Bosnische vrouwen in feestgewaad.Bosnische vrouwen in feestgewaad.Men kan in de maand Mei in Mostar al niet veel anders doen dan tennis spelen en visschen. De jaarlijksche tenniswedstrijd tusschen Mostar en Serajewo had plaats even vóór onze aankomst. Er waren een groot aantal bezoekers uit Serajewo, die het hotel in Mostar vulden, en ons werd aangeraden, ons bezoek uit te stellen tot ze vertrokken zouden zijn. De beste tijd voor Mostar is April of begin Mei. Het eind van Augustus, als de jacht wordt geopend, zou ook gaan tot October, als de bora, de koude wind, begint te waaien. Gemzen, reeën, hazen, patrijzen kan men in de buurt schieten, en snippen en eenden misschien in latere maanden.Omstreeks acht mijlen van Mostar begint op den weg naar Serajewo de kloof, waar de Narenta door loopt, en een imposant berglandschap was het, waar de trein ons door voerde. Sedert de bezetting door Oostenrijk is Serajewo een aanzienlijke stad geworden. Er zijn meer dan veertig duizend inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn, een vierde is Roomsch-katholiek, terwijl de aanhangers van de Grieksch-katholieke kerk zoo wat zes duizend in aantal zijn. Niet minder dan vier duizend zijn Joden, drie duizend Spaansche Joden, afstammelingen van hen, die, uit Spanje verdreven door de Inquisitie, in Bosnië een toevluchtsoord vonden drie-en-een halve eeuw geleden.Serajewo is een stad met een bonte mengeling van rassen en godsdiensten, want behalve de gezeten bevolking is er een wisselende militaire en ambtenaarsbevolking, afkomstig uit alle deelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Duitschers, Hongaren, Tsjechen, Polen, Croaten en Slovenen zijn vertegenwoordigd. De stad ligt in een dal met steile heuvels aan weerszijden, die naar het Oosten een nauwe kloof insluiten en in het Westen uiteenwijken tot een vlakte, de Serajevsko Polje in de richting van Ilidze. De kleine Miljackarivier stroomt door de stad, en haar oevers zijn verbonden door talrijke bruggen van hout of ijzer of steen. Er is maar een enkel plekje in de stad, dat werkelijk oud mag heeten, de Carsija of Turksche bazar, waar ook in de buurt de baden zijn, de medresseh of turksche theologische school, en een paar van de grootste van Serajewo’s tweehonderd en zooveel moskeeën. De woningen, die daar aan Turken behooren, zijn voor een groot deel verhuurd aan Oostenrijkers, en de mohammedaansche bevolking heeft zich teruggetrokken op de bergen aan weerskanten van de rivier, waar ze beter de intimiteit van hun huizen kunnen bewaren. De zonderling gebouwde witte, turksche huizen met de puntdaken, dicht getraliede vensters, overhangende verdiepingen en vooruitstekende loggia’s liggen in menigte boven elkander op de hellingen, met ertusschen de veleslanke witte zuilen der minarets, waaruit men vijf keeren per dag de stem van den muezzin kan hooren, die de geloovigen ten gebede roept.Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen, maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig, maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen, zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden; ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen, die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen, die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers zien er net zoo uit als hun collega’s van hetzelfde gilde in Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een kleine rij glazen om hun middel gebonden.De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet anders verkoopt dan de bekende opanka’s, de bosnische schoenen, die niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide, met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen, die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe straatjes, ofschoon rijen pony’s, met de koppen aan de staarten van de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken als op straatroovers, ernstige hodja’s in wijde gewaden en bosnische boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden, die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum, de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel, ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan, iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen; ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van vruchtensap en sodawater.De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van wonderlijken vorm met een langen plattensteel. Het is tot boven aan toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek, met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk, maar kalmeerend, rustig stemmend.De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling met de mama’s vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje, klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een donker gekleurde pop.Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen, als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt nooit te schreien.Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien, tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino’s en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.Deze “Turken”, zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte, ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de christelijke Bosniërs. Deze “Turken” van Bosnië zijn inderdaad in sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen, meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De “Turken” van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften dan diegenen, die hen hebben bekeerd.Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen, Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien, welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een gelukkigen kooper zich loswerken. Debosnische boer trekt een onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes, die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de kleuren, de stoffen en de versieringen.Een christenkapel in Bosnië.Een christenkapel in Bosnië.Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken, komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet, op pakpony’s of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op andere wijze zich te amuseeren.Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo’n zak wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings voor vragen.Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen, en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote, lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren laag neerhing bijna tot haar voeten.Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was, zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.Graftombe van een Djett (geestelijke).Graftombe van een Djett (geestelijke).Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke naamgenoote.Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche grens naar Plevlje in Novibazar.Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam stroomt door groene weiden,omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam, die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster “Maria Stern”, dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op het klooster “Nazareth”, rechts van de lijn, terwijl verderop nog het Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur ’s morgens bereikten.Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd, waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk, die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland, met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes, door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel, dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen, zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen te vinden, maar te vergeefs.Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen we in “Oostenrijk”, dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man, bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden; maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten, kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking, die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies bij de plek scheen te passen.Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden uitgespannen en zonder oponthoud.Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit is er toegang voor de schoone sekse.Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap, werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit veranderen.Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas, die beroemd is in geheel Oostenrijk.We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen nu eten in “Bosnia”. Er was niet veel verschil tusschen de twee; bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier; heteten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.Daar verscheen plotseling de waard en vroeg, of de “Herrschaften” met de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats, dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier, een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen, om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier, wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.De weg van Banjaluka naar Jajce.De weg van Banjaluka naar Jajce.Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten.En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best, en terwijl ze ’s morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken, bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg sleurden met angstwekkende snelheid.Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal, dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met een kennis te praten.De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnelkomt namelijk onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen, St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken; ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen is iets echt oostersch.Jajce is wel de “parel van Bosnië” genoemd, en met de kleine turksche huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over de Vrbas, honderd voet in de diepte.Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest, want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan, en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.We hadden veel gehoord over de “parel van Bosnië”; maar de plaats overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in handen viel.Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt, in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd, dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den toren van Spalato bouwde, was deeerste, die de aandacht op Jajce vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije, die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.Mantels van schapenvachten.Mantels van schapenvachten.De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken, die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst aan. Sporen van Jajce’s oude geschiedenis vindt men overal. In de Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn; een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken, als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden; toch bleven ze trouw aan hun geloof.In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine, gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde, zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden bolero’s met open front werden gedragen over witte lijfjes en om het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en opanka’s voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort, die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier een geschikt mensch is.Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte, gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het station rijdt.De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen, ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit, en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer, maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen, wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878, waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer, en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid met Weener bier.Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen inboorling als gids hadden meegenomen.Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden, of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok, om er de orde onder te houden.Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen, doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus’ geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook in zwang was.Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero; vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons, dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen, zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw, legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken, over de boot gelegd, bedankten we.Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg, ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië, dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt, maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer met een tochtje naar Jajce!We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg, waardoor het de geheele omgeving beheerscht.Aan den voet van het slot is een dorp, dat nu door Mohammedanen wordt bewoond, een weemoedig gezicht voor den geest van den ouden Keglevic, als hij ooit in zijn vroegere woonplaats mocht komen spoken. Die Peter Keglevic was een dapper soldaat. In 1520 werd het fort belegerd door de Turken en werd zeer in het nauw gebracht. Het verhaal gaat, dat Keglevic, die het bevel voerde, de Turken versloeg door middel van een list, waardoor het beleg werd opgebroken. De Turken hadden zelf ook list gebruikt en waren teruggetrokken, alsof ze wegtrokken. Maar het kwam Keglevic ter oore, dat ze zich alleen in de wouden hadden verborgen en dat ze touwladders vervaardigden voor de bestorming van het fort.De tijd, bepaald voor de turksche bestorming was de avond van een feestdag. De slimme, oude Peter zond een troepenafdeeling naar een plaats achter het woud met bevel, zich verborgen te houden tot een teeken werd gegeven. In den vooravond beval hij de vrouwen en meisjes te gaan naar de Sultan’s Weide, de Carova Polje. Daar moesten ze op haar mooist gekleed, in het maanlicht zich met zingen en dansen vermaken, alsof alles in de beste orde was. Die verzoeking was te groot voor de Turken, die hun ladders wegwierpen en naar de vrouwen toe snelden. Een kanonschot gaf het teeken, en Peter Keglevic kwam met het garnizoen uit de vesting, terwijl de afdeeling, die verdekt was opgesteld, de achterhoede aanviel. Bijna geen enkele Turk bracht er het leven af!Het is de moeite waard, van Vjenac naar Jajce terug te wandelen langs de oevers van de Vrbas, hier een lief riviertje, dat tusschen groene velden stroomt en verder in het ravijn door afgeronde heuvels wordt ingesloten.Wij verlieten Jajce met den spoortrein, om naar Travnik te gaan en bereikten in vijf kwartier Donji Vakuf, van waar een zijlijn naar Bugojno gaat, die het mogelijk maakt, Jablanica per diligence te bereiken en zoo weer op de lijn Serajewo-Mostar te komen. Onze weg leidde ons echter over de Vrbas en over een heuvelrij naar het dal der Lasva. We moesten een tunnel van wel een mijl lang door, om te Goles te komen, een aardig plaatsje met uitzicht op verschillende bergen op een afstand.Het volgend station is Turbet, in de buurt waarvan de Romeinen met succes een goudmijn ontgonnen. Het stadje bleek evenals Banjaluka een verrassing; het was veel schilderachtiger dan we hadden gedacht, heeft een goed hôtel met tuin en een groot garnizoen. Des avonds bezoeken de deftige families van Travnik die tuinen, waar wij in de open lucht konden dineeren onder de boomen in het licht van kleine lampjes, terwijl een Zigeunerkapel zachte muziek ten beste gaf. Travnik was een goede vijftig jaar geleden nog de turksche hoofdstad van Bosnië en zetel van den regeerenden vizier, en nog is het een der meest turksche steden van Bosnië. Het ligt op beide oevers van de Lasva.In September 1903 woedde er een zeer hevige brand, die het grootste deel van de stad op den linker rivieroeververwoestte. Toen wij er bijna een jaar later een bezoek brachten, waren de werklieden overal bezig aan het herstellen en nieuw opbouwen. Het schilderachtige oude kasteel is de hoofdbezienswaardigheid van Travnik, gelegen als het is op een vooruitspringende rots, geeft het den indruk van het heele dal af te sluiten. Het moet gebouwd zijn door koning Turtko I van Bosnië en werd in de laatste helft van de vijftiende eeuw ingenomen door de Turken, in wier handen het bleef en die hun stempel eraan gegeven hebben in den vorm van een moskee binnen de muren. Een ravijn, die de met het kasteel gekroonde rots van de stad scheidt, vormt een natuurlijke gracht, waarover een brug is geslagen, die toegang geeft tot de stad.We gingen die brug over naar het kasteel, waarvan de poort open stond, en traden binnen. Onze voorpost stond opeens van aangezicht tot aangezicht met een jonge turksche vrouw, die ongesluierd was. Als blikken hem hadden kunnen dooden, zou hij op de plek zelve vernietigd zijn. Hiermee niet tevreden, siste de dame de eene of andere beleediging in het Slavisch, en haar door boosheid verwrongen gelaatstrekken sluierend, vluchtte ze in een hut. Het leek amusant veel op een ontmoeting tusschen een kat en een hond; eerst kijken, dan blazen en dan wegijlen. De voorpost van ons gezelschap kwam verschrikt terug, en de vrouwelijke helft deed een hernieuwde poging om binnen te komen, maar kreeg geen betere ontvangst van een aantal oude turksche vrouwen in het fort. Er was intusschen niet veel te zien, behalve dat het uitzicht zeer mooi was. Het bleek ons bij nader onderzoek, dat de regeering aan eenige turksche dames de vergunning had geschonken, om in de verlaten ruimten van het kasteel te wonen, die ze nu blijkbaar beschouwden als voor haar alleen bestemd.In Bosnië wordt op allerlei manieren het stroomende water gebruikt voor practische doeleinden, wat pleit voor de vindingrijkheid van het volk. Men zaagt er het hout door en laat het koren malen, bezigt het in ijzerfabrieken, laat de huiden van het haar ontdoen en leder zacht maken en zelfs het spit wordt erdoor gedraaid, vooral op feestdagen, wanneer geheele lammeren zoo worden gebraden. De mechanische inrichtingen zijn veelal primitief en van hout gemaakt, maar ingenieus gevonden en geschikt, om aan de eenvoudige behoeften van de inboorlingen te voldoen.
Bosnische vrouwen in feestgewaad.Bosnische vrouwen in feestgewaad.Men kan in de maand Mei in Mostar al niet veel anders doen dan tennis spelen en visschen. De jaarlijksche tenniswedstrijd tusschen Mostar en Serajewo had plaats even vóór onze aankomst. Er waren een groot aantal bezoekers uit Serajewo, die het hotel in Mostar vulden, en ons werd aangeraden, ons bezoek uit te stellen tot ze vertrokken zouden zijn. De beste tijd voor Mostar is April of begin Mei. Het eind van Augustus, als de jacht wordt geopend, zou ook gaan tot October, als de bora, de koude wind, begint te waaien. Gemzen, reeën, hazen, patrijzen kan men in de buurt schieten, en snippen en eenden misschien in latere maanden.Omstreeks acht mijlen van Mostar begint op den weg naar Serajewo de kloof, waar de Narenta door loopt, en een imposant berglandschap was het, waar de trein ons door voerde. Sedert de bezetting door Oostenrijk is Serajewo een aanzienlijke stad geworden. Er zijn meer dan veertig duizend inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn, een vierde is Roomsch-katholiek, terwijl de aanhangers van de Grieksch-katholieke kerk zoo wat zes duizend in aantal zijn. Niet minder dan vier duizend zijn Joden, drie duizend Spaansche Joden, afstammelingen van hen, die, uit Spanje verdreven door de Inquisitie, in Bosnië een toevluchtsoord vonden drie-en-een halve eeuw geleden.Serajewo is een stad met een bonte mengeling van rassen en godsdiensten, want behalve de gezeten bevolking is er een wisselende militaire en ambtenaarsbevolking, afkomstig uit alle deelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Duitschers, Hongaren, Tsjechen, Polen, Croaten en Slovenen zijn vertegenwoordigd. De stad ligt in een dal met steile heuvels aan weerszijden, die naar het Oosten een nauwe kloof insluiten en in het Westen uiteenwijken tot een vlakte, de Serajevsko Polje in de richting van Ilidze. De kleine Miljackarivier stroomt door de stad, en haar oevers zijn verbonden door talrijke bruggen van hout of ijzer of steen. Er is maar een enkel plekje in de stad, dat werkelijk oud mag heeten, de Carsija of Turksche bazar, waar ook in de buurt de baden zijn, de medresseh of turksche theologische school, en een paar van de grootste van Serajewo’s tweehonderd en zooveel moskeeën. De woningen, die daar aan Turken behooren, zijn voor een groot deel verhuurd aan Oostenrijkers, en de mohammedaansche bevolking heeft zich teruggetrokken op de bergen aan weerskanten van de rivier, waar ze beter de intimiteit van hun huizen kunnen bewaren. De zonderling gebouwde witte, turksche huizen met de puntdaken, dicht getraliede vensters, overhangende verdiepingen en vooruitstekende loggia’s liggen in menigte boven elkander op de hellingen, met ertusschen de veleslanke witte zuilen der minarets, waaruit men vijf keeren per dag de stem van den muezzin kan hooren, die de geloovigen ten gebede roept.Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen, maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig, maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen, zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden; ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen, die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen, die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers zien er net zoo uit als hun collega’s van hetzelfde gilde in Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een kleine rij glazen om hun middel gebonden.De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet anders verkoopt dan de bekende opanka’s, de bosnische schoenen, die niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide, met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen, die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe straatjes, ofschoon rijen pony’s, met de koppen aan de staarten van de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken als op straatroovers, ernstige hodja’s in wijde gewaden en bosnische boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden, die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum, de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel, ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan, iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen; ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van vruchtensap en sodawater.De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van wonderlijken vorm met een langen plattensteel. Het is tot boven aan toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek, met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk, maar kalmeerend, rustig stemmend.De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling met de mama’s vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje, klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een donker gekleurde pop.Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen, als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt nooit te schreien.Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien, tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino’s en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.Deze “Turken”, zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte, ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de christelijke Bosniërs. Deze “Turken” van Bosnië zijn inderdaad in sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen, meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De “Turken” van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften dan diegenen, die hen hebben bekeerd.Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen, Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien, welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een gelukkigen kooper zich loswerken. Debosnische boer trekt een onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes, die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de kleuren, de stoffen en de versieringen.Een christenkapel in Bosnië.Een christenkapel in Bosnië.Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken, komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet, op pakpony’s of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op andere wijze zich te amuseeren.Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo’n zak wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings voor vragen.Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen, en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote, lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren laag neerhing bijna tot haar voeten.Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was, zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.Graftombe van een Djett (geestelijke).Graftombe van een Djett (geestelijke).Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke naamgenoote.Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche grens naar Plevlje in Novibazar.Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam stroomt door groene weiden,omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam, die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster “Maria Stern”, dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op het klooster “Nazareth”, rechts van de lijn, terwijl verderop nog het Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur ’s morgens bereikten.Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd, waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk, die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland, met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes, door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel, dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen, zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen te vinden, maar te vergeefs.Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen we in “Oostenrijk”, dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man, bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden; maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten, kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking, die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies bij de plek scheen te passen.Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden uitgespannen en zonder oponthoud.Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit is er toegang voor de schoone sekse.Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap, werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit veranderen.Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas, die beroemd is in geheel Oostenrijk.We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen nu eten in “Bosnia”. Er was niet veel verschil tusschen de twee; bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier; heteten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.Daar verscheen plotseling de waard en vroeg, of de “Herrschaften” met de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats, dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier, een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen, om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier, wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.De weg van Banjaluka naar Jajce.De weg van Banjaluka naar Jajce.Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten.En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best, en terwijl ze ’s morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken, bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg sleurden met angstwekkende snelheid.Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal, dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met een kennis te praten.De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnelkomt namelijk onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen, St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken; ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen is iets echt oostersch.Jajce is wel de “parel van Bosnië” genoemd, en met de kleine turksche huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over de Vrbas, honderd voet in de diepte.Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest, want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan, en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.We hadden veel gehoord over de “parel van Bosnië”; maar de plaats overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in handen viel.Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt, in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd, dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den toren van Spalato bouwde, was deeerste, die de aandacht op Jajce vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije, die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.Mantels van schapenvachten.Mantels van schapenvachten.De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken, die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst aan. Sporen van Jajce’s oude geschiedenis vindt men overal. In de Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn; een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken, als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden; toch bleven ze trouw aan hun geloof.In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine, gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde, zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden bolero’s met open front werden gedragen over witte lijfjes en om het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en opanka’s voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort, die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier een geschikt mensch is.Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte, gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het station rijdt.De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen, ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit, en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer, maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen, wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878, waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer, en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid met Weener bier.Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen inboorling als gids hadden meegenomen.Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden, of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok, om er de orde onder te houden.Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen, doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus’ geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook in zwang was.Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero; vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons, dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen, zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw, legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken, over de boot gelegd, bedankten we.Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg, ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië, dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt, maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer met een tochtje naar Jajce!We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg, waardoor het de geheele omgeving beheerscht.Aan den voet van het slot is een dorp, dat nu door Mohammedanen wordt bewoond, een weemoedig gezicht voor den geest van den ouden Keglevic, als hij ooit in zijn vroegere woonplaats mocht komen spoken. Die Peter Keglevic was een dapper soldaat. In 1520 werd het fort belegerd door de Turken en werd zeer in het nauw gebracht. Het verhaal gaat, dat Keglevic, die het bevel voerde, de Turken versloeg door middel van een list, waardoor het beleg werd opgebroken. De Turken hadden zelf ook list gebruikt en waren teruggetrokken, alsof ze wegtrokken. Maar het kwam Keglevic ter oore, dat ze zich alleen in de wouden hadden verborgen en dat ze touwladders vervaardigden voor de bestorming van het fort.De tijd, bepaald voor de turksche bestorming was de avond van een feestdag. De slimme, oude Peter zond een troepenafdeeling naar een plaats achter het woud met bevel, zich verborgen te houden tot een teeken werd gegeven. In den vooravond beval hij de vrouwen en meisjes te gaan naar de Sultan’s Weide, de Carova Polje. Daar moesten ze op haar mooist gekleed, in het maanlicht zich met zingen en dansen vermaken, alsof alles in de beste orde was. Die verzoeking was te groot voor de Turken, die hun ladders wegwierpen en naar de vrouwen toe snelden. Een kanonschot gaf het teeken, en Peter Keglevic kwam met het garnizoen uit de vesting, terwijl de afdeeling, die verdekt was opgesteld, de achterhoede aanviel. Bijna geen enkele Turk bracht er het leven af!Het is de moeite waard, van Vjenac naar Jajce terug te wandelen langs de oevers van de Vrbas, hier een lief riviertje, dat tusschen groene velden stroomt en verder in het ravijn door afgeronde heuvels wordt ingesloten.Wij verlieten Jajce met den spoortrein, om naar Travnik te gaan en bereikten in vijf kwartier Donji Vakuf, van waar een zijlijn naar Bugojno gaat, die het mogelijk maakt, Jablanica per diligence te bereiken en zoo weer op de lijn Serajewo-Mostar te komen. Onze weg leidde ons echter over de Vrbas en over een heuvelrij naar het dal der Lasva. We moesten een tunnel van wel een mijl lang door, om te Goles te komen, een aardig plaatsje met uitzicht op verschillende bergen op een afstand.Het volgend station is Turbet, in de buurt waarvan de Romeinen met succes een goudmijn ontgonnen. Het stadje bleek evenals Banjaluka een verrassing; het was veel schilderachtiger dan we hadden gedacht, heeft een goed hôtel met tuin en een groot garnizoen. Des avonds bezoeken de deftige families van Travnik die tuinen, waar wij in de open lucht konden dineeren onder de boomen in het licht van kleine lampjes, terwijl een Zigeunerkapel zachte muziek ten beste gaf. Travnik was een goede vijftig jaar geleden nog de turksche hoofdstad van Bosnië en zetel van den regeerenden vizier, en nog is het een der meest turksche steden van Bosnië. Het ligt op beide oevers van de Lasva.In September 1903 woedde er een zeer hevige brand, die het grootste deel van de stad op den linker rivieroeververwoestte. Toen wij er bijna een jaar later een bezoek brachten, waren de werklieden overal bezig aan het herstellen en nieuw opbouwen. Het schilderachtige oude kasteel is de hoofdbezienswaardigheid van Travnik, gelegen als het is op een vooruitspringende rots, geeft het den indruk van het heele dal af te sluiten. Het moet gebouwd zijn door koning Turtko I van Bosnië en werd in de laatste helft van de vijftiende eeuw ingenomen door de Turken, in wier handen het bleef en die hun stempel eraan gegeven hebben in den vorm van een moskee binnen de muren. Een ravijn, die de met het kasteel gekroonde rots van de stad scheidt, vormt een natuurlijke gracht, waarover een brug is geslagen, die toegang geeft tot de stad.We gingen die brug over naar het kasteel, waarvan de poort open stond, en traden binnen. Onze voorpost stond opeens van aangezicht tot aangezicht met een jonge turksche vrouw, die ongesluierd was. Als blikken hem hadden kunnen dooden, zou hij op de plek zelve vernietigd zijn. Hiermee niet tevreden, siste de dame de eene of andere beleediging in het Slavisch, en haar door boosheid verwrongen gelaatstrekken sluierend, vluchtte ze in een hut. Het leek amusant veel op een ontmoeting tusschen een kat en een hond; eerst kijken, dan blazen en dan wegijlen. De voorpost van ons gezelschap kwam verschrikt terug, en de vrouwelijke helft deed een hernieuwde poging om binnen te komen, maar kreeg geen betere ontvangst van een aantal oude turksche vrouwen in het fort. Er was intusschen niet veel te zien, behalve dat het uitzicht zeer mooi was. Het bleek ons bij nader onderzoek, dat de regeering aan eenige turksche dames de vergunning had geschonken, om in de verlaten ruimten van het kasteel te wonen, die ze nu blijkbaar beschouwden als voor haar alleen bestemd.In Bosnië wordt op allerlei manieren het stroomende water gebruikt voor practische doeleinden, wat pleit voor de vindingrijkheid van het volk. Men zaagt er het hout door en laat het koren malen, bezigt het in ijzerfabrieken, laat de huiden van het haar ontdoen en leder zacht maken en zelfs het spit wordt erdoor gedraaid, vooral op feestdagen, wanneer geheele lammeren zoo worden gebraden. De mechanische inrichtingen zijn veelal primitief en van hout gemaakt, maar ingenieus gevonden en geschikt, om aan de eenvoudige behoeften van de inboorlingen te voldoen.
Bosnische vrouwen in feestgewaad.Bosnische vrouwen in feestgewaad.
Bosnische vrouwen in feestgewaad.
Men kan in de maand Mei in Mostar al niet veel anders doen dan tennis spelen en visschen. De jaarlijksche tenniswedstrijd tusschen Mostar en Serajewo had plaats even vóór onze aankomst. Er waren een groot aantal bezoekers uit Serajewo, die het hotel in Mostar vulden, en ons werd aangeraden, ons bezoek uit te stellen tot ze vertrokken zouden zijn. De beste tijd voor Mostar is April of begin Mei. Het eind van Augustus, als de jacht wordt geopend, zou ook gaan tot October, als de bora, de koude wind, begint te waaien. Gemzen, reeën, hazen, patrijzen kan men in de buurt schieten, en snippen en eenden misschien in latere maanden.
Omstreeks acht mijlen van Mostar begint op den weg naar Serajewo de kloof, waar de Narenta door loopt, en een imposant berglandschap was het, waar de trein ons door voerde. Sedert de bezetting door Oostenrijk is Serajewo een aanzienlijke stad geworden. Er zijn meer dan veertig duizend inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn, een vierde is Roomsch-katholiek, terwijl de aanhangers van de Grieksch-katholieke kerk zoo wat zes duizend in aantal zijn. Niet minder dan vier duizend zijn Joden, drie duizend Spaansche Joden, afstammelingen van hen, die, uit Spanje verdreven door de Inquisitie, in Bosnië een toevluchtsoord vonden drie-en-een halve eeuw geleden.
Serajewo is een stad met een bonte mengeling van rassen en godsdiensten, want behalve de gezeten bevolking is er een wisselende militaire en ambtenaarsbevolking, afkomstig uit alle deelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Duitschers, Hongaren, Tsjechen, Polen, Croaten en Slovenen zijn vertegenwoordigd. De stad ligt in een dal met steile heuvels aan weerszijden, die naar het Oosten een nauwe kloof insluiten en in het Westen uiteenwijken tot een vlakte, de Serajevsko Polje in de richting van Ilidze. De kleine Miljackarivier stroomt door de stad, en haar oevers zijn verbonden door talrijke bruggen van hout of ijzer of steen. Er is maar een enkel plekje in de stad, dat werkelijk oud mag heeten, de Carsija of Turksche bazar, waar ook in de buurt de baden zijn, de medresseh of turksche theologische school, en een paar van de grootste van Serajewo’s tweehonderd en zooveel moskeeën. De woningen, die daar aan Turken behooren, zijn voor een groot deel verhuurd aan Oostenrijkers, en de mohammedaansche bevolking heeft zich teruggetrokken op de bergen aan weerskanten van de rivier, waar ze beter de intimiteit van hun huizen kunnen bewaren. De zonderling gebouwde witte, turksche huizen met de puntdaken, dicht getraliede vensters, overhangende verdiepingen en vooruitstekende loggia’s liggen in menigte boven elkander op de hellingen, met ertusschen de veleslanke witte zuilen der minarets, waaruit men vijf keeren per dag de stem van den muezzin kan hooren, die de geloovigen ten gebede roept.
Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen, maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.
Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig, maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen, zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden; ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!
Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen, die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen, die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers zien er net zoo uit als hun collega’s van hetzelfde gilde in Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een kleine rij glazen om hun middel gebonden.
De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet anders verkoopt dan de bekende opanka’s, de bosnische schoenen, die niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide, met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.
Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen, die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe straatjes, ofschoon rijen pony’s, met de koppen aan de staarten van de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken als op straatroovers, ernstige hodja’s in wijde gewaden en bosnische boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden, die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.
Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum, de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel, ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.
De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.
De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.
Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan, iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen; ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van vruchtensap en sodawater.
De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van wonderlijken vorm met een langen plattensteel. Het is tot boven aan toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek, met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk, maar kalmeerend, rustig stemmend.
De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.
In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling met de mama’s vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje, klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.
Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een donker gekleurde pop.
Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen, als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt nooit te schreien.
Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien, tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!
De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino’s en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.
Deze “Turken”, zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte, ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.
Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de christelijke Bosniërs. Deze “Turken” van Bosnië zijn inderdaad in sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen, meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De “Turken” van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften dan diegenen, die hen hebben bekeerd.
Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen, Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.
Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien, welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.
Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een gelukkigen kooper zich loswerken. Debosnische boer trekt een onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes, die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de kleuren, de stoffen en de versieringen.
Een christenkapel in Bosnië.Een christenkapel in Bosnië.
Een christenkapel in Bosnië.
Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken, komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet, op pakpony’s of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op andere wijze zich te amuseeren.
Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo’n zak wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings voor vragen.
Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.
Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.
Ongehuwde bosnische meisjes op een dorpsfeest.
Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen, en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote, lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren laag neerhing bijna tot haar voeten.
Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was, zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.
Graftombe van een Djett (geestelijke).Graftombe van een Djett (geestelijke).
Graftombe van een Djett (geestelijke).
Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke naamgenoote.
Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche grens naar Plevlje in Novibazar.
Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.
Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam stroomt door groene weiden,omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam, die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster “Maria Stern”, dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op het klooster “Nazareth”, rechts van de lijn, terwijl verderop nog het Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur ’s morgens bereikten.
Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd, waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk, die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.
De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland, met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes, door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel, dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen, zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen te vinden, maar te vergeefs.
Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen we in “Oostenrijk”, dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man, bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden; maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.
Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten, kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking, die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.
Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies bij de plek scheen te passen.
Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden uitgespannen en zonder oponthoud.
Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit is er toegang voor de schoone sekse.
Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap, werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.
Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit veranderen.
Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas, die beroemd is in geheel Oostenrijk.
We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen nu eten in “Bosnia”. Er was niet veel verschil tusschen de twee; bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier; heteten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.
Daar verscheen plotseling de waard en vroeg, of de “Herrschaften” met de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats, dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier, een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen, om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.
Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.
Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier, wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.
De weg van Banjaluka naar Jajce.De weg van Banjaluka naar Jajce.
De weg van Banjaluka naar Jajce.
Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten.
En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best, en terwijl ze ’s morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken, bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg sleurden met angstwekkende snelheid.
Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.
Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal, dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met een kennis te praten.
De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnelkomt namelijk onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.
De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen, St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken; ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen is iets echt oostersch.
Jajce is wel de “parel van Bosnië” genoemd, en met de kleine turksche huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.
Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over de Vrbas, honderd voet in de diepte.
Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest, want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan, en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.
Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.
Eigenaardige hoofddeksels, het midden houdend tusschen een mijter en een omgekeerden bloempot.
We hadden veel gehoord over de “parel van Bosnië”; maar de plaats overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in handen viel.
Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.
Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt, in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.
De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.
De hoofdstraat van Jajce, de parel van Bosnië.
Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd, dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den toren van Spalato bouwde, was deeerste, die de aandacht op Jajce vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije, die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.
Mantels van schapenvachten.Mantels van schapenvachten.
Mantels van schapenvachten.
De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.
Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken, die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst aan. Sporen van Jajce’s oude geschiedenis vindt men overal. In de Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn; een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.
Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.
Een zeer bijzonder met munten versierd costuum in Jajce.
Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.
Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken, als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.
Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden; toch bleven ze trouw aan hun geloof.
In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.
Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine, gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde, zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden bolero’s met open front werden gedragen over witte lijfjes en om het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en opanka’s voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.
De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort, die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.
Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier een geschikt mensch is.
Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte, gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het station rijdt.
De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen, ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit, en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer, maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen, wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.
Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878, waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.
Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer, en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid met Weener bier.
Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.
Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen inboorling als gids hadden meegenomen.
Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden, of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok, om er de orde onder te houden.
Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen, doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus’ geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook in zwang was.
Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero; vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons, dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen, zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!
Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw, legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken, over de boot gelegd, bedankten we.
Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg, ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië, dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt, maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.
Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer met een tochtje naar Jajce!
We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.
Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg, waardoor het de geheele omgeving beheerscht.
Aan den voet van het slot is een dorp, dat nu door Mohammedanen wordt bewoond, een weemoedig gezicht voor den geest van den ouden Keglevic, als hij ooit in zijn vroegere woonplaats mocht komen spoken. Die Peter Keglevic was een dapper soldaat. In 1520 werd het fort belegerd door de Turken en werd zeer in het nauw gebracht. Het verhaal gaat, dat Keglevic, die het bevel voerde, de Turken versloeg door middel van een list, waardoor het beleg werd opgebroken. De Turken hadden zelf ook list gebruikt en waren teruggetrokken, alsof ze wegtrokken. Maar het kwam Keglevic ter oore, dat ze zich alleen in de wouden hadden verborgen en dat ze touwladders vervaardigden voor de bestorming van het fort.
De tijd, bepaald voor de turksche bestorming was de avond van een feestdag. De slimme, oude Peter zond een troepenafdeeling naar een plaats achter het woud met bevel, zich verborgen te houden tot een teeken werd gegeven. In den vooravond beval hij de vrouwen en meisjes te gaan naar de Sultan’s Weide, de Carova Polje. Daar moesten ze op haar mooist gekleed, in het maanlicht zich met zingen en dansen vermaken, alsof alles in de beste orde was. Die verzoeking was te groot voor de Turken, die hun ladders wegwierpen en naar de vrouwen toe snelden. Een kanonschot gaf het teeken, en Peter Keglevic kwam met het garnizoen uit de vesting, terwijl de afdeeling, die verdekt was opgesteld, de achterhoede aanviel. Bijna geen enkele Turk bracht er het leven af!
Het is de moeite waard, van Vjenac naar Jajce terug te wandelen langs de oevers van de Vrbas, hier een lief riviertje, dat tusschen groene velden stroomt en verder in het ravijn door afgeronde heuvels wordt ingesloten.
Wij verlieten Jajce met den spoortrein, om naar Travnik te gaan en bereikten in vijf kwartier Donji Vakuf, van waar een zijlijn naar Bugojno gaat, die het mogelijk maakt, Jablanica per diligence te bereiken en zoo weer op de lijn Serajewo-Mostar te komen. Onze weg leidde ons echter over de Vrbas en over een heuvelrij naar het dal der Lasva. We moesten een tunnel van wel een mijl lang door, om te Goles te komen, een aardig plaatsje met uitzicht op verschillende bergen op een afstand.
Het volgend station is Turbet, in de buurt waarvan de Romeinen met succes een goudmijn ontgonnen. Het stadje bleek evenals Banjaluka een verrassing; het was veel schilderachtiger dan we hadden gedacht, heeft een goed hôtel met tuin en een groot garnizoen. Des avonds bezoeken de deftige families van Travnik die tuinen, waar wij in de open lucht konden dineeren onder de boomen in het licht van kleine lampjes, terwijl een Zigeunerkapel zachte muziek ten beste gaf. Travnik was een goede vijftig jaar geleden nog de turksche hoofdstad van Bosnië en zetel van den regeerenden vizier, en nog is het een der meest turksche steden van Bosnië. Het ligt op beide oevers van de Lasva.
In September 1903 woedde er een zeer hevige brand, die het grootste deel van de stad op den linker rivieroeververwoestte. Toen wij er bijna een jaar later een bezoek brachten, waren de werklieden overal bezig aan het herstellen en nieuw opbouwen. Het schilderachtige oude kasteel is de hoofdbezienswaardigheid van Travnik, gelegen als het is op een vooruitspringende rots, geeft het den indruk van het heele dal af te sluiten. Het moet gebouwd zijn door koning Turtko I van Bosnië en werd in de laatste helft van de vijftiende eeuw ingenomen door de Turken, in wier handen het bleef en die hun stempel eraan gegeven hebben in den vorm van een moskee binnen de muren. Een ravijn, die de met het kasteel gekroonde rots van de stad scheidt, vormt een natuurlijke gracht, waarover een brug is geslagen, die toegang geeft tot de stad.
We gingen die brug over naar het kasteel, waarvan de poort open stond, en traden binnen. Onze voorpost stond opeens van aangezicht tot aangezicht met een jonge turksche vrouw, die ongesluierd was. Als blikken hem hadden kunnen dooden, zou hij op de plek zelve vernietigd zijn. Hiermee niet tevreden, siste de dame de eene of andere beleediging in het Slavisch, en haar door boosheid verwrongen gelaatstrekken sluierend, vluchtte ze in een hut. Het leek amusant veel op een ontmoeting tusschen een kat en een hond; eerst kijken, dan blazen en dan wegijlen. De voorpost van ons gezelschap kwam verschrikt terug, en de vrouwelijke helft deed een hernieuwde poging om binnen te komen, maar kreeg geen betere ontvangst van een aantal oude turksche vrouwen in het fort. Er was intusschen niet veel te zien, behalve dat het uitzicht zeer mooi was. Het bleek ons bij nader onderzoek, dat de regeering aan eenige turksche dames de vergunning had geschonken, om in de verlaten ruimten van het kasteel te wonen, die ze nu blijkbaar beschouwden als voor haar alleen bestemd.
In Bosnië wordt op allerlei manieren het stroomende water gebruikt voor practische doeleinden, wat pleit voor de vindingrijkheid van het volk. Men zaagt er het hout door en laat het koren malen, bezigt het in ijzerfabrieken, laat de huiden van het haar ontdoen en leder zacht maken en zelfs het spit wordt erdoor gedraaid, vooral op feestdagen, wanneer geheele lammeren zoo worden gebraden. De mechanische inrichtingen zijn veelal primitief en van hout gemaakt, maar ingenieus gevonden en geschikt, om aan de eenvoudige behoeften van de inboorlingen te voldoen.