Parijsche Cabarets.

Op den Uitkijk.Parijsche Cabarets.In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.De Moulin de la Galette te Parijs.De Moulin de la Galette te Parijs.De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d’Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z’Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L’Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekigetafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.De Moulin Rouge te Parijs.De Moulin Rouge te Parijs.Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.Wonderlijke toestanden in Onzijdig Moresnet.In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.Echte Panama’s, door Nederlanders gevlochten.Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor vanCuraçaozijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie vanCuraçao’schestroohoeden of Panama’s, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama’s komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.Rotterdams Museum voor land- en volkenkunde.Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo’n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L’Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in ’t bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.De Duitscher, onder boeten gebukt gaande.Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2denJanuari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!De Bottelpoort te Nijmegen weer aan de orde.Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het “Bottelplantsoen.”Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging “Gelre,” die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.De Bottelpoort werd in 1538–1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard envan Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat “zwartgrauwe steengevaarte” klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en ’s avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.En nu zou ze die voor goed willen opruimen?Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.Den 14denJuni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.Het neusje van den Gooischen zalm.Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeeringvan de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.Groest te Hilversum.Groest te Hilversum.Het oude Hilversum was in de 15deeeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa’s, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er eenhoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.Gooische Vaart bij Hilversum.Gooische Vaart bij Hilversum.Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukkemarktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.De lanen, waaronder de ’s-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.Ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Onze groote natuuronderzoeker uit de 17deeeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.Het gedenkteeken ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek’s woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia’s bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.Automobielthee.Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.De kleeding der Maori.Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze inDe Aardete doen afdrukken.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear,Maori-race(1904). Zij luidt aldus:»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.DeKorowaiwas een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; dienestelswaren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.DeKorirangiwas een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.DeKaitakawas een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.Vedermantels (Kakahu-kuraofhuruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van deKiwi(Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boekAux Antipodes(Parijs, 1891) op bladz. 214v.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in deNieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«Ook over hettatoeëerenspreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang1. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijkbestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.Joh. F. Snelleman.Oostvoorne, 8–VI–’09.1Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een “Electrische Tatoueerinrichting” (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko’s zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.Sn.Feest aan de Dedemsvaart.Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18deeeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9denJuli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel–Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!Engeland versus Duitschland.De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»Dit was in de week van ’s Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!

Op den Uitkijk.Parijsche Cabarets.In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.De Moulin de la Galette te Parijs.De Moulin de la Galette te Parijs.De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d’Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z’Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L’Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekigetafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.De Moulin Rouge te Parijs.De Moulin Rouge te Parijs.Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.Wonderlijke toestanden in Onzijdig Moresnet.In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.Echte Panama’s, door Nederlanders gevlochten.Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor vanCuraçaozijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie vanCuraçao’schestroohoeden of Panama’s, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama’s komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.Rotterdams Museum voor land- en volkenkunde.Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo’n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L’Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in ’t bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.De Duitscher, onder boeten gebukt gaande.Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2denJanuari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!De Bottelpoort te Nijmegen weer aan de orde.Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het “Bottelplantsoen.”Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging “Gelre,” die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.De Bottelpoort werd in 1538–1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard envan Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat “zwartgrauwe steengevaarte” klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en ’s avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.En nu zou ze die voor goed willen opruimen?Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.Den 14denJuni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.Het neusje van den Gooischen zalm.Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeeringvan de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.Groest te Hilversum.Groest te Hilversum.Het oude Hilversum was in de 15deeeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa’s, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er eenhoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.Gooische Vaart bij Hilversum.Gooische Vaart bij Hilversum.Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukkemarktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.De lanen, waaronder de ’s-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.Ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Onze groote natuuronderzoeker uit de 17deeeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.Het gedenkteeken ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek’s woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia’s bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.Automobielthee.Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.De kleeding der Maori.Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze inDe Aardete doen afdrukken.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear,Maori-race(1904). Zij luidt aldus:»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.DeKorowaiwas een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; dienestelswaren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.DeKorirangiwas een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.DeKaitakawas een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.Vedermantels (Kakahu-kuraofhuruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van deKiwi(Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boekAux Antipodes(Parijs, 1891) op bladz. 214v.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in deNieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«Ook over hettatoeëerenspreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang1. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijkbestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.Joh. F. Snelleman.Oostvoorne, 8–VI–’09.1Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een “Electrische Tatoueerinrichting” (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko’s zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.Sn.Feest aan de Dedemsvaart.Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18deeeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9denJuli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel–Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!Engeland versus Duitschland.De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»Dit was in de week van ’s Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!

Op den Uitkijk.

Parijsche Cabarets.In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.De Moulin de la Galette te Parijs.De Moulin de la Galette te Parijs.De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d’Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z’Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L’Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekigetafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.De Moulin Rouge te Parijs.De Moulin Rouge te Parijs.Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.

Parijsche Cabarets.

In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.De Moulin de la Galette te Parijs.De Moulin de la Galette te Parijs.De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d’Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z’Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Het cabaret Le Ciel te Parijs.Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L’Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekigetafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.De Moulin Rouge te Parijs.De Moulin Rouge te Parijs.Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.

In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.

De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.

De Moulin de la Galette te Parijs.De Moulin de la Galette te Parijs.

De Moulin de la Galette te Parijs.

De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.

In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d’Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.

Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z’Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.

De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.

Het cabaret Le Ciel te Parijs.Het cabaret Le Ciel te Parijs.

Het cabaret Le Ciel te Parijs.

Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L’Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekigetafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.

De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.

Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.

De Moulin Rouge te Parijs.De Moulin Rouge te Parijs.

De Moulin Rouge te Parijs.

Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.

Wonderlijke toestanden in Onzijdig Moresnet.In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.

Wonderlijke toestanden in Onzijdig Moresnet.

In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.

In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.

Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.

Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.

De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.

De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.

Echte Panama’s, door Nederlanders gevlochten.Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor vanCuraçaozijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie vanCuraçao’schestroohoeden of Panama’s, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama’s komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.

Echte Panama’s, door Nederlanders gevlochten.

Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor vanCuraçaozijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie vanCuraçao’schestroohoeden of Panama’s, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama’s komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.

Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor vanCuraçaozijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie vanCuraçao’schestroohoeden of Panama’s, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.

Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama’s komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.

Rotterdams Museum voor land- en volkenkunde.Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo’n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L’Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in ’t bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.

Rotterdams Museum voor land- en volkenkunde.

Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo’n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L’Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in ’t bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.

Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo’n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.

Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.

Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L’Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in ’t bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.

Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.

Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.

De Duitscher, onder boeten gebukt gaande.Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2denJanuari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!

De Duitscher, onder boeten gebukt gaande.

Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2denJanuari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!

Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.

Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.

Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.

Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.

Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.

Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.

De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.

Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2denJanuari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.

Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.

Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.

Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!

De Bottelpoort te Nijmegen weer aan de orde.Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het “Bottelplantsoen.”Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging “Gelre,” die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.De Bottelpoort werd in 1538–1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard envan Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat “zwartgrauwe steengevaarte” klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en ’s avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.En nu zou ze die voor goed willen opruimen?Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.Den 14denJuni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.

De Bottelpoort te Nijmegen weer aan de orde.

Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het “Bottelplantsoen.”Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging “Gelre,” die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.De Bottelpoort werd in 1538–1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard envan Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat “zwartgrauwe steengevaarte” klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en ’s avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.En nu zou ze die voor goed willen opruimen?Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.Den 14denJuni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.

Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.

Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.

Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.

De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)

De Bottelpoort te Nijmegen. (Phot. G. Korfmacher.)

Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het “Bottelplantsoen.”

Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging “Gelre,” die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.

Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.

Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.

De Bottelpoort werd in 1538–1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard envan Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.

Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat “zwartgrauwe steengevaarte” klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en ’s avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.

Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.

En nu zou ze die voor goed willen opruimen?

Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.

Den 14denJuni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?

De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.

Het neusje van den Gooischen zalm.Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeeringvan de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.Groest te Hilversum.Groest te Hilversum.Het oude Hilversum was in de 15deeeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa’s, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er eenhoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.Gooische Vaart bij Hilversum.Gooische Vaart bij Hilversum.Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukkemarktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.De lanen, waaronder de ’s-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.

Het neusje van den Gooischen zalm.

Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeeringvan de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.Groest te Hilversum.Groest te Hilversum.Het oude Hilversum was in de 15deeeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa’s, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er eenhoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.Gooische Vaart bij Hilversum.Gooische Vaart bij Hilversum.Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukkemarktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.De lanen, waaronder de ’s-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.

Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeeringvan de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.

Groest te Hilversum.Groest te Hilversum.

Groest te Hilversum.

Het oude Hilversum was in de 15deeeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.

Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.

Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa’s, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er eenhoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.

Gooische Vaart bij Hilversum.Gooische Vaart bij Hilversum.

Gooische Vaart bij Hilversum.

Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.

Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.

Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.

Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukkemarktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.

De lanen, waaronder de ’s-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.

Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.

Ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Onze groote natuuronderzoeker uit de 17deeeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.Het gedenkteeken ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek’s woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia’s bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.

Ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.

Onze groote natuuronderzoeker uit de 17deeeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.Het gedenkteeken ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek’s woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia’s bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.

Onze groote natuuronderzoeker uit de 17deeeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.

Het gedenkteeken ter herinnering aan Antony van Leeuwenhoek.

Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek’s woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.

Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia’s bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!

Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.

Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.

Automobielthee.Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.

Automobielthee.

Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.

Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.

De kleeding der Maori.Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze inDe Aardete doen afdrukken.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear,Maori-race(1904). Zij luidt aldus:»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.DeKorowaiwas een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; dienestelswaren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.DeKorirangiwas een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.DeKaitakawas een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.Vedermantels (Kakahu-kuraofhuruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van deKiwi(Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boekAux Antipodes(Parijs, 1891) op bladz. 214v.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in deNieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«Ook over hettatoeëerenspreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang1. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijkbestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.Joh. F. Snelleman.Oostvoorne, 8–VI–’09.1Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een “Electrische Tatoueerinrichting” (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko’s zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.Sn.

De kleeding der Maori.

Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze inDe Aardete doen afdrukken.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear,Maori-race(1904). Zij luidt aldus:»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.DeKorowaiwas een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; dienestelswaren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.DeKorirangiwas een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.DeKaitakawas een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.Vedermantels (Kakahu-kuraofhuruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van deKiwi(Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boekAux Antipodes(Parijs, 1891) op bladz. 214v.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in deNieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«Ook over hettatoeëerenspreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang1. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijkbestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.Joh. F. Snelleman.Oostvoorne, 8–VI–’09.

Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze inDe Aardete doen afdrukken.

Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.

Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.

Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear,Maori-race(1904). Zij luidt aldus:

»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.

Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.

DeKorowaiwas een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; dienestelswaren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.

DeKorirangiwas een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.

DeKaitakawas een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.

Vedermantels (Kakahu-kuraofhuruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van deKiwi(Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.

De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.

De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.

In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.

Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.

Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.

Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boekAux Antipodes(Parijs, 1891) op bladz. 214v.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in deNieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.

In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:

“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.

De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«

Ook over hettatoeëerenspreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang1. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«

Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:

»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijkbestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.

Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«

Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.

Joh. F. Snelleman.

Oostvoorne, 8–VI–’09.

1Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een “Electrische Tatoueerinrichting” (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko’s zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.Sn.

1Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een “Electrische Tatoueerinrichting” (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko’s zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.

Sn.

Feest aan de Dedemsvaart.Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18deeeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9denJuli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel–Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!

Feest aan de Dedemsvaart.

Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18deeeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9denJuli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel–Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!

Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.

Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18deeeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.

In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.

Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.

De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9denJuli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.

Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.

Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.

In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel–Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!

Engeland versus Duitschland.De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»Dit was in de week van ’s Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!

Engeland versus Duitschland.

De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»Dit was in de week van ’s Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!

De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.

Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.

Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.

Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»

Dit was in de week van ’s Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!


Back to IndexNext