Gedenkteeken J. E. Tehupeiory.

Op den Uitkijk.Gedenkteeken J. E. Tehupeiory.Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon’s sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië’s toekomst.Het Rif en de Rifioten.De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina’s bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya’s, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een grootehalve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan desteilehellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.MelillaMelillaDe bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten teverschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!Nova Zembla een drievoud.Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla’s Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-’84 met het scheepje deWillem Barentsondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van deWillem Barentsjuist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van deWillem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!De Hohnsteinrotsen.Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.De Ottofels in den Harz.De Ottofels in den Harz.Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.Spitsbergen-expedities weer thuis.De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10denSeptember met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.Half September is ook Bruce’s expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.Landbouwtentoonstelling te Buenos Aires.De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.Boeken en lezers.In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.Op den Uitkijk.Bij een paar Spreewaldkiekjes.Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.Meisjes uit het Spreewald.Meisjes uit het Spreewald.Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo’n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.Middagrust bij het hooien.Middagrust bij het hooien.Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.De telegrafen der natuurvolken.In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18deeeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschapte treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.Herleving van de markt te Nischni Nowgorod.De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak, namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten, die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië, was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten, dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.Op de markt te Nischni.Op de markt te Nischni.En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten, die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest; de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda’s de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden, reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van allerlei aard.Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen, waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur, twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer, als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken zijn gedaan.Opkomst van een stad in Schotland.De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er zich vestigen.Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten, die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken, van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar twaalf turbines voeren.Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele plotseling zijn ontstaan.Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.Tegenstrijdige relatie.X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan den eenen kant zijn ze bevriend met elkander—aan den anderen zijn ze bloedverwanten.

Op den Uitkijk.Gedenkteeken J. E. Tehupeiory.Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon’s sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië’s toekomst.Het Rif en de Rifioten.De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina’s bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya’s, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een grootehalve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan desteilehellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.MelillaMelillaDe bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten teverschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!Nova Zembla een drievoud.Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla’s Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-’84 met het scheepje deWillem Barentsondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van deWillem Barentsjuist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van deWillem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!De Hohnsteinrotsen.Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.De Ottofels in den Harz.De Ottofels in den Harz.Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.Spitsbergen-expedities weer thuis.De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10denSeptember met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.Half September is ook Bruce’s expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.Landbouwtentoonstelling te Buenos Aires.De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.Boeken en lezers.In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.

Op den Uitkijk.

Gedenkteeken J. E. Tehupeiory.Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon’s sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië’s toekomst.

Gedenkteeken J. E. Tehupeiory.

Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon’s sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië’s toekomst.

Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.

Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.

Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)

Het gedenkteeken op het graf van J. E. Tehupeiory. (Atelier Holm, Utrecht, phot.)

Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:

“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.

“Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.

Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde’s toekomst”.

De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon’s sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.

De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.

Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië’s toekomst.

Het Rif en de Rifioten.De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina’s bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya’s, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een grootehalve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan desteilehellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.MelillaMelillaDe bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten teverschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!

Het Rif en de Rifioten.

De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina’s bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya’s, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een grootehalve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan desteilehellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.MelillaMelillaDe bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten teverschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!

De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina’s bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.

Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.

Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya’s, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.

Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een grootehalve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan desteilehellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.

MelillaMelilla

Melilla

De bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.

Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.

De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.

De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten teverschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.

Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.

Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.

Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!

Nova Zembla een drievoud.Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla’s Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-’84 met het scheepje deWillem Barentsondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van deWillem Barentsjuist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van deWillem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!

Nova Zembla een drievoud.

Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla’s Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-’84 met het scheepje deWillem Barentsondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van deWillem Barentsjuist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van deWillem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!

Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla’s Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.

Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.

Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.

De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-’84 met het scheepje deWillem Barentsondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.

En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van deWillem Barentsjuist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.

Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van deWillem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!

De Hohnsteinrotsen.Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.De Ottofels in den Harz.De Ottofels in den Harz.Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.

De Hohnsteinrotsen.

Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.De Ottofels in den Harz.De Ottofels in den Harz.Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.

Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.

De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.

In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.

De Ottofels in den Harz.De Ottofels in den Harz.

De Ottofels in den Harz.

Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.

Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.

Spitsbergen-expedities weer thuis.De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10denSeptember met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.Half September is ook Bruce’s expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.

Spitsbergen-expedities weer thuis.

De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10denSeptember met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.Half September is ook Bruce’s expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.

De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10denSeptember met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.

Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.

Half September is ook Bruce’s expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.

Landbouwtentoonstelling te Buenos Aires.De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.

Landbouwtentoonstelling te Buenos Aires.

De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.

De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.

Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.

Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.

Boeken en lezers.In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.

Boeken en lezers.

In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.

In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.

Op den Uitkijk.Bij een paar Spreewaldkiekjes.Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.Meisjes uit het Spreewald.Meisjes uit het Spreewald.Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo’n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.Middagrust bij het hooien.Middagrust bij het hooien.Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.De telegrafen der natuurvolken.In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18deeeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschapte treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.Herleving van de markt te Nischni Nowgorod.De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak, namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten, die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië, was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten, dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.Op de markt te Nischni.Op de markt te Nischni.En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten, die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest; de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda’s de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden, reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van allerlei aard.Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen, waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur, twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer, als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken zijn gedaan.Opkomst van een stad in Schotland.De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er zich vestigen.Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten, die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken, van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar twaalf turbines voeren.Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele plotseling zijn ontstaan.Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.Tegenstrijdige relatie.X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan den eenen kant zijn ze bevriend met elkander—aan den anderen zijn ze bloedverwanten.

Op den Uitkijk.

Bij een paar Spreewaldkiekjes.Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.Meisjes uit het Spreewald.Meisjes uit het Spreewald.Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo’n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.Middagrust bij het hooien.Middagrust bij het hooien.Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.

Bij een paar Spreewaldkiekjes.

Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.Meisjes uit het Spreewald.Meisjes uit het Spreewald.Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo’n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.Middagrust bij het hooien.Middagrust bij het hooien.Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.

Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!

De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.

De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.

Meisjes uit het Spreewald.Meisjes uit het Spreewald.

Meisjes uit het Spreewald.

Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.

Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo’n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.

Middagrust bij het hooien.Middagrust bij het hooien.

Middagrust bij het hooien.

Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.

De telegrafen der natuurvolken.In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18deeeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschapte treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.

De telegrafen der natuurvolken.

In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18deeeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschapte treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.

In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.

De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18deeeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.

Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschapte treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.

Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.

En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.

Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.

Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.

Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.

Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.

Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.

Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.

Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.

De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.

Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.

De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.

De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.

Herleving van de markt te Nischni Nowgorod.De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak, namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten, die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië, was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten, dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.Op de markt te Nischni.Op de markt te Nischni.En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten, die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest; de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda’s de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden, reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van allerlei aard.Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen, waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur, twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer, als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken zijn gedaan.

Herleving van de markt te Nischni Nowgorod.

De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak, namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten, die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië, was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten, dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.Op de markt te Nischni.Op de markt te Nischni.En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten, die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest; de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda’s de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden, reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van allerlei aard.Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen, waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur, twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer, als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken zijn gedaan.

De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak, namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten, die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië, was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.

De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten, dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.

Op de markt te Nischni.Op de markt te Nischni.

Op de markt te Nischni.

En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten, die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest; de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda’s de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden, reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van allerlei aard.

Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen, waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur, twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer, als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken zijn gedaan.

Opkomst van een stad in Schotland.De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er zich vestigen.Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten, die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken, van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar twaalf turbines voeren.Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele plotseling zijn ontstaan.Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.

Opkomst van een stad in Schotland.

De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er zich vestigen.Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten, die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken, van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar twaalf turbines voeren.Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele plotseling zijn ontstaan.Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.

De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er zich vestigen.

Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten, die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.

De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.

Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken, van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar twaalf turbines voeren.

Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele plotseling zijn ontstaan.

Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.

Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.

Tegenstrijdige relatie.X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan den eenen kant zijn ze bevriend met elkander—aan den anderen zijn ze bloedverwanten.

Tegenstrijdige relatie.

X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan den eenen kant zijn ze bevriend met elkander—aan den anderen zijn ze bloedverwanten.

X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan den eenen kant zijn ze bevriend met elkander—aan den anderen zijn ze bloedverwanten.


Back to IndexNext