Op den Uitkijk.Padvinder voor Roosevelt.Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen, dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het amerikaansche blad, de Collier’s Weekly het idee, den beroemden reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt door zijn foto’s van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek “Nature and Photography.” Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen, en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men kon het niet eens worden.Doch daarmee nam de eigenliefde van “Collier’s” geen genoegen. De lezers hadden gehoopt op sensationeele foto’s; het blad was hun die schuldig, en ze zouden ze hebben.Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van “Teddy” noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven, alles, waar ze prijs op stelden.De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om gelijktijdig met Collier’s Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk van Roosevelt’s voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of, eerder, van deze handigheid bericht krijgt.Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel, om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden; hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi, waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten, met bewondering te zien hoe langs den spoorweg vanMombassa naar Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van verschillende soorten, zebra’s, antilopen, struisvogels liepen aan beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er klinkt een kreet in den waggon: “Een giraffe!” en men dringt naar de ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt, “het beeld der gratie,” zooals de schrijver zegt. Het was haast te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte, en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit dien tuin. Mooie foto’s kon hij nemen van gazellen en antilopen, beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken, als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval ging wagen.Roosevelt’s gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe, en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en Kaïro te reizen.Centrale verkoeling.We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de benedenruimten het water verwarmt.Maar centrale verkoeling!Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een »Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven door een afkoeling van de lucht in het groot.En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren, die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden, waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht door ammoniakmachines.Een oude badplaatsverordening.Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden, nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar 1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor menschen met besmettelijke ziekten.De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur ’s middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten, opdat de “ketelknecht” het water kon laten afloopen, de baden weer vullen en de kamertjes schoonmaken kon.Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad, werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde, kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden getuchtigd.Engeland en Duitschland in Duitsch Zuidwest-Afrika.Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de Lüderitzbaai en ’t plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is, op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche Pomona-syndicaat.Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen land er rond omheen.Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht« in Windhoek moeten komen.Kennis.Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.Nieuwe haven aan de Roode Zee.Kaartje van de Roode Zee.De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«: »Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen bereikbaar langs den Nijl, of—de Nijlbocht afkortend,—door de woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«Het genot van den Javaan.Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.Wat te doen, om de luiheid der Philippino’s tegen te gaan?De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro’s van de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoobevredigendewijze opgelost?Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of alsplantage-arbeidersin dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino’s tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino’s aanschouwingsonderwijs te geven?De scheepvaart tusschen het meer van Genève en Lyon.De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.Te dien einde spreekt men van het in ’t leven roepen tusschen Seyssel en Fort l’Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l’Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.In en om Amersfoort.Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht deverzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.Ingang van het bosch van Birkhoven.Ingang van het bosch van Birkhoven.Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune,waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d’adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijndoor keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.In den omtrek van Amersfoort.In den omtrek van Amersfoort.Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoedNimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.De Koppelpoort te Amersfoort.De Koppelpoort te Amersfoort.Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop ’s middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook deKoppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helftvan de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.Het bosch.De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.Op den Uitkijk.De Ezel in het Zuiden.Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.Maar is de ezel werkelijk zoo’n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.Egyptische ezel.Egyptische ezel.Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem ’s morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.Melkezelinnen in Madrid.Melkezelinnen in Madrid.Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje’s hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van hetjaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17deJanuari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.Een deftige ezel.Een deftige ezel.Invoering van bijen op het eiland Saipan.De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31stenDecember bracht hij ons op zijn “Paula” vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2denMaart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5denMaart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reedsbekendgeworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.Kunst en publiek.De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.Een en ander over Shackleton’s expeditie.Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5denMaart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7denMaart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9denwerd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10denbereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11denwas men weer bij Kaap Royds.Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. BijKaapRoyds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aanmicroscopischedieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14denJuni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22stenSeptember tot den 13denOctober 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7denNovember keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13denNovember werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28stenNovember werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30stenNovember moest ook het derde paard zijn leven laten.Den 2denDecember trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5denDecember verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6denDecember maar 550 meter verder kwam. Den 7denverloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8stenDecember begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18denduurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26stenDecember stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.Van den 7dentot den 9denJanuari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9denwerd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27stenwas Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4denFebruari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.Erratum.Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.Zigeuners in Zevenburgen.De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.Zigeuner-type.Zigeuner-type.Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.Hier is een voorbeeld:Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.Ketellappers.Ketellappers.De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze,»maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«Zigeuner-type.Zigeuner-type.Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!)Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.Dr. J. D. E. Schmeltz.Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.Dr. J. D. E. Schmeltz.Dr.J. D. E. Schmeltz.Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het “Internationales Archiv für Ethnographie.”Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.Meer steenkolen in Nederland.De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau’s en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.Liever Pruis dan Oldenburger!Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.Wandelen om de wereld.Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.Georg von Neumayer overleden.Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk “Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen”, dat eenige malen herdrukt is.Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1stenJan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.Zijn 80stegeboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.Mei 1909 en andere mooie maanden.De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.Nu lezen wij juist voor Juli 1900: “Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli.” Maar tegen het eind van de maand: »’t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur.” Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11denin die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op ’t oogenblik en ’t is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; ’t is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16denAugustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«,den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«,den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.
Op den Uitkijk.Padvinder voor Roosevelt.Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen, dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het amerikaansche blad, de Collier’s Weekly het idee, den beroemden reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt door zijn foto’s van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek “Nature and Photography.” Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen, en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men kon het niet eens worden.Doch daarmee nam de eigenliefde van “Collier’s” geen genoegen. De lezers hadden gehoopt op sensationeele foto’s; het blad was hun die schuldig, en ze zouden ze hebben.Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van “Teddy” noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven, alles, waar ze prijs op stelden.De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om gelijktijdig met Collier’s Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk van Roosevelt’s voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of, eerder, van deze handigheid bericht krijgt.Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel, om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden; hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi, waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten, met bewondering te zien hoe langs den spoorweg vanMombassa naar Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van verschillende soorten, zebra’s, antilopen, struisvogels liepen aan beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er klinkt een kreet in den waggon: “Een giraffe!” en men dringt naar de ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt, “het beeld der gratie,” zooals de schrijver zegt. Het was haast te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte, en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit dien tuin. Mooie foto’s kon hij nemen van gazellen en antilopen, beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken, als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval ging wagen.Roosevelt’s gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe, en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en Kaïro te reizen.Centrale verkoeling.We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de benedenruimten het water verwarmt.Maar centrale verkoeling!Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een »Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven door een afkoeling van de lucht in het groot.En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren, die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden, waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht door ammoniakmachines.Een oude badplaatsverordening.Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden, nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar 1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor menschen met besmettelijke ziekten.De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur ’s middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten, opdat de “ketelknecht” het water kon laten afloopen, de baden weer vullen en de kamertjes schoonmaken kon.Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad, werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde, kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden getuchtigd.Engeland en Duitschland in Duitsch Zuidwest-Afrika.Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de Lüderitzbaai en ’t plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is, op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche Pomona-syndicaat.Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen land er rond omheen.Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht« in Windhoek moeten komen.Kennis.Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.Nieuwe haven aan de Roode Zee.Kaartje van de Roode Zee.De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«: »Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen bereikbaar langs den Nijl, of—de Nijlbocht afkortend,—door de woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«Het genot van den Javaan.Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.Wat te doen, om de luiheid der Philippino’s tegen te gaan?De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro’s van de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoobevredigendewijze opgelost?Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of alsplantage-arbeidersin dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino’s tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino’s aanschouwingsonderwijs te geven?De scheepvaart tusschen het meer van Genève en Lyon.De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.Te dien einde spreekt men van het in ’t leven roepen tusschen Seyssel en Fort l’Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l’Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.In en om Amersfoort.Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht deverzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.Ingang van het bosch van Birkhoven.Ingang van het bosch van Birkhoven.Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune,waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d’adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijndoor keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.In den omtrek van Amersfoort.In den omtrek van Amersfoort.Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoedNimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.De Koppelpoort te Amersfoort.De Koppelpoort te Amersfoort.Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop ’s middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook deKoppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helftvan de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.Het bosch.De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.
Op den Uitkijk.
Padvinder voor Roosevelt.Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen, dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het amerikaansche blad, de Collier’s Weekly het idee, den beroemden reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt door zijn foto’s van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek “Nature and Photography.” Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen, en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men kon het niet eens worden.Doch daarmee nam de eigenliefde van “Collier’s” geen genoegen. De lezers hadden gehoopt op sensationeele foto’s; het blad was hun die schuldig, en ze zouden ze hebben.Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van “Teddy” noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven, alles, waar ze prijs op stelden.De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om gelijktijdig met Collier’s Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk van Roosevelt’s voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of, eerder, van deze handigheid bericht krijgt.Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel, om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden; hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi, waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten, met bewondering te zien hoe langs den spoorweg vanMombassa naar Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van verschillende soorten, zebra’s, antilopen, struisvogels liepen aan beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er klinkt een kreet in den waggon: “Een giraffe!” en men dringt naar de ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt, “het beeld der gratie,” zooals de schrijver zegt. Het was haast te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte, en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit dien tuin. Mooie foto’s kon hij nemen van gazellen en antilopen, beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken, als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval ging wagen.Roosevelt’s gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe, en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en Kaïro te reizen.
Padvinder voor Roosevelt.
Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen, dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het amerikaansche blad, de Collier’s Weekly het idee, den beroemden reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt door zijn foto’s van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek “Nature and Photography.” Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen, en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men kon het niet eens worden.Doch daarmee nam de eigenliefde van “Collier’s” geen genoegen. De lezers hadden gehoopt op sensationeele foto’s; het blad was hun die schuldig, en ze zouden ze hebben.Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van “Teddy” noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven, alles, waar ze prijs op stelden.De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om gelijktijdig met Collier’s Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk van Roosevelt’s voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of, eerder, van deze handigheid bericht krijgt.Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel, om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden; hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi, waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten, met bewondering te zien hoe langs den spoorweg vanMombassa naar Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van verschillende soorten, zebra’s, antilopen, struisvogels liepen aan beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er klinkt een kreet in den waggon: “Een giraffe!” en men dringt naar de ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt, “het beeld der gratie,” zooals de schrijver zegt. Het was haast te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte, en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit dien tuin. Mooie foto’s kon hij nemen van gazellen en antilopen, beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken, als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval ging wagen.Roosevelt’s gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe, en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en Kaïro te reizen.
Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen, dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het amerikaansche blad, de Collier’s Weekly het idee, den beroemden reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt door zijn foto’s van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek “Nature and Photography.” Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen, en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men kon het niet eens worden.
Doch daarmee nam de eigenliefde van “Collier’s” geen genoegen. De lezers hadden gehoopt op sensationeele foto’s; het blad was hun die schuldig, en ze zouden ze hebben.
Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van “Teddy” noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.
Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven, alles, waar ze prijs op stelden.
De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om gelijktijdig met Collier’s Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk van Roosevelt’s voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of, eerder, van deze handigheid bericht krijgt.
Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel, om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.
De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.
De fotograaf in doodsgevaar. Rhinocerossen op het punt tot den aanval over te gaan.
Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden; hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi, waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.
Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten, met bewondering te zien hoe langs den spoorweg vanMombassa naar Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van verschillende soorten, zebra’s, antilopen, struisvogels liepen aan beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er klinkt een kreet in den waggon: “Een giraffe!” en men dringt naar de ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt, “het beeld der gratie,” zooals de schrijver zegt. Het was haast te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte, en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.
Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.
Antilopen verschrikt door de tegenwoordigheid van de camera.
Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit dien tuin. Mooie foto’s kon hij nemen van gazellen en antilopen, beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken, als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval ging wagen.
Roosevelt’s gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe, en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en Kaïro te reizen.
Centrale verkoeling.We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de benedenruimten het water verwarmt.Maar centrale verkoeling!Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een »Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven door een afkoeling van de lucht in het groot.En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren, die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden, waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht door ammoniakmachines.
Centrale verkoeling.
We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de benedenruimten het water verwarmt.Maar centrale verkoeling!Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een »Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven door een afkoeling van de lucht in het groot.En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren, die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden, waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht door ammoniakmachines.
We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de benedenruimten het water verwarmt.
Maar centrale verkoeling!
Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een »Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven door een afkoeling van de lucht in het groot.
En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren, die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden, waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht door ammoniakmachines.
Een oude badplaatsverordening.Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden, nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar 1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor menschen met besmettelijke ziekten.De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur ’s middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten, opdat de “ketelknecht” het water kon laten afloopen, de baden weer vullen en de kamertjes schoonmaken kon.Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad, werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde, kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden getuchtigd.
Een oude badplaatsverordening.
Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden, nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar 1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor menschen met besmettelijke ziekten.De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur ’s middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten, opdat de “ketelknecht” het water kon laten afloopen, de baden weer vullen en de kamertjes schoonmaken kon.Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad, werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde, kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden getuchtigd.
Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden, nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar 1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.
Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor menschen met besmettelijke ziekten.
De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur ’s middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten, opdat de “ketelknecht” het water kon laten afloopen, de baden weer vullen en de kamertjes schoonmaken kon.
Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad, werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.
Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde, kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden getuchtigd.
Engeland en Duitschland in Duitsch Zuidwest-Afrika.Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de Lüderitzbaai en ’t plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is, op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche Pomona-syndicaat.Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen land er rond omheen.Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht« in Windhoek moeten komen.
Engeland en Duitschland in Duitsch Zuidwest-Afrika.
Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de Lüderitzbaai en ’t plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is, op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche Pomona-syndicaat.Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen land er rond omheen.Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht« in Windhoek moeten komen.
Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de Lüderitzbaai en ’t plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is, op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche Pomona-syndicaat.
Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen land er rond omheen.
Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht« in Windhoek moeten komen.
Kennis.Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.
Kennis.
Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.
Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.
Nieuwe haven aan de Roode Zee.Kaartje van de Roode Zee.De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«: »Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen bereikbaar langs den Nijl, of—de Nijlbocht afkortend,—door de woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«
Nieuwe haven aan de Roode Zee.
Kaartje van de Roode Zee.De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«: »Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen bereikbaar langs den Nijl, of—de Nijlbocht afkortend,—door de woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«
Kaartje van de Roode Zee.
De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.
Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«: »Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen bereikbaar langs den Nijl, of—de Nijlbocht afkortend,—door de woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«
Het genot van den Javaan.Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.
Het genot van den Javaan.
Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.
Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.
Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.
Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.
Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?
Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.
Wat te doen, om de luiheid der Philippino’s tegen te gaan?De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro’s van de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoobevredigendewijze opgelost?Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of alsplantage-arbeidersin dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino’s tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino’s aanschouwingsonderwijs te geven?
Wat te doen, om de luiheid der Philippino’s tegen te gaan?
De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro’s van de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoobevredigendewijze opgelost?Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of alsplantage-arbeidersin dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino’s tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino’s aanschouwingsonderwijs te geven?
De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro’s van de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.
En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.
Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoobevredigendewijze opgelost?
Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of alsplantage-arbeidersin dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.
Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino’s tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino’s aanschouwingsonderwijs te geven?
De scheepvaart tusschen het meer van Genève en Lyon.De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.Te dien einde spreekt men van het in ’t leven roepen tusschen Seyssel en Fort l’Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l’Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.
De scheepvaart tusschen het meer van Genève en Lyon.
De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.Te dien einde spreekt men van het in ’t leven roepen tusschen Seyssel en Fort l’Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l’Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.
De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.
Te dien einde spreekt men van het in ’t leven roepen tusschen Seyssel en Fort l’Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.
Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l’Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.
Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.
In en om Amersfoort.Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht deverzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.Ingang van het bosch van Birkhoven.Ingang van het bosch van Birkhoven.Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune,waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d’adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijndoor keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.In den omtrek van Amersfoort.In den omtrek van Amersfoort.Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoedNimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.De Koppelpoort te Amersfoort.De Koppelpoort te Amersfoort.Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop ’s middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook deKoppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helftvan de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.
In en om Amersfoort.
Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht deverzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.Ingang van het bosch van Birkhoven.Ingang van het bosch van Birkhoven.Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune,waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d’adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijndoor keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.In den omtrek van Amersfoort.In den omtrek van Amersfoort.Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoedNimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.De Koppelpoort te Amersfoort.De Koppelpoort te Amersfoort.Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop ’s middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook deKoppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helftvan de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.
Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.
In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht deverzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.
Ingang van het bosch van Birkhoven.Ingang van het bosch van Birkhoven.
Ingang van het bosch van Birkhoven.
Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.
In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.
Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.
Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.
Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune,waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d’adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.
De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.
De japansche boschjes van Birkhoven bij Amersfoort.
Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.
De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijndoor keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.
In den omtrek van Amersfoort.In den omtrek van Amersfoort.
In den omtrek van Amersfoort.
Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.
De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoedNimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.
De Koppelpoort te Amersfoort.De Koppelpoort te Amersfoort.
De Koppelpoort te Amersfoort.
Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.
De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.
De O. L. Vrouwentoren te Amersfoort.
Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.
Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.
Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop ’s middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.
Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.
Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.
Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.
Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook deKoppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helftvan de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.
Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.
Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.
Het bosch.De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.
Het bosch.
De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.
De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.
Op den Uitkijk.De Ezel in het Zuiden.Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.Maar is de ezel werkelijk zoo’n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.Egyptische ezel.Egyptische ezel.Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem ’s morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.Melkezelinnen in Madrid.Melkezelinnen in Madrid.Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje’s hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van hetjaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17deJanuari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.Een deftige ezel.Een deftige ezel.Invoering van bijen op het eiland Saipan.De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31stenDecember bracht hij ons op zijn “Paula” vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2denMaart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5denMaart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reedsbekendgeworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.Kunst en publiek.De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.Een en ander over Shackleton’s expeditie.Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5denMaart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7denMaart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9denwerd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10denbereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11denwas men weer bij Kaap Royds.Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. BijKaapRoyds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aanmicroscopischedieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14denJuni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22stenSeptember tot den 13denOctober 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7denNovember keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13denNovember werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28stenNovember werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30stenNovember moest ook het derde paard zijn leven laten.Den 2denDecember trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5denDecember verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6denDecember maar 550 meter verder kwam. Den 7denverloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8stenDecember begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18denduurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26stenDecember stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.Van den 7dentot den 9denJanuari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9denwerd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27stenwas Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4denFebruari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.Erratum.Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.Zigeuners in Zevenburgen.De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.Zigeuner-type.Zigeuner-type.Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.Hier is een voorbeeld:Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.Ketellappers.Ketellappers.De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze,»maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«Zigeuner-type.Zigeuner-type.Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!)Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.Dr. J. D. E. Schmeltz.Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.Dr. J. D. E. Schmeltz.Dr.J. D. E. Schmeltz.Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het “Internationales Archiv für Ethnographie.”Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.Meer steenkolen in Nederland.De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau’s en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.Liever Pruis dan Oldenburger!Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.Wandelen om de wereld.Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.Georg von Neumayer overleden.Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk “Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen”, dat eenige malen herdrukt is.Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1stenJan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.Zijn 80stegeboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.Mei 1909 en andere mooie maanden.De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.Nu lezen wij juist voor Juli 1900: “Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli.” Maar tegen het eind van de maand: »’t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur.” Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11denin die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op ’t oogenblik en ’t is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; ’t is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16denAugustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«,den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«,den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.
Op den Uitkijk.
De Ezel in het Zuiden.Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.Maar is de ezel werkelijk zoo’n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.Egyptische ezel.Egyptische ezel.Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem ’s morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.Melkezelinnen in Madrid.Melkezelinnen in Madrid.Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje’s hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van hetjaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17deJanuari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.Een deftige ezel.Een deftige ezel.
De Ezel in het Zuiden.
Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.Maar is de ezel werkelijk zoo’n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.Egyptische ezel.Egyptische ezel.Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem ’s morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.Melkezelinnen in Madrid.Melkezelinnen in Madrid.Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje’s hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van hetjaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17deJanuari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.Een deftige ezel.Een deftige ezel.
Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.
Maar is de ezel werkelijk zoo’n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.
Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.
Egyptische ezel.Egyptische ezel.
Egyptische ezel.
Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem ’s morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.
Melkezelinnen in Madrid.Melkezelinnen in Madrid.
Melkezelinnen in Madrid.
Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje’s hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.
Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van hetjaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17deJanuari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.
Een deftige ezel.Een deftige ezel.
Een deftige ezel.
Invoering van bijen op het eiland Saipan.De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31stenDecember bracht hij ons op zijn “Paula” vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2denMaart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5denMaart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reedsbekendgeworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.
Invoering van bijen op het eiland Saipan.
De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31stenDecember bracht hij ons op zijn “Paula” vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2denMaart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5denMaart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reedsbekendgeworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.
De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.
Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.
De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31stenDecember bracht hij ons op zijn “Paula” vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.
Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2denMaart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5denMaart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.
Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.
De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.
Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.
De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.
De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.
Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.
Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reedsbekendgeworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.
Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.
De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.
En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.
In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.
Kunst en publiek.De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.
Kunst en publiek.
De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.
De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.
Een en ander over Shackleton’s expeditie.Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5denMaart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7denMaart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9denwerd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10denbereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11denwas men weer bij Kaap Royds.Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. BijKaapRoyds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aanmicroscopischedieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14denJuni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22stenSeptember tot den 13denOctober 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7denNovember keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13denNovember werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28stenNovember werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30stenNovember moest ook het derde paard zijn leven laten.Den 2denDecember trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5denDecember verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6denDecember maar 550 meter verder kwam. Den 7denverloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8stenDecember begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18denduurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26stenDecember stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.Van den 7dentot den 9denJanuari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9denwerd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27stenwas Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4denFebruari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.
Een en ander over Shackleton’s expeditie.
Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5denMaart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7denMaart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9denwerd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10denbereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11denwas men weer bij Kaap Royds.Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. BijKaapRoyds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aanmicroscopischedieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14denJuni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22stenSeptember tot den 13denOctober 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7denNovember keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13denNovember werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28stenNovember werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30stenNovember moest ook het derde paard zijn leven laten.Den 2denDecember trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5denDecember verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6denDecember maar 550 meter verder kwam. Den 7denverloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8stenDecember begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18denduurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26stenDecember stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.Van den 7dentot den 9denJanuari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9denwerd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27stenwas Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4denFebruari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.
Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5denMaart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7denMaart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9denwerd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10denbereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11denwas men weer bij Kaap Royds.
Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. BijKaapRoyds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aanmicroscopischedieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.
Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14denJuni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.
De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22stenSeptember tot den 13denOctober 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.
De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7denNovember keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13denNovember werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.
De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28stenNovember werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30stenNovember moest ook het derde paard zijn leven laten.
Den 2denDecember trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5denDecember verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6denDecember maar 550 meter verder kwam. Den 7denverloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8stenDecember begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18denduurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26stenDecember stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.
Van den 7dentot den 9denJanuari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9denwerd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.
Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.
De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27stenwas Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.
De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4denFebruari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.
Erratum.Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.
Erratum.
Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.
Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.
Zigeuners in Zevenburgen.De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.Zigeuner-type.Zigeuner-type.Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.Hier is een voorbeeld:Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.Ketellappers.Ketellappers.De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze,»maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«Zigeuner-type.Zigeuner-type.Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!)Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.
Zigeuners in Zevenburgen.
De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.Zigeuner-type.Zigeuner-type.Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.Hier is een voorbeeld:Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.Ketellappers.Ketellappers.De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze,»maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«Zigeuner-type.Zigeuner-type.Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!)Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.
De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.
Zigeuner-type.Zigeuner-type.
Zigeuner-type.
Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.
Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.
Hier is een voorbeeld:
Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.
Ketellappers.Ketellappers.
Ketellappers.
De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.
»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze,»maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«
Zigeuner-type.Zigeuner-type.
Zigeuner-type.
Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!)Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.
Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.
Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.
Dr. J. D. E. Schmeltz.Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.Dr. J. D. E. Schmeltz.Dr.J. D. E. Schmeltz.Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het “Internationales Archiv für Ethnographie.”Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.
Dr. J. D. E. Schmeltz.
Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.Dr. J. D. E. Schmeltz.Dr.J. D. E. Schmeltz.Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het “Internationales Archiv für Ethnographie.”Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.
Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.
Dr. J. D. E. Schmeltz.Dr.J. D. E. Schmeltz.
Dr.J. D. E. Schmeltz.
Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.
Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.
Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.
Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.
Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het “Internationales Archiv für Ethnographie.”
Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.
Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.
Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.
Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.
Meer steenkolen in Nederland.De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau’s en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.
Meer steenkolen in Nederland.
De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau’s en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.
De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.
Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.
Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau’s en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.
Liever Pruis dan Oldenburger!Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.
Liever Pruis dan Oldenburger!
Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.
Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.
In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.
Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.
Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.
Wandelen om de wereld.Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.
Wandelen om de wereld.
Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.
Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.
Georg von Neumayer overleden.Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk “Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen”, dat eenige malen herdrukt is.Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1stenJan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.Zijn 80stegeboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.
Georg von Neumayer overleden.
Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk “Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen”, dat eenige malen herdrukt is.Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1stenJan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.Zijn 80stegeboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.
Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk “Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen”, dat eenige malen herdrukt is.
Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1stenJan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.
Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.
Zijn 80stegeboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.
Mei 1909 en andere mooie maanden.De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.Nu lezen wij juist voor Juli 1900: “Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli.” Maar tegen het eind van de maand: »’t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur.” Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11denin die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op ’t oogenblik en ’t is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; ’t is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16denAugustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«,den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«,den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.
Mei 1909 en andere mooie maanden.
De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.Nu lezen wij juist voor Juli 1900: “Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli.” Maar tegen het eind van de maand: »’t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur.” Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11denin die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op ’t oogenblik en ’t is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; ’t is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16denAugustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«,den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«,den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.
De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.
Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.
In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.
Nu lezen wij juist voor Juli 1900: “Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli.” Maar tegen het eind van de maand: »’t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur.” Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11denin die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op ’t oogenblik en ’t is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; ’t is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16denAugustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«
Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«
Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«
De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«,den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«,den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.
Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.