Een vroolijk tooneeltje aan de Cropinakreek.

Op den Uitkijk.Een vroolijk tooneeltje aan de Cropinakreek.Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.De Cropinakreek bij Paramaribo.De Cropinakreek bij Paramaribo.Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau’s, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.Labrang Gomba, een klooster in Thibet.Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama’s, uitgezonden door het klooster.»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha’s en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.De groote Fransche expeditie van kapitein d’Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door eenthibetaanschenstam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba’s, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.Koloniaal Museum bij Brussel.In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo’n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto’s en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.Van Steinthorwall naar Rothenbaum-chaussee.Hamburg is aan ’t bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1–1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als ’t warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.Verre reizen.Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen inHongarijezijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!Op den Uitkijk.De jachtluipaard als huisdier in tuinen en parken.In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita’s bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent “hondskat”. De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift ’t dan weer den kap over den kop.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs nietaan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee.Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel,enAchthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!Hendrick Hudson in Hollands dienst.Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te ’s Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.Karakoelschapen.Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uitPerzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijlspogingenin het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara’sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.Primitieve, maar toch omslachtige versiering.De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi’s, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; ’t moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.Stroomop in den Amazonenstroom.De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika’s westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.De Saloeën.De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van ’t vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.Op den Uitkijk.Kerbela, het tweede Mekka.Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali’s oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah’s dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali’s zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit de Illustration.)De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zichmet het wijde, witte gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe, hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt, de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held zal worden gevierd.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd, ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.Voor vreemdelingenverkeer op groote schaal aan het werk.Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het gouvernements-hotel aan hetKoningsplein, waar de gouverneur-generaal met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in ’t bezit vond van nog ruim ƒ29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag van ruim ƒ12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de door het gouvernement verleende subsidie van ƒ25,000 en uit bijdragen van particulieren, beloopende ƒ17,315. Het bestuur heeft zich per request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909 een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou de vereeniging zich aan ’t eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende den tijd datZ.H.E.G.als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,« en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren, zoo ook van het medebrengen van auto’s gedurende het bezoek op Java, alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken, zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden, die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van ƒ1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt, zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten, dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog een groote rol heeft te spelen.Reclameboekje voor de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.STADHUIS TE BROUWERSHAVENSTADHUIS TE BROUWERSHAVEN(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes, oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.Mikkelsen niet naar Nieuw-Guinea, maar naar de Noordpool.De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had, waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten zonder hen moesten terugkeeren.Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is dan Amundsen’s Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen’s plan in het begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd, en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen, zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal« echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland tusschen Spitsbergen en Groenland is.Reizen per ballon.De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben, van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken, dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen, om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die Zeppelin’s naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.

Op den Uitkijk.Een vroolijk tooneeltje aan de Cropinakreek.Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.De Cropinakreek bij Paramaribo.De Cropinakreek bij Paramaribo.Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau’s, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.Labrang Gomba, een klooster in Thibet.Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama’s, uitgezonden door het klooster.»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha’s en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.De groote Fransche expeditie van kapitein d’Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door eenthibetaanschenstam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba’s, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.Koloniaal Museum bij Brussel.In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo’n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto’s en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.Van Steinthorwall naar Rothenbaum-chaussee.Hamburg is aan ’t bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1–1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als ’t warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.Verre reizen.Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen inHongarijezijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!

Op den Uitkijk.

Een vroolijk tooneeltje aan de Cropinakreek.Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.De Cropinakreek bij Paramaribo.De Cropinakreek bij Paramaribo.Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau’s, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.

Een vroolijk tooneeltje aan de Cropinakreek.

Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.De Cropinakreek bij Paramaribo.De Cropinakreek bij Paramaribo.Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau’s, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.

Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.

De Cropinakreek bij Paramaribo.De Cropinakreek bij Paramaribo.

De Cropinakreek bij Paramaribo.

Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.

Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.

Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau’s, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.

Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.

Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.

Labrang Gomba, een klooster in Thibet.Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama’s, uitgezonden door het klooster.»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha’s en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.De groote Fransche expeditie van kapitein d’Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door eenthibetaanschenstam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba’s, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.

Labrang Gomba, een klooster in Thibet.

Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama’s, uitgezonden door het klooster.»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha’s en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.De groote Fransche expeditie van kapitein d’Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door eenthibetaanschenstam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba’s, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.

Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.

Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.

Het groote Lama-klooster Labrang Gomba in Oost-Thibet.

Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama’s, uitgezonden door het klooster.

»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha’s en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.

Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.

De groote Fransche expeditie van kapitein d’Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door eenthibetaanschenstam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba’s, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.

Koloniaal Museum bij Brussel.In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo’n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto’s en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.

Koloniaal Museum bij Brussel.

In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo’n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto’s en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.

In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.

De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.

Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.

Het Koloniaal Museum in het park van Tervueren bij Brussel.

Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.

Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo’n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.

Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.

Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto’s en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.

Van Steinthorwall naar Rothenbaum-chaussee.Hamburg is aan ’t bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1–1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als ’t warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.

Van Steinthorwall naar Rothenbaum-chaussee.

Hamburg is aan ’t bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1–1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als ’t warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.

Hamburg is aan ’t bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1–1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.

Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als ’t warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.

Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.

Verre reizen.Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen inHongarijezijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!

Verre reizen.

Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen inHongarijezijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!

Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen inHongarijezijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!

Op den Uitkijk.De jachtluipaard als huisdier in tuinen en parken.In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita’s bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent “hondskat”. De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift ’t dan weer den kap over den kop.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs nietaan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee.Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel,enAchthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!Hendrick Hudson in Hollands dienst.Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te ’s Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.Karakoelschapen.Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uitPerzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijlspogingenin het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara’sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.Primitieve, maar toch omslachtige versiering.De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi’s, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; ’t moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.Stroomop in den Amazonenstroom.De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika’s westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.De Saloeën.De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van ’t vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.

Op den Uitkijk.

De jachtluipaard als huisdier in tuinen en parken.In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita’s bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent “hondskat”. De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift ’t dan weer den kap over den kop.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs nietaan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.

De jachtluipaard als huisdier in tuinen en parken.

In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita’s bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent “hondskat”. De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift ’t dan weer den kap over den kop.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs nietaan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.

In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.

De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita’s bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent “hondskat”. De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.

Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.

Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.

Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.

De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.

De jachtluipaard gelijkt eenigszins op den panter, doch zijn pooten zijn hooger. De ooren zijn rond als die van den leeuw, de oogen zijn zacht als die van den hond.

In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift ’t dan weer den kap over den kop.

Moustique toont zijn aanhankelijkheid.Moustique toont zijn aanhankelijkheid.

Moustique toont zijn aanhankelijkheid.

Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.

In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.

Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs nietaan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.

Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.

Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.

Moustique in den familiekring.

Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.

Moustique in den familiekring.Moustique in den familiekring.

Moustique in den familiekring.

Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.

Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee.Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel,enAchthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!

Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee.

Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel,enAchthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!

Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.

De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.

Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.

Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.

Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel,enAchthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.

Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!

De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!

Hendrick Hudson in Hollands dienst.Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te ’s Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.

Hendrick Hudson in Hollands dienst.

Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te ’s Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.

Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te ’s Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.

Karakoelschapen.Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uitPerzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijlspogingenin het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara’sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.

Karakoelschapen.

Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uitPerzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijlspogingenin het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara’sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.

Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.

Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.

De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uitPerzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.

Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.

Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.

De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijlspogingenin het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.

Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.

Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.

De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara’sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.

De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.

In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.

Primitieve, maar toch omslachtige versiering.De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi’s, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; ’t moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.

Primitieve, maar toch omslachtige versiering.

De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi’s, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; ’t moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.

De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi’s, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.

Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.

Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; ’t moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.

Stroomop in den Amazonenstroom.De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika’s westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.

Stroomop in den Amazonenstroom.

De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika’s westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.

De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika’s westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.

De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.

Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.

De Saloeën.De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van ’t vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.

De Saloeën.

De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van ’t vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.

De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van ’t vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.

Op den Uitkijk.Kerbela, het tweede Mekka.Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali’s oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah’s dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali’s zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit de Illustration.)De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zichmet het wijde, witte gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe, hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt, de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held zal worden gevierd.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd, ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.Voor vreemdelingenverkeer op groote schaal aan het werk.Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het gouvernements-hotel aan hetKoningsplein, waar de gouverneur-generaal met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in ’t bezit vond van nog ruim ƒ29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag van ruim ƒ12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de door het gouvernement verleende subsidie van ƒ25,000 en uit bijdragen van particulieren, beloopende ƒ17,315. Het bestuur heeft zich per request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909 een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou de vereeniging zich aan ’t eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende den tijd datZ.H.E.G.als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,« en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren, zoo ook van het medebrengen van auto’s gedurende het bezoek op Java, alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken, zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden, die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van ƒ1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt, zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten, dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog een groote rol heeft te spelen.Reclameboekje voor de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.STADHUIS TE BROUWERSHAVENSTADHUIS TE BROUWERSHAVEN(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes, oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.Mikkelsen niet naar Nieuw-Guinea, maar naar de Noordpool.De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had, waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten zonder hen moesten terugkeeren.Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is dan Amundsen’s Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen’s plan in het begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd, en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen, zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal« echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland tusschen Spitsbergen en Groenland is.Reizen per ballon.De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben, van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken, dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen, om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die Zeppelin’s naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.

Op den Uitkijk.

Kerbela, het tweede Mekka.Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali’s oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah’s dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali’s zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit de Illustration.)De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zichmet het wijde, witte gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe, hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt, de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held zal worden gevierd.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd, ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.

Kerbela, het tweede Mekka.

Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali’s oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah’s dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali’s zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit de Illustration.)De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zichmet het wijde, witte gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe, hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt, de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held zal worden gevierd.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd, ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.

Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.

Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.

Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.

Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali’s oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah’s dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.

Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali’s zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.

De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.

De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit de Illustration.)De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)

De bloedige processie bij het Moharramfeest te Kerbela. (Naar een afbeelding uit deIllustration.)

Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zichmet het wijde, witte gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe, hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt, de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held zal worden gevierd.

Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.

Een karavaan van lijken die in Kerbela in gewijden grond begraven worden.

De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd, ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.

Voor vreemdelingenverkeer op groote schaal aan het werk.Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het gouvernements-hotel aan hetKoningsplein, waar de gouverneur-generaal met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in ’t bezit vond van nog ruim ƒ29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag van ruim ƒ12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de door het gouvernement verleende subsidie van ƒ25,000 en uit bijdragen van particulieren, beloopende ƒ17,315. Het bestuur heeft zich per request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909 een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou de vereeniging zich aan ’t eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende den tijd datZ.H.E.G.als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,« en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren, zoo ook van het medebrengen van auto’s gedurende het bezoek op Java, alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken, zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden, die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van ƒ1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt, zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten, dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog een groote rol heeft te spelen.

Voor vreemdelingenverkeer op groote schaal aan het werk.

Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het gouvernements-hotel aan hetKoningsplein, waar de gouverneur-generaal met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in ’t bezit vond van nog ruim ƒ29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag van ruim ƒ12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de door het gouvernement verleende subsidie van ƒ25,000 en uit bijdragen van particulieren, beloopende ƒ17,315. Het bestuur heeft zich per request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909 een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou de vereeniging zich aan ’t eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende den tijd datZ.H.E.G.als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,« en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren, zoo ook van het medebrengen van auto’s gedurende het bezoek op Java, alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken, zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden, die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van ƒ1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt, zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten, dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog een groote rol heeft te spelen.

Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het gouvernements-hotel aan hetKoningsplein, waar de gouverneur-generaal met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in ’t bezit vond van nog ruim ƒ29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag van ruim ƒ12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de door het gouvernement verleende subsidie van ƒ25,000 en uit bijdragen van particulieren, beloopende ƒ17,315. Het bestuur heeft zich per request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909 een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou de vereeniging zich aan ’t eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.

Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende den tijd datZ.H.E.G.als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.

Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,« en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren, zoo ook van het medebrengen van auto’s gedurende het bezoek op Java, alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken, zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden, die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.

Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van ƒ1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.

Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt, zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.

Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten, dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog een groote rol heeft te spelen.

Reclameboekje voor de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.STADHUIS TE BROUWERSHAVENSTADHUIS TE BROUWERSHAVEN(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes, oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.

Reclameboekje voor de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.

STADHUIS TE BROUWERSHAVENSTADHUIS TE BROUWERSHAVEN(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes, oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.

STADHUIS TE BROUWERSHAVENSTADHUIS TE BROUWERSHAVEN(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)

STADHUIS TE BROUWERSHAVEN

(Illustratie uit deGids der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij.)

De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.

Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes, oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.

Mikkelsen niet naar Nieuw-Guinea, maar naar de Noordpool.De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had, waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten zonder hen moesten terugkeeren.Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is dan Amundsen’s Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen’s plan in het begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd, en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen, zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal« echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland tusschen Spitsbergen en Groenland is.

Mikkelsen niet naar Nieuw-Guinea, maar naar de Noordpool.

De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had, waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten zonder hen moesten terugkeeren.Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is dan Amundsen’s Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen’s plan in het begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd, en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen, zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal« echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland tusschen Spitsbergen en Groenland is.

De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had, waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten zonder hen moesten terugkeeren.

Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is dan Amundsen’s Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen’s plan in het begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd, en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.

Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen, zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal« echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland tusschen Spitsbergen en Groenland is.

Reizen per ballon.De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben, van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken, dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen, om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die Zeppelin’s naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.

Reizen per ballon.

De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben, van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken, dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen, om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die Zeppelin’s naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.

De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben, van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken, dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen, om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die Zeppelin’s naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.


Back to IndexNext