Een bestijging van den Popocatepetl.

Op den Uitkijk.Een bestijging van den Popocatepetl.In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa’s omhoog.De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als ’s avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla’s en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.Aan den rand van den krater.Aan den rand van den krater.Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico’s aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.De afdaling.De afdaling.In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanischasch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heefttwee-en-een-halfuur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.Over den jongsten opstand op Samoa.Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16denJanuari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati’s welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5denFebruari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de “Leipzig”, de “Arcona”, de “Jagoear” en de “Titania”. Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1stenApril kon de commandant der “Leipzig” vice admiraal Coester, den zich op de “Titania” bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.Een nationaal park in Zwitserland.Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.Een Nederlandsch volksvertegenwoordiger aan den dood ontsnapt.De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in ’t begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in deJava-Bodeals volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26stenAugustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling ’s nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat ’t van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog,steiluit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur ’s middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29stenAugustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28stenAugustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.Den 29stenAugustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men ’s middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.Den 30stenAugustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2denSeptember de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1stenop den 2denSeptember gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.Intusschen is de wd. gezaghebber den 29stenAugustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkigook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3denSeptember een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6denSeptember in den middag aankwam.Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7denSeptember naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.Den 9denSeptember vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11denaankwam.Bescheidenheid en aanmatiging.De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.Op den Uitkijk.Bij ’t plaatje van den Poolwedloop.Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni’s handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.De wedloop naar de Pool.De wedloop naar de Pool.Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80stenparallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.Hoogterecords in den Himalaya.Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31stengraad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting,W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg.Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.De hertog der Abruzzen terug.Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.Nog maar eens de Doorwerth.We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.De heer Muller schrijft o.a.:»Kent gij Gustave Doré’s afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.De Duitsch-Oostenrijksche Alpenvereeniging.Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19deeeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.Een Harzreis.In de serie van Brusse’s reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.Steinerne Renne.Steinerne Renne.Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.Door de lucht naar den Gemmitop.Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation vanhetelectrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. Devoltooiingvan het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.In het Ilse-dal.In het Ilse-dal.Geluk of ongeluk door tweelingen.In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena’s, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri’s als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.Bestijging van den Brocken in den winter.Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer ’s avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.Op marsch.Op marsch.Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa’s op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.Het Forsthaus Oderbrück.Het Forsthaus Oderbrück.Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid vande kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.Brockenfeld met den Brocken.Brockenfeld met den Brocken.Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d’hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.De zoekende mensch.De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.Dame-bergbestijgster in Noord-Peru.Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«R. Parkinson gestorven.Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24stenJuli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.Weer een Engelsche Zuidpoolexpeditie.Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton’s onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton’s tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.Edam, Volendam, Marken.Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken”, samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voorlecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.Schedelvereering.Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.R. 3–XI–’09.Sn.

Op den Uitkijk.Een bestijging van den Popocatepetl.In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa’s omhoog.De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als ’s avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla’s en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.Aan den rand van den krater.Aan den rand van den krater.Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico’s aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.De afdaling.De afdaling.In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanischasch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heefttwee-en-een-halfuur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.Over den jongsten opstand op Samoa.Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16denJanuari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati’s welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5denFebruari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de “Leipzig”, de “Arcona”, de “Jagoear” en de “Titania”. Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1stenApril kon de commandant der “Leipzig” vice admiraal Coester, den zich op de “Titania” bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.Een nationaal park in Zwitserland.Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.Een Nederlandsch volksvertegenwoordiger aan den dood ontsnapt.De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in ’t begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in deJava-Bodeals volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26stenAugustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling ’s nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat ’t van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog,steiluit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur ’s middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29stenAugustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28stenAugustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.Den 29stenAugustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men ’s middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.Den 30stenAugustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2denSeptember de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1stenop den 2denSeptember gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.Intusschen is de wd. gezaghebber den 29stenAugustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkigook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3denSeptember een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6denSeptember in den middag aankwam.Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7denSeptember naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.Den 9denSeptember vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11denaankwam.Bescheidenheid en aanmatiging.De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.

Op den Uitkijk.

Een bestijging van den Popocatepetl.In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa’s omhoog.De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als ’s avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla’s en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.Aan den rand van den krater.Aan den rand van den krater.Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico’s aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.De afdaling.De afdaling.In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanischasch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heefttwee-en-een-halfuur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.

Een bestijging van den Popocatepetl.

In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa’s omhoog.De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als ’s avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla’s en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.Aan den rand van den krater.Aan den rand van den krater.Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico’s aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.De afdaling.De afdaling.In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanischasch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heefttwee-en-een-halfuur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.

In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.

Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa’s omhoog.

De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als ’s avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.

De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla’s en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.

Aan den rand van den krater.Aan den rand van den krater.

Aan den rand van den krater.

Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico’s aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.

De afdaling.De afdaling.

De afdaling.

In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanischasch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.

Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heefttwee-en-een-halfuur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.

De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.

Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.

Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.

Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.

Over den jongsten opstand op Samoa.Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16denJanuari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati’s welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5denFebruari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de “Leipzig”, de “Arcona”, de “Jagoear” en de “Titania”. Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1stenApril kon de commandant der “Leipzig” vice admiraal Coester, den zich op de “Titania” bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.

Over den jongsten opstand op Samoa.

Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16denJanuari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati’s welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5denFebruari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de “Leipzig”, de “Arcona”, de “Jagoear” en de “Titania”. Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1stenApril kon de commandant der “Leipzig” vice admiraal Coester, den zich op de “Titania” bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.

Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.

Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.

Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.

Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.

Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16denJanuari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.

Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.

Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati’s welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5denFebruari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de “Leipzig”, de “Arcona”, de “Jagoear” en de “Titania”. Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.

Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1stenApril kon de commandant der “Leipzig” vice admiraal Coester, den zich op de “Titania” bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.

Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.

Een nationaal park in Zwitserland.Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.

Een nationaal park in Zwitserland.

Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.

Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.

Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.

De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.

Een Nederlandsch volksvertegenwoordiger aan den dood ontsnapt.De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in ’t begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in deJava-Bodeals volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26stenAugustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling ’s nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat ’t van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog,steiluit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur ’s middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29stenAugustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28stenAugustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.Den 29stenAugustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men ’s middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.Den 30stenAugustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2denSeptember de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1stenop den 2denSeptember gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.Intusschen is de wd. gezaghebber den 29stenAugustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkigook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3denSeptember een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6denSeptember in den middag aankwam.Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7denSeptember naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.Den 9denSeptember vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11denaankwam.

Een Nederlandsch volksvertegenwoordiger aan den dood ontsnapt.

De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in ’t begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in deJava-Bodeals volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26stenAugustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling ’s nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat ’t van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog,steiluit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur ’s middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29stenAugustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28stenAugustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.Den 29stenAugustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men ’s middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.Den 30stenAugustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2denSeptember de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1stenop den 2denSeptember gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.Intusschen is de wd. gezaghebber den 29stenAugustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkigook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3denSeptember een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6denSeptember in den middag aankwam.Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7denSeptember naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.Den 9denSeptember vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11denaankwam.

De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in ’t begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.

Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in deJava-Bodeals volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26stenAugustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.

De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling ’s nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.

Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat ’t van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.

Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog,steiluit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.

Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.

Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur ’s middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.

Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.

Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29stenAugustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28stenAugustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.

Den 29stenAugustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men ’s middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.

Den 30stenAugustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2denSeptember de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.

Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1stenop den 2denSeptember gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.

Intusschen is de wd. gezaghebber den 29stenAugustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.

Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkigook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.

Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.

Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3denSeptember een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6denSeptember in den middag aankwam.

Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7denSeptember naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.

Den 9denSeptember vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11denaankwam.

Bescheidenheid en aanmatiging.De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.

Bescheidenheid en aanmatiging.

De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.

De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.

Op den Uitkijk.Bij ’t plaatje van den Poolwedloop.Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni’s handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.De wedloop naar de Pool.De wedloop naar de Pool.Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80stenparallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.Hoogterecords in den Himalaya.Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31stengraad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting,W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg.Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.De hertog der Abruzzen terug.Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.Nog maar eens de Doorwerth.We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.De heer Muller schrijft o.a.:»Kent gij Gustave Doré’s afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.De Duitsch-Oostenrijksche Alpenvereeniging.Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19deeeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.Een Harzreis.In de serie van Brusse’s reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.Steinerne Renne.Steinerne Renne.Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.Door de lucht naar den Gemmitop.Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation vanhetelectrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. Devoltooiingvan het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.In het Ilse-dal.In het Ilse-dal.Geluk of ongeluk door tweelingen.In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena’s, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri’s als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.Bestijging van den Brocken in den winter.Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer ’s avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.Op marsch.Op marsch.Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa’s op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.Het Forsthaus Oderbrück.Het Forsthaus Oderbrück.Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid vande kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.Brockenfeld met den Brocken.Brockenfeld met den Brocken.Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d’hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.De zoekende mensch.De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.Dame-bergbestijgster in Noord-Peru.Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«R. Parkinson gestorven.Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24stenJuli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.Weer een Engelsche Zuidpoolexpeditie.Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton’s onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton’s tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.Edam, Volendam, Marken.Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken”, samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voorlecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.Schedelvereering.Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.R. 3–XI–’09.Sn.

Op den Uitkijk.

Bij ’t plaatje van den Poolwedloop.Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni’s handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.De wedloop naar de Pool.De wedloop naar de Pool.Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80stenparallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.

Bij ’t plaatje van den Poolwedloop.

Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni’s handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.De wedloop naar de Pool.De wedloop naar de Pool.Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80stenparallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.

Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!

Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.

Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.

Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni’s handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.

De wedloop naar de Pool.De wedloop naar de Pool.

De wedloop naar de Pool.

Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.

Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.

Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.

Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.

Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.

Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.

Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.

Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80stenparallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.

Hoogterecords in den Himalaya.Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31stengraad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting,W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg.Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.

Hoogterecords in den Himalaya.

Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31stengraad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting,W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg.Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.

Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.

Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.

Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31stengraad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting,W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.

Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.

In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.

Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg.Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.

Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.

De hertog der Abruzzen terug.Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.

De hertog der Abruzzen terug.

Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.

Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.

In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.

Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.

Nog maar eens de Doorwerth.We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.De heer Muller schrijft o.a.:»Kent gij Gustave Doré’s afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.

Nog maar eens de Doorwerth.

We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.De heer Muller schrijft o.a.:»Kent gij Gustave Doré’s afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.

We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!

Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.

De heer Muller schrijft o.a.:

»Kent gij Gustave Doré’s afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.

Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.

Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.

De Duitsch-Oostenrijksche Alpenvereeniging.Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19deeeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.

De Duitsch-Oostenrijksche Alpenvereeniging.

Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19deeeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.

Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19deeeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.

In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.

Een Harzreis.In de serie van Brusse’s reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.Steinerne Renne.Steinerne Renne.Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.

Een Harzreis.

In de serie van Brusse’s reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.Steinerne Renne.Steinerne Renne.Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.

In de serie van Brusse’s reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.

Steinerne Renne.Steinerne Renne.

Steinerne Renne.

Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.

Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.

Door de lucht naar den Gemmitop.Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation vanhetelectrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. Devoltooiingvan het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.In het Ilse-dal.In het Ilse-dal.

Door de lucht naar den Gemmitop.

Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation vanhetelectrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. Devoltooiingvan het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.In het Ilse-dal.In het Ilse-dal.

Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.

Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.

De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation vanhetelectrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.

De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. Devoltooiingvan het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.

In het Ilse-dal.In het Ilse-dal.

In het Ilse-dal.

Geluk of ongeluk door tweelingen.In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena’s, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri’s als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.

Geluk of ongeluk door tweelingen.

In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena’s, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri’s als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.

In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena’s, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri’s als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.

Bestijging van den Brocken in den winter.Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer ’s avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.Op marsch.Op marsch.Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa’s op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.Het Forsthaus Oderbrück.Het Forsthaus Oderbrück.Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid vande kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.Brockenfeld met den Brocken.Brockenfeld met den Brocken.Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d’hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.

Bestijging van den Brocken in den winter.

Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer ’s avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.Op marsch.Op marsch.Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa’s op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.Het Forsthaus Oderbrück.Het Forsthaus Oderbrück.Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid vande kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.Brockenfeld met den Brocken.Brockenfeld met den Brocken.Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d’hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.

Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer ’s avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.

In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.

In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.

Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.

Op marsch.Op marsch.

Op marsch.

Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa’s op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.

Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.

De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.

Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.

En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.

We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.

Het Forsthaus Oderbrück.Het Forsthaus Oderbrück.

Het Forsthaus Oderbrück.

Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.

Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid vande kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.

Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.

Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.

Brockenfeld met den Brocken.Brockenfeld met den Brocken.

Brockenfeld met den Brocken.

Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.

Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d’hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!

Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.

Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.

De zoekende mensch.De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.

De zoekende mensch.

De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.

De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.

Dame-bergbestijgster in Noord-Peru.Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«

Dame-bergbestijgster in Noord-Peru.

Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«

Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.

De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.

Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«

R. Parkinson gestorven.Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24stenJuli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.

R. Parkinson gestorven.

Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24stenJuli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.

Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24stenJuli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.

Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.

Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.

»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.

Weer een Engelsche Zuidpoolexpeditie.Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton’s onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton’s tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.

Weer een Engelsche Zuidpoolexpeditie.

Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton’s onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton’s tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.

Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton’s onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton’s tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.

Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.

De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.

Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.

Edam, Volendam, Marken.Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken”, samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voorlecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.

Edam, Volendam, Marken.

Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken”, samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voorlecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.

Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.

Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken”, samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.

Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.

Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voorlecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.

Schedelvereering.Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.R. 3–XI–’09.Sn.

Schedelvereering.

Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.R. 3–XI–’09.Sn.

Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.

R. 3–XI–’09.

Sn.


Back to IndexNext