De telegraaf in Atjeh.

Op den Uitkijk.De telegraaf in Atjeh.Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in ’t belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op ’t oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren tewordenopgericht.Het rijstmesje der Maleiers.De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo’n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren—men snijdt halm voor halm—worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in ’t algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.In de buurt van den Triglau.Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.Het Wocheinermeer.Het Wocheinermeer.De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa’s met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodathet nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.Veldes in Krain.Veldes in Krain.De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Hongersnood in Tunis.Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden.Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.Morotaï of Moro.Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.Aan Menelik’s HofMenelik’s vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.Over Menelik’s gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.Tot dicht bij de Zuidpool!Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.Luitenant Shackleton.Luitenant Shackleton.Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was alin1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney’s getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1stenMaart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney’s moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!Hulp bij natuurstudie.Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.Minder tropische ziekten.Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.Op den Uitkijk.Een vorstenhuwelijk op Java.Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie vanDjokjakartaen wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekbladGlobusdeed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van dentrouwdagzelven.Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes.De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek vanhet orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.Een bezwaar bij expedities naar de West.Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden—vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners—den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.De Duitschers op Nieuw-Guinea aan het pionieren.In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe’s rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.Van Togo.De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur ’s morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur ’s morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ookheeftleeren waardeeren.Een Grievencahier.De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en denDirecteuraan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?Mooi voorbeeld voor landheer en industriëel. Huize de Duno cum annexis.Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgeldenvan de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.Naar de Lutte!Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggenvan graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.De laan Kalheupink te Oldenzaal.De laan Kalheupink te Oldenzaal.Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is ƒ 4.50.Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kanlaten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er eenBelvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer.Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te ’s Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau’s in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.Prakbosch.Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukjeprakboschaan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra dehoutvellingvoorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn—en bijna niemand wordt teruggewezen—toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.Tusschen Amerika en Europa.In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op ’t oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.

Op den Uitkijk.De telegraaf in Atjeh.Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in ’t belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op ’t oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren tewordenopgericht.Het rijstmesje der Maleiers.De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo’n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren—men snijdt halm voor halm—worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in ’t algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.In de buurt van den Triglau.Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.Het Wocheinermeer.Het Wocheinermeer.De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa’s met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodathet nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.Veldes in Krain.Veldes in Krain.De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Hongersnood in Tunis.Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden.Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.Morotaï of Moro.Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.Aan Menelik’s HofMenelik’s vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.Over Menelik’s gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.Tot dicht bij de Zuidpool!Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.Luitenant Shackleton.Luitenant Shackleton.Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was alin1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney’s getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1stenMaart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney’s moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!Hulp bij natuurstudie.Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.Minder tropische ziekten.Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.

Op den Uitkijk.

De telegraaf in Atjeh.Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in ’t belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op ’t oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren tewordenopgericht.

De telegraaf in Atjeh.

Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in ’t belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op ’t oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren tewordenopgericht.

Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in ’t belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op ’t oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren tewordenopgericht.

Het rijstmesje der Maleiers.De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo’n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren—men snijdt halm voor halm—worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in ’t algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.

Het rijstmesje der Maleiers.

De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo’n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren—men snijdt halm voor halm—worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in ’t algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.

De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo’n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren—men snijdt halm voor halm—worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.

Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in ’t algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.

De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.

Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.

In de buurt van den Triglau.Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.Het Wocheinermeer.Het Wocheinermeer.De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa’s met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodathet nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.Veldes in Krain.Veldes in Krain.De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Maria Wörth aan het Wörthermeer.

In de buurt van den Triglau.

Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.Het Wocheinermeer.Het Wocheinermeer.De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa’s met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Het Faakermeer met de Mittagskogel.Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodathet nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.Veldes in Krain.Veldes in Krain.De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.Maria Wörth aan het Wörthermeer.Maria Wörth aan het Wörthermeer.

Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.

Het Wocheinermeer.Het Wocheinermeer.

Het Wocheinermeer.

De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.

Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa’s met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.

Het Faakermeer met de Mittagskogel.Het Faakermeer met de Mittagskogel.

Het Faakermeer met de Mittagskogel.

Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodathet nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.

Veldes in Krain.Veldes in Krain.

Veldes in Krain.

De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.

Maria Wörth aan het Wörthermeer.Maria Wörth aan het Wörthermeer.

Maria Wörth aan het Wörthermeer.

Hongersnood in Tunis.Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden.Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.

Hongersnood in Tunis.

Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden.Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.

Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.

Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.

De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.

De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.

Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.

Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden.Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.

Morotaï of Moro.Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.

Morotaï of Moro.

Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.

Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.

Aan Menelik’s HofMenelik’s vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.Over Menelik’s gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.

Aan Menelik’s Hof

Menelik’s vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.Over Menelik’s gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.

Menelik’s vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.

Over Menelik’s gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.

Tot dicht bij de Zuidpool!Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.Luitenant Shackleton.Luitenant Shackleton.Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was alin1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney’s getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1stenMaart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney’s moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!

Tot dicht bij de Zuidpool!

Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.Luitenant Shackleton.Luitenant Shackleton.Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was alin1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney’s getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1stenMaart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney’s moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!

Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.

Luitenant Shackleton.Luitenant Shackleton.

Luitenant Shackleton.

Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was alin1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.

Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.

Kaartje van den tocht van luitenant Shackleton.

Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.

Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney’s getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1stenMaart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.

Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney’s moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.

Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!

Hulp bij natuurstudie.Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.

Hulp bij natuurstudie.

Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.

Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.

Minder tropische ziekten.Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.

Minder tropische ziekten.

Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.

Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.

Op den Uitkijk.Een vorstenhuwelijk op Java.Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie vanDjokjakartaen wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekbladGlobusdeed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van dentrouwdagzelven.Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes.De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek vanhet orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.Een bezwaar bij expedities naar de West.Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden—vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners—den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.De Duitschers op Nieuw-Guinea aan het pionieren.In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe’s rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.Van Togo.De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur ’s morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur ’s morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ookheeftleeren waardeeren.Een Grievencahier.De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en denDirecteuraan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?Mooi voorbeeld voor landheer en industriëel. Huize de Duno cum annexis.Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgeldenvan de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.Naar de Lutte!Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggenvan graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.De laan Kalheupink te Oldenzaal.De laan Kalheupink te Oldenzaal.Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is ƒ 4.50.Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kanlaten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er eenBelvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer.Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te ’s Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau’s in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.Prakbosch.Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukjeprakboschaan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra dehoutvellingvoorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn—en bijna niemand wordt teruggewezen—toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.Tusschen Amerika en Europa.In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op ’t oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.

Op den Uitkijk.

Een vorstenhuwelijk op Java.Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie vanDjokjakartaen wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekbladGlobusdeed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van dentrouwdagzelven.Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes.De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek vanhet orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.

Een vorstenhuwelijk op Java.

Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie vanDjokjakartaen wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekbladGlobusdeed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van dentrouwdagzelven.Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes.De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek vanhet orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.

Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie vanDjokjakartaen wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.

Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekbladGlobusdeed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.

Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.

Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.

De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van dentrouwdagzelven.

Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.

We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.

De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.

We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.

De bruidegom aan den arm van den Resident.De bruidegom aan den arm van den Resident.

De bruidegom aan den arm van den Resident.

De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.

De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.

In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.

De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes.De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.

De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek vanhet orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.

Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.

De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.

Een bezwaar bij expedities naar de West.Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden—vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners—den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.

Een bezwaar bij expedities naar de West.

Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden—vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners—den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.

Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.

Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.

Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.

Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden—vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners—den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.

De Duitschers op Nieuw-Guinea aan het pionieren.In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe’s rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.

De Duitschers op Nieuw-Guinea aan het pionieren.

In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe’s rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.

In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.

De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.

De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).

De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.

Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.

De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe’s rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.

Van Togo.De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur ’s morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur ’s morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ookheeftleeren waardeeren.

Van Togo.

De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur ’s morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur ’s morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ookheeftleeren waardeeren.

De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.

Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.

Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.

Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur ’s morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur ’s morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.

Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.

Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.

De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ookheeftleeren waardeeren.

Een Grievencahier.De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en denDirecteuraan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?

Een Grievencahier.

De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en denDirecteuraan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?

De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.

De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.

Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.

Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.

Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.

De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.

Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en denDirecteuraan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«

Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?

Mooi voorbeeld voor landheer en industriëel. Huize de Duno cum annexis.Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgeldenvan de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.

Mooi voorbeeld voor landheer en industriëel. Huize de Duno cum annexis.

Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgeldenvan de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.

Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.

Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgeldenvan de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.

Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.

Gezicht op de Modelboerderij van uit het kantoor.

Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.

Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.

Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.

In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.

De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.

Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.

Huize “De Duno” bij avond met de electrische verlichting gefotografeerd.

In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.

Naar de Lutte!Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggenvan graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.De laan Kalheupink te Oldenzaal.De laan Kalheupink te Oldenzaal.Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is ƒ 4.50.Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kanlaten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er eenBelvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.

Naar de Lutte!

Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggenvan graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.De laan Kalheupink te Oldenzaal.De laan Kalheupink te Oldenzaal.Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is ƒ 4.50.Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kanlaten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er eenBelvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.

Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.

Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.

Bentheimerweg—Lutte bij Oldenzaal.

Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.

Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggenvan graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.

De laan Kalheupink te Oldenzaal.De laan Kalheupink te Oldenzaal.

De laan Kalheupink te Oldenzaal.

Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.

Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is ƒ 4.50.

Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kanlaten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.

Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.

Het buitenverblijf Kalheupink bij Oldenzaal.

Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.

Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.

De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er eenBelvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.

Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.

Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.

Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer.Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te ’s Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau’s in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.

Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer.

Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te ’s Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau’s in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.

Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te ’s Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau’s in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.

Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.

Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.

Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.

Prakbosch.Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukjeprakboschaan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra dehoutvellingvoorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn—en bijna niemand wordt teruggewezen—toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.

Prakbosch.

Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukjeprakboschaan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra dehoutvellingvoorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn—en bijna niemand wordt teruggewezen—toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.

Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.

Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.

In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukjeprakboschaan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra dehoutvellingvoorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn—en bijna niemand wordt teruggewezen—toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.

Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.

Tusschen Amerika en Europa.In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op ’t oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.

Tusschen Amerika en Europa.

In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op ’t oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.

In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op ’t oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.


Back to IndexNext