HOOFDSTUK V.

Een Middernachtelijk Bezoek.

Toen de slee voorbijschoot, lag één oogenblik Croisset's naam op Howland's lippen. Gregson op zij duwend, sprong hij den nacht in, gedreven door de begeerte om de twee wezens, die in de laatste acht en veertig uren zoo nauw en op zoo geheimzinnige wijze met zijn eigen bestaan verbonden waren geweest en die dreigden hem weer te ontsnappen, nog in te halen.

Het was Gregson, die hem tot bezinning bracht.

„Ik dacht, dat comedies en meisjes je niet konden schelen!” riep hij spottend, Howland's woorden van daareven herhalend. „Hier in het Noorden doet een aardig snuitje je heel anders aan dan in Chicago, niet waar? Nu, als je eens een week of wat hier aan den zelfkant van de wereld gezeten hebt, zul je merken—”

Howland viel hem met eenige scherpte in de rede:

„Ben je die twee menschen ooit eerder tegengekomen, Gregson?”

„Nooit vóór vandaag, kerel. Maar er is hoop. We zullen stellig wel iemand vinden, die hen kent. Zou het niet kostelijk zijn, als Jack Howland Esq., de man die nooit eenige belangstelling heeft getoond voor comedies of voor meisjes, hier naar deze door God en de menschen verlaten streek moest komen om op slag te verlieven? Bij het Groote Pad van het Noorden, ik geloof, dat het voor jouhier wel eens interessanter zou kunnen worden dan het voor Thorne en voor mij is geweest!—Als ik haar maar eerder gezien had—”

„Hou je mond!” gromde Howland, zich prikkelbaar toonend. „Laten we liever gaan eten.”

„Goed; dan kunnen we er later onder onze avondsigaar nog eens nader over spreken. Dat zal ons helpen om den tijd te korten.”

„Ik moet zeggen, dat je een goeden smaak hebt, Gregson,” zei Howland, nu weer goed gehumeurd, toen zij zich aan een van de ruwe houten tafels in de eetkamer zetten. Hij hield er zich innerlijk van overtuigd, dat het beter was om de ondervindingen van de twee laatste dagen maar voor zichzelf te houden. „Het was een heel mooi gezichtje.”

„En dan die oogen!” voegde Gregson er aan toe, terwijl de zijne van geestdrift schitterden. „Zij keek mij vanmiddag, toen zij hier met dien donkeren vent voorbijkwam, open en vrij aan en ik zweer je, dat het de mooiste oogen zijn, die ik ooit heb gezien. En dan dat haar—”

„Denk je, dat zij weet wie je bent?” vroeg Howland kalm.

Gregson haalde de schouders op.

„Hoe ter wereld zou ze me kennen?”

„Waarom keek ze je dan zoo „open en vrij” aan? Dacht je misschien, dat zij probeerde te flirten?”

Gregson scheen verbaasd.

„Om den drommel niet,—neen!” riep hij. „Daar wil ik mijn leven onder verwedden. Geen man ving ooit een reineren, een meer onschuldigen blik op en toch—voor den duivel, zijstaardeme aan! Haar heb ik daarna niet meer gezien, maar die donkere vent heeft hier den heelen middag rondgeloopen en nu dat ik er over denk, het was of ook hij bizondere belangstelling voor me aan den dag legde. Maar waarom vraag je er zoo naar?”

„Alleen uit nieuwsgierigheid,” antwoordde Howland. „Ik hou niet van flirts.”

„Ik ook niet,” zei Gregson, kalm en nadenkend. Hun avondetenwerd nu opgediend en zij praatten maar weinig meer vóór het was afgeloopen. Howland kreeg daardoor gelegenheid om zijn collega van ter zijde gade te slaan en al spoedig hield hij zich overtuigd, dat deze niets van het meisje afwist en evenmin van Croisset. Intusschen werd het hem steeds meer een raadsel hoe Gregson en Thorne, twee van de beste krachten in hun vak, vrijwillig een werk als den bouw van de Hudsonbaai-lijn konden opgeven, alleen omdat zij „genoeg hadden van de streek.”

Het was eerst toen zij op het punt waren om van tafel op te staan, dat Howland's blik toevallig op de linkerhand van Gregson viel. Hij deed een uitroep van verbazing, toen hij zag, dat de pink daaraan ontbrak. Gregson trok de hand haastig weg.

„Een accident,” zei hij. „Zoo wat zal jou hier ook wel eens overkomen.”

Maar nog eer hij zich kon omwenden, had Howland zijn arm gegrepen om de hand meer van nabij te bekijken.

„Een vreemde wond,” merkte hij op zonder zijn vriend aan te zien. „Gek, dat ik het niet eerder merkte. De vinger is letterlijk in de lengte afgerukt en het litteeken gaat tot halfweg den pols. Hoe ben je daaraan gekomen?”

Toen hij de hand liet vallen, zag hij, dat een diepe blos Gregson's gelaat kleurde.

„Och,—die pink werd me een week of wat geleden afgeschoten, Howland; natuurlijk bij ongeluk,—” luidde het antwoord en al over zijn schouder voortpratend, liep Gregson snel naar de deur. „En nu onze after-supper sigaar en een gemoedelijk praatje!”

Toen zij uit de eetkamer in dat deel van het hotel kwamen, dat tegelijkertijd bar en zitkamer was,—en al gevuld met den rook van een dozijn der schilderachtige inwoners vanLe Pas, gaf de ruwe hotelier Howland een teeken en reikte hij dezen een brief.

„Mr. Howland, dit is voor u gekomen, terwijl ge aan tafel waart,” legde hij uit.

De ingenieur voelde innerlijk een schok, toen hij het handschriftop de enveloppe herkende en vóór hij die opende, keerde hij zich zóó ver om, dat Gregson noch zijn gelaat, noch het stukje papier kon zien, dat die bevatte. Er stond geen naam onder het geschrevene, maar dat was ook niet noodig; één blik was voor Howland voldoende. Het was het handschrift van het meisje, dat hij dien avond opnieuw had aanschouwd en al lezende vergat hij in zóóverre zijn omzichtigheid, dat hij even floot.

„Vergeef mij wat ik deed,” luidden de weinige regels. „Schenk mij nu geloof. Uw leven is in gevaar en gij moet morgen teruggaan naar Etomani. Als ge voortreist naar het kamp aan de Wekusko, zult gij nooit van daar terugkeeren.”

„Duivels!” riep hij.

„Wat is er?” vroeg Gregson, die nieuwsgierig om hem heen draaide.

Howland verkreukelde het briefje met zijn hand en stopte het in een van zijn zakken.

„Een kleine private aangelegenheid,” lachte hij. „Kom, Gregson, laten we liever eens probeeren of we wat te weten kunnen komen.”

Hij stak, in de duisternis buiten gekomen, een hand onder zijn jas en legde die om zijn revolver. Tot tien uur verkeerden zij onder de bewoners vanLe Pas. Tal van menschen hadden Croisset en zijn mooie gezellin gezien, maar niemand kende hen. Zij waren dien morgen in een slede gekomen, hadden hun middagmaal en hun avondeten gebruikt in de hut van een opzichter, MacDonald geheeten, en waren daarna, eveneens weer op een slee, vertrokken.

„Zij is het liefste persoontje, dat ik ooit heb gezien,” riep Mrs. MacDonald in verrukking; „maar zij kan niet spreken. Twee- of driemaal schreef zij iets voor mij op een stukje papier.”

„Niet spreken!” herhaalde Gregson, terwijl zij langzaam naar het hotel terugliepen. „Voor den duivel, Jack, wat denk jij daarvan?”

„Ik denk niets!” herhaalde Howland onverschillig. „We hebben ons deel gehad van het aardige gezichtje, Gregson. Ik ga naar bed. Hoe laat vertrekken we morgenochtend?”

„Dadelijk na het ontbijt, als je er erg naar verlangt.”

„Zeker doe ik dat. Goedennacht.”

Howland begaf zich naar zijn kamer, maar niet om te slapen. Uren lang zat hij, de eene sigaar na de andere rookend, klaar wakker te denken. Hij ging één voor één de zonderlinge gebeurtenissen na van de twee laatste dagen. Die waren tot op zekere hoogte een soort van opwekking voor hem geweest,—een dosis opwinding, die heelemaal niet onaangenaam was; maar bij die opwinding kwam nu een soort van beklemming. De aanslag op zijn leven, gevoegd bij de herhaalde aanmaningen om naar het Zuiden terug te keeren, begon invloed te krijgen. Intusschen—Howland was er de man niet naar om toe te geven aan vrees—zoo het al vrees genoemd kon worden. Hij was er van overtuigd, dat een geheimzinnig gevaar—van welken aard dan ook,—hem in het kamp aan de Wekusko wachtte, maar hij gaf het op om langer naar een mogelijke aanleiding te zoeken, aannemend, dat dit gevaar nu eenmaal bestond en dat het zich vroeg of laat wel vanzelf zou verklaren. Alleen kon hij zich het meisje niet uit het hoofd zetten. Haar lief gelaat vervolgde hem. Hij zag het overal. Nu eens zooals zij tegenover hem zat in het Chineesche restaurant, dan weer in het witte licht der sterren op het Pad naar het Noorden, of wel zooals het hem nu weer, een oogenblik geleden, uit de slede had aangestaard. Tevergeefs trachtte hij voor zich onedele drijfveeren op te zoeken in de heldere oogen, die een beroep schenen te doen op zijn vriendschap—ook al hadden de zachte lippen hem voorgelogen door te zwijgen. „Vergeef mij wat ik deed!”—Hij vouwde het verkreukelde briefje open en las en herlas die woorden. „Schenk mij nu geloof.”—Zij begreep dus, dat hij wist, hoe zij hem voorgelogen had, dat hij wist, hoe zij hem had gelokt naar het gevaar, waarvan zij hem nu wilde redden. Zijn wangen brandden. Al dreigden hem daar ginds aan de Wekusko duizend gevaren—gaan zou hij! Hij moest haar weerzien. Hoeveel moeite hij ook deed, hij kon het visioen van haar liefelijk gelaat niet afschudden. Die zacht smeekende oogen, die roode mond bevend en met half geopendelippen als ging hij spreken, dat hoofdje met den stralenkrans van glanzig haar, waarop hij had neergezien,—dat alles had zich te diep in zijn ziel geprent om uitgewischt te kunnen worden. Had de wildernis hem van den beginne af aan interessant geleken, nu was zij dit dubbel, omdat haar gelaat er deel van uitmaakte, omdat het geheim van haar leven, van de wanhoop hem ten deele geopenbaard, ergens vèr weg in het duistere mysterie van gindsche pijnbosschen verborgen lag.

Hij ging naar bed, maar het duurde lang eer hij den slaap vatte. Het leek hem, dat hij nauwelijks de oogen gesloten had, toen hij werd gewekt door een kloppen op zijn deur. Hij zag, dat het licht van den dageraad door het smalle venster van zijn kamer naar binnen viel en kort daarop voegde hij zich bij Gregson, die al met het ontbijt op hem wachtte.

„De slee en de honden staan klaar,” zei hij. En terwijl zij zich aan tafel zetten, voegde hij er aan toe: „Ik heb mijn plannen sedert gisteravond veranderd, Howland. Ik ga niet mee terug naar de Wekusko. Het is nergens voor noodig; Thorne kan je daar voldoende inlichten omtrent alles in en om het kamp en ik geef liever een half jaar van mijn salaris cadeau dan dat ik dien sleerit opnieuw maak. Het kan je zeker niet schelen, wel?”

Howland haalde de schouders op.

„Eerlijk gezegd, Gregson,—ik geloof niet, dat je opgewekt gezelschap zou zijn. Wat voor element is de voerman?”

„We noemen hem Jackpine; hij is een Cree-Indiaan—en de vertrouwde lijfslaaf van Thorne en mij te Wekusko. Hij jaagt voor ons, kookt voor ons en zorgt voor ons in alle opzichten. Je zult stellig van hem gaan houden.”

En dat deed Howland dan ook al heel gauw. Toen zij na hun ontbijt naar de slee gingen, reikte hij Jackpine vriendschappelijk de hand en het donkere gelaat van den Cree glom van vreugde, zoodra hij de geestdrift van den nieuwen chef opmerkte. Toen het oogenblikvan scheiden kwam, trok Gregson zijn collega ter zijde. Hij scheen geagiteerd, zijn blik gleed onrustig rond en Howland zag, dat hij zich moeite gaf om een onverschilligheid te veinzen, die allerminst in zijn karakter lag.

„Nog een enkel woord, Howland,” zei hij. „Je weet, dit is een ruw en onontgonnen land vol stoere lui, die er geen bezwaar in zouden zien om iemand den hals af te snijden of hem een kogel door het hoofd te jagen, ter wille van een goed span honden of een geweer. Ik zeg je dit alleen maar om te maken, dat je op je hoede bent. Laat Jackpine waken, als je 's nachts kampeert.”

Hij sprak zacht en brak af, toen de Indiaan naderbij kwam. Howland zette zich midden op de zes voet breede toboggan en wuifde met de hand naar Gregson. Met een wild hallo en een luid klappen van zijn lange zweep van kariboe-darmen, zette Jackpine de honden aan tot een drafje, terwijl hij zelf ter zijde van de slee bleef loopen. Howland had intusschen een sigaar opgestoken en begon, tegen een zachten stapel bont geleund, zijn nieuwe ondervinding naar hartelust te genieten. De dag brak aan boven de wouden, toen zij dat deel van het Pad insloegen, dat vanLe Pasdoor meer dan honderd mijlen wildernis naar het kamp aan de Wekusko voerde en al keihard was geworden onder het vele verkeer van sleden. De honden begonnen nu harder aan te trekken en Jackpine's zweep krulde en klapte boven hun ruggen, totdat zij pijlsnel en met volkomen regelmaat voortholden. De Cree haalde daarop zijn zweep in om verder naast den eersten hond te blijven voortloopen;—zijn voeten, in mocassins gestoken, namen den korten, vluggen, lichten tred aan van den woudlooper van beroep; hij zette de borst uit, terwijl zijn blik zich vestigde op het kronkelende Pad vóór zich. Het was een glorieuse rit en Howland genoot dien zóózeer, dat hij de sigaar vergat, die hij tusschen de vingers hield. Hij had pret in het onvermoeide draven van het prachtige geel-grijze span; hij lette op de beweging van de spieren in ruggen en pooten, op het vurige snuiven van de breede neuzen, op de half-geopende muilen en de wolfachtige koppen en keekdan weer van de dieren naar Jackpine. Het draven scheen hem geen moeite te kosten. Zijn zwart haar kwam onder zijn grijze muts uit; evenals bij de honden, was er ook harmonie in zijn bewegingen; het was de schoonheid van kracht, van volharding, van een mannelijke natuur geboren in het oerwoud,—en toen de honden ten laatste, hijgend en uitgeput, een oogenblik stilhielden aan den voet van een hoogen heuvelkam, sprong Howland snel uit de slee en knoopte hij een gesprek aan met den Indiaan.

„Dat was heerlijk, Jackpine,” riep hij. „Maar, goeje God, man! Je zult de honden nog dood maken!”

Jackpine grinnikte.

„Zij—op die manier—kunnen wel zestig mijl in één dag maken,” lachte hij in zijn kinderlijk gebroken Engelsch.

„Zestig mijlen!”

Vol bewondering voor het span, dat hem zoo snel door de wildernis trok, strekte Howland de hand uit om een van de honden te streelen. Met een waarschuwenden kreet trok de Indiaan hem weg, juist toen het woedende dier al naar de uitgestoken hand hapte.

„Geen huskie aanraken!” riep hij. „Hij half wolf, half hond—werkt hard, maar wil niet aangeraakt worden!”

„Wou!”, zei Howland. „En als zij klein zijn, zijn zij zoo lief.—Ik doe in dit land wel rare ondervindingen op!”

Hij was doodmoe, toen de nacht viel. En toch had hij nog nooit van zijn leven een dag zóó genoten als dezen. Telkens weer had hij zich bij Jackpine gevoegd, terwijl deze naast de slee liep. In hun rustpoozen had hij zelfs geleerd om den dertig voet langen slag van de hondenzweep te laten klappen. Hij had honderd vragen gedaan, had er op aangedrongen, dat Jackpine af en toe een sigaar rookte en was aldoor zoo opgewekt geweest en zoo vertrouwelijk, dat de Cree zijn aangeboren terughoudendheid had laten varen tegenover zooveel geestdrift. Hij hielp om de hut van takkenbossen te bouwen voor den nacht—hij at een zwaren maaltijd van rendiervleesch, warme biscuits, boonenen koffie en toen, juist terwijl hij zich op zijn vachten uitstrekte om te gaan slapen, herinnerde hij zich de waarschuwing van Gregson. Hij richtte zich op en riep Jackpine, die bezig was met het stapelen van nieuwe blokken op het groote vuur vóór de hut.

„Gregson heeft me gezegd, dat er 's nachts in het kamp gewaakt moet worden, Jackpine. Wat denk jij daarvan?”

De Indiaan wendde zich om met een vreemd lachje, heel zijn leerachtig gelaat verwrongen tot een grijns.

„Gregson, hij heel bang,” antwoordde hij. „Geen slechte menschen hier—allemaal daarginder in kamp—wij wacht houden elken nacht.—Hij bang, denk ik—misschien.”

„Bang voor wat?”

Een oogenblik bleef Jackpine, zich over het vuur buigend, zwijgen. Daarop stak hij de linkerhand zóó uit, dat de pink niet zichtbaar was en wees er op met de andere hand.

„Misschien vinger ongeluk—misschien niet,” zei hij.

Een dozijn vragen was niet in staat om Jackpine tot meer uitlatingen te verlokken. Het speet hem klaarblijkelijk, dat zelfs die enkele woorden hem ontvallen waren. Maar hoe weinig hij ook gezegd had, het versterkte de meening, die langzamerhand bij Howland had post gevat. Hij was verbaasd geweest over het vreemde optreden van Gregson, over diens duidelijk verlangen om uit die streek weg te komen en laatstelijk over diens besluit om niet mee terug te gaan naar het kamp aan de Wekusko. Hier was maar één verklaring mogelijk: Gregson was op eenigerlei wijze gemengd in het mysterie, dat hem—Howland—omgaf, en 's mans agitatie, gevoegd bij de beteekenis van Jackpine's woorden, gaven den ingenieur de overtuiging, dat de weggeschoten vinger mede een factor was in het raadselachtige probleem. Hoe zou hij Thorne aantreffen? Zou die hem een nadere verklaring geven of zouden zij hem zonder meer overlaten aan toestanden, waarvoor zij zelf de vlucht namen?

Hij ging slapen zonder verder over de bewaking van het kamp te tobben. Toen Jackpine hem den volgenden morgen wakker maakte,stond er een lekker warm ontbijt klaar en opnieuw drong de blijde opwinding van den snellen rit door het woud den zwaren geestelijken druk, waaronder hij begon te lijden, op den achtergrond. Dien heelen dag zette Jackpine zijn honden tot het uiterste aan en in den namiddag stond het al vast, dat zij tegen den avond de Wekusko zouden bereiken. Het was al donker, toen zij uit het woud bij een groote open plek kwamen, waar de boomen waren gekapt en aan welker zoom hier en daar lichtjes schitterden. Aan de overzijde van die ruimte bracht de Cree zijn honden tot staan, dicht bij een groote, uit houtblokken opgetrokken hut, die half onder de beschutting van de boomen stond. Van hier tot aan de lichten was het nog wel een honderd meter en de ongerepte sneeuw aan alle zijden er omheen, verried, dat de woning langen tijd had leeggestaan. Jackpine haalde een sleutel uit zijn zak, stak dien in het slot en wierp de zware deur wijd open.

Het was een vochtige, koude atmosfeer, die den twee mannen tegemoet kwam, toen zij daar zoo een oogenblik in het donker bleven staan. Howland hoorde den eigenaardigen grijnslach van den Cree, die een lucifer aanstreek en zich, zoodra de groote hanglamp brandde, tot den ingenieur wendde.

„Gregson en Thorne—zij gemaakt deze hut, toen zij eerst in kamp kwamen,” zei hij zacht. „Zij niet graag bij veel leven zijn—een goede plaats is het woud, waar nachten stil zijn. Hebben hier een tijd gewoond—daarna Gregson en Thorne weer naar kamp. Zeiden, dat het te ver van menschen was. Maar dat niet waar—Gregson bang—Thorne bang—”

Hij haalde de schouders weer op en opende nu de deur van de groote, gesloten kachel, die deel uitmaakte van het meubilair der kamer.

Howland vroeg niets, maar staarde om zich heen. Overal zag hij bewijzen van den goeden smaak der twee oudere ingenieurs en teekenen van hun vroeger verblijf. Op den planken vloer lagen zware berenhuiden; de houtblokken, waaruit de muren bestonden, waren zooglad geschaafd, dat zij gepolijst leken en hier en daar hingen platen; in één hoek stond een goed gevulde boekenkast en in een anderen een rustbank met pelsdekens; een deur op den achtergrond gaf klaarblijkelijk toegang tot een slaapvertrek. Vóór hij nog klaar was met zijn inspectie, brandde er al een lekker vuurtje in de groote kachel en zijn huiverigen rug naar de warmte keerend, haalde hij zijn pijp uit en keek hij Jackpine vroolijk aan.

„Bang dus? En intusschen moet ik maar hier blijven!”

„Gregson en Thorne zeggen van ja.”

„Nu, Jackpine, loop jij dan eens gauw naar het kamp en vertel aan Thorne, dat ik hier ben,—wil je?”

Eén oogenblik scheen de Indiaan te aarzelen, maar ten slotte ging hij, de deur achter zich sluitend.

„Bang!” riep Howland, toen de ander weg was. „Maar waar duivel waren zij dan bang voor? Het is op zijn minst allerzotst van je, Gregson en dito aan jouw adres, Thorne! Maar—tenzij jelui zulke lafaards bent, als ik half en half begin te vermoeden!—zul je me toch wel niet blindelings achterlaten bij iets, waarvoor je zelf aan den loop gaat!”

Hij stak een lampje aan en deed de deur open, die naar de andere kamer leidde. Het was zooals hij al gedacht had, de slaapkamer en het meubilair bestond uit een bed, een enkelen stoel en een staanden spiegel.

In het grootere vertrek teruggekeerd, ontdeed hij zich van hoed en jas en zette hij zich op zijn gemak bij het vuur. Tien minuten later werd de deur geopend en trad Jackpine weer binnen. Hij hield een tweeden persoon bij den arm vast en toen Howland het doodsbleeke gelaat van dien man zag, kon hij een uitroep van verbazing niet weerhouden. Het was drie maanden geleden sedert hij in Chicago Thorne voor het laatst had gezien,—een man in de kracht van het leven, flink gebouwd, recht als een kaars, den knapsten en hoogst gesalieerden ambtenaar van hun maatschappij. Wat had hij Thorne vaakbenijd! Hoe had hij jaren lang in hem het ideaal gezien van een groot ingenieur!—En nu—

Hij stond verstomd. Langzaam als deed de beweging hem pijn, liet Thorne de groote pelsjas van zijn schouders glijden. Hij droeg één arm in een lichter. Zijn breede schouders waren gebogen, zijn oogen stonden vreemd en verwilderd. De glimlach, die op zijn lippen kwam, toen hij Howland de hand reikte, gaf aan zijn bleek gelaat een nog droevere uitdrukking.

„Hallo, Jack! Wat heb je, kerel? Zie ik er zoo ber..rd uit?” luidde zijn groet.

„Wat is hier toch gaande, Thorne?—Ik vond Gregson half dood inLe Pas—en nu jou—”

„Ja, het is werkelijk een wonder, dat je mijn naam niet op een houten kruis vindt, in plaats van je dienstwilligen dienaar hier in levenden lijve vóór je te zien, Jack,” zei Thorne met een zenuwachtig lachje.

„Ik heb een ton rotssteen op me gehad, kerel, een ton rotssteen!”

Howland zag over Thorne's schouder een stukje van het gelaat van den Cree. Er was een donker licht in Jackpine's oogen gekomen. Zijn tanden glinsterden tusschen de strakke lippen, die zich tot een grijns vormden.

Thorne ging voor het vuur zitten en wreef zijn handen.

„We zijn ongelukkig geweest, Jack,” zei hij langzaam. „Gregson en ik, we hebben al door tegenspoed gehad van den dag af, dat we in dit kamp kwamen en we zijn niet langer bestand tegen onze taak. Het zal een half jaar duren, eer we weer goed en wel op dreef zijn. Maar—intusschen zul je hier alles in goede conditie vinden. De lijn is afgebakend tot aan de baai; we hebben driehonderd flinke werklui en ruime voorraden van alles. Ik geloof niet, dat je aan de Wekusko één ontevreden element zult tegenkomen. Misschien, dat Gregson en ik tegen het voorjaar hetLe Pas-einde van de lijn weer opvatten. Jij hebt genoeg aan den bouw van den weg van hier tot aan de baai.”

„Het spijt me, dat je zooveel tegenslag hebt gehad,” zei Howland. Hij leunde voorover met het gelaat dicht bij dat van zijn vriend. „Thorne, is er hier ergens een man, die Croisset of een meisje, dat Meleese heet?”

Hij keek den ander oplettend aan, maar op Thorne's gelaat viel niets te lezen, dat zijn vermoedens kon bevestigen; hij leek alleen verbaasd over den toon van Howland's stem.

„Voor zoover ik weet niet, Jack. Maar allicht kan er onder onze driehonderd werklui een man van dien naam zijn. Je kunt dat dadelijk op de lijst nagaan. Er zijn een vijftien of twintig getrouwde mannen bij en die hebben huisgezinnen. Gregson is beter op de hoogte van de vrouwen dan ik. Is er iets bizonders met die twee lui?”

„Neen, ik heb alleen maar een boodschap voor hen, als zij hier zijn,” antwoordde Howland luchtig. „Is dit mijn aangewezen kwartier?”

„Ja,—tenminste als het je bevalt. Na mijn accident zouden wij wat dichter bij de anderen komen. Het bracht ons in nauwer aanraking met de werklui,—dat vat je.”

„Gregson en jij, je moet—dunkt me,—zoo wat op denzelfden tijd invalide zijn geworden,” zei de jongere ingenieur. „Het is zeker een heel pijnlijke wonde geweest, die van Gregson. Maar wie ter wereld kan op hem hebben geschoten? Hoe kan een man als hij er een vijand op na houden?”

Bij het vernemen van die woorden richtte Thorne zich snel op, terwijl zich bij de kachel een geratel van metalen pannen liet hooren. Howland wendde het hoofd om en zag, dat Jackpine hem aankeek met een gezicht, als was er een mijn onder hun voeten ontploft.

„Wie op hem schoot?!” hijgde de oudere ingenieur. „Maar—er—heeft Gregson je dan niet gezegd, dat het een ongeluk is geweest?”

„Waarom zou hij liegen, Thorne?”

Er vloog een zwakke blos over het gelaat van den ander. Eén oogenblik zag hij Howland doordringend aan. Jackpine stond zwijgend en onbeweeglijk naast de kachel.

„Hij vertelde mij, dat het een ongeluk was geweest,” zei Thorne eindelijk.

„Gek,” was het eenige wat Howland antwoordde, terwijl hij zich naar den Indiaan wendde, als gold het een zaak van geen belang.

„Ziezoo, Jackpine, ik ben blij, dat de koffiepot op het vuur staat. Ik heb een kistje van de donkerste en zachtste Porto Ricans bij me, waar ik je ooit op getracteerd heb, Thorne en we zullen het open maken voor een lekker haaltje na het avondeten. Hallo, waarom heb je planken over dat raam gespijkerd?”

Eerst nu had Howland opgemerkt, dat het dunne mousselinen gordijn niet een raam verborg, maar wel een solide barricade van planken. Hij voelde inwendig een schok en stond op om er naar te kijken. Met den rug naar Thorne gekeerd, zei hij half lachend:

„Misschien was Gregson bang, dat de vent, die zijn pink meenam, hem door het venster heelemaal te pakken zou krijgen!”

Hij deed als zag hij de uitwerking van die woorden niet op Thorne. Zij zetten zich nu aan hun avondeten, om nog wel een uur na afloop daarvan al rookende te blijven praten over de aangelegenheden van het kampement. Het was over tienen, toen Thorne en Jackpine de hut verlieten.

Niet zoodra waren zij weg of Howland sloot de deur met den grendel, stak een nieuwe sigaar op en begon snel in de kamer heen en weer te loopen. Er waren dus al complicaties. Gregson had hem voorgelogen à propos van dien pink; Thorne had hem voorgelogen à propos van zijn eigen letsel, wàt dat dan ook mocht zijn. Van die twee feiten was hij zeker—en van nog veel meer. Zijn twee collega's verlieten de Wekusko niet alleen omdat zij onvoldaan waren over het werk en over de omgeving. Zij vluchtten. En om de een of andere reden verborgen zij voor hem de werkelijke aanleiding tot hun vlucht. Was het mogelijk, dat zij hem koelbloedig opofferden om zichzelf met eere te redden? Zelfs tegenover de stelligste bewijzen kon hij dat niet aannemen. Beiden waren mannen van onbesproken naam en karakter. Vooral Thorne bezat in hooge mate persoonlijken moed; hij zou delaatste zijn om vriend of collega verraderlijk in den steek te laten. Neen, noch hij, noch Gregson wist iets af van Croisset of van het mooie meisje. Maar even onomstootelijk stond het bij Howland vast, dat er nog anderen betrokken waren in het complot, waarvan hij op het Groote Pad naar het Noorden het slachtoffer was geworden. Hij onderzocht opnieuw het gebarricadeerde raam en hield zich overtuigd, dat zijn schot in de lucht doel had getroffen.

Hoewel vermoeid na de lange reis, voelde hij geen lust om te gaan slapen; hij legde zich op de rustbank met het hoofd en de schouders diep in de huiden en ging voort met rooken en denken. Hij schrikte, toen het elf uur sloeg. Hij had dat klokje niet eerder opgemerkt. Al luisterend naar dat zwakke, eentonige getik boven zijn hoofd, voelde hij ten laatste een onweerstaanbare dommeligheid in zich opkomen; zijn oogen sloten zich. Hij was bijna in slaap, toen de klok opnieuw sloeg, zacht, maar toch luid genoeg, om hem te wekken. Dezen keer was het twaalf uur.

Hij deed moeite om zijn doezeligheid af te schudden en ging overeind zitten; hij wilde zich uitkleeden en naar bed gaan. De lamp brandde nog helder en hij maakte zich gereed om de pit in te draaien. Maar plotseling bleef hij staan; hoe slaperig ook, hij hoorde een duidelijk tikken op de deur. Zwijgend en roerloos bleef hij een oogenblik wachten. Na een kort tijdsverloop herhaalde het kloppen zich, luider dan te voren, maar toch heel behoedzaam. Dat kon niet het kloppen zijn van iemand, die hem voor zaken trachtte wakker te maken.

Wie kon die middernachtelijke bezoeker zijn? Zacht liep Howland naar zijn zware jas en stak hij de kleine revolver in een zijzak. Weer werd er geklopt. Hij liep nu naar de deur, schoof den grendel weg en wierp haar wijd open, met de rechterhand het pistool ontklemmend.

Eén oogenblik bleef hij als versteend staan, sprakeloos starend in een bleek en angstig gelaat, waar het schijnsel van de olielamp op viel. Stom van verbazing, week hij langzaam terug, steeds de deur openhoudend en nu trad zij binnen, die hij van heel de wereld het liefst wilde zien, zij die sedert dien avond in Prince Albert op zoo wondere wijze een deel van zijn leven was geworden en wier lief gelaat van uur tot uur een diepere beteekenis voor hem kreeg. Hij sloot de deur en wendde zich om, steeds nog zwijgend. Een plotselinge opwelling dreef hem het bloed onstuimig door de aderen en hij stak beide handen uit naar de vrouw, voor wie hij alle gevaren, die hem tusschen de beschaafde wereld en de baai wachtten, zou willen trotseeren.

De Liefde van een Man.

Een oogenblik aarzelde het meisje, haar handen tegen de borst gedrukt en het doodsbleeke gelaat verwrongen in vreemde smart, toen zij de uitgestoken armen zag van den man, wien haar verraad bijkans in den dood had gevoerd. Daarop naderde zij langzaam; Howland greep haar handen en keek haar vragend in de verwilderde oogen, die naar de zijne staarden.

„Waarom zijt gij van mij weggeloopen?” waren zijn eerste woorden. Zijn stem was zacht, als had hij haar al lang gekend. Er klonk geen bitterheid uit en in zijn warmen, grijzen blik lag niet het verwijt, dat zij had kunnen verwachten. Hij herhaalde zijn vraag, daarbij het hoofd buigend, totdat hij de zachte aanraking van haar haar tegen zijn lippen voelde. „Waarom zijt ge weggeloopen?”

Zij trok zich een weinig terug en haar blik zocht zijn gelaat. „Ik heb u voorgelogen,” fluisterde zij,—„ik heb gelogen—”

De woorden bleven steken in haar keel. Hij zag hoe zij trachtte zichzelf te beheerschen, hoe zij moeite deed om het trillen van haar lippen en het beven van haar stem te onderdrukken. Maar een oogenblik later moest zij het opgeven en zonk zij, luid snikkend, op een stoel bij de tafel neer, het hoofd op haar armen leggend. Toen Howland dat stuipachtige trekken van haar schouders zag, voelde hij in zich een groote vreugde, niet uit leedvermaak, maar omdat hij begreep hoe diep haar verdriet was over wat zij had gedaan. Zacht naderde hij haar. De pelsmuts was afgegleden en de lange glanzige vlecht half losgeraakt; de zijden lokken vielen over haar schouders en glinsterden in het lamplicht. Howland's hand aarzelde en viel ten laatste zacht op haar gebogen hoofd.

„Er zijn gevallen waarin de vriend, die liegt, de eenige ware vriend is,” zei hij. „Ik geloof, dat gij verplicht waart, om—te liegen.”

Eenmaal slechts streek zijn hand over haar lokken; daarop, zichzelf beheerschend, liep hij naar de overzijde van de smalle tafel en zette hij zich. Toen het meisje opkeek, lag er een diepe blos op haar wangen, die nog vochtig waren van de tranen; in haar oogen was daar geen spoor meer van te bekennen, het was als zochten die in zijn blik de waarheid van de woorden, een oogenblik te voren door hem geuit.

„Meent gij dat?” vroeg zij gretig. „Meent ge, dat ik verplicht was om—te liegen?” Zij leunde een weinig naar hem over en wachtte, zenuwachtig met haar vingers draaiend, op zijn antwoord.

„Ja,” zei Howland. Hij uitte dat enkele woord op een toon van beslistheid, die blijdschap bracht in de zachte, bruine oogen tegenover hem. „Ik geloof, dat gij verplicht waart om te liegen.”

Zijn diepe stem getuigde van een onbegrensd vertrouwen. Er lagen hem nog meer woorden op de lippen, maar hij dreef die met geweld terug. Een deel echter van wat hij had willen zeggen,—van het vreemde, blijde tumult in zijn hart, verried zich op zijn gelaat en langzaam deinsde het meisje daarvoor terug, terwijl de kleur van haar wangen verdween.

„En ik geloof ook, dat ge me niet opnieuw zult voorliegen,” vervolgde hij.

Zij stond op en wierp haar lokken terug, hem beschouwend als had zij nooit te voren een man als hij ontmoet en als wist zij niet wat van hem te denken.

„Neen, ik zal u niet meer voorliegen,” hernam zij op vasteren toon. „Gelooft gij mij nu?”

„Ja.”

„Keer dan ook terug naar het Zuiden. Ik ben vannacht hierheengekomen, alleen om het u opnieuw te zeggen,—om te maken, dat gij mij geloovenmoet. Waarom keert ge niet naarLe Pasterug? Als ge dat morgen niet doet—”

Het was alsof haar stem stokte en alsof zij aan hem overliet om al of niet te begrijpen, wat zij had willen zeggen. In minder dan geen tijd was Howland aan haar zijde. In hem bruiste opnieuw de oude taaie strijdlust. Hij greep haar handen en dwong haar met zijn blik om hem aan te zien.

„Als ik morgen niet ga, dan zullen zij mij vermoorden,” zei hij, de woorden van haar briefje herhalend. „Maar als ge nu werkelijk eerlijk en oprecht tegenover mij wilt zijn, vertel mij danwiemij wil vermoorden—enwaarom?”

Hij voelde, dat er een siddering door haar leden voer, toen zij antwoordde:

„Ik zei alleen, dat ik u niet opnieuw zal voorliegen. Kan ik u niet de waarheid zeggen, dan zeg ik niets. Het is mij niet mogelijk u te zeggen, waarom uw leven in gevaar verkeert.”

„En weet ge dat wel?”

„Ja.”

Hij bracht haar weer naar den stoel bij de tafel en zette zich opnieuw tegenover haar.

„Wilt ge me dan zeggen wie gij zijt?”

Zij aarzelde en draaide een langen haarlok om haar vinger.

„Wilt ge?”

„Als ik u zeg, wie ik ben,” zei zij ten laatste, „dan weet ge ook wie uw vijanden zijn.”

Hij staarde haar verbaasd aan.

„Duivels!” Het woord ontviel hem, eer hij het kon tegenhouden. Voor de tweede maal stond het meisje op van haar stoel.

„Zult gij gaan?” smeekte zij. „Zult gij morgen terugkeeren naarLe Pas?”

Haar hand lag op de klink van de deur. „Zult gij gaan?”

Hij was opgestaan om een sigaar aan te steken boven het glas van de lamp. Lachend kwam hij daarop naar haar toe.

„Of ik zal gaan?—Zeker—ik ga u veilig naar huis geleiden.” En zich snel naar de rustbank begevend, gespte hij den holster met het pistool om. Maar toen hij weer bij haar kwam, versperde zij hem den weg door met haar rug tegen de deur te gaan staan.

„Dat moogt ge niet.”

„En waarom niet?”

„Omdat—” Weer klonk er angst uit haar stem. „Omdat zij u zullen doodmaken.”

Het gesmoorde lachje, dat hij over haar lokken ademde, getuigde eer van vreugde dan van vrees.

„Ik ben blij, dat gij zorg voor mij koestert,” fluisterde hij zacht.

„Gij moet gaan!” bleef zij aandringen.

„Met u—graag!” antwoordde hij.

„Neen, neen—ik bedoel morgen. Ge moet teruggaan naarLe Pas, naar het Zuiden. Wilt gij mij dat beloven?”

„Misschien,” zei hij. „Ik zal het u spoedig zeggen.”

Zij eindigde met zich te onderwerpen aan zijn vasten wil; hij ging mee naar buiten. Haastig leidde zij hem langs een smal paadje door de dichte schaduwen van het pijnbosch. Maar opeens bleef zij staan; het was hem als hoorde hij het kloppen van haar hart in de versnelde ademhaling; met een angstig gebaar greep zij hem bij den arm.

„Het is hier dicht bij,” fluisterde zij. „Gij moogt niet verder meegaan. Als zij u met mij zagen op dit uur—” Hij voelde hoe zij sidderde.

„Nog een eindje,” smeekte hij.

Weer gaf zij toe, zij het dan ook aarzelend en zij liepen nu voort, langzamer dan in den beginne, totdat zij aan een punt kwamen, waar recht voor hen uit de flauwe lichtjes van het kamp zichtbaar werden.

„Nu—nu moet ge heengaan!”

Howland deed als ging hij gehoorzamen en dadelijk was het meisje aan zijn zijde.

„Ge hebt nog niet beloofd,” smeekte zij. „Zult ge vertrekken—morgen?”—In den glans van de oogen, die tot hem werden opgeheven,las hij weer dezelfde, wondere kracht, die sinds kort zijn ziel had vermeesterd. Het kwam niet bij hem op, dat hij dit meisje eerst sedert een paar dagen had ontmoet, dat hij vóór dezen avond haar stem zelfs niet had gehoord. Hij was er zich alleen van bewust, dat er in die luttele uren iets in zijn leven was gekomen, dat hij vroeger nooit had gekend; dat hij diep in zich een verlangen gevoelde om haar dit te zeggen,—om haar lief gelaat tusschen zijn handen te nemen en haar te vertellen, dat zij hem meer was dan een voorbijgaand visioen in een vreemde wildernis. Hij vergat de lessen, die hij zichzelf jaren lang had voorgehouden: succes, eerzucht, voldoening over het bereiken van een doel,—dat alles zonk in het niet tegenover haar bezielende tegenwoordigheid; en ook vergat hij, toen hij haar in het angstig smeekende gelaat keek, wat die vrouw had gedaan en wat zij had kunnen worden. Voor hem bestond alleen het feit, dat zij een nieuwe wereld voor hem had ontsloten,—een wereld vol beloften, die als vurige wijn zijn bloed in beroering brachten. Weer drukte hij haar handen tegen zijn borst, zooals hij dit op het Groote Pad naar het Noorden had gedaan;—weer trok hij haar zóó dicht tegen zich aan, dat hij haar hart voelde kloppen. Hij sprak geen woord en steeds smeekte haar blik hem om heen te gaan. Plotseling bevrijdde hij een van zijn handen en streek daarmee het zware haar van haar voorhoofd, tegelijkertijd haar gelaat zacht omwendend, totdat het licht van de sterren zich in haar oogen weerspiegelde. En in dat oogenblik las zij in de zijne, wat zijn lippen niet hadden durven zeggen—en hoorde hij een zachten snik.

„Neen, ik heb niet beloofd en ik wil niet beloven,” zei hij, haar gelaat zóó houdend, dat zij dit niet meer kon afwenden. „Vergeef mij, wat ik gedaan heb—” En eer zij zich kon verroeren, sloot hij haar een oogenblik vast in zijn armen. „Nuweet je, waarom ik niet wil weggaan,” fluisterde hij zacht. „Het is omdat ik je liefheb,—o zoo lief!”

Hij herstelde zich, de verdere woorden terugdringend, die hem op de lippen lagen. Maar toen zij haar blik afwendde, lichtte er in haaroogen een glorie, die hem opnieuw de armen naar haar deed uitstrekken.

„Vergeef mij,” smeekte hij. „Mijn bedoelingen zijn goed. Maar ik wil, dat je weet, waarom ik niet naar het Zuiden terugga.”

Zij stond nu op korten afstand van hem en toen zij sprak, klonk haar stem zacht, zóó zacht, dat hij nauwelijks de woorden kon verstaan, al doortrilde het lieve geluid zijn ontvankelijke ziel.

„Als je me werkelijk liefhebt, dan doe je het om mijnentwil. Je moet morgen vertrekken.”

„En jij?”

„Ik?” Hij hoorde het beven van haar stem. „Je zult heel gauw vergeten, dat je me ooit gezien hebt.”

Daar liet zich opeens langs het pad het geluid van gesmoorde stemmen hooren. Ontsteld kwam het meisje naar Howland toe en trachtte zij hem met haar handen terug te dringen.

„Ga—ga toch!” riep zij. „Ga gauw terug naar je hut! Sluit je deur en kom er vannacht niet meer uit. O—als je me werkelijk liefhebt, ga—ga!”

De stemmen kwamen nader; Howland meende donkere schaduwen te onderscheiden tusschen de boomen. Hij lachte zacht.

„Neen, meisjelief, ik ga niet aan den loop!” fluisterde hij. „Kijk!”—en hij haalde zijn revolver uit, die in het sterrenlicht glinsterde.

Met een beweging van schrik trok zij hem mee tot diep in de struiken, op een pas of twaalf afstands van het pad, waarlangs de anderen naderden. Alles was stil, toen Howland zijn wapen weer in den holster liet glijden. Maar al heel spoedig lieten de stemmen zich opnieuw hooren en nu van dichtbij;—ook zijn gezellin week terug, haar handen grepen zijn arm en smeekend hief zij het bleeke, verschrikte gelaat tot hem op. Het bloed kookte hem in de aderen; hij begreep, dat het meisje de stemmen herkend had,—dat zij, die op het punt stonden van daar voorbij te gaan, de geheimzinnige vijanden waren, tegen wie zij hem gewaarschuwd had. Wie weet, misschien waren het dezelfde twee individuen, die hem op het GrootePad naar het Noorden hadden aangevallen. Het meisje voelde hoe de spieren van zijn arm zich strekten onder haar greep. Weer tastte zijn hand naar de revolver; hij deed een schrede voorwaarts, zijn oogen schitterden, zijn gelaat werd als staal. Bijkans snikkend drukte zij zich tegen hem aan en trachtte zij hem terug te dringen.

„Doe het niet!” fluisterde zij—„doe het niet!”

Reeds hoorden zij detakkenkraken onder de naderende voetstappen, toen het geluid op minder dan twintig pas afstands plotseling ophield. De hand van het meisje ging langzaam en liefkoozend van zijn arm naar zijn schouder en naar zijn gelaat; haar mooie oogen gloeiden, half angstig, half smeekend.

„Doe het niet!” fluisterde zij opnieuw en nu zóó dicht aan zijn oor, dat haar warme adem hem langs de wangen streek; „doe het niet, als je me liefhebt!”

Zacht trok hij haar naar zich toe en nam hij haar in zijn armen, haar gelaat tegen zijn borst drukkend en daarop mond, oogen en haar kussend. „Ik heb je lief!—Ik heb je lief!” fluisterde hij telkens opnieuw.

Weer lieten de voetstappen zich hooren, maar de stemmen stierven weg. Hij voelde een drukken tegen zijn borst, een lichten tegenstand en hij opende de armen om haar vrij te laten. Zij schonk hem een glimlach en in dien glimlach lag tegelijkertijd een zachte aanklacht en een zoete vrijspraak; hij zag, hoe de blos weer op haar wangen en de gloed weer in haar oogen verscheen.

„Zij zijn weg,” zei zij, nog bevend.

„Ja, zij zijn weg.” Een oogenblik staarde hij naar het stralende gelaat van het jonge meisje en ging toen voort: „Zij zijn weg,—maar het waren dezelfde mannen, die te Prince Albert een poging deden om mij te dooden. Ik liet hen gaan, terwille van jou. Wil je me nu je naam zeggen?”

„Ja, maar ook niet meer dan dat. Ik heet Meleese.”

„Meleese!”

Hij sprak den naam op scherpen toon uit; op eens toch kwam alleshem weer in den zin, wat Croisset had gezegd en zweefden de woorden van den half-ras, die zich diep in zijn memorie hadden gegrift, hem op de lippen. „Misschien zult ge het begrijpen, wanneer ik u zeg, dat het de kleine Meleese is, die u deze waarschuwing doet toekomen.” Wat had Croisset daarmee bedoeld?

„Meleese!” herhaalde hij, het jonge meisje vreemd aanziend.

„Ja,—Meleese—”

Langzaam week zij terug; de blos verliet haar gelaat en toen zij den blik van zijn oogen opving, uitte zij een korten, gesmoorden kreet.

„Begrijp je me nu—nu? Weet je nu waarom je naar het Zuiden moet terugkeeren?” snikte zij zacht. „O ik deed verkeerd met je mijn naam te zeggen! Maar je gaat weg, niet waar? Je gaat om mijnentwil—”

„Voor jou ga ik naar het einde van de wereld!” viel Howland haar in de rede, zijn doodsbleek gelaat dicht bij het hare. „Maar vertel mij dan ook waarom dit alles. Ik begrijp je niet. Ik weet niet waarom die mannen mij wilden doodmaken te Prince Albert. Ik weet niet waarom mijn leven hier in gevaar verkeert. Croisset vertelde me, dat de waarschuwing, die ik daar ginds kreeg, van een meisje kwam, dat Meleese heette. Ik begreep hem niet. En ik begrijp jou niet. Het is alles een mysterie voor me. Voor zoover ik weet, heb ik nooit vijanden gehad. Ik heb je naam nooit gehoord eer Croisset dien uitsprak. Wat bedoelde hij? Wat bedoel jij? Waarom tracht je me weg te houden van de Wekusko? Waarom is mijn leven in gevaar? Het staat aan jou om mij dat alles te zeggen. Ik ben eerlijk met je geweest. Ik heb je lief. Ik wil zoo noodig voor je vechten; maar dan moet je me ook vertellen—vertellen—”

Zij voelde zijn heeten adem op haar gelaat en zij zag hem aan met een blik, alsof dat wat zij hoorde, haar de spraak benam.

„Wil je het me niet vertellen?” fluisterde hij nog zachter. „Meleese—” Zij deed geen poging om hem tegen te gaan, toen hij haar opnieuw naar zich toe trok en zijn lippen op de hare drukte. „Meleese, waarom wil je het me niet vertellen?”

Plotseling legde zij haar handen tegen zijn gelaat en stiet zij zijn hoofd terug, hem vrij en open aanziend.

„Als ik het je vertel en op die wijze verraad pleeg tegen hen, die ik liefheb,” zei ze zacht, „wil je me dan beloven, dat je geen van hen kwaad zult doen en dat je naar het Zuiden zult terugkeeren?”

„En jou achterlaten?”

„Ja—en mij achterlaten.”

Er klonk een flauw, een heel flauw zuchtje uit de stem, die zij trachtte te beheerschen. Zijn armen sloten zich nauwer om haar heen.

„Ik ben bereid om een eed af te leggen, dat ik zal doen wat het beste is voor jou—en voor mij,” antwoordde hij. „Ik wil een eed afleggen, dat ik niemand zal benadeelen, dien jij wenscht te beschermen. Maar ik wil niet beloven om je te verlaten.”

Er kwam een zachte glans in de oogen van het jonge meisje, toen zij zich uit zijn armen losmaakte en een weinig terugweek.

„Ik moet eerst denken—denken—” fluisterde zij snel. „Misschien kan ik je morgenavond uitsluitsel geven,—hier op deze plek—wanneer je je woord wilt houden en doen wat goed is voor jou—en voor mij!”

„Ik zweer het je!”

„Ik kom hier dan weer op denzelfden tijd,—als de anderen slapen. Maar dan moet je morgen oppassen—erg oppassen! Beloof me dat je morgen voorzichtig zult zijn.”

„Dat beloof ik je.”

Als onwillekeurig strekte zij nog eenmaal de armen naar hem uit en gleed daarop weg als een schim. Hij hoorde haar vlugge schreden op het pad, hij zag haar gestalte, zooals die in het duistere woud verdween. Nauwelijks ademhalend, bleef hij staan luisteren tot hij niets meer hoorde om zich daarna langs het voetpad snel terug te begeven naar zijn hut.

Het opblazen van de coyote.

In de nieuwe opwinding, die al zijn zenuwen doortrilde, vergat Howland het gevaar, waarin hij verkeerde, vergat hij zijn vroegere voorzichtigheid en den angst, waaruit die ontstond, vergat hij alles—behalve Meleese en zijn eigen groot geluk. Want gelukkig was hij; gelukkiger dan hij nog ooit van zijn leven was geweest, gelukkiger dan hij ooit had gedacht te zullen worden. Hij bleef zichzelf gelijk, ook in de nieuwe, vreemde vreugde, die hem doortintelde; hij gunde zich geen tijd om al de dwaze gedachten te ontleden, die in hem opkwamen. Hij had Meleese in zijn armen gesloten, hij had haar zijn liefde bekend en hoewel zij slechts met zachte berusting naar hem had geluisterd, was hij toch verrukt zoo vaak hij terugdacht aan haar laatsten blik, die van zooveel geloof en vertrouwen in hem en wie weet van wat nog meer getuigde. Zijn geloof in haar was onbegrensd als het blauwe uitspansel boven hem. Hij kende haar nog maar heel kort, maar het leek hem alsof hij in dat tijdsverloop langer had geleefd dan in alle voorafgaande jaren te zamen genomen. Zij had hem voorgelogen, zij had hem maar ten deele haar naam toevertrouwd,—maar hij voelde als bij ingeving, dat daarvoor geldige redenen bestonden.

Morgenavond zou hij haar weerzien en dan—wat zou zij hem dan vertellen? Het moest en zou een belooning zijn voor zijn liefde. Dat verried het angstige beven in haar stem, de snikkende ademhaling,de zachte gloed in haar oogen. Zou zij—door liefde gedrongen—vertrouwen in hem stellen—en zou hij dan naar het Zuiden terugkeeren?

Hij lachte zacht en vroolijk.

Ja zeker,—hij zou naar het Zuiden teruggaan,—hij zou naar het einde van de wereld willen trekken,—als zij maar meeging. Wat beteekende de bouw van een spoorlijn tegenover dat andere groote, dat er in zijn leven gekomen was? Hij zag het begrip van plicht nu onder een licht, dat veel van het vroegere verschilde. Er waren lui genoeg, die een weg konden aanleggen; succes, fortuin, eerzucht—van de soort zooals hij tot nu toe had gekend,—zij werden geheel overschaduwd door zijn liefde voor dit jonge meisje.

Hij bleef staan om een pijpje te stoppen. De lekkere lucht van de tabak, de geurige rook in zijn mond, dat alles hielp om hem weer in zijn fatsoen te zetten en zijn verhit brein te bekoelen. Maar daarmee kwam ook de oude strijdlust weer boven. Naar het Zuiden gaan? Nog eenmaal stelde hij zichzelf die vraag en weer klonk er een lachje door het stille woud, toen hij, de vuisten ballend, dacht aan wat hem wachtte. Neen,—hijwildedien spoorweg bouwen. En al bouwend, zou hij het meisje veroveren, wanneer zij werkelijk voor hem was weggelegd.

Met die kalmere gedachten keerde ook zijn voorzichtigheid terug; hij liep nu langzamer, zich in de schaduw houdend en af en toe stilstaand om te luisteren. Aan den rand van de open ruimte gekomen, hield hij in. Alles was doodstil rondom de hut; waarschijnlijk waren de twee mannen, die hij daar even in het bosch had gehoord, langs een anderen weg naar het kamp teruggekeerd. Zich steeds zooveel mogelijk in de schaduw houdend, liep hij naar de deur en trad hij binnen.

Met zijn voeten tegen de groote kachel zat daar Jackpine. Hij stond op, toen hij Howland zag en er was iets in de sombere uitdrukking van zijn gelaat, dat den jongen ingenieur aanleiding gaf om hem onderzoekend op te nemen.

„Iemand hier geweest, Jackpine?”

De oude Indiaan maakte een ontkennend gebaar en haalde de schouders op, tegelijkertijd wijzend naar een zorgvuldig opgevouwen papier, dat op de tafel lag.

„Thorne,” gromde hij.

Howland spreidde den brief uit en las bij het licht van de lamp:


Back to IndexNext