Op den Uitkijk

Op den UitkijkDe post over het ijs.Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.Per schaats door het Spreewald.Per schaats door het Spreewald.Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het ’s zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.Volken van Sumatra.De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven,die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor hetethnografischmuseum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in ’t begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de KoeboesvanMoeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.Een internationale groote wereld.Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, ’s Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.Onze kennis van Arabië.Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.Voorjaarsreizen.De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone’s »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar ’t zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!De Jungfrauspoorweg.»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u ’t al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.Panorama op het hooggebergte.Panorama op het hooggebergte.Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa’s als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«Van de Ehze in de oude Graafschap Zutphen.Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten.Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.’t Huis Eeze by Almen 1743’t Huis Eeze by Almen 1743Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze,die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaardgebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft deoud-ritmeesterbaron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft eenprachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met denieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto’s, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia’s, met calla’s en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France’s, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!OnzeAlpenvereeniging.Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.De abdij van Egmond.De abdij van Egmond.Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.Herbouw van de abdij van Egmond.Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.Verschillend postvervoer.Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!Parijsche post-automobiel.Parijsche post-automobiel.Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto’s ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.Marokkaansche postbode.Marokkaanschepostbode.Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase ’t nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.Paard en auto.»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto’s in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto’s de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kanhetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto’s, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«Taalgrenzen.De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.Veelal beheerscht degrensbewonerbeide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.Noord-Atlantische Oceaan.Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.Kolonisatie van Europeanen.In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.Onrust in Abessynië.Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!Op de grenzen van Montenegro.De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.Montenegrijnsche soldaten.Montenegrijnsche soldaten.In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.Gelukkige ambitie van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij.Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd vanManokwarinaar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.De Denen weer naar het Noorden.Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.Geen territoriën meer in de Vereenigde Staten.Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld instates. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.

Op den UitkijkDe post over het ijs.Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.Per schaats door het Spreewald.Per schaats door het Spreewald.Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het ’s zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.Volken van Sumatra.De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven,die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor hetethnografischmuseum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in ’t begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de KoeboesvanMoeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.Een internationale groote wereld.Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, ’s Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.Onze kennis van Arabië.Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.Voorjaarsreizen.De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone’s »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar ’t zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!De Jungfrauspoorweg.»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u ’t al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.Panorama op het hooggebergte.Panorama op het hooggebergte.Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa’s als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«Van de Ehze in de oude Graafschap Zutphen.Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten.Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.’t Huis Eeze by Almen 1743’t Huis Eeze by Almen 1743Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze,die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaardgebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft deoud-ritmeesterbaron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft eenprachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met denieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto’s, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia’s, met calla’s en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France’s, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!OnzeAlpenvereeniging.Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.De abdij van Egmond.De abdij van Egmond.Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.Herbouw van de abdij van Egmond.Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.Verschillend postvervoer.Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!Parijsche post-automobiel.Parijsche post-automobiel.Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto’s ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.Marokkaansche postbode.Marokkaanschepostbode.Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase ’t nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.Paard en auto.»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto’s in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto’s de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kanhetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto’s, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«Taalgrenzen.De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.Veelal beheerscht degrensbewonerbeide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.Noord-Atlantische Oceaan.Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.Kolonisatie van Europeanen.In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.Onrust in Abessynië.Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!Op de grenzen van Montenegro.De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.Montenegrijnsche soldaten.Montenegrijnsche soldaten.In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.Gelukkige ambitie van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij.Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd vanManokwarinaar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.De Denen weer naar het Noorden.Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.Geen territoriën meer in de Vereenigde Staten.Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld instates. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.

De post over het ijs.Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.Per schaats door het Spreewald.Per schaats door het Spreewald.Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het ’s zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.

De post over het ijs.

Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.Per schaats door het Spreewald.Per schaats door het Spreewald.Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het ’s zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.

Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.

Met hondesleden over het Groenland-ijs.Met hondesleden over het Groenland-ijs.

Met hondesleden over het Groenland-ijs.

Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.

Per schaats door het Spreewald.Per schaats door het Spreewald.

Per schaats door het Spreewald.

Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het ’s zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.

Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.

De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.

Volken van Sumatra.De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven,die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor hetethnografischmuseum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in ’t begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de KoeboesvanMoeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.

Volken van Sumatra.

De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven,die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor hetethnografischmuseum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in ’t begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de KoeboesvanMoeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.

De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.

Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven,die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor hetethnografischmuseum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.

Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.

In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in ’t begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.

Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de KoeboesvanMoeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.

Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.

Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.

Een internationale groote wereld.Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, ’s Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.

Een internationale groote wereld.

Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, ’s Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.

Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.

De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, ’s Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.

Onze kennis van Arabië.Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.

Onze kennis van Arabië.

Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.

Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.

Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.

Voorjaarsreizen.De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone’s »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar ’t zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!

Voorjaarsreizen.

De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone’s »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar ’t zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!

De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.

Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone’s »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«

Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar ’t zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!

De Jungfrauspoorweg.»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u ’t al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.Panorama op het hooggebergte.Panorama op het hooggebergte.Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa’s als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«

De Jungfrauspoorweg.

»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u ’t al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.Panorama op het hooggebergte.Panorama op het hooggebergte.Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa’s als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«

»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u ’t al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.

Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.

Panorama op het hooggebergte.Panorama op het hooggebergte.

Panorama op het hooggebergte.

Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.

Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.

De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.

Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.

Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa’s als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.

Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.

Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«

Van de Ehze in de oude Graafschap Zutphen.Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten.Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.’t Huis Eeze by Almen 1743’t Huis Eeze by Almen 1743Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze,die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaardgebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft deoud-ritmeesterbaron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft eenprachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met denieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto’s, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia’s, met calla’s en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France’s, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!

Van de Ehze in de oude Graafschap Zutphen.

Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten.Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.’t Huis Eeze by Almen 1743’t Huis Eeze by Almen 1743Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze,die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaardgebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft deoud-ritmeesterbaron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft eenprachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met denieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto’s, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia’s, met calla’s en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France’s, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!

Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.

In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten.Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.

’t Huis Eeze by Almen 1743’t Huis Eeze by Almen 1743

’t Huis Eeze by Almen 1743

Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.

Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.

Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.

In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.

Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze,die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.

De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).

De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld).

Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaardgebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.

Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.

Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft deoud-ritmeesterbaron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.

En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?

Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.

Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.

Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft eenprachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.

Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)

Gezicht uit het huis De Ehze. (Phot. Hoetink, Warnsveld.)

Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.

Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.

Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.

Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met denieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto’s, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.

Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.

A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.

Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.

Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia’s, met calla’s en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France’s, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!

OnzeAlpenvereeniging.Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.De abdij van Egmond.De abdij van Egmond.Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.

OnzeAlpenvereeniging.

Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.De abdij van Egmond.De abdij van Egmond.Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.

Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.

Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.

Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.

Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.

Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.

Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).

Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.

De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.

1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.

De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.

De abdij van Egmond.De abdij van Egmond.Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.

De abdij van Egmond.

Uitkronyck ende historie vanden huyse van Egmondt. Alkm. 1655.

Herbouw van de abdij van Egmond.Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.

Herbouw van de abdij van Egmond.

Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.

Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.

Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.

Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.

Verschillend postvervoer.Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!Parijsche post-automobiel.Parijsche post-automobiel.Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto’s ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.Marokkaansche postbode.Marokkaanschepostbode.Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase ’t nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.

Verschillend postvervoer.

Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!Parijsche post-automobiel.Parijsche post-automobiel.Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto’s ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.Marokkaansche postbode.Marokkaanschepostbode.Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase ’t nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.

Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!

Parijsche post-automobiel.Parijsche post-automobiel.

Parijsche post-automobiel.

Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto’s ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.

Marokkaansche postbode.Marokkaanschepostbode.

Marokkaanschepostbode.

Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase ’t nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.

Paard en auto.»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto’s in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto’s de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kanhetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto’s, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«

Paard en auto.

»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto’s in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto’s de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kanhetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto’s, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«

»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto’s in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.

Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto’s de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.

De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kanhetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.

Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto’s, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.

Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«

Taalgrenzen.De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.Veelal beheerscht degrensbewonerbeide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.

Taalgrenzen.

De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.Veelal beheerscht degrensbewonerbeide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.

De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.

Veelal beheerscht degrensbewonerbeide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.

Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.

Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.

Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.

Noord-Atlantische Oceaan.Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.

Noord-Atlantische Oceaan.

Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.

Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.

Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.

Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.

Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.

Kolonisatie van Europeanen.In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.

Kolonisatie van Europeanen.

In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.

In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.

In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.

Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.

Onrust in Abessynië.Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!

Onrust in Abessynië.

Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!

Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.

Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!

Op de grenzen van Montenegro.De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.Montenegrijnsche soldaten.Montenegrijnsche soldaten.In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.

Op de grenzen van Montenegro.

De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.Montenegrijnsche soldaten.Montenegrijnsche soldaten.In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.

De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.

Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.

Montenegrijnsche soldaten.Montenegrijnsche soldaten.

Montenegrijnsche soldaten.

In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.

De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.

Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.

»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.

»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.

Gelukkige ambitie van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij.Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd vanManokwarinaar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.

Gelukkige ambitie van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij.

Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd vanManokwarinaar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.

Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.

Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd vanManokwarinaar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.

De Denen weer naar het Noorden.Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.

De Denen weer naar het Noorden.

Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.

Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.

Geen territoriën meer in de Vereenigde Staten.Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld instates. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.

Geen territoriën meer in de Vereenigde Staten.

Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld instates. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.

Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld instates. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.


Back to IndexNext