Van Ancona naar Reggio.

Op den Uitkijk.Van Ancona naar Reggio.Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa’s tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.Manfredonia.Manfredonia.Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika’s noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.Man uit St. Angelo.Man uit St. Angelo.Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaardging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa’s op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28stendag van December 1908.Interessante studie over Jong-Turkije.Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper’s boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.Rotswoning op den Monte Gargano.Rotswoning op den Monte Gargano.Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau’s en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d’état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.Reisboeken.In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.Betere verbinding tusschen Rijn en Donau in Beieren.Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbindingtusschenZwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.Een Prins in onze Oost.Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brikSnelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van deBellonaafgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna deBellona7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met ’s Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken deBellonaenSnelheidvoor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.Het Afrika-vraagstuk.Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.Op den Uitkijk.Sven Hedin terug uit Thibet.Op den 16denJanuari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoombootBore II. Het Zweedsche marine-vaartuigVegawas deBore IItegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van deVegabevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.’s Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.Postduiven als photografen.Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.Postduif met fotografietoestel.Postduif met fotografietoestel.Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera’s, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera’s zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.Dubbele camera voor postduiven.Dubbele camera voor postduiven.De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft,naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).De Mambèramo.In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschipHavikmet den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s.Camphuysvan de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s.Brakmet den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of “Grootwater” eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4–1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas derCamphuysalleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met deBrakgebeurde hetzelfde.De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de “Rijn” der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale “groote water” is om tot in het binnenland door te dringen.Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein derCamphuyser beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook deBrakdeed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.Sven Hedin.In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin’s verblijf te Londen, waar hij den 6enFebr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.Spitsbergen.Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.Quant à moi van Chineezen en inlanders.Henri Borel heeft een paar mooie foto’s aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma’s in toepassing brengen.Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, ’t is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!Een Batak-spiegel.Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een “Bataksch Instituut”, een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen zegazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.Tram tusschen Genua en Milaan.Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.Gedenkdagen in 1909.Geboortedag vanDarwin12 Februari 1809.” ”Gladstone29 December 1809.” ”Lincoln12 Februari 1809.” ”Mendelssohn3 Februari 1809.” ”Tennyson6 Augustus 1809.” ”Poe19 Januari 1809.” ”Chopin1 Maart 1809.” ”Braille4 Januari 1809.” ”Wendell Holmes29 Augustus 1809.” ”Dr. J. P. Heije1 Maart 1809.Op den Uitkijk.Het tegenwoordige Servië.Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo’n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.Klooster in Studenitza.Klooster in Studenitza.Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.Type van een Serviër.Type van een Serviër.Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »dommeDuitschers« spreken, terwijl ze voor zoo’n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.Amerikaansche eekhorentjes naar Europa.Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in deZoohun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.Bloeiende Alpenvereenigingen.Uit de jaarverslagen van verschillendeAlpen-vereenigingenblijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.Vreemdheid.Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.Caoutchouc en getah pertsja.Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement ’s-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door dehoogstaandebevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als ’t zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.Eénindustriëeletoepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor dezeindustriëeletoepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.Nog eens Spitsbergen.In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann’s Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906–7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.

Op den Uitkijk.Van Ancona naar Reggio.Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa’s tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.Manfredonia.Manfredonia.Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika’s noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.Man uit St. Angelo.Man uit St. Angelo.Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaardging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa’s op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28stendag van December 1908.Interessante studie over Jong-Turkije.Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper’s boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.Rotswoning op den Monte Gargano.Rotswoning op den Monte Gargano.Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau’s en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d’état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.Reisboeken.In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.Betere verbinding tusschen Rijn en Donau in Beieren.Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbindingtusschenZwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.Een Prins in onze Oost.Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brikSnelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van deBellonaafgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna deBellona7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met ’s Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken deBellonaenSnelheidvoor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.Het Afrika-vraagstuk.Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.

Op den Uitkijk.

Van Ancona naar Reggio.Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa’s tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.Manfredonia.Manfredonia.Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika’s noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.Man uit St. Angelo.Man uit St. Angelo.Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaardging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa’s op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28stendag van December 1908.

Van Ancona naar Reggio.

Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa’s tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.Manfredonia.Manfredonia.Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika’s noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.Man uit St. Angelo.Man uit St. Angelo.Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaardging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa’s op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28stendag van December 1908.

Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa’s tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.

Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.

Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.

Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.

Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.

Manfredonia.Manfredonia.

Manfredonia.

Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika’s noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.

Man uit St. Angelo.Man uit St. Angelo.

Man uit St. Angelo.

Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaardging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa’s op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28stendag van December 1908.

Interessante studie over Jong-Turkije.Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper’s boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.Rotswoning op den Monte Gargano.Rotswoning op den Monte Gargano.Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau’s en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d’état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.

Interessante studie over Jong-Turkije.

Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper’s boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.Rotswoning op den Monte Gargano.Rotswoning op den Monte Gargano.Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau’s en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d’état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.

Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.

(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper’s boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)

Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.

Rotswoning op den Monte Gargano.Rotswoning op den Monte Gargano.

Rotswoning op den Monte Gargano.

Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.

Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.

Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau’s en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d’état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.

Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.

Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!

De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.

Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.

Reisboeken.In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.

Reisboeken.

In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.

In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.

Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.

Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.

Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.

Betere verbinding tusschen Rijn en Donau in Beieren.Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbindingtusschenZwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.

Betere verbinding tusschen Rijn en Donau in Beieren.

Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbindingtusschenZwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.

Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.

Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbindingtusschenZwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.

Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.

Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.

Een nieuw ontwerp voor een verbinding tusschen Rijn en Donau.

De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.

Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.

De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.

Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.

Een Prins in onze Oost.Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brikSnelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van deBellonaafgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna deBellona7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met ’s Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken deBellonaenSnelheidvoor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.

Een Prins in onze Oost.

Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brikSnelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van deBellonaafgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna deBellona7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met ’s Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken deBellonaenSnelheidvoor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.

Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.

In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.

Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brikSnelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van deBellonaafgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.

Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna deBellona7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met ’s Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken deBellonaenSnelheidvoor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.

Het Afrika-vraagstuk.Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.

Het Afrika-vraagstuk.Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.

Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.

Het Afrika-vraagstuk door Dr.C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.

Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.

Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.

Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.

Op den Uitkijk.Sven Hedin terug uit Thibet.Op den 16denJanuari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoombootBore II. Het Zweedsche marine-vaartuigVegawas deBore IItegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van deVegabevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.’s Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.Postduiven als photografen.Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.Postduif met fotografietoestel.Postduif met fotografietoestel.Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera’s, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera’s zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.Dubbele camera voor postduiven.Dubbele camera voor postduiven.De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft,naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).De Mambèramo.In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschipHavikmet den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s.Camphuysvan de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s.Brakmet den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of “Grootwater” eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4–1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas derCamphuysalleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met deBrakgebeurde hetzelfde.De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de “Rijn” der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale “groote water” is om tot in het binnenland door te dringen.Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein derCamphuyser beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook deBrakdeed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.Sven Hedin.In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin’s verblijf te Londen, waar hij den 6enFebr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.Spitsbergen.Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.Quant à moi van Chineezen en inlanders.Henri Borel heeft een paar mooie foto’s aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma’s in toepassing brengen.Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, ’t is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!Een Batak-spiegel.Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een “Bataksch Instituut”, een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen zegazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.Tram tusschen Genua en Milaan.Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.Gedenkdagen in 1909.Geboortedag vanDarwin12 Februari 1809.” ”Gladstone29 December 1809.” ”Lincoln12 Februari 1809.” ”Mendelssohn3 Februari 1809.” ”Tennyson6 Augustus 1809.” ”Poe19 Januari 1809.” ”Chopin1 Maart 1809.” ”Braille4 Januari 1809.” ”Wendell Holmes29 Augustus 1809.” ”Dr. J. P. Heije1 Maart 1809.

Op den Uitkijk.

Sven Hedin terug uit Thibet.Op den 16denJanuari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoombootBore II. Het Zweedsche marine-vaartuigVegawas deBore IItegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van deVegabevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.’s Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.

Sven Hedin terug uit Thibet.

Op den 16denJanuari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoombootBore II. Het Zweedsche marine-vaartuigVegawas deBore IItegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van deVegabevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.’s Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.

Op den 16denJanuari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.

De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoombootBore II. Het Zweedsche marine-vaartuigVegawas deBore IItegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van deVegabevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.

De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.

Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.

’s Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.

Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.

Postduiven als photografen.Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.Postduif met fotografietoestel.Postduif met fotografietoestel.Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera’s, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera’s zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.Dubbele camera voor postduiven.Dubbele camera voor postduiven.De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft,naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).

Postduiven als photografen.

Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.Postduif met fotografietoestel.Postduif met fotografietoestel.Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera’s, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera’s zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.Dubbele camera voor postduiven.Dubbele camera voor postduiven.De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft,naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).

Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.

Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.

Verplaatsbare duiventil, tevens donkere kamer.

Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.

Postduif met fotografietoestel.Postduif met fotografietoestel.

Postduif met fotografietoestel.

Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera’s, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera’s zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.

Dubbele camera voor postduiven.Dubbele camera voor postduiven.

Dubbele camera voor postduiven.

De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.

Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.

Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.

Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft,naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.

Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).

Opname van een brug door middel van een door een duif gedragen toestel (vergroot).

De Mambèramo.In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschipHavikmet den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s.Camphuysvan de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s.Brakmet den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of “Grootwater” eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4–1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas derCamphuysalleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met deBrakgebeurde hetzelfde.De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de “Rijn” der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale “groote water” is om tot in het binnenland door te dringen.Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein derCamphuyser beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook deBrakdeed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.

De Mambèramo.

In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschipHavikmet den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s.Camphuysvan de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s.Brakmet den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of “Grootwater” eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4–1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas derCamphuysalleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met deBrakgebeurde hetzelfde.De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de “Rijn” der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale “groote water” is om tot in het binnenland door te dringen.Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein derCamphuyser beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook deBrakdeed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.

In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.

De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschipHavikmet den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s.Camphuysvan de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s.Brakmet den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.

De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of “Grootwater” eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.

De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.

Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4–1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas derCamphuysalleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met deBrakgebeurde hetzelfde.

De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de “Rijn” der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale “groote water” is om tot in het binnenland door te dringen.

Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein derCamphuyser beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook deBrakdeed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.

Sven Hedin.In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin’s verblijf te Londen, waar hij den 6enFebr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.

Sven Hedin.

In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin’s verblijf te Londen, waar hij den 6enFebr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.

In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin’s verblijf te Londen, waar hij den 6enFebr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.

Spitsbergen.Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.

Spitsbergen.

Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.

Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.

Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.

Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.

Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.

In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.

Quant à moi van Chineezen en inlanders.Henri Borel heeft een paar mooie foto’s aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma’s in toepassing brengen.Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, ’t is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!

Quant à moi van Chineezen en inlanders.

Henri Borel heeft een paar mooie foto’s aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma’s in toepassing brengen.Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, ’t is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!

Henri Borel heeft een paar mooie foto’s aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.

Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma’s in toepassing brengen.

Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.

Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, ’t is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!

Een Batak-spiegel.Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een “Bataksch Instituut”, een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen zegazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.

Een Batak-spiegel.

Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een “Bataksch Instituut”, een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen zegazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.

Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een “Bataksch Instituut”, een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.

Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.

Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen zegazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.

Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.

Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.

Tram tusschen Genua en Milaan.Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.

Tram tusschen Genua en Milaan.

Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.

Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.

De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.

Gedenkdagen in 1909.Geboortedag vanDarwin12 Februari 1809.” ”Gladstone29 December 1809.” ”Lincoln12 Februari 1809.” ”Mendelssohn3 Februari 1809.” ”Tennyson6 Augustus 1809.” ”Poe19 Januari 1809.” ”Chopin1 Maart 1809.” ”Braille4 Januari 1809.” ”Wendell Holmes29 Augustus 1809.” ”Dr. J. P. Heije1 Maart 1809.

Gedenkdagen in 1909.

Geboortedag vanDarwin12 Februari 1809.” ”Gladstone29 December 1809.” ”Lincoln12 Februari 1809.” ”Mendelssohn3 Februari 1809.” ”Tennyson6 Augustus 1809.” ”Poe19 Januari 1809.” ”Chopin1 Maart 1809.” ”Braille4 Januari 1809.” ”Wendell Holmes29 Augustus 1809.” ”Dr. J. P. Heije1 Maart 1809.

Geboortedag vanDarwin12 Februari 1809.” ”Gladstone29 December 1809.” ”Lincoln12 Februari 1809.” ”Mendelssohn3 Februari 1809.” ”Tennyson6 Augustus 1809.” ”Poe19 Januari 1809.” ”Chopin1 Maart 1809.” ”Braille4 Januari 1809.” ”Wendell Holmes29 Augustus 1809.” ”Dr. J. P. Heije1 Maart 1809.

Op den Uitkijk.Het tegenwoordige Servië.Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo’n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.Klooster in Studenitza.Klooster in Studenitza.Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.Type van een Serviër.Type van een Serviër.Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »dommeDuitschers« spreken, terwijl ze voor zoo’n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.Amerikaansche eekhorentjes naar Europa.Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in deZoohun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.Bloeiende Alpenvereenigingen.Uit de jaarverslagen van verschillendeAlpen-vereenigingenblijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.Vreemdheid.Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.Caoutchouc en getah pertsja.Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement ’s-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door dehoogstaandebevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als ’t zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.Eénindustriëeletoepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor dezeindustriëeletoepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.Nog eens Spitsbergen.In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann’s Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906–7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.

Op den Uitkijk.

Het tegenwoordige Servië.Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo’n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.Klooster in Studenitza.Klooster in Studenitza.Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.Type van een Serviër.Type van een Serviër.Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »dommeDuitschers« spreken, terwijl ze voor zoo’n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.

Het tegenwoordige Servië.

Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo’n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.Klooster in Studenitza.Klooster in Studenitza.Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.Type van een Serviër.Type van een Serviër.Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »dommeDuitschers« spreken, terwijl ze voor zoo’n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.

Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.

Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.

Zigeunervrouwen met houtwaren op de markt van Kraljevo.

Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo’n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.

De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.

Klooster in Studenitza.Klooster in Studenitza.

Klooster in Studenitza.

Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.

Type van een Serviër.Type van een Serviër.

Type van een Serviër.

Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.

Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »dommeDuitschers« spreken, terwijl ze voor zoo’n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.

Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.

Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.

In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.

Amerikaansche eekhorentjes naar Europa.Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in deZoohun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.

Amerikaansche eekhorentjes naar Europa.

Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in deZoohun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.

Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.

In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.

Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.

Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.

Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.

In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in deZoohun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.

Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.

Bloeiende Alpenvereenigingen.Uit de jaarverslagen van verschillendeAlpen-vereenigingenblijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.

Bloeiende Alpenvereenigingen.

Uit de jaarverslagen van verschillendeAlpen-vereenigingenblijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.

Uit de jaarverslagen van verschillendeAlpen-vereenigingenblijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.

Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.

Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.

Vreemdheid.Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.

Vreemdheid.

Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.

Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.

Caoutchouc en getah pertsja.Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement ’s-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door dehoogstaandebevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als ’t zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.Eénindustriëeletoepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor dezeindustriëeletoepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.

Caoutchouc en getah pertsja.

Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement ’s-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door dehoogstaandebevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als ’t zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.Eénindustriëeletoepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor dezeindustriëeletoepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.

Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement ’s-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.

Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.

Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door dehoogstaandebevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als ’t zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.

Eénindustriëeletoepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.

Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.

Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.

Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor dezeindustriëeletoepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.

Klein-Azië en de Bagdadspoorweg.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.

Klein-Azië en de Bagdadspoorweg.Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.

Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.

Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië doorJ. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.

Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.

Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.

Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.

Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.

De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.

Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.

Nog eens Spitsbergen.In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann’s Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906–7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.

Nog eens Spitsbergen.

In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann’s Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906–7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.

In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann’s Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906–7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.

Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.


Back to IndexNext