van het pas geleden verlies, waren het recht gelukkige dagen,—zoo gelukkig dat Laurie het niet van zich kon verkrijgen ze door een enkel woord te verstoren. Het duurde een poosje, eer hij van zijn verbazing bekwam over het spoedig genezen van zijn eerste, en naar hij stellig geloofd had, laatste en eenige liefde. Hij troostte zich over die schijnbare ontrouw, door de gedachte, dat Jo’s zuster bijna op hetzelfde neerkwam als Jo-zelf, en de overtuiging, dat het onmogelijk zou geweest zijn iemand anders dan Amy zoo kort daarna en zoo innig lief te krijgen. Zijn eerste liefde was van stormachtigen aard geweest; hij zag er op terug, en met een gemengd gevoel van medelijden en spijt alsof zij reeds jaren lang achter hem lag. Hij schaamde er zich niet over, maar begroef haar als een der bitter-zoete ondervindingen zijns levens, waarvoor hij dankbaar kon zijn, nu de smart gelenigd was. In zijn tweede liefdesgeschiedenis zou hij zich zoo kalm en eenvoudig mogelijk gedragen, besloot hij; het was niet noodig er veel beweging van te maken, bijna overbodig Amy met ronde woorden te zeggen, dat hij haar liefhad; zij wist het toch wel, en had hem reeds lang haar antwoord gegeven. Alles ging zoo natuurlijk en als vanzelf, dat niemand zich kon beklagen, en hij wist dat iedereen er mee ingenomen zou zijn,—zelfs Jo. Maar als onze eerste liefde onbeantwoord is gebleven, zijn wij zoo licht geneigd voorzichtig en langzaam te werk te gaan, bij het wagen van een tweede poging; daarom liet Laurie de dagen voorbijglijden, genietende van ieder uur, en het aan ’t toeval overlatende het woord uit te spreken, dat een eind zou maken aan het eerste en liefelijkste gedeelte van zijn nieuwen roman.
Eigenlijk had hij zich voorgesteld, dat de ontknooping plaats zou vinden in den ouden tuin, bij maanlicht en op de meest poëtische en teedere manier, maar het viel heel anders uit,—want de zaakwerd op het meer beslist, op klaarlichten dag, met enkele korte woorden. Zij hadden den ganschen morgen gedobberd op het water, van het sombere St. Gingolf naar het zonnige Montreux, de Savooische Alpen aan de eene, de St. Bernard en de Dent du Midi aan de andere zijde, het liefelijk Vevey in de vallei, en Lausanne in de verte heuvelopwaarts, met een wolkeloozen hemel boven hun hoofd, en het blauwe meer onder hun voeten, bezaaid met de schilderachtige bootjes, die zooveel gelijken op witgevleugelde zeemeeuwen.
Zij hadden gesproken over Bonnivard, toen zij langs Chillon voeren, en over Rousseau, toen zij hun blik lieten gaan over Clarens, waar hij zijn Heloïse schreef. Geen van beiden had het verhaal gelezen, maar zij wisten, dat het een liefdesgeschiedenis was, en in stilte vroegen zij zich af, of die wel half zoo belangwekkend zou wezen als de hunne. Amy had, gedurende een kleine pauze in het gesprek, het water tegen haar hand laten kabbelen, en toen zij opkeek, zat Laurie op zijn riemen te leunen met een uitdrukking in zijn oogen, die haar haastig deed zeggen: (alleen om het stilzwijgen af te breken) “Je zult wel moe zijn; rust een poosje en laat ik eens roeien; het zal mij goed doen, want sedert jij gekomen bent, ben ik veel te lui en te gemakzuchtig geworden.”
“Ik ben niet moe, maar je kunt als je wilt, wel een riem krijgen. Er is plaats genoeg, hoewel ik wel bijna in het midden mag zitten, om de boot in evenwicht te houden,” antwoordde Laurie, alsof hij die schikking wel aardig vond. Amy nam, ofschoon zij begreep, dat de zaak er niet beter op geworden was, het aangeboden derde gedeelte der bank in, zette haar hoed wat in haar gezicht, en pakte een riem. Zij roeide goed, zooals zij trouwens de meeste dingen goed deed, en hoewel zij beide handen gebruikte en Laurie slechts één, hielden de riemen maat, en gleed de boot zachtkens over het water.
“Wat roeien wij samen gelijk, vind je niet,” vroeg Amy, die op dat oogenblik liever geen nieuwe pauze zag intreden.
“Zoo gelijk, dat ik wou, dat wij altijd in hetzelfde schuitje konden varen. Wil je, Amy?” vroeg hij op teederen toon.
“Ja, Laurie!”—heel zachtjes.
Toen lieten beiden de riemen rusten en voegden zonder het zelf te weten, een allerliefst tableau van menschelijke liefde en geluk, bij de weerspiegelingen van het schoone natuurtafereel in het heldere water.
HOOFDSTUK XIX.ALLEEN.Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander, en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld; maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk haar belofte te houden.Hoe kon zij “Vader en Moeder vertroosten,” terwijl haar eigen hart pijn deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij “het huis gezellig maken,” nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een nieuw; en waar ter wereld kon zij “eenig nuttig en aangenaam werk vinden,” dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht te doen, maar ’t ging op een troostelooze wijze, in ’t blinde weg en kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd, haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde, meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning, niets dan teleurstelling, leed en hard werk.Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. “Ik kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo’n leven, en ik weet dat ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs doe, als de een of ander mij niet komt helpen,” zei zij tot zichzelf, toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.Maar er kwamen wel “iemanden” om haar te helpen, hoewel Jo niet dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten, die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen schrikte zij ’s nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed uitroepen: “O, Bets! kom terug! kóm terug!” dan strekte zij haar smeekende armen niet te vergeefs uit;want evenmin als de geringste beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen, die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen, en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig: “Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!”“Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit,” antwoordde hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo zich op Betsy’s kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten; want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige uren in de oude studeerkamer, door Jo “de kerk voor één gemeentelid” genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn, ongebruikt te laten voorbijgaan.Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken, en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stofferen theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger, want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen, te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig volgde zij Betsy’s ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand eens een hartelijk drukje gaf en zei: “Goed, zorgzaam schepsel! je doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen, wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien, dat Hij het doet.”Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten, hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel zij allen voor elkander waren.“Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid zich aanbood,” zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de woelige kinderkamer.“Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij, en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel er wel afvallen.”“De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke, en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een zak gestopt te worden,” antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden, want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.Meta lachte, blij Jo’s vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven, maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht, vooral daar twee van Meta’s meest afdoende argumenten de kinderen waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed “voor den zak”; nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en dan zou niet eenjongenhaar door ongeduldig schudden veroveren, maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen van den bolster, en den gaven, zoeten kernte bereiken. Had zij dit kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan, met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar zemet blijdschapte vervullen—zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd, dat zij “iets grootsch” wenschte te doen, het kwam er niet op aan, hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,—want wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder, en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen, plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?De Voorzienigheid had haar aan haar woord gehouden; hier was de taak,—niet zooals ze die verwacht had, maar een betere, omdat het eigen ik er geen rol in speelde en—kon zij haar nu vervullen? Zij besloot het te beproeven; en bij haar eerste pogen vond zij al hulp, bij die haar liefhadden. Nog een andere werd haar toegezonden, en zij nam die aan,—niet als een belooning, maar als een vertroosting, zooals Christiaan met dankbaarheid genoot van de verfrissching, die het kleine boschje hem bood, toen hij den heuvel “Moeilijkheid” beklom1.“Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo graag,” zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote moedeloosheid doorworstelde.“Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft toch iets om mijn verhalen.”“Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker, dat het je goed zou doen, enonsveel genoegen zou geven.”“Ik geloof niet, dat het zal lukken.” Maar Jo haalde toch haar lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens door te zien.Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur,en daar zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het, zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder veel opgang voor zoo’n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.“Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?” vroeg zij met de grootste verwondering.“Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind; je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best, en wees even gelukkig over je succes als wij.”“Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en Bets,” zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door eenigen lof van de buitenwereld.Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen, en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten, en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen, menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March, dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen voor “de kinderen”, nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om ’t hardst verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken, want niemand had iets tegen dit verbond.“U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?” vroeg Jo, de fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.“Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat iets beters, dan wat jij ‘de koopmansgeest’ noemt, in haarhart was gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden, dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen.”“Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen; u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd.”“Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven, om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was.”“Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn.”“Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen, te hooren, dat je ‘Teddy’ iemand anders had lief gekregen.”“Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt, en misschien het zuiverst was?”“Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij, kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft; daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen vervullen, als hij het nu nog eens beproefde.”“Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, ‘ja’ gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging, maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen.”“Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je belooning zal geven.”“Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn moedertje wel in ’t oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel kon bevatten—het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen, geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie; ik begrijp het niet.”“Ik wel,” en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.“Het is zoo’n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie; hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig, en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op, dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om, dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij denktdat ik ben, want ik heb mijn ‘kapitein’ met hart en ziel lief, en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder, ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!”“En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!” en Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af, waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar liefde was sterk, en Amy’s geluk wekte den vurigen wensch in haar op, ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.Op den zolder, waar Jo’s doelloos omdwalen tot een einde kwam, stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend, en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor, begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.“Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat laat worden, maar ik zal zeker komen.”“O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf heel alleen.”Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit verlatenheid, of neerslachtigheid? of was ’t het ontwaken van een gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij, die het inboezemde? Wie zal het zeggen?1Uit Bunyan’s “Reize naar de Eeuwigheid.”
Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander, en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld; maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk haar belofte te houden.
Hoe kon zij “Vader en Moeder vertroosten,” terwijl haar eigen hart pijn deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij “het huis gezellig maken,” nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een nieuw; en waar ter wereld kon zij “eenig nuttig en aangenaam werk vinden,” dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht te doen, maar ’t ging op een troostelooze wijze, in ’t blinde weg en kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd, haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde, meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning, niets dan teleurstelling, leed en hard werk.
Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. “Ik kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo’n leven, en ik weet dat ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs doe, als de een of ander mij niet komt helpen,” zei zij tot zichzelf, toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.
Maar er kwamen wel “iemanden” om haar te helpen, hoewel Jo niet dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten, die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen schrikte zij ’s nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed uitroepen: “O, Bets! kom terug! kóm terug!” dan strekte zij haar smeekende armen niet te vergeefs uit;want evenmin als de geringste beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen, die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen, en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.
Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig: “Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!”
“Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit,” antwoordde hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo zich op Betsy’s kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten; want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige uren in de oude studeerkamer, door Jo “de kerk voor één gemeentelid” genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn, ongebruikt te laten voorbijgaan.
Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken, en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stofferen theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger, want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen, te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig volgde zij Betsy’s ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand eens een hartelijk drukje gaf en zei: “Goed, zorgzaam schepsel! je doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen, wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien, dat Hij het doet.”
Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten, hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel zij allen voor elkander waren.
“Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid zich aanbood,” zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de woelige kinderkamer.
“Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij, en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel er wel afvallen.”
“De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke, en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een zak gestopt te worden,” antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden, want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.
Meta lachte, blij Jo’s vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven, maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht, vooral daar twee van Meta’s meest afdoende argumenten de kinderen waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed “voor den zak”; nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en dan zou niet eenjongenhaar door ongeduldig schudden veroveren, maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen van den bolster, en den gaven, zoeten kernte bereiken. Had zij dit kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.
Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan, met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar zemet blijdschapte vervullen—zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd, dat zij “iets grootsch” wenschte te doen, het kwam er niet op aan, hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,—want wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder, en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen, plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?
De Voorzienigheid had haar aan haar woord gehouden; hier was de taak,—niet zooals ze die verwacht had, maar een betere, omdat het eigen ik er geen rol in speelde en—kon zij haar nu vervullen? Zij besloot het te beproeven; en bij haar eerste pogen vond zij al hulp, bij die haar liefhadden. Nog een andere werd haar toegezonden, en zij nam die aan,—niet als een belooning, maar als een vertroosting, zooals Christiaan met dankbaarheid genoot van de verfrissching, die het kleine boschje hem bood, toen hij den heuvel “Moeilijkheid” beklom1.
“Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo graag,” zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote moedeloosheid doorworstelde.
“Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft toch iets om mijn verhalen.”
“Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker, dat het je goed zou doen, enonsveel genoegen zou geven.”
“Ik geloof niet, dat het zal lukken.” Maar Jo haalde toch haar lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens door te zien.
Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur,en daar zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het, zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder veel opgang voor zoo’n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.
“Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?” vroeg zij met de grootste verwondering.
“Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind; je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best, en wees even gelukkig over je succes als wij.”
“Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en Bets,” zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door eenigen lof van de buitenwereld.
Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen, en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten, en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen, menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.
Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March, dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen voor “de kinderen”, nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om ’t hardst verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken, want niemand had iets tegen dit verbond.
“U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?” vroeg Jo, de fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.
“Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat iets beters, dan wat jij ‘de koopmansgeest’ noemt, in haarhart was gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden, dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen.”
“Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen; u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd.”
“Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven, om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was.”
“Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn.”
“Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen, te hooren, dat je ‘Teddy’ iemand anders had lief gekregen.”
“Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt, en misschien het zuiverst was?”
“Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij, kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft; daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen vervullen, als hij het nu nog eens beproefde.”
“Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, ‘ja’ gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging, maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen.”
“Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je belooning zal geven.”
“Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn moedertje wel in ’t oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel kon bevatten—het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen, geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie; ik begrijp het niet.”
“Ik wel,” en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.
“Het is zoo’n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie; hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig, en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op, dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om, dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij denktdat ik ben, want ik heb mijn ‘kapitein’ met hart en ziel lief, en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder, ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!”
“En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!” en Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.
Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af, waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar liefde was sterk, en Amy’s geluk wekte den vurigen wensch in haar op, ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.
Op den zolder, waar Jo’s doelloos omdwalen tot een einde kwam, stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend, en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor, begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.
“Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat laat worden, maar ik zal zeker komen.”
“O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf heel alleen.”
Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit verlatenheid, of neerslachtigheid? of was ’t het ontwaken van een gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij, die het inboezemde? Wie zal het zeggen?
1Uit Bunyan’s “Reize naar de Eeuwigheid.”
1Uit Bunyan’s “Reize naar de Eeuwigheid.”