HOOFDSTUK XX.VERRASSINGEN.Alleen in den schemer op de oude sofa, lag Jo naar het vuur te staren en te peinzen. Dat was haar geliefkoosde manier om het schemeruurtje door te brengen; niemand stoorde haar, en zij lag daar gewoonlijk, op Betsy’s klein rood kussen, verhalen te phantaseeren, droomen te droomen, of met teedere liefde te denken aan de zuster, die haar nooit veraf scheen. Zij zag er vermoeid, ernstig en min of meer droevig uit, want morgen was zij jarig, en zij dacht er over hoe oud zij al werd, en hoe weinig zij nog gedaan had. Bijna vijf en twintig, en niets uitgevoerd, dat de moeite waard was!—Daar vergiste Jo zich in; ze had heel wat gedaan, en na een poosje erkende ze dat ook zelf, en was er dankbaar voor.“Een oude vrijster worden, dat zal mijn lot zijn. Een litteraire oude vrijster, met een pen tot echtgenoot, een hoop verhalen tot kinderen, en over twintig jaar een armzalig beetje roem en fortuin misschien; maar dan ben ik, evenals de arme Johnson,1natuurlijk te oud om er van te genieten, en heb ze dus niet meer noodig. Hoe het zij, ik behoef geen zure heilige of zelfzuchtige zondares te wezen; en ik geloof eigenlijk wel, dat oude vrijsters zich heel behagelijk voelen, als ze maar eerst aan den toestand gewend zijn; maar—” en hier zuchtte Jo, alsof het vooruitzicht toch niet uitlokkend was.Onder haar overpeinzingen scheen Jo in slaap gevallen te zijn, want eensklaps stond Laurie’s geest voor haar. ’t Was of een lichamelijk levende geest zich over haar heenboog, met denzelfden blik,die in zijn oogen placht te komen, als hij iets diep gevoelde en het liever niet wou toonen.Een oogenblik lag ze hem verschrikt aan te staren, zonder een enkel woord te zeggen, totdat hij bukte en haar een kus gaf. Toen kende zij hem, en vloog op met den blijden uitroep:“O, Teddy! O, mijn Teddy!”“Ben je dus blij mij weer te zien, Jo?”“Blij! mijn beste jongen, woorden kunnen mijn blijdschap niet uitdrukken. Waar is Amy?”“Je moeder heeft zich van haar meester gemaakt; zij zijn bij Meta. Wij gingen daar in het voorbijgaan even aan, en ik kon mijn vrouw niet uit hun handen krijgen.”“Je wat?” riep Jo—want Laurie zei deze twee woorden met een onbewusten trots en zelfvoldoening, die hem verrieden.“Drommels! daar heb ik het nu toch verklapt!” en hij keek meer dan schuldig, terwijl Jo hem het mes op de keel zette.“Ben je heusch getrouwd?”“Ja, om u te dienen, maar ik zal het nooit weer doen,” en hij viel voor haar op de knieën, de handen smeekend samengevouwen, en zijn gezicht een en al schalkschheid, vroolijkheid en triomf.“Wezenlijk getrouwd?”“Wezenlijk!”“Groote goedheid! wat voor verschrikkelijke dingen zul je nu verder uitrichten?” en Jo viel hijgend op haar plaats neer.“Een karakteristieke, maar niet complimenteuse gelukwensch”, merkte Laurie op, nog steeds in zijn nederige houding, maar stralende van voldoening, en uiterst voldaan.“Wat kun je anders verwachten, als je iemand buiten adem brengt, door als een dief in huis te sluipen, en op die manier een schrik aan te jagen! Sta op, dwaze jongen, en vertel mij er alles van.”“Geen woord, tenzij je mij weer op mijn oude plaats laat zitten, en me belooft, dat je geenbarricadezult opwerpen.”Jo begon te lachen, zooals zij in lang niet gelachen had, klopte uitlokkend op de sofa, en zei op hartelijken toon: “Het oude kussen ligt op zolder, wij hebben het nu niet meer noodig; kom dus maar gauw alles opbiechten, Teddy!”“Wat klinkt dat genoegelijk, je weer ‘Teddy’ te hooren zeggen; niemand dan jij noemt mij ooit zoo,” en Laurie ging met een zeer vergenoegd gezicht zitten.“Hoe noemt Amy je?”“Mylord.”“Net iets voor haar!—nu, je ziet er kranig genoeg vooruit,” en Jo’s oogen zeiden duidelijk, dat zij “haar jongen” knapper vond dan ooit.Het kussen was er niet meer, maar toch was er eenbarricade, een natuurlijke—opgeworpen door tijd, afwezigheid en veranderdegemoedsgesteldheid. Beiden gevoelden dit, en zagen elkander een oogenblikje aan, alsof die onzichtbare scheidsmuur een kleine schaduw tusschen hen deed vallen. Dat duurde echter maar een poosje, want Laurie vroeg, met een vergeefsche poging om een waardig gezicht te zetten: “Zie ik er niet uit als een getrouwd man, als het hoofd van een huisgezin?”“Geen zier, en dat zul je ook nooit. Je bent wat dikker en steviger geworden, maar anders nog dezelfde kwajongen als altijd.”“Hoor eens, Jo, je moest mij met wat meer eerbied behandelen,” begon Laurie, die erg van de ontvangst genoot.“Hoe is dat mogelijk, als het denkbeeld alleen, dat jij getrouwd en gevestigd bent, zoo onweerstaanbaar grappig is, dat ik niet ernstig kan blijven,” antwoordde Jo, een en al glimlach, hetgeen zoo aanstekelijk bleek, dat zij samen in lachen uitbarstten, en toen rustig gingen zitten, om een vertrouwelijk praatje te houden op de oude manier.“Het zou je niets baten, of je al in de kou uitging om Amy te halen, want ze komen straks allemaal hier; ik kon niet langer wachten; ik wou je zoo graag het groote nieuws vertellen, en het bovenste laagje hebben, zooals wij zeiden, als wij over den room kibbelden.”“Natuurlijk wou je dat, en bedierf je alles door met het slot te beginnen. Begin nu eens van voren af aan, en vertel mijprecieshoe alles in zijn werk is gegaan. Ik brand van nieuwsgierigheid.”“Nu dan: ik deed het eenvoudig om Amy plezier te doen,” begon Laurie met een knipoogje, dat Jo deed uitroepen:“Leugen nommero een; Amy deed het om jou plezier te doen. Ga voort, maar spreek de waarheid, als ge kunt, mijnheer.”“Nu begint zij mij al dadelijk de les te lezen; is ’t niet allergenoeglijkst dat weer eens te hooren?” vroeg Laurie aan het vuur, en de vlammen flikkerden helder op, alsof ze ’t er volkomen mee eens waren. “Het komt immers toch alles op hetzelfde neer, is ’t niet? nu zij en ik toch één zijn. Wij waren van plan met de Carrols thuis te komen, dat was een maand of wat langer geleden, maar zij veranderden in eens van gedachten, en besloten nog een winter te Parijs te blijven. Maar Grootvader verlangde naar huis; hij was op reis gegaan voor mijn plezier, dus kon ik hem niet alleen laten terugtrekken, maar ik kon toch ook niet van Amy scheiden, en mevrouw Carrol had malle Engelsche ideeën opgedaan over gepast geleide en zulke gekheid meer, en wou Amy niet toestaan met ons mee te gaan. Daarom maakte ik een eind aan de moeilijkheid door te zeggen: ‘Laten wij trouwen, dan kunnen wij doen, wat wij willen.’”“Natuurlijk stelde jij dat voor! Jij richt altijd de dingen in naar je eigen plezier.”“Nietaltijd!” en iets in Laurie’s stem deed Jo haastig vervolgen: “Hoe heb jullie Tante’s toestemming gekregen?”“Dat was wel lastig, maar we wisten haar toch om te praten,want we hadden een massa goede argumenten aan onzen kant. Er was geen tijd meer om te schrijven en toestemming te vragen, maar jullie zoudt het toch allemaallatergoed hebben gevonden, en dus: ‘we moesten de koe maar bij de horens pakken,’ zooals mijn vrouw zegt.”“Wat zijn we trotsch op die twee woorden, en wat vinden wij het prettig om ze te zeggen!” viel Jo hierop in, het vuur op haar beurt toesprekende en met genot den gelukkigen glans waarnemende die het scheen te wekken in de oogen, die zoo droevig en somber hadden gestaan, toen zij ze de laatste maal zag.“Wel een beetje! Ze is ook zoo’n mooi en lief vrouwtje, dat ik niet laten kan trotsch op haar te zijn. Nu maar—Oom en Tante waren er voor het decorum. We gingen zoo in elkander op, dat wij voor anderen niets waard waren, en deze plezierige schikking zou alles voor iedereen ’t gemakkelijkst maken; dus besloten wij er dan ook maar toe.”“Wanneer, waar, hoe?” vroeg Jo, een en al belangstelling, en brandend van nieuwsgierigheid, want zij kon het zich nog maar niet begrijpen.“Zes weken geleden, in het hôtel van den Amerikaanschen consul te Parijs—een heel rustige trouwerij natuurlijk; want zelfs in ons geluk vergaten wij onze lieve Betsy niet.”Jo legde haar hand in de zijne, toen hij dat zei, en Laurie streek zachtjes over het kleine roode kussen, dat hij zich zoo goed herinnerde.“Waarom liet jullie ’t ons daarna niet weten?” vroeg Jo op bedaarder toon, toen zij een poos heel stil hadden gezeten.“Wij wilden jullie verrassen; wij dachten eerst, dat wij dadelijk naar huis zouden gaan, maar mijn beste grootvader zag, zoodra we getrouwd waren, plotseling in, dat hij nog wel een maand noodig had, eer hij klaar kon komen, en zond ons weg om onze wittebroodsweken door te brengen, waar wij verkozen. Amy had vroeger eens gezegd, dat Valrosa daar zoo uitstekend voor geschikt was, dus gingen wij daarheen en waren er zoo gelukkig, als menschen maar eenmaal in hun leven zijn kunnen. Dat was daar met recht rozengeur en maneschijn!”Laurie scheen Jo voor een oogenblik te vergeten, en Jo verheugde zich er over; want het feit, dat hij haar al deze dingen zoo vrij en natuurlijk vertelde, bewees haar dat hij volkomen vergeven en vergeten had. Zij zocht haar hand weg te trekken; maar alsof Laurie raadde welke gedachte haar aanspoorde tot die half onwillekeurige beweging, hield hij ze vast, en zei met een manlijken ernst, dien zij nog nooit in hem had opgemerkt: “Jolief, ik wou je graag één ding zeggen, en dan zullen wij die zaak voor goed laten rusten. Zooals ik al in mijn brief schreef, toen ik vertelde, hoe lief Amy voor me geweest was, ik zal nooit ophouden jou ook lief te hebben; maar de liefde is veranderd, en ik heb leeren inzien, dat het beteris, zooals het is. Amy en jij veranderen van plaats in mijn hart, dat is al. Ik geloof, dat het zoo beschikt was, en zou dat zeker ook wel van zelf hebben leeren inzien, als ik gewacht had volgens jouw raad; maar ik kon niet geduldig zijn en werd dus wanhopig. Ik was toen een jongen, koppig en heftig, en ik had een harde les noodig om mijn vergissing te leeren inzien. Want het wás een vergissing, Jo, zooals jij ook zei, en ik merkte het, nadat ik mij als een gek had aangesteld. Ik raakte daarna zoo in de war, dat ik zelf niet wist, wie ik het meest liefhad—jou of Amy, en mijn best deed beiden even lief te hebben, maar dat kon ik niet, en toen ik haar in Zwitserland terug zag, scheen alles op eens tot klaarheid te komen. Je nam beiden je rechte plaats in, en ik wist zeker, dat de oude liefde afgedaan was, voordat de nieuwe begon te leven; dat ik mijn hart eerlijk kon deelen tusschen zuster Jo en vrouw Amy, en ze beiden hartelijk liefhebben. Wil je dat gelooven en terugkeeren naar den gelukkigen ouden tijd, toen wij elkander pas leerden kennen?”“Ik wil het van ganscher harte gelooven; maar Teddy, wij kunnen nooit weer jongen en meisje zijn—de gelukkige oude tijd kan nooit terugkomen, en wij moeten dat ook niet verwachten. Wij zijn nu volwassen man en volwassen vrouw, hebben ernstig werk te doen, want de speeltijd is over, en mogen niet langer gekheid maken. Ik geloof, dat jij dat ook wel voelt; ik zie de verandering in jou, en jij zult die in mij zien; ik zal ‘mijn jongen’ missen, maar ik zal den man even goed liefhebben en hem méér bewonderen, omdat hij zich voorneemt te zijn, wat ik hoopte, dat hij worden zou. We kunnen niet langer speelkameraden wezen, maar wij zullen broer en zuster zijn, om elkaar ons leven lang lief te hebben en te helpen; zullen we niet, Laurie?”Hij antwoordde niet, maar nam de hand, die zij hem aanbood, en legde er zijn gezicht voor een oogenblik op, gevoelende, dat uit het graf van een jongenshartstocht een schoone sterke vriendschap was verrezen, die hun beiden tot zegen zou zijn. Toen hernam Jo vroolijk, want zij wilde niet, dat zijn thuiskomst droevig zou worden: “Ik kan het mij nog maar niet begrijpen, dat jullie kinderen werkelijk getrouwd zijn en een huishouden gaan opzetten. Het lijkt mij net, of het pas gisteren was, dat ik Amy’s boezelaar vastmaakte, en jou aan ’t haar trok, als je mij plaagde. Och, och, wat vliegt de tijd toch om!”“Daar een van de ‘kinderen’ ouder is dan jijzelf, behoef je niet zoo grootmoederachtig te praten. Ik vlei mij, dat ik nu wel ‘een opgeschoten meneer’ ben, zooals Peggotty zei van David;2en als je Amy ziet zul je haar wel een bizonder voorspoedig kind vinden,” zei Laurie, lachende om haar moederlijken toon.“Jij mag wat ouder zijn in jaren, maar ik ben zooveel ouder inmijn gevoel, Teddy. Dat zijn vrouwen altijd, en dit laatste jaar is zoo moeilijk geweest, dat ik mij wel veertig jaar voel.”“Arme Jo, we lieten het jou ook maar alleen dragen, terwijl wij plezier maakten. Je bent werkelijk ouder geworden; hier is een diepe rimpel, en daar nog een; behalve wanneer je glimlacht, staan je oogen droevig, en toen ik straks het kussen aanraakte, voelde ik er een traan op. Je hebt veel verdriet gehad en stond er alleen voor; wat ben ik een zelfzuchtig wezen geweest!” en Laurie trok met een berouwvol gezicht aan zijn haar.Maar Jo keerde het verraderlijke kussen om, en antwoordde op een toon, dien zij zoo vroolijk mogelijk deed klinken: “Neen, ik had Vader en Moeder om mij te helpen, en de kleintjes om mij te troosten, en de gedachte, dat jij en Amy gezond en gelukkig waren, deed mij de moeilijkheden hier gemakkelijker dragen. Ik voel mij soms eenzaam, maar ik geloof, dat dat wel goed voor mij is, en—”“Je zult het nooit weer zijn,” viel Laurie haar in de rede, en sloeg zijn arm om haar heen, alsof hij alle mogelijke kwaad van haar wilde weren. “Amy en ik kunnen niet buiten jouw hulp; jij moet ‘de kinderen’ leeren huishouden, en in alles deelen, zooals vroeger, en toelaten, dat we je vertroetelen, dan zullen we allemaal óvergelukkig zijn.”“Als ik niet overcompleet ben, zou ik het heel prettig vinden. Ik begin mij nu al verjongd te voelen; want toen jij kwam, schenen al mijn zorgen op de een of andere manier weg te vliegen. Jij bent mij altijd een troost geweest, Teddy,” en Jo leunde met haar hoofd op zijn schouder, zooals zij dat jaren geleden gedaan had, toen Betsy ziek was, en Laurie haar zeide, dat zij maar op hem moest steunen.Hij keek haar aan om te zien, of zij aan die dagen terugdacht, maar Jo glimlachte, alsof haar zorgen werkelijk bij zijn komst waren weggevlogen.“Je bent nog altijd dezelfde, Jo, het eene oogenblik schreien, het volgende lachen. Nu kijk je wel wat ondeugend; waar denkt u aan, Grootma?”“Ik peinsde er over, hoe jij en Amy met elkander zouden omgaan.”“Als engelen!”“Ja natuurlijk, in het begin—maar wie is de baas?”“Ik heb er geen bezwaar tegen, je te vertellen, dat zij op ’t oogenblik het meest in te brengen heeft; ik laat haar ten minste in dien waan,—zij vindt dat plezierig, weet je. Maar we zullen daar gauw verandering in brengen, want zij zeggen, dat het huwelijk iemands rechten halveert en iemands plichten verdubbelt.”“Je zult voortgaan, zooals je begonnen bent, en Amy zal je al je levensdagen regeeren.”“Nu, zij doet het zoo onmerkbaar, dat ik niet denk, dat het mij veel zal kunnen schelen. Amy is een vrouw, die de kunst van regeeren goed verstaat; ik vind het, om je de waarheid te zeggen, zelfswel aardig, want zij draait iemand zoo zacht en netjes om den vinger, alsof hij een strengetje zij was, en intusschen geeft ze je ’t idee, dat ze je een gunst bewijst.”“Dat ik dát nog beleven moet, jou onder den pantoffel te zien, terwijl je het nog aardig vindt op den koop toe!” riep Jo, de handen in elkaar slaande.Het was aardig om te zien, hoe Laurie de borst vooruitzette, en met mannelijken trots om die insinuatie lachte, terwijl hij “met zijn hooghartig air” antwoordde: “Amy is te wel opgevoed om zooiets te doen, en ik behoor niet tot de soort van mannen die zich daaraan onderwerpen. Mijn vrouw en ik hebben te veel achting voor ons zelven en voor elkaar, om ooit over elkander te heerschen, of met elkaar te kibbelen.”Dat beviel Jo, en zij vond, dat de nieuwe waardigheid hem heel goed stond, maar de knaap scheen met reuzenschreden in een man te veranderen, en weemoed vermengde zich met haar blijdschap.“Dat geloof ik graag; Amy en jij kibbelden nooit, zooals wij samen. Zij is de zon, en ik ben de wind uit de fabel, en de zon maakte het meest van den man, zooals je je herinnert.”“Zij kan hem zoowel wat ‘opblazen’ als ’t noodig is, als hem beschijnen,” verzekerde Laurie lachend. “Als ik nog aan de vermaning denk, die ik te Nice kreeg! Ik verzeker je, dat die nog vrij wat erger was, dan jij me ooit gegeven hebt. Die klonk als een klok; ik zal je er bij gelegenheid wel eens alles van vertellen,—zijzal het nooit doen, omdat zij—nadat zij mij gezegd had, dat zij mij verachtte en zich over mij schaamde—haar hart kwijt raakte aan dien verachtelijken persoon en den nietswaardige trouwde.”“Hoe karakterloos! Maar mocht zij het soms te bont maken, kom dan maar bij mij, dan zal ik je wel verdedigen.”“Ik zie er wel uit, of ik dat noodig had, hè?” vroeg Laurie, opstaande en een gebiedende houding aannemende, die plotseling in ongeveinsde verrukking overging, toen hij Amy hoorde roepen:“Waar zit zij? Waar is mijn lieve, oude Jo?”Daar kwam de heele familie binnen marcheeren, en allen kusten en pakten elkander nog eens weer van voren af aan, en eindelijk mochten de drie reizigers in vrede gaan zitten, en kon ieder zich ongestoord “aan hun aanblik vergasten.” Mijnheer Laurence, gezond en flink als altijd, was door zijn buitenlandsche reis even zeer verkwikt als de anderen,—zijn barschheid scheen nagenoeg geheel verdwenen en de ouderwetsche hoffelijkheid had een kleine verfijning ondergaan, die haar aantrekkelijker maakte dan ooit. Het deed iemand goed op te merken, hoe hij “mijn kinderen”, zooals hij het jonge paar noemde, toelachte; nog aardiger was het te zien, hoe Amy hem haar kinderlijke liefde bewees, waardoor zij zijn oud hart geheel en al won; en het best van alles was het Laurie gade te slaan, zooals hij om die twee heendraaide, alsof hij zich niet verzadigen kon aan het liefelijke tafreel.Meta had bij den eersten oogopslag dadelijk ontdekt, dat Amy er heel anders uitzag dan zijzelve, dat haar eigen japon niet de Parijsche “coupe” had en dat de jonge mevrouw Moffat geheel in de schaduw zou worden gesteld door de jonge mevrouw Laurence, die een echt elegante, gracieuse vrouw was geworden. Jo dacht, toen zij het paar nauwkeurig opnam: “wat komen ze toch goed bij elkander! Ik had gelijk, en Laurie heeft ‘het mooie begaafde meisje’ gevonden, dat zijn huis meer tot sieraad zal strekken dan de lompe oude Jo; zij zal zijn trots en niet zijn plaag zijn.” Mevrouw March en haar echtgenoot glimlachten en knikten elkaar met een verheugd gezicht toe, want zij zagen, dat het hun jongste dochter naar wensch was gegaan, niet alleen in wereldsche dingen, maar dat ook het betere goed: liefde, vertrouwen en geluk haar deel was geworden.Want Amy’s gelaat droeg die uitdrukking van zachte blijmoedigheid, die van vrede des harten spreekt, haar stem had een nieuwen teederen klank, en de koele, stijve houding was overgegaan in een zachte waardigheid, zoowel vrouwelijk als innemend. De indruk werd niet verstoord door kleine gemaaktheden, en haar hartelijke, lieve manieren waren nog bekoorlijker dan de nieuwe schoonheid of haar vroegere bevalligheid, en leverden het onmiskenbare bewijs, dat zij de echte “edelvrouw” was, die zij eens gehoopt had te zullen worden.“Liefde heeft veel gedaan voor ons dochtertje,” zie de moeder zacht.“Zij heeft haar heele leven door altijd een goed voorbeeld gehad, mijn beste,” fluisterde mijnheer March, terwijl hij zijn oogen vol liefde liet rusten op het vervallen gelaat en de vergrijsde haren naast zich.Daisy kon haar oogen maar niet afhouden van de mooie tante, en haar handjes niet van de kostbare châtelaine, die zooveel onbekende heerlijkheden bevatte. Demi moest eerst nog eens nadenken over de vreemde familieleden, eer hij zich liet vangen, door het ondoordacht aannemen van een geschenk, in den verleidelijken vorm van een familie houten beertjes uit Bern. Een zijwaartsche beweging van Laurie deed hem echter tot een onvoorwaardelijke overgave besluiten; de nieuwe oom wist blijkbaar, hoe hij het moest aanleggen. “Jongmensch, toen ik voor het eerst de eer had kennis met je te maken, gaf je me een slag in ’t gezicht: nu eisch ik voldoening!” en daarmee pakte de lange oom het kleine neefje op, zwaaide hem in de lucht en hield hem boven zijn hoofd, op een manier, die zijn waardigheid evenzeer benadeelde als ze zijn jongenshart verblijdde.“Wel, heb ik van me leven, as ze niet van ’t hoofd tot de voeten in ’t zij steekt! ’t Doet men ouwe oogen goed, as ik haar daar zoo mooi en lief zie zitten en as ze onze kleine Amy mevrouw Laurence noemen!” mompelde oude Hanna, die niet nalaten kon af en toedoor een reetje van de deur te gluren, terwijl zij bezig was de tafel te dekken, en alles vrij wel door elkander opzette.Wat werd er druk geredeneerd! eerst de een, dan de ander, dan allen tegelijk,—want ze wilden allemaal de geschiedenis van drie jaren in een half uurtje vertellen. Het was een geluk dat het tijd werd om thee te drinken, zoodat er een kleine pauze intrad en ze zich wat verkwikken konden,—want zij zouden heesch en flauw geworden zijn, als zij nog langer zoo hadden doorgepraat! Wel was dat een gelukkige optocht, die later naar de kleine eetkamer trok! Mijnheer March geleidde met trots mevrouw Laurence; mevrouw March leunde even trots op den arm van “mijn zoon”, de oude heer bood Jo den arm met een zacht en hartelijk: “Nu moet jij mijn meisje zijn,” en een blik naar het ledige hoekje bij den haard, die Jo noopte met bevende lippen te fluisteren: “Ik doe mijn best haar plaats te vervullen, mijnheer.”De tweelingen huppelden achteraan, in het idee, dat de gouden eeuw was aangebroken, want iedereen bleek zoo vervuld van de nieuw aangekomenen, dat zij zich naar hartelust vrij konden vermaken, en zij wisten van de gelegenheid zooveel mogelijk partij te trekken. Namen zij niet ongemerkt een teugje uit de verschillende kopjes, snoepten zij niet ad libitum van de koekjes, bemachtigden zij niet ieder een sneetje toast, en wisten zij niet, om alles de kroon op te zetten, ieder een verrukkelijk taartje weg te moffelen in hun kleine zakken, om daar verraderlijke sporen van kleverige kruimels achter te laten, hetgeen hun leeren kon, dat zoowel de menschelijke natuur als een taartje zwak is? Bezwaard door hun schuldig geweten en vreezende dat Dodo’s scherpe oogen door den dunnen scheidsmuur van katoen en merinos, die den buit aan ’t gezicht onttrok, zouden dringen, volgden de kleine zondaars “Opa” als zijn schaduw, daar hij zijn bril niet ophad. Amy, die van den een aan den ander werd overgedaan, alsof zij een schoteltje ververschingen was, keerde naar de zitkamer terug aan den arm van Vader Laurence; de anderen volgden twee aan twee als te voren, en deze schikking was oorzaak, dat Jo alleen overschoot. Op het oogenblik zelf gaf zij er niet om, want zij bleef even achter om Hanna’s vraag te beantwoorden: “Zou juffrouw Amy nou in der eigen coupé rijden, en al dat mooie zilveren gerei gaan gebruiken, dat nou nog allemaal in de kasten staat in het groote huis?”“Het zou mij niets verwonderen, als zij met zes witte paarden reed, van gouden borden at, en elken dag juweelen en echte kant droeg. Teddy vindt niets te goed voor haar,” antwoordde Jo met groote voldoening.“Dat is ’t ook warempel niet!—Wilt u gehakt of visch voor ’t ontbijt hebben?” liet Hanna er op volgen, die wijselijk poëzie met proza vermengde.“’t Is mij hetzelfde,” en Jo deed de deur dicht, alsof het bedenken van eten op het oogenblik een al te triviaal onderwerpwas. Zij keek even het verdwijnend gezelschap na, en toen Demi’s korte beentjes de laatste tree der trap opklauterden, overviel haar plotseling een gevoel van eenzaamheid, zóó sterk, dat zij met betraande oogen rondzag, alsof zij iets zocht om op te steunen,—want zelfs Teddy had haar in den steek gelaten. Had zij geweten welk verjaarsgeschenk met iedere minuut nader en nader kwam, dan zou zij niet tot zichzelf gezegd hebben: “Ik zal in mijn bed wel een deuntje huilen, het zou nu al heel saai zijn, als ik treurig was.” Toen veegde zij met de hand over haar oogen,—want een van haar jongensgebreken was nog, dat ze nooit haar zakdoek kon vinden—en was er juist in geslaagd een glimlach te voorschijn te roepen, toen er gebeld werd.Met gastvrijen haast deed ze gauw zelf even open en schrikte, alsof een tweede geest haar verrast had,—want daar stond een heer met bruinen baard, die haar in den donkeren avond zoo vriendelijk toelachte als een warme namiddagzon.“O, mijnheer Bhaer, wat ben ik blij u te zien!” riep Jo, en greep hem bij de hand, alsof zij vreesde, dat de nacht hem verzwelgen zou, eer zij hem nog in huis had gehaald.“En ik om juffrouw March weer te zien,—maar neen, u hebt een partijtje,” en de professor stond stil, toen hij het geluid hoorde van zooveel stemmen en het getrappel van dansende voeten.“Neen, neen, alleen mijn familie. Mijn broer en zuster zijn juist thuis gekomen, en dat stemt ons allemaal zoo gelukkig. Komt u binnen en voeg u bij ons.”Hoewel hij erg van de gezelligheid hield, zou mijnheer Bhaer stellig heel behoorlijk zijn heengegaan en op een anderen dag teruggekomen; maar hoe kon hij, nu Jo de deur achter hem sloot en hem zijn hoed afnam? Misschien had haar gezicht er ook een beetje schuld aan, want zij vergat haar vreugde over het weerzien te verbergen en toonde het met een oprechtheid, die onweerstaanbaar bleek voor den eenzamen man, wiens welkom zijn stoutste verwachtingen had overtroffen.“Als ik nietMonsieur de Tropzal wezen, wil ik zeer gaarne allen zien. Gij zijt ziek geweest, mijn waarde vriendin?”Hij deed die vraag eensklaps, want toen Jo zijn jas ophing, viel het licht op haar gezicht en zag hij er een verandering in.“Niet ziek, maar vermoeid en bedroefd; wij hebben veel verdriet gehad, sedert ik u het laatst sprak.”“Ach ja, dat weet ik. Mijn hart leed om uwentwil, toen ik dat hoorde,” en hij schudde nogmaals haar hand met zoo’n medelijdend gezicht, dat Jo bij zichzelf dacht, dat niets haar zoo troosten kon, als de blik dier vriendelijke oogen, de druk van die groote, warme hand.“Vader, Moeder, hier is mijn vriend, professor Bhaer,” stelde Jo hem voor, met een gezicht en op een toon, die zoo duidelijk trots en innige blijdschap te kennen gaven, dat zij even goed de trompethad kunnen blazen en de deur met een zwaai had kunnen opendoen.Indien de vreemdeling eenigen twijfel gekoesterd had omtrent zijn ontvangst, werd die hem al zeer spoedig benomen door het hartelijk onthaal, dat hij vond. Allen begroetten hem even vriendelijk, ter wille van Jo, maar heel spoedig hielden zij van hem om zijns zelfswil. Zij konden het niet laten, want hij droeg den talisman bij zich, die alle harten opent, en de eenvoudige Marches schonken hem dadelijk hun genegenheid, en voelden zich bijna nog vriendschappelijker gestemd, omdat hij arm was,—want armoede verrijkt diegenen, die door hun leven toonen er boven verheven te zijn, en is een zeker paspoort tot waarlijk gastvrije gemoederen. Mijnheer Bhaer zat te glimlachen als een reiziger, die aan een vreemde deur heeft geklopt, en toen zij openging opeens bemerkte, dat hij thuis is. De kinderen voelden zich tot hem aangetrokken als de bijen naar de honig, klommen op zijn knie, en stalen zijn hart door zijn zakken te doorzoeken, aan zijn baard te trekken, en zijn horloge te bekijken met kinderlijke vrijmoedigheid. De dames telegrafeerden hun ingenomenheid naar elkander, en mijnheer March zag dadelijk in, dat hij een verwanten geest had gevonden, en opende de kostbare schatkamers van zijn geest ten bate van zijn gast, terwijl de niet zeer spraakzame John luisterde en genoot, hoewel hij geen woord zei, en mijnheer Laurence er niet aan dacht een middagslaapje te houden.Als Jo het niet te druk had gehad met andere zaken, zou Laurie’s gedrag haar vermaakt hebben; want een aanvechting, niet van jaloezie, maar van iets, dat op argwaan geleek, drong hem, zich wat terug te trekken en den nieuw aangekomene met omzichtigheid gade te slaan. Maar het duurde niet lang; hij begon zijns ondanks belang te stellen in hetgeen er verhandeld werd, en was, eer hij het wist, meegetrokken in het discours, want mijnheer Bhaer sprak goed in dit hem sympathieke gezelschap, en kwam er volkomen tot zijn recht. Hij praatte weinig met Laurie, maar keek hem des te meer aan, en dan trok er een schaduw over zijn gezicht, alsof hij zijn eigen verloren jeugd betreurde, bij het aanschouwen van dien jongen man in de kracht zijns levens. Daarna dwaalde zijn oog soms zoo veelzeggend naar Jo, dat zij ongetwijfeld die stomme vraag zou beantwoord hebben, als zij het maar gezien had; maar Jo moest oppassen voor haar eigen oogen, en daar zij voelde, dat die niet te vertrouwen waren, hield zij ze voorzichtig gevestigd op het kleine kousje, dat zij, als een modeltante, zat te breien.Een steelsche blik nu en dan, verkwikte haar, als een teug frisch water na een stoffige wandeling, want die vluchtige kijkjes deden haar verscheiden gunstige verschijnselen opmerken. Mijnheer Bhaer’s gezicht had zijn afgetrokken uitdrukking verloren en tintelde van leven en belangstelling; hij zag er wezenlijk jong en knap uit, vond zij, en ze vergat totaal, hem met Laurie te vergelijken, zooals zij gewoonlijk vreemde heeren—zeer in hun nadeel—deed.Daarbij scheen hij als meegesleept door zijn onderwerp, hoewel de begrafenis-gewoonten der ouden, waarheen het gesprek afgedwaald was, nu niet juist beschouwd kon worden als een opvroolijkend thema. Jo gloeide van voldoening, toen Teddy met een krachtig argument werd doodgeslagen, en dacht bij zichzelf, toen zij haar vaders bezield gelaat zag: “Wat zou het heerlijk voor hem zijn, als hij eens iemand als mijn professor had om elken dag mee te praten!” En om alles de kroon op te zetten, had mijnheer Bhaer een fonkelnieuw pak aan, waardoor hij er echt als een “gentleman” uitzag. Zijn zwaar haar was geknipt en netjes geborsteld, hoewel het niet lang in orde bleef, want in opgewonden oogenblikken streek hij het ouder gewoonte in de hoogte, en Jo gaf de voorkeur aan dien rechtovereindstaanden bos, boven de gladde lokken, omdat zij meende, dat zijn welgevormd voorhoofd dan iets Jupiter-achtigs kreeg. Arme Jo, wat verheerlijkte zij dien doodgewonen man, terwijl zij daar zoo kalmpjes zat te breien en toch niets aan haar oog liet ontsnappen—zelfs niet het feit, dat mijnheer Bhaer gouden manchetknoopen droeg in zijn smettelooze manchetten.“Die goede professor, hij had zich niet met meer zorg kunnen kleeden, als hij op een liefdesavontuur uitging,” zei Jo bij zichzelf, waarop een plotseling invallende gedachte, uit die woorden voortgekomen, haar zoo’n vreeselijke kleur aanjoeg, dat zij haar kluwen moest laten vallen en bukken om het op te rapen, en zoo haar gezicht te kunnen verbergen.Die manoeuvre gelukte haar echter niet zoo goed, als zij wel hoopte; want hoewel de professor juist op het punt was een doodenbrandstapel aan te steken, liet hij zijn toorts, figuurlijk gesproken, vallen en dook naar het kleine, blauwe kluwen. Natuurlijk bonsden hun hoofden terdege tegen elkander, zoodat zij er sterretjes van voor de oogen kregen, en beiden kwamen weer boven, lachend en verlegen, zonder het kluwen, en namen hun plaatsen weer in, met den heimelijken wensch, dat zij die maar niet verlaten hadden.Niemand begreep, waar de tijd bleef, want Hanna wist de kinderen zeer behendig nog al bijtijds uit de kamer te lokken; ze knikkebolden dan ook als twee roode papavers, en mijnheer Laurence ging naar huis om uit te rusten. De anderen zaten om het vuur te praten en dachten er niet aan, dat de uren verstreken, totdat Meta, wier moederlijk hart tot de vaste overtuiging kwam, dat Daisy uit bed zou gevallen zijn, en Demi zijn nachtjaponnetje in brand zou steken, bij het bestudeeren van de samenstelling van lucifers, opstond om heen te gaan.“Laten wij van avond weer eens als vanouds zingen, nu wij weer voor het eerst allen bij elkaar zijn,” stelde Jo voor, meenende, dat zij door een van harte gezongen lied veilig lucht zou kunnen geven aan de juichende stemming van haar ziel.Zij waren er nietallen, maar niemand vond de woorden gedachtenloos of onwaar, want Betsy leefde nog in hun midden—een vreedzametegenwoordigheid—onzichtbaar, maar dierbaarder dan ooit, daar de dood den innigen band, door hechte liefde gesmeed, niet kon verbreken. De kleine stoel stond op zijn oude plaats; het nette werkmandje nog op dezelfde plank, met het laatste werkje, dat zij onder handen had, toen de naald zoo zwaar werd; de geliefde piano, nu zoo zelden bespeeld, was nooit verzet, en daarboven keek Betsy’s gezichtje op hen neer, dat vreedzaam en glimlachend als in vroeger dagen scheen te zeggen: “Weest gelukkig, ik ben bij jullie.”“Speel eens iets, Amy; laat hun eens hooren, hoe je bent vooruitgegaan,” verzocht Laurie, met vergeeflijken trots op zijn veelbelovende leerling.Maar Amy fluisterde met oogen vol tranen, terwijl zij het oude krukje opdraaide: “Niet van avond, Laurie, ik kan van avond geen kunsten vertoonen.”Maar zij deed beter dan dat, want zij zong Betsy’s liederen, met een teeder pathos, dat de beste meester haar niet kon geleerd hebben, en roerde de harten der hoorders door die liefelijke macht, die slechts zuivere bezieling verleent. Het was doodstil in de kamer, toen de heldere stem eensklaps beefde en zweeg bij den laatsten regel van Betsy’s lievelingsgezang. Het was zoo moeilijk te zeggen:“Geen smart op aarde, of ’t geloof kan haar verzachten.”En Amy leunde het hoofd tegen haar man, die achter haar stond, diep gevoelende, dat haar welkom-thuis niet volmaakt was, zonder Betsy’s kus.“Nu moeten wij eindigen met Mignon’s lied, want dat zingt mijnheer Bhaer,” zei Jo, voordat de pauze pijnlijk werd, en de professor kuchte eens en ging toen naar den hoek, waar Jo stond, zeggende: “Gij wilt wel met mij zingen; wij gaan bizonder goed tezamen.” Dat was, in het voorbijgaan gezegd, pure verbeelding, want Jo had niet veel meer begrip van muziek dan een sprinkhaan; maar zij zou zijn voorstel aangenomen hebben, al had hij haar gevraagd een heele opera met hem te zingen, en kweelde er op los, zich in haar geluk niet om maat of toon bekommerend. Het kwam er niet veel op aan, want professor Bhaer zong als een echt Duitscher, flink, uit volle borst, en Jo verviel weldra in een zacht geneurie, om des te beter te kunnen luisteren naar de welluidende stem, die voor haar alleen scheen te zingen.“Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,”placht de lievelingsregel van den professor te zijn; want ‘das Land’ was voor hem Duitschland; maar nu scheen het wel, alsof hij met buitengewone warmte en aandrang de woorden herhaalde:....dahin, dahin!Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!en één toehoorster werd zoo geroerd door die teedere uitnoodiging, dat zij hem gaarne had willen toeroepen, dat zij het land kende, en er vol vreugde wilde heentrekken, wanneer hij maar verkoos.Het lied werd met grooten bijval ontvangen, en de zanger trok zich verlegen terug, overdekt met roem en eer. Maar een paar minuten later vergat hij zichzelf totaal en keek zijn oogen uit, toen Amy haar hoed opzette om heen te gaan, want zij was alleen maar aan hem voorgesteld als “mijn zuster,” en niemand had haar nog bij haar nieuwen naam genoemd. Hij vergat zich nog meer, toen Laurie bij het afscheid nemen op hartelijken en beleefden toon tegen hem zei: “Mijn vrouw en ik zijn heel blij, u ontmoet te hebben, mijnheer Bhaer. U zoudt ons groot genoegen doen, met ons eens op te komen zoeken; wees overtuigd dat u altijd hartelijk welkom zult wezen.”Toen dankte de professor hem zoo hartelijk, en zijn gezicht werd plotseling zoo verhelderd en opgetogen, dat Laurie hem den aardigsten, openhartigsten ouden heer vond, dien hij ooit gezien had.“Ik wil nu ook gaan, doch ik wil gaarne weerkomen, wanneer u het veroorlooft, lieve mevrouw, want ik heb hier eenige zaken te doen, en zal hier een paar dagen moeten blijven.”Hij sprak tegen mevrouw March, maar keek Jo aan; en de stem der moeder gaf een even welgemeende toestemming, als de oogen der dochter; want mevrouw March was niet zoo blind voor het welzijn harer kinderen, als mevrouw Moffat dacht.“Ik geloof, dat dat een wijs man is,” zei mijnheer March, uiterst voldaan voor den schoorsteen staande, nadat de laatste gast vertrokken was.“Ik weet, dat hij eengoedman is,” antwoordde mevrouw March beslist, terwijl ze de klok opwond.“Ik dacht wel, dat u van hem zoudt houden,” was alles, wat Jo zei, terwijl zij hen goeden nacht wenschte en naar haar kamer ging.Zij peinsde er over, wat toch wel die zaken konden zijn, die mijnheer Bhaer naar de stad riepen, en kwam eindelijk tot het besluit, dat hij de een of andere eervolle benoeming moest hebben ontvangen, maar te bescheiden was om dat zelf te vertellen. Had zij zijn gezicht kunnen zien, toen hij veilig op zijn kamer, het portret bekeek van een strenge, ernstige jonge dame met een massa haar, die met donkeren blik de toekomst scheen te willen doorboren, dan zou dit haar misschien eenig licht hebben gegeven, vooral toen hij het gas uitdraaide, en het portret in de duisternis kuste.1Beroemd Engelsch letterkundige.2In Dickens’David Copperfield.HOOFDSTUK XXI.MIJNHEER EN MEVROUW.“Madame Mère, kunt u mij als ’t u belieft mijn vrouw ook een half uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy’s Parijsche fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat ik noodig heb,” zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder’s schoot zag zitten, alsof zij nog “het kleintje” was.“Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis hebt dan dit,” en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke begeerigheid.“Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten, maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een—”“Weerhaan zonder wind kan,” vulde Jo aan, toen hij zweeg om een vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds Teddy’s terugkomst.“Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen, sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben altijd even koel en zacht—niet waar, mevrouw?”“Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren, maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn tochzoohulpbehoevend, Moeder,” zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.“Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?” vroeg Jo, terwijl ze Amy’s mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar boezelaars deed.“Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen, dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van ’t leegloopen, en ben van plan aan het werk te gaan als een man.”“En wat gaat Amy doen?” informeerde mevrouw March, verheugd over Laurie’s beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.“Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterendgezelschap, dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immersuwvoornemen, madame Récamier?” vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.“De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken,” antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goedehuisvrouw zou zijn, eer zij alsgastvrouw haar salons opende.“Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!” zei mijnheer March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar weer te verdiepen in zijn Aristoteles.“Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn,” voegde mevrouw March er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig de haven heeft binnengeleid.“Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!” zuchtte Jo, maar ze glimlachte vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk het hek openstootte.Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:“Mevrouw Laurence.”“Mylord?”“Die man is van plan onze Jo te trouwen.”“Ik hoop het; jij ook niet?”“Wel, vrouwtje, ik vind hem ‘een juweel’ in den vollen zin des woords, maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was.”“Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud of hoe arm hij is. Vrouwen moetennooitom geld trouw—” hier hield Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:“Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij hetvastvan plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij hebt genomen.”“O, mijn liefste man, denk dat toch als ’t je blieft niet! Ik vergat heelemaal dat je rijk was, toen ik ‘ja’ zei. Ik zou met je getrouwd zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb,” en Amy, die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was, wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de oprechtheid harer woorden.“Je gelooft toch nietwezenlijk, dat ik zoo’n geldzuchtig schepsel ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in ’t zelfde bootje zou varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer.”“Neen, zoo’n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb, werd ik toch niet teleurgesteld,—want de dochter deed de opvoeding van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,”—en Laurie zweeg, want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.“Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet—maar je neus is mij zoo’n groote troost,” en Amy liefkoosde het welbesneden lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.Laurie had al menigcomplimentgekregen in zijn leven, maar nooit een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde, hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze langzaam vervolgde:“Mag ik je eens iets vragen, man?”“Natuurlijk wel.”“Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?”“O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was, wat je niet beviel. Daar ik de zon best in ’t water kan zien schijnen en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren, dat ik op Jo’s bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een veertje. Twijfel je er aan,mon mie?”Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en vertrouwen stralend gezicht.“Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen, die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een aardig fortuintje naliet?” bedacht Laurie, toen het tweetal arm in arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden, in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.“Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem, en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond.”“Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien, maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken, en zij vertrouwt altijd, dat menschen hunschulden eerlijk betalen; daar zal ik haar dus mee vangen.”“Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is.”“O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad, omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in ’t achterschip is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel moeilijker is.”“Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen,” antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.“Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden; zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot, want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet, dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren.”“Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen, en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest, en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen,zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben.”“Dat zul je, lieveling!” riep Laurie, en hij nam zich in ’t vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met kunstenaarsaanleg. “Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door hun erfgenamente laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen, die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?”“Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk je mantel deelen met den bedelaar.”“Afgesproken! en wij zullen er zelf ’t meest bij winnen.”Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die minder bevoorrecht waren dan zij.
HOOFDSTUK XX.VERRASSINGEN.Alleen in den schemer op de oude sofa, lag Jo naar het vuur te staren en te peinzen. Dat was haar geliefkoosde manier om het schemeruurtje door te brengen; niemand stoorde haar, en zij lag daar gewoonlijk, op Betsy’s klein rood kussen, verhalen te phantaseeren, droomen te droomen, of met teedere liefde te denken aan de zuster, die haar nooit veraf scheen. Zij zag er vermoeid, ernstig en min of meer droevig uit, want morgen was zij jarig, en zij dacht er over hoe oud zij al werd, en hoe weinig zij nog gedaan had. Bijna vijf en twintig, en niets uitgevoerd, dat de moeite waard was!—Daar vergiste Jo zich in; ze had heel wat gedaan, en na een poosje erkende ze dat ook zelf, en was er dankbaar voor.“Een oude vrijster worden, dat zal mijn lot zijn. Een litteraire oude vrijster, met een pen tot echtgenoot, een hoop verhalen tot kinderen, en over twintig jaar een armzalig beetje roem en fortuin misschien; maar dan ben ik, evenals de arme Johnson,1natuurlijk te oud om er van te genieten, en heb ze dus niet meer noodig. Hoe het zij, ik behoef geen zure heilige of zelfzuchtige zondares te wezen; en ik geloof eigenlijk wel, dat oude vrijsters zich heel behagelijk voelen, als ze maar eerst aan den toestand gewend zijn; maar—” en hier zuchtte Jo, alsof het vooruitzicht toch niet uitlokkend was.Onder haar overpeinzingen scheen Jo in slaap gevallen te zijn, want eensklaps stond Laurie’s geest voor haar. ’t Was of een lichamelijk levende geest zich over haar heenboog, met denzelfden blik,die in zijn oogen placht te komen, als hij iets diep gevoelde en het liever niet wou toonen.Een oogenblik lag ze hem verschrikt aan te staren, zonder een enkel woord te zeggen, totdat hij bukte en haar een kus gaf. Toen kende zij hem, en vloog op met den blijden uitroep:“O, Teddy! O, mijn Teddy!”“Ben je dus blij mij weer te zien, Jo?”“Blij! mijn beste jongen, woorden kunnen mijn blijdschap niet uitdrukken. Waar is Amy?”“Je moeder heeft zich van haar meester gemaakt; zij zijn bij Meta. Wij gingen daar in het voorbijgaan even aan, en ik kon mijn vrouw niet uit hun handen krijgen.”“Je wat?” riep Jo—want Laurie zei deze twee woorden met een onbewusten trots en zelfvoldoening, die hem verrieden.“Drommels! daar heb ik het nu toch verklapt!” en hij keek meer dan schuldig, terwijl Jo hem het mes op de keel zette.“Ben je heusch getrouwd?”“Ja, om u te dienen, maar ik zal het nooit weer doen,” en hij viel voor haar op de knieën, de handen smeekend samengevouwen, en zijn gezicht een en al schalkschheid, vroolijkheid en triomf.“Wezenlijk getrouwd?”“Wezenlijk!”“Groote goedheid! wat voor verschrikkelijke dingen zul je nu verder uitrichten?” en Jo viel hijgend op haar plaats neer.“Een karakteristieke, maar niet complimenteuse gelukwensch”, merkte Laurie op, nog steeds in zijn nederige houding, maar stralende van voldoening, en uiterst voldaan.“Wat kun je anders verwachten, als je iemand buiten adem brengt, door als een dief in huis te sluipen, en op die manier een schrik aan te jagen! Sta op, dwaze jongen, en vertel mij er alles van.”“Geen woord, tenzij je mij weer op mijn oude plaats laat zitten, en me belooft, dat je geenbarricadezult opwerpen.”Jo begon te lachen, zooals zij in lang niet gelachen had, klopte uitlokkend op de sofa, en zei op hartelijken toon: “Het oude kussen ligt op zolder, wij hebben het nu niet meer noodig; kom dus maar gauw alles opbiechten, Teddy!”“Wat klinkt dat genoegelijk, je weer ‘Teddy’ te hooren zeggen; niemand dan jij noemt mij ooit zoo,” en Laurie ging met een zeer vergenoegd gezicht zitten.“Hoe noemt Amy je?”“Mylord.”“Net iets voor haar!—nu, je ziet er kranig genoeg vooruit,” en Jo’s oogen zeiden duidelijk, dat zij “haar jongen” knapper vond dan ooit.Het kussen was er niet meer, maar toch was er eenbarricade, een natuurlijke—opgeworpen door tijd, afwezigheid en veranderdegemoedsgesteldheid. Beiden gevoelden dit, en zagen elkander een oogenblikje aan, alsof die onzichtbare scheidsmuur een kleine schaduw tusschen hen deed vallen. Dat duurde echter maar een poosje, want Laurie vroeg, met een vergeefsche poging om een waardig gezicht te zetten: “Zie ik er niet uit als een getrouwd man, als het hoofd van een huisgezin?”“Geen zier, en dat zul je ook nooit. Je bent wat dikker en steviger geworden, maar anders nog dezelfde kwajongen als altijd.”“Hoor eens, Jo, je moest mij met wat meer eerbied behandelen,” begon Laurie, die erg van de ontvangst genoot.“Hoe is dat mogelijk, als het denkbeeld alleen, dat jij getrouwd en gevestigd bent, zoo onweerstaanbaar grappig is, dat ik niet ernstig kan blijven,” antwoordde Jo, een en al glimlach, hetgeen zoo aanstekelijk bleek, dat zij samen in lachen uitbarstten, en toen rustig gingen zitten, om een vertrouwelijk praatje te houden op de oude manier.“Het zou je niets baten, of je al in de kou uitging om Amy te halen, want ze komen straks allemaal hier; ik kon niet langer wachten; ik wou je zoo graag het groote nieuws vertellen, en het bovenste laagje hebben, zooals wij zeiden, als wij over den room kibbelden.”“Natuurlijk wou je dat, en bedierf je alles door met het slot te beginnen. Begin nu eens van voren af aan, en vertel mijprecieshoe alles in zijn werk is gegaan. Ik brand van nieuwsgierigheid.”“Nu dan: ik deed het eenvoudig om Amy plezier te doen,” begon Laurie met een knipoogje, dat Jo deed uitroepen:“Leugen nommero een; Amy deed het om jou plezier te doen. Ga voort, maar spreek de waarheid, als ge kunt, mijnheer.”“Nu begint zij mij al dadelijk de les te lezen; is ’t niet allergenoeglijkst dat weer eens te hooren?” vroeg Laurie aan het vuur, en de vlammen flikkerden helder op, alsof ze ’t er volkomen mee eens waren. “Het komt immers toch alles op hetzelfde neer, is ’t niet? nu zij en ik toch één zijn. Wij waren van plan met de Carrols thuis te komen, dat was een maand of wat langer geleden, maar zij veranderden in eens van gedachten, en besloten nog een winter te Parijs te blijven. Maar Grootvader verlangde naar huis; hij was op reis gegaan voor mijn plezier, dus kon ik hem niet alleen laten terugtrekken, maar ik kon toch ook niet van Amy scheiden, en mevrouw Carrol had malle Engelsche ideeën opgedaan over gepast geleide en zulke gekheid meer, en wou Amy niet toestaan met ons mee te gaan. Daarom maakte ik een eind aan de moeilijkheid door te zeggen: ‘Laten wij trouwen, dan kunnen wij doen, wat wij willen.’”“Natuurlijk stelde jij dat voor! Jij richt altijd de dingen in naar je eigen plezier.”“Nietaltijd!” en iets in Laurie’s stem deed Jo haastig vervolgen: “Hoe heb jullie Tante’s toestemming gekregen?”“Dat was wel lastig, maar we wisten haar toch om te praten,want we hadden een massa goede argumenten aan onzen kant. Er was geen tijd meer om te schrijven en toestemming te vragen, maar jullie zoudt het toch allemaallatergoed hebben gevonden, en dus: ‘we moesten de koe maar bij de horens pakken,’ zooals mijn vrouw zegt.”“Wat zijn we trotsch op die twee woorden, en wat vinden wij het prettig om ze te zeggen!” viel Jo hierop in, het vuur op haar beurt toesprekende en met genot den gelukkigen glans waarnemende die het scheen te wekken in de oogen, die zoo droevig en somber hadden gestaan, toen zij ze de laatste maal zag.“Wel een beetje! Ze is ook zoo’n mooi en lief vrouwtje, dat ik niet laten kan trotsch op haar te zijn. Nu maar—Oom en Tante waren er voor het decorum. We gingen zoo in elkander op, dat wij voor anderen niets waard waren, en deze plezierige schikking zou alles voor iedereen ’t gemakkelijkst maken; dus besloten wij er dan ook maar toe.”“Wanneer, waar, hoe?” vroeg Jo, een en al belangstelling, en brandend van nieuwsgierigheid, want zij kon het zich nog maar niet begrijpen.“Zes weken geleden, in het hôtel van den Amerikaanschen consul te Parijs—een heel rustige trouwerij natuurlijk; want zelfs in ons geluk vergaten wij onze lieve Betsy niet.”Jo legde haar hand in de zijne, toen hij dat zei, en Laurie streek zachtjes over het kleine roode kussen, dat hij zich zoo goed herinnerde.“Waarom liet jullie ’t ons daarna niet weten?” vroeg Jo op bedaarder toon, toen zij een poos heel stil hadden gezeten.“Wij wilden jullie verrassen; wij dachten eerst, dat wij dadelijk naar huis zouden gaan, maar mijn beste grootvader zag, zoodra we getrouwd waren, plotseling in, dat hij nog wel een maand noodig had, eer hij klaar kon komen, en zond ons weg om onze wittebroodsweken door te brengen, waar wij verkozen. Amy had vroeger eens gezegd, dat Valrosa daar zoo uitstekend voor geschikt was, dus gingen wij daarheen en waren er zoo gelukkig, als menschen maar eenmaal in hun leven zijn kunnen. Dat was daar met recht rozengeur en maneschijn!”Laurie scheen Jo voor een oogenblik te vergeten, en Jo verheugde zich er over; want het feit, dat hij haar al deze dingen zoo vrij en natuurlijk vertelde, bewees haar dat hij volkomen vergeven en vergeten had. Zij zocht haar hand weg te trekken; maar alsof Laurie raadde welke gedachte haar aanspoorde tot die half onwillekeurige beweging, hield hij ze vast, en zei met een manlijken ernst, dien zij nog nooit in hem had opgemerkt: “Jolief, ik wou je graag één ding zeggen, en dan zullen wij die zaak voor goed laten rusten. Zooals ik al in mijn brief schreef, toen ik vertelde, hoe lief Amy voor me geweest was, ik zal nooit ophouden jou ook lief te hebben; maar de liefde is veranderd, en ik heb leeren inzien, dat het beteris, zooals het is. Amy en jij veranderen van plaats in mijn hart, dat is al. Ik geloof, dat het zoo beschikt was, en zou dat zeker ook wel van zelf hebben leeren inzien, als ik gewacht had volgens jouw raad; maar ik kon niet geduldig zijn en werd dus wanhopig. Ik was toen een jongen, koppig en heftig, en ik had een harde les noodig om mijn vergissing te leeren inzien. Want het wás een vergissing, Jo, zooals jij ook zei, en ik merkte het, nadat ik mij als een gek had aangesteld. Ik raakte daarna zoo in de war, dat ik zelf niet wist, wie ik het meest liefhad—jou of Amy, en mijn best deed beiden even lief te hebben, maar dat kon ik niet, en toen ik haar in Zwitserland terug zag, scheen alles op eens tot klaarheid te komen. Je nam beiden je rechte plaats in, en ik wist zeker, dat de oude liefde afgedaan was, voordat de nieuwe begon te leven; dat ik mijn hart eerlijk kon deelen tusschen zuster Jo en vrouw Amy, en ze beiden hartelijk liefhebben. Wil je dat gelooven en terugkeeren naar den gelukkigen ouden tijd, toen wij elkander pas leerden kennen?”“Ik wil het van ganscher harte gelooven; maar Teddy, wij kunnen nooit weer jongen en meisje zijn—de gelukkige oude tijd kan nooit terugkomen, en wij moeten dat ook niet verwachten. Wij zijn nu volwassen man en volwassen vrouw, hebben ernstig werk te doen, want de speeltijd is over, en mogen niet langer gekheid maken. Ik geloof, dat jij dat ook wel voelt; ik zie de verandering in jou, en jij zult die in mij zien; ik zal ‘mijn jongen’ missen, maar ik zal den man even goed liefhebben en hem méér bewonderen, omdat hij zich voorneemt te zijn, wat ik hoopte, dat hij worden zou. We kunnen niet langer speelkameraden wezen, maar wij zullen broer en zuster zijn, om elkaar ons leven lang lief te hebben en te helpen; zullen we niet, Laurie?”Hij antwoordde niet, maar nam de hand, die zij hem aanbood, en legde er zijn gezicht voor een oogenblik op, gevoelende, dat uit het graf van een jongenshartstocht een schoone sterke vriendschap was verrezen, die hun beiden tot zegen zou zijn. Toen hernam Jo vroolijk, want zij wilde niet, dat zijn thuiskomst droevig zou worden: “Ik kan het mij nog maar niet begrijpen, dat jullie kinderen werkelijk getrouwd zijn en een huishouden gaan opzetten. Het lijkt mij net, of het pas gisteren was, dat ik Amy’s boezelaar vastmaakte, en jou aan ’t haar trok, als je mij plaagde. Och, och, wat vliegt de tijd toch om!”“Daar een van de ‘kinderen’ ouder is dan jijzelf, behoef je niet zoo grootmoederachtig te praten. Ik vlei mij, dat ik nu wel ‘een opgeschoten meneer’ ben, zooals Peggotty zei van David;2en als je Amy ziet zul je haar wel een bizonder voorspoedig kind vinden,” zei Laurie, lachende om haar moederlijken toon.“Jij mag wat ouder zijn in jaren, maar ik ben zooveel ouder inmijn gevoel, Teddy. Dat zijn vrouwen altijd, en dit laatste jaar is zoo moeilijk geweest, dat ik mij wel veertig jaar voel.”“Arme Jo, we lieten het jou ook maar alleen dragen, terwijl wij plezier maakten. Je bent werkelijk ouder geworden; hier is een diepe rimpel, en daar nog een; behalve wanneer je glimlacht, staan je oogen droevig, en toen ik straks het kussen aanraakte, voelde ik er een traan op. Je hebt veel verdriet gehad en stond er alleen voor; wat ben ik een zelfzuchtig wezen geweest!” en Laurie trok met een berouwvol gezicht aan zijn haar.Maar Jo keerde het verraderlijke kussen om, en antwoordde op een toon, dien zij zoo vroolijk mogelijk deed klinken: “Neen, ik had Vader en Moeder om mij te helpen, en de kleintjes om mij te troosten, en de gedachte, dat jij en Amy gezond en gelukkig waren, deed mij de moeilijkheden hier gemakkelijker dragen. Ik voel mij soms eenzaam, maar ik geloof, dat dat wel goed voor mij is, en—”“Je zult het nooit weer zijn,” viel Laurie haar in de rede, en sloeg zijn arm om haar heen, alsof hij alle mogelijke kwaad van haar wilde weren. “Amy en ik kunnen niet buiten jouw hulp; jij moet ‘de kinderen’ leeren huishouden, en in alles deelen, zooals vroeger, en toelaten, dat we je vertroetelen, dan zullen we allemaal óvergelukkig zijn.”“Als ik niet overcompleet ben, zou ik het heel prettig vinden. Ik begin mij nu al verjongd te voelen; want toen jij kwam, schenen al mijn zorgen op de een of andere manier weg te vliegen. Jij bent mij altijd een troost geweest, Teddy,” en Jo leunde met haar hoofd op zijn schouder, zooals zij dat jaren geleden gedaan had, toen Betsy ziek was, en Laurie haar zeide, dat zij maar op hem moest steunen.Hij keek haar aan om te zien, of zij aan die dagen terugdacht, maar Jo glimlachte, alsof haar zorgen werkelijk bij zijn komst waren weggevlogen.“Je bent nog altijd dezelfde, Jo, het eene oogenblik schreien, het volgende lachen. Nu kijk je wel wat ondeugend; waar denkt u aan, Grootma?”“Ik peinsde er over, hoe jij en Amy met elkander zouden omgaan.”“Als engelen!”“Ja natuurlijk, in het begin—maar wie is de baas?”“Ik heb er geen bezwaar tegen, je te vertellen, dat zij op ’t oogenblik het meest in te brengen heeft; ik laat haar ten minste in dien waan,—zij vindt dat plezierig, weet je. Maar we zullen daar gauw verandering in brengen, want zij zeggen, dat het huwelijk iemands rechten halveert en iemands plichten verdubbelt.”“Je zult voortgaan, zooals je begonnen bent, en Amy zal je al je levensdagen regeeren.”“Nu, zij doet het zoo onmerkbaar, dat ik niet denk, dat het mij veel zal kunnen schelen. Amy is een vrouw, die de kunst van regeeren goed verstaat; ik vind het, om je de waarheid te zeggen, zelfswel aardig, want zij draait iemand zoo zacht en netjes om den vinger, alsof hij een strengetje zij was, en intusschen geeft ze je ’t idee, dat ze je een gunst bewijst.”“Dat ik dát nog beleven moet, jou onder den pantoffel te zien, terwijl je het nog aardig vindt op den koop toe!” riep Jo, de handen in elkaar slaande.Het was aardig om te zien, hoe Laurie de borst vooruitzette, en met mannelijken trots om die insinuatie lachte, terwijl hij “met zijn hooghartig air” antwoordde: “Amy is te wel opgevoed om zooiets te doen, en ik behoor niet tot de soort van mannen die zich daaraan onderwerpen. Mijn vrouw en ik hebben te veel achting voor ons zelven en voor elkaar, om ooit over elkander te heerschen, of met elkaar te kibbelen.”Dat beviel Jo, en zij vond, dat de nieuwe waardigheid hem heel goed stond, maar de knaap scheen met reuzenschreden in een man te veranderen, en weemoed vermengde zich met haar blijdschap.“Dat geloof ik graag; Amy en jij kibbelden nooit, zooals wij samen. Zij is de zon, en ik ben de wind uit de fabel, en de zon maakte het meest van den man, zooals je je herinnert.”“Zij kan hem zoowel wat ‘opblazen’ als ’t noodig is, als hem beschijnen,” verzekerde Laurie lachend. “Als ik nog aan de vermaning denk, die ik te Nice kreeg! Ik verzeker je, dat die nog vrij wat erger was, dan jij me ooit gegeven hebt. Die klonk als een klok; ik zal je er bij gelegenheid wel eens alles van vertellen,—zijzal het nooit doen, omdat zij—nadat zij mij gezegd had, dat zij mij verachtte en zich over mij schaamde—haar hart kwijt raakte aan dien verachtelijken persoon en den nietswaardige trouwde.”“Hoe karakterloos! Maar mocht zij het soms te bont maken, kom dan maar bij mij, dan zal ik je wel verdedigen.”“Ik zie er wel uit, of ik dat noodig had, hè?” vroeg Laurie, opstaande en een gebiedende houding aannemende, die plotseling in ongeveinsde verrukking overging, toen hij Amy hoorde roepen:“Waar zit zij? Waar is mijn lieve, oude Jo?”Daar kwam de heele familie binnen marcheeren, en allen kusten en pakten elkander nog eens weer van voren af aan, en eindelijk mochten de drie reizigers in vrede gaan zitten, en kon ieder zich ongestoord “aan hun aanblik vergasten.” Mijnheer Laurence, gezond en flink als altijd, was door zijn buitenlandsche reis even zeer verkwikt als de anderen,—zijn barschheid scheen nagenoeg geheel verdwenen en de ouderwetsche hoffelijkheid had een kleine verfijning ondergaan, die haar aantrekkelijker maakte dan ooit. Het deed iemand goed op te merken, hoe hij “mijn kinderen”, zooals hij het jonge paar noemde, toelachte; nog aardiger was het te zien, hoe Amy hem haar kinderlijke liefde bewees, waardoor zij zijn oud hart geheel en al won; en het best van alles was het Laurie gade te slaan, zooals hij om die twee heendraaide, alsof hij zich niet verzadigen kon aan het liefelijke tafreel.Meta had bij den eersten oogopslag dadelijk ontdekt, dat Amy er heel anders uitzag dan zijzelve, dat haar eigen japon niet de Parijsche “coupe” had en dat de jonge mevrouw Moffat geheel in de schaduw zou worden gesteld door de jonge mevrouw Laurence, die een echt elegante, gracieuse vrouw was geworden. Jo dacht, toen zij het paar nauwkeurig opnam: “wat komen ze toch goed bij elkander! Ik had gelijk, en Laurie heeft ‘het mooie begaafde meisje’ gevonden, dat zijn huis meer tot sieraad zal strekken dan de lompe oude Jo; zij zal zijn trots en niet zijn plaag zijn.” Mevrouw March en haar echtgenoot glimlachten en knikten elkaar met een verheugd gezicht toe, want zij zagen, dat het hun jongste dochter naar wensch was gegaan, niet alleen in wereldsche dingen, maar dat ook het betere goed: liefde, vertrouwen en geluk haar deel was geworden.Want Amy’s gelaat droeg die uitdrukking van zachte blijmoedigheid, die van vrede des harten spreekt, haar stem had een nieuwen teederen klank, en de koele, stijve houding was overgegaan in een zachte waardigheid, zoowel vrouwelijk als innemend. De indruk werd niet verstoord door kleine gemaaktheden, en haar hartelijke, lieve manieren waren nog bekoorlijker dan de nieuwe schoonheid of haar vroegere bevalligheid, en leverden het onmiskenbare bewijs, dat zij de echte “edelvrouw” was, die zij eens gehoopt had te zullen worden.“Liefde heeft veel gedaan voor ons dochtertje,” zie de moeder zacht.“Zij heeft haar heele leven door altijd een goed voorbeeld gehad, mijn beste,” fluisterde mijnheer March, terwijl hij zijn oogen vol liefde liet rusten op het vervallen gelaat en de vergrijsde haren naast zich.Daisy kon haar oogen maar niet afhouden van de mooie tante, en haar handjes niet van de kostbare châtelaine, die zooveel onbekende heerlijkheden bevatte. Demi moest eerst nog eens nadenken over de vreemde familieleden, eer hij zich liet vangen, door het ondoordacht aannemen van een geschenk, in den verleidelijken vorm van een familie houten beertjes uit Bern. Een zijwaartsche beweging van Laurie deed hem echter tot een onvoorwaardelijke overgave besluiten; de nieuwe oom wist blijkbaar, hoe hij het moest aanleggen. “Jongmensch, toen ik voor het eerst de eer had kennis met je te maken, gaf je me een slag in ’t gezicht: nu eisch ik voldoening!” en daarmee pakte de lange oom het kleine neefje op, zwaaide hem in de lucht en hield hem boven zijn hoofd, op een manier, die zijn waardigheid evenzeer benadeelde als ze zijn jongenshart verblijdde.“Wel, heb ik van me leven, as ze niet van ’t hoofd tot de voeten in ’t zij steekt! ’t Doet men ouwe oogen goed, as ik haar daar zoo mooi en lief zie zitten en as ze onze kleine Amy mevrouw Laurence noemen!” mompelde oude Hanna, die niet nalaten kon af en toedoor een reetje van de deur te gluren, terwijl zij bezig was de tafel te dekken, en alles vrij wel door elkander opzette.Wat werd er druk geredeneerd! eerst de een, dan de ander, dan allen tegelijk,—want ze wilden allemaal de geschiedenis van drie jaren in een half uurtje vertellen. Het was een geluk dat het tijd werd om thee te drinken, zoodat er een kleine pauze intrad en ze zich wat verkwikken konden,—want zij zouden heesch en flauw geworden zijn, als zij nog langer zoo hadden doorgepraat! Wel was dat een gelukkige optocht, die later naar de kleine eetkamer trok! Mijnheer March geleidde met trots mevrouw Laurence; mevrouw March leunde even trots op den arm van “mijn zoon”, de oude heer bood Jo den arm met een zacht en hartelijk: “Nu moet jij mijn meisje zijn,” en een blik naar het ledige hoekje bij den haard, die Jo noopte met bevende lippen te fluisteren: “Ik doe mijn best haar plaats te vervullen, mijnheer.”De tweelingen huppelden achteraan, in het idee, dat de gouden eeuw was aangebroken, want iedereen bleek zoo vervuld van de nieuw aangekomenen, dat zij zich naar hartelust vrij konden vermaken, en zij wisten van de gelegenheid zooveel mogelijk partij te trekken. Namen zij niet ongemerkt een teugje uit de verschillende kopjes, snoepten zij niet ad libitum van de koekjes, bemachtigden zij niet ieder een sneetje toast, en wisten zij niet, om alles de kroon op te zetten, ieder een verrukkelijk taartje weg te moffelen in hun kleine zakken, om daar verraderlijke sporen van kleverige kruimels achter te laten, hetgeen hun leeren kon, dat zoowel de menschelijke natuur als een taartje zwak is? Bezwaard door hun schuldig geweten en vreezende dat Dodo’s scherpe oogen door den dunnen scheidsmuur van katoen en merinos, die den buit aan ’t gezicht onttrok, zouden dringen, volgden de kleine zondaars “Opa” als zijn schaduw, daar hij zijn bril niet ophad. Amy, die van den een aan den ander werd overgedaan, alsof zij een schoteltje ververschingen was, keerde naar de zitkamer terug aan den arm van Vader Laurence; de anderen volgden twee aan twee als te voren, en deze schikking was oorzaak, dat Jo alleen overschoot. Op het oogenblik zelf gaf zij er niet om, want zij bleef even achter om Hanna’s vraag te beantwoorden: “Zou juffrouw Amy nou in der eigen coupé rijden, en al dat mooie zilveren gerei gaan gebruiken, dat nou nog allemaal in de kasten staat in het groote huis?”“Het zou mij niets verwonderen, als zij met zes witte paarden reed, van gouden borden at, en elken dag juweelen en echte kant droeg. Teddy vindt niets te goed voor haar,” antwoordde Jo met groote voldoening.“Dat is ’t ook warempel niet!—Wilt u gehakt of visch voor ’t ontbijt hebben?” liet Hanna er op volgen, die wijselijk poëzie met proza vermengde.“’t Is mij hetzelfde,” en Jo deed de deur dicht, alsof het bedenken van eten op het oogenblik een al te triviaal onderwerpwas. Zij keek even het verdwijnend gezelschap na, en toen Demi’s korte beentjes de laatste tree der trap opklauterden, overviel haar plotseling een gevoel van eenzaamheid, zóó sterk, dat zij met betraande oogen rondzag, alsof zij iets zocht om op te steunen,—want zelfs Teddy had haar in den steek gelaten. Had zij geweten welk verjaarsgeschenk met iedere minuut nader en nader kwam, dan zou zij niet tot zichzelf gezegd hebben: “Ik zal in mijn bed wel een deuntje huilen, het zou nu al heel saai zijn, als ik treurig was.” Toen veegde zij met de hand over haar oogen,—want een van haar jongensgebreken was nog, dat ze nooit haar zakdoek kon vinden—en was er juist in geslaagd een glimlach te voorschijn te roepen, toen er gebeld werd.Met gastvrijen haast deed ze gauw zelf even open en schrikte, alsof een tweede geest haar verrast had,—want daar stond een heer met bruinen baard, die haar in den donkeren avond zoo vriendelijk toelachte als een warme namiddagzon.“O, mijnheer Bhaer, wat ben ik blij u te zien!” riep Jo, en greep hem bij de hand, alsof zij vreesde, dat de nacht hem verzwelgen zou, eer zij hem nog in huis had gehaald.“En ik om juffrouw March weer te zien,—maar neen, u hebt een partijtje,” en de professor stond stil, toen hij het geluid hoorde van zooveel stemmen en het getrappel van dansende voeten.“Neen, neen, alleen mijn familie. Mijn broer en zuster zijn juist thuis gekomen, en dat stemt ons allemaal zoo gelukkig. Komt u binnen en voeg u bij ons.”Hoewel hij erg van de gezelligheid hield, zou mijnheer Bhaer stellig heel behoorlijk zijn heengegaan en op een anderen dag teruggekomen; maar hoe kon hij, nu Jo de deur achter hem sloot en hem zijn hoed afnam? Misschien had haar gezicht er ook een beetje schuld aan, want zij vergat haar vreugde over het weerzien te verbergen en toonde het met een oprechtheid, die onweerstaanbaar bleek voor den eenzamen man, wiens welkom zijn stoutste verwachtingen had overtroffen.“Als ik nietMonsieur de Tropzal wezen, wil ik zeer gaarne allen zien. Gij zijt ziek geweest, mijn waarde vriendin?”Hij deed die vraag eensklaps, want toen Jo zijn jas ophing, viel het licht op haar gezicht en zag hij er een verandering in.“Niet ziek, maar vermoeid en bedroefd; wij hebben veel verdriet gehad, sedert ik u het laatst sprak.”“Ach ja, dat weet ik. Mijn hart leed om uwentwil, toen ik dat hoorde,” en hij schudde nogmaals haar hand met zoo’n medelijdend gezicht, dat Jo bij zichzelf dacht, dat niets haar zoo troosten kon, als de blik dier vriendelijke oogen, de druk van die groote, warme hand.“Vader, Moeder, hier is mijn vriend, professor Bhaer,” stelde Jo hem voor, met een gezicht en op een toon, die zoo duidelijk trots en innige blijdschap te kennen gaven, dat zij even goed de trompethad kunnen blazen en de deur met een zwaai had kunnen opendoen.Indien de vreemdeling eenigen twijfel gekoesterd had omtrent zijn ontvangst, werd die hem al zeer spoedig benomen door het hartelijk onthaal, dat hij vond. Allen begroetten hem even vriendelijk, ter wille van Jo, maar heel spoedig hielden zij van hem om zijns zelfswil. Zij konden het niet laten, want hij droeg den talisman bij zich, die alle harten opent, en de eenvoudige Marches schonken hem dadelijk hun genegenheid, en voelden zich bijna nog vriendschappelijker gestemd, omdat hij arm was,—want armoede verrijkt diegenen, die door hun leven toonen er boven verheven te zijn, en is een zeker paspoort tot waarlijk gastvrije gemoederen. Mijnheer Bhaer zat te glimlachen als een reiziger, die aan een vreemde deur heeft geklopt, en toen zij openging opeens bemerkte, dat hij thuis is. De kinderen voelden zich tot hem aangetrokken als de bijen naar de honig, klommen op zijn knie, en stalen zijn hart door zijn zakken te doorzoeken, aan zijn baard te trekken, en zijn horloge te bekijken met kinderlijke vrijmoedigheid. De dames telegrafeerden hun ingenomenheid naar elkander, en mijnheer March zag dadelijk in, dat hij een verwanten geest had gevonden, en opende de kostbare schatkamers van zijn geest ten bate van zijn gast, terwijl de niet zeer spraakzame John luisterde en genoot, hoewel hij geen woord zei, en mijnheer Laurence er niet aan dacht een middagslaapje te houden.Als Jo het niet te druk had gehad met andere zaken, zou Laurie’s gedrag haar vermaakt hebben; want een aanvechting, niet van jaloezie, maar van iets, dat op argwaan geleek, drong hem, zich wat terug te trekken en den nieuw aangekomene met omzichtigheid gade te slaan. Maar het duurde niet lang; hij begon zijns ondanks belang te stellen in hetgeen er verhandeld werd, en was, eer hij het wist, meegetrokken in het discours, want mijnheer Bhaer sprak goed in dit hem sympathieke gezelschap, en kwam er volkomen tot zijn recht. Hij praatte weinig met Laurie, maar keek hem des te meer aan, en dan trok er een schaduw over zijn gezicht, alsof hij zijn eigen verloren jeugd betreurde, bij het aanschouwen van dien jongen man in de kracht zijns levens. Daarna dwaalde zijn oog soms zoo veelzeggend naar Jo, dat zij ongetwijfeld die stomme vraag zou beantwoord hebben, als zij het maar gezien had; maar Jo moest oppassen voor haar eigen oogen, en daar zij voelde, dat die niet te vertrouwen waren, hield zij ze voorzichtig gevestigd op het kleine kousje, dat zij, als een modeltante, zat te breien.Een steelsche blik nu en dan, verkwikte haar, als een teug frisch water na een stoffige wandeling, want die vluchtige kijkjes deden haar verscheiden gunstige verschijnselen opmerken. Mijnheer Bhaer’s gezicht had zijn afgetrokken uitdrukking verloren en tintelde van leven en belangstelling; hij zag er wezenlijk jong en knap uit, vond zij, en ze vergat totaal, hem met Laurie te vergelijken, zooals zij gewoonlijk vreemde heeren—zeer in hun nadeel—deed.Daarbij scheen hij als meegesleept door zijn onderwerp, hoewel de begrafenis-gewoonten der ouden, waarheen het gesprek afgedwaald was, nu niet juist beschouwd kon worden als een opvroolijkend thema. Jo gloeide van voldoening, toen Teddy met een krachtig argument werd doodgeslagen, en dacht bij zichzelf, toen zij haar vaders bezield gelaat zag: “Wat zou het heerlijk voor hem zijn, als hij eens iemand als mijn professor had om elken dag mee te praten!” En om alles de kroon op te zetten, had mijnheer Bhaer een fonkelnieuw pak aan, waardoor hij er echt als een “gentleman” uitzag. Zijn zwaar haar was geknipt en netjes geborsteld, hoewel het niet lang in orde bleef, want in opgewonden oogenblikken streek hij het ouder gewoonte in de hoogte, en Jo gaf de voorkeur aan dien rechtovereindstaanden bos, boven de gladde lokken, omdat zij meende, dat zijn welgevormd voorhoofd dan iets Jupiter-achtigs kreeg. Arme Jo, wat verheerlijkte zij dien doodgewonen man, terwijl zij daar zoo kalmpjes zat te breien en toch niets aan haar oog liet ontsnappen—zelfs niet het feit, dat mijnheer Bhaer gouden manchetknoopen droeg in zijn smettelooze manchetten.“Die goede professor, hij had zich niet met meer zorg kunnen kleeden, als hij op een liefdesavontuur uitging,” zei Jo bij zichzelf, waarop een plotseling invallende gedachte, uit die woorden voortgekomen, haar zoo’n vreeselijke kleur aanjoeg, dat zij haar kluwen moest laten vallen en bukken om het op te rapen, en zoo haar gezicht te kunnen verbergen.Die manoeuvre gelukte haar echter niet zoo goed, als zij wel hoopte; want hoewel de professor juist op het punt was een doodenbrandstapel aan te steken, liet hij zijn toorts, figuurlijk gesproken, vallen en dook naar het kleine, blauwe kluwen. Natuurlijk bonsden hun hoofden terdege tegen elkander, zoodat zij er sterretjes van voor de oogen kregen, en beiden kwamen weer boven, lachend en verlegen, zonder het kluwen, en namen hun plaatsen weer in, met den heimelijken wensch, dat zij die maar niet verlaten hadden.Niemand begreep, waar de tijd bleef, want Hanna wist de kinderen zeer behendig nog al bijtijds uit de kamer te lokken; ze knikkebolden dan ook als twee roode papavers, en mijnheer Laurence ging naar huis om uit te rusten. De anderen zaten om het vuur te praten en dachten er niet aan, dat de uren verstreken, totdat Meta, wier moederlijk hart tot de vaste overtuiging kwam, dat Daisy uit bed zou gevallen zijn, en Demi zijn nachtjaponnetje in brand zou steken, bij het bestudeeren van de samenstelling van lucifers, opstond om heen te gaan.“Laten wij van avond weer eens als vanouds zingen, nu wij weer voor het eerst allen bij elkaar zijn,” stelde Jo voor, meenende, dat zij door een van harte gezongen lied veilig lucht zou kunnen geven aan de juichende stemming van haar ziel.Zij waren er nietallen, maar niemand vond de woorden gedachtenloos of onwaar, want Betsy leefde nog in hun midden—een vreedzametegenwoordigheid—onzichtbaar, maar dierbaarder dan ooit, daar de dood den innigen band, door hechte liefde gesmeed, niet kon verbreken. De kleine stoel stond op zijn oude plaats; het nette werkmandje nog op dezelfde plank, met het laatste werkje, dat zij onder handen had, toen de naald zoo zwaar werd; de geliefde piano, nu zoo zelden bespeeld, was nooit verzet, en daarboven keek Betsy’s gezichtje op hen neer, dat vreedzaam en glimlachend als in vroeger dagen scheen te zeggen: “Weest gelukkig, ik ben bij jullie.”“Speel eens iets, Amy; laat hun eens hooren, hoe je bent vooruitgegaan,” verzocht Laurie, met vergeeflijken trots op zijn veelbelovende leerling.Maar Amy fluisterde met oogen vol tranen, terwijl zij het oude krukje opdraaide: “Niet van avond, Laurie, ik kan van avond geen kunsten vertoonen.”Maar zij deed beter dan dat, want zij zong Betsy’s liederen, met een teeder pathos, dat de beste meester haar niet kon geleerd hebben, en roerde de harten der hoorders door die liefelijke macht, die slechts zuivere bezieling verleent. Het was doodstil in de kamer, toen de heldere stem eensklaps beefde en zweeg bij den laatsten regel van Betsy’s lievelingsgezang. Het was zoo moeilijk te zeggen:“Geen smart op aarde, of ’t geloof kan haar verzachten.”En Amy leunde het hoofd tegen haar man, die achter haar stond, diep gevoelende, dat haar welkom-thuis niet volmaakt was, zonder Betsy’s kus.“Nu moeten wij eindigen met Mignon’s lied, want dat zingt mijnheer Bhaer,” zei Jo, voordat de pauze pijnlijk werd, en de professor kuchte eens en ging toen naar den hoek, waar Jo stond, zeggende: “Gij wilt wel met mij zingen; wij gaan bizonder goed tezamen.” Dat was, in het voorbijgaan gezegd, pure verbeelding, want Jo had niet veel meer begrip van muziek dan een sprinkhaan; maar zij zou zijn voorstel aangenomen hebben, al had hij haar gevraagd een heele opera met hem te zingen, en kweelde er op los, zich in haar geluk niet om maat of toon bekommerend. Het kwam er niet veel op aan, want professor Bhaer zong als een echt Duitscher, flink, uit volle borst, en Jo verviel weldra in een zacht geneurie, om des te beter te kunnen luisteren naar de welluidende stem, die voor haar alleen scheen te zingen.“Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,”placht de lievelingsregel van den professor te zijn; want ‘das Land’ was voor hem Duitschland; maar nu scheen het wel, alsof hij met buitengewone warmte en aandrang de woorden herhaalde:....dahin, dahin!Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!en één toehoorster werd zoo geroerd door die teedere uitnoodiging, dat zij hem gaarne had willen toeroepen, dat zij het land kende, en er vol vreugde wilde heentrekken, wanneer hij maar verkoos.Het lied werd met grooten bijval ontvangen, en de zanger trok zich verlegen terug, overdekt met roem en eer. Maar een paar minuten later vergat hij zichzelf totaal en keek zijn oogen uit, toen Amy haar hoed opzette om heen te gaan, want zij was alleen maar aan hem voorgesteld als “mijn zuster,” en niemand had haar nog bij haar nieuwen naam genoemd. Hij vergat zich nog meer, toen Laurie bij het afscheid nemen op hartelijken en beleefden toon tegen hem zei: “Mijn vrouw en ik zijn heel blij, u ontmoet te hebben, mijnheer Bhaer. U zoudt ons groot genoegen doen, met ons eens op te komen zoeken; wees overtuigd dat u altijd hartelijk welkom zult wezen.”Toen dankte de professor hem zoo hartelijk, en zijn gezicht werd plotseling zoo verhelderd en opgetogen, dat Laurie hem den aardigsten, openhartigsten ouden heer vond, dien hij ooit gezien had.“Ik wil nu ook gaan, doch ik wil gaarne weerkomen, wanneer u het veroorlooft, lieve mevrouw, want ik heb hier eenige zaken te doen, en zal hier een paar dagen moeten blijven.”Hij sprak tegen mevrouw March, maar keek Jo aan; en de stem der moeder gaf een even welgemeende toestemming, als de oogen der dochter; want mevrouw March was niet zoo blind voor het welzijn harer kinderen, als mevrouw Moffat dacht.“Ik geloof, dat dat een wijs man is,” zei mijnheer March, uiterst voldaan voor den schoorsteen staande, nadat de laatste gast vertrokken was.“Ik weet, dat hij eengoedman is,” antwoordde mevrouw March beslist, terwijl ze de klok opwond.“Ik dacht wel, dat u van hem zoudt houden,” was alles, wat Jo zei, terwijl zij hen goeden nacht wenschte en naar haar kamer ging.Zij peinsde er over, wat toch wel die zaken konden zijn, die mijnheer Bhaer naar de stad riepen, en kwam eindelijk tot het besluit, dat hij de een of andere eervolle benoeming moest hebben ontvangen, maar te bescheiden was om dat zelf te vertellen. Had zij zijn gezicht kunnen zien, toen hij veilig op zijn kamer, het portret bekeek van een strenge, ernstige jonge dame met een massa haar, die met donkeren blik de toekomst scheen te willen doorboren, dan zou dit haar misschien eenig licht hebben gegeven, vooral toen hij het gas uitdraaide, en het portret in de duisternis kuste.1Beroemd Engelsch letterkundige.2In Dickens’David Copperfield.
Alleen in den schemer op de oude sofa, lag Jo naar het vuur te staren en te peinzen. Dat was haar geliefkoosde manier om het schemeruurtje door te brengen; niemand stoorde haar, en zij lag daar gewoonlijk, op Betsy’s klein rood kussen, verhalen te phantaseeren, droomen te droomen, of met teedere liefde te denken aan de zuster, die haar nooit veraf scheen. Zij zag er vermoeid, ernstig en min of meer droevig uit, want morgen was zij jarig, en zij dacht er over hoe oud zij al werd, en hoe weinig zij nog gedaan had. Bijna vijf en twintig, en niets uitgevoerd, dat de moeite waard was!—Daar vergiste Jo zich in; ze had heel wat gedaan, en na een poosje erkende ze dat ook zelf, en was er dankbaar voor.
“Een oude vrijster worden, dat zal mijn lot zijn. Een litteraire oude vrijster, met een pen tot echtgenoot, een hoop verhalen tot kinderen, en over twintig jaar een armzalig beetje roem en fortuin misschien; maar dan ben ik, evenals de arme Johnson,1natuurlijk te oud om er van te genieten, en heb ze dus niet meer noodig. Hoe het zij, ik behoef geen zure heilige of zelfzuchtige zondares te wezen; en ik geloof eigenlijk wel, dat oude vrijsters zich heel behagelijk voelen, als ze maar eerst aan den toestand gewend zijn; maar—” en hier zuchtte Jo, alsof het vooruitzicht toch niet uitlokkend was.
Onder haar overpeinzingen scheen Jo in slaap gevallen te zijn, want eensklaps stond Laurie’s geest voor haar. ’t Was of een lichamelijk levende geest zich over haar heenboog, met denzelfden blik,die in zijn oogen placht te komen, als hij iets diep gevoelde en het liever niet wou toonen.
Een oogenblik lag ze hem verschrikt aan te staren, zonder een enkel woord te zeggen, totdat hij bukte en haar een kus gaf. Toen kende zij hem, en vloog op met den blijden uitroep:
“O, Teddy! O, mijn Teddy!”
“Ben je dus blij mij weer te zien, Jo?”
“Blij! mijn beste jongen, woorden kunnen mijn blijdschap niet uitdrukken. Waar is Amy?”
“Je moeder heeft zich van haar meester gemaakt; zij zijn bij Meta. Wij gingen daar in het voorbijgaan even aan, en ik kon mijn vrouw niet uit hun handen krijgen.”
“Je wat?” riep Jo—want Laurie zei deze twee woorden met een onbewusten trots en zelfvoldoening, die hem verrieden.
“Drommels! daar heb ik het nu toch verklapt!” en hij keek meer dan schuldig, terwijl Jo hem het mes op de keel zette.
“Ben je heusch getrouwd?”
“Ja, om u te dienen, maar ik zal het nooit weer doen,” en hij viel voor haar op de knieën, de handen smeekend samengevouwen, en zijn gezicht een en al schalkschheid, vroolijkheid en triomf.
“Wezenlijk getrouwd?”
“Wezenlijk!”
“Groote goedheid! wat voor verschrikkelijke dingen zul je nu verder uitrichten?” en Jo viel hijgend op haar plaats neer.
“Een karakteristieke, maar niet complimenteuse gelukwensch”, merkte Laurie op, nog steeds in zijn nederige houding, maar stralende van voldoening, en uiterst voldaan.
“Wat kun je anders verwachten, als je iemand buiten adem brengt, door als een dief in huis te sluipen, en op die manier een schrik aan te jagen! Sta op, dwaze jongen, en vertel mij er alles van.”
“Geen woord, tenzij je mij weer op mijn oude plaats laat zitten, en me belooft, dat je geenbarricadezult opwerpen.”
Jo begon te lachen, zooals zij in lang niet gelachen had, klopte uitlokkend op de sofa, en zei op hartelijken toon: “Het oude kussen ligt op zolder, wij hebben het nu niet meer noodig; kom dus maar gauw alles opbiechten, Teddy!”
“Wat klinkt dat genoegelijk, je weer ‘Teddy’ te hooren zeggen; niemand dan jij noemt mij ooit zoo,” en Laurie ging met een zeer vergenoegd gezicht zitten.
“Hoe noemt Amy je?”
“Mylord.”
“Net iets voor haar!—nu, je ziet er kranig genoeg vooruit,” en Jo’s oogen zeiden duidelijk, dat zij “haar jongen” knapper vond dan ooit.
Het kussen was er niet meer, maar toch was er eenbarricade, een natuurlijke—opgeworpen door tijd, afwezigheid en veranderdegemoedsgesteldheid. Beiden gevoelden dit, en zagen elkander een oogenblikje aan, alsof die onzichtbare scheidsmuur een kleine schaduw tusschen hen deed vallen. Dat duurde echter maar een poosje, want Laurie vroeg, met een vergeefsche poging om een waardig gezicht te zetten: “Zie ik er niet uit als een getrouwd man, als het hoofd van een huisgezin?”
“Geen zier, en dat zul je ook nooit. Je bent wat dikker en steviger geworden, maar anders nog dezelfde kwajongen als altijd.”
“Hoor eens, Jo, je moest mij met wat meer eerbied behandelen,” begon Laurie, die erg van de ontvangst genoot.
“Hoe is dat mogelijk, als het denkbeeld alleen, dat jij getrouwd en gevestigd bent, zoo onweerstaanbaar grappig is, dat ik niet ernstig kan blijven,” antwoordde Jo, een en al glimlach, hetgeen zoo aanstekelijk bleek, dat zij samen in lachen uitbarstten, en toen rustig gingen zitten, om een vertrouwelijk praatje te houden op de oude manier.
“Het zou je niets baten, of je al in de kou uitging om Amy te halen, want ze komen straks allemaal hier; ik kon niet langer wachten; ik wou je zoo graag het groote nieuws vertellen, en het bovenste laagje hebben, zooals wij zeiden, als wij over den room kibbelden.”
“Natuurlijk wou je dat, en bedierf je alles door met het slot te beginnen. Begin nu eens van voren af aan, en vertel mijprecieshoe alles in zijn werk is gegaan. Ik brand van nieuwsgierigheid.”
“Nu dan: ik deed het eenvoudig om Amy plezier te doen,” begon Laurie met een knipoogje, dat Jo deed uitroepen:
“Leugen nommero een; Amy deed het om jou plezier te doen. Ga voort, maar spreek de waarheid, als ge kunt, mijnheer.”
“Nu begint zij mij al dadelijk de les te lezen; is ’t niet allergenoeglijkst dat weer eens te hooren?” vroeg Laurie aan het vuur, en de vlammen flikkerden helder op, alsof ze ’t er volkomen mee eens waren. “Het komt immers toch alles op hetzelfde neer, is ’t niet? nu zij en ik toch één zijn. Wij waren van plan met de Carrols thuis te komen, dat was een maand of wat langer geleden, maar zij veranderden in eens van gedachten, en besloten nog een winter te Parijs te blijven. Maar Grootvader verlangde naar huis; hij was op reis gegaan voor mijn plezier, dus kon ik hem niet alleen laten terugtrekken, maar ik kon toch ook niet van Amy scheiden, en mevrouw Carrol had malle Engelsche ideeën opgedaan over gepast geleide en zulke gekheid meer, en wou Amy niet toestaan met ons mee te gaan. Daarom maakte ik een eind aan de moeilijkheid door te zeggen: ‘Laten wij trouwen, dan kunnen wij doen, wat wij willen.’”
“Natuurlijk stelde jij dat voor! Jij richt altijd de dingen in naar je eigen plezier.”
“Nietaltijd!” en iets in Laurie’s stem deed Jo haastig vervolgen: “Hoe heb jullie Tante’s toestemming gekregen?”
“Dat was wel lastig, maar we wisten haar toch om te praten,want we hadden een massa goede argumenten aan onzen kant. Er was geen tijd meer om te schrijven en toestemming te vragen, maar jullie zoudt het toch allemaallatergoed hebben gevonden, en dus: ‘we moesten de koe maar bij de horens pakken,’ zooals mijn vrouw zegt.”
“Wat zijn we trotsch op die twee woorden, en wat vinden wij het prettig om ze te zeggen!” viel Jo hierop in, het vuur op haar beurt toesprekende en met genot den gelukkigen glans waarnemende die het scheen te wekken in de oogen, die zoo droevig en somber hadden gestaan, toen zij ze de laatste maal zag.
“Wel een beetje! Ze is ook zoo’n mooi en lief vrouwtje, dat ik niet laten kan trotsch op haar te zijn. Nu maar—Oom en Tante waren er voor het decorum. We gingen zoo in elkander op, dat wij voor anderen niets waard waren, en deze plezierige schikking zou alles voor iedereen ’t gemakkelijkst maken; dus besloten wij er dan ook maar toe.”
“Wanneer, waar, hoe?” vroeg Jo, een en al belangstelling, en brandend van nieuwsgierigheid, want zij kon het zich nog maar niet begrijpen.
“Zes weken geleden, in het hôtel van den Amerikaanschen consul te Parijs—een heel rustige trouwerij natuurlijk; want zelfs in ons geluk vergaten wij onze lieve Betsy niet.”
Jo legde haar hand in de zijne, toen hij dat zei, en Laurie streek zachtjes over het kleine roode kussen, dat hij zich zoo goed herinnerde.
“Waarom liet jullie ’t ons daarna niet weten?” vroeg Jo op bedaarder toon, toen zij een poos heel stil hadden gezeten.
“Wij wilden jullie verrassen; wij dachten eerst, dat wij dadelijk naar huis zouden gaan, maar mijn beste grootvader zag, zoodra we getrouwd waren, plotseling in, dat hij nog wel een maand noodig had, eer hij klaar kon komen, en zond ons weg om onze wittebroodsweken door te brengen, waar wij verkozen. Amy had vroeger eens gezegd, dat Valrosa daar zoo uitstekend voor geschikt was, dus gingen wij daarheen en waren er zoo gelukkig, als menschen maar eenmaal in hun leven zijn kunnen. Dat was daar met recht rozengeur en maneschijn!”
Laurie scheen Jo voor een oogenblik te vergeten, en Jo verheugde zich er over; want het feit, dat hij haar al deze dingen zoo vrij en natuurlijk vertelde, bewees haar dat hij volkomen vergeven en vergeten had. Zij zocht haar hand weg te trekken; maar alsof Laurie raadde welke gedachte haar aanspoorde tot die half onwillekeurige beweging, hield hij ze vast, en zei met een manlijken ernst, dien zij nog nooit in hem had opgemerkt: “Jolief, ik wou je graag één ding zeggen, en dan zullen wij die zaak voor goed laten rusten. Zooals ik al in mijn brief schreef, toen ik vertelde, hoe lief Amy voor me geweest was, ik zal nooit ophouden jou ook lief te hebben; maar de liefde is veranderd, en ik heb leeren inzien, dat het beteris, zooals het is. Amy en jij veranderen van plaats in mijn hart, dat is al. Ik geloof, dat het zoo beschikt was, en zou dat zeker ook wel van zelf hebben leeren inzien, als ik gewacht had volgens jouw raad; maar ik kon niet geduldig zijn en werd dus wanhopig. Ik was toen een jongen, koppig en heftig, en ik had een harde les noodig om mijn vergissing te leeren inzien. Want het wás een vergissing, Jo, zooals jij ook zei, en ik merkte het, nadat ik mij als een gek had aangesteld. Ik raakte daarna zoo in de war, dat ik zelf niet wist, wie ik het meest liefhad—jou of Amy, en mijn best deed beiden even lief te hebben, maar dat kon ik niet, en toen ik haar in Zwitserland terug zag, scheen alles op eens tot klaarheid te komen. Je nam beiden je rechte plaats in, en ik wist zeker, dat de oude liefde afgedaan was, voordat de nieuwe begon te leven; dat ik mijn hart eerlijk kon deelen tusschen zuster Jo en vrouw Amy, en ze beiden hartelijk liefhebben. Wil je dat gelooven en terugkeeren naar den gelukkigen ouden tijd, toen wij elkander pas leerden kennen?”
“Ik wil het van ganscher harte gelooven; maar Teddy, wij kunnen nooit weer jongen en meisje zijn—de gelukkige oude tijd kan nooit terugkomen, en wij moeten dat ook niet verwachten. Wij zijn nu volwassen man en volwassen vrouw, hebben ernstig werk te doen, want de speeltijd is over, en mogen niet langer gekheid maken. Ik geloof, dat jij dat ook wel voelt; ik zie de verandering in jou, en jij zult die in mij zien; ik zal ‘mijn jongen’ missen, maar ik zal den man even goed liefhebben en hem méér bewonderen, omdat hij zich voorneemt te zijn, wat ik hoopte, dat hij worden zou. We kunnen niet langer speelkameraden wezen, maar wij zullen broer en zuster zijn, om elkaar ons leven lang lief te hebben en te helpen; zullen we niet, Laurie?”
Hij antwoordde niet, maar nam de hand, die zij hem aanbood, en legde er zijn gezicht voor een oogenblik op, gevoelende, dat uit het graf van een jongenshartstocht een schoone sterke vriendschap was verrezen, die hun beiden tot zegen zou zijn. Toen hernam Jo vroolijk, want zij wilde niet, dat zijn thuiskomst droevig zou worden: “Ik kan het mij nog maar niet begrijpen, dat jullie kinderen werkelijk getrouwd zijn en een huishouden gaan opzetten. Het lijkt mij net, of het pas gisteren was, dat ik Amy’s boezelaar vastmaakte, en jou aan ’t haar trok, als je mij plaagde. Och, och, wat vliegt de tijd toch om!”
“Daar een van de ‘kinderen’ ouder is dan jijzelf, behoef je niet zoo grootmoederachtig te praten. Ik vlei mij, dat ik nu wel ‘een opgeschoten meneer’ ben, zooals Peggotty zei van David;2en als je Amy ziet zul je haar wel een bizonder voorspoedig kind vinden,” zei Laurie, lachende om haar moederlijken toon.
“Jij mag wat ouder zijn in jaren, maar ik ben zooveel ouder inmijn gevoel, Teddy. Dat zijn vrouwen altijd, en dit laatste jaar is zoo moeilijk geweest, dat ik mij wel veertig jaar voel.”
“Arme Jo, we lieten het jou ook maar alleen dragen, terwijl wij plezier maakten. Je bent werkelijk ouder geworden; hier is een diepe rimpel, en daar nog een; behalve wanneer je glimlacht, staan je oogen droevig, en toen ik straks het kussen aanraakte, voelde ik er een traan op. Je hebt veel verdriet gehad en stond er alleen voor; wat ben ik een zelfzuchtig wezen geweest!” en Laurie trok met een berouwvol gezicht aan zijn haar.
Maar Jo keerde het verraderlijke kussen om, en antwoordde op een toon, dien zij zoo vroolijk mogelijk deed klinken: “Neen, ik had Vader en Moeder om mij te helpen, en de kleintjes om mij te troosten, en de gedachte, dat jij en Amy gezond en gelukkig waren, deed mij de moeilijkheden hier gemakkelijker dragen. Ik voel mij soms eenzaam, maar ik geloof, dat dat wel goed voor mij is, en—”
“Je zult het nooit weer zijn,” viel Laurie haar in de rede, en sloeg zijn arm om haar heen, alsof hij alle mogelijke kwaad van haar wilde weren. “Amy en ik kunnen niet buiten jouw hulp; jij moet ‘de kinderen’ leeren huishouden, en in alles deelen, zooals vroeger, en toelaten, dat we je vertroetelen, dan zullen we allemaal óvergelukkig zijn.”
“Als ik niet overcompleet ben, zou ik het heel prettig vinden. Ik begin mij nu al verjongd te voelen; want toen jij kwam, schenen al mijn zorgen op de een of andere manier weg te vliegen. Jij bent mij altijd een troost geweest, Teddy,” en Jo leunde met haar hoofd op zijn schouder, zooals zij dat jaren geleden gedaan had, toen Betsy ziek was, en Laurie haar zeide, dat zij maar op hem moest steunen.
Hij keek haar aan om te zien, of zij aan die dagen terugdacht, maar Jo glimlachte, alsof haar zorgen werkelijk bij zijn komst waren weggevlogen.
“Je bent nog altijd dezelfde, Jo, het eene oogenblik schreien, het volgende lachen. Nu kijk je wel wat ondeugend; waar denkt u aan, Grootma?”
“Ik peinsde er over, hoe jij en Amy met elkander zouden omgaan.”
“Als engelen!”
“Ja natuurlijk, in het begin—maar wie is de baas?”
“Ik heb er geen bezwaar tegen, je te vertellen, dat zij op ’t oogenblik het meest in te brengen heeft; ik laat haar ten minste in dien waan,—zij vindt dat plezierig, weet je. Maar we zullen daar gauw verandering in brengen, want zij zeggen, dat het huwelijk iemands rechten halveert en iemands plichten verdubbelt.”
“Je zult voortgaan, zooals je begonnen bent, en Amy zal je al je levensdagen regeeren.”
“Nu, zij doet het zoo onmerkbaar, dat ik niet denk, dat het mij veel zal kunnen schelen. Amy is een vrouw, die de kunst van regeeren goed verstaat; ik vind het, om je de waarheid te zeggen, zelfswel aardig, want zij draait iemand zoo zacht en netjes om den vinger, alsof hij een strengetje zij was, en intusschen geeft ze je ’t idee, dat ze je een gunst bewijst.”
“Dat ik dát nog beleven moet, jou onder den pantoffel te zien, terwijl je het nog aardig vindt op den koop toe!” riep Jo, de handen in elkaar slaande.
Het was aardig om te zien, hoe Laurie de borst vooruitzette, en met mannelijken trots om die insinuatie lachte, terwijl hij “met zijn hooghartig air” antwoordde: “Amy is te wel opgevoed om zooiets te doen, en ik behoor niet tot de soort van mannen die zich daaraan onderwerpen. Mijn vrouw en ik hebben te veel achting voor ons zelven en voor elkaar, om ooit over elkander te heerschen, of met elkaar te kibbelen.”
Dat beviel Jo, en zij vond, dat de nieuwe waardigheid hem heel goed stond, maar de knaap scheen met reuzenschreden in een man te veranderen, en weemoed vermengde zich met haar blijdschap.
“Dat geloof ik graag; Amy en jij kibbelden nooit, zooals wij samen. Zij is de zon, en ik ben de wind uit de fabel, en de zon maakte het meest van den man, zooals je je herinnert.”
“Zij kan hem zoowel wat ‘opblazen’ als ’t noodig is, als hem beschijnen,” verzekerde Laurie lachend. “Als ik nog aan de vermaning denk, die ik te Nice kreeg! Ik verzeker je, dat die nog vrij wat erger was, dan jij me ooit gegeven hebt. Die klonk als een klok; ik zal je er bij gelegenheid wel eens alles van vertellen,—zijzal het nooit doen, omdat zij—nadat zij mij gezegd had, dat zij mij verachtte en zich over mij schaamde—haar hart kwijt raakte aan dien verachtelijken persoon en den nietswaardige trouwde.”
“Hoe karakterloos! Maar mocht zij het soms te bont maken, kom dan maar bij mij, dan zal ik je wel verdedigen.”
“Ik zie er wel uit, of ik dat noodig had, hè?” vroeg Laurie, opstaande en een gebiedende houding aannemende, die plotseling in ongeveinsde verrukking overging, toen hij Amy hoorde roepen:
“Waar zit zij? Waar is mijn lieve, oude Jo?”
Daar kwam de heele familie binnen marcheeren, en allen kusten en pakten elkander nog eens weer van voren af aan, en eindelijk mochten de drie reizigers in vrede gaan zitten, en kon ieder zich ongestoord “aan hun aanblik vergasten.” Mijnheer Laurence, gezond en flink als altijd, was door zijn buitenlandsche reis even zeer verkwikt als de anderen,—zijn barschheid scheen nagenoeg geheel verdwenen en de ouderwetsche hoffelijkheid had een kleine verfijning ondergaan, die haar aantrekkelijker maakte dan ooit. Het deed iemand goed op te merken, hoe hij “mijn kinderen”, zooals hij het jonge paar noemde, toelachte; nog aardiger was het te zien, hoe Amy hem haar kinderlijke liefde bewees, waardoor zij zijn oud hart geheel en al won; en het best van alles was het Laurie gade te slaan, zooals hij om die twee heendraaide, alsof hij zich niet verzadigen kon aan het liefelijke tafreel.
Meta had bij den eersten oogopslag dadelijk ontdekt, dat Amy er heel anders uitzag dan zijzelve, dat haar eigen japon niet de Parijsche “coupe” had en dat de jonge mevrouw Moffat geheel in de schaduw zou worden gesteld door de jonge mevrouw Laurence, die een echt elegante, gracieuse vrouw was geworden. Jo dacht, toen zij het paar nauwkeurig opnam: “wat komen ze toch goed bij elkander! Ik had gelijk, en Laurie heeft ‘het mooie begaafde meisje’ gevonden, dat zijn huis meer tot sieraad zal strekken dan de lompe oude Jo; zij zal zijn trots en niet zijn plaag zijn.” Mevrouw March en haar echtgenoot glimlachten en knikten elkaar met een verheugd gezicht toe, want zij zagen, dat het hun jongste dochter naar wensch was gegaan, niet alleen in wereldsche dingen, maar dat ook het betere goed: liefde, vertrouwen en geluk haar deel was geworden.
Want Amy’s gelaat droeg die uitdrukking van zachte blijmoedigheid, die van vrede des harten spreekt, haar stem had een nieuwen teederen klank, en de koele, stijve houding was overgegaan in een zachte waardigheid, zoowel vrouwelijk als innemend. De indruk werd niet verstoord door kleine gemaaktheden, en haar hartelijke, lieve manieren waren nog bekoorlijker dan de nieuwe schoonheid of haar vroegere bevalligheid, en leverden het onmiskenbare bewijs, dat zij de echte “edelvrouw” was, die zij eens gehoopt had te zullen worden.
“Liefde heeft veel gedaan voor ons dochtertje,” zie de moeder zacht.
“Zij heeft haar heele leven door altijd een goed voorbeeld gehad, mijn beste,” fluisterde mijnheer March, terwijl hij zijn oogen vol liefde liet rusten op het vervallen gelaat en de vergrijsde haren naast zich.
Daisy kon haar oogen maar niet afhouden van de mooie tante, en haar handjes niet van de kostbare châtelaine, die zooveel onbekende heerlijkheden bevatte. Demi moest eerst nog eens nadenken over de vreemde familieleden, eer hij zich liet vangen, door het ondoordacht aannemen van een geschenk, in den verleidelijken vorm van een familie houten beertjes uit Bern. Een zijwaartsche beweging van Laurie deed hem echter tot een onvoorwaardelijke overgave besluiten; de nieuwe oom wist blijkbaar, hoe hij het moest aanleggen. “Jongmensch, toen ik voor het eerst de eer had kennis met je te maken, gaf je me een slag in ’t gezicht: nu eisch ik voldoening!” en daarmee pakte de lange oom het kleine neefje op, zwaaide hem in de lucht en hield hem boven zijn hoofd, op een manier, die zijn waardigheid evenzeer benadeelde als ze zijn jongenshart verblijdde.
“Wel, heb ik van me leven, as ze niet van ’t hoofd tot de voeten in ’t zij steekt! ’t Doet men ouwe oogen goed, as ik haar daar zoo mooi en lief zie zitten en as ze onze kleine Amy mevrouw Laurence noemen!” mompelde oude Hanna, die niet nalaten kon af en toedoor een reetje van de deur te gluren, terwijl zij bezig was de tafel te dekken, en alles vrij wel door elkander opzette.
Wat werd er druk geredeneerd! eerst de een, dan de ander, dan allen tegelijk,—want ze wilden allemaal de geschiedenis van drie jaren in een half uurtje vertellen. Het was een geluk dat het tijd werd om thee te drinken, zoodat er een kleine pauze intrad en ze zich wat verkwikken konden,—want zij zouden heesch en flauw geworden zijn, als zij nog langer zoo hadden doorgepraat! Wel was dat een gelukkige optocht, die later naar de kleine eetkamer trok! Mijnheer March geleidde met trots mevrouw Laurence; mevrouw March leunde even trots op den arm van “mijn zoon”, de oude heer bood Jo den arm met een zacht en hartelijk: “Nu moet jij mijn meisje zijn,” en een blik naar het ledige hoekje bij den haard, die Jo noopte met bevende lippen te fluisteren: “Ik doe mijn best haar plaats te vervullen, mijnheer.”
De tweelingen huppelden achteraan, in het idee, dat de gouden eeuw was aangebroken, want iedereen bleek zoo vervuld van de nieuw aangekomenen, dat zij zich naar hartelust vrij konden vermaken, en zij wisten van de gelegenheid zooveel mogelijk partij te trekken. Namen zij niet ongemerkt een teugje uit de verschillende kopjes, snoepten zij niet ad libitum van de koekjes, bemachtigden zij niet ieder een sneetje toast, en wisten zij niet, om alles de kroon op te zetten, ieder een verrukkelijk taartje weg te moffelen in hun kleine zakken, om daar verraderlijke sporen van kleverige kruimels achter te laten, hetgeen hun leeren kon, dat zoowel de menschelijke natuur als een taartje zwak is? Bezwaard door hun schuldig geweten en vreezende dat Dodo’s scherpe oogen door den dunnen scheidsmuur van katoen en merinos, die den buit aan ’t gezicht onttrok, zouden dringen, volgden de kleine zondaars “Opa” als zijn schaduw, daar hij zijn bril niet ophad. Amy, die van den een aan den ander werd overgedaan, alsof zij een schoteltje ververschingen was, keerde naar de zitkamer terug aan den arm van Vader Laurence; de anderen volgden twee aan twee als te voren, en deze schikking was oorzaak, dat Jo alleen overschoot. Op het oogenblik zelf gaf zij er niet om, want zij bleef even achter om Hanna’s vraag te beantwoorden: “Zou juffrouw Amy nou in der eigen coupé rijden, en al dat mooie zilveren gerei gaan gebruiken, dat nou nog allemaal in de kasten staat in het groote huis?”
“Het zou mij niets verwonderen, als zij met zes witte paarden reed, van gouden borden at, en elken dag juweelen en echte kant droeg. Teddy vindt niets te goed voor haar,” antwoordde Jo met groote voldoening.
“Dat is ’t ook warempel niet!—Wilt u gehakt of visch voor ’t ontbijt hebben?” liet Hanna er op volgen, die wijselijk poëzie met proza vermengde.
“’t Is mij hetzelfde,” en Jo deed de deur dicht, alsof het bedenken van eten op het oogenblik een al te triviaal onderwerpwas. Zij keek even het verdwijnend gezelschap na, en toen Demi’s korte beentjes de laatste tree der trap opklauterden, overviel haar plotseling een gevoel van eenzaamheid, zóó sterk, dat zij met betraande oogen rondzag, alsof zij iets zocht om op te steunen,—want zelfs Teddy had haar in den steek gelaten. Had zij geweten welk verjaarsgeschenk met iedere minuut nader en nader kwam, dan zou zij niet tot zichzelf gezegd hebben: “Ik zal in mijn bed wel een deuntje huilen, het zou nu al heel saai zijn, als ik treurig was.” Toen veegde zij met de hand over haar oogen,—want een van haar jongensgebreken was nog, dat ze nooit haar zakdoek kon vinden—en was er juist in geslaagd een glimlach te voorschijn te roepen, toen er gebeld werd.
Met gastvrijen haast deed ze gauw zelf even open en schrikte, alsof een tweede geest haar verrast had,—want daar stond een heer met bruinen baard, die haar in den donkeren avond zoo vriendelijk toelachte als een warme namiddagzon.
“O, mijnheer Bhaer, wat ben ik blij u te zien!” riep Jo, en greep hem bij de hand, alsof zij vreesde, dat de nacht hem verzwelgen zou, eer zij hem nog in huis had gehaald.
“En ik om juffrouw March weer te zien,—maar neen, u hebt een partijtje,” en de professor stond stil, toen hij het geluid hoorde van zooveel stemmen en het getrappel van dansende voeten.
“Neen, neen, alleen mijn familie. Mijn broer en zuster zijn juist thuis gekomen, en dat stemt ons allemaal zoo gelukkig. Komt u binnen en voeg u bij ons.”
Hoewel hij erg van de gezelligheid hield, zou mijnheer Bhaer stellig heel behoorlijk zijn heengegaan en op een anderen dag teruggekomen; maar hoe kon hij, nu Jo de deur achter hem sloot en hem zijn hoed afnam? Misschien had haar gezicht er ook een beetje schuld aan, want zij vergat haar vreugde over het weerzien te verbergen en toonde het met een oprechtheid, die onweerstaanbaar bleek voor den eenzamen man, wiens welkom zijn stoutste verwachtingen had overtroffen.
“Als ik nietMonsieur de Tropzal wezen, wil ik zeer gaarne allen zien. Gij zijt ziek geweest, mijn waarde vriendin?”
Hij deed die vraag eensklaps, want toen Jo zijn jas ophing, viel het licht op haar gezicht en zag hij er een verandering in.
“Niet ziek, maar vermoeid en bedroefd; wij hebben veel verdriet gehad, sedert ik u het laatst sprak.”
“Ach ja, dat weet ik. Mijn hart leed om uwentwil, toen ik dat hoorde,” en hij schudde nogmaals haar hand met zoo’n medelijdend gezicht, dat Jo bij zichzelf dacht, dat niets haar zoo troosten kon, als de blik dier vriendelijke oogen, de druk van die groote, warme hand.
“Vader, Moeder, hier is mijn vriend, professor Bhaer,” stelde Jo hem voor, met een gezicht en op een toon, die zoo duidelijk trots en innige blijdschap te kennen gaven, dat zij even goed de trompethad kunnen blazen en de deur met een zwaai had kunnen opendoen.
Indien de vreemdeling eenigen twijfel gekoesterd had omtrent zijn ontvangst, werd die hem al zeer spoedig benomen door het hartelijk onthaal, dat hij vond. Allen begroetten hem even vriendelijk, ter wille van Jo, maar heel spoedig hielden zij van hem om zijns zelfswil. Zij konden het niet laten, want hij droeg den talisman bij zich, die alle harten opent, en de eenvoudige Marches schonken hem dadelijk hun genegenheid, en voelden zich bijna nog vriendschappelijker gestemd, omdat hij arm was,—want armoede verrijkt diegenen, die door hun leven toonen er boven verheven te zijn, en is een zeker paspoort tot waarlijk gastvrije gemoederen. Mijnheer Bhaer zat te glimlachen als een reiziger, die aan een vreemde deur heeft geklopt, en toen zij openging opeens bemerkte, dat hij thuis is. De kinderen voelden zich tot hem aangetrokken als de bijen naar de honig, klommen op zijn knie, en stalen zijn hart door zijn zakken te doorzoeken, aan zijn baard te trekken, en zijn horloge te bekijken met kinderlijke vrijmoedigheid. De dames telegrafeerden hun ingenomenheid naar elkander, en mijnheer March zag dadelijk in, dat hij een verwanten geest had gevonden, en opende de kostbare schatkamers van zijn geest ten bate van zijn gast, terwijl de niet zeer spraakzame John luisterde en genoot, hoewel hij geen woord zei, en mijnheer Laurence er niet aan dacht een middagslaapje te houden.
Als Jo het niet te druk had gehad met andere zaken, zou Laurie’s gedrag haar vermaakt hebben; want een aanvechting, niet van jaloezie, maar van iets, dat op argwaan geleek, drong hem, zich wat terug te trekken en den nieuw aangekomene met omzichtigheid gade te slaan. Maar het duurde niet lang; hij begon zijns ondanks belang te stellen in hetgeen er verhandeld werd, en was, eer hij het wist, meegetrokken in het discours, want mijnheer Bhaer sprak goed in dit hem sympathieke gezelschap, en kwam er volkomen tot zijn recht. Hij praatte weinig met Laurie, maar keek hem des te meer aan, en dan trok er een schaduw over zijn gezicht, alsof hij zijn eigen verloren jeugd betreurde, bij het aanschouwen van dien jongen man in de kracht zijns levens. Daarna dwaalde zijn oog soms zoo veelzeggend naar Jo, dat zij ongetwijfeld die stomme vraag zou beantwoord hebben, als zij het maar gezien had; maar Jo moest oppassen voor haar eigen oogen, en daar zij voelde, dat die niet te vertrouwen waren, hield zij ze voorzichtig gevestigd op het kleine kousje, dat zij, als een modeltante, zat te breien.
Een steelsche blik nu en dan, verkwikte haar, als een teug frisch water na een stoffige wandeling, want die vluchtige kijkjes deden haar verscheiden gunstige verschijnselen opmerken. Mijnheer Bhaer’s gezicht had zijn afgetrokken uitdrukking verloren en tintelde van leven en belangstelling; hij zag er wezenlijk jong en knap uit, vond zij, en ze vergat totaal, hem met Laurie te vergelijken, zooals zij gewoonlijk vreemde heeren—zeer in hun nadeel—deed.Daarbij scheen hij als meegesleept door zijn onderwerp, hoewel de begrafenis-gewoonten der ouden, waarheen het gesprek afgedwaald was, nu niet juist beschouwd kon worden als een opvroolijkend thema. Jo gloeide van voldoening, toen Teddy met een krachtig argument werd doodgeslagen, en dacht bij zichzelf, toen zij haar vaders bezield gelaat zag: “Wat zou het heerlijk voor hem zijn, als hij eens iemand als mijn professor had om elken dag mee te praten!” En om alles de kroon op te zetten, had mijnheer Bhaer een fonkelnieuw pak aan, waardoor hij er echt als een “gentleman” uitzag. Zijn zwaar haar was geknipt en netjes geborsteld, hoewel het niet lang in orde bleef, want in opgewonden oogenblikken streek hij het ouder gewoonte in de hoogte, en Jo gaf de voorkeur aan dien rechtovereindstaanden bos, boven de gladde lokken, omdat zij meende, dat zijn welgevormd voorhoofd dan iets Jupiter-achtigs kreeg. Arme Jo, wat verheerlijkte zij dien doodgewonen man, terwijl zij daar zoo kalmpjes zat te breien en toch niets aan haar oog liet ontsnappen—zelfs niet het feit, dat mijnheer Bhaer gouden manchetknoopen droeg in zijn smettelooze manchetten.
“Die goede professor, hij had zich niet met meer zorg kunnen kleeden, als hij op een liefdesavontuur uitging,” zei Jo bij zichzelf, waarop een plotseling invallende gedachte, uit die woorden voortgekomen, haar zoo’n vreeselijke kleur aanjoeg, dat zij haar kluwen moest laten vallen en bukken om het op te rapen, en zoo haar gezicht te kunnen verbergen.
Die manoeuvre gelukte haar echter niet zoo goed, als zij wel hoopte; want hoewel de professor juist op het punt was een doodenbrandstapel aan te steken, liet hij zijn toorts, figuurlijk gesproken, vallen en dook naar het kleine, blauwe kluwen. Natuurlijk bonsden hun hoofden terdege tegen elkander, zoodat zij er sterretjes van voor de oogen kregen, en beiden kwamen weer boven, lachend en verlegen, zonder het kluwen, en namen hun plaatsen weer in, met den heimelijken wensch, dat zij die maar niet verlaten hadden.
Niemand begreep, waar de tijd bleef, want Hanna wist de kinderen zeer behendig nog al bijtijds uit de kamer te lokken; ze knikkebolden dan ook als twee roode papavers, en mijnheer Laurence ging naar huis om uit te rusten. De anderen zaten om het vuur te praten en dachten er niet aan, dat de uren verstreken, totdat Meta, wier moederlijk hart tot de vaste overtuiging kwam, dat Daisy uit bed zou gevallen zijn, en Demi zijn nachtjaponnetje in brand zou steken, bij het bestudeeren van de samenstelling van lucifers, opstond om heen te gaan.
“Laten wij van avond weer eens als vanouds zingen, nu wij weer voor het eerst allen bij elkaar zijn,” stelde Jo voor, meenende, dat zij door een van harte gezongen lied veilig lucht zou kunnen geven aan de juichende stemming van haar ziel.
Zij waren er nietallen, maar niemand vond de woorden gedachtenloos of onwaar, want Betsy leefde nog in hun midden—een vreedzametegenwoordigheid—onzichtbaar, maar dierbaarder dan ooit, daar de dood den innigen band, door hechte liefde gesmeed, niet kon verbreken. De kleine stoel stond op zijn oude plaats; het nette werkmandje nog op dezelfde plank, met het laatste werkje, dat zij onder handen had, toen de naald zoo zwaar werd; de geliefde piano, nu zoo zelden bespeeld, was nooit verzet, en daarboven keek Betsy’s gezichtje op hen neer, dat vreedzaam en glimlachend als in vroeger dagen scheen te zeggen: “Weest gelukkig, ik ben bij jullie.”
“Speel eens iets, Amy; laat hun eens hooren, hoe je bent vooruitgegaan,” verzocht Laurie, met vergeeflijken trots op zijn veelbelovende leerling.
Maar Amy fluisterde met oogen vol tranen, terwijl zij het oude krukje opdraaide: “Niet van avond, Laurie, ik kan van avond geen kunsten vertoonen.”
Maar zij deed beter dan dat, want zij zong Betsy’s liederen, met een teeder pathos, dat de beste meester haar niet kon geleerd hebben, en roerde de harten der hoorders door die liefelijke macht, die slechts zuivere bezieling verleent. Het was doodstil in de kamer, toen de heldere stem eensklaps beefde en zweeg bij den laatsten regel van Betsy’s lievelingsgezang. Het was zoo moeilijk te zeggen:
“Geen smart op aarde, of ’t geloof kan haar verzachten.”
“Geen smart op aarde, of ’t geloof kan haar verzachten.”
“Geen smart op aarde, of ’t geloof kan haar verzachten.”
En Amy leunde het hoofd tegen haar man, die achter haar stond, diep gevoelende, dat haar welkom-thuis niet volmaakt was, zonder Betsy’s kus.
“Nu moeten wij eindigen met Mignon’s lied, want dat zingt mijnheer Bhaer,” zei Jo, voordat de pauze pijnlijk werd, en de professor kuchte eens en ging toen naar den hoek, waar Jo stond, zeggende: “Gij wilt wel met mij zingen; wij gaan bizonder goed tezamen.” Dat was, in het voorbijgaan gezegd, pure verbeelding, want Jo had niet veel meer begrip van muziek dan een sprinkhaan; maar zij zou zijn voorstel aangenomen hebben, al had hij haar gevraagd een heele opera met hem te zingen, en kweelde er op los, zich in haar geluk niet om maat of toon bekommerend. Het kwam er niet veel op aan, want professor Bhaer zong als een echt Duitscher, flink, uit volle borst, en Jo verviel weldra in een zacht geneurie, om des te beter te kunnen luisteren naar de welluidende stem, die voor haar alleen scheen te zingen.
“Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,”
“Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,”
“Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,”
placht de lievelingsregel van den professor te zijn; want ‘das Land’ was voor hem Duitschland; maar nu scheen het wel, alsof hij met buitengewone warmte en aandrang de woorden herhaalde:
....dahin, dahin!Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!
....dahin, dahin!Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!
....dahin, dahin!
Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!
en één toehoorster werd zoo geroerd door die teedere uitnoodiging, dat zij hem gaarne had willen toeroepen, dat zij het land kende, en er vol vreugde wilde heentrekken, wanneer hij maar verkoos.
Het lied werd met grooten bijval ontvangen, en de zanger trok zich verlegen terug, overdekt met roem en eer. Maar een paar minuten later vergat hij zichzelf totaal en keek zijn oogen uit, toen Amy haar hoed opzette om heen te gaan, want zij was alleen maar aan hem voorgesteld als “mijn zuster,” en niemand had haar nog bij haar nieuwen naam genoemd. Hij vergat zich nog meer, toen Laurie bij het afscheid nemen op hartelijken en beleefden toon tegen hem zei: “Mijn vrouw en ik zijn heel blij, u ontmoet te hebben, mijnheer Bhaer. U zoudt ons groot genoegen doen, met ons eens op te komen zoeken; wees overtuigd dat u altijd hartelijk welkom zult wezen.”
Toen dankte de professor hem zoo hartelijk, en zijn gezicht werd plotseling zoo verhelderd en opgetogen, dat Laurie hem den aardigsten, openhartigsten ouden heer vond, dien hij ooit gezien had.
“Ik wil nu ook gaan, doch ik wil gaarne weerkomen, wanneer u het veroorlooft, lieve mevrouw, want ik heb hier eenige zaken te doen, en zal hier een paar dagen moeten blijven.”
Hij sprak tegen mevrouw March, maar keek Jo aan; en de stem der moeder gaf een even welgemeende toestemming, als de oogen der dochter; want mevrouw March was niet zoo blind voor het welzijn harer kinderen, als mevrouw Moffat dacht.
“Ik geloof, dat dat een wijs man is,” zei mijnheer March, uiterst voldaan voor den schoorsteen staande, nadat de laatste gast vertrokken was.
“Ik weet, dat hij eengoedman is,” antwoordde mevrouw March beslist, terwijl ze de klok opwond.
“Ik dacht wel, dat u van hem zoudt houden,” was alles, wat Jo zei, terwijl zij hen goeden nacht wenschte en naar haar kamer ging.
Zij peinsde er over, wat toch wel die zaken konden zijn, die mijnheer Bhaer naar de stad riepen, en kwam eindelijk tot het besluit, dat hij de een of andere eervolle benoeming moest hebben ontvangen, maar te bescheiden was om dat zelf te vertellen. Had zij zijn gezicht kunnen zien, toen hij veilig op zijn kamer, het portret bekeek van een strenge, ernstige jonge dame met een massa haar, die met donkeren blik de toekomst scheen te willen doorboren, dan zou dit haar misschien eenig licht hebben gegeven, vooral toen hij het gas uitdraaide, en het portret in de duisternis kuste.
1Beroemd Engelsch letterkundige.2In Dickens’David Copperfield.
1Beroemd Engelsch letterkundige.
2In Dickens’David Copperfield.
HOOFDSTUK XXI.MIJNHEER EN MEVROUW.“Madame Mère, kunt u mij als ’t u belieft mijn vrouw ook een half uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy’s Parijsche fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat ik noodig heb,” zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder’s schoot zag zitten, alsof zij nog “het kleintje” was.“Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis hebt dan dit,” en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke begeerigheid.“Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten, maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een—”“Weerhaan zonder wind kan,” vulde Jo aan, toen hij zweeg om een vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds Teddy’s terugkomst.“Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen, sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben altijd even koel en zacht—niet waar, mevrouw?”“Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren, maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn tochzoohulpbehoevend, Moeder,” zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.“Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?” vroeg Jo, terwijl ze Amy’s mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar boezelaars deed.“Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen, dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van ’t leegloopen, en ben van plan aan het werk te gaan als een man.”“En wat gaat Amy doen?” informeerde mevrouw March, verheugd over Laurie’s beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.“Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterendgezelschap, dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immersuwvoornemen, madame Récamier?” vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.“De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken,” antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goedehuisvrouw zou zijn, eer zij alsgastvrouw haar salons opende.“Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!” zei mijnheer March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar weer te verdiepen in zijn Aristoteles.“Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn,” voegde mevrouw March er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig de haven heeft binnengeleid.“Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!” zuchtte Jo, maar ze glimlachte vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk het hek openstootte.Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:“Mevrouw Laurence.”“Mylord?”“Die man is van plan onze Jo te trouwen.”“Ik hoop het; jij ook niet?”“Wel, vrouwtje, ik vind hem ‘een juweel’ in den vollen zin des woords, maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was.”“Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud of hoe arm hij is. Vrouwen moetennooitom geld trouw—” hier hield Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:“Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij hetvastvan plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij hebt genomen.”“O, mijn liefste man, denk dat toch als ’t je blieft niet! Ik vergat heelemaal dat je rijk was, toen ik ‘ja’ zei. Ik zou met je getrouwd zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb,” en Amy, die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was, wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de oprechtheid harer woorden.“Je gelooft toch nietwezenlijk, dat ik zoo’n geldzuchtig schepsel ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in ’t zelfde bootje zou varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer.”“Neen, zoo’n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb, werd ik toch niet teleurgesteld,—want de dochter deed de opvoeding van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,”—en Laurie zweeg, want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.“Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet—maar je neus is mij zoo’n groote troost,” en Amy liefkoosde het welbesneden lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.Laurie had al menigcomplimentgekregen in zijn leven, maar nooit een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde, hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze langzaam vervolgde:“Mag ik je eens iets vragen, man?”“Natuurlijk wel.”“Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?”“O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was, wat je niet beviel. Daar ik de zon best in ’t water kan zien schijnen en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren, dat ik op Jo’s bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een veertje. Twijfel je er aan,mon mie?”Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en vertrouwen stralend gezicht.“Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen, die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een aardig fortuintje naliet?” bedacht Laurie, toen het tweetal arm in arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden, in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.“Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem, en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond.”“Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien, maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken, en zij vertrouwt altijd, dat menschen hunschulden eerlijk betalen; daar zal ik haar dus mee vangen.”“Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is.”“O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad, omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in ’t achterschip is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel moeilijker is.”“Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen,” antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.“Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden; zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot, want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet, dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren.”“Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen, en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest, en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen,zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben.”“Dat zul je, lieveling!” riep Laurie, en hij nam zich in ’t vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met kunstenaarsaanleg. “Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door hun erfgenamente laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen, die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?”“Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk je mantel deelen met den bedelaar.”“Afgesproken! en wij zullen er zelf ’t meest bij winnen.”Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die minder bevoorrecht waren dan zij.
“Madame Mère, kunt u mij als ’t u belieft mijn vrouw ook een half uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy’s Parijsche fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat ik noodig heb,” zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder’s schoot zag zitten, alsof zij nog “het kleintje” was.
“Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis hebt dan dit,” en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke begeerigheid.
“Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten, maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een—”
“Weerhaan zonder wind kan,” vulde Jo aan, toen hij zweeg om een vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds Teddy’s terugkomst.
“Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen, sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben altijd even koel en zacht—niet waar, mevrouw?”
“Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren, maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn tochzoohulpbehoevend, Moeder,” zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.
“Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?” vroeg Jo, terwijl ze Amy’s mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar boezelaars deed.
“Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen, dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van ’t leegloopen, en ben van plan aan het werk te gaan als een man.”
“En wat gaat Amy doen?” informeerde mevrouw March, verheugd over Laurie’s beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.
“Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterendgezelschap, dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immersuwvoornemen, madame Récamier?” vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.
“De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken,” antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goedehuisvrouw zou zijn, eer zij alsgastvrouw haar salons opende.
“Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!” zei mijnheer March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar weer te verdiepen in zijn Aristoteles.
“Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn,” voegde mevrouw March er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig de haven heeft binnengeleid.
“Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!” zuchtte Jo, maar ze glimlachte vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk het hek openstootte.
Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:
“Mevrouw Laurence.”
“Mylord?”
“Die man is van plan onze Jo te trouwen.”
“Ik hoop het; jij ook niet?”
“Wel, vrouwtje, ik vind hem ‘een juweel’ in den vollen zin des woords, maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was.”
“Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud of hoe arm hij is. Vrouwen moetennooitom geld trouw—” hier hield Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:
“Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij hetvastvan plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij hebt genomen.”
“O, mijn liefste man, denk dat toch als ’t je blieft niet! Ik vergat heelemaal dat je rijk was, toen ik ‘ja’ zei. Ik zou met je getrouwd zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb,” en Amy, die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was, wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de oprechtheid harer woorden.
“Je gelooft toch nietwezenlijk, dat ik zoo’n geldzuchtig schepsel ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in ’t zelfde bootje zou varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer.”
“Neen, zoo’n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb, werd ik toch niet teleurgesteld,—want de dochter deed de opvoeding van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,”—en Laurie zweeg, want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.
“Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet—maar je neus is mij zoo’n groote troost,” en Amy liefkoosde het welbesneden lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.
Laurie had al menigcomplimentgekregen in zijn leven, maar nooit een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde, hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze langzaam vervolgde:
“Mag ik je eens iets vragen, man?”
“Natuurlijk wel.”
“Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?”
“O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was, wat je niet beviel. Daar ik de zon best in ’t water kan zien schijnen en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren, dat ik op Jo’s bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een veertje. Twijfel je er aan,mon mie?”
Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en vertrouwen stralend gezicht.
“Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen, die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een aardig fortuintje naliet?” bedacht Laurie, toen het tweetal arm in arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden, in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.
“Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem, en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond.”
“Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien, maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken, en zij vertrouwt altijd, dat menschen hunschulden eerlijk betalen; daar zal ik haar dus mee vangen.”
“Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is.”
“O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad, omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in ’t achterschip is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel moeilijker is.”
“Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen,” antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.
“Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden; zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot, want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet, dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren.”
“Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen, en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest, en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen,zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben.”
“Dat zul je, lieveling!” riep Laurie, en hij nam zich in ’t vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met kunstenaarsaanleg. “Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door hun erfgenamente laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen, die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?”
“Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk je mantel deelen met den bedelaar.”
“Afgesproken! en wij zullen er zelf ’t meest bij winnen.”
Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die minder bevoorrecht waren dan zij.