Zuidafrikaansche struisvogelteelt.

Op den Uitkijk.Zuidafrikaansche struisvogelteelt.Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa’s, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord.Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.Het nieuwe plan van Amundsen.Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, deFramdie, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.Over een hoekje van Nieuw-Nederland.Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.Wat zal de hoofdstad van Australië zijn?De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.Duitsche Koloniale school.In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftlicheKolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, deDeutsche Kolonialzeitung.Op den Uitkijk.Standbeelden van koningen van DahomeyIn vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.Koning Geto, de “haan”.Koning Geto, de “haan”.Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.Koning Glele, de “leeuw”.Koning Glele, de “leeuw”.Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.Koning Behanzin, de “haai”.Koning Behanzin, de “haai”.Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.Van varen en landen in de Stille Zuidzee.De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis overHongkongaangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.Het ging goed met de inscheping in dekleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.Reis naar Voor-Azië.De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.Kunstwerken.Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.Marokko en de mogendheden.Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt deNieuwe Rotterdamsche Courantde volgende opmerking:Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners vanFezmoesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later—in 1906—krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk’s leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.Het kan haast niet anders of vurigeMarokkaanschepatriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.Met groote heeren is het slecht kersen eten.Noordpoolexpeditie van Dr. Frederick A. Cook.De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgischezuidpoolexpeditievan de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26stenFebruari 1908 met Francke en eenige Eskimo’s over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3denMaart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17denMaart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers’ Club«.Onderwijs aan inlandsche meisjes.Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga’s, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.Op den Uitkijk.Een vergeten amerikaansche expeditie ter opsporing van de Noordwestelijke Doorvaart.Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillendefjordenaan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo’s gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.Nederlandsch onderzoeker op Celebes.De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.Postboden in de tropen.»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.Postbode en brievenbus in Tahiti.Postbode en brievenbus in Tahiti.De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een dingvan groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.Postbode in Dar es Salaam.Postbode in Dar es Salaam.Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma’s nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.Brieven uit de Oost.In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.Nijldam bij Esneh.Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.In Indië naar de Middeleeuwen verplaatst.Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!Na den Roewenzori de Mount Everest.De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij ’t Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.

Op den Uitkijk.Zuidafrikaansche struisvogelteelt.Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa’s, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord.Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.Het nieuwe plan van Amundsen.Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, deFramdie, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.Over een hoekje van Nieuw-Nederland.Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.Wat zal de hoofdstad van Australië zijn?De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.Duitsche Koloniale school.In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftlicheKolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, deDeutsche Kolonialzeitung.

Op den Uitkijk.

Zuidafrikaansche struisvogelteelt.Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa’s, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord.Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.

Zuidafrikaansche struisvogelteelt.

Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa’s, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord.Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.

Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.

De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)

De struisvogelfarm van Schoeman bij Oudtshoorn. (Photo Dr. Oskar Bongard.)

In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.

De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.

De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.

In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa’s, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.

Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.

Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord.Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.

Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)

Woonhuis van een rijken boer op een struisvogelfarm. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)

Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.

Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.

Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.

De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.

Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)

Het sorteeren van struisvogelveeren. (Phot. Dr. Oskar Bongard.)

In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.

In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.

Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.

Het nieuwe plan van Amundsen.Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, deFramdie, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.

Het nieuwe plan van Amundsen.

Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, deFramdie, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.

Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, deFramdie, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.

Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.

Over een hoekje van Nieuw-Nederland.Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.

Over een hoekje van Nieuw-Nederland.

Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.

Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.

Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.

De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.

Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.

Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.

Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.

Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.

Wat zal de hoofdstad van Australië zijn?De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.

Wat zal de hoofdstad van Australië zijn?

De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.

De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.

De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.

Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.

Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.

Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.

De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.

Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.

Duitsche Koloniale school.In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftlicheKolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, deDeutsche Kolonialzeitung.

Duitsche Koloniale school.

In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftlicheKolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, deDeutsche Kolonialzeitung.

In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftlicheKolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.

Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.

Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, deDeutsche Kolonialzeitung.

Op den Uitkijk.Standbeelden van koningen van DahomeyIn vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.Koning Geto, de “haan”.Koning Geto, de “haan”.Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.Koning Glele, de “leeuw”.Koning Glele, de “leeuw”.Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.Koning Behanzin, de “haai”.Koning Behanzin, de “haai”.Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.Van varen en landen in de Stille Zuidzee.De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis overHongkongaangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.Het ging goed met de inscheping in dekleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.Reis naar Voor-Azië.De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.Kunstwerken.Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.Marokko en de mogendheden.Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt deNieuwe Rotterdamsche Courantde volgende opmerking:Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners vanFezmoesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later—in 1906—krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk’s leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.Het kan haast niet anders of vurigeMarokkaanschepatriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.Met groote heeren is het slecht kersen eten.Noordpoolexpeditie van Dr. Frederick A. Cook.De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgischezuidpoolexpeditievan de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26stenFebruari 1908 met Francke en eenige Eskimo’s over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3denMaart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17denMaart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers’ Club«.Onderwijs aan inlandsche meisjes.Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga’s, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.

Op den Uitkijk.

Standbeelden van koningen van DahomeyIn vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.Koning Geto, de “haan”.Koning Geto, de “haan”.Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.Koning Glele, de “leeuw”.Koning Glele, de “leeuw”.Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.Koning Behanzin, de “haai”.Koning Behanzin, de “haai”.Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.

Standbeelden van koningen van Dahomey

In vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.Koning Geto, de “haan”.Koning Geto, de “haan”.Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.Koning Glele, de “leeuw”.Koning Glele, de “leeuw”.Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.Koning Behanzin, de “haai”.Koning Behanzin, de “haai”.Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.

In vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.

Koning Geto, de “haan”.Koning Geto, de “haan”.

Koning Geto, de “haan”.

Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.

Koning Glele, de “leeuw”.Koning Glele, de “leeuw”.

Koning Glele, de “leeuw”.

Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.

Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.

Koning Behanzin, de “haai”.Koning Behanzin, de “haai”.

Koning Behanzin, de “haai”.

Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.

Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.

Van varen en landen in de Stille Zuidzee.De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis overHongkongaangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.Het ging goed met de inscheping in dekleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.

Van varen en landen in de Stille Zuidzee.

De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis overHongkongaangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.Het ging goed met de inscheping in dekleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.

De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.

Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.

Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.

Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis overHongkongaangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.

Het ging goed met de inscheping in dekleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.

De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.

Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.

Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.

Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.

Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.

Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.

Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.

Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.

»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.

Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.

Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.

Reis naar Voor-Azië.De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.

Reis naar Voor-Azië.

De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.

De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.

Kunstwerken.Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.

Kunstwerken.

Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.

Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.

Marokko en de mogendheden.Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt deNieuwe Rotterdamsche Courantde volgende opmerking:Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners vanFezmoesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later—in 1906—krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk’s leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.Het kan haast niet anders of vurigeMarokkaanschepatriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.Met groote heeren is het slecht kersen eten.

Marokko en de mogendheden.

Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt deNieuwe Rotterdamsche Courantde volgende opmerking:Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners vanFezmoesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later—in 1906—krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk’s leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.Het kan haast niet anders of vurigeMarokkaanschepatriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.Met groote heeren is het slecht kersen eten.

Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt deNieuwe Rotterdamsche Courantde volgende opmerking:

Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners vanFezmoesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later—in 1906—krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk’s leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.

Het kan haast niet anders of vurigeMarokkaanschepatriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.

Met groote heeren is het slecht kersen eten.

Noordpoolexpeditie van Dr. Frederick A. Cook.De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgischezuidpoolexpeditievan de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26stenFebruari 1908 met Francke en eenige Eskimo’s over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3denMaart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17denMaart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers’ Club«.

Noordpoolexpeditie van Dr. Frederick A. Cook.

De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgischezuidpoolexpeditievan de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26stenFebruari 1908 met Francke en eenige Eskimo’s over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3denMaart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17denMaart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers’ Club«.

De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgischezuidpoolexpeditievan de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.

Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.

Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26stenFebruari 1908 met Francke en eenige Eskimo’s over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3denMaart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17denMaart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.

Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.

»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.

Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.

Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers’ Club«.

Onderwijs aan inlandsche meisjes.Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga’s, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.

Onderwijs aan inlandsche meisjes.

Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga’s, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.

Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.

Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.

Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga’s, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.

Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.

Op den Uitkijk.Een vergeten amerikaansche expeditie ter opsporing van de Noordwestelijke Doorvaart.Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillendefjordenaan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo’s gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.Nederlandsch onderzoeker op Celebes.De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.Postboden in de tropen.»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.Postbode en brievenbus in Tahiti.Postbode en brievenbus in Tahiti.De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een dingvan groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.Postbode in Dar es Salaam.Postbode in Dar es Salaam.Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma’s nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.Brieven uit de Oost.In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.Nijldam bij Esneh.Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.In Indië naar de Middeleeuwen verplaatst.Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!Na den Roewenzori de Mount Everest.De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij ’t Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.

Op den Uitkijk.

Een vergeten amerikaansche expeditie ter opsporing van de Noordwestelijke Doorvaart.Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillendefjordenaan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo’s gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.

Een vergeten amerikaansche expeditie ter opsporing van de Noordwestelijke Doorvaart.

Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillendefjordenaan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo’s gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.

Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.

Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.

De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.

Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillendefjordenaan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.

De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo’s gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.

Nederlandsch onderzoeker op Celebes.De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.

Nederlandsch onderzoeker op Celebes.

De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.

De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.

Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.

Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.

Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.

Postboden in de tropen.»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.Postbode en brievenbus in Tahiti.Postbode en brievenbus in Tahiti.De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een dingvan groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.Postbode in Dar es Salaam.Postbode in Dar es Salaam.Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma’s nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.

Postboden in de tropen.

»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.Postbode en brievenbus in Tahiti.Postbode en brievenbus in Tahiti.De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een dingvan groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.Postbode in Dar es Salaam.Postbode in Dar es Salaam.Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma’s nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.

»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.

Postbode en brievenbus in Tahiti.Postbode en brievenbus in Tahiti.

Postbode en brievenbus in Tahiti.

De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.

Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een dingvan groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.

Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.

Postbode in Dar es Salaam.Postbode in Dar es Salaam.

Postbode in Dar es Salaam.

Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma’s nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.

En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.

Brieven uit de Oost.In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.

Brieven uit de Oost.

In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.

In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«

Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.

De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.

Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.

Nijldam bij Esneh.Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.

Nijldam bij Esneh.

Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.

Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.

In Indië naar de Middeleeuwen verplaatst.Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

In Indië naar de Middeleeuwen verplaatst.

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.

Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.

Het geleide van den Sindhia van Gwalior.Het geleide van den Sindhia van Gwalior.

Het geleide van den Sindhia van Gwalior.

Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.

De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.

Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.

Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.

Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.

Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.

In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

Na den Roewenzori de Mount Everest.De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij ’t Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.

Na den Roewenzori de Mount Everest.

De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij ’t Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.

De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij ’t Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.

Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.


Back to IndexNext