Op den Uitkijk.IJsbergen.Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend.Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsingkomt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.Tropisch Nederland.Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.Laat mij enkele aanhalingen geven.»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor ’t eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig—onwijs op een geboortebewijs afgaande—oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... ’s winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in ’t Britsche Rijk.Zeker, er komt een tijd in ’t leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in ’t zonnetje of bij de kachel.Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand.En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.Geluk en ongeluk.Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.Moois van Stockholm.In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen metsneeuw bedektebergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke, kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken.”Stockholm, van Saltsjön gezien.Stockholm, van Saltsjön gezien.En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was, van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland Staden het Koninklijk Slot.Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen, stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200 paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van de Oostzee geeft een dergelijk beeld.Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling, die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er elkaar de hand.De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel, dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en heerlijk en een weinig afgelegen.En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere, met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone verschijningen zijn.Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen; overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.Het waardevolle en het waardelooze.Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het waardelooze?“In het geheel geen,” zegt de reclame.Op den Uitkijk.Verbeterd sneltreinverkeer.De duitsche uitgever, de heer August Scherl, heeft een omvangrijk geschrift het licht doen zien, waarin hij pleit voor een verandering in ons verkeerswezen. Hij noemt zijn boek »Ein neues Schnellbahnsystem, Vorschläge zur Verbesserung des Personenverkehrs” en begint met erop te wijzen, dat het hoog tijd wordt, ons verkeerswezen op een andere leest te schoeien en er een hervorming op toe te passen, die een eind zal maken aan de gewoonte, om het goederen- en het personenverkeer over dezelfde lijnen te laten loopen. Er ligt een verspilling in van allerlei kracht, dat over dezelfde rails, waar zoo juist een sneltrein met een vaart van 90 kilometers in het uur is overheen gebruist, dadelijk een zware, langzame goederentrein volgt.Het snelle personenverkeer wordt daardoor opgehouden en verhinderd, en dat men daaraan reeds op een enkele plaats een eind heeft gemaakt, blijkt uit wat in Chicago is gebeurd, waar een stelsel van onderaardsche spoorlijnen voor het geheele goederenverkeer zorgt. In Europa loopen de sneltreinen lang niet zoo hard, als ze het kunnen doen, eensdeels omdat de lijnen te zeer voor het goederenvervoer in beslag genomen zijn, anderdeels omdat de stations te gauw op elkaar volgen.De baan van den nieuwen sneltrein.De baan van den nieuwen sneltrein.De schrijver, nu van het schitterend uitgevoerde boek met veel illustraties, plannen en tabellen, die al vaker de aandacht heeft weten te vestigen op nieuwe ideeën en plannen, wil de tegenwoordige spoorlijnen voor het vervolg geheel beschikbaar stellen voor het vervoer van goederen, en voor het personenverkeer nieuwe lijnen aanleggen. Uit economisch oogpunt is tegen het eerste deel van het voorstel daarom niets in te brengen, omdat, zooals uit het budget blijkt, de overschotten der spoorwegen afkomstig zijn van het goederenvervoer, terwijl het personenverkeer daartoe niets of zoo goed als niets bijdraagt. Een kleinere rente-opbrengst van de in spoorwegen belegde kapitalen zal dus niet het gevolg zijn, als het personenverkeer zich terugtrekt.Toen aan het eind van het eerste vierde deel van de vorige eeuw de eerste spoorwegen werden aangelegd, had men nog zeer bekrompen inzichten in den aard van het verkeer. Van eenig groot gezichtspunt was nog geen sprake. Men had geen flauwe voorstelling van de eischen, die mochten worden gesteld met het oog op de toekomst, en de berlijnsche postmeester-generaal van toen moet zelfs gezegd hebben, niet te begrijpen, waarom een spoorweg tusschen Berlijn en Potsdam noodig zou wezen, daar de postwagen nog niet eens altijd vol was. Zoo ontstonden de spoorlijnen op een peuterige schaal met inachtneming van allerlei kleine en persoonlijke belangen. Tengevolge daarvan is de spoorwijdte nog altijd gelijk aan die van de oude engelsche postwagens en moeten de groote internationale sneltreinen, die het Noorden van Europa met het Zuiden verbinden, vaak op kleine nesten van plaatsjes stoppen, omdat overoude overeenkomsten met kleine staten bestaan, die het tot voorwaarde hebben gesteld.Met de vraag, hoe daarin grondige verbetering te brengen, hebben zich al dikwijls de verkeerstechnici en financiëele specialiteiten bezig gehouden, maar een oplossing, die allen bevredigde, is tot nu toe niet gevonden. Maar dit nieuwe ontwerp van August Scherl boeit de aandacht door veel goeds en bruikbaars, dat het schijnt te bevatten en door een interessant principe, waarop het berust.Voor het personenverkeer wil hij een geheel nieuw net aangelegd hebben, en al lijkt dat eerst verbluffend, men bedenke, dat bijvoorbeeld de berlijnsche Stadtbahn doet zien, hoe het economisch voordeeliger kan wezen, tot een volkomen nieuwen aanleg over te gaan en niet aan bestaande lijnen te peuteren, terwijl ook verder de berlijnsche bovengrondsche spoorweg en verscheiden trams aantoonen, dat ook verkeersondernemingen, die enkel voor het personenvervoer bestemd zijn, uitstekend kunnen rendeeren.Op nieuwe lijnen nu, waar nog geen oude vormen hinderend werken, zal het personenverkeer ook nieuwe technische vormen moeten vinden, die inderdaad in staat zijn, aan alle eischen van het moderne leven te voldoen. De eerste eisch van het op de hoogte van den tijd gebracht verkeer is die der verhoogde snelheid. Men moet op de hoofdlijnen een snelheid verlangen van 200 kilometer in het uur. Maar dan weigert de stoomlocomotief, want zelfs de oude vrienden van dit verkeersmiddel geven toe, dat de economische grenzen van deze machine liggen bij 100 kilometer in het uur en dat alles wat daarboven ligt, zuivere sport moet heeten. Natuurlijk zal dus het nieuwe stelsel een geheel electrisch bedrijf moeten hebben.Maar verder moet ook de inrichting van de rails in den grond veranderd worden. De onderhoudskosten van een spoor met twee rails groeien bij 200 kilometers in het uur zoodanig, dat men niet uitkomt, in de verste verte niet.Dus zal in het nieuwe systeem moeten opgenomen worden de éénsporige lijn. De wagens zullen over een enkele rail zich moeten bewegen en zullen dan moeten worden gestabiliseerd door aparte toestellen, die het evenwicht bewaren, gyrostatische apparaten, die eigenlijk niets anders zijn dan door electriciteit gedreven snel loopende tollen. Het probleem, vaartuigen door toestellen, die rondtollen, vastheid te geven houdt de technici in Engeland en Duitschland al geruimen tijd bezig, en de uitgever van het bedoelde werk heeft in eigen werkplaatsen reeds verscheiden jaren proeven laten nemen en laten werken met toestellen, op het tolprincipe berustend, en hij komt nu pas openlijk met zijn voorstellen voor den dag, nu hij meent het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail te hebben gevonden.Wie den voortgang der moderne techniek opmerkzaam heeft gevolgd, zal hebben bespeurd, dat een lang bekend instrument, namelijk de tol, in een aantal nieuwe machines, toestellen en inrichtingen tegenwoordig wordt toegepast. Men is er zich van bewust geworden, dat in een draaienden tol eigenschappen en krachten liggen besloten, die hem op zeldzame wijze geschikt maken, een rol te spelen in het machinebedrijf. Maar de geheele op aanwending van den tol berustende ontwikkeling staat nog maar aan haar begin en het laat zich nog niet bepalen, wat er uit de thans gedane pogingen zal worden.Als men een kinderspeeltol onopgewonden op de tafel plaatst, zal hij dadelijk omvallen. Windt men hem echter op, zoodat hij lustig snort en zet men hem nu op de tafel, dan valt hij niet alleen niet om, maar men kan er ook de wonderlijkste standen en richtingen aan geven, zonder dat hij zijn gewicht verliest. Men kan hem op den rand der tafel wel zoo laten draaien, datde as zich vrij in de lucht beweegt, zonder dat hij op den grond valt. Die as heeft, als de tol is opgewonden, een verbazingwekkend volhardingsvermogen. Ze laat zich moeilijk uit haar richting brengen en blijft daaraan zoo getrouw, dat niet eens de zwaartekracht in staat is, den tol te doen omvallen. Dat volhardingsvermogen van de as van een draaienden tol heeft men, hoewel soms onbewust, al aangewend bij den tweewieler, die daardoor op zijn twee smalle gummibanden kan blijven draaien, en de automobilist kan zijn wagen alleen dan om bochten heen krijgen, als hij langzamer rijdt, want bij grooter snelheid werken de voorwielen als sneldraaiende tollen, wier assen maar moeilijk uit hun richting zijn te krijgen, zoodat de bestuurbaarheid bij stijgende snelheid al kleiner wordt.Opzettelijk heeft men het beginsel toegepast bij schepen. Er is groote aandacht geschonken aan de proeven van den Directeur der Germaansche Lloyd te Bremen, consul Schlick. Hij liet in een schip een tol aanbrengen, die door een turbine in snelle draaiing werd gebracht. De as van dien tol behield onveranderd haar stand, en als dus maar het schip met den tol vast werd verbonden, kreeg ook dat een groote stabiliteit. Dientengevolge hebben de golven weinig vat op het schip, en de scheepstol van Schlick moet niet enkel een voorbehoedmiddel tegen zeeziekte zijn, maar ook bij de oorlogsmarine het mogelijk maken bij hooge zee met het scheepsgeschut vast en met zekerheid te vuren.Een Centraalstation.Een Centraalstation.De engelsche ingenieur Louis Brennen heeft er reeds op gewezen, hoe men voor het spoorwegwezen voordeel zou kunnen trekken van het »tolstelsel«. De tegenwoordige spoorwagens moesten over twee rails loopen, daar de geringste veranderingen in de ligging van het zwaartepunt bij een enkele rail schommelingen in den wagenstand zouden teweegbrengen, die de vaart onmogelijk zouden maken. Brennen wil den spoorweg met één rail door gelijktijdige aanwending van den draaienden tol mogelijk maken. Hij bouwt, juist als consul Schlick in de schepen, in de spoorwagens, een tol vast, die door een motor in zeer snelle draaiing wordt gebracht. De as van den tol is vast met den wagen verbonden en deze krijgt daardoor een groote stabiliteit. Hij kan door evenwichtsveranderingen niet of zeer moeilijk uit zijn stand worden gebracht. Bij de ontwerpen van den engelschen ingenieur draait de tol in een luchtledige ruimte, wat ten doel heeft, de aan te wenden kracht zoo gering mogelijk te maken en den weerstand der lucht buiten werking te stellen. Dus is al een zeer zwakke motor voldoende, om den tol in razend snelle beweging te brengen. Zoodra hij aan het draaien is, worden de wagens zoozeer ongevoelig voor alle uitwendige omstandigheden, dat ze geheel zonder gevaar over een enkele rail kunnen loopen.Een groot voordeel is daarbij gelegen in het gemakkelijk maken der bochten, die geen verlangzaming der vaart noodig maken, en een ander, van niet minder groot gewicht, is gelegen in de geringere kosten, die de aanleg van den weg meebrengt. Verder kan het rijden plaats hebben zonder eenig schokken of schudden en het tracé van de spoorlijn kan gemakkelijk aan alle terreinen worden aangepast, daar het mogelijk is, scherpe bochten te maken met onverminderde snelheid en zonder gevaar.Op dezelfde wijze wil nu ook August Scherl het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail oplossen. De nieuwe éénsporige lijnen zullen bereden worden door treinen, die in den regel uit drie aaneengesloten wagens bestaan, die op de hoofdlijnen met een snelheid van 200 kilometer in het uur zullen rijden en die elkander snel zullen opvolgen, misschien om het halve uur, zoodat een spoorboekje niet meer noodig is, en men op elken tijd van den nacht en den dag juist zoo met een spoortrein kan wegrijden als nu met de electrische tram. De wagens zijn veel breeder dan de tegenwoordige en voorzien van alle comfort. De treinen hebben naar amerikaansch voorbeeld het karakter van hotels; er is een buffet, een gezelschapszaal, een hall of groote vestibule, een eetzaal met muziekkapel, een lees- en schrijfkamer, een bad- en kleedkamer.Zoowel op het platteland als in de stad rijden die spoorwegen hoog boven den beganen grond, waarbij ze in de stad op betonpilaren rusten, die door de huizen loopen en misschien daar tevens als liften zouden kunnen worden gebruikt, of als trappenhuizen. En naast de snelheid zal men volgens Scherl’s plan het voordeel van de goede aansluitingen hebben, want de snelheid zou waardeloos worden, als men bij den overgang van de eene lijn op de andere zou hebben te rekenen met uren van wachten. Het ideale verkeer der toekomst zal er dus voor zorgen, dat men werkelijk vlug van de eene plaats naar de andere wordt vervoerd, en daarom is een organisatieplan gegeven voor Duitschland, waarbij een net van lijnen is ontworpen, van hoofd- en nevenlijnen, die in kringen om groote centrale kruispunten zich bewegen met stralen in alle richtingen. Er zullen op de verschillende kruispunten van ring- en straallijnen geen uren, hoogstens minuten worden verdaan met wachten, en alle aansluitingen zullen kloppen.In de groote steden gaan de stralen uit van een reusachtig centraalstation, van waar de luchtlijnen over de daken der huizen heen loopen. Tot in kleine bijzonderheden heeft de schrijver zich in alles ingedacht en de technische mogelijkheid wordt door technici niet geloochend. Zal de verwezenlijking van het plan nog lang op zich laten wachten? De kosten, waaraan de schrijver niet veel aandacht schenkt, zullen bij die vraag op den voorgrond treden, en daarover en in zake de levering van de reuzenhoeveelheid electriciteit, die men noodig zal hebben, rijzen ook nog vele vragen, die aan de machthebbers, de technici, de financiers en de vertegenwoordigers van het volk niet weinig hoofdbreken zullen kosten.Bescheidenheid van de waarheid.Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.Geborneerd.Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!Een mooi land in onze buurt.Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van de stoomvaartmaatschappij “Zeeland”, om voor haar een gidsje uit te geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig, als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.Kerk te Folkstone.Kerk te Folkstone.Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.Ramsgate in vogelvlucht.Ramsgate in vogelvlucht.Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen, voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.Nederlandsche Oudheidkundige Bond.In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511 en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758 werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig torentje en een mooie poort.In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het huis met de Schopjes.Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter, Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond, Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse, dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam, boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek, zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden, die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht, die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen melding worden gemaakt.De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899 gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot 33 gestegen.Het Reisboek in kleiner formaat.Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt, verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.Leven.Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!Op den Uitkijk.Straatleven in het Oosten.Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals deDuizend-en-éénnacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.Een fellahkhind op een ezel.Een fellahkhind op een ezel.Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.Straatmuzikant in Alexandrië.Straatmuzikant in Alexandrië.In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.Waarde, die tot haar recht komt.Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebbenwede waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemdenTrollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa’s in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden.De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa’s bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa’s door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa’s van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.Terwijl thans nog 562 M3water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa’s, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa’s grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.Plaatselijk verzet op Ceram.Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. “Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,” zegt de Java-Bode en gaat dan voort:“Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens—althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!—kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen—wat meestal slachtoffers eischt—het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien.”Over den Roewenzori.De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.Mosselteelt.De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongengevulde nettenworden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.Een goede vangst.Een goede vangst.Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.Een nieuw modern dorp.Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.Plasmolen’s schoon.Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zekerzeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zichverliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.Het hotel de Plasmolen.Het hotel de Plasmolen.’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.Leo Niehorster.Noordhollandsch Watertochtje.Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam, de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest, want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het genot van bootjevaren.Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de »wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen ophalen,en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes hier reproduceeren.Kerk te Spaarndam.Kerk te Spaarndam.Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf ’s morgens beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte, namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden, en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te water op poene van soms een langen wachttijd.In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid, de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar, van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alleeenigszinsbelangrijke punten van den watertocht passeeren de revue, terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid getuigenden polder.Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen, dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna’sche vaart, een ouden waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw, die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd gerust onder de oogen kunnen komen.Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden, waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk achterlangs Krommenietot bij het punt, waar de Nauernavaart zich afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.Kerk te Westzaan.Kerk te Westzaan.Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen, heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer, typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aande Zaan vormen en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan afwisseling.Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur, J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842 aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.Een internationaal Noordzeebad.De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38 treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af, terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen, waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd, heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een paviljoen met ververschingen beschikbaar.Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte, die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op 7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei voor badgasten, dieenkel voor het genieten van de zeelucht komen; het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.Ligue internationale des Associations Touristes.De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue, die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is zoo groot geworden, dat zoo’n instelling niet langer kan worden gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.
Op den Uitkijk.IJsbergen.Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend.Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsingkomt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.Tropisch Nederland.Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.Laat mij enkele aanhalingen geven.»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor ’t eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig—onwijs op een geboortebewijs afgaande—oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... ’s winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in ’t Britsche Rijk.Zeker, er komt een tijd in ’t leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in ’t zonnetje of bij de kachel.Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand.En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.Geluk en ongeluk.Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.Moois van Stockholm.In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen metsneeuw bedektebergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke, kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken.”Stockholm, van Saltsjön gezien.Stockholm, van Saltsjön gezien.En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was, van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland Staden het Koninklijk Slot.Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen, stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200 paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van de Oostzee geeft een dergelijk beeld.Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling, die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er elkaar de hand.De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel, dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en heerlijk en een weinig afgelegen.En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere, met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone verschijningen zijn.Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen; overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.Het waardevolle en het waardelooze.Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het waardelooze?“In het geheel geen,” zegt de reclame.
Op den Uitkijk.
IJsbergen.Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend.Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsingkomt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.
IJsbergen.
Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend.Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsingkomt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.
Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.
Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.
De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”
Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.
IJsberg, op een pantserschip gelijkend.IJsberg, op een pantserschip gelijkend.
IJsberg, op een pantserschip gelijkend.
»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend.Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.
Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsingkomt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!
En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.
Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.
Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.
Tropisch Nederland.Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.Laat mij enkele aanhalingen geven.»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor ’t eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig—onwijs op een geboortebewijs afgaande—oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... ’s winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in ’t Britsche Rijk.Zeker, er komt een tijd in ’t leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in ’t zonnetje of bij de kachel.Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand.En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.
Tropisch Nederland.Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.
Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.
Tropisch Nederland. Indrukken eener reis doorNederlandsch-IndiëdoorCharles Boissevain. Haarlem,H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.
Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.Laat mij enkele aanhalingen geven.»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor ’t eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig—onwijs op een geboortebewijs afgaande—oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... ’s winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in ’t Britsche Rijk.Zeker, er komt een tijd in ’t leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in ’t zonnetje of bij de kachel.Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand.En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.
Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.
Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.
Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.
Laat mij enkele aanhalingen geven.
»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.
En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.
Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.
Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.
En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.
»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.
Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor ’t eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.
Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig—onwijs op een geboortebewijs afgaande—oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... ’s winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in ’t Britsche Rijk.
Zeker, er komt een tijd in ’t leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.
Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in ’t zonnetje of bij de kachel.
Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«
Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand.En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.
Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.
Geluk en ongeluk.Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.
Geluk en ongeluk.
Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.
Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.
Moois van Stockholm.In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen metsneeuw bedektebergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke, kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken.”Stockholm, van Saltsjön gezien.Stockholm, van Saltsjön gezien.En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was, van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland Staden het Koninklijk Slot.Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen, stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200 paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van de Oostzee geeft een dergelijk beeld.Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling, die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er elkaar de hand.De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel, dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en heerlijk en een weinig afgelegen.En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere, met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone verschijningen zijn.Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen; overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.
Moois van Stockholm.
In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen metsneeuw bedektebergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke, kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken.”Stockholm, van Saltsjön gezien.Stockholm, van Saltsjön gezien.En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was, van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland Staden het Koninklijk Slot.Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen, stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200 paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van de Oostzee geeft een dergelijk beeld.Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling, die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er elkaar de hand.De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel, dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en heerlijk en een weinig afgelegen.En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere, met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone verschijningen zijn.Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen; overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.
In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen metsneeuw bedektebergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke, kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken.”
Stockholm, van Saltsjön gezien.Stockholm, van Saltsjön gezien.
Stockholm, van Saltsjön gezien.
En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was, van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland Staden het Koninklijk Slot.
Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen, stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200 paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van de Oostzee geeft een dergelijk beeld.
Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling, die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er elkaar de hand.
De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel, dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en heerlijk en een weinig afgelegen.
En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere, met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone verschijningen zijn.
Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen; overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.
Het waardevolle en het waardelooze.Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het waardelooze?“In het geheel geen,” zegt de reclame.
Het waardevolle en het waardelooze.
Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het waardelooze?“In het geheel geen,” zegt de reclame.
Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het waardelooze?
“In het geheel geen,” zegt de reclame.
Op den Uitkijk.Verbeterd sneltreinverkeer.De duitsche uitgever, de heer August Scherl, heeft een omvangrijk geschrift het licht doen zien, waarin hij pleit voor een verandering in ons verkeerswezen. Hij noemt zijn boek »Ein neues Schnellbahnsystem, Vorschläge zur Verbesserung des Personenverkehrs” en begint met erop te wijzen, dat het hoog tijd wordt, ons verkeerswezen op een andere leest te schoeien en er een hervorming op toe te passen, die een eind zal maken aan de gewoonte, om het goederen- en het personenverkeer over dezelfde lijnen te laten loopen. Er ligt een verspilling in van allerlei kracht, dat over dezelfde rails, waar zoo juist een sneltrein met een vaart van 90 kilometers in het uur is overheen gebruist, dadelijk een zware, langzame goederentrein volgt.Het snelle personenverkeer wordt daardoor opgehouden en verhinderd, en dat men daaraan reeds op een enkele plaats een eind heeft gemaakt, blijkt uit wat in Chicago is gebeurd, waar een stelsel van onderaardsche spoorlijnen voor het geheele goederenverkeer zorgt. In Europa loopen de sneltreinen lang niet zoo hard, als ze het kunnen doen, eensdeels omdat de lijnen te zeer voor het goederenvervoer in beslag genomen zijn, anderdeels omdat de stations te gauw op elkaar volgen.De baan van den nieuwen sneltrein.De baan van den nieuwen sneltrein.De schrijver, nu van het schitterend uitgevoerde boek met veel illustraties, plannen en tabellen, die al vaker de aandacht heeft weten te vestigen op nieuwe ideeën en plannen, wil de tegenwoordige spoorlijnen voor het vervolg geheel beschikbaar stellen voor het vervoer van goederen, en voor het personenverkeer nieuwe lijnen aanleggen. Uit economisch oogpunt is tegen het eerste deel van het voorstel daarom niets in te brengen, omdat, zooals uit het budget blijkt, de overschotten der spoorwegen afkomstig zijn van het goederenvervoer, terwijl het personenverkeer daartoe niets of zoo goed als niets bijdraagt. Een kleinere rente-opbrengst van de in spoorwegen belegde kapitalen zal dus niet het gevolg zijn, als het personenverkeer zich terugtrekt.Toen aan het eind van het eerste vierde deel van de vorige eeuw de eerste spoorwegen werden aangelegd, had men nog zeer bekrompen inzichten in den aard van het verkeer. Van eenig groot gezichtspunt was nog geen sprake. Men had geen flauwe voorstelling van de eischen, die mochten worden gesteld met het oog op de toekomst, en de berlijnsche postmeester-generaal van toen moet zelfs gezegd hebben, niet te begrijpen, waarom een spoorweg tusschen Berlijn en Potsdam noodig zou wezen, daar de postwagen nog niet eens altijd vol was. Zoo ontstonden de spoorlijnen op een peuterige schaal met inachtneming van allerlei kleine en persoonlijke belangen. Tengevolge daarvan is de spoorwijdte nog altijd gelijk aan die van de oude engelsche postwagens en moeten de groote internationale sneltreinen, die het Noorden van Europa met het Zuiden verbinden, vaak op kleine nesten van plaatsjes stoppen, omdat overoude overeenkomsten met kleine staten bestaan, die het tot voorwaarde hebben gesteld.Met de vraag, hoe daarin grondige verbetering te brengen, hebben zich al dikwijls de verkeerstechnici en financiëele specialiteiten bezig gehouden, maar een oplossing, die allen bevredigde, is tot nu toe niet gevonden. Maar dit nieuwe ontwerp van August Scherl boeit de aandacht door veel goeds en bruikbaars, dat het schijnt te bevatten en door een interessant principe, waarop het berust.Voor het personenverkeer wil hij een geheel nieuw net aangelegd hebben, en al lijkt dat eerst verbluffend, men bedenke, dat bijvoorbeeld de berlijnsche Stadtbahn doet zien, hoe het economisch voordeeliger kan wezen, tot een volkomen nieuwen aanleg over te gaan en niet aan bestaande lijnen te peuteren, terwijl ook verder de berlijnsche bovengrondsche spoorweg en verscheiden trams aantoonen, dat ook verkeersondernemingen, die enkel voor het personenvervoer bestemd zijn, uitstekend kunnen rendeeren.Op nieuwe lijnen nu, waar nog geen oude vormen hinderend werken, zal het personenverkeer ook nieuwe technische vormen moeten vinden, die inderdaad in staat zijn, aan alle eischen van het moderne leven te voldoen. De eerste eisch van het op de hoogte van den tijd gebracht verkeer is die der verhoogde snelheid. Men moet op de hoofdlijnen een snelheid verlangen van 200 kilometer in het uur. Maar dan weigert de stoomlocomotief, want zelfs de oude vrienden van dit verkeersmiddel geven toe, dat de economische grenzen van deze machine liggen bij 100 kilometer in het uur en dat alles wat daarboven ligt, zuivere sport moet heeten. Natuurlijk zal dus het nieuwe stelsel een geheel electrisch bedrijf moeten hebben.Maar verder moet ook de inrichting van de rails in den grond veranderd worden. De onderhoudskosten van een spoor met twee rails groeien bij 200 kilometers in het uur zoodanig, dat men niet uitkomt, in de verste verte niet.Dus zal in het nieuwe systeem moeten opgenomen worden de éénsporige lijn. De wagens zullen over een enkele rail zich moeten bewegen en zullen dan moeten worden gestabiliseerd door aparte toestellen, die het evenwicht bewaren, gyrostatische apparaten, die eigenlijk niets anders zijn dan door electriciteit gedreven snel loopende tollen. Het probleem, vaartuigen door toestellen, die rondtollen, vastheid te geven houdt de technici in Engeland en Duitschland al geruimen tijd bezig, en de uitgever van het bedoelde werk heeft in eigen werkplaatsen reeds verscheiden jaren proeven laten nemen en laten werken met toestellen, op het tolprincipe berustend, en hij komt nu pas openlijk met zijn voorstellen voor den dag, nu hij meent het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail te hebben gevonden.Wie den voortgang der moderne techniek opmerkzaam heeft gevolgd, zal hebben bespeurd, dat een lang bekend instrument, namelijk de tol, in een aantal nieuwe machines, toestellen en inrichtingen tegenwoordig wordt toegepast. Men is er zich van bewust geworden, dat in een draaienden tol eigenschappen en krachten liggen besloten, die hem op zeldzame wijze geschikt maken, een rol te spelen in het machinebedrijf. Maar de geheele op aanwending van den tol berustende ontwikkeling staat nog maar aan haar begin en het laat zich nog niet bepalen, wat er uit de thans gedane pogingen zal worden.Als men een kinderspeeltol onopgewonden op de tafel plaatst, zal hij dadelijk omvallen. Windt men hem echter op, zoodat hij lustig snort en zet men hem nu op de tafel, dan valt hij niet alleen niet om, maar men kan er ook de wonderlijkste standen en richtingen aan geven, zonder dat hij zijn gewicht verliest. Men kan hem op den rand der tafel wel zoo laten draaien, datde as zich vrij in de lucht beweegt, zonder dat hij op den grond valt. Die as heeft, als de tol is opgewonden, een verbazingwekkend volhardingsvermogen. Ze laat zich moeilijk uit haar richting brengen en blijft daaraan zoo getrouw, dat niet eens de zwaartekracht in staat is, den tol te doen omvallen. Dat volhardingsvermogen van de as van een draaienden tol heeft men, hoewel soms onbewust, al aangewend bij den tweewieler, die daardoor op zijn twee smalle gummibanden kan blijven draaien, en de automobilist kan zijn wagen alleen dan om bochten heen krijgen, als hij langzamer rijdt, want bij grooter snelheid werken de voorwielen als sneldraaiende tollen, wier assen maar moeilijk uit hun richting zijn te krijgen, zoodat de bestuurbaarheid bij stijgende snelheid al kleiner wordt.Opzettelijk heeft men het beginsel toegepast bij schepen. Er is groote aandacht geschonken aan de proeven van den Directeur der Germaansche Lloyd te Bremen, consul Schlick. Hij liet in een schip een tol aanbrengen, die door een turbine in snelle draaiing werd gebracht. De as van dien tol behield onveranderd haar stand, en als dus maar het schip met den tol vast werd verbonden, kreeg ook dat een groote stabiliteit. Dientengevolge hebben de golven weinig vat op het schip, en de scheepstol van Schlick moet niet enkel een voorbehoedmiddel tegen zeeziekte zijn, maar ook bij de oorlogsmarine het mogelijk maken bij hooge zee met het scheepsgeschut vast en met zekerheid te vuren.Een Centraalstation.Een Centraalstation.De engelsche ingenieur Louis Brennen heeft er reeds op gewezen, hoe men voor het spoorwegwezen voordeel zou kunnen trekken van het »tolstelsel«. De tegenwoordige spoorwagens moesten over twee rails loopen, daar de geringste veranderingen in de ligging van het zwaartepunt bij een enkele rail schommelingen in den wagenstand zouden teweegbrengen, die de vaart onmogelijk zouden maken. Brennen wil den spoorweg met één rail door gelijktijdige aanwending van den draaienden tol mogelijk maken. Hij bouwt, juist als consul Schlick in de schepen, in de spoorwagens, een tol vast, die door een motor in zeer snelle draaiing wordt gebracht. De as van den tol is vast met den wagen verbonden en deze krijgt daardoor een groote stabiliteit. Hij kan door evenwichtsveranderingen niet of zeer moeilijk uit zijn stand worden gebracht. Bij de ontwerpen van den engelschen ingenieur draait de tol in een luchtledige ruimte, wat ten doel heeft, de aan te wenden kracht zoo gering mogelijk te maken en den weerstand der lucht buiten werking te stellen. Dus is al een zeer zwakke motor voldoende, om den tol in razend snelle beweging te brengen. Zoodra hij aan het draaien is, worden de wagens zoozeer ongevoelig voor alle uitwendige omstandigheden, dat ze geheel zonder gevaar over een enkele rail kunnen loopen.Een groot voordeel is daarbij gelegen in het gemakkelijk maken der bochten, die geen verlangzaming der vaart noodig maken, en een ander, van niet minder groot gewicht, is gelegen in de geringere kosten, die de aanleg van den weg meebrengt. Verder kan het rijden plaats hebben zonder eenig schokken of schudden en het tracé van de spoorlijn kan gemakkelijk aan alle terreinen worden aangepast, daar het mogelijk is, scherpe bochten te maken met onverminderde snelheid en zonder gevaar.Op dezelfde wijze wil nu ook August Scherl het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail oplossen. De nieuwe éénsporige lijnen zullen bereden worden door treinen, die in den regel uit drie aaneengesloten wagens bestaan, die op de hoofdlijnen met een snelheid van 200 kilometer in het uur zullen rijden en die elkander snel zullen opvolgen, misschien om het halve uur, zoodat een spoorboekje niet meer noodig is, en men op elken tijd van den nacht en den dag juist zoo met een spoortrein kan wegrijden als nu met de electrische tram. De wagens zijn veel breeder dan de tegenwoordige en voorzien van alle comfort. De treinen hebben naar amerikaansch voorbeeld het karakter van hotels; er is een buffet, een gezelschapszaal, een hall of groote vestibule, een eetzaal met muziekkapel, een lees- en schrijfkamer, een bad- en kleedkamer.Zoowel op het platteland als in de stad rijden die spoorwegen hoog boven den beganen grond, waarbij ze in de stad op betonpilaren rusten, die door de huizen loopen en misschien daar tevens als liften zouden kunnen worden gebruikt, of als trappenhuizen. En naast de snelheid zal men volgens Scherl’s plan het voordeel van de goede aansluitingen hebben, want de snelheid zou waardeloos worden, als men bij den overgang van de eene lijn op de andere zou hebben te rekenen met uren van wachten. Het ideale verkeer der toekomst zal er dus voor zorgen, dat men werkelijk vlug van de eene plaats naar de andere wordt vervoerd, en daarom is een organisatieplan gegeven voor Duitschland, waarbij een net van lijnen is ontworpen, van hoofd- en nevenlijnen, die in kringen om groote centrale kruispunten zich bewegen met stralen in alle richtingen. Er zullen op de verschillende kruispunten van ring- en straallijnen geen uren, hoogstens minuten worden verdaan met wachten, en alle aansluitingen zullen kloppen.In de groote steden gaan de stralen uit van een reusachtig centraalstation, van waar de luchtlijnen over de daken der huizen heen loopen. Tot in kleine bijzonderheden heeft de schrijver zich in alles ingedacht en de technische mogelijkheid wordt door technici niet geloochend. Zal de verwezenlijking van het plan nog lang op zich laten wachten? De kosten, waaraan de schrijver niet veel aandacht schenkt, zullen bij die vraag op den voorgrond treden, en daarover en in zake de levering van de reuzenhoeveelheid electriciteit, die men noodig zal hebben, rijzen ook nog vele vragen, die aan de machthebbers, de technici, de financiers en de vertegenwoordigers van het volk niet weinig hoofdbreken zullen kosten.Bescheidenheid van de waarheid.Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.Geborneerd.Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!Een mooi land in onze buurt.Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van de stoomvaartmaatschappij “Zeeland”, om voor haar een gidsje uit te geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig, als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.Kerk te Folkstone.Kerk te Folkstone.Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.Ramsgate in vogelvlucht.Ramsgate in vogelvlucht.Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen, voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.Nederlandsche Oudheidkundige Bond.In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511 en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758 werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig torentje en een mooie poort.In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het huis met de Schopjes.Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter, Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond, Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse, dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam, boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek, zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden, die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht, die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen melding worden gemaakt.De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899 gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot 33 gestegen.Het Reisboek in kleiner formaat.Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt, verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.Leven.Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!
Op den Uitkijk.
De duitsche uitgever, de heer August Scherl, heeft een omvangrijk geschrift het licht doen zien, waarin hij pleit voor een verandering in ons verkeerswezen. Hij noemt zijn boek »Ein neues Schnellbahnsystem, Vorschläge zur Verbesserung des Personenverkehrs” en begint met erop te wijzen, dat het hoog tijd wordt, ons verkeerswezen op een andere leest te schoeien en er een hervorming op toe te passen, die een eind zal maken aan de gewoonte, om het goederen- en het personenverkeer over dezelfde lijnen te laten loopen. Er ligt een verspilling in van allerlei kracht, dat over dezelfde rails, waar zoo juist een sneltrein met een vaart van 90 kilometers in het uur is overheen gebruist, dadelijk een zware, langzame goederentrein volgt.
Het snelle personenverkeer wordt daardoor opgehouden en verhinderd, en dat men daaraan reeds op een enkele plaats een eind heeft gemaakt, blijkt uit wat in Chicago is gebeurd, waar een stelsel van onderaardsche spoorlijnen voor het geheele goederenverkeer zorgt. In Europa loopen de sneltreinen lang niet zoo hard, als ze het kunnen doen, eensdeels omdat de lijnen te zeer voor het goederenvervoer in beslag genomen zijn, anderdeels omdat de stations te gauw op elkaar volgen.
De baan van den nieuwen sneltrein.De baan van den nieuwen sneltrein.
De baan van den nieuwen sneltrein.
De schrijver, nu van het schitterend uitgevoerde boek met veel illustraties, plannen en tabellen, die al vaker de aandacht heeft weten te vestigen op nieuwe ideeën en plannen, wil de tegenwoordige spoorlijnen voor het vervolg geheel beschikbaar stellen voor het vervoer van goederen, en voor het personenverkeer nieuwe lijnen aanleggen. Uit economisch oogpunt is tegen het eerste deel van het voorstel daarom niets in te brengen, omdat, zooals uit het budget blijkt, de overschotten der spoorwegen afkomstig zijn van het goederenvervoer, terwijl het personenverkeer daartoe niets of zoo goed als niets bijdraagt. Een kleinere rente-opbrengst van de in spoorwegen belegde kapitalen zal dus niet het gevolg zijn, als het personenverkeer zich terugtrekt.
Toen aan het eind van het eerste vierde deel van de vorige eeuw de eerste spoorwegen werden aangelegd, had men nog zeer bekrompen inzichten in den aard van het verkeer. Van eenig groot gezichtspunt was nog geen sprake. Men had geen flauwe voorstelling van de eischen, die mochten worden gesteld met het oog op de toekomst, en de berlijnsche postmeester-generaal van toen moet zelfs gezegd hebben, niet te begrijpen, waarom een spoorweg tusschen Berlijn en Potsdam noodig zou wezen, daar de postwagen nog niet eens altijd vol was. Zoo ontstonden de spoorlijnen op een peuterige schaal met inachtneming van allerlei kleine en persoonlijke belangen. Tengevolge daarvan is de spoorwijdte nog altijd gelijk aan die van de oude engelsche postwagens en moeten de groote internationale sneltreinen, die het Noorden van Europa met het Zuiden verbinden, vaak op kleine nesten van plaatsjes stoppen, omdat overoude overeenkomsten met kleine staten bestaan, die het tot voorwaarde hebben gesteld.
Met de vraag, hoe daarin grondige verbetering te brengen, hebben zich al dikwijls de verkeerstechnici en financiëele specialiteiten bezig gehouden, maar een oplossing, die allen bevredigde, is tot nu toe niet gevonden. Maar dit nieuwe ontwerp van August Scherl boeit de aandacht door veel goeds en bruikbaars, dat het schijnt te bevatten en door een interessant principe, waarop het berust.
Voor het personenverkeer wil hij een geheel nieuw net aangelegd hebben, en al lijkt dat eerst verbluffend, men bedenke, dat bijvoorbeeld de berlijnsche Stadtbahn doet zien, hoe het economisch voordeeliger kan wezen, tot een volkomen nieuwen aanleg over te gaan en niet aan bestaande lijnen te peuteren, terwijl ook verder de berlijnsche bovengrondsche spoorweg en verscheiden trams aantoonen, dat ook verkeersondernemingen, die enkel voor het personenvervoer bestemd zijn, uitstekend kunnen rendeeren.
Op nieuwe lijnen nu, waar nog geen oude vormen hinderend werken, zal het personenverkeer ook nieuwe technische vormen moeten vinden, die inderdaad in staat zijn, aan alle eischen van het moderne leven te voldoen. De eerste eisch van het op de hoogte van den tijd gebracht verkeer is die der verhoogde snelheid. Men moet op de hoofdlijnen een snelheid verlangen van 200 kilometer in het uur. Maar dan weigert de stoomlocomotief, want zelfs de oude vrienden van dit verkeersmiddel geven toe, dat de economische grenzen van deze machine liggen bij 100 kilometer in het uur en dat alles wat daarboven ligt, zuivere sport moet heeten. Natuurlijk zal dus het nieuwe stelsel een geheel electrisch bedrijf moeten hebben.
Maar verder moet ook de inrichting van de rails in den grond veranderd worden. De onderhoudskosten van een spoor met twee rails groeien bij 200 kilometers in het uur zoodanig, dat men niet uitkomt, in de verste verte niet.
Dus zal in het nieuwe systeem moeten opgenomen worden de éénsporige lijn. De wagens zullen over een enkele rail zich moeten bewegen en zullen dan moeten worden gestabiliseerd door aparte toestellen, die het evenwicht bewaren, gyrostatische apparaten, die eigenlijk niets anders zijn dan door electriciteit gedreven snel loopende tollen. Het probleem, vaartuigen door toestellen, die rondtollen, vastheid te geven houdt de technici in Engeland en Duitschland al geruimen tijd bezig, en de uitgever van het bedoelde werk heeft in eigen werkplaatsen reeds verscheiden jaren proeven laten nemen en laten werken met toestellen, op het tolprincipe berustend, en hij komt nu pas openlijk met zijn voorstellen voor den dag, nu hij meent het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail te hebben gevonden.
Wie den voortgang der moderne techniek opmerkzaam heeft gevolgd, zal hebben bespeurd, dat een lang bekend instrument, namelijk de tol, in een aantal nieuwe machines, toestellen en inrichtingen tegenwoordig wordt toegepast. Men is er zich van bewust geworden, dat in een draaienden tol eigenschappen en krachten liggen besloten, die hem op zeldzame wijze geschikt maken, een rol te spelen in het machinebedrijf. Maar de geheele op aanwending van den tol berustende ontwikkeling staat nog maar aan haar begin en het laat zich nog niet bepalen, wat er uit de thans gedane pogingen zal worden.
Als men een kinderspeeltol onopgewonden op de tafel plaatst, zal hij dadelijk omvallen. Windt men hem echter op, zoodat hij lustig snort en zet men hem nu op de tafel, dan valt hij niet alleen niet om, maar men kan er ook de wonderlijkste standen en richtingen aan geven, zonder dat hij zijn gewicht verliest. Men kan hem op den rand der tafel wel zoo laten draaien, datde as zich vrij in de lucht beweegt, zonder dat hij op den grond valt. Die as heeft, als de tol is opgewonden, een verbazingwekkend volhardingsvermogen. Ze laat zich moeilijk uit haar richting brengen en blijft daaraan zoo getrouw, dat niet eens de zwaartekracht in staat is, den tol te doen omvallen. Dat volhardingsvermogen van de as van een draaienden tol heeft men, hoewel soms onbewust, al aangewend bij den tweewieler, die daardoor op zijn twee smalle gummibanden kan blijven draaien, en de automobilist kan zijn wagen alleen dan om bochten heen krijgen, als hij langzamer rijdt, want bij grooter snelheid werken de voorwielen als sneldraaiende tollen, wier assen maar moeilijk uit hun richting zijn te krijgen, zoodat de bestuurbaarheid bij stijgende snelheid al kleiner wordt.
Opzettelijk heeft men het beginsel toegepast bij schepen. Er is groote aandacht geschonken aan de proeven van den Directeur der Germaansche Lloyd te Bremen, consul Schlick. Hij liet in een schip een tol aanbrengen, die door een turbine in snelle draaiing werd gebracht. De as van dien tol behield onveranderd haar stand, en als dus maar het schip met den tol vast werd verbonden, kreeg ook dat een groote stabiliteit. Dientengevolge hebben de golven weinig vat op het schip, en de scheepstol van Schlick moet niet enkel een voorbehoedmiddel tegen zeeziekte zijn, maar ook bij de oorlogsmarine het mogelijk maken bij hooge zee met het scheepsgeschut vast en met zekerheid te vuren.
Een Centraalstation.Een Centraalstation.
Een Centraalstation.
De engelsche ingenieur Louis Brennen heeft er reeds op gewezen, hoe men voor het spoorwegwezen voordeel zou kunnen trekken van het »tolstelsel«. De tegenwoordige spoorwagens moesten over twee rails loopen, daar de geringste veranderingen in de ligging van het zwaartepunt bij een enkele rail schommelingen in den wagenstand zouden teweegbrengen, die de vaart onmogelijk zouden maken. Brennen wil den spoorweg met één rail door gelijktijdige aanwending van den draaienden tol mogelijk maken. Hij bouwt, juist als consul Schlick in de schepen, in de spoorwagens, een tol vast, die door een motor in zeer snelle draaiing wordt gebracht. De as van den tol is vast met den wagen verbonden en deze krijgt daardoor een groote stabiliteit. Hij kan door evenwichtsveranderingen niet of zeer moeilijk uit zijn stand worden gebracht. Bij de ontwerpen van den engelschen ingenieur draait de tol in een luchtledige ruimte, wat ten doel heeft, de aan te wenden kracht zoo gering mogelijk te maken en den weerstand der lucht buiten werking te stellen. Dus is al een zeer zwakke motor voldoende, om den tol in razend snelle beweging te brengen. Zoodra hij aan het draaien is, worden de wagens zoozeer ongevoelig voor alle uitwendige omstandigheden, dat ze geheel zonder gevaar over een enkele rail kunnen loopen.
Een groot voordeel is daarbij gelegen in het gemakkelijk maken der bochten, die geen verlangzaming der vaart noodig maken, en een ander, van niet minder groot gewicht, is gelegen in de geringere kosten, die de aanleg van den weg meebrengt. Verder kan het rijden plaats hebben zonder eenig schokken of schudden en het tracé van de spoorlijn kan gemakkelijk aan alle terreinen worden aangepast, daar het mogelijk is, scherpe bochten te maken met onverminderde snelheid en zonder gevaar.
Op dezelfde wijze wil nu ook August Scherl het vraagstuk van het evenwicht voor den wagen op één rail oplossen. De nieuwe éénsporige lijnen zullen bereden worden door treinen, die in den regel uit drie aaneengesloten wagens bestaan, die op de hoofdlijnen met een snelheid van 200 kilometer in het uur zullen rijden en die elkander snel zullen opvolgen, misschien om het halve uur, zoodat een spoorboekje niet meer noodig is, en men op elken tijd van den nacht en den dag juist zoo met een spoortrein kan wegrijden als nu met de electrische tram. De wagens zijn veel breeder dan de tegenwoordige en voorzien van alle comfort. De treinen hebben naar amerikaansch voorbeeld het karakter van hotels; er is een buffet, een gezelschapszaal, een hall of groote vestibule, een eetzaal met muziekkapel, een lees- en schrijfkamer, een bad- en kleedkamer.
Zoowel op het platteland als in de stad rijden die spoorwegen hoog boven den beganen grond, waarbij ze in de stad op betonpilaren rusten, die door de huizen loopen en misschien daar tevens als liften zouden kunnen worden gebruikt, of als trappenhuizen. En naast de snelheid zal men volgens Scherl’s plan het voordeel van de goede aansluitingen hebben, want de snelheid zou waardeloos worden, als men bij den overgang van de eene lijn op de andere zou hebben te rekenen met uren van wachten. Het ideale verkeer der toekomst zal er dus voor zorgen, dat men werkelijk vlug van de eene plaats naar de andere wordt vervoerd, en daarom is een organisatieplan gegeven voor Duitschland, waarbij een net van lijnen is ontworpen, van hoofd- en nevenlijnen, die in kringen om groote centrale kruispunten zich bewegen met stralen in alle richtingen. Er zullen op de verschillende kruispunten van ring- en straallijnen geen uren, hoogstens minuten worden verdaan met wachten, en alle aansluitingen zullen kloppen.
In de groote steden gaan de stralen uit van een reusachtig centraalstation, van waar de luchtlijnen over de daken der huizen heen loopen. Tot in kleine bijzonderheden heeft de schrijver zich in alles ingedacht en de technische mogelijkheid wordt door technici niet geloochend. Zal de verwezenlijking van het plan nog lang op zich laten wachten? De kosten, waaraan de schrijver niet veel aandacht schenkt, zullen bij die vraag op den voorgrond treden, en daarover en in zake de levering van de reuzenhoeveelheid electriciteit, die men noodig zal hebben, rijzen ook nog vele vragen, die aan de machthebbers, de technici, de financiers en de vertegenwoordigers van het volk niet weinig hoofdbreken zullen kosten.
Bescheidenheid van de waarheid.Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.
Bescheidenheid van de waarheid.
Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.
Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.
Geborneerd.Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!
Geborneerd.
Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!
Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!
Een mooi land in onze buurt.Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van de stoomvaartmaatschappij “Zeeland”, om voor haar een gidsje uit te geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig, als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.Kerk te Folkstone.Kerk te Folkstone.Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.Ramsgate in vogelvlucht.Ramsgate in vogelvlucht.Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen, voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.
Een mooi land in onze buurt.Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.
Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.
Met de stoomvaartmaatschappij “Zeeland” (Vlissingen-Queenborough route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.
Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van de stoomvaartmaatschappij “Zeeland”, om voor haar een gidsje uit te geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig, als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.Kerk te Folkstone.Kerk te Folkstone.Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.Ramsgate in vogelvlucht.Ramsgate in vogelvlucht.Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen, voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.
Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van de stoomvaartmaatschappij “Zeeland”, om voor haar een gidsje uit te geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig, als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.
Kerk te Folkstone.Kerk te Folkstone.
Kerk te Folkstone.
Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.
Ramsgate in vogelvlucht.Ramsgate in vogelvlucht.
Ramsgate in vogelvlucht.
Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen, voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.
Nederlandsche Oudheidkundige Bond.In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511 en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758 werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig torentje en een mooie poort.In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het huis met de Schopjes.Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter, Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond, Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse, dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam, boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek, zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden, die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht, die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen melding worden gemaakt.De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899 gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot 33 gestegen.
Nederlandsche Oudheidkundige Bond.
In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511 en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758 werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig torentje en een mooie poort.In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het huis met de Schopjes.Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter, Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond, Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse, dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam, boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek, zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden, die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht, die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen melding worden gemaakt.De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899 gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot 33 gestegen.
In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511 en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758 werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig torentje en een mooie poort.
In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het huis met de Schopjes.
Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter, Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond, Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse, dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.
Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam, boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek, zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden, die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht, die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen melding worden gemaakt.
De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899 gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot 33 gestegen.
Het Reisboek in kleiner formaat.Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt, verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.
Het Reisboek in kleiner formaat.
Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt, verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.
Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt, verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.
Leven.Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!
Leven.
Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!
Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!
Op den Uitkijk.Straatleven in het Oosten.Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals deDuizend-en-éénnacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.Een fellahkhind op een ezel.Een fellahkhind op een ezel.Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.Straatmuzikant in Alexandrië.Straatmuzikant in Alexandrië.In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.Waarde, die tot haar recht komt.Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebbenwede waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemdenTrollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa’s in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden.De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa’s bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa’s door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa’s van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.Terwijl thans nog 562 M3water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa’s, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa’s grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.Plaatselijk verzet op Ceram.Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. “Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,” zegt de Java-Bode en gaat dan voort:“Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens—althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!—kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen—wat meestal slachtoffers eischt—het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien.”Over den Roewenzori.De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.Mosselteelt.De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongengevulde nettenworden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.Een goede vangst.Een goede vangst.Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.Een nieuw modern dorp.Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.Plasmolen’s schoon.Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zekerzeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zichverliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.Het hotel de Plasmolen.Het hotel de Plasmolen.’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.Leo Niehorster.Noordhollandsch Watertochtje.Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam, de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest, want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het genot van bootjevaren.Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de »wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen ophalen,en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes hier reproduceeren.Kerk te Spaarndam.Kerk te Spaarndam.Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf ’s morgens beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte, namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden, en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te water op poene van soms een langen wachttijd.In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid, de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar, van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alleeenigszinsbelangrijke punten van den watertocht passeeren de revue, terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid getuigenden polder.Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen, dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna’sche vaart, een ouden waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw, die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd gerust onder de oogen kunnen komen.Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden, waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk achterlangs Krommenietot bij het punt, waar de Nauernavaart zich afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.Kerk te Westzaan.Kerk te Westzaan.Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen, heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer, typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aande Zaan vormen en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan afwisseling.Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur, J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842 aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.Een internationaal Noordzeebad.De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38 treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af, terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen, waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd, heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een paviljoen met ververschingen beschikbaar.Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte, die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op 7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei voor badgasten, dieenkel voor het genieten van de zeelucht komen; het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.Ligue internationale des Associations Touristes.De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue, die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is zoo groot geworden, dat zoo’n instelling niet langer kan worden gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.
Op den Uitkijk.
Straatleven in het Oosten.Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals deDuizend-en-éénnacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.Een fellahkhind op een ezel.Een fellahkhind op een ezel.Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.Straatmuzikant in Alexandrië.Straatmuzikant in Alexandrië.In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.
Straatleven in het Oosten.
Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals deDuizend-en-éénnacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.Een fellahkhind op een ezel.Een fellahkhind op een ezel.Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.Straatmuzikant in Alexandrië.Straatmuzikant in Alexandrië.In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.
Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals deDuizend-en-éénnacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.
Een fellahkhind op een ezel.Een fellahkhind op een ezel.
Een fellahkhind op een ezel.
Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.
Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.
Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.
De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.
Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.
Straatmuzikant in Alexandrië.Straatmuzikant in Alexandrië.
Straatmuzikant in Alexandrië.
In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.
Waarde, die tot haar recht komt.Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebbenwede waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemdenTrollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa’s in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden.De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa’s bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa’s door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa’s van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.Terwijl thans nog 562 M3water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa’s, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa’s grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.
Waarde, die tot haar recht komt.
Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebbenwede waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemdenTrollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa’s in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden.De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa’s bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa’s door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa’s van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.Terwijl thans nog 562 M3water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa’s, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa’s grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.
Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebbenwede waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.
Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemdenTrollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa’s in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden.De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa’s bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa’s door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa’s van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.
Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.
Terwijl thans nog 562 M3water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa’s, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.
Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa’s grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.
Plaatselijk verzet op Ceram.Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. “Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,” zegt de Java-Bode en gaat dan voort:“Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens—althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!—kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen—wat meestal slachtoffers eischt—het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien.”
Plaatselijk verzet op Ceram.
Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. “Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,” zegt de Java-Bode en gaat dan voort:“Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens—althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!—kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen—wat meestal slachtoffers eischt—het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien.”
Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.
Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?
Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.
Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.
Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.
Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. “Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,” zegt de Java-Bode en gaat dan voort:
“Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens—althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!—kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.
Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen—wat meestal slachtoffers eischt—het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien.”
Over den Roewenzori.De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.
Over den Roewenzori.
De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.
De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.
Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.
Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.
Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.
Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.
Mosselteelt.De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongengevulde nettenworden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.Een goede vangst.Een goede vangst.Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.
Mosselteelt.
De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongengevulde nettenworden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.Een goede vangst.Een goede vangst.Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.
De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.
Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongengevulde nettenworden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.
Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.
Een goede vangst.Een goede vangst.
Een goede vangst.
Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.
Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.
De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.
Een nieuw modern dorp.Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.
Een nieuw modern dorp.
Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.
Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.
Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.
In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.
Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.
Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.
In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.
Plasmolen’s schoon.Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zekerzeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zichverliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.Het hotel de Plasmolen.Het hotel de Plasmolen.’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.Leo Niehorster.
Plasmolen’s schoon.
Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zekerzeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zichverliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.Het hotel de Plasmolen.Het hotel de Plasmolen.’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.Leo Niehorster.
Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.
’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zekerzeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.
Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.
Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.
Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.
Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.
En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.
Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zichverliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.
Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.
Het hotel de Plasmolen.Het hotel de Plasmolen.
Het hotel de Plasmolen.
’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.
Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.
Leo Niehorster.
Noordhollandsch Watertochtje.Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam, de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest, want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het genot van bootjevaren.Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de »wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen ophalen,en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes hier reproduceeren.Kerk te Spaarndam.Kerk te Spaarndam.Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf ’s morgens beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte, namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden, en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te water op poene van soms een langen wachttijd.In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid, de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar, van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alleeenigszinsbelangrijke punten van den watertocht passeeren de revue, terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid getuigenden polder.Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen, dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna’sche vaart, een ouden waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw, die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd gerust onder de oogen kunnen komen.Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden, waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk achterlangs Krommenietot bij het punt, waar de Nauernavaart zich afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.Kerk te Westzaan.Kerk te Westzaan.Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen, heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer, typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aande Zaan vormen en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan afwisseling.Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur, J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842 aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.
Noordhollandsch Watertochtje.
Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam, de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest, want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het genot van bootjevaren.Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de »wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen ophalen,en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes hier reproduceeren.Kerk te Spaarndam.Kerk te Spaarndam.Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf ’s morgens beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte, namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden, en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te water op poene van soms een langen wachttijd.In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid, de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar, van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alleeenigszinsbelangrijke punten van den watertocht passeeren de revue, terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid getuigenden polder.Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen, dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna’sche vaart, een ouden waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw, die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd gerust onder de oogen kunnen komen.Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden, waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk achterlangs Krommenietot bij het punt, waar de Nauernavaart zich afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.Kerk te Westzaan.Kerk te Westzaan.Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen, heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer, typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aande Zaan vormen en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan afwisseling.Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur, J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842 aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.
Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam, de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest, want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het genot van bootjevaren.
Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de »wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen ophalen,en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes hier reproduceeren.
Kerk te Spaarndam.Kerk te Spaarndam.
Kerk te Spaarndam.
Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf ’s morgens beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte, namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden, en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te water op poene van soms een langen wachttijd.
In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid, de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar, van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alleeenigszinsbelangrijke punten van den watertocht passeeren de revue, terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid getuigenden polder.
Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen, dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna’sche vaart, een ouden waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw, die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd gerust onder de oogen kunnen komen.
Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden, waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk achterlangs Krommenietot bij het punt, waar de Nauernavaart zich afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.
Kerk te Westzaan.Kerk te Westzaan.
Kerk te Westzaan.
Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen, heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer, typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aande Zaan vormen en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan afwisseling.
Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur, J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.
Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842 aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.
Een internationaal Noordzeebad.De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38 treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af, terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen, waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd, heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een paviljoen met ververschingen beschikbaar.Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte, die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op 7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei voor badgasten, dieenkel voor het genieten van de zeelucht komen; het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.
Een internationaal Noordzeebad.
De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38 treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af, terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen, waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd, heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een paviljoen met ververschingen beschikbaar.Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte, die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op 7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei voor badgasten, dieenkel voor het genieten van de zeelucht komen; het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.
De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.
De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38 treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.
Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af, terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.
De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen, waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd, heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.
Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een paviljoen met ververschingen beschikbaar.
Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte, die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op 7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei voor badgasten, dieenkel voor het genieten van de zeelucht komen; het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.
Ligue internationale des Associations Touristes.De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue, die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is zoo groot geworden, dat zoo’n instelling niet langer kan worden gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.
Ligue internationale des Associations Touristes.
De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue, die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is zoo groot geworden, dat zoo’n instelling niet langer kan worden gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.
De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue, die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.
Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is zoo groot geworden, dat zoo’n instelling niet langer kan worden gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.