„Waarde Howland,„Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naarLe Pasmorgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.THORNE.”
„Waarde Howland,
„Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naarLe Pasmorgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.
THORNE.”
Howland gaf uiting aan zijn verbazing in een zacht fluiten.
„Waar slaap jij, Jackpine?” vroeg hij op eens.
„In een hut aan den zoom van het woud,” antwoordde de Cree.
„En hoe doen we dan met het ontbijt? Thorne heeft me nog niets verteld à propos van de maaltijden.”
„Thorne hij zegt, gij morgenochtend eten bij hem. Ik kom vroeg—u wakker maken. Als hij morgen weg, wij hier eten.”
„Je hoeft me niet wakker te maken,” zei Howland, zijn jas uittrekkend. „Ik zal Thorne wel vinden—waarschijnlijk nog vóór hij op is. Goedennacht!”
Jackpine had de deur al half geopend en één oogenblik kreeg de ingenieur een glimp te zien van het donkere, grijnzende gelaat, dat hem over den schouder nog aankeek. De Indiaan aarzelde even, als was hij op het punt van te spreken, maar in het volgende oogenblik ging hij, stil bij zichzelf lachend, naar buiten.
Howland schoof nu den grendel op de deur, stak een klein tafellampje aan en begaf zich daarmee naar zijn slaapkamer.
„Een beetje rust komt mij toch toe, al zou er nog zoo'n knaleffect op volgen,” mompelde hij bij zichzelf, zich in de dekens rollend.
Hoewel gewend om uit zichzelf en met den dageraad op te staan, moest hij dezen keer toch door Jackpine gewekt worden. Het kamp was nog maar nauwelijks ontwaakt, toen hij den Indiaan tusschen de houten huizen door naar Thorne's kwartier volgde. Deze was al op en in de kleeren.
„Het spijt me, dat ik je moest haasten, Howland,” begon hij, „maar ik moet weg met de mail. Onder ons gezegd—ik stel niet veel vertrouwen in onzen dokter. Mijn schouder is er miserabel aan toe—en mijn arm is nog ellendiger—en ik maak, dat ik zoo gauw mogelijk bij een goed chirurgijn kom.”
„Hebben ze je dan Weston niet meegegeven?” vroeg Howland. Hij wist, dat juist dr. Weston bij hun maatschappij de groote man was voor chirurgicale hulp.
„Ja, juist Weston,” antwoordde zijn collega, hem scherp aanziend. „Ik wil daarmee allerminst zeggen, dat hij niet goed is, Howland,” verbeterde hij zich snel. „Maar hij schijnt nu eenmaal geen oog te hebben voor mijn mankement.—Vóór ik het vergeet—ik heb de lijst van onze menschen nagegaan en er is geen enkele Croisset bij.”
Na het ontbijt verdiepten beide mannen zich een uur lang in kaarten, bescheiden en teekeningen, betrekking hebbend op de aangelegenheden van het kamp. Van Chicago uit had Howland steeds voeling gehouden met het werk en toen zij eenmaal zoo ver waren, dat zij konden overgaan tot de buiteninspectie, leek hij al genoegzaam meester van den toestand om den persoonlijken steun van zijn collega's te kunnen ontberen. Nog meer dan tevoren was hij er van overtuigd, dat het allerminst opzien tegen technische moeilijkheden was, wat hen naar Chicago terugdreef. Had hij misschien een oogenblik gemeend, dat hij het werk in ontredderden toestand zou vinden, al heel gauw merkte hij uit de voor hem opengelegde bescheiden, dat dit in geenen deele het geval was.
„Dit alles is het resultaat van een goed half jaar,” zei Thorne, toen zij klaar waren met hun inspectie. „Goeje God, man, toen we hier pas kwamen, had een konijn nog niet kunnen doordringen tot deplek, waarop je nu zit,—en kijk thans eens rond! Vijftig hutten, vier loodsen voor de maaltijden, twee van de grootste opslagplaatsen noordelijk van Winnipeg, een postkantoor, een ziekenhuis, drie smederijen en—een scheepswerf!”
„Een scheepswerf?” riep Howland ten zeerste verbaasd.
„Ja, zeker—en met een half afgewerkt schip van vijftig ton, dat nu in het ijs zit vastgevroren. Als je het in het volgende voorjaar afmaakt, zal het je van veel dienst kunnen zijn voor het aanbrengen van voorraden over de Wekusko. Nu gaat het nog langs het ijs en gebruiken we daarvoor paarden. Het kostte duivelsche moeite om er een vijftig vanLe Pashierheen te krijgen.—En buiten en behalve dit alles hebben we zuidelijk al zes mijlen van den onderbouw voor de nieuwe lijn gereed en noordelijk drie. Aan het uiteinde van elk stuk, waaraan gewerkt wordt, is een sub-kamp, maar de meeste lui geven er de voorkeur aan, om 's avonds naar hier terug te keeren.”Er werd nu geklopt en Thorne stond langzaam en moeilijk op. „Dat zal MacDonald zijn, de superintendent van het kamp,” legde hij uit. „Ik had hem om acht uur hier besteld—een handige kerel!”
Toen Thorne de deur opende, stapte een klein mannetje met rood haar naar binnen. Zijn oog viel niet zoodra op Howland of hij kwam met uitgestoken hand op den nieuwen chef af, glimlachend en vriendelijk met het hoofd knikkend.
„Howland natuurlijk!” riep hij. „Het doet me plezier u te zien! Ik ben tot mijn spijt wat laat, maar ze hebben zoo duivels veel moeite met een rotspartij, die ze vanmorgen willen laten springen en dat heeft me opgehouden.”
Van Howland keerde hij zich met de schichtige beweeglijkheid van een veldmuis naar diens ouderen collega.
„Hoe staat het met je arm, Thorne? En als je nog een greintje medegevoel in je corpus hebt, vertel me dan gauw of Jackpine sigaretten voor me heeft meegebracht uitLe Pas. Als hij, net als de laatste mail, ze vergeten heeft, dan sta ik niet voor zijn leven in.”
„Hij heeft ze meegebracht,” zei Thorne. „Maar à propos van dierotsen—ik dacht, dat alles klaar was om ze te laten springen.”
„Dat is het ook—nu! De zuidkant staat ten doode opgeschreven; die wordt om tien uur opgeblazen. De groote noordelijke rotsen moeten er vanavond aan gelooven. Het zal een schitterend vuurwerk worden—honderd vijf en twintig vaatjes buskruit en vier kisten, elk van vijftig ton dynamiet. Als je niet zoo ver kunt loopen, Thorne, dan nemen ze je wel op een slee mee er heen. Het zou jammer zijn, als je het niet zag!”
„Het spijt me, Mac, maar ik zal er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Ik vertrek met de mail naar het Zuiden. Het is juist daarom, dat ik je vroeg om vanmorgen hier te komen. Het is nu verder jouw taak om Howland bekend te maken met alle onderdeelen van het kamp.”
„Kostelijk!” riep de kleine Schot, met spontane geestdrift de handen wrijvend. „Greggy en Thorne hebben hier merkwaardige dingen gedaan, Mr. Howland. Je zult oogen opzetten, als je het ziet! Praat me van spoorwegbouw! We hebben elk record geslagen, we hebben ons door wouden, door moerassen en door die vervloekte bergketens heengewerkt—en hier zijn we nu vrij wel bij het uiteinde van de aarde. De nieuwe Trans-continental is er kinderwerk bij! De—”
„Afbellen, Mac!” riep Thorne en Howland zag hoe zijn collega nu lachend neerkeek op het roode gelaat vol zomersproeten van den superintendent. De man had van het eerste oogenblik af ook op hem een gunstigen indruk gemaakt.
„Hij is één bundel van dubbel geladen draden,” zei Thorne zacht, toen MacDonald voor hen uit liep. „En zoo is hij altijd—meestal kinderlijk gelukkig en de lieveling van het werkvolk—maar een lastige duivel, als hij het land aan je heeft. Ik weet niet wat we in het kamp zonder hem zouden moeten beginnen.”
Diezelfde gedachte kwam gedurende de eerstvolgende twee uren telkens en telkens weer bij Howland op. MacDonald scheen in werkelijkheid de ziel en de baas van het kamp te zijn, terwijlThorne's houding den jongen ingenieur meer en meer een raadsel werd. De hoofdlieden van het kamp en de opzichters, die zij tegenkwamen, schenen bang te zijn voor den ouderen ingenieur, maar als zij de vroolijke stem van den kleinen, rooden Schot hoorden, glinsterden hun oogen van geestdrift. Neen, dat was niet langer de Thorne, die tien jaar lang oog, oor en stem was geweest van de grootste ondernemingen der vennootschap en wiens onbegrensd enthusiasme en werklust hem gestempeld hadden tot een man van meer dan nationale reputatie. Thorne leek niet op zijn gemak onder het werkvolk; er lag achterdocht in zijn blik, als zocht hij onder al die aangezichten naar één bepaald gelaat. De slimme oogen van MacDonald merkten Howland's verwondering op en eenmaal profiteerde hij zelfs van een gelegenheid om hem toe te fluisteren:
„Het wordt meer dan tijd, dat Thorne naar de beschaafde wereld terugkeert. Er is iets niet in den haak met hem. Weston vertelde me gisteren nog, dat het met zijn kneuzingen heel goed staat. Ik begrijp er niets van.”
Even later gingen zij met Thorne terug naar diens woning.
„Ik zou zoo graag willen, dat Howland het opblazen van dien zuidelijken rotswand zag,” zei MacDonald. „Kun je hem missen, Thorne? Vóór twaalf zijn we terug.”
„Zeker. Kom dan bij mij eten. Ik zal in dien tusschentijd een lijst maken van de dingen, die ik misschien vergeten heb.”
Howland meende, dat er opluchting klonk uit de stem van zijn ouderen collega, maar hij zei dat niet tegen den superintendent, toen zij samen zich naar het tooneel van de „opblazing” haastten. Alles was gereed om de mijn te laten springen. Die „coyote” zelf,—een tunnel van vijftig voet lengte, uitgehouwen in het zware rotsgesteente van den berg en eindigend in een kamer gevuld met springstoffen—was afgesloten door dicht opeengepakte massa's rotsgruis, MacDonald wees zijn metgezel den electrischen draad, die naar de lont in de kamer liep.
„Het is me voor den duivel een raadsel, waarom Thorne niet wil komen kijken!” riep hij na afloop van een laatste inspectie. „We zijn drie maanden lang bezig geweest met het boren van deze coyote en van de grootere naar het Noorden. Hier moeten we vier duizend vierkante meter rots laten springen en daar zes duizend. Het kan je misschien je leven lang niet meer overkomen, dat je zoo'n schot ziet en we krijgen geen tweede zóó tusschen hier en de baai. Wat heeft Thorne toch?”
En zonder op een antwoord te wachten liep MacDonald snel naar een heuvel rechts van hen. Er waren in den omtrek al overal wachten geplaatst en de schrille kreet van: „vuur!—vuur!—vuur!”, ter waarschuwing voortgeplant door spreekbuizen van berkebast vervaardigd, klonk dubbel dreigend door de stille wildernis, waar voor het oogenblik alle werk had opgehouden. Op den top van den heuvel stonden een vijftig arbeiders, die toen Howland en de superintendent zich bij hen voegden, terugweken van een grooten, platten steen, waarop een electrische batterij was geplaatst. MacDonald's gelaat zag rood en zijn oogen knipten, toen hij op het kleine knopje wees.
„God nog toe, hoe is het mogelijk, dat Thorne geen lust gevoelt om het te zien,” zei hij weer. „Denk toch eens, man!—zeven duizend vijfhonderd pond buskruit en tweehonderd pond dynamiet! Eén druk op dit knopje, één schicht door dien draad en de lont brandt. Dan nog een minuut of vijf en een berg, die van den scheppingsdag af op zijn plaats heeft gestaan, gaat de lucht in! Is het niet prachtig!?” Hij ging kaarsrecht staan en nam zijn hoed af.
„Mr. Howland, zoudt ge op dezen knop willen drukken?”
Met een vreemde gewaarwording boog Howland zich over de batterij, zijn blik gericht op de doffe, zwarte rotsmassa, die op een halve mijl afstands het noodlot scheen uit te dagen. Zijn vinger trilde, toen hij op het kleine, witte knopje drukte en er kwam een diepe stilte over de menigte. Een—twee—drie—vier—vijfminuten gingen voorbij, terwijl in het binnenste van de aarde de lont tot aan het einde toe voortbrandde. Toen steeg er een lichte stofwolk op, zonder geluid en gevolgd door een vlam,—en daarna—misschien twee seconden later—kwam de eigenlijke uitbarsting. Het was een gedruisch en een gestamp, alsof de aarde onder den voet werd geloopen; er stegen dikke zwarte rookmassa's op, die den berg in een ondoordringbaar lijkkleed schenen te hullen, om na enkele oogenblikken roodgloeiend te worden; en tegelijkertijd scheurde de lucht vaneen met een knal alsof duizend kanonnen tegelijk werden afgevuurd. Zoo ver het oog reikte, schoot er een vlammenzee uit den rook; die klom al hooger en hooger met bliksemende schichten, totdat de gloeiende tongen de luchtlagen tot op een kwart mijl boven de wildernis lekten. De eene uitbarsting volgde op de andere, enkele met een onderaardsch, weerkaatsend geluid, maar de meeste met een zwaren knal. De hemelen waren vol van tegen elkaar botsende rotssteenen; vaste massa's graniet van tien voet in het vierkant vlogen door de lucht; rotsen van meer dan een ton inhoud werden weggeslingerd als ballen, door een reuzenhand geworpen; brokken, zwaar genoeg om de hoogste gebouwen in puin te doen verkeeren, kwamen een derde of een halve mijl verder neer. Drie minuten lang hield de vreeselijke stuiptrekking aan. Toen stierf het licht weg uit de lijkwade van rook en begon die wade zelf zich te leggen. Howland voelde een greep om zijn arm. Hij keek om en zag in het nu bleeke en starende gelaat van den superintendent. Zijn eigen ooren suisden en elke zenuw in hem hing slap. MacDonald's stem klonk vreemd en spookachtig toen hij sprak.
„Wat zeg je dáárvan, Howland?”
De twee mannen namen elkaar bij de hand en toen zij weer opkeken, zagen zij—door stof en rook nog moeilijk te onderscheiden—vaneengescheurde en verspreide rotsblokken liggenop de plek, waar de hooge heuvelkam had gestaan, die den nieuwen weg naar de baai versperde.
Howland sprak maar weinig bij den terugkeer naar het kamp. Het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, had hem aangegrepen; het had in hem de oude eerzucht, de oude geestdrift wakker geschud, maar geen van die twee zocht uiting in woorden. Hij was blij toen de maaltijd bij Thorne een einde nam en toen de mail-slede met zijn ouderen collega verdween, groeide die gewaarwording aan tot een gevoel van vreugde en verlichting. Nu washijtoch de verantwoordelijke persoon; van dit oogenblik af was hetzijnlijn,zijnwerk. En bij het afscheidnemen gaf hij MacDonald een handdruk, die meer zei dan woorden.
In zijn eigen hut teruggekeerd, wierp hij jas en hoed weg, stak hij een pijp op en trachtte hij de beteekenis te beredeneeren, die dit alles voor hem had. Hij was de verantwoordelijke chef bij den bouw van een der meest grootsche spoorwegen op het heele wereldrond—hij—Jack Howland—de jongen, die nog geen twintig jaar geleden uitgehongerd en blootsvoets kranten had verkocht in dezelfde straten, waar nu zijn roem luid werd verkondigd. Wat beteekende toch die zwarte vlek, die scheen opgekomen om zijn kansen te bedreigen, juist nu hij zeker meende te zijn van de overwinning? Hij balde de vuisten bij de gedachte aan wat er al gebeurd was,—aan den laaghartigen aanslag op zijn leven en aan de waarschuwingen—en zijn bloed steeg tot koortshitte. Dien avond, als hij Meleese weer had gezien, zou hij weten waar hij aan toe was. Maar intusschen stond één ding vast: hij zou zich niet laten verdrijven, zooals Gregson en Thorne.
Het duister van den nacht valt vroeg in den noordelijken winter en het werd al schemer, toen hij buiten een stem hoorde, weldra gevolgd door een luid kloppen op de deur. Howland deed open en zag het hoofd en de schouders van een man.
„Er is iets niet goed met de noordelijke coyote, Sir, en Mr.MacDonald vraagt of ge zoo gauw mogelijk wilt komen,” sprak de nieuw aangekomene. „Hij heeft mij daarom met een sleê hierheen gezonden.”
„En MacDonald meende daar straks, dat alles gereed was voor het opblazen,” zei Howland, naar jas en hoed grijpend. „Wat mankeert er aan?”
„Niet goed gestuwd, denk ik. Ik hoorde hem vloeken en tieren. Hij heeft geen rust vóór ge daar zijt.”
Een half uur later hield de sleê stil dicht bij de plek, waar Howland vroeger op den dag een twintigtal werklui bezig had gezien met het afladen en rangeeren van zakken buskruit en dynamiet. Er stonden tusschen de rotsen een stuk of zes lantaarns te branden, maar nergens was er eenig spoor van leven of beweging, totdat de voerman plotseling de lange zweep liet klappen en zich als antwoord een dof hallo uit de verte liet hooren.
„Dat is MacDonald, Sir. Ge zult hem daar ginds bij de tweede lantaarn vinden—daar is de opening van de coyote. Hij staat te razen tegen een half dozijn mannen, die het dynamiet op in plaats van onder het kruit hadden gestuwd.”
„All right,” riep Howland, zich tegen de rotssteenen opwerkend. Nauwelijks echter had hij een stap of wat gedaan, of achter hem schoot iets tusschen de rotssteenen uit, dat met een verpletterenden slag op zijn hoofd neerkwam. Hij viel kreunend voorover op zijn gelaat. Gedurende enkele oogenblikken hoorde hij nog stemmen om zich heen; hij voelde ook, dat mannenarmen hem optilden en wegdroegen, zóó, dat zijn beenen langs den grond sleepten. Daarna werd het hem als zonk hij weg—diep—diep—steeds dieper, totdat ten laatste elk gevoel van bestaan zich oploste in een chaos van pikzwarte duisternis.
De Ure des Doods.
Het eerste wat Howland zag, toen hij weer tot bewustzijn kwam, was een onbeweeglijk rood oog, dat hem uit de ondoordringbare duisternis strak aanstaarde,—een venijnig glinsterend ding, dat hem met angst vervulde en hem tegelijkertijd tot het leven terugriep. Het stond tegenover hem, op één lijn met zijn gelaat,—een bol van geel-rood vuur, die hem tot in de ziel scheen te branden. Hij trachtte te schreeuwen, maar er kwam geen geluid over zijn lippen; hij beproefde zich om te wenden, zich terug te trekken, maar het was of zijn leden alle beweegkracht misten. Het oog groeide aan; hij zag nu, dat het een stralenkrans afwierp en die krans werd grooter, tot het leek alsof de dikke duisternis er omheen wegsmolt. Eerst toen begreep hij. Het was een lantaarn, die daar vóór hem stond op niet meer dan tien voet afstands. Hij was nu ten volle tot bewustzijn gekomen en deed opnieuw een poging om te roepen, om zijn armen uit een onzichtbaren greep te bevrijden. Hij meende eerst, dat het menschenhanden waren, die hem vasthielden, maar toen het schijnsel van de lantaarn de dingen om hem heen en ook zijn eigen persoon beter verlichtte, merkte hij al gauw, dat het een riem was, en dat hij niet kon roepen, omdat er iets hards en stijfs om zijn mond zat.
En op eens werd alles hem duidelijk. Hij was op die slede naar de coyote gekomen. Daar had men hem een slag op het hoofdgegeven. Hij herinnerde zich, hoe mannen hem over de rotsen hadden gesleept en diezelfde mannen hadden hem gebonden en hem een prop in den mond geduwd om hem vervolgens te laten liggen bij die lantaarn, die hem aldoor aanstaarde. Maar waar was hij? Hij trachtte naar de andere zijde te kijken en de duisternis te doorboren. Vóór zich, achter het licht, zag hij een zwarten wand; hij kon het hoofd niet geheel omdraaien, maar toch eenigszins nagaan, waar diezelfde zwarte wand aan den linkerkant ophield. Hij keek omhoog en zijn blik stuitte andermaal op hetzelfde onverbiddelijke rotsgesteente. Hij keek omlaag en de kreet van afgrijzen, die in zijn keel opkwam, verstierf in een gesmoord kreunen. Het schemerachtige licht toch viel op een zak—op twee zakken,—op drie,—op vier,—op een stevig opeengestapelden muur van zakken.
Nu wist hij ten volle wat er gebeurd was. Hij zat opgesloten in de coyote en die zakken om hem heen waren gevuld met buskruit! Hij zat op iets hards—op een kist—en die kist was gevuld met dynamiet! Het koude zweet parelde op zijn gelaat, dat glinsterde in het schijnsel van de lantaarn. Aan zijn voeten lag een dunne, witte, spookachtige draad, die zich verderop verloor in de duisternis. Dat was de lont, die naar de kist met dynamiet leidde, waarop hij zat!
Half waanzinnig van angst vocht hij met de touwen, die hem vasthielden, totdat hij eindelijk uitgeput achterover tegen den wand van zakken aanviel. Als vurige woorden klonk de laatste waarschuwing van Meleese hem in het oor: „Je moet weggaan—morgen—morgen—of zij zullen je doodmaken!” Het was dus op deze wijze, dat zij hem wilden laten sterven. Hij zag opnieuw het vreeselijke schouwspel, waarvan hij een paar uur vroeger getuige was geweest—een brandoffer van vuur en rook en donder, dat een berg vaneen had gescheurd,—een chaos van strijdende, kronkelende furiën,—en het was of zijn hart een oogenblik stokte. Was het mogelijk, dat er menschen bestonden, duivelschgenoeg, om hem tot zulk een uiteinde te veroordeelen? Waarom hadden zijn vijanden hem niet op slag daar tusschen de rotsen gedood? Dat zou gemakkelijker zijn geweest—en sneller—en eenvoudiger. Waarom wilden ze hem martelen? Wat voor vreeselijks had hij bedreven? Was hij gek—stapelgek—en dit alles slechts een ontzettende nachtmerrie,—een waanzinnige, onwezenlijke verdraaiing van feiten in zijn brein? Al die vragen raasden hem door het hoofd, zonder dat hij ook maar een enkele er van trachtte te beantwoorden. Een korte poos zat hij stil, nauwelijks ademhalend. Hij hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart. Maar toen kwam er een ander geluid, eerst bijna onmerkbaar en zacht, daarop scherp en haastig—een geluid, genoeg om hem dol te maken.
Tik—tik—tik!
Het was het tikken van zijn horloge. En een nieuwe angst greep hem aan.
Hoe laat was het?
De coyote zou om negen uur worden opgeblazen. Het was vier uur geweest, toen hij van huis ging. Hoe lang had hij bewusteloos gelegen? Was het oogenblik al gekomen—was het nu? Stak MacDonald den vinger al uit naar dien kleinen witten knop, die hem—Howland—de eeuwigheid in zou slingeren?
Weer worstelde hij en beet hij in zijn woede op het ding, dat zijn mond bedekt hield, zich het vleesch van de polsen scheurend in zijn pogingen om de touwen af te schuiven, die hem gebonden hielden; en zichzelf bijna worgend in zijn strijd om den riem los te maken, waarmee zijn nek aan den wand was bevestigd. Uitgeput en al half dood, viel hij terug. Maar terwijl hij zoo met gesloten oogen terneerlag, deed zijn gezond verstand zich nog eenmaal gelden. Zou hij laf genoeg zijn om gek te worden?
Tik—tik—tik!
Het horloge liep nu met een razende haast. Mankeerde er iets aan? Ging het te gauw? Hij trachtte de seconden te tellen,maar die holden voorbij. Toen hij weer opkeek, viel zijn blik op het kleine, gele vlammetje in de lantaarn. Het was nu niet langer het starre oog van een minuut of wat geleden. Het sputterde flauwtjes en terwijl hij er naar staarde, werd het zwakker en zwakker. Nog een paar minuten en het zou om hem heen donker zijn. In den beginne besefte hij nog niet ten volle de beteekenis van dat feit; maar op eens richtte hij zich op en wel met een vaart, die den riem om zijn nek nog nauwer aanhaalde en hem bijkans deed stikken. Er moesten uren voorbij zijn gegaan sedert die lantaarn op die steenen werd geplaatst, anders zou de olie nog niet opgebrand zijn!
Hij merkte nu ook, dat zijn ademhaling al door moeilijker werd. Dat stijve ding om zijn nek kneep meer en meer,—het was als een band van gloeiend ijzer. Opnieuw worstelde hij en nu zakte de lap, die zijn mond bedekt hield, op eens een duim of wat af en kon hij weer geluid geven!
„Die duivelsche riem van ongelooide huid schroeft mijn keel dicht,”—waren zijn eerste woorden.
Zijn stem klonk hol en dof door de ruimte en hij trachtte te schreeuwen, hoezeer ook overtuigd van het nuttelooze van zulk een poging, die zijn lijden slechts kon verzwaren. Zijn rug deed hem folterende pijn; het was hem als voeren er gloeiende naalden door zijn leden en als werd zijn schedel gekloofd. Alle kracht scheen van hem geweken. Hij had geen gevoel meer in de eerst door kramp geteisterde voeten. Hij berekende de vorderingen van de verlamming die duim voor duim opklom in zijn beenen,—folterende pijnen vooruitzendend,—en op eens kwam er een ontzettende kreet over zijn lippen.
Het licht was uitgegaan!
En alsof het wegsterven van dat gele vlammetje de voorbode was geweest van zijn eigen dood,—hij hoorde terzelfdertijd een scherp gesis, er sprong een vonk over door de duisternis en een seconde later begon een gloeiend puntje, op hem afkomend, langzaamvoort te kruipen over de rotssteenen aan zijn voeten.
Het uur, de minuut, de seconde was daar. MacDonald had op het witte knopje gedrukt, dat hem de eeuwigheid in ging zenden! Hij gaf geen geluid meer. Hij wist, dat het einde nu heel nabij was en juist dat gaf hem kracht. Hij had eenmaal een executie bijgewoond en zich verbaasd toen de veroordeelde, met den strop om den hals, nog met heldere stem en onbevreesd een woord van afscheid had gesproken.
Nu begreep hij dien toestand. De lont brandde langzaam voort in zijn richting,—een vijfde—een vierde—een derde van de lengte was al verteerd. Toen werd het de helft en naderde zij tot bijna onder zijn voeten. Nog twee minuten levens. Hij verzamelde al zijn krachten voor een laatste poging om zijn handen te bevrijden—en dezen keer, met den dood op enkele seconden afstands, was die poging kalm, vast, meesterlijk. Het was of het hart hem in de keel klopte, toen hij merkte, dat er speling in de banden kwam. Nog één ruk en door het aan alle kanten ingesloten gewelf klonk een luide, doordringende triomfkreet! Zijn handen waren vrij! Hij reikte naar de lont, maar tegelijkertijd kwam er over zijn lippen een angstig gekreun en een zachte snik, die het vreeselijkste bevatte, wat de menschelijke ziel in één zwakken toon vermag te leggen. De riem van ongelooide koehuid, waarmee hij aan den achterwand was vastgeklonken, belette hem om de lont te bereiken.
Hij tastte naar zijn mes. Hij had het thuis gelaten.—Nog zestig seconden, nog veertig, nog dertig! Hij zag het gloeiende uiteinde van de lont bijkans aan zijn voeten. Daar opeens kwamen zijn tastende vingers in aanraking met het staal van zijn revolver; met een laatste opwelling van hoop haalde hij het wapen te voorschijn en richtte hij het op de verraderlijke vonk. Het eerste schot deed die verspringen zonder haar te dooven, maar na het tweede schot was het glinsterende puntje verdwenen en zat Howland, het hoofd tegen de kruitzakken gedrukt, minuten lang,als was de dood over hem gekomen in het uur van zijn redding. Na eenigen tijd gelukte het hem om, zij het ook langzaam en met moeite, een hand in zijn broekzak te werken en daar een pennemes uit te halen. Maar het duurde geruimen tijd eer hij daarmee den riem had doorgezaagd, die zijn nek omklemd hield. Ten slotte sneed hij ook nog het touw door, waarmee zijn enkels gebonden waren.
Hij deed nu een eerste poging om zich op te heffen, maar niet zoodra stond hij op zijn voeten of zijn half verlamde ledematen weigerden hem te dragen en hij zakte ineen. Eerst heel langzaam zocht het bloed opnieuw zijn weg door de verstopte aderen en met dien omkeer in zijn physieken toestand kwam er een gevoel van zalige rust over hem. Hij ging op den grond liggen, het gelaat gekeerd naar den zwarten wand en dacht alleen aan het feit, dat hij gered was, dat hij zijn geheimzinnige vijanden opnieuw te slim af was geweest en dat hij het nu goed had. Hij deed geen poging om te redeneeren, om plannen voor een algeheele bevrijding te beramen. Hij lag naast kruit en dynamiet, maar dat kruit en dat dynamiet kon niet ontbranden, vóórdat menschenhanden een nieuwe lont hadden aangebracht. Daar zou MacDonald zeker wel gauw voor zorgen en—Howland viel in een sluimering, die bijkans een geruste slaap was. Toen hij uit zijn halve bedwelming ontwaakte, hoorde hij opnieuw het tikken van zijn horloge. Het leek hem of hij daar al uren naar had geluisterd, toen een ander en een even regelmatig geluid zich begon hoorbaar te maken. Verbaasd richtte hij zich op om een oogenblik later vroolijk te lachen; dat toch was het geklop van houweelen op den buitenkant van de rotsen. MacDonald's mannen waren dus al bezig om den ingang van de coyote open te hakken. Over een half uur zou hij—Jack Howland—weer in de groote wereld zijn.
Die gedachte deed hem opspringen. De verdooving was uit zijn ledematen verdwenen en hij kon zich bewegen en rondloopen. Zijneerste daad was om een lucifer af te strijken en op zijn horloge te kijken.
„Halfelf!”
Hij sprak die woorden overluid, denkend aan zijn afspraak met Meleese. Over anderhalf uur dus zou hij haar ontmoeten op dezelfde plek als gisteravond, tenminste wanneer hij vroeg genoeg bevrijd werd om zijn afspraak na te komen. Maar hoe zou hij zijn tegenwoordigheid in de coyote verklaren, zonder zich al te lang met MacDonald op te houden? Het was of zijn brein sneller begon te werken, naarmate het kloppen van de houweelen duidelijker werd. Als hij maar kans zag om de explicatie uit te stellen tot den volgenden morgen, dan zou hij heel den verraderlijken aanslag voor MacDonald blootleggen. Dan zou het nog vroeg genoeg zijn om de lage boosdoeners uit te vinden en intusschen zou hij zijn samenkomst met Meleese gehad hebben.
Al gauw had hij zijn plannen gemaakt. Hij zocht alle touwen en riemen bijeen en verborg die tusschen de kruitzakken, zoodat zij, die de coyote binnengingen, geen spoor zouden vinden van zijn vreeselijke ervaring. Dicht bij den mond bevond zich een rotsblok met een diepe spleet—waarschijnlijk een gevolg van een vroegere ontlading; daarin zou hij zich verbergen. Als de mannen bezig waren met het onderzoek van de lont, zou hij uit de spleet komen en zich ongemerkt bij hen voegen. Het zou dan den schijn hebben, alsof hij achter hen aan de coyote was binnengekropen.
Een half uur later vielen er steenen voor zijn voeten en zag hij na enkele minuten een menschelijke gedaante als een schim door de ontstane opening naar binnen zakken. Er volgde een tweede en toen een derde, maar het eerste geluid, dat hij hoorde, was de stem van MacDonald.
„Geef mij de lantaarn, Bucky,” riep deze den man toe, die achter hem liep. Er gleed een lichtstraal door de donkere ruimte. De werklieden begaven zich voorzichtig naar de lont en Howland zag hoe de kleine superintendent er, op zijn knieën liggend, naar keek.
„Wel vervl..kt!” hoorde hij hem zeggen en daarop volgde een diepe stilte. Geruischloos als een kat werkte Howland zich uit de spleet en klauterde hij een eindweegs omhoog tusschen de rotsen. Hij was het, die den uitroep beantwoordde.
„Wat is er, MacDonald?”
Kalm voegde hij zich nu bij de kleine groep. MacDonald keek op en toen hij zag, dat het de nieuwe chef in eigen persoon was, die zich over hem heenboog, staarde hij dezen in grenzenlooze en angstige verbazing aan.
„Howland!” bracht hij met moeite uit en dat eene woord, gevoegd bij zijn klaarblijkelijke agitatie, was den ingenieur genoeg. Hij keerde zich snel naar de mannen en gaf hun zijn eerste bevel als chef van den Hudsonbaai-spoorweg.
„Verlaat de coyote, jongens!” riep hij. „We zullen alles tot morgen laten rusten.”
Maar tegen den superintendent zei hij zacht, terwijl de mannen voor hem uitliepen:
„MacDonald, je moet den ingang van de mijn vannacht laten bewaken door een half dozijn van de beste mannen. Ik weet van dingen, die maken, dat ik deze heele kwestie morgen nader moet onderzoeken. Ik verlaat je, zoodra we buiten zijn. Zeg aan iedereen, dat het alleen een gebrek aan de lont is geweest. Begrepen?”
Hij kroop vóór MacDonald uit de opening en was nog eer deze de coyote had verlaten, al verdwenen in den helder door sterren verlichten nacht, op weg naar het mooie meisje, dat—zooals hij hoopte—in staat zou zijn om geheel of gedeeltelijk een van de vreemdste en meest diabolische complotten op te helderen, ooit in een menschelijk brein uitgedacht.
De Samenkomst.
Het was nog bijna een uur vóór den bepaalden tijd, toen Howland bij de eenzame plek kwam, waar hij Meleese zou ontmoeten. Hij ging, verborgen in de schaduw van het lage hout, op den stam van een gevelden den zitten en stak een pijp op, zorg dragend om den brandenden lucifer in de holte van zijn handen te houden. Voor het eerst sedert zijn vreeselijke ondervinding in de coyote, voelde hij zich vrij om te denken en meer dan ooit begreep hij, dat kalmte en een bezadigd optreden eerste vereischten waren bij wat hij verder dacht te doen. Hij herwon zijn vroeger vertrouwen in Meleese, maar zijn bloed kookte van verlangen om zich te wreken, om de menschelijke duivels te straffen, die getracht hadden hem tot gruizelementen op te blazen. Hij hield er zich van overtuigd, dat het jonge meisje slechts een onvrijwillige factor was in het verraderlijke complot en dat zij zelfs alles deed wat in haar macht stond om hem te redden. Maar tegelijkertijd besloot hij om zich niet langer te laten beïnvloeden door haar pleiten. Hij had, als belooning voor het in hem gestelde vertrouwen, beloofd, dat hij niemand zou straffen, dien zij wenschte te beschermen. Die belofte zou hij terugnemen. Vóór zij hem nog iets kon mededeelen, zou hij haar waarschuwen, dat hij vast besloten was om de misdadigers op te sporen, die tot tweemaal toe naar zijn leven hadden gestaan.
Het was bijna middernacht, toen hij weer op zijn horloge keek. Zou Meleese niet verschijnen? Hij kon niet gelooven, dat zij van zijnopsluiting in de coyote wist—van dien tweeden, ellendigen aanslag op zijn leven. En toch—als dit wèl het geval was—
Hij stond op van zijn boomstronk en begon heen en weer te loopen in de duisternis, zijn brein opnieuw vervuld van sombere gedachten en steeds toenemenden angst. Zij, die hem hadden opgesloten, wisten sedert een uur van zijn ontkoming. In dat tijdsverloop had er veel kunnen gebeuren. Misschien waren zij het kamp al ontvlucht. Verschrikt door het mislukken van hun plan en vreezend voor de straf, die hun deel zou zijn, wanneer zij ontdekt werden, hadden zij zich misschien naar de noordelijke wildernissen begeven en waren zij nu al mijlen ver weg van de Wekusko. En dan zou Meleese zeker bij hen zijn!
Maar plotseling hoorde hij een stap—een lichten, snellen tred—en met een blijden, herkennenden groet, sprong hij in het licht der sterren om de slanke, witte gedaante te zien, die uit de schaduw van de zware woudboomen op hem afkwam.
„Meleese!” riep hij zacht.
Hij strekte de armen uit en het meisje wierp er zich in, haar handen tegen zijn borst leggend en het hoofd achterover buigend, zoodat zij met haar groote, starende, verschrikte oogen opkeek naar zijn gelaat.
„Wil je nu—nu—weggaan?”
Zij nam haar handen weg en legde die op zijn schouders en toen Howland haar zwijgend, steeds vaster tegen zich aan drukte, uitte zij een kreet van wanhoop en liet zij haar hoofd tegen zijn borst vallen, heel haar gestalte schokkend in een uiting van angst en smart, die hem verschrikte.
„Je gaat toch?” snikte zij. „Je gaat, nietwaar?”
Hij liet zijn vingers door haar zachte lokken glijden en drukte zijn gelaat nog dichter tegen het hare.
„Neen, liefste, ik ga niet,” antwoordde hij met diepe, vaste stem. „Na wat er vanavond gebeurd is, ga ik stellig niet.”
Zij week terug, als deed hij haar pijn en nam haar handen uit de zijne.
„Ik hoorde—wat er een uur geleden—gebeurd is,” zei zij met half verstikte stem. „Ik stond te luisteren en ik hoorde hoe er over gesproken werd.”—Zij trachtte klaarblijkelijk zichzelf te beheerschen. „Je moet vannacht nog het kamp verlaten.”
Howland toonde niet den minsten angst; integendeel, hij glimlachte, toen hij haar gelaat weer tusschen zijn handen nam.
„Meleese, ik moet de belofte terugnemen, die ik je gisteravond deed. Ik wil je gelegenheid geven om allen te waarschuwen, die je waarschuwen wilt—maar ik keer niet naar het Zuiden terug. Van dit oogenblik af begin ik een drijfjacht op de laffe duivels, die naar mijn leven staan. Vóór het dag is, zal elke man aan de Wekusko met mij zoeken en als wij hen vinden, zal er geen genade zijn. Wilt gij mij helpen—of—”
Zij duwde zijn handen weg van haar gelaat en sprong terug, nog vóór hij had uitgesproken. Hij zag een plotselinge verandering in haar trekken; haar lippen werden strak en vastberaden; de smeekende blik en de uitdrukking van angst stierven weg op het bleeke gelaat. Er klonk iets vreemds uit haar stem, toen zij weer sprak—iets van dezelfde vastberadenheid, die Howland in de zijne had gelegd—maar haar toon miste zijn zachtheid en zijn liefde.
„Wil je me alsjeblieft zeggen, hoe laat het is?”
Die vraag was wel heel zonderling. Howland haalde zijn horloge te voorschijn en keek er op bij het licht van de sterren.
„Het is kwart over twaalf.”
Er gleed een licht glimlachje over de lippen van het jonge meisje.
„Weet je zeker, dat je horloge niet vóór is,” vroeg zij.
In sprakelooze verwondering staarde Howland haar aan.
„Want het zou voor jou en voor mij van veel gewicht zijn, wanneer het nog niet kwart over twaalf was,” ging Meleese voort met steeds meer ijver. Op eens kwam zij naar hem toe en legde zij haar warme handen op zijn gelaat, daarbij zijn armen in bedwang houdend.
„Luister,” fluisterde zij, „is er dan niets, niets dat je van je voornemen kan afbrengen—niets, dat je naar het Zuiden kan terugdrijven—vannacht nog?”
De nabijheid van haar lief gelaat, de teere aanraking van haar handen, de zachte adem, die van haar lippen kwam, dat alles deed bij Howland den lust ontstaan om toe te geven. Eén oogenblik wankelde hij.
„Er is misschien maar één—en ook maar één enkele kans om mij vannacht nog te doen vertrekken,” antwoordde hij, zijn stem trillend van de groote liefde, die hem vervulde. „Voor jou, Meleese, geef ik alles op—eerzucht, fortuin, roem en den bouw van dezen spoorweg. Als ik zeg, dat ik vannacht vertrek, ga je dan met me mee? Wil je mij beloven om mijn vrouw te worden, zoodra wij teLe Paszijn?”
Er lichtte onuitwischbare teederheid uit de mooie oogen, zoo dicht bij de zijne.
„Dat is onmogelijk. Je zou me niet langer liefhebben als je wist, wie ik ben—en wat ik deed—”
Hij greep haar hand.
„Heb je dan kwaad gedaan—groot kwaad?”
Een oogenblik scheen zij te aarzelen en daarop kwam hortend en stootend over haar lippen: „Ik—weet niet. Ik geloof van wel—Maar—het is niet dàt!—neen, nietdat!”
„Meen je, dat ik je niet mag zeggen hoe lief ik je heb?” vroeg hij. „Bedoel je, dat je niet naar memoogtluisteren? Ik—ik—nam aan, dat je ongetrouwd waart—dat—”
„Neen, neen, dat is het niet,” riep zij haastig. „Je begaat geen zonde door mij lief te hebben.” En weer vroeg zij plotseling: „Wil je me alsjeblieft zeggen hoe laat het is—nu—op dit moment?”
Hij keek opnieuw op zijn horloge. „Twintig minuten over twaalf.”
„Laten we wat meer naar het pad gaan,” fluisterde zij. „Ik ben hier zoo bang.” Zij liep vooruit, snel het wegje overstekend, dat naar zijn hut voerde. Een paar honderd meter verder lag een boomstam ter zijde van het pad; Meleese ging er op zitten en gaf hem een teeken om haar voorbeeld te volgen. Howland zat met den rug naar het lage hout achter hen. Hij keek naar het jonge meisje, maar zij hield hetgelaat afgewend. Op eens sprong zij op en plaatste zij zich recht vóór hem.
„Nu!” riep zij. „Nu!” Howland voelde hoe hij van achteren werd aangegrepen; een oogenblik worstelde hij met een paar sterke armen, die zich als ijzeren kabels om hem heen hadden geslagen, terwijl een hand op zijn mond den kreet verstikte, hem door den schrik ontlokt. Even nog kreeg hij een glimp te zien van het witte gelaat van het meisje, zooals zij daar vóór hem op het pad stond; toen trokken sterke handen hem achterover, terwijl anderen zijn vuisten bonden en nog anderen zijn beenen vastmaakten. Er was voor dit alles maar een paar seconden noodig geweest. Hulpeloos en met een prop in den mond lag hij in de sneeuw, luisterend naar het zachte gemompel, dat uit de struiken tot hem doordrong. Hij kon niets verstaan, maar hij meende de stem van Meleese te onderscheiden.
De geluiden werden zwakker; hij hoorde nu voetstappen, die zich verwijderden en eindelijk wegstierven. Door een opening in de boomen recht boven hem blikten de koude, witte sterren van den winternacht op hem neer en hij staarde die aan tot het hem leek, alsof zij langs den hemel dansten en sprongen. Hij wou vloeken—schreeuwen—worstelen. In die oogenblikken, terwijl hij daar in de bevroren sneeuw terneerlag, werden er millioenen duivels in hem geboren. Het meisje had hem weer bedrogen! Dezen keer kon hij geen verontschuldiging voor haar vinden. Zij had zijn liefde aangenomen—hij had haar mogen kussen, haar in zijn armen mogen houden—en al dien tijd was zij bezig om voor de tweede maal tegen hem te complotteeren. Zij zelve was het geweest, die na rijp beraad het sein tot den overval had gegeven en nu—
Weer hoorde hij den vluggen, snellen tred, dien hij onmiddellijk herkende. De struiken achter hem openden zich en bij het witte licht der sterren viel Meleese naast hem op de knieën, het lieve gelaat over hem buigend in een smart, zóó diep als hij nog nooit had aanschouwd en haar oogen hem aanziend met ongekende liefde. Zonder te spreken legde zij zijn hoofd in de holte van haar arm en druktezij het hare er tegen aan, hem aldoor kussend en aldoor zijn naam fluisterend.
„Vaarwel!” hoorde hij haar zeggen—„Vaarwel! Vaarwel!”
Hij trachtte te roepen, toen zij zijn hoofd weer op de sneeuw legde; hij trachtte zijn handen te bevrijden om haar vast te houden—maar hij zag nog slechts even het gelaat, dat zich over hem boog. Hij voelde den warmen druk van haar lippen op zijn voorhoofd en vernam daarna alleen nog maar de lichte voetstappen, die zich snel door het woud verwijderden.
Een sledevaart het Noorden in.
Meleese had hem lief—Meleese had zijn hoofd in haar armen genomen en hem gekust—dat was de eenige, de verterende gedachte, die Howland's brein vervulde, toen zij hem gebonden en met een prop in den mond in de sneeuw achterliet. In den beginne bevreemdde het hem, dat zij geen poging had gedaan om hem te bevrijden. Hij voelde nog de teedere aanraking van haar lippen, den druk van haar armen, de zachte warmte van haar lokken. Het was eerst toen er opnieuw geluiden naderden, dat hij tot het volle besef kwam van het geheimzinnige in heel dit gebeuren. Hij vernam allereerst het knarsen van een toboggan op de harde ijskorst, vervolgens een druk getrappel van hondepooten en ten slotte ook menschenstemmen. Een pas of twaalf van hem af, hielden die geluiden op. Het was met een vreemde gewaarwording, dat hij de stem van Croisset herkende.
„Pas op, dat je je niet vergist,” hoorde hij den half-ras zeggen. „Je gaat naar den waterval aan de bovenzijde van het meer en gooit daar een rotsblok naar omlaag op een punt, waar het water open is en woest opspuit. Je maakt een spoor in de sneeuw met de hooge laarzen van M'sieur Howland en je hangt zijn hoed aan de takken van de struiken boven den afgrond. Dan vertel je den superintendent, dat M'sieur waarschijnlijk op dat rotsblok is gestapt, dat het onder hem uit zal zijn gegleden en hem waarschijnlijk zal hebben meegesleurdin de diepte. Zijn lichaam wordt nooit gevonden en het kamp vraagt om een nieuwen ingenieur in plaats van M'sieur, die verdwenen is.”
Buiten zichzelf van afgrijzen, spande Howland zijn ooren in om nog meer op te vangen van het wreede plan, maar de stemmen werden zachter en hij kon niet langer verstaan wat er gezegd werd, totdat Croisset naderbij komend, weer zei:
„Vóór je weggaat, moet je me helpen met den M'sieur, Jackpine. Hij is erg zwaar met al die riemen en touwen.”
Croisset en de Indiaan kwamen nu uit de struiken en namen—onverschillig als gold het een boomstronk—Howland bij het hoofd en de voeten om hem naar het pad te dragen, waar zij hem languit op een slee legden.
„Ik hoop, dat ge geen koû hebt gevat, M'sieur, terwijl ge daar in de sneeuw laagt,” zei Croisset, hoofd en schouders van den ingenieur goed instoppend en een massa pelswerk over hem heen schikkend. „We hadden al eerder terug moeten zijn, maar dat lukte niet. Hup-la, Woonga!” riep hij zacht tegen den voorsten hond. „Sta toch op, halve wolf, die je bent!”
Toen de slee afreed met Croisset dravend naast den eersten hond van zijn span, hoorde Howland achter zich een zwak zweepgeklap en ook een andere stem, die andere honden aanzette. Met een poging waarbij hij zich bijkans den hals verdraaide, wist hij zich zóó ver om te werken, dat hij achter zich kon zien. Op een honderd yards afstand bemerkte hij een tweede slede, die hun spoor volgde; hij zag heel flauw een gedaante aan het hoofd van de honden loopen, maar wat of wie er in de slede zat en wat die beteekende—daarvan had hij zelfs geen vermoeden. Gedurende vele mijlen ging het nu zonder ophouden voort. Croisset keek niet om; er kwam geen syllabe over zijn lippen, behalve af en toe een aansporing aan het adres van de honden. Het Pad ging lijnrecht het Noorden in; aldra kon Howland het niet meer volgen, maar hij merkte op, dat zij door de minst dichte gedeelten van het oerwoud kwamen en dat de poolster nooit rechts of links van hem, maar altijd vóór hem stond.
Zij hadden op die wijze al uren lang voortgereisd, toen Croisset op eens een luiden schreeuw uitte tegen de slee, die achter hen aankwam en tegelijkertijd de zijne inhield. Als één hijgende massa vielen de honden in de sneeuw en terwijl de vermoeide dieren uitrustten, nam de half-ras zijn gevangene het stuk geitenhuid uit den mond, dat als prop had gediend.
„Ge moogt nu vrij spreken, M'sieur en schreeuwen zooveel ge maar wilt,” zei hij. „Als ik uw zakken heb geïnspecteerd, zal ik uw handen vrij maken en dan kunt ge rooken. Ligt ge gemakkelijk?”
„Naar de hel—met je gemakkelijk!” waren de eerste woorden, die Howland over de lippen kwamen en zijn bloed kookte om de vriendschappelijke manier, waarop Croisset tegen hem grinnikte. „Zoo—dus je hoort er ook bij—hè? net als dat meisje met al haar leugens!”
De glimlach verdween van Croisset's gelaat.
„Meent ge, Meleese, M'sieur Howland?”
„Ja.”
Croisset boog zich en zijn zwarte oogen glinsterden als vurige kolen.
„Weet ge wat ik zou doen, als ik in haar plaats was, M'sieur?” zei hij met een stem, die zacht klonk, maar die tegelijkertijd zóó dreigend was, dat de ingenieur de hartstochtelijke woorden, die hem op de lippen lagen, liever maar vóór zich hield. „Weet ge wat ik zou doen? Ik zou u dood maken—u duim voor duim dood maken—ik zou u dood martelen. Dat zou ik!”
„Maar om Gods wil, Croisset, zeg mij dan toch waarom—waarom—”
Intusschen had Croisset het pistool van Howland gevonden en weggenomen en diens handen bevrijd; de ingenieur hief die smeekend op.
„Ik zou mijn leven willen geven voor dat meisje, Croisset. Ik heb het haar daar ginds al gezegd en zij is bij mij gekomen, toen ik in de sneeuw lag en toen—” Hij hield zich in en voegde er alleennog aan toe: „Er moet hier een misverstand in het spel zijn, Croisset. Ik ben niet de man, dien zij willen dooden.”
Croisset keek hem weer aan met een glimlach.
„Rook maar, M'sieur—en denk eens goed na. Het is me onmogelijk te zeggen, waarom ge dood moet—maar zelf zult ge dat allicht weten, tenzij uw geheugen nog minder is dan dat van een pasgeboren kind.”
Hij ging nu naar de honden en bracht die door zweepgeklap weer op de been. Toen Howland van die gelegenheid gebruik maakte om nog eens achter zich te kijken, zag hij op de plek waar de tweede slee had halt gehouden, het schijnsel van een helder vuur en kwam er van ver weg uit de duisternis een mannestem, die Croisset in het Fransch iets toeriep.
„Hij zegt, dat ik maar alleen verder met u moet doorgaan,” zei Croisset, nadat hij op de enkele woorden, die gesproken werden, had geantwoord in een patois, waarvan Howland niet het minste begreep. „Zij komen later weer bij ons.”
„Zij!” riep Howland. „Hoeveel mannen zijn er dan noodig om mij dood te maken, mijn beste Croisset?”
De half-ras boog zich glimlachend over hem heen.
„Ik zou liever de Heilige Maagd danken voor hun bijzijn,” zei hij zacht. „Zoo ge behalve op den hemel nog op iets anders hoopt, laat het dan zijn op wat in de slee daar achter ons zit!”
Daarop weer naar zijn honden gaand, verschikte hij iets aan het tuig van den voorsten en intusschen keek Howland nog eens om naar de plek in het donkere woud, die door het vuur werd verlicht. Hij zag duidelijk een man, die hout in den gloed wierp en iets verder op, verscholen in de diepe schaduw van de boomen, een vage opeenhooping van honden om een slee. Hij spande zich in om nog meer te ontdekken en nu zag hij eenige beweging achter den man bij het vuur. Zijn hart sprong op met een plotselinge opwelling van vreugde. Maar tegelijkertijd hoorde hij achter zich een luiden uitroep in het Fransch van Croisset—klaarblijkelijk een waarschuwingskreet, want dadelijktrok die tweede gedaante zich nog verder terug. Intusschen—Howland had haar herkend en het bijna bevrozen bloed in zijn aderen herkreeg nieuwe levenskracht, nu hij de zekerheid had, dat het Meleese was, die op de tweede slee achter hen aankwam.
„Als je weer van plan bent om zoo te gillen, verzoek ik je om me vooruit te waarschuwen, Jean,” zei hij koeltjes, als had hij de gestalte niet herkend, die een oogenblik in het licht van het vuur was verschenen. „Het is genoeg om iemand een schrik op het lijf te jagen!”
„Dat is onze manier van afscheid nemen, M'sieur,” antwoordde Croisset met een geweldigen klap van zijn zweep. „Hup-la, vooruit jelui!” riep hij tegen de honden en een oogenblik later was heel het vuur uit hun gezicht verdwenen.
In den noordelijken winter breekt de dageraad omstreeks acht uur aan en hier boven den vijftigsten breedtegraad begint het eerste rosse schijnsel van de zon tegen negen uur den zuid-oostelijken hemel te verwarmen. Die gloed scheen al geruimen tijd op de wouden vóór Croisset zijn span opnieuw tot stilstaan bracht. Twee uur lang had hij geen woord tegen den gevangene gesproken en na verscheidene vergeefsche pogingen om het zwijgen van zijn metgezel te verbreken, had ook Howland zich in stilte gehuld. Eerst toen hij zijn vermoeide hondenverzorgdhad, begon Croisset te spreken.
„We zullen hier een paar uur halt houden,” legde hij uit. „Als geme op uw woord van eer belooft, dat ge geen moeite zult doen om te ontsnappen, dan zal ik u het gebruik van uw beenen toestaan tot na ons ontbijt, M'sieur. Wat zegt ge daarvan?”
„Hou je er een bijbel op na, Croisset?”
„Neen, M'sieur, maar ik heb een kruis van de Heilige Moeder Gods, dat de zendeling te York Factory me gegeven heeft.”
„Dan zal ik daarop zweren, wat ik op alle kruisen en alle bijbels van de wereld wil zweren—namelijk, dat ik geen enkele poging zal doen om te ontsnappen. Ik ben letterlijk lam, Croisset. Ik zou nog in geen week kunnen loopen!”
Croisset zocht in zijn zakken.
„Mon Dieu!” riep hij, „zou ik het verloren hebben?—O neen, daar bedenk ik me, M'sieur, dat ik het kruisje aan mijn Mariane heb gegeven, vóórdat ik naar het Zuiden trok. Uw woord is mij genoeg.”
„En wie is die Mariane, Jean? En zal zij ook tegenwoordig zijn bij het „halali!””
„Mariane is mijn vrouw, M'sieur.Ah, ma belle Mariane, ma chérie!—Zij is de dochter van een Indiaansche prinses en de kleindochter van eenchef de bataillon, M'sieur! Wat zou ik meer kunnen wenschen?—en mooi, M'sieur?!—Zij heeft haar als de bovenzijde van een ravenvleugel, die door de zon wordt beschenen en—”
„Je houdt veel van haar, Jean?”
„Ja, ik houd veel van haar en ook veel van de Heilige Moeder Gods—maar toch altijd nog een beetje meer van haar.”
Croisset had intusschen het touw om de beenen van den ingenieur losgewikkeld en toen hij de oogen ophief, zag hij hoe deze de handen naar hem uitstak en die op zijn schouders legde.
„En op juist diezelfde wijze houd ik van Meleese,” zei Howland zacht. „Jean, wil je mijn vriend zijn? Ik zal geen moeite doen om te vluchten. Ik ben geen lafaard. Denk eens wat Mariane zou doen. Wil je mijn vriend zijn? Jij zou, zoo noodig, voor Mariane willen sterven. En ik zou in den dood willen gaan voor het meisje daar achter ons op die slede.”
Hij was met moeite op zijn voeten gestrompeld en wees naar de wouden, waar doorheen zij gekomen waren.
„Ik zag haar bij het schijnsel van het vuur, Jean. Waarom volgt zij ons? Waarom toch willen zij mij doodmaken? Als je me maar in de gelegenheid stelde om te bewijzen, dat het een vergissing is—dat ik—”
Croisset greep zijn hand.
„M'sieur, ik zou u graag willen helpen,” viel hij den ingenieur in de rede. „Ik ben dadelijk van u gaan houden op den avond, toen wij samen terugkwamen van dat gevecht op het Pad. En sedert ben ikvan u blijven houden. En toch—als ik in hun plaats was, zou ik u dooden, hoeveel ik ook van u houd. Het is hun dure plicht om u te dooden. Zij begingen geen onrecht, toen zij u in de coyote opsloten. Zij begingen geen onrecht, toen zij beproefden u op het Pad te dooden. Maar ik heb plechtig gezworen, dat ik u niets zal vertellen; niets—behalve dit: zoo lang ik bij u ben en zoo lang die slee achter ons is, loopt uw leven geen gevaar. Meer zeg ik niet.—Hebt ge honger, M'sieur?”
„Wolvenhonger!” luidde het antwoord van Howland.
Hij trachtte een pas of wat voorwaarts te doen in de sneeuw, maar de verdooving in zijn beenen noodzaakte hem om zich vast te houden aan boomen en struiken, wilde hij niet vallen. Hij was verbaasd over Croisset's woorden en nog meer over diens verzekering, dat zijn leven zich niet langer in onmiddellijk gevaar bevond. Meleese had hem dus niet alleen gewaarschuwd, zij werkte zelfs mee om hem te beschermen. Die gevolgtrekking vermeerderde nog zijn verwarring. Wie toch was het jonge meisje, dat hem enkele uren te voren in de macht van zijn vijanden had gelokt en dat nu voor hem streed? Die vraag had thans voor hem een nog zooveel diepere beteekenis dan een paar dagen geleden te Prince Albert en toen Croisset hem riep om bij het kampvuur te komen ontbijten, kon hij zich niet weerhouden om het verboden onderwerp nog eenmaal aan te roeren.
„Jean, ik wil het je niet moeilijk maken,” zei hij, zich op de slee neerzettend, „maar er zijn een paar dingen, waar ik het mijne van moet hebben. Ik geloof, dat die Meleese van jou een slechte vrouw is!”
Croisset liep onmiddellijk in de val, die Howland hem stelde. Hij boog zich iets voorover, zijn hand trilde op het mes, zijn oogen schoten vuur. Onwillekeurig week de ingenieur terug voor die half-dierlijke houding en voor den zwaren toorn, die met elk oogenblik duidelijker te lezen viel op het gelaat van den half-ras. Intusschen bleven Croisset's woorden zacht en kalm—ook terwijl schouders en armen zich strekten als de woudkat, wanneer zij op het punt staat om haar sprong te nemen.
„M'sieur, dat mag niemand ter wereld van mijn Mariane zeggen en evenmin van Meleese. Daar ginds”—en hij wees naar het Noorden—„ken ik wel honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden, alleen om wat gij daareven gezegd hebt. En hier is het Jean Croisset, die het niet verdraagt. Ik maak u dood, als ge het niet terugneemt.”
„Groote God!” riep Howland, Croisset recht in de oogen ziend—„ik ben blij, dat het zoo is, Jean.—Begrijp je me dan niet, kerel? Ik heb haar lief en natuurlijk meende ik allerminst wat ik daareven zei: Ook ik zou voor haar willen dood maken, Jean. Ik zei het alleen maar om te weten te komen, wat jij zou doen—”
Langzaam kwam Croisset weer tot zichzelf en een zwakke glimlach teekende zich om zijn dunne lippen.
„Als het een grap is geweest, dan was het een leelijke, M'sieur.”
„Het was geen grap!” riep Howland. „Het was een ernstige poging van mijn kant om je zóó ver te krijgen, dat je me wat van Meleese vertelde. Luister eens, Jean,—zij zei mij daar ginds, dat er niets was, wat mijn liefde voor haar in den weg stond en toen ik gebonden en met een prop in den mond in de sneeuw lag, is zij bij mij gekomen en heeft zij mij gekust. Ik begrijp niet—”
Haastig viel Croisset hem in de rede.
„Deed zij dat werkelijk, M'sieur?”
„Ik zweer het.”
„Dan zijt ge wel heel gelukkig!” zei Jean zacht, „want ik verzeker u bij mijn hoop op een zalig hiernamaals, dat zij dat nooit eer voor een man heeft gedaan, M'sieur. Maar het zal ook nooit weer gebeuren.”
„Ik geloof integendeel, dat dit wèl het geval zal zijn, Jean, tenzij jelui me dood maakt.”
„En ik zal niet aarzelen om u dood te maken, wanneer gij meent, dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. En ook zijn er anderen, die u zouden willen dooden, alleen al omdat het één keer gebeurd is. Maarge moet er niet meer over praten, M'sieur. Als ge er mee voortgaat, zal ik u het leer weer op den mond moeten leggen.”
„En als ik me daartegen verzet—en vecht?”
„Ge hebt me uw eerewoord gegeven. Hier in de diepe sneeuw van het Noorden geldt woord houden voor de eerste wet. Komt ge die niet na, dan maak ik u dood.”
„Groote God! ik moet zeggen, je bent een jolige reismakker!” riep Howland, onwillekeurig lachend.„Weet je wel, Croisset, dat deze heele toestand evenveel van een comedie als van een tragedie heeft? Ik moet een uiterst gewichtig personage zijn, wie dan ook. Vraag me eens wie ik eigenlijk ben, Croisset.”
„Wie zijt ge, M'sieur?”
„Dat weet ik niet, Jean. Neen, ik weet het waarachtig niet. Ik dacht, dat ik een heel eerzuchtig broekje was, lid van een groote technische vennootschap te Chicago. Maar dat heb ik waarschijnlijk gedroomd. Een gekke droom, nietwaar? Ik dacht, dat ik hier was gekomen om een spoorweg te bouwen door deze vervl..kte—neen, ik meen prachtige sneeuwvelden—maar mijn geest was zeker beneveld. Heb je wel eens van krankzinnigengestichten gehoord, Croisset? Bevind ik me misschien in een groot steenen gebouw met ijzeren tralies voor de ramen en ben jij mijn oppasser, die gekomen is om me wat bezig te houden? Het is heel vriendelijk van je, Croisset en ik hoop, dat ik te eeniger tijd mijn geestvermogens tenminste in zóóverre terug zal krijgen, dat ik je fatsoenlijk zal kunnen bedanken. Misschien word jij op een goeden dag ook nog gek, Jean en ga jij ook droomen van jonge meisjes en spoorwegen en wouden en sneeuwvelden—en dan zal ik jouw oppasser zijn.—Wil je een sigaar? Ik heb er net nog twee.”
„Mon Dieu!” hijgde Jean. „Ja, M'sieur, ik wil wel graag rooken. Is het rendiergebraad zoo naar uw zin?”
„En òf! Ik heb geen hap gegeten, sedert ik jaren geleden droomde, dat ik op een kist met dynamiet zat, die op het punt was van in de lucht te vliegen. Heb jij ooit op een kist met dynamiet gezeten, Jean, die op het punt was in de lucht te vliegen?”
„Neen, M'sieur, maar dat moet wel heel naar zijn!”
„Dat was de droom, die mijn haar wit maakte, Jean. Zie eens hoe wit het is! Witter dan de sneeuw—”
Onder het eten bleef Croisset zijn gevangene met angstigen blik opnemen, totdat Howland, het bemerkend, in een luid gelach uitbarstte.
„Wees maar niet bang, Jean,” zei hij kalmeerend. „Ik ben onschadelijk. Maar ik verzeker je, dat ik wild zal worden, tenzij er gauw iets heel rationeels gebeurt.—Hallo! denk je al zóó gauw weer verder te gaan?”
„Onmiddellijk, M'sieur!” antwoordde Croisset, de honden al aanzettend. „Wilt ge loopen en draven of rijden?”
„Liever loopen en draven, als je er niet op tegen hebt.”
„Best, M'sieur, maar bij de geringste poging om te ontsnappen, schiet ik u dood. Stel u rechts van de honden, op één lijn met mij. Ik neem dezen kant.”
Van dat oogenblik af, totdat Croisset op den middag weer halt hield, bleef Howland telkens uitkijken of hij de tweede slee niet ontdekte; maar steeds tevergeefs. Ook waagde hij nog één keer om het verboden onderwerp aan te roeren; als eenig antwoord haalde Croisset de schouders op en gaf hij den ingenieur een blik, die genoeg was om dezen verder te doen zwijgen. Toen de reis na den tweeden maaltijd werd voortgezet, bemerkte Howland, die af en toe op zijn kompas keek, dat het Pad zich langzamerhand een weinig naar het Oosten wendde. Lang vóór de schemering viel, zag hij zich door volslagen uitputting gedwongen om weer op de slee te gaan liggen. Croisset daarentegen leek onvermoeid; hij leidde bij het schijnsel van de eerste sterren en van een nog rood getinte maan zijn vermoeid span steeds verder, totdat zij ten laatste stilhielden op den top van een heuvel. Van hier af strekte een onmetelijke vlakte zich, zoo ver het oog in de witte duisternis reikte, in noordoostelijke richting uit.
„We gaan maar een klein eindje verder, M'sieur,” zei de half-ras. „Ik moet het leer weer op uw mond leggen en den riem weer om uwhanden doen. Het spijt me—maar ik zal uw beenen vrij laten.”
„Dank je,” zei Howland. „Maar het is wezenlijk overbodig, Croisset. Ik zal me maar neerleggen bij het feit, dat het noodlot besloten is om dit interessante balspel met mijn persoon tot het einde toe uit te spelen en daar ik niet langer weet, waar ik me bevind, wil ik je graag beloven, dat ik niets ergers zal doen dan mijn pijp te rooken, wanneer je me wilt toestaan om vreedzaam naast je te loopen.”
Croisset aarzelde.
„Zult ge geen poging doen om te ontvluchten—en zult ge uw mond houden?” vroeg hij.
„Ja.”
Jean trok zijn revolver en haalde kalm den haan over.
„Denk er aan, M'sieur, dat ik u doodschiet, wanneer ge uw woord breekt. Ge moogt voor mij uit loopen.”
En hij wees langs de helling van den berg naar omlaag.