HOOFDSTUK XXII.

HOOFDSTUK XXII.DAISY EN DEMI.Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt, want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder mensen kan.Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden, waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een “naaiertje” en maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in ’t buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje, dat Hanna’s oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader,die een nieuwe methode had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de letters te vormen met zijn armen en beenen,—een vereeniging dus van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met zijn “naaimasine,” een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen, spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd riep: “Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op.”Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad, als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig, blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen, die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen: “Hoed! na buiten! na buiten!” Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen kinderaanbidders werden.“Itte hou van ajjemaai,” zei zij eens, en stak de armpjes uit, met haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de “Duiventil” bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader noemde haar meermalen “Bets” en haar grootmoeder waakte over haar met een onvermoeide zorg, alsofzij eenig vroeger verzuim had goed te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: “Waarom?”Ook bleek hij min of meer philosophisch “aangelegd”, tot groote vreugd van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke familieleden in de uiterste verbazing brachten.“Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?” vroeg de jonge wijsgeer, en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.“Je kleine wilsvermogen, Demi,” antwoordde de wijze, oude heer, het blonde kopje liefkoozend.“Wat is klein wilsvermogen?”“Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen heb.”“Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden.”“Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan.”“Wat aardig!” en Demi’s bruine oogen werden grooter en helderder bij die nieuwe gedachte: “Word ik opgewonden, net als je horloge.”“Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat iemand het kon zien.”Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: “Ik denk dat God het doet, als ik slaap.”Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:“Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te spreken met zoo’n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen, en gaat de meest onmogelijke vragen doen.”“Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan, of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens, Demi, waar zit je wilsvermogen?”Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: “Bij de goden, Socrates, ik kan het u niet zeggen,” dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging antwoordde: “In mijn buikje,” kon deoude heer niet anders doen dan hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs in de metaphysica.Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard, zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed profeteeren: “Dat kind is niet lang voor deze aarde,”) dat hij een wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels het hart hunner ouders vervroolijken.Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij slimme rotjes zijn? “Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van worden,” zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding gemaakt moest worden.“Ik ben wel graag ziek.”“Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en help Daisy zandtaartjes maken.”Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij Mama te slim af door een wel overlegd plan.“Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je spelen, wat je maar wilt,” zei Meta, haar kleine helpers mee naar boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.“Heusch, Moes?” vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.“Ja, heusch, wat je maar wilt,” antwoordde de kortzichtige moeder, terwijl zij zich gereed maakte “Drie jonge Eendjes” een keer of zes te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den harden wind. Maar Demi dreef haar in ’t nauw door het kalme antwoord: “Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten.”Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste boven.Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,—voor welke eer zij hun hoogst dankbaar was.Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet; Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid,dat Dodo veel liever “speelde” met den “beereman” dan met hem; maar hoe gegriefd ook, verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een mededinger te beleedigen, die zoo’n grooten voorraad chocola in zijn jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den “beereman”, terwijl Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende, zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af, en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer’s hartelijkheid evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,—want eerlijkheid duurt het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond voorbij zonder dat hij aankwam,—en dan vroeg hij altijd naar mijnheer March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest, totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon hem plotseling beter inlichtte.Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren, en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: “Vader, Vader, hier is de professor!” De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:“Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens.”“Ik weet het!” en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling op zegevierenden toon: “’t is een V, Opa, ’t is een V!”“Hij is een geboren Weller1,” lachte Jo, terwijl haar vader overeind kwam, en haar neefje op zijn hoofd trachtte te gaan staan, als de eenige wijze, waarop hij zijn blijdschap kon uitdrukken, dat de les was afgeloopen.“Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?” vroeg mijnheer Bhaer, terwijl hij den buitelaar van den grond opnam.“Ikke ben na Marietje geweest.”“En wat deed jij daar?”“Ik heb haar een zoentje gegeeft,” vertelde Demi, met ongekunstelde openhartigheid.“Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje daarvan?” informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn binnenzak doorzocht.“O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!” betuigde Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening teekende.“O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?” riep Jo, die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als de professor.“’t Is niet in mijn hoofd, ’t is in mijn mond,” antwoordde Demi, en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,—in de meening, dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.“Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor meisjes, kereltje,” en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:“Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, ’fessor?”Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo’s afgewend gezicht deed kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had, alsof “het wijze aapje” in “Opa’s” hoofd een gedachte had doen opkomen, die zoowel zoet als zuur was.Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi’s klein verstand bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.1De grappige knecht van Pickwick (Dickens).HOOFDSTUK XXIII.ONDER DE PARAPLUIE.Terwijl Laurie en Amy echtelijke wandelingen deden over fluweelige tapijten, hun huis in orde brachten, en een heerlijke toekomst bespraken, genoten mijnheer Bhaer en Jo wandelingen van een anderen aard, langs modderige wegen en doorweekte velden.“Ik doe altijd een loopje na het eten, en ik weet niet, waarom ik daarmee zou ophouden, alleen omdat ik zoo dikwijls toevallig den professor tegenkom,” zei Jo bij zichzelven, na twee of drie ontmoetingen; want ofschoon zij langs twee verschillende wegen naar Meta kon gaan, was zij toch zeker hem, welken weg zij ook nam, in het gaan of in het terugkomen, te zullen ontmoeten. Hij liep altijd bizonder hard en scheen haar nooit te zien, voordat zij vlak bij was, waarna hij zich hield, alsof zijn kortzichtige oogen de naderende dame eerst op het laatste oogenblik herkend hadden. Wanneer zij dan naar Meta ging, had hij altijd iets voor de kinderen bij zich; was ze op den terugweg, dan had hij maar even een wandeling langs de rivier gedaan, en was hij juist op het punt om te keeren, en even bij hen te rusten, wanneer zijn vele visites hen tenminste niet verveelden.Wat kon Jo onder die omstandigheden anders doen, dan hem beleefd begroeten en verzoeken binnen te komen. Indien zijn bezoeken haar verveelden, wist zij haar ongeduld met volmaakten tact te verbergen; ook droeg ze altijd zorg dat er koffie was, “want Friedrich—ik wil zeggen mijnheer Bhaer—houdt niet van thee.”Aan het einde der tweede week wist iedereen heel goed, wat er aan de hand was; toch hield iedereen zich alsof hij stekeblind was voor de veranderingen op Jo’s gezicht—niemand vroeg waarom zij onder haar werk zong, driemaal daags haar haar opmaakte, en zoo blozend van haar avondwandeling terugkeerde; en het scheen in niemands ziel op te komen, dat mijnheer Bhaer, terwijl hij philosophische gesprekken met den vader hield, aan de dochter een lesje in de liefde gaf.Jo kon haar hart zelfs niet met het noodige decorum verliezen, maar trachtte toch ernstig haar gevoelens te onderdrukken; en toen haar dat mislukte, leidde zij een erg onrustig leven. Zij was doodelijk bang uitgelachen te zullen worden over haar overgave, na haar herhaalde en heftige betuigingen van onafhankelijkheid. Voor Laurie zat zij het meest in angst, maar dank zij “mevrouw Laurence” gedroeg hij zich met lofwaardige ingetogenheid, noemde nooit in gezelschap mijnheer Bhaer “een leuke baas”, zinspeelde nooit in de verste verte op Jo’s bloeiend voorkomen, of toonde de geringste verwondering, wanneer hij bijna elken avond den hoed van den professor aan den kapstok van de familie Marchzag hangen. Maar inwendig juichte hij er over, en verlangde hij naar het oogenblik, dat hij Jo een zeker zilveren tafelornament zou kunnen geven, waarop, zeer toepasselijk, een beer met een knoestigen stok gegraveerd was.Gedurende veertien dagen kwam en ging de professor met de regelmatigheid van een minnaar; toen bleef hij drie geheele dagen weg en liet niets van zich hooren—een wijze van handelen, die iedereen ernstig deed kijken en Jo eerst peinzend, en toen—bizonder onromantisch—erg knorrig maakte.“Hij heeft er genoeg van, wil ik wedden, en is naar huis gegaan, even plotseling als hij gekomen is. Het kan mij natuurlijk niet schelen; maar ik had toch gedacht, dat hij wel zoo beleefd zou zijn geweest om behoorlijk afscheid te nemen!” zei zij, met een wanhopigen blik naar buiten, terwijl zij op zekeren somberen namiddag zich aankleedde voor de gewone wandeling.“Je moest liever een parapluie meenemen, lieve kind; het ziet er uit, alsof het zal gaan regenen,” zei haar moeder, die zag dat zij haar nieuwen hoed opzette, maar er wijselijk geen aanmerking op maakte.“Ja, Moeder; hebt u iets uit de stad noodig? Ik moet papier gaan koopen,” antwoordde Jo, haar hoed voor den spiegel vaststekende, als een excuus om haar moeder niet aan te kijken.“Ja, ik moet linnen keper hebben, een pakje naalden van nommer negen, en twee el smal bruin lint. Heb je je dikke laarzen aangedaan en iets warms onder je mantel?”“Ik geloof het wel,” antwoordde Jo afgetrokken.“Wanneer je soms toevallig mijnheer Bhaer tegenkomt, brengt hem dan mee op de thee; ik verlang bepaald den goeden man eens weer te zien,” voegde mevrouw March er bij.Jo hoorde dat laatste heel goed, maar gaf geen antwoord, behalve dat zij haar moeder kuste, en haastig heenging, terwijl zij, niettegenstaande de pijn in haar hart, met een warm gevoel van dankbaarheid dacht: “Wat is Moeder toch lief voor me! Och, wat beginnen meisjes toch, die geen moeder hebben om hen in verdrietelijkheden te helpen?”De manufactuurwinkels waren niet te vinden tusschen de verschillende kantoren en groote pakhuizen, waar meest heeren in- en uitgaan, maar Jo liep, alsof ze op iemand wachtte, in dat stadsgedeelte rond, eer zij een enkele van haar boodschappen gedaan had, en bezichtigde met zeer onvrouwelijke belangstelling eerst allerlei instrumenten voor het eene raam en toen monsters van schapewol voor het andere. Zij viel haast over vaten, werd half begraven onder neerdalende balen goed, en zonder plichtpleging op zijde geduwd door haastige mannen, die haar aanzagen, alsof zij dachten: “Wat heeft die hier te maken!” Een regendroppel op haar wang bracht haar gedachten van teleurgestelde hoop op bedorven lint, want er volgden nog meer regendroppels, en daar zij,hoewel in liefde ontstoken, toch vrouw bleef, begreep zij, dat zij haar hoed nog redden kon, hoewel het voor haar hart reeds te laat was. Nu eerst herinnerde zij zich de parapluie, die zij in haar jacht om weg te komen, vergeten had; maar ’t berouw kwam te laat, en zij had de keus tusschen er een leenen of zich laten nat regenen. Zij keek eens naar de dreigende lucht, toen in een ruit naar het roode lint, dat reeds hier en daar vlekken vertoonde, daarna de morsige straat af; wierp eindelijk nog een laatsten, langen blik naar een zeker vuil pakhuis, waarboven met groote letters “Hoffman, Swartz & Co.” te lezen stond, en zei ernstig verwijtend tot zichzelve:“Net een goede straf! waarvoor moest ik mijn beste goed aandoen en hier komen rondslenteren, in de hoop den professor te zien? Jo, ik schaam me over je! Neen, je zult daar géén parapluie gaan leenen, of van zijn vrienden trachten te weten te komen, waar hij is. Je zult voortbaggeren, en je boodschappen in den regen doen; en als je jezelf een ziekte op den hals haalt en je hoed bederft, is het niets meer dan je verdiende loon! Dit zeggende stak zij de straat zoo driftig over, dat zij bijna onder de wielen van een voorbijgaanden vrachtwagen kwam, en toen tegen een deftig oud heer aanbonsde, die hoogst beleedigd keek, en ‘pardon!’ zei. Wel wat geschrikt stond Jo nog even stil, maar alle verzoeking weerstand biedende, haastte zij zich eindelijk voort, terwijl haar laarzen meer en meer doorweekt werden, en de druipende parapluies boven en om haar steeds toenamen. Op eens werd haar aandacht getrokken door het feit, dat een oud vaal exemplaar voortdurend boven haar onbeschutten hoed bleef zweven, en opziende keek zij in de oogen van mijnheer Bhaer.“Ik voelde, dat ik die energieke jonge dame kende, die zoo dapper tusschen de paarden doorloopt en zoo haastig door de modder stapt, Wat doet gij hier, lieve vriendin?”“Ik doe boodschappen.”Mijnheer Bhaer glimlachte en keek van een zeilmakerij aan den eenen kant, naar een huidenhandel aan de andere zijde der straat; maar hij zei slechts beleefd:“Gij hebt geen parapluie; mag ik mee gaan en de pakjes voor u dragen?”Jo’s wangen waren zoo rood als haar linten, en zij zou wel eens hebben willen weten, wat hij wel van haar dacht; maar het volgend oogenblik liet het haar al onverschillig, want arm in arm wandelde zij met haar professor verder, en het scheen haar toe, dat de zon plotseling met buitengewonen glans was doorgebroken, dat alles weer terecht was gekomen, en dat een volmaakt gelukkige vrouw dien dag door de straten baggerde.“Wij dachten, dat u al weg was,” begon ze zenuwachtig, want zij wist, dat hij haar aankeek. Haar hoed was niet groot genoeg om haar gezicht te bedekken, en zij was bang, dat hij de vreugde, die er op te lezen stond, onvrouwelijk zou vinden.“Dacht u, dat ik heen zou gaan, zonder vaarwel te zeggen aan hen, die zoo vriendelijk voor mij geweest zijn?” vroeg hij zoo verwijtend, dat zij een gevoel kreeg, alsof zij hem door die veronderstelling beleedigd had, en ze antwoordde dus op hartelijken toon:“Neen, ik dacht het eigenlijk niet; ik wist, dat u het druk had met uw eigen zaken, maar wij misten u wel een beetje,—Vader en Moeder vooral.”“En u?”“Ik ben altijd blij u te zien, mijnheer Bhaer.”In haar streven om haar stem volkomen kalm te houden, sprak Jo op koelen toon, en het min of meer plechtige slot scheen den professor te doen bevriezen, want zijn glimlach verdween, toen hij er ernstig op liet volgen:“Dank u, ik kom nog eenmaal, voor ik heenga.”“Gaat u dan werkelijk weg?”“Ik heb niet langer eenige bezigheid hier; zij is afgedaan.”“Naar uw zin, hoop ik?” vroeg Jo, want dat korte antwoord verried een bittere teleurstelling.“Ik moest dat zoo vinden, want ik zie mij een weg geopend, waardoor ik mijn brood kan verdienen en mijn jongens veel hulp kan geven.”“Hoe dan? vertelt u ’t mij eens, ik zou graag alles willen weten van—de jongens,” zei Jo met warmte.“Dat is heel vriendelijk, ik wil u graag alles vertellen. Mijne vrienden hebben eene plaats voor mij gevonden aan een gymnasium, waar ik onderwijs kan geven, zooals ik dat thuis deed, en genoeg verdien om voor Franz en Emil te zorgen. Hiervoor moet ik dankbaar zijn, niet waar?”“Zeker! Wat heerlijk zal het wezen, als u doen kunt, wat u prettig vindt, en wij u en de jongens dikwijls kunnen zien—” riep Jo, zich verschuilende achter de jongens, als een excuus voor de vreugde, die zij niet goed kon verbergen.“Ja, maar wij zullen elkander niet dikwijls zien, vrees ik; deze plaats is in het Westen.”“Zóó ver weg!” en Jo liet haar japon aan haar lot over, alsof het er nu niet meer op aan kwam, wat er van haar of haar kleeren werd.Mijnheer Bhaer kon verscheiden talen lezen, maar hij had nog niet geleerd een meisjesgezicht te ontraadselen. Hij vleide zich, dat hij Jo tamelijk goed kende, en was daarom zeer verbaasd door de tegenstrijdigheden van stem, uitdrukking en manieren, die zij dien middag in snelle opvolging vertoonde,—want zij doorliep zes verschillende stemmingen in den loop van een half uur. Toen zij hem ontmoette keek zij verwonderd, hoewel hij toch niet kon nalaten te vermoeden, dat zij met dat bepaalde doel daar gekomen was. Toen hij haar zijn arm aanbood, nam zij dien aan, met een blik, die zijn hart met vreugde vervulde; maar toen hij vroeg, of zij hemmiste, gaf zij zoo’n koel deftig antwoord, dat zijn blijdschap wel voor wanhoop wijken moest. Toen zij van zijn aanstelling vernam, klapte zij bijna in de handen; was die blijdschap alleen om de jongens? Toen zij daarna de plaats van zijn bestemming hoorde, riep zij: “Zóó ver weg!” met zooveel teleurstelling in haar stem, dat zijn hoop haar toppunt bereikte, maar het volgend oogenblik deed zij die in duigen vallen, door, alsof zij over niets anders dacht, te zeggen:“Hier moet ik zijn; wilt u er even inkomen? ’t Zal u niet lang ophouden.”Jo was tamelijk trotsch op haar handigheid in het doen van boodschappen, en wenschte nu een gunstigen indruk op haar geleider te maken door de netheid en vlugheid, waarmee zij haar zaakjes behandelde. Maar alles ging verkeerd, omdat zij geagiteerd was; zij liet de doos met naalden omvallen, vergat dat het linnen gekeperd moest zijn, en herinnerde zich die eisch eerst, toen het al afgesneden was, gaf verkeerd geld terug, en bloosde ten laatste van ergernis, toen zij aan de toonbank voor katoentjes naar bruin lint vroeg. De heer Bhaer stond er bij en lette op haar blozen en stotteren; en toen hij dit zag, scheen zijn eigen verlegenheid te wijken, want nu eerst begon hij in te zien, dat bij sommige gelegenheden vrouwen niet altijd doen, wat men zou verwachten, en dat men hun gedragingen dikwijls, evenals droomen juist andersom moet uitleggen. Toen zij verder gingen, nam hij met een vroolijker gezicht het pakje onder den arm, en stapte door de plassen, alsof hij over ’t geheel genomen de excursie nogal plezierig vond.“Zouden wij ook niet het een of ander voor de kinderen koopen, en van avond een afscheidsfeestje hebben, omdat ik nu voor het laatst in uw zeer aangenaam thuis een bezoek breng?” stelde hij voor en bleef stilstaan voor een winkel met bloemen en vruchten.“Wat zullen wij koopen?” vroeg Jo, niet lettende op zijn laatste woorden, en de verschillende geuren bij het binnentreden opsnuivende met voorgewende verrukking.“Mogen zij sinaasappelen en vijgen hebben?” vroeg mijnheer Bhaer vaderlijk.“Die eten zij, als zij ze maar krijgen kunnen.”“Houdt u van hazelnoten?”“Als een eekhoorn.”“Duitsche druiven—ja, zulke zullen wij op het welzijn van mijn vaderland kunnen eten.”Jo fronste de wenkbrauwen over zoo’n buitensporigheid, en vroeg, waarom hij niet een pond gedroogde pruimen, een kistje rozijnen, en een zakje amandelen nam; dat was meer dan genoeg; waarop mijnheer Bhaer haar beurs in beslag nam, de zijne voor den dag haalde, en tot besluit een paar pond druiven, een pot roode madeliefjes, en een aardig fleschje honing kocht, het laatste tot een bizonder geschenk voor Demi bestemmende. Toen vulde hijzijn zakken met de knobbelige pakjes, verzocht Jo de bloemen te dragen, en stak de oude parapluie weer op, om de reis te vervolgen.“Juffrouw March, ik heb u een groote gunst te vragen,” begon de professor, nadat zij eenige stappen waren voortgegaan.“Ja, mijnheer?” en Jo’s hart bonsde zoo luid, dat zij bang was, dat hij het zou hooren.“Ik neem de vrijheid het u te vragen, niettegenstaande den regen, omdat mij nog slechts zoo weinig tijd overblijft.”“Ja, mijnheer,” en Jo vermorzelde het bloempotje bijna door de plotselinge kracht, waarmee zij het aan haar hart drukte.“Ik wilde een jurk voor mijn kleine Tina koopen, en ik ben te dom om dat alleen te doen. Wilt u zoo vriendelijk zijn mij met raad en daad te helpen?”“Jawel, mijnheer,” en Jo werd plotseling zoo koel en kalm, alsof zij een stortbad gekregen had.“Misschien zou ook een doek voor Tina’s moeder wel goed zijn, zij is zoo ziek en arm, en haar man is een groote zorg voor haar,—ja, ja, een dikke, warme doek zou een goed geschenk zijn voor die brave vrouw.”“Ik wil u met genoegen helpen, mijnheer Bhaer.”(“Daar ga ik, en met de minuut moet ik meer van hem houden,”) voegde zij er bij zichzelve bij; toen vermande ze zich en pakte de zaak met hart en ziel aan.Mijnheer Bhaer liet het geheel aan haar over; zij zocht dus een aardig jurkje voor Tina uit, en vroeg toen naar omslagdoeken. De bediende, die een getrouwd man was, begon belang te stellen in het paar, dat klaarblijkelijk inkoopen voor de familie deed.“Mevrouw zal dezen misschien verkiezen; ’t is een mooie stof, een nette kleur, eenvoudig en gedistingeerd,” en met deze woorden ontvouwde hij een warmen, grijzen doek, en wierp dien over Jo’s schouders.“Hoe bevalt deze u, mijnheer Bhaer?” vroeg zij, hem haar rug toedraaiende, meer dan dankbaar voor deze gelegenheid om haar gezicht te kunnen verbergen.“Uitmuntend, wij zullen dien nemen,” antwoordde de professor, bij zich zelf glimlachende, toen hij er voor betaalde, en Jo ondertusschen den boel op de toonbank doorsnuffelde, alsof haar geluk er van afhing een koopje te doen.“Zullen wij nu naar huis gaan?” vroeg hij, alsof die woorden een aangenamen klank voor hem hadden.“Ja, ’t is laat, en ik ben heel moe.” Jo’s stem was hartroerend, meer dan zij zelve wist, want nu scheen voor haar de zon weer plotseling onder te gaan; de wereld werd weer modderig en eenzaam, en nu eerst ontdekte zij, dat haar voeten nat waren, haar hoofd pijn deed, en haar hart kouder dan de eerste en pijnlijker dan het laatste was. Professor Bhaer ging weg; hij voelde slechts vriendschap voor haar; zij had zich vergist, en hoe eerder allesnu voorbij was, hoe beter. Met deze gedachte in het hoofd wenkte zij een naderenden omnibus, met zoo’n haastige beweging, dat de madeliefjes uit den pot vlogen en erg beschadigd werden.“Dat is niet onze omniboes,” zei de professor, liet den vollen wagen doorrijden en bleef even staan om de bloemen op te rapen.“O, neem me niet kwalijk; ik zag den wagen niet heel goed. Maar het doet er niet toe, ik kan wel loopen, ik ben er aan gewend om door de modder te baggeren,” antwoordde Jo, sterk knipoogende, omdat zij liever wilde sterven dan openlijk haar oogen afvegen.Mijnheer Bhaer zag de tranen op haar wangen, ofschoon zij het gelaat afwendde en dat gezicht scheen hem sterk te treffen, want zich plotseling over haar heen buigende, vroeg hij op een toon waarin alles lag opgesloten: “Liefste van mijn hart, waarom weent ge?”Als Jo nu aan die soort van dingen gewend was geweest, zou zij misschien gezegd hebben, dat zij niet schreide, maar verkouden in het hoofd was, of een ander vrouwelijk leugentje, gepast voor de gelegenheid, verzonnen hebben; maar in plaats daarvan antwoordde ze “heel onbetamelijk”, half snikkend: “Omdat u weggaat!”“Omdat ik wegga? Ach Gott, dat is al te goed!” riep mijnheer Bhaer in verrukking, en niettegenstaande de pakjes en zijnparapluiesloeg hij zijn handen in elkaar. “Jo, ik heb u niets te geven dan heel veel liefde; ik kwam zien, of dat je genoeg kon schelen, en ik wachtte, om er zeker van te zijn, dat ik meer dan een vriend was. Is dat zoo? Kunt gij in uw hart een klein plaatsje voor den ouden Fritz inruimen?” voegde hij er in één adem bij.“O ja!” antwoordde Jo, en hij was volkomen tevreden, want zij vouwde haar handen om zijn arm, en keek naar hem op, met oogen, die duidelijk zeiden, hoe gelukkig zij zijn zou, als zij dit leven met hem kon doorwandelen, zelfs al had zij geen betere beschutting dan de oude parapluie—wanneer hij die maar droeg.Dit was zeker wel een huwelijksvoorstel onder moeilijke omstandigheden, want al had hij ’t gewild, mijnheer Bhaer had toch onmogelijk voor haar kunnen neerknielen; de straat was er te modderig voor. Evenmin kon hij Jo zijn hand aanbieden, behalve in overdrachtelijken zin, want hij had beide handen vol; nog veel minder kon hij zijn hart lucht geven in teedere liefkoozingen op de publieke straat, hoewel hij er na aan toe was; dus bleef de eenige manier, waarop hij zijn blijdschap kon toonen, haar aan te kijken met een zoo zonnigen blik, dat er werkelijk kleine regenboogjes schenen te ontstaan in de droppels, die op zijn baard vonkelden. Indien hij Jo niet zoo innig had liefgehad, geloof ik niet, dat hij op dat oogenblik zijn hart aan haar zou hebben kunnen verliezen, want zij was een alles behalve bevallige verschijning—haar rokken in een betreurenswaardigen staat, haar overschoenen een en al modder,en haar hoed druipnat. Gelukkig beschouwde mijnheer Bhaer haar als de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, en vond zij hem meer “Jupiterachtig” dan ooit, hoewel de rand van zijn hoed heelemaal slap hing, door de kleine beekjes, die van daar op zijn schouders afstroomden, (want hij hield de parapluie alleen boven Jo) en iedere vinger van zijn handschoenen reparatie noodig had. De voorbijgangers zagen hen waarschijnlijk voor een paar onschadelijke krankzinnigen aan, want zij vergaten totaal een omnibus te wenken, en wandelden langzaam voort, zonder op de invallende duisternis en den mist te letten. Weinig bekommerden zij zich om de meening van anderen; zij genoten het gelukkige uur, dat zelden meer dan eens in een menschenleven voorkomt—het wondere oogenblik, dat den grijsaard jeugd, den alledaagsche schoonheid, den arme rijkdom schenkt, en het menschelijk hart een voorsmaak van den hemel geeft. De professor zag er uit, of hij een koninkrijk had veroverd, en deze wereld hem niets meer behoefde aan te bieden, terwijl Jo naast hem ging, met het gevoel, alsof haar plaats daar altijd geweest was, en vol verbazing, dat zij ooit naar iets anders verlangd had. Natuurlijk was zij de eerste, die sprak—ik bedoel die verstandig sprak, want de aandoenlijke uitingen die op haar onstuimig “o ja!” volgden, waren niet zeer samenhangend of voor overbrenging vatbaar.“Friedrich, waarom heb je me—”“Ach! daar geeft zij mij den naam, dien niemand meer noemde sinds Minna gestorven is!” riep de professor, en bleef midden in een plas stilstaan om haar met dankbare verrukking aan te kijken.“Ik noem je altijd zoo, als ik aan je denk—maar ik zal het niet meer doen, of je moest het liever hebben?”“Het liever hebben! Het klinkt mij lieflijker toe, dan ik kan uitdrukken,” riep mijnheer Bhaer, meer als een romantisch student dan als een ernstig professor.“Maar—waarom heb je mij dat alles niet vroeger gezegd?” vroeg Jo, wel wat verlegen.“Nu zal ik je mijn heele hart moeten openleggen, en dat wil ik zoo gaarne, omdat gij er voortaan zorg voor moet dragen. Zie, mijn Jo—o, die lieve, aardige korte naam!—ik had je iets willen vragen dien dag, toen ik je in New-York vaarwel zeide; maar ik dacht, dat gij met den knappen jongen vriend verloofd waart, en daarom sprak ik niet. Indien ik toen had gesproken, zoudt gij dan ‘ja’ hebben gezegd?”“Ik weet het niet; ik vrees van neen, want ik had toen nog geen hart.”“Prut! dat geloof ik niet. Het sliep, totdat de prins uit het sprookje door het bosch kwam, en het wakker maakte. Ach ja, ‘die erste Liebe ist die beste’, maar die mag ik niet verwachten.”“Ja, de eerste liefde is de beste; wees dus maar tevreden, want ik heb nooit een andere gehad. Teddy was maar een jongen, en kwamgauw zijn verliefdheid te boven,” zei Jo haastig, om den professor uit den droom te helpen.“Goed! dan ben ik gerust en gelukkig, dat gij mij alles geven kunt. Ik heb zoolang gewacht; nu ben ik zelfzuchtig geworden, zooals ge zult ondervinden, Professorin!”“Dat is best!” riep Jo, verrukt over haar nieuwen titel. “Vertel mij nu eens, wat je eigenlijk hier bracht, juist toen ik je het meest noodig had?”“Dit”—en mijnheer Bhaer haalde een versleten stukje papier uit zijn zak.Jo vouwde het open, en keek meer dan beschaamd; want het was een van haar eigen bijdragen aan een tijdschrift, dat poëzie opnam en waaraan zij nu en dan een proeve zond.“Hoe kon dat je hier brengen?” vroeg zij nieuwsgierig om te weten, wat hij bedoelde.“Ik vond het toevallig; ik herkende het aan de namen en de initialen, en éen klein versje scheen mij te roepen. Lees het, en zoek het gedeelte, dat ik bedoel; ik zal zorgen, dat je niet in de plassen trapt.”Jo gehoorzaamde, en doorliep haastig de regels, die zij gedoopt had:OP DEN ZOLDER.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan,Die ze vulden zijn z’ ontwassen,Lieten lang reeds ’t speelgoed staan.Aan een lint vier kleine sleutels,Lang geleên met blij gelachDoor de kindren opgehangen,Op een sombren regendag.Zie, een naam draagt ieder deksel,Ingegrift voor zeven jaar,Door den vriendelijken makkerVan de blijde kinderschaar,Die zijn werk soms even staakte,Om te luistren naar ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Meta” staat op ’t eerste deksel,En daaronder, wel bewaard,Ligt een gansche schat geborgen,Door haar zachte hand vergaârd.’t Zijn de blijken, dat haar levenKalm en effen henenvloog.Bruidsjapon, een kinderschoentje,Vallen dad’lijk al in ’t oog.Aardigheden, kleine giften,Prijzen in haar jeugd behaald—Maar geen speelgoed is gebleven;Dat werd alles weggehaald.Jonge moeder! wiegeliedjesHoort gij, wed ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Jo” op ’t volgend vol met krassen,En daarin een lorrenboel:Poppen zonder hoofd, wat tollen,Knikkers, prullen zonder doel.Uit het land der droomerijen,Dat de jeugd alleen betreedt,Allerlei herinneringenZoo van vreugd, als zieleleed;Halve verzen en verhalen,Brieven, koel en warm en koud,Kinderdagboek, wijze wenkenVan een vrouw, te vroeg reeds oud.“Allen hebben u verlaten,”Is voor haar het droef refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Bets”, die naam is niet bestoven,Daarvoor zorgt een teedre hand.Alles wat haar toebehoordeHouden wij in waarde; wantZ’ is niet langer in ons midden,En toen God haar tot zich namBergden wij hier al haar schattenTot een “in memoriam.”’t Mutsje, ’t laatst door haar gedragen,En haar kleine zilveren schel,Haar geliefkoosd schilderijtje,En haar solitaire-spel.En wij hooren liedren, psalmen,Die zij zong in lichaamspijn,In de zomerregendropplenAls een liefelijk refrein.’t Laatste deksel doet aanschouwenHoe een ridder fier en stout,Op zijn schild den naam van “Amy”Voert in letters, blauw en goud.En in ’t kistje, net geborgen:Blauwe schoentjes van satijn,Diadeemen, droge bloemen,Waaiers, broches, groot en klein.Allerlei gedachtenisjes.Philippines, teêr van aard,Vogeltjes van klei, een kransjeHeel zorgvuldig hier bewaard.Klokken, die haar bruiloft meldenHoort zij, denk ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan.Van het viertal dat ze vuldeKwam er éen reeds boven aan.Slechts voor kort zijn wij gescheiden,Weldra komt de blijde tijd,Die ons allen dáar vereenigt,Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.Mochten wij die achterbleven,Leven tot des Vaders eer;Moedig strijden, biddend waken,Heilig worden, meer en meer.Dan, dan zullen w’ eens te zamenJuichen en gelukkig zijn—Waar geen storm- of regenvlagenZijn, maar eeuw’ge zonneschijn.J. M.“Als gedichtje heeft het niet veel waarde, maar het kwam uit mijn hart, en ik schreef het, toen ik mij eens bitter eenzaam gevoeld, en uitgehuild had op de prullemand. Ik dacht niet, dat het mij nog eens zou verklappen,” zei Jo, terwijl zij het versje verscheurde, dat de professor zoo zorgvuldig bewaard had.“Laat het gaan, het heeft zijn plicht gedaan, en ik zal een nieuw krijgen, wanneer ik het bruine boekje mag lezen, waarin zij al haar geheimen bewaart,” dreigde mijnheer Bhaer glimlachend, en voegde er ernstig bij, toen hij de stukken door den wind zag verstrooien: “Ja, ik las dat, en ik dacht bij mijzelf: zij heeft droefheid, zij is eenzaam, zij zal troost vinden in ware liefde. Ik heb een heel hart vol voor haar; zal ik niet tot haar gaan en zeggen: ‘Indien dit niet te gering is om in ruil te geven voor alles wat ik van u hoop te ontvangen, neem het, onder Gods zegen.’”“En toen heb je gezien, dat het niet te gering was, maar juist het eene kostbare, dat ik noodig had,” antwoordde Jo zacht.“De moed ontbrak mij om dat in het begin te denken, hoewel uw ontvangst zoo zeldzaam vriendelijk was. Maar spoedig begon ik te hopen, en toen dacht ik: ik wil haar hebben, al moest ik er ook voor sterven, en dat wil ik ook!” riep de professor op uitdagenden toon, alsof de koude nevelen, die hen omgaven, even zooveel hinderpalen waren, die hij beklimmen of omverwerpen moest.Jo vond dat prachtig, en besloot zich haar ridder waardig te maken, al kwam hij dan ook niet in volle staatsie, te paard gezeten, uitgedost in een schitterende wapenrusting.“Waarom bleef je zoo lang weg?” vroeg zij na een oogenblikvan stilzwijgen; want zij moest weer spreken—’t was zoo plezierig vertrouwelijke vragen te doen en zulke heerlijke antwoorden te ontvangen.“Het was niet gemakkelijk; maar ik kon het niet over mij verkrijgen je uit je gelukkig thuis weg te halen, voordat ik het vooruitzicht had je een ander te kunnen geven; misschien eerst na verloop van tijd en na hard werken. Hoe kon ik je vragen, zóóveel op te geven voor een arm, oud man, die geen ander vermogen bezit dan zijn kennis?”“Ik ben blij, dat je arm bent; ik zou geen rijken man willen hebben!” riep Jo op stelligen toon, en voegde er met zachter stem bij: “Wees maar niet bang voor armoede; ik ben het lang genoeg geweest, om mijn vrees te overwinnen, en mijn geluk te vinden in het werken voor hen, die ik liefheb. En je mag jezelf ook niet oud noemen—ik zou niet kunnen laten je lief te hebben, al was je zeventig.”Deze woorden ontroerden den professor zoo, dat hij graag zijn zakdoek zou gebruikt hebben, als hij dien maar had kunnen uithalen; daar dit een absolute onmogelijkheid was, veegde Jo zijn oogen voor hem af, en zei lachend, terwijl zij hem van een paar pakjes ontlastte:“Ik mag dan energiek zijn, maar niemand kan zeggen, dat ik nu buiten mijn sfeer treed,—want de bijzondere roeping der vrouw wordt immers verondersteld te bestaan in het drogen van tranen, en het dragen van lasten. Ik moet mijn deel dragen, Friedrich, en ons huis mee helpen verdienen. Tracht je daaraan te onderwerpen, of ik ga geen stap verder,” voegde zij er vastbesloten bij, toen hij de pakjes terugeischte.“Nu, wij zullen zien. Hebt gij geduld om een langen tijd te wachten, Jo? Ik moet weggaan en mijn werk alleen doen; ik moet mijn jongens eerst helpen; want zelfs om uwentwil mag ik mijn belofte aan Minna niet breken. Kunt gij dat vergeven en gelukkig zijn, terwijl wij wachten en hopen?”“Ja, ik weet, dat ik het kan; want wij hebben elkander lief, en dat maakt al het overige gemakkelijk te dragen. Ik heb ook mijn plichten en mijn werk. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn, als ik alles verzuimde, zelfs voor jou,—dus behoeft er geen sprake te wezen van haast of ongeduld. Jij hebt je aangewezen werk—ik moet het mijne hier doen, en tezamen moeten wij geduldig zijn, het beste hopen, en de toekomst nemen, zooals God die ons geeft.”“O, gij spreekt mij hoop en moed in, en ik kan je niets teruggeven dan een vol hart en deze leege handen,” riep de professor, geheel overstuur.Jo zou nooit kunnen leeren zich betamelijk te gedragen; want toen hij dat zei, vlak voor de huisdeur, legde zij haar handen beide in de zijne, en fluisterde teeder: “Nu niet meer leeg;” en op dat gewichtig oogenblik kuste zij haar Friedrich onder de parapluie. Hetwas hóógst onwelvoegelijk, maar al waren de natte musschen op de tuinheg, menschelijke wezens geweest, dan zou zij het toch gedaan hebben,—want zij was onverschillig voor alles, behalve voor haar geluk.Ofschoon alles zoo heel eenvoudig toeging, was het volgend oogenblik toch het glanspunt van hun leven; toen Jo de deur achter zich en haar geliefde sloot en ze kou, storm en duisternis daar buiten, voor licht, warmte en rust daarbinnen verwisselden, en beiden werden opgewacht met een hartelijk: “Welkom thuis!”

HOOFDSTUK XXII.DAISY EN DEMI.Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt, want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder mensen kan.Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden, waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een “naaiertje” en maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in ’t buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje, dat Hanna’s oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader,die een nieuwe methode had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de letters te vormen met zijn armen en beenen,—een vereeniging dus van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met zijn “naaimasine,” een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen, spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd riep: “Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op.”Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad, als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig, blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen, die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen: “Hoed! na buiten! na buiten!” Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen kinderaanbidders werden.“Itte hou van ajjemaai,” zei zij eens, en stak de armpjes uit, met haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de “Duiventil” bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader noemde haar meermalen “Bets” en haar grootmoeder waakte over haar met een onvermoeide zorg, alsofzij eenig vroeger verzuim had goed te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: “Waarom?”Ook bleek hij min of meer philosophisch “aangelegd”, tot groote vreugd van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke familieleden in de uiterste verbazing brachten.“Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?” vroeg de jonge wijsgeer, en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.“Je kleine wilsvermogen, Demi,” antwoordde de wijze, oude heer, het blonde kopje liefkoozend.“Wat is klein wilsvermogen?”“Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen heb.”“Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden.”“Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan.”“Wat aardig!” en Demi’s bruine oogen werden grooter en helderder bij die nieuwe gedachte: “Word ik opgewonden, net als je horloge.”“Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat iemand het kon zien.”Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: “Ik denk dat God het doet, als ik slaap.”Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:“Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te spreken met zoo’n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen, en gaat de meest onmogelijke vragen doen.”“Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan, of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens, Demi, waar zit je wilsvermogen?”Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: “Bij de goden, Socrates, ik kan het u niet zeggen,” dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging antwoordde: “In mijn buikje,” kon deoude heer niet anders doen dan hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs in de metaphysica.Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard, zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed profeteeren: “Dat kind is niet lang voor deze aarde,”) dat hij een wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels het hart hunner ouders vervroolijken.Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij slimme rotjes zijn? “Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van worden,” zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding gemaakt moest worden.“Ik ben wel graag ziek.”“Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en help Daisy zandtaartjes maken.”Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij Mama te slim af door een wel overlegd plan.“Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je spelen, wat je maar wilt,” zei Meta, haar kleine helpers mee naar boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.“Heusch, Moes?” vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.“Ja, heusch, wat je maar wilt,” antwoordde de kortzichtige moeder, terwijl zij zich gereed maakte “Drie jonge Eendjes” een keer of zes te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den harden wind. Maar Demi dreef haar in ’t nauw door het kalme antwoord: “Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten.”Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste boven.Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,—voor welke eer zij hun hoogst dankbaar was.Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet; Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid,dat Dodo veel liever “speelde” met den “beereman” dan met hem; maar hoe gegriefd ook, verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een mededinger te beleedigen, die zoo’n grooten voorraad chocola in zijn jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den “beereman”, terwijl Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende, zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af, en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer’s hartelijkheid evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,—want eerlijkheid duurt het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond voorbij zonder dat hij aankwam,—en dan vroeg hij altijd naar mijnheer March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest, totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon hem plotseling beter inlichtte.Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren, en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: “Vader, Vader, hier is de professor!” De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:“Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens.”“Ik weet het!” en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling op zegevierenden toon: “’t is een V, Opa, ’t is een V!”“Hij is een geboren Weller1,” lachte Jo, terwijl haar vader overeind kwam, en haar neefje op zijn hoofd trachtte te gaan staan, als de eenige wijze, waarop hij zijn blijdschap kon uitdrukken, dat de les was afgeloopen.“Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?” vroeg mijnheer Bhaer, terwijl hij den buitelaar van den grond opnam.“Ikke ben na Marietje geweest.”“En wat deed jij daar?”“Ik heb haar een zoentje gegeeft,” vertelde Demi, met ongekunstelde openhartigheid.“Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje daarvan?” informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn binnenzak doorzocht.“O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!” betuigde Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening teekende.“O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?” riep Jo, die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als de professor.“’t Is niet in mijn hoofd, ’t is in mijn mond,” antwoordde Demi, en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,—in de meening, dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.“Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor meisjes, kereltje,” en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:“Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, ’fessor?”Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo’s afgewend gezicht deed kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had, alsof “het wijze aapje” in “Opa’s” hoofd een gedachte had doen opkomen, die zoowel zoet als zuur was.Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi’s klein verstand bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.1De grappige knecht van Pickwick (Dickens).

Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt, want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder mensen kan.

Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden, waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.

Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een “naaiertje” en maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in ’t buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje, dat Hanna’s oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader,die een nieuwe methode had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de letters te vormen met zijn armen en beenen,—een vereeniging dus van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met zijn “naaimasine,” een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen, spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd riep: “Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op.”

Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad, als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig, blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen, die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen: “Hoed! na buiten! na buiten!” Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen kinderaanbidders werden.

“Itte hou van ajjemaai,” zei zij eens, en stak de armpjes uit, met haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.

Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de “Duiventil” bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader noemde haar meermalen “Bets” en haar grootmoeder waakte over haar met een onvermoeide zorg, alsofzij eenig vroeger verzuim had goed te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.

Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: “Waarom?”

Ook bleek hij min of meer philosophisch “aangelegd”, tot groote vreugd van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke familieleden in de uiterste verbazing brachten.

“Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?” vroeg de jonge wijsgeer, en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.

“Je kleine wilsvermogen, Demi,” antwoordde de wijze, oude heer, het blonde kopje liefkoozend.

“Wat is klein wilsvermogen?”

“Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen heb.”

“Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden.”

“Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan.”

“Wat aardig!” en Demi’s bruine oogen werden grooter en helderder bij die nieuwe gedachte: “Word ik opgewonden, net als je horloge.”

“Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat iemand het kon zien.”

Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: “Ik denk dat God het doet, als ik slaap.”

Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:

“Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te spreken met zoo’n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen, en gaat de meest onmogelijke vragen doen.”

“Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan, of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens, Demi, waar zit je wilsvermogen?”

Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: “Bij de goden, Socrates, ik kan het u niet zeggen,” dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging antwoordde: “In mijn buikje,” kon deoude heer niet anders doen dan hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs in de metaphysica.

Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard, zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed profeteeren: “Dat kind is niet lang voor deze aarde,”) dat hij een wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels het hart hunner ouders vervroolijken.

Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij slimme rotjes zijn? “Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van worden,” zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding gemaakt moest worden.

“Ik ben wel graag ziek.”

“Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en help Daisy zandtaartjes maken.”

Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij Mama te slim af door een wel overlegd plan.

“Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je spelen, wat je maar wilt,” zei Meta, haar kleine helpers mee naar boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.

“Heusch, Moes?” vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.

“Ja, heusch, wat je maar wilt,” antwoordde de kortzichtige moeder, terwijl zij zich gereed maakte “Drie jonge Eendjes” een keer of zes te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den harden wind. Maar Demi dreef haar in ’t nauw door het kalme antwoord: “Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten.”

Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste boven.

Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,—voor welke eer zij hun hoogst dankbaar was.

Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet; Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid,dat Dodo veel liever “speelde” met den “beereman” dan met hem; maar hoe gegriefd ook, verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een mededinger te beleedigen, die zoo’n grooten voorraad chocola in zijn jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.

Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den “beereman”, terwijl Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende, zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.

Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af, en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer’s hartelijkheid evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,—want eerlijkheid duurt het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond voorbij zonder dat hij aankwam,—en dan vroeg hij altijd naar mijnheer March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest, totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon hem plotseling beter inlichtte.

Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren, en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: “Vader, Vader, hier is de professor!” De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:

“Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens.”

“Ik weet het!” en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling op zegevierenden toon: “’t is een V, Opa, ’t is een V!”

“Hij is een geboren Weller1,” lachte Jo, terwijl haar vader overeind kwam, en haar neefje op zijn hoofd trachtte te gaan staan, als de eenige wijze, waarop hij zijn blijdschap kon uitdrukken, dat de les was afgeloopen.

“Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?” vroeg mijnheer Bhaer, terwijl hij den buitelaar van den grond opnam.

“Ikke ben na Marietje geweest.”

“En wat deed jij daar?”

“Ik heb haar een zoentje gegeeft,” vertelde Demi, met ongekunstelde openhartigheid.

“Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje daarvan?” informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn binnenzak doorzocht.

“O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!” betuigde Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening teekende.

“O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?” riep Jo, die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als de professor.

“’t Is niet in mijn hoofd, ’t is in mijn mond,” antwoordde Demi, en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,—in de meening, dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.

“Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor meisjes, kereltje,” en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:

“Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, ’fessor?”

Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo’s afgewend gezicht deed kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had, alsof “het wijze aapje” in “Opa’s” hoofd een gedachte had doen opkomen, die zoowel zoet als zuur was.

Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi’s klein verstand bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.

1De grappige knecht van Pickwick (Dickens).

1De grappige knecht van Pickwick (Dickens).

HOOFDSTUK XXIII.ONDER DE PARAPLUIE.Terwijl Laurie en Amy echtelijke wandelingen deden over fluweelige tapijten, hun huis in orde brachten, en een heerlijke toekomst bespraken, genoten mijnheer Bhaer en Jo wandelingen van een anderen aard, langs modderige wegen en doorweekte velden.“Ik doe altijd een loopje na het eten, en ik weet niet, waarom ik daarmee zou ophouden, alleen omdat ik zoo dikwijls toevallig den professor tegenkom,” zei Jo bij zichzelven, na twee of drie ontmoetingen; want ofschoon zij langs twee verschillende wegen naar Meta kon gaan, was zij toch zeker hem, welken weg zij ook nam, in het gaan of in het terugkomen, te zullen ontmoeten. Hij liep altijd bizonder hard en scheen haar nooit te zien, voordat zij vlak bij was, waarna hij zich hield, alsof zijn kortzichtige oogen de naderende dame eerst op het laatste oogenblik herkend hadden. Wanneer zij dan naar Meta ging, had hij altijd iets voor de kinderen bij zich; was ze op den terugweg, dan had hij maar even een wandeling langs de rivier gedaan, en was hij juist op het punt om te keeren, en even bij hen te rusten, wanneer zijn vele visites hen tenminste niet verveelden.Wat kon Jo onder die omstandigheden anders doen, dan hem beleefd begroeten en verzoeken binnen te komen. Indien zijn bezoeken haar verveelden, wist zij haar ongeduld met volmaakten tact te verbergen; ook droeg ze altijd zorg dat er koffie was, “want Friedrich—ik wil zeggen mijnheer Bhaer—houdt niet van thee.”Aan het einde der tweede week wist iedereen heel goed, wat er aan de hand was; toch hield iedereen zich alsof hij stekeblind was voor de veranderingen op Jo’s gezicht—niemand vroeg waarom zij onder haar werk zong, driemaal daags haar haar opmaakte, en zoo blozend van haar avondwandeling terugkeerde; en het scheen in niemands ziel op te komen, dat mijnheer Bhaer, terwijl hij philosophische gesprekken met den vader hield, aan de dochter een lesje in de liefde gaf.Jo kon haar hart zelfs niet met het noodige decorum verliezen, maar trachtte toch ernstig haar gevoelens te onderdrukken; en toen haar dat mislukte, leidde zij een erg onrustig leven. Zij was doodelijk bang uitgelachen te zullen worden over haar overgave, na haar herhaalde en heftige betuigingen van onafhankelijkheid. Voor Laurie zat zij het meest in angst, maar dank zij “mevrouw Laurence” gedroeg hij zich met lofwaardige ingetogenheid, noemde nooit in gezelschap mijnheer Bhaer “een leuke baas”, zinspeelde nooit in de verste verte op Jo’s bloeiend voorkomen, of toonde de geringste verwondering, wanneer hij bijna elken avond den hoed van den professor aan den kapstok van de familie Marchzag hangen. Maar inwendig juichte hij er over, en verlangde hij naar het oogenblik, dat hij Jo een zeker zilveren tafelornament zou kunnen geven, waarop, zeer toepasselijk, een beer met een knoestigen stok gegraveerd was.Gedurende veertien dagen kwam en ging de professor met de regelmatigheid van een minnaar; toen bleef hij drie geheele dagen weg en liet niets van zich hooren—een wijze van handelen, die iedereen ernstig deed kijken en Jo eerst peinzend, en toen—bizonder onromantisch—erg knorrig maakte.“Hij heeft er genoeg van, wil ik wedden, en is naar huis gegaan, even plotseling als hij gekomen is. Het kan mij natuurlijk niet schelen; maar ik had toch gedacht, dat hij wel zoo beleefd zou zijn geweest om behoorlijk afscheid te nemen!” zei zij, met een wanhopigen blik naar buiten, terwijl zij op zekeren somberen namiddag zich aankleedde voor de gewone wandeling.“Je moest liever een parapluie meenemen, lieve kind; het ziet er uit, alsof het zal gaan regenen,” zei haar moeder, die zag dat zij haar nieuwen hoed opzette, maar er wijselijk geen aanmerking op maakte.“Ja, Moeder; hebt u iets uit de stad noodig? Ik moet papier gaan koopen,” antwoordde Jo, haar hoed voor den spiegel vaststekende, als een excuus om haar moeder niet aan te kijken.“Ja, ik moet linnen keper hebben, een pakje naalden van nommer negen, en twee el smal bruin lint. Heb je je dikke laarzen aangedaan en iets warms onder je mantel?”“Ik geloof het wel,” antwoordde Jo afgetrokken.“Wanneer je soms toevallig mijnheer Bhaer tegenkomt, brengt hem dan mee op de thee; ik verlang bepaald den goeden man eens weer te zien,” voegde mevrouw March er bij.Jo hoorde dat laatste heel goed, maar gaf geen antwoord, behalve dat zij haar moeder kuste, en haastig heenging, terwijl zij, niettegenstaande de pijn in haar hart, met een warm gevoel van dankbaarheid dacht: “Wat is Moeder toch lief voor me! Och, wat beginnen meisjes toch, die geen moeder hebben om hen in verdrietelijkheden te helpen?”De manufactuurwinkels waren niet te vinden tusschen de verschillende kantoren en groote pakhuizen, waar meest heeren in- en uitgaan, maar Jo liep, alsof ze op iemand wachtte, in dat stadsgedeelte rond, eer zij een enkele van haar boodschappen gedaan had, en bezichtigde met zeer onvrouwelijke belangstelling eerst allerlei instrumenten voor het eene raam en toen monsters van schapewol voor het andere. Zij viel haast over vaten, werd half begraven onder neerdalende balen goed, en zonder plichtpleging op zijde geduwd door haastige mannen, die haar aanzagen, alsof zij dachten: “Wat heeft die hier te maken!” Een regendroppel op haar wang bracht haar gedachten van teleurgestelde hoop op bedorven lint, want er volgden nog meer regendroppels, en daar zij,hoewel in liefde ontstoken, toch vrouw bleef, begreep zij, dat zij haar hoed nog redden kon, hoewel het voor haar hart reeds te laat was. Nu eerst herinnerde zij zich de parapluie, die zij in haar jacht om weg te komen, vergeten had; maar ’t berouw kwam te laat, en zij had de keus tusschen er een leenen of zich laten nat regenen. Zij keek eens naar de dreigende lucht, toen in een ruit naar het roode lint, dat reeds hier en daar vlekken vertoonde, daarna de morsige straat af; wierp eindelijk nog een laatsten, langen blik naar een zeker vuil pakhuis, waarboven met groote letters “Hoffman, Swartz & Co.” te lezen stond, en zei ernstig verwijtend tot zichzelve:“Net een goede straf! waarvoor moest ik mijn beste goed aandoen en hier komen rondslenteren, in de hoop den professor te zien? Jo, ik schaam me over je! Neen, je zult daar géén parapluie gaan leenen, of van zijn vrienden trachten te weten te komen, waar hij is. Je zult voortbaggeren, en je boodschappen in den regen doen; en als je jezelf een ziekte op den hals haalt en je hoed bederft, is het niets meer dan je verdiende loon! Dit zeggende stak zij de straat zoo driftig over, dat zij bijna onder de wielen van een voorbijgaanden vrachtwagen kwam, en toen tegen een deftig oud heer aanbonsde, die hoogst beleedigd keek, en ‘pardon!’ zei. Wel wat geschrikt stond Jo nog even stil, maar alle verzoeking weerstand biedende, haastte zij zich eindelijk voort, terwijl haar laarzen meer en meer doorweekt werden, en de druipende parapluies boven en om haar steeds toenamen. Op eens werd haar aandacht getrokken door het feit, dat een oud vaal exemplaar voortdurend boven haar onbeschutten hoed bleef zweven, en opziende keek zij in de oogen van mijnheer Bhaer.“Ik voelde, dat ik die energieke jonge dame kende, die zoo dapper tusschen de paarden doorloopt en zoo haastig door de modder stapt, Wat doet gij hier, lieve vriendin?”“Ik doe boodschappen.”Mijnheer Bhaer glimlachte en keek van een zeilmakerij aan den eenen kant, naar een huidenhandel aan de andere zijde der straat; maar hij zei slechts beleefd:“Gij hebt geen parapluie; mag ik mee gaan en de pakjes voor u dragen?”Jo’s wangen waren zoo rood als haar linten, en zij zou wel eens hebben willen weten, wat hij wel van haar dacht; maar het volgend oogenblik liet het haar al onverschillig, want arm in arm wandelde zij met haar professor verder, en het scheen haar toe, dat de zon plotseling met buitengewonen glans was doorgebroken, dat alles weer terecht was gekomen, en dat een volmaakt gelukkige vrouw dien dag door de straten baggerde.“Wij dachten, dat u al weg was,” begon ze zenuwachtig, want zij wist, dat hij haar aankeek. Haar hoed was niet groot genoeg om haar gezicht te bedekken, en zij was bang, dat hij de vreugde, die er op te lezen stond, onvrouwelijk zou vinden.“Dacht u, dat ik heen zou gaan, zonder vaarwel te zeggen aan hen, die zoo vriendelijk voor mij geweest zijn?” vroeg hij zoo verwijtend, dat zij een gevoel kreeg, alsof zij hem door die veronderstelling beleedigd had, en ze antwoordde dus op hartelijken toon:“Neen, ik dacht het eigenlijk niet; ik wist, dat u het druk had met uw eigen zaken, maar wij misten u wel een beetje,—Vader en Moeder vooral.”“En u?”“Ik ben altijd blij u te zien, mijnheer Bhaer.”In haar streven om haar stem volkomen kalm te houden, sprak Jo op koelen toon, en het min of meer plechtige slot scheen den professor te doen bevriezen, want zijn glimlach verdween, toen hij er ernstig op liet volgen:“Dank u, ik kom nog eenmaal, voor ik heenga.”“Gaat u dan werkelijk weg?”“Ik heb niet langer eenige bezigheid hier; zij is afgedaan.”“Naar uw zin, hoop ik?” vroeg Jo, want dat korte antwoord verried een bittere teleurstelling.“Ik moest dat zoo vinden, want ik zie mij een weg geopend, waardoor ik mijn brood kan verdienen en mijn jongens veel hulp kan geven.”“Hoe dan? vertelt u ’t mij eens, ik zou graag alles willen weten van—de jongens,” zei Jo met warmte.“Dat is heel vriendelijk, ik wil u graag alles vertellen. Mijne vrienden hebben eene plaats voor mij gevonden aan een gymnasium, waar ik onderwijs kan geven, zooals ik dat thuis deed, en genoeg verdien om voor Franz en Emil te zorgen. Hiervoor moet ik dankbaar zijn, niet waar?”“Zeker! Wat heerlijk zal het wezen, als u doen kunt, wat u prettig vindt, en wij u en de jongens dikwijls kunnen zien—” riep Jo, zich verschuilende achter de jongens, als een excuus voor de vreugde, die zij niet goed kon verbergen.“Ja, maar wij zullen elkander niet dikwijls zien, vrees ik; deze plaats is in het Westen.”“Zóó ver weg!” en Jo liet haar japon aan haar lot over, alsof het er nu niet meer op aan kwam, wat er van haar of haar kleeren werd.Mijnheer Bhaer kon verscheiden talen lezen, maar hij had nog niet geleerd een meisjesgezicht te ontraadselen. Hij vleide zich, dat hij Jo tamelijk goed kende, en was daarom zeer verbaasd door de tegenstrijdigheden van stem, uitdrukking en manieren, die zij dien middag in snelle opvolging vertoonde,—want zij doorliep zes verschillende stemmingen in den loop van een half uur. Toen zij hem ontmoette keek zij verwonderd, hoewel hij toch niet kon nalaten te vermoeden, dat zij met dat bepaalde doel daar gekomen was. Toen hij haar zijn arm aanbood, nam zij dien aan, met een blik, die zijn hart met vreugde vervulde; maar toen hij vroeg, of zij hemmiste, gaf zij zoo’n koel deftig antwoord, dat zijn blijdschap wel voor wanhoop wijken moest. Toen zij van zijn aanstelling vernam, klapte zij bijna in de handen; was die blijdschap alleen om de jongens? Toen zij daarna de plaats van zijn bestemming hoorde, riep zij: “Zóó ver weg!” met zooveel teleurstelling in haar stem, dat zijn hoop haar toppunt bereikte, maar het volgend oogenblik deed zij die in duigen vallen, door, alsof zij over niets anders dacht, te zeggen:“Hier moet ik zijn; wilt u er even inkomen? ’t Zal u niet lang ophouden.”Jo was tamelijk trotsch op haar handigheid in het doen van boodschappen, en wenschte nu een gunstigen indruk op haar geleider te maken door de netheid en vlugheid, waarmee zij haar zaakjes behandelde. Maar alles ging verkeerd, omdat zij geagiteerd was; zij liet de doos met naalden omvallen, vergat dat het linnen gekeperd moest zijn, en herinnerde zich die eisch eerst, toen het al afgesneden was, gaf verkeerd geld terug, en bloosde ten laatste van ergernis, toen zij aan de toonbank voor katoentjes naar bruin lint vroeg. De heer Bhaer stond er bij en lette op haar blozen en stotteren; en toen hij dit zag, scheen zijn eigen verlegenheid te wijken, want nu eerst begon hij in te zien, dat bij sommige gelegenheden vrouwen niet altijd doen, wat men zou verwachten, en dat men hun gedragingen dikwijls, evenals droomen juist andersom moet uitleggen. Toen zij verder gingen, nam hij met een vroolijker gezicht het pakje onder den arm, en stapte door de plassen, alsof hij over ’t geheel genomen de excursie nogal plezierig vond.“Zouden wij ook niet het een of ander voor de kinderen koopen, en van avond een afscheidsfeestje hebben, omdat ik nu voor het laatst in uw zeer aangenaam thuis een bezoek breng?” stelde hij voor en bleef stilstaan voor een winkel met bloemen en vruchten.“Wat zullen wij koopen?” vroeg Jo, niet lettende op zijn laatste woorden, en de verschillende geuren bij het binnentreden opsnuivende met voorgewende verrukking.“Mogen zij sinaasappelen en vijgen hebben?” vroeg mijnheer Bhaer vaderlijk.“Die eten zij, als zij ze maar krijgen kunnen.”“Houdt u van hazelnoten?”“Als een eekhoorn.”“Duitsche druiven—ja, zulke zullen wij op het welzijn van mijn vaderland kunnen eten.”Jo fronste de wenkbrauwen over zoo’n buitensporigheid, en vroeg, waarom hij niet een pond gedroogde pruimen, een kistje rozijnen, en een zakje amandelen nam; dat was meer dan genoeg; waarop mijnheer Bhaer haar beurs in beslag nam, de zijne voor den dag haalde, en tot besluit een paar pond druiven, een pot roode madeliefjes, en een aardig fleschje honing kocht, het laatste tot een bizonder geschenk voor Demi bestemmende. Toen vulde hijzijn zakken met de knobbelige pakjes, verzocht Jo de bloemen te dragen, en stak de oude parapluie weer op, om de reis te vervolgen.“Juffrouw March, ik heb u een groote gunst te vragen,” begon de professor, nadat zij eenige stappen waren voortgegaan.“Ja, mijnheer?” en Jo’s hart bonsde zoo luid, dat zij bang was, dat hij het zou hooren.“Ik neem de vrijheid het u te vragen, niettegenstaande den regen, omdat mij nog slechts zoo weinig tijd overblijft.”“Ja, mijnheer,” en Jo vermorzelde het bloempotje bijna door de plotselinge kracht, waarmee zij het aan haar hart drukte.“Ik wilde een jurk voor mijn kleine Tina koopen, en ik ben te dom om dat alleen te doen. Wilt u zoo vriendelijk zijn mij met raad en daad te helpen?”“Jawel, mijnheer,” en Jo werd plotseling zoo koel en kalm, alsof zij een stortbad gekregen had.“Misschien zou ook een doek voor Tina’s moeder wel goed zijn, zij is zoo ziek en arm, en haar man is een groote zorg voor haar,—ja, ja, een dikke, warme doek zou een goed geschenk zijn voor die brave vrouw.”“Ik wil u met genoegen helpen, mijnheer Bhaer.”(“Daar ga ik, en met de minuut moet ik meer van hem houden,”) voegde zij er bij zichzelve bij; toen vermande ze zich en pakte de zaak met hart en ziel aan.Mijnheer Bhaer liet het geheel aan haar over; zij zocht dus een aardig jurkje voor Tina uit, en vroeg toen naar omslagdoeken. De bediende, die een getrouwd man was, begon belang te stellen in het paar, dat klaarblijkelijk inkoopen voor de familie deed.“Mevrouw zal dezen misschien verkiezen; ’t is een mooie stof, een nette kleur, eenvoudig en gedistingeerd,” en met deze woorden ontvouwde hij een warmen, grijzen doek, en wierp dien over Jo’s schouders.“Hoe bevalt deze u, mijnheer Bhaer?” vroeg zij, hem haar rug toedraaiende, meer dan dankbaar voor deze gelegenheid om haar gezicht te kunnen verbergen.“Uitmuntend, wij zullen dien nemen,” antwoordde de professor, bij zich zelf glimlachende, toen hij er voor betaalde, en Jo ondertusschen den boel op de toonbank doorsnuffelde, alsof haar geluk er van afhing een koopje te doen.“Zullen wij nu naar huis gaan?” vroeg hij, alsof die woorden een aangenamen klank voor hem hadden.“Ja, ’t is laat, en ik ben heel moe.” Jo’s stem was hartroerend, meer dan zij zelve wist, want nu scheen voor haar de zon weer plotseling onder te gaan; de wereld werd weer modderig en eenzaam, en nu eerst ontdekte zij, dat haar voeten nat waren, haar hoofd pijn deed, en haar hart kouder dan de eerste en pijnlijker dan het laatste was. Professor Bhaer ging weg; hij voelde slechts vriendschap voor haar; zij had zich vergist, en hoe eerder allesnu voorbij was, hoe beter. Met deze gedachte in het hoofd wenkte zij een naderenden omnibus, met zoo’n haastige beweging, dat de madeliefjes uit den pot vlogen en erg beschadigd werden.“Dat is niet onze omniboes,” zei de professor, liet den vollen wagen doorrijden en bleef even staan om de bloemen op te rapen.“O, neem me niet kwalijk; ik zag den wagen niet heel goed. Maar het doet er niet toe, ik kan wel loopen, ik ben er aan gewend om door de modder te baggeren,” antwoordde Jo, sterk knipoogende, omdat zij liever wilde sterven dan openlijk haar oogen afvegen.Mijnheer Bhaer zag de tranen op haar wangen, ofschoon zij het gelaat afwendde en dat gezicht scheen hem sterk te treffen, want zich plotseling over haar heen buigende, vroeg hij op een toon waarin alles lag opgesloten: “Liefste van mijn hart, waarom weent ge?”Als Jo nu aan die soort van dingen gewend was geweest, zou zij misschien gezegd hebben, dat zij niet schreide, maar verkouden in het hoofd was, of een ander vrouwelijk leugentje, gepast voor de gelegenheid, verzonnen hebben; maar in plaats daarvan antwoordde ze “heel onbetamelijk”, half snikkend: “Omdat u weggaat!”“Omdat ik wegga? Ach Gott, dat is al te goed!” riep mijnheer Bhaer in verrukking, en niettegenstaande de pakjes en zijnparapluiesloeg hij zijn handen in elkaar. “Jo, ik heb u niets te geven dan heel veel liefde; ik kwam zien, of dat je genoeg kon schelen, en ik wachtte, om er zeker van te zijn, dat ik meer dan een vriend was. Is dat zoo? Kunt gij in uw hart een klein plaatsje voor den ouden Fritz inruimen?” voegde hij er in één adem bij.“O ja!” antwoordde Jo, en hij was volkomen tevreden, want zij vouwde haar handen om zijn arm, en keek naar hem op, met oogen, die duidelijk zeiden, hoe gelukkig zij zijn zou, als zij dit leven met hem kon doorwandelen, zelfs al had zij geen betere beschutting dan de oude parapluie—wanneer hij die maar droeg.Dit was zeker wel een huwelijksvoorstel onder moeilijke omstandigheden, want al had hij ’t gewild, mijnheer Bhaer had toch onmogelijk voor haar kunnen neerknielen; de straat was er te modderig voor. Evenmin kon hij Jo zijn hand aanbieden, behalve in overdrachtelijken zin, want hij had beide handen vol; nog veel minder kon hij zijn hart lucht geven in teedere liefkoozingen op de publieke straat, hoewel hij er na aan toe was; dus bleef de eenige manier, waarop hij zijn blijdschap kon toonen, haar aan te kijken met een zoo zonnigen blik, dat er werkelijk kleine regenboogjes schenen te ontstaan in de droppels, die op zijn baard vonkelden. Indien hij Jo niet zoo innig had liefgehad, geloof ik niet, dat hij op dat oogenblik zijn hart aan haar zou hebben kunnen verliezen, want zij was een alles behalve bevallige verschijning—haar rokken in een betreurenswaardigen staat, haar overschoenen een en al modder,en haar hoed druipnat. Gelukkig beschouwde mijnheer Bhaer haar als de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, en vond zij hem meer “Jupiterachtig” dan ooit, hoewel de rand van zijn hoed heelemaal slap hing, door de kleine beekjes, die van daar op zijn schouders afstroomden, (want hij hield de parapluie alleen boven Jo) en iedere vinger van zijn handschoenen reparatie noodig had. De voorbijgangers zagen hen waarschijnlijk voor een paar onschadelijke krankzinnigen aan, want zij vergaten totaal een omnibus te wenken, en wandelden langzaam voort, zonder op de invallende duisternis en den mist te letten. Weinig bekommerden zij zich om de meening van anderen; zij genoten het gelukkige uur, dat zelden meer dan eens in een menschenleven voorkomt—het wondere oogenblik, dat den grijsaard jeugd, den alledaagsche schoonheid, den arme rijkdom schenkt, en het menschelijk hart een voorsmaak van den hemel geeft. De professor zag er uit, of hij een koninkrijk had veroverd, en deze wereld hem niets meer behoefde aan te bieden, terwijl Jo naast hem ging, met het gevoel, alsof haar plaats daar altijd geweest was, en vol verbazing, dat zij ooit naar iets anders verlangd had. Natuurlijk was zij de eerste, die sprak—ik bedoel die verstandig sprak, want de aandoenlijke uitingen die op haar onstuimig “o ja!” volgden, waren niet zeer samenhangend of voor overbrenging vatbaar.“Friedrich, waarom heb je me—”“Ach! daar geeft zij mij den naam, dien niemand meer noemde sinds Minna gestorven is!” riep de professor, en bleef midden in een plas stilstaan om haar met dankbare verrukking aan te kijken.“Ik noem je altijd zoo, als ik aan je denk—maar ik zal het niet meer doen, of je moest het liever hebben?”“Het liever hebben! Het klinkt mij lieflijker toe, dan ik kan uitdrukken,” riep mijnheer Bhaer, meer als een romantisch student dan als een ernstig professor.“Maar—waarom heb je mij dat alles niet vroeger gezegd?” vroeg Jo, wel wat verlegen.“Nu zal ik je mijn heele hart moeten openleggen, en dat wil ik zoo gaarne, omdat gij er voortaan zorg voor moet dragen. Zie, mijn Jo—o, die lieve, aardige korte naam!—ik had je iets willen vragen dien dag, toen ik je in New-York vaarwel zeide; maar ik dacht, dat gij met den knappen jongen vriend verloofd waart, en daarom sprak ik niet. Indien ik toen had gesproken, zoudt gij dan ‘ja’ hebben gezegd?”“Ik weet het niet; ik vrees van neen, want ik had toen nog geen hart.”“Prut! dat geloof ik niet. Het sliep, totdat de prins uit het sprookje door het bosch kwam, en het wakker maakte. Ach ja, ‘die erste Liebe ist die beste’, maar die mag ik niet verwachten.”“Ja, de eerste liefde is de beste; wees dus maar tevreden, want ik heb nooit een andere gehad. Teddy was maar een jongen, en kwamgauw zijn verliefdheid te boven,” zei Jo haastig, om den professor uit den droom te helpen.“Goed! dan ben ik gerust en gelukkig, dat gij mij alles geven kunt. Ik heb zoolang gewacht; nu ben ik zelfzuchtig geworden, zooals ge zult ondervinden, Professorin!”“Dat is best!” riep Jo, verrukt over haar nieuwen titel. “Vertel mij nu eens, wat je eigenlijk hier bracht, juist toen ik je het meest noodig had?”“Dit”—en mijnheer Bhaer haalde een versleten stukje papier uit zijn zak.Jo vouwde het open, en keek meer dan beschaamd; want het was een van haar eigen bijdragen aan een tijdschrift, dat poëzie opnam en waaraan zij nu en dan een proeve zond.“Hoe kon dat je hier brengen?” vroeg zij nieuwsgierig om te weten, wat hij bedoelde.“Ik vond het toevallig; ik herkende het aan de namen en de initialen, en éen klein versje scheen mij te roepen. Lees het, en zoek het gedeelte, dat ik bedoel; ik zal zorgen, dat je niet in de plassen trapt.”Jo gehoorzaamde, en doorliep haastig de regels, die zij gedoopt had:OP DEN ZOLDER.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan,Die ze vulden zijn z’ ontwassen,Lieten lang reeds ’t speelgoed staan.Aan een lint vier kleine sleutels,Lang geleên met blij gelachDoor de kindren opgehangen,Op een sombren regendag.Zie, een naam draagt ieder deksel,Ingegrift voor zeven jaar,Door den vriendelijken makkerVan de blijde kinderschaar,Die zijn werk soms even staakte,Om te luistren naar ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Meta” staat op ’t eerste deksel,En daaronder, wel bewaard,Ligt een gansche schat geborgen,Door haar zachte hand vergaârd.’t Zijn de blijken, dat haar levenKalm en effen henenvloog.Bruidsjapon, een kinderschoentje,Vallen dad’lijk al in ’t oog.Aardigheden, kleine giften,Prijzen in haar jeugd behaald—Maar geen speelgoed is gebleven;Dat werd alles weggehaald.Jonge moeder! wiegeliedjesHoort gij, wed ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Jo” op ’t volgend vol met krassen,En daarin een lorrenboel:Poppen zonder hoofd, wat tollen,Knikkers, prullen zonder doel.Uit het land der droomerijen,Dat de jeugd alleen betreedt,Allerlei herinneringenZoo van vreugd, als zieleleed;Halve verzen en verhalen,Brieven, koel en warm en koud,Kinderdagboek, wijze wenkenVan een vrouw, te vroeg reeds oud.“Allen hebben u verlaten,”Is voor haar het droef refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.“Bets”, die naam is niet bestoven,Daarvoor zorgt een teedre hand.Alles wat haar toebehoordeHouden wij in waarde; wantZ’ is niet langer in ons midden,En toen God haar tot zich namBergden wij hier al haar schattenTot een “in memoriam.”’t Mutsje, ’t laatst door haar gedragen,En haar kleine zilveren schel,Haar geliefkoosd schilderijtje,En haar solitaire-spel.En wij hooren liedren, psalmen,Die zij zong in lichaamspijn,In de zomerregendropplenAls een liefelijk refrein.’t Laatste deksel doet aanschouwenHoe een ridder fier en stout,Op zijn schild den naam van “Amy”Voert in letters, blauw en goud.En in ’t kistje, net geborgen:Blauwe schoentjes van satijn,Diadeemen, droge bloemen,Waaiers, broches, groot en klein.Allerlei gedachtenisjes.Philippines, teêr van aard,Vogeltjes van klei, een kransjeHeel zorgvuldig hier bewaard.Klokken, die haar bruiloft meldenHoort zij, denk ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan.Van het viertal dat ze vuldeKwam er éen reeds boven aan.Slechts voor kort zijn wij gescheiden,Weldra komt de blijde tijd,Die ons allen dáar vereenigt,Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.Mochten wij die achterbleven,Leven tot des Vaders eer;Moedig strijden, biddend waken,Heilig worden, meer en meer.Dan, dan zullen w’ eens te zamenJuichen en gelukkig zijn—Waar geen storm- of regenvlagenZijn, maar eeuw’ge zonneschijn.J. M.“Als gedichtje heeft het niet veel waarde, maar het kwam uit mijn hart, en ik schreef het, toen ik mij eens bitter eenzaam gevoeld, en uitgehuild had op de prullemand. Ik dacht niet, dat het mij nog eens zou verklappen,” zei Jo, terwijl zij het versje verscheurde, dat de professor zoo zorgvuldig bewaard had.“Laat het gaan, het heeft zijn plicht gedaan, en ik zal een nieuw krijgen, wanneer ik het bruine boekje mag lezen, waarin zij al haar geheimen bewaart,” dreigde mijnheer Bhaer glimlachend, en voegde er ernstig bij, toen hij de stukken door den wind zag verstrooien: “Ja, ik las dat, en ik dacht bij mijzelf: zij heeft droefheid, zij is eenzaam, zij zal troost vinden in ware liefde. Ik heb een heel hart vol voor haar; zal ik niet tot haar gaan en zeggen: ‘Indien dit niet te gering is om in ruil te geven voor alles wat ik van u hoop te ontvangen, neem het, onder Gods zegen.’”“En toen heb je gezien, dat het niet te gering was, maar juist het eene kostbare, dat ik noodig had,” antwoordde Jo zacht.“De moed ontbrak mij om dat in het begin te denken, hoewel uw ontvangst zoo zeldzaam vriendelijk was. Maar spoedig begon ik te hopen, en toen dacht ik: ik wil haar hebben, al moest ik er ook voor sterven, en dat wil ik ook!” riep de professor op uitdagenden toon, alsof de koude nevelen, die hen omgaven, even zooveel hinderpalen waren, die hij beklimmen of omverwerpen moest.Jo vond dat prachtig, en besloot zich haar ridder waardig te maken, al kwam hij dan ook niet in volle staatsie, te paard gezeten, uitgedost in een schitterende wapenrusting.“Waarom bleef je zoo lang weg?” vroeg zij na een oogenblikvan stilzwijgen; want zij moest weer spreken—’t was zoo plezierig vertrouwelijke vragen te doen en zulke heerlijke antwoorden te ontvangen.“Het was niet gemakkelijk; maar ik kon het niet over mij verkrijgen je uit je gelukkig thuis weg te halen, voordat ik het vooruitzicht had je een ander te kunnen geven; misschien eerst na verloop van tijd en na hard werken. Hoe kon ik je vragen, zóóveel op te geven voor een arm, oud man, die geen ander vermogen bezit dan zijn kennis?”“Ik ben blij, dat je arm bent; ik zou geen rijken man willen hebben!” riep Jo op stelligen toon, en voegde er met zachter stem bij: “Wees maar niet bang voor armoede; ik ben het lang genoeg geweest, om mijn vrees te overwinnen, en mijn geluk te vinden in het werken voor hen, die ik liefheb. En je mag jezelf ook niet oud noemen—ik zou niet kunnen laten je lief te hebben, al was je zeventig.”Deze woorden ontroerden den professor zoo, dat hij graag zijn zakdoek zou gebruikt hebben, als hij dien maar had kunnen uithalen; daar dit een absolute onmogelijkheid was, veegde Jo zijn oogen voor hem af, en zei lachend, terwijl zij hem van een paar pakjes ontlastte:“Ik mag dan energiek zijn, maar niemand kan zeggen, dat ik nu buiten mijn sfeer treed,—want de bijzondere roeping der vrouw wordt immers verondersteld te bestaan in het drogen van tranen, en het dragen van lasten. Ik moet mijn deel dragen, Friedrich, en ons huis mee helpen verdienen. Tracht je daaraan te onderwerpen, of ik ga geen stap verder,” voegde zij er vastbesloten bij, toen hij de pakjes terugeischte.“Nu, wij zullen zien. Hebt gij geduld om een langen tijd te wachten, Jo? Ik moet weggaan en mijn werk alleen doen; ik moet mijn jongens eerst helpen; want zelfs om uwentwil mag ik mijn belofte aan Minna niet breken. Kunt gij dat vergeven en gelukkig zijn, terwijl wij wachten en hopen?”“Ja, ik weet, dat ik het kan; want wij hebben elkander lief, en dat maakt al het overige gemakkelijk te dragen. Ik heb ook mijn plichten en mijn werk. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn, als ik alles verzuimde, zelfs voor jou,—dus behoeft er geen sprake te wezen van haast of ongeduld. Jij hebt je aangewezen werk—ik moet het mijne hier doen, en tezamen moeten wij geduldig zijn, het beste hopen, en de toekomst nemen, zooals God die ons geeft.”“O, gij spreekt mij hoop en moed in, en ik kan je niets teruggeven dan een vol hart en deze leege handen,” riep de professor, geheel overstuur.Jo zou nooit kunnen leeren zich betamelijk te gedragen; want toen hij dat zei, vlak voor de huisdeur, legde zij haar handen beide in de zijne, en fluisterde teeder: “Nu niet meer leeg;” en op dat gewichtig oogenblik kuste zij haar Friedrich onder de parapluie. Hetwas hóógst onwelvoegelijk, maar al waren de natte musschen op de tuinheg, menschelijke wezens geweest, dan zou zij het toch gedaan hebben,—want zij was onverschillig voor alles, behalve voor haar geluk.Ofschoon alles zoo heel eenvoudig toeging, was het volgend oogenblik toch het glanspunt van hun leven; toen Jo de deur achter zich en haar geliefde sloot en ze kou, storm en duisternis daar buiten, voor licht, warmte en rust daarbinnen verwisselden, en beiden werden opgewacht met een hartelijk: “Welkom thuis!”

Terwijl Laurie en Amy echtelijke wandelingen deden over fluweelige tapijten, hun huis in orde brachten, en een heerlijke toekomst bespraken, genoten mijnheer Bhaer en Jo wandelingen van een anderen aard, langs modderige wegen en doorweekte velden.

“Ik doe altijd een loopje na het eten, en ik weet niet, waarom ik daarmee zou ophouden, alleen omdat ik zoo dikwijls toevallig den professor tegenkom,” zei Jo bij zichzelven, na twee of drie ontmoetingen; want ofschoon zij langs twee verschillende wegen naar Meta kon gaan, was zij toch zeker hem, welken weg zij ook nam, in het gaan of in het terugkomen, te zullen ontmoeten. Hij liep altijd bizonder hard en scheen haar nooit te zien, voordat zij vlak bij was, waarna hij zich hield, alsof zijn kortzichtige oogen de naderende dame eerst op het laatste oogenblik herkend hadden. Wanneer zij dan naar Meta ging, had hij altijd iets voor de kinderen bij zich; was ze op den terugweg, dan had hij maar even een wandeling langs de rivier gedaan, en was hij juist op het punt om te keeren, en even bij hen te rusten, wanneer zijn vele visites hen tenminste niet verveelden.

Wat kon Jo onder die omstandigheden anders doen, dan hem beleefd begroeten en verzoeken binnen te komen. Indien zijn bezoeken haar verveelden, wist zij haar ongeduld met volmaakten tact te verbergen; ook droeg ze altijd zorg dat er koffie was, “want Friedrich—ik wil zeggen mijnheer Bhaer—houdt niet van thee.”

Aan het einde der tweede week wist iedereen heel goed, wat er aan de hand was; toch hield iedereen zich alsof hij stekeblind was voor de veranderingen op Jo’s gezicht—niemand vroeg waarom zij onder haar werk zong, driemaal daags haar haar opmaakte, en zoo blozend van haar avondwandeling terugkeerde; en het scheen in niemands ziel op te komen, dat mijnheer Bhaer, terwijl hij philosophische gesprekken met den vader hield, aan de dochter een lesje in de liefde gaf.

Jo kon haar hart zelfs niet met het noodige decorum verliezen, maar trachtte toch ernstig haar gevoelens te onderdrukken; en toen haar dat mislukte, leidde zij een erg onrustig leven. Zij was doodelijk bang uitgelachen te zullen worden over haar overgave, na haar herhaalde en heftige betuigingen van onafhankelijkheid. Voor Laurie zat zij het meest in angst, maar dank zij “mevrouw Laurence” gedroeg hij zich met lofwaardige ingetogenheid, noemde nooit in gezelschap mijnheer Bhaer “een leuke baas”, zinspeelde nooit in de verste verte op Jo’s bloeiend voorkomen, of toonde de geringste verwondering, wanneer hij bijna elken avond den hoed van den professor aan den kapstok van de familie Marchzag hangen. Maar inwendig juichte hij er over, en verlangde hij naar het oogenblik, dat hij Jo een zeker zilveren tafelornament zou kunnen geven, waarop, zeer toepasselijk, een beer met een knoestigen stok gegraveerd was.

Gedurende veertien dagen kwam en ging de professor met de regelmatigheid van een minnaar; toen bleef hij drie geheele dagen weg en liet niets van zich hooren—een wijze van handelen, die iedereen ernstig deed kijken en Jo eerst peinzend, en toen—bizonder onromantisch—erg knorrig maakte.

“Hij heeft er genoeg van, wil ik wedden, en is naar huis gegaan, even plotseling als hij gekomen is. Het kan mij natuurlijk niet schelen; maar ik had toch gedacht, dat hij wel zoo beleefd zou zijn geweest om behoorlijk afscheid te nemen!” zei zij, met een wanhopigen blik naar buiten, terwijl zij op zekeren somberen namiddag zich aankleedde voor de gewone wandeling.

“Je moest liever een parapluie meenemen, lieve kind; het ziet er uit, alsof het zal gaan regenen,” zei haar moeder, die zag dat zij haar nieuwen hoed opzette, maar er wijselijk geen aanmerking op maakte.

“Ja, Moeder; hebt u iets uit de stad noodig? Ik moet papier gaan koopen,” antwoordde Jo, haar hoed voor den spiegel vaststekende, als een excuus om haar moeder niet aan te kijken.

“Ja, ik moet linnen keper hebben, een pakje naalden van nommer negen, en twee el smal bruin lint. Heb je je dikke laarzen aangedaan en iets warms onder je mantel?”

“Ik geloof het wel,” antwoordde Jo afgetrokken.

“Wanneer je soms toevallig mijnheer Bhaer tegenkomt, brengt hem dan mee op de thee; ik verlang bepaald den goeden man eens weer te zien,” voegde mevrouw March er bij.

Jo hoorde dat laatste heel goed, maar gaf geen antwoord, behalve dat zij haar moeder kuste, en haastig heenging, terwijl zij, niettegenstaande de pijn in haar hart, met een warm gevoel van dankbaarheid dacht: “Wat is Moeder toch lief voor me! Och, wat beginnen meisjes toch, die geen moeder hebben om hen in verdrietelijkheden te helpen?”

De manufactuurwinkels waren niet te vinden tusschen de verschillende kantoren en groote pakhuizen, waar meest heeren in- en uitgaan, maar Jo liep, alsof ze op iemand wachtte, in dat stadsgedeelte rond, eer zij een enkele van haar boodschappen gedaan had, en bezichtigde met zeer onvrouwelijke belangstelling eerst allerlei instrumenten voor het eene raam en toen monsters van schapewol voor het andere. Zij viel haast over vaten, werd half begraven onder neerdalende balen goed, en zonder plichtpleging op zijde geduwd door haastige mannen, die haar aanzagen, alsof zij dachten: “Wat heeft die hier te maken!” Een regendroppel op haar wang bracht haar gedachten van teleurgestelde hoop op bedorven lint, want er volgden nog meer regendroppels, en daar zij,hoewel in liefde ontstoken, toch vrouw bleef, begreep zij, dat zij haar hoed nog redden kon, hoewel het voor haar hart reeds te laat was. Nu eerst herinnerde zij zich de parapluie, die zij in haar jacht om weg te komen, vergeten had; maar ’t berouw kwam te laat, en zij had de keus tusschen er een leenen of zich laten nat regenen. Zij keek eens naar de dreigende lucht, toen in een ruit naar het roode lint, dat reeds hier en daar vlekken vertoonde, daarna de morsige straat af; wierp eindelijk nog een laatsten, langen blik naar een zeker vuil pakhuis, waarboven met groote letters “Hoffman, Swartz & Co.” te lezen stond, en zei ernstig verwijtend tot zichzelve:

“Net een goede straf! waarvoor moest ik mijn beste goed aandoen en hier komen rondslenteren, in de hoop den professor te zien? Jo, ik schaam me over je! Neen, je zult daar géén parapluie gaan leenen, of van zijn vrienden trachten te weten te komen, waar hij is. Je zult voortbaggeren, en je boodschappen in den regen doen; en als je jezelf een ziekte op den hals haalt en je hoed bederft, is het niets meer dan je verdiende loon! Dit zeggende stak zij de straat zoo driftig over, dat zij bijna onder de wielen van een voorbijgaanden vrachtwagen kwam, en toen tegen een deftig oud heer aanbonsde, die hoogst beleedigd keek, en ‘pardon!’ zei. Wel wat geschrikt stond Jo nog even stil, maar alle verzoeking weerstand biedende, haastte zij zich eindelijk voort, terwijl haar laarzen meer en meer doorweekt werden, en de druipende parapluies boven en om haar steeds toenamen. Op eens werd haar aandacht getrokken door het feit, dat een oud vaal exemplaar voortdurend boven haar onbeschutten hoed bleef zweven, en opziende keek zij in de oogen van mijnheer Bhaer.

“Ik voelde, dat ik die energieke jonge dame kende, die zoo dapper tusschen de paarden doorloopt en zoo haastig door de modder stapt, Wat doet gij hier, lieve vriendin?”

“Ik doe boodschappen.”

Mijnheer Bhaer glimlachte en keek van een zeilmakerij aan den eenen kant, naar een huidenhandel aan de andere zijde der straat; maar hij zei slechts beleefd:

“Gij hebt geen parapluie; mag ik mee gaan en de pakjes voor u dragen?”

Jo’s wangen waren zoo rood als haar linten, en zij zou wel eens hebben willen weten, wat hij wel van haar dacht; maar het volgend oogenblik liet het haar al onverschillig, want arm in arm wandelde zij met haar professor verder, en het scheen haar toe, dat de zon plotseling met buitengewonen glans was doorgebroken, dat alles weer terecht was gekomen, en dat een volmaakt gelukkige vrouw dien dag door de straten baggerde.

“Wij dachten, dat u al weg was,” begon ze zenuwachtig, want zij wist, dat hij haar aankeek. Haar hoed was niet groot genoeg om haar gezicht te bedekken, en zij was bang, dat hij de vreugde, die er op te lezen stond, onvrouwelijk zou vinden.

“Dacht u, dat ik heen zou gaan, zonder vaarwel te zeggen aan hen, die zoo vriendelijk voor mij geweest zijn?” vroeg hij zoo verwijtend, dat zij een gevoel kreeg, alsof zij hem door die veronderstelling beleedigd had, en ze antwoordde dus op hartelijken toon:

“Neen, ik dacht het eigenlijk niet; ik wist, dat u het druk had met uw eigen zaken, maar wij misten u wel een beetje,—Vader en Moeder vooral.”

“En u?”

“Ik ben altijd blij u te zien, mijnheer Bhaer.”

In haar streven om haar stem volkomen kalm te houden, sprak Jo op koelen toon, en het min of meer plechtige slot scheen den professor te doen bevriezen, want zijn glimlach verdween, toen hij er ernstig op liet volgen:

“Dank u, ik kom nog eenmaal, voor ik heenga.”

“Gaat u dan werkelijk weg?”

“Ik heb niet langer eenige bezigheid hier; zij is afgedaan.”

“Naar uw zin, hoop ik?” vroeg Jo, want dat korte antwoord verried een bittere teleurstelling.

“Ik moest dat zoo vinden, want ik zie mij een weg geopend, waardoor ik mijn brood kan verdienen en mijn jongens veel hulp kan geven.”

“Hoe dan? vertelt u ’t mij eens, ik zou graag alles willen weten van—de jongens,” zei Jo met warmte.

“Dat is heel vriendelijk, ik wil u graag alles vertellen. Mijne vrienden hebben eene plaats voor mij gevonden aan een gymnasium, waar ik onderwijs kan geven, zooals ik dat thuis deed, en genoeg verdien om voor Franz en Emil te zorgen. Hiervoor moet ik dankbaar zijn, niet waar?”

“Zeker! Wat heerlijk zal het wezen, als u doen kunt, wat u prettig vindt, en wij u en de jongens dikwijls kunnen zien—” riep Jo, zich verschuilende achter de jongens, als een excuus voor de vreugde, die zij niet goed kon verbergen.

“Ja, maar wij zullen elkander niet dikwijls zien, vrees ik; deze plaats is in het Westen.”

“Zóó ver weg!” en Jo liet haar japon aan haar lot over, alsof het er nu niet meer op aan kwam, wat er van haar of haar kleeren werd.

Mijnheer Bhaer kon verscheiden talen lezen, maar hij had nog niet geleerd een meisjesgezicht te ontraadselen. Hij vleide zich, dat hij Jo tamelijk goed kende, en was daarom zeer verbaasd door de tegenstrijdigheden van stem, uitdrukking en manieren, die zij dien middag in snelle opvolging vertoonde,—want zij doorliep zes verschillende stemmingen in den loop van een half uur. Toen zij hem ontmoette keek zij verwonderd, hoewel hij toch niet kon nalaten te vermoeden, dat zij met dat bepaalde doel daar gekomen was. Toen hij haar zijn arm aanbood, nam zij dien aan, met een blik, die zijn hart met vreugde vervulde; maar toen hij vroeg, of zij hemmiste, gaf zij zoo’n koel deftig antwoord, dat zijn blijdschap wel voor wanhoop wijken moest. Toen zij van zijn aanstelling vernam, klapte zij bijna in de handen; was die blijdschap alleen om de jongens? Toen zij daarna de plaats van zijn bestemming hoorde, riep zij: “Zóó ver weg!” met zooveel teleurstelling in haar stem, dat zijn hoop haar toppunt bereikte, maar het volgend oogenblik deed zij die in duigen vallen, door, alsof zij over niets anders dacht, te zeggen:

“Hier moet ik zijn; wilt u er even inkomen? ’t Zal u niet lang ophouden.”

Jo was tamelijk trotsch op haar handigheid in het doen van boodschappen, en wenschte nu een gunstigen indruk op haar geleider te maken door de netheid en vlugheid, waarmee zij haar zaakjes behandelde. Maar alles ging verkeerd, omdat zij geagiteerd was; zij liet de doos met naalden omvallen, vergat dat het linnen gekeperd moest zijn, en herinnerde zich die eisch eerst, toen het al afgesneden was, gaf verkeerd geld terug, en bloosde ten laatste van ergernis, toen zij aan de toonbank voor katoentjes naar bruin lint vroeg. De heer Bhaer stond er bij en lette op haar blozen en stotteren; en toen hij dit zag, scheen zijn eigen verlegenheid te wijken, want nu eerst begon hij in te zien, dat bij sommige gelegenheden vrouwen niet altijd doen, wat men zou verwachten, en dat men hun gedragingen dikwijls, evenals droomen juist andersom moet uitleggen. Toen zij verder gingen, nam hij met een vroolijker gezicht het pakje onder den arm, en stapte door de plassen, alsof hij over ’t geheel genomen de excursie nogal plezierig vond.

“Zouden wij ook niet het een of ander voor de kinderen koopen, en van avond een afscheidsfeestje hebben, omdat ik nu voor het laatst in uw zeer aangenaam thuis een bezoek breng?” stelde hij voor en bleef stilstaan voor een winkel met bloemen en vruchten.

“Wat zullen wij koopen?” vroeg Jo, niet lettende op zijn laatste woorden, en de verschillende geuren bij het binnentreden opsnuivende met voorgewende verrukking.

“Mogen zij sinaasappelen en vijgen hebben?” vroeg mijnheer Bhaer vaderlijk.

“Die eten zij, als zij ze maar krijgen kunnen.”

“Houdt u van hazelnoten?”

“Als een eekhoorn.”

“Duitsche druiven—ja, zulke zullen wij op het welzijn van mijn vaderland kunnen eten.”

Jo fronste de wenkbrauwen over zoo’n buitensporigheid, en vroeg, waarom hij niet een pond gedroogde pruimen, een kistje rozijnen, en een zakje amandelen nam; dat was meer dan genoeg; waarop mijnheer Bhaer haar beurs in beslag nam, de zijne voor den dag haalde, en tot besluit een paar pond druiven, een pot roode madeliefjes, en een aardig fleschje honing kocht, het laatste tot een bizonder geschenk voor Demi bestemmende. Toen vulde hijzijn zakken met de knobbelige pakjes, verzocht Jo de bloemen te dragen, en stak de oude parapluie weer op, om de reis te vervolgen.

“Juffrouw March, ik heb u een groote gunst te vragen,” begon de professor, nadat zij eenige stappen waren voortgegaan.

“Ja, mijnheer?” en Jo’s hart bonsde zoo luid, dat zij bang was, dat hij het zou hooren.

“Ik neem de vrijheid het u te vragen, niettegenstaande den regen, omdat mij nog slechts zoo weinig tijd overblijft.”

“Ja, mijnheer,” en Jo vermorzelde het bloempotje bijna door de plotselinge kracht, waarmee zij het aan haar hart drukte.

“Ik wilde een jurk voor mijn kleine Tina koopen, en ik ben te dom om dat alleen te doen. Wilt u zoo vriendelijk zijn mij met raad en daad te helpen?”

“Jawel, mijnheer,” en Jo werd plotseling zoo koel en kalm, alsof zij een stortbad gekregen had.

“Misschien zou ook een doek voor Tina’s moeder wel goed zijn, zij is zoo ziek en arm, en haar man is een groote zorg voor haar,—ja, ja, een dikke, warme doek zou een goed geschenk zijn voor die brave vrouw.”

“Ik wil u met genoegen helpen, mijnheer Bhaer.”(“Daar ga ik, en met de minuut moet ik meer van hem houden,”) voegde zij er bij zichzelve bij; toen vermande ze zich en pakte de zaak met hart en ziel aan.

Mijnheer Bhaer liet het geheel aan haar over; zij zocht dus een aardig jurkje voor Tina uit, en vroeg toen naar omslagdoeken. De bediende, die een getrouwd man was, begon belang te stellen in het paar, dat klaarblijkelijk inkoopen voor de familie deed.

“Mevrouw zal dezen misschien verkiezen; ’t is een mooie stof, een nette kleur, eenvoudig en gedistingeerd,” en met deze woorden ontvouwde hij een warmen, grijzen doek, en wierp dien over Jo’s schouders.

“Hoe bevalt deze u, mijnheer Bhaer?” vroeg zij, hem haar rug toedraaiende, meer dan dankbaar voor deze gelegenheid om haar gezicht te kunnen verbergen.

“Uitmuntend, wij zullen dien nemen,” antwoordde de professor, bij zich zelf glimlachende, toen hij er voor betaalde, en Jo ondertusschen den boel op de toonbank doorsnuffelde, alsof haar geluk er van afhing een koopje te doen.

“Zullen wij nu naar huis gaan?” vroeg hij, alsof die woorden een aangenamen klank voor hem hadden.

“Ja, ’t is laat, en ik ben heel moe.” Jo’s stem was hartroerend, meer dan zij zelve wist, want nu scheen voor haar de zon weer plotseling onder te gaan; de wereld werd weer modderig en eenzaam, en nu eerst ontdekte zij, dat haar voeten nat waren, haar hoofd pijn deed, en haar hart kouder dan de eerste en pijnlijker dan het laatste was. Professor Bhaer ging weg; hij voelde slechts vriendschap voor haar; zij had zich vergist, en hoe eerder allesnu voorbij was, hoe beter. Met deze gedachte in het hoofd wenkte zij een naderenden omnibus, met zoo’n haastige beweging, dat de madeliefjes uit den pot vlogen en erg beschadigd werden.

“Dat is niet onze omniboes,” zei de professor, liet den vollen wagen doorrijden en bleef even staan om de bloemen op te rapen.

“O, neem me niet kwalijk; ik zag den wagen niet heel goed. Maar het doet er niet toe, ik kan wel loopen, ik ben er aan gewend om door de modder te baggeren,” antwoordde Jo, sterk knipoogende, omdat zij liever wilde sterven dan openlijk haar oogen afvegen.

Mijnheer Bhaer zag de tranen op haar wangen, ofschoon zij het gelaat afwendde en dat gezicht scheen hem sterk te treffen, want zich plotseling over haar heen buigende, vroeg hij op een toon waarin alles lag opgesloten: “Liefste van mijn hart, waarom weent ge?”

Als Jo nu aan die soort van dingen gewend was geweest, zou zij misschien gezegd hebben, dat zij niet schreide, maar verkouden in het hoofd was, of een ander vrouwelijk leugentje, gepast voor de gelegenheid, verzonnen hebben; maar in plaats daarvan antwoordde ze “heel onbetamelijk”, half snikkend: “Omdat u weggaat!”

“Omdat ik wegga? Ach Gott, dat is al te goed!” riep mijnheer Bhaer in verrukking, en niettegenstaande de pakjes en zijnparapluiesloeg hij zijn handen in elkaar. “Jo, ik heb u niets te geven dan heel veel liefde; ik kwam zien, of dat je genoeg kon schelen, en ik wachtte, om er zeker van te zijn, dat ik meer dan een vriend was. Is dat zoo? Kunt gij in uw hart een klein plaatsje voor den ouden Fritz inruimen?” voegde hij er in één adem bij.

“O ja!” antwoordde Jo, en hij was volkomen tevreden, want zij vouwde haar handen om zijn arm, en keek naar hem op, met oogen, die duidelijk zeiden, hoe gelukkig zij zijn zou, als zij dit leven met hem kon doorwandelen, zelfs al had zij geen betere beschutting dan de oude parapluie—wanneer hij die maar droeg.

Dit was zeker wel een huwelijksvoorstel onder moeilijke omstandigheden, want al had hij ’t gewild, mijnheer Bhaer had toch onmogelijk voor haar kunnen neerknielen; de straat was er te modderig voor. Evenmin kon hij Jo zijn hand aanbieden, behalve in overdrachtelijken zin, want hij had beide handen vol; nog veel minder kon hij zijn hart lucht geven in teedere liefkoozingen op de publieke straat, hoewel hij er na aan toe was; dus bleef de eenige manier, waarop hij zijn blijdschap kon toonen, haar aan te kijken met een zoo zonnigen blik, dat er werkelijk kleine regenboogjes schenen te ontstaan in de droppels, die op zijn baard vonkelden. Indien hij Jo niet zoo innig had liefgehad, geloof ik niet, dat hij op dat oogenblik zijn hart aan haar zou hebben kunnen verliezen, want zij was een alles behalve bevallige verschijning—haar rokken in een betreurenswaardigen staat, haar overschoenen een en al modder,en haar hoed druipnat. Gelukkig beschouwde mijnheer Bhaer haar als de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, en vond zij hem meer “Jupiterachtig” dan ooit, hoewel de rand van zijn hoed heelemaal slap hing, door de kleine beekjes, die van daar op zijn schouders afstroomden, (want hij hield de parapluie alleen boven Jo) en iedere vinger van zijn handschoenen reparatie noodig had. De voorbijgangers zagen hen waarschijnlijk voor een paar onschadelijke krankzinnigen aan, want zij vergaten totaal een omnibus te wenken, en wandelden langzaam voort, zonder op de invallende duisternis en den mist te letten. Weinig bekommerden zij zich om de meening van anderen; zij genoten het gelukkige uur, dat zelden meer dan eens in een menschenleven voorkomt—het wondere oogenblik, dat den grijsaard jeugd, den alledaagsche schoonheid, den arme rijkdom schenkt, en het menschelijk hart een voorsmaak van den hemel geeft. De professor zag er uit, of hij een koninkrijk had veroverd, en deze wereld hem niets meer behoefde aan te bieden, terwijl Jo naast hem ging, met het gevoel, alsof haar plaats daar altijd geweest was, en vol verbazing, dat zij ooit naar iets anders verlangd had. Natuurlijk was zij de eerste, die sprak—ik bedoel die verstandig sprak, want de aandoenlijke uitingen die op haar onstuimig “o ja!” volgden, waren niet zeer samenhangend of voor overbrenging vatbaar.

“Friedrich, waarom heb je me—”

“Ach! daar geeft zij mij den naam, dien niemand meer noemde sinds Minna gestorven is!” riep de professor, en bleef midden in een plas stilstaan om haar met dankbare verrukking aan te kijken.

“Ik noem je altijd zoo, als ik aan je denk—maar ik zal het niet meer doen, of je moest het liever hebben?”

“Het liever hebben! Het klinkt mij lieflijker toe, dan ik kan uitdrukken,” riep mijnheer Bhaer, meer als een romantisch student dan als een ernstig professor.

“Maar—waarom heb je mij dat alles niet vroeger gezegd?” vroeg Jo, wel wat verlegen.

“Nu zal ik je mijn heele hart moeten openleggen, en dat wil ik zoo gaarne, omdat gij er voortaan zorg voor moet dragen. Zie, mijn Jo—o, die lieve, aardige korte naam!—ik had je iets willen vragen dien dag, toen ik je in New-York vaarwel zeide; maar ik dacht, dat gij met den knappen jongen vriend verloofd waart, en daarom sprak ik niet. Indien ik toen had gesproken, zoudt gij dan ‘ja’ hebben gezegd?”

“Ik weet het niet; ik vrees van neen, want ik had toen nog geen hart.”

“Prut! dat geloof ik niet. Het sliep, totdat de prins uit het sprookje door het bosch kwam, en het wakker maakte. Ach ja, ‘die erste Liebe ist die beste’, maar die mag ik niet verwachten.”

“Ja, de eerste liefde is de beste; wees dus maar tevreden, want ik heb nooit een andere gehad. Teddy was maar een jongen, en kwamgauw zijn verliefdheid te boven,” zei Jo haastig, om den professor uit den droom te helpen.

“Goed! dan ben ik gerust en gelukkig, dat gij mij alles geven kunt. Ik heb zoolang gewacht; nu ben ik zelfzuchtig geworden, zooals ge zult ondervinden, Professorin!”

“Dat is best!” riep Jo, verrukt over haar nieuwen titel. “Vertel mij nu eens, wat je eigenlijk hier bracht, juist toen ik je het meest noodig had?”

“Dit”—en mijnheer Bhaer haalde een versleten stukje papier uit zijn zak.

Jo vouwde het open, en keek meer dan beschaamd; want het was een van haar eigen bijdragen aan een tijdschrift, dat poëzie opnam en waaraan zij nu en dan een proeve zond.

“Hoe kon dat je hier brengen?” vroeg zij nieuwsgierig om te weten, wat hij bedoelde.

“Ik vond het toevallig; ik herkende het aan de namen en de initialen, en éen klein versje scheen mij te roepen. Lees het, en zoek het gedeelte, dat ik bedoel; ik zal zorgen, dat je niet in de plassen trapt.”

Jo gehoorzaamde, en doorliep haastig de regels, die zij gedoopt had:

OP DEN ZOLDER.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan,Die ze vulden zijn z’ ontwassen,Lieten lang reeds ’t speelgoed staan.Aan een lint vier kleine sleutels,Lang geleên met blij gelachDoor de kindren opgehangen,Op een sombren regendag.Zie, een naam draagt ieder deksel,Ingegrift voor zeven jaar,Door den vriendelijken makkerVan de blijde kinderschaar,Die zijn werk soms even staakte,Om te luistren naar ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

OP DEN ZOLDER.Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan,Die ze vulden zijn z’ ontwassen,Lieten lang reeds ’t speelgoed staan.Aan een lint vier kleine sleutels,Lang geleên met blij gelachDoor de kindren opgehangen,Op een sombren regendag.Zie, een naam draagt ieder deksel,Ingegrift voor zeven jaar,Door den vriendelijken makkerVan de blijde kinderschaar,Die zijn werk soms even staakte,Om te luistren naar ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

Op den zolder staan vier kistjes,

Dik bestoven, half vergaan,

Die ze vulden zijn z’ ontwassen,

Lieten lang reeds ’t speelgoed staan.

Aan een lint vier kleine sleutels,

Lang geleên met blij gelach

Door de kindren opgehangen,

Op een sombren regendag.

Zie, een naam draagt ieder deksel,

Ingegrift voor zeven jaar,

Door den vriendelijken makker

Van de blijde kinderschaar,

Die zijn werk soms even staakte,

Om te luistren naar ’t refrein

Van de zomerregendropplen

Tegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Meta” staat op ’t eerste deksel,En daaronder, wel bewaard,Ligt een gansche schat geborgen,Door haar zachte hand vergaârd.’t Zijn de blijken, dat haar levenKalm en effen henenvloog.Bruidsjapon, een kinderschoentje,Vallen dad’lijk al in ’t oog.Aardigheden, kleine giften,Prijzen in haar jeugd behaald—Maar geen speelgoed is gebleven;Dat werd alles weggehaald.Jonge moeder! wiegeliedjesHoort gij, wed ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Meta” staat op ’t eerste deksel,En daaronder, wel bewaard,Ligt een gansche schat geborgen,Door haar zachte hand vergaârd.’t Zijn de blijken, dat haar levenKalm en effen henenvloog.Bruidsjapon, een kinderschoentje,Vallen dad’lijk al in ’t oog.Aardigheden, kleine giften,Prijzen in haar jeugd behaald—Maar geen speelgoed is gebleven;Dat werd alles weggehaald.Jonge moeder! wiegeliedjesHoort gij, wed ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Meta” staat op ’t eerste deksel,

En daaronder, wel bewaard,

Ligt een gansche schat geborgen,

Door haar zachte hand vergaârd.

’t Zijn de blijken, dat haar leven

Kalm en effen henenvloog.

Bruidsjapon, een kinderschoentje,

Vallen dad’lijk al in ’t oog.

Aardigheden, kleine giften,

Prijzen in haar jeugd behaald—

Maar geen speelgoed is gebleven;

Dat werd alles weggehaald.

Jonge moeder! wiegeliedjes

Hoort gij, wed ik, in ’t refrein

Van de zomerregendropplen

Tegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Jo” op ’t volgend vol met krassen,En daarin een lorrenboel:Poppen zonder hoofd, wat tollen,Knikkers, prullen zonder doel.Uit het land der droomerijen,Dat de jeugd alleen betreedt,Allerlei herinneringenZoo van vreugd, als zieleleed;Halve verzen en verhalen,Brieven, koel en warm en koud,Kinderdagboek, wijze wenkenVan een vrouw, te vroeg reeds oud.“Allen hebben u verlaten,”Is voor haar het droef refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Jo” op ’t volgend vol met krassen,En daarin een lorrenboel:Poppen zonder hoofd, wat tollen,Knikkers, prullen zonder doel.Uit het land der droomerijen,Dat de jeugd alleen betreedt,Allerlei herinneringenZoo van vreugd, als zieleleed;Halve verzen en verhalen,Brieven, koel en warm en koud,Kinderdagboek, wijze wenkenVan een vrouw, te vroeg reeds oud.“Allen hebben u verlaten,”Is voor haar het droef refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Jo” op ’t volgend vol met krassen,

En daarin een lorrenboel:

Poppen zonder hoofd, wat tollen,

Knikkers, prullen zonder doel.

Uit het land der droomerijen,

Dat de jeugd alleen betreedt,

Allerlei herinneringen

Zoo van vreugd, als zieleleed;

Halve verzen en verhalen,

Brieven, koel en warm en koud,

Kinderdagboek, wijze wenken

Van een vrouw, te vroeg reeds oud.

“Allen hebben u verlaten,”

Is voor haar het droef refrein

Van de zomerregendropplen

Tegen ’t raam en op ’t kozijn.

“Bets”, die naam is niet bestoven,Daarvoor zorgt een teedre hand.Alles wat haar toebehoordeHouden wij in waarde; wantZ’ is niet langer in ons midden,En toen God haar tot zich namBergden wij hier al haar schattenTot een “in memoriam.”’t Mutsje, ’t laatst door haar gedragen,En haar kleine zilveren schel,Haar geliefkoosd schilderijtje,En haar solitaire-spel.En wij hooren liedren, psalmen,Die zij zong in lichaamspijn,In de zomerregendropplenAls een liefelijk refrein.

“Bets”, die naam is niet bestoven,Daarvoor zorgt een teedre hand.Alles wat haar toebehoordeHouden wij in waarde; wantZ’ is niet langer in ons midden,En toen God haar tot zich namBergden wij hier al haar schattenTot een “in memoriam.”’t Mutsje, ’t laatst door haar gedragen,En haar kleine zilveren schel,Haar geliefkoosd schilderijtje,En haar solitaire-spel.En wij hooren liedren, psalmen,Die zij zong in lichaamspijn,In de zomerregendropplenAls een liefelijk refrein.

“Bets”, die naam is niet bestoven,

Daarvoor zorgt een teedre hand.

Alles wat haar toebehoorde

Houden wij in waarde; want

Z’ is niet langer in ons midden,

En toen God haar tot zich nam

Bergden wij hier al haar schatten

Tot een “in memoriam.”

’t Mutsje, ’t laatst door haar gedragen,

En haar kleine zilveren schel,

Haar geliefkoosd schilderijtje,

En haar solitaire-spel.

En wij hooren liedren, psalmen,

Die zij zong in lichaamspijn,

In de zomerregendropplen

Als een liefelijk refrein.

’t Laatste deksel doet aanschouwenHoe een ridder fier en stout,Op zijn schild den naam van “Amy”Voert in letters, blauw en goud.En in ’t kistje, net geborgen:Blauwe schoentjes van satijn,Diadeemen, droge bloemen,Waaiers, broches, groot en klein.Allerlei gedachtenisjes.Philippines, teêr van aard,Vogeltjes van klei, een kransjeHeel zorgvuldig hier bewaard.Klokken, die haar bruiloft meldenHoort zij, denk ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

’t Laatste deksel doet aanschouwenHoe een ridder fier en stout,Op zijn schild den naam van “Amy”Voert in letters, blauw en goud.En in ’t kistje, net geborgen:Blauwe schoentjes van satijn,Diadeemen, droge bloemen,Waaiers, broches, groot en klein.Allerlei gedachtenisjes.Philippines, teêr van aard,Vogeltjes van klei, een kransjeHeel zorgvuldig hier bewaard.Klokken, die haar bruiloft meldenHoort zij, denk ik, in ’t refreinVan de zomerregendropplenTegen ’t raam en op ’t kozijn.

’t Laatste deksel doet aanschouwen

Hoe een ridder fier en stout,

Op zijn schild den naam van “Amy”

Voert in letters, blauw en goud.

En in ’t kistje, net geborgen:

Blauwe schoentjes van satijn,

Diadeemen, droge bloemen,

Waaiers, broches, groot en klein.

Allerlei gedachtenisjes.

Philippines, teêr van aard,

Vogeltjes van klei, een kransje

Heel zorgvuldig hier bewaard.

Klokken, die haar bruiloft melden

Hoort zij, denk ik, in ’t refrein

Van de zomerregendropplen

Tegen ’t raam en op ’t kozijn.

Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan.Van het viertal dat ze vuldeKwam er éen reeds boven aan.Slechts voor kort zijn wij gescheiden,Weldra komt de blijde tijd,Die ons allen dáar vereenigt,Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.Mochten wij die achterbleven,Leven tot des Vaders eer;Moedig strijden, biddend waken,Heilig worden, meer en meer.Dan, dan zullen w’ eens te zamenJuichen en gelukkig zijn—Waar geen storm- of regenvlagenZijn, maar eeuw’ge zonneschijn.

Op den zolder staan vier kistjes,Dik bestoven, half vergaan.Van het viertal dat ze vuldeKwam er éen reeds boven aan.Slechts voor kort zijn wij gescheiden,Weldra komt de blijde tijd,Die ons allen dáar vereenigt,Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.Mochten wij die achterbleven,Leven tot des Vaders eer;Moedig strijden, biddend waken,Heilig worden, meer en meer.Dan, dan zullen w’ eens te zamenJuichen en gelukkig zijn—Waar geen storm- of regenvlagenZijn, maar eeuw’ge zonneschijn.

Op den zolder staan vier kistjes,

Dik bestoven, half vergaan.

Van het viertal dat ze vulde

Kwam er éen reeds boven aan.

Slechts voor kort zijn wij gescheiden,

Weldra komt de blijde tijd,

Die ons allen dáar vereenigt,

Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.

Mochten wij die achterbleven,

Leven tot des Vaders eer;

Moedig strijden, biddend waken,

Heilig worden, meer en meer.

Dan, dan zullen w’ eens te zamen

Juichen en gelukkig zijn—

Waar geen storm- of regenvlagen

Zijn, maar eeuw’ge zonneschijn.

J. M.

“Als gedichtje heeft het niet veel waarde, maar het kwam uit mijn hart, en ik schreef het, toen ik mij eens bitter eenzaam gevoeld, en uitgehuild had op de prullemand. Ik dacht niet, dat het mij nog eens zou verklappen,” zei Jo, terwijl zij het versje verscheurde, dat de professor zoo zorgvuldig bewaard had.

“Laat het gaan, het heeft zijn plicht gedaan, en ik zal een nieuw krijgen, wanneer ik het bruine boekje mag lezen, waarin zij al haar geheimen bewaart,” dreigde mijnheer Bhaer glimlachend, en voegde er ernstig bij, toen hij de stukken door den wind zag verstrooien: “Ja, ik las dat, en ik dacht bij mijzelf: zij heeft droefheid, zij is eenzaam, zij zal troost vinden in ware liefde. Ik heb een heel hart vol voor haar; zal ik niet tot haar gaan en zeggen: ‘Indien dit niet te gering is om in ruil te geven voor alles wat ik van u hoop te ontvangen, neem het, onder Gods zegen.’”

“En toen heb je gezien, dat het niet te gering was, maar juist het eene kostbare, dat ik noodig had,” antwoordde Jo zacht.

“De moed ontbrak mij om dat in het begin te denken, hoewel uw ontvangst zoo zeldzaam vriendelijk was. Maar spoedig begon ik te hopen, en toen dacht ik: ik wil haar hebben, al moest ik er ook voor sterven, en dat wil ik ook!” riep de professor op uitdagenden toon, alsof de koude nevelen, die hen omgaven, even zooveel hinderpalen waren, die hij beklimmen of omverwerpen moest.

Jo vond dat prachtig, en besloot zich haar ridder waardig te maken, al kwam hij dan ook niet in volle staatsie, te paard gezeten, uitgedost in een schitterende wapenrusting.

“Waarom bleef je zoo lang weg?” vroeg zij na een oogenblikvan stilzwijgen; want zij moest weer spreken—’t was zoo plezierig vertrouwelijke vragen te doen en zulke heerlijke antwoorden te ontvangen.

“Het was niet gemakkelijk; maar ik kon het niet over mij verkrijgen je uit je gelukkig thuis weg te halen, voordat ik het vooruitzicht had je een ander te kunnen geven; misschien eerst na verloop van tijd en na hard werken. Hoe kon ik je vragen, zóóveel op te geven voor een arm, oud man, die geen ander vermogen bezit dan zijn kennis?”

“Ik ben blij, dat je arm bent; ik zou geen rijken man willen hebben!” riep Jo op stelligen toon, en voegde er met zachter stem bij: “Wees maar niet bang voor armoede; ik ben het lang genoeg geweest, om mijn vrees te overwinnen, en mijn geluk te vinden in het werken voor hen, die ik liefheb. En je mag jezelf ook niet oud noemen—ik zou niet kunnen laten je lief te hebben, al was je zeventig.”

Deze woorden ontroerden den professor zoo, dat hij graag zijn zakdoek zou gebruikt hebben, als hij dien maar had kunnen uithalen; daar dit een absolute onmogelijkheid was, veegde Jo zijn oogen voor hem af, en zei lachend, terwijl zij hem van een paar pakjes ontlastte:

“Ik mag dan energiek zijn, maar niemand kan zeggen, dat ik nu buiten mijn sfeer treed,—want de bijzondere roeping der vrouw wordt immers verondersteld te bestaan in het drogen van tranen, en het dragen van lasten. Ik moet mijn deel dragen, Friedrich, en ons huis mee helpen verdienen. Tracht je daaraan te onderwerpen, of ik ga geen stap verder,” voegde zij er vastbesloten bij, toen hij de pakjes terugeischte.

“Nu, wij zullen zien. Hebt gij geduld om een langen tijd te wachten, Jo? Ik moet weggaan en mijn werk alleen doen; ik moet mijn jongens eerst helpen; want zelfs om uwentwil mag ik mijn belofte aan Minna niet breken. Kunt gij dat vergeven en gelukkig zijn, terwijl wij wachten en hopen?”

“Ja, ik weet, dat ik het kan; want wij hebben elkander lief, en dat maakt al het overige gemakkelijk te dragen. Ik heb ook mijn plichten en mijn werk. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn, als ik alles verzuimde, zelfs voor jou,—dus behoeft er geen sprake te wezen van haast of ongeduld. Jij hebt je aangewezen werk—ik moet het mijne hier doen, en tezamen moeten wij geduldig zijn, het beste hopen, en de toekomst nemen, zooals God die ons geeft.”

“O, gij spreekt mij hoop en moed in, en ik kan je niets teruggeven dan een vol hart en deze leege handen,” riep de professor, geheel overstuur.

Jo zou nooit kunnen leeren zich betamelijk te gedragen; want toen hij dat zei, vlak voor de huisdeur, legde zij haar handen beide in de zijne, en fluisterde teeder: “Nu niet meer leeg;” en op dat gewichtig oogenblik kuste zij haar Friedrich onder de parapluie. Hetwas hóógst onwelvoegelijk, maar al waren de natte musschen op de tuinheg, menschelijke wezens geweest, dan zou zij het toch gedaan hebben,—want zij was onverschillig voor alles, behalve voor haar geluk.

Ofschoon alles zoo heel eenvoudig toeging, was het volgend oogenblik toch het glanspunt van hun leven; toen Jo de deur achter zich en haar geliefde sloot en ze kou, storm en duisternis daar buiten, voor licht, warmte en rust daarbinnen verwisselden, en beiden werden opgewacht met een hartelijk: “Welkom thuis!”


Back to IndexNext