HOOFDSTUK XI.

Het Huis van den Rooden Dood.

Halfweg den heuvel deed een zachte uitroep van Croisset den ingenieur stilstaan. Jean had zijn honden met lange, sterke strengen op den top vastgebonden en hij keek juist naar hen om, toen Howland zich tot hem wendde. De scherpe bovenrand van dat deel van den bergrug teekende zich helder en duidelijk af tegen de lucht en op dien rand zaten de zes honden van het span stil en roerloos op hun hurken, als wonderlijke gargouilles, daar geplaatst om deonmetelijkevlakte in de laagte te bewaken. Howland nam zijn pijp uit den mond, toen hij de steeds aangroeiende belangstelling van Croisset bemerkte. Hij keek van den man weer omhoog naar de honden. Er was iets in hun sphinxachtige houding, in het strakke uitstrekken van hun snuiten, in het wonderschoone mysterie van den stillen nacht, dat hem vervulde met een onbestemd gevoel van eerbied en angst. En toen bereikte het geluid, dat Croisset had doen stilstaan, ook zijn oor—een diep, smartelijk gejammer, zonder begin of einde, dat tot hem kwam als maakte het deel uit van de zachte beweging der lucht, die hij inademde—een toon van ongekende droefheid, die hem, evenals Croisset, schrik aanjoeg en roerloos maakte. En juist toen hij meende, dat het was weggestorven, begon dat gejammer opnieuw, al hooger en hooger stijgend, totdat het ten slotte één langgerekte huilkreet werd, die het merg in zijn beenderen deed verstijven. Het was een geluid als dat van den wolf dien eersten avond in de wildernis en toch weer anders. Toen was het de kreet van het roofdier, van denhonger, van de eindelooze verlatenheid geweest, die hem doortrilde. Dit was de dood. Hij huiverde, toen Croisset weer bij hem kwam, het magere gelaat doodsbleek in het licht van de sterren. Er was geen ander geluid hoorbaar dan het opgewonden kloppen van hun eigen hart, toen Jean begon te spreken.

„M'sieur, zoo huilen onze honden alleen maar, wanneer er iemand gestorven is of gauw zal sterven,” fluisterde hij. „Het was Woonga, die zoo jankte. Hij is al elf jaar en hij heeft zich nog nooit vergist.”

Uit zijn blik sprak hevige angst.

„Ik moet uw handen binden, M'sieur.”

„En ik heb je mijn woord gegeven, Jean—”

„Uw handen, M'sieur. De dood is al daar ginds op de vlakte—of hij zal er gauw komen. Ik moet u binden.”

Howland legde zijn handen op den rug en Jean bond die met een sterk touw.

„Ik geloof, dat ik je begrijp,” zei de ingenieur zacht, opnieuw luisterend naar het angstige gehuil, dat van den bergtop kwam. „Je bent bang, dat ik je zal doodmaken.”

„Het is in elk geval een waarschuwing, M'sieur. Ge zoudt het kunnen probeeren. Maar waarschijnlijk zou ik meer kans hebben om u te dooden. Zooals de zaken op het oogenblik staan, zou het, denk ik, niet Jean Croisset zijn, die aan gindsche roepstem gehoor gaf,” en hij haalde de schouders op, terwijl hij langs de helling afdaalde.

„Mogen al je Heiligen me behoeden, Jean—ik moet zeggen, het is hier een vroolijke boel!” gromde Howland, half lachend zichzelf ten spijt. „Wie anders dan ik kan tot sterven gedoemd zijn, nu je me weer gebonden hebt?”

„Die vraag is moeilijk te beantwoorden, M'sieur,” antwoordde de half-ras met grimmigen ernst. „Misschien is het werkelijk uw beurt. Half en half geloof ik het ook.”

Nauwelijks waren die woorden hem over de lippen gekomen, of het klagende gehuil liet zich opnieuw hooren.

„Je maakt me zenuwachtig, Jean—jij en die vervl..kte hond!”

„Hou uw mond, M'sieur.”

Uit de witte woestenij aan den voet van den heuvel doemde een schaduw op, die Howland eerst voor een groote rotsmassa hield. Een paar stappen verder en hij ontdekte, dat het een vrij groot gebouw was. Croisset pakte hem stevig bij den arm.

„Blijf hier staan,” ordonneerde hij. „Ik kom gauw terug.”

Een kwartier lang wachtte Howland. Tweemaal in dat tijdsverloop huilde de hond boven hem. Hij was blij, toen Croisset weer uit de duisternis te voorschijn kwam.

„Het is zooals ik dacht, M'sieur—de dood is er al. Kom maar mee.”

De schaduw van het groote gebouw nam hen op, toen zij dichterbij kwamen. Howland merkte al gauw, dat het was opgetrokken uit groote houtblokken en dat er aan hun kant ramen noch deuren waren te bespeuren. En toch voelde hij, dat zij zich bij den ingang bevonden, toen Jean een oogenblik aarzelde bij een plek, nog donkerder dan de rest. Voorzichtig ging de half-ras voorwaarts, met zijn dunne neusvleugels als het ware achterdochtig de lucht opsnuivend en aldoor luisterend—met Howland zóó dicht bij zich, dat hun schouders elkaar aanraakten. Van den heuveltop klonk weer de sombere doodenzang van den ouden Woonga—en Jean huiverde. Howland staarde voortdurend in de zwarte massa en al starend, volgde hij Croisset; zij traden binnen en verloren zich in een diepe duisternis. Om hen heen heerschte een doodsche stilte in een atmosfeer van vochtigheid en verlatenheid. Geen enkel teeken van leven, geen ademtocht, geen andere beweging dan die, welke van hen zelf uitging. Howland bemerkte hoe geagiteerd Croisset was, toen deze hem bij den arm greep en zij samen voet voor voet het zwijgende mysterie betraden. Hij hoorde al gauw hoe de hand van den half-ras op den tast naar een klink zocht. Zij gingen door een tweede deur en eerst nu streek Jean een lucifer af.

Een pas of zes van hen af stond een tafel en op de tafel een lamp. Croisset stak die aan en keek met een glimlach naar den ingenieur. Zij bevonden zich in een lange, lage, kerkerachtige kamer, zondervenster en met slechts één deur—die waardoor zij waren binnengekomen. De tafel, twee stoelen, een kachel en een slaapbank tegen een van de houten wanden aangebracht, waren de eenige meubels, die Howland zag. Maar het was niet het troosteloos ledige van wat hij meende, dat zijn gevangenis zou zijn, wat hem een vragenden blik op Croisset deed vestigen. Dat was de uitdrukking op het gelaat van zijn metgezel, de vaal-gele tint van den angst, van den doodsschrik, die zich daarop afteekende. De half-ras sloot en grendelde de deur en ging toen bij de tafel zitten met zijn mager gelaat in het zwakke schijnsel van de lamp naar den ingenieur gekeerd.

„M'sieur, het valt u zeker moeilijk om te raden waar gij zijt.”

Howland wachtte.

„Als ge lang in dit land hadt gewoond, M'sieur, dan zoudt ge te eeniger tijd gehoord hebben vanla Maison de la Mort Rouge—Het is daar, dat we ons bevinden en wel in de kerkerkamer. Het is hier een nederzetting van de Hudsonbaai-compagnie, die al jaren en jaren verlaten is. Toen ik nog een kind was, kwamen de pestpokken dezen kant uit en bijna alle lui, die hier woonden, stierven er aan. Negentien jaar geleden verscheen die roode pest opnieuw en hier in denPoste de la Mort Rougeontkwam niemand. Sedert is het gebouw overgelaten aan wezels en uilen. Elke levende ziel tusschen de Athabasca en de baai schuwt het.—En juist daarom zijt ge hier volkomen veilig.”

„Groote God!” riep Howland. „Is er nog meer, Croisset? Veilig voor wat, man? Veilig voor wat?”

„Voor hen, die u willen dooden, M'sieur. Ge wilt niet naar het Zuiden en daarom heeftla belleMeleese u gedwongen het Noorden in te gaan.Vous comprenez?”

Een oogenblik zat Howland als versteend.

„Begrijpt ge het, M'sieur?” hield Croisset aan, glimlachend.

„Ik—ik geloof van ja,” antwoordde Howland ernstig. „Je wilt zeggen, dat Meleese—”

Maar Jean viel hem in de rede. „Ik wil zeggen, dat ge gisteravondal zoudt zijn gestorven, als Meleese er niet was geweest. Ge zijt ontkomen uit de coyote, maar ge zoudt niet ontkomen zijn aan het andere. Meer kan ik u niet vertellen. Maar hier zijt gij veilig. Zij, die u naar het leven staan, zullen gauw gelooven, dat ge dood zijt—en als het eenmaal zoo ver is, laten we u terugkeeren naar het Zuiden. Is dat niet een heerlijk lot voor iemand, die verdient om in stukjes gehakt en door de raven opgegeten te worden?”

„En meer wil je me niet vertellen, Jean?” vroeg de ingenieur.

„Neen, M'sieur—behalve nog dit, dat ik sympathie voor u voel, al zou ik u graag willen dooden. Dat komt misschien omdat ik zelf vroeger ook in het Zuiden ben geweest. Ik was zes jaar lang bij de Compagnie te Montreal en daar heb ik school gegaan.”

Hij stond op om den overslag van zijn buis van kariboeleer dicht te knoopen. Daarop schoof hij den grendel van de deur en opende hij die. Zwak en als van heel ver weg kwam het gejammer van Woonga tot hen.

„Je zei, dat de dood al hier was,” fluisterde Howland, dicht tegen Jean's schouder geleund.

„Er was hier na de laatste pest nog één mensch overgebleven,” antwoordde Croisset, nauw hoorbaar. „Dat was een man, die vrouw en kinderen had verloren en wien het ongeluk krankzinnig had gemaakt. Het was daarom, dat ik zoo heel stil met u naar beneden sloop. Hij woonde daar ginds aan den zoom van de open ruimte en toen ik er daar straks heenging, stond er een dennetak met een rood vlagje op de kleine hut. Waar een pestgeval is, hangen we zoo'n vlag uit om anderen te waarschuwen. Dat is bij ons een wet. De vlag is al door den wind aan flarden gescheurd. De man is dood.”

Howland huiverde.

„Aan pokken?”

„Ja.”

Enkele oogenblikken bleven zij zwijgend staan. Toen voegde Croisset er aan toe: „Ge moet hier blijven, tot ik terugkom, M'sieur.”

Hij ging weg, de deur aan de buitenzijde sluitend en grendelenden Howland liet zich neervallen op een stoel bij de tafel. Vijftien minuten later kwam de half-ras terug met een groot pak en een flinke kruik.

„Er ligt hout achter de kachel, M'sieur. Hier is eten en drinken voor een en ik heb ook warme huiden voor uw bed. Nu zal ik uw handen vrij maken.”

„Je wilt dus zeggen, dat je me hier alleen achterlaat—in deze ellendige omgeving?” riep Howland.

„Mon Dieu, M'sieur, is die niet te prefereeren boven het graf? Tegen het einde van de week ziet ge me weer verschijnen.”

De deur was nog niet heelemaal gesloten en voor het laatst drong het droevige gejank van den ouden hond tot Howland door. Bijna dreigend greep hij den arm van Croisset.

„Jean, wat zal er gebeuren, als je niet terugkomt?”

Hij hoorde den half-ras grinniken.

„Dan zult ge sterven, M'sieur—maar kalm en gelaten en op uw eigen tijd—en dat is toch heel wat beter dan op een kist met dynamiet de lucht in te vliegen. Maar ik kom zeker terug, M'sieur.Adieu!”

Nu werd de deur gesloten en gegrendeld en stierf het geluid van Croisset's voetstappen snel weg buiten de houten wanden. Er gingen vele minuten voorbij eer Howland aan zijn pijp of aan een vuur dacht. Maar ten laatste ging hij, hoewel huiverend, toch zoeken naar het hout, dat—zooals Jean gezegd had—achter den haard moest liggen. Al gauw brandde er een flink vuur in de groote kachel en toen de kalmeerende rookwolken van zijn pijp de vochtige atmosfeer met hun aroma vervulden, kreeg Howland een gevoel van comfort, dat een wonderlijk contrast vormde met de opwindende ondervindingen van de laatste dagen.

Eindelijk dan was hij alleen en had hij een week lang niets te doen dan te eten, te slapen en te rooken. Hij had ruim tabak en het pak, dat Croisset hem liet, bleek bij onderzoek overvloed van voedsel te bevatten. Met zijn stoel achterovergewipt en zijn voeten op de tafel,genoot hij van de opwekkende kachelwarmte, daarbij wolken van rook opzendend en zichzelf afvragend of de half-ras alweer zuidwaarts zou zijn getrokken. Wat zou MacDonald wel gezegd hebben, toen Jackpine terugkwam met het bericht, dat hij—Howland—was uitgegleden en zijn dood had gevonden in den waterval? Mac's eerste beweging zou zeker zijn om van de Wekusko uit een flink span honden achter Gregson en Thorne aan te zenden en hen tot terugkeer te dwingen.

Hij lachte luid en begon nu heen en weer te loopen over den rotten vloer van zijn gevangenis, zich aldoor de consternatie voorstellend van zijn twee oudere collega's. En daarop kwam er een blos op zijn gelaat en begonnen zijn oogen te schitteren—want hij dacht aan Meleese. Hem zelf ten spijt had zij hem gered van zijn vijanden en hij zegende Croisset, omdat deze hem het doel van hun reis naar het Noorden had medegedeeld. Opnieuw had zij hem bedrogen, maar dezen keer was het om zijn leven te redden en zijn hart sprong op van vreugde in blij vertrouwen op dit bewijs van haar liefde. Hij meende, dat hij heel den opzet nu doorzag. Zijn vijanden waanden hem dood. Zij zouden de Wekusko verlaten en na een poos, wanneer hij veilig kon terugkeeren, zou hij zijn vrijheid herkrijgen.

Naarmate de uren voortschreden, begonnen meer sombere gedachten een schaduw te werpen op zijn blijmoedige opvatting. Meleese toch was op geheimzinnige wijze verbonden met de lieden, die hem naar het leven stonden en als die verdwenen, zou zij allicht met hen verdwijnen. En hoe zou hij haar dan ooit terugvinden? Zou zij naar het Zuiden trekken—naar de beschaafde wereld—of zou zij nog dieper de onbekende wildernissen van het Noorden ingaan?—Als antwoord op die vragen, schoten hem de woorden van Jean Croisset te binnen: „M'sieur, ik weet van wel honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden om wat gij gezegd hebt.”—Ja, hij moest naar het Noorden, wilde hij haar vinden. Ergens in die onherbergzame eenzaamheid, waarvan Jean hem zooveelhad verteld, zou hij haar tegenkomen—al moest hij de helft van zijn leven geven aan dat zoeken!

Het was over twaalf, toen hij de huiden op zijn legerstede uitspreidde en zich gereed maakte om te gaan slapen. Hij liet de kacheldeur open en lag nog lang te kijken naar het schijnsel van het wegstervende vuur op de houten wanden. Even vóór de slaap zijn oogen sloot, was hij zich nog bewust van een zwak geluid—hetzelfde hongerige, jammerende gehuil, dat hij dien eersten avond buiten Prince Albert had gehoord. Dat moest een wolf zijn en slaperig vroeg hij zichzelf af, hoe de dikke wanden van zijn gevangenis dien kreet konden doorlaten. Maar, toen hij een uur of wat later de oogen opende, was het raadsel opgelost. Er viel een bleek zonlicht in het vertrek en hij zag, dat dit door een nauwe opening dicht bij de zoldering kwam. Niet zoodra had hij zijn ontbijt genuttigd, of hij schoof de tafel tot onder de spleet en ging er op staan; hij kon nu naar buiten kijken en zag allereerst, dat de zwarte zoom van een groot dennenwoud zich op een honderd yards van het huis bevond. Tusschen dat en het woud, half begraven onder de diepe sneeuw, stond een hut en hij huiverde, toen hij daarboven het roode signaal van den dood zag wapperen, waaromtrent Croisset hem den vorigen avond had verteld.

De morgenuren leken hem eindeloos; een tijdlang amuseerde hij zich met de inspectie van alle hoeken en gaten in zijn kerker, maar hij vond niets belangrijks, behalve wat hij reeds wist. Hij onderzocht de buitendeur, die Croisset had gesloten en liet alle hoop op een ontsnappen in die richting varen. Door de opening bij de zoldering vermocht hij nauwelijks een arm te wringen. Voor het eerst sedert het opwindende begin van zijn avonturen te Prince Albert, werd hij overweldigd door een gevoel van eigen onmacht. Hij was een gevangen man, opgesloten in een ellendig verblijf te midden van de wildernis. En hij, Jack Howland, die altijd trotsch was geweest op zijn physieke kracht, had zich door een half-ras hierheen laten brengen.

Zijn bloed begon te koken, zoo vaak hij er aan dacht. Nu, dat hij tijd en gelegenheid had om stil te staan bij wat er gebeurd was, maakte hij zich woedend over de tooneelen, die achtereenvolgens aan zijn geest voorbijgingen. Hij had goed gevonden om in een vreemd en zeer geheimzinnig spel als niet meer dan een pion gebruikt te worden. Het was niet persoonlijke moed geweest, die hem had gered in het gevecht op het Pad bij de Saskatchewan. Bij de coyote was hij blindelings in de val geloopen. Nog dommer was hij geweest, toen hij zich liet leiden naar de hinderlaag bij het kamp van de Wekusko.

Hij stapte nijdig heen en weer door het vertrek, heftig rookend en het gelaat rood van opwinding bij de ergerlijke gedachten, die in zijn brein opkwamen. Hij trachtte zich niet te verschuilen achter de omstandigheden; hij had geen enkel excuus voor zichzelf. Nooit was hij een lafaard geweest en nooit had hij vrees gekend. Zijn moed en zijn durf hadden zelfs Meleese beangstigd en Croisset verbaasd. En toch—wat had hij gedaan? Van het oogenblik af, dat hij een voet had gezet in het Chineesche restaurant, waren zijn vijanden hem de baas geweest. Men had hem gedwongen om een lijdende rol te spelen. Tot aan de hinderlaag op het Pad bij de Wekusko had hij altijd nog verzachtende omstandigheden voor zichzelf kunnen aanvoeren. Maar deze geschiedenis met Jean Croisset!—Nu, dat hij zich alleen bevond en er kalm over kon nadenken, was het bijkans genoeg om hem dol te maken! Waarom had hij Jean niet ingerekend, zooals deze en Jackpine het hem hadden gedaan?

Hij zag nu wat hij had kunnen doen. Ergens, niet zoo heel ver terug, was de slee met Meleese en Jackpine het onbekende ingegaan. Zij tweeën waren dus alleen geweest. Waarom had hij Croisset niet tot zijn gevangene gemaakt, in plaats van zichzelf als een zwakkeling te laten inpikken? Hij vloekte luid, toen het hem meer en meer duidelijk werd, dat hij een kostelijke gelegenheid had laten voorbijgaan. Met het pistool op de borst had hij Croisset kunnen dwingen om de andere slee te volgen en die in te halen. Hij had Jackpine kunnen overvallen, zooals zij hem—Howland—op het Pad haddenovervallen. En dan? Hij glimlachte, maar er school geen humor in dien lach. Dan zou hij tenminste de baas zijn geweest. En wat zou Meleese in dat geval wel hebben gedaan?

Hij stelde zichzelf vraag op vraag om die snel en beslist nog in denzelfden adem te beantwoorden. Meleese had hem lief. Daar durfde hij zijn leven onder verwedden. Hij raakte in vervoering als hij dacht aan de kussen, die zij hem had gegeven, toen zij bij hem was gekomen, terwijl hij gebonden en met een prop in den mond naast het Pad lag. Zij had zijn hoofd in haar armen genomen en door de droefheid op haar gelaat heen had hij het licht zien schijnen van de groote liefde, die haar trekken in alle komende tijden voor hem zou verheerlijken. Zij had hem lief! En hij had haar laten gaan, hij had als een zwakkeling zichzelf overgeleverd op het oogenblik, waarin hij alles, waarvan hij gedroomd had, in zijn bezit had kunnen krijgen! Met Jackpine en Croisset in zijn macht—

Verder ging hij niet. Was het te laat om dat alles nog te doen? Croisset zou terugkomen. Met een zekere voldoening bedacht hij, dat zijn houding de achterdocht van den half-ras had ontwapend. Hij meende, dat Croisset gemakkelijk te overmeesteren zou zijn, dat hij hem zou kunnen dwingen om het spoor van Meleese en Jackpine te volgen. En dat spoor? Het zou waarschijnlijk leiden naar het hoofdkwartier van zijn vijanden. Maar wat maakte dat uit? Hij stopte een nieuwe pijp en blies rookwolken uit tot de heele kamer er mee gevuld was. Dat spoor zou hem naar Meleese brengen, wààr zij zich ook bevond. Tot nu toe waren zijn vijanden bij hem gekomen; nu zou hij hen opzoeken. Had hij Croisset eenmaal in zijn macht en waren zijn vijanden onkundig van zijn tegenwoordigheid, dan zou alles verder in zijn voordeel zijn. Hij lachte luid, want plotseling kreeg hij een inval: in laatste instantie kon hij Croisset nog als lokvogel gebruiken!

Hij begreep, dat het gemakkelijk zou zijn om Meleese in een val te lokken, wanneer zij in den waan verkeerde, dat zij alleen Croisset zou vinden. Zijn eigen tegenwoordigheid zou zijn als het inslaan van een bom aan haar voeten. En zou zij op zulk een moment, wanneer zijzag hoeveel hij voor haar waagde, hoezeer hij besloten was haar te bezitten, niet toegeven aan het smeekgebed van zijn liefde? Zoo niet, dan moest hij zijn toevlucht nemen tot iets anders—tot iets, dat hem al weer een vroolijken lach op de lippen bracht. In den oorlog en in de liefde is alles gepermitteerd—en hun spel was een spel van liefde. Door liefde gedreven, had Meleese hem weggesleurd van zijn post en hem opgesloten in de wildernis. De liefde sprak haar vrij. En diezelfde liefde zou ook hem vrijspreken. Hij wilde haar tot zijn gevangene maken en dan zou Jean hem terugbrengen naar de Wekusko. Meleese had het voorbeeld gegeven en hij zou haar navolgen. Welke vrouw zou, als zij den man liefhad, zich daarna niet naar zijn wensch schikken? Op hun sleereis zou hij haar heelemaal voor zich hebben, niet voor een uur of wat, maar dagen achtereen. Hij wist zeker, dat hij in dien tijd zijn pleidooi zou winnen. Misschien zouden zijn vijanden hen vervolgen; misschien zou hij moeten vechten; maar daartoe was hij niet ongenegen; hij begon zelfs een beetje naar vechten te verlangen.

Hij ging dien avond naar bed met het plan om te droomen van de dingen, die komen zouden. Een tweede dag, een derde nacht, een derde dag kwam en ging. Met elk uur steeg zijn verlangen naar Jean's terugkomst; soms voelde hij een koortsachtig ongeduld opkomen en wenschte hij, dat alles al gebeurd was. Hij was vol vertrouwen op een goeden uitslag en toch dacht hij niet te licht over de krachten van Croisset. Hij wist, dat de half-ras was als levend staal en ijzer, vlug als een kat en meer dan zijn evenknie in een open gevecht, niettegenstaande zijn eigen meerdere lichaamskracht en forschheid.

Hij bedacht een dozijn plannen om Jean er onder te krijgen. Een daarvan was om op den man af te springen, terwijl hij zat te eten; een tweede om hem te overrompelen, terwijl hij naast zijn span knielde of het vuur verzorgde en hem dan de keel toe te knijpen, totdat hij half bewusteloos zou zijn; een derde om hem ongemerkt van achteren te overvallen en hem een slag toe te brengen,die hem dadelijk machteloos maakte. Maar in dit laatste plan was iets, dat hem tegenstond. Hij bedacht zich, dat Jean zijn leven had gered, dat Jean hem nog nooit eenig physiek letsel had toegebracht. Hij wilde liever op een gelegenheid wachten; hij wilde den half-ras gebruiken, zooals deze hem gebruikt had. Het moest dezelfde eerlijke strijd blijven, dien Jean hem geboden had en met een voorsprong zou de flinkste man winnen.

Op den morgen van den vierden dag werd Howland gewekt door een geluid van buiten af. Het was het bitse, doordringende geblaf van een hond—een oogenblik later gevolgd door een nog scherper zweepgeklap en een welbekende stem.

Jean Croisset was terug!

Met één sprong was Howland uit zijn slaapstede. Half gekleed, vloog hij naar de deur en bukte zich daar—de spieren van zijn armen gespannen en zijn lichaam gestrekt door de zich concentreerende krachten.

De prikkel van het oogenblik had hem een snel besluit doen nemen. Zijn kans was gekomen, zoodra Jean Croisset den drempel overschreed!

Het Gevecht.

Howland hoorde hoe Jean bij de deur bleef staan. Er volgden enkele oogenblikken van stilte, als luisterde de nieuw aangekomene naar mogelijke geluiden in de kamer. Maar al spoedig tastte er een hand naar grendel en slot en vloog de deur naar binnen open.

„Bonjour, M'sieur,” riep Jean, nader komend, op vroolijken toon. „Hoe is het mogelijk, dat het geblaf van de honden u niet—”

Zijn oogen waren dadelijk naar de slaapstede gegaan. Howland zag, dat het gelaat van den half-ras mager en bleek was, niettegenstaande diens opgewekten groet. Maar verder zag hij niets, eer hij zich met heel zijn gewicht op den totaal onvoorbereiden Croisset wierp en zij samen op den grond rolden. Er was bijna geen strijd; al heel gauw lag Jean bewegingloos, plat op zijn rug, met de armen langs zijn zijden, terwijl Howland, zich schrijlings op het lichaam van zijn tegenstander zettend—en wel zóó, dat zijn knieën diens handen in bedwang hielden—kalm lussen begon te slaan in de touwen, die hij inderhaast van de tafel had meegesleurd. Maar op eens vlogen achter zijn rug Jean's beenen omhoog en sloten de stalen spieren van den half-ras zich als een tang om den nek van zijn belager, dezen achterover trekkend en hem met zooveel kracht tegen den tegenovergestelden muur werpend, dat het weinig scheelde of hij was voor altijd buiten gevecht gesteld.

Nog half doezelig van zijn val, strompelde Howland weer op zijnbeenen en daar stond Jean Croisset al midden op den vloer. Hij had het buis van kariboehuid al uitgetrokken, hij balde de vuisten en in zijn oogen lag een gevaarlijke gloed. Die gloed verdween echter even snel als hij was opgekomen en toen de half-ras langzaam en met gebogen schouders naderde, glinsterden zijn witte tanden in een glimlach. Ook Howland glimlachte en schoot naar voren om hem op te wachten. Maar er school geen vriendelijkheid, geen humor in die lachjes. Beiden hadden die glinsterende tanden en dat doodelijke geflikker in de oogen meer gezien en beiden wisten wat dat beteekende.

„Ik geloof, dat ik u ga doodmaken, M'sieur,” zei Jean zacht. Er sprak geen opwinding, geen hartstocht uit zijn stem. „Ik heb al lang gedacht, dat ik u te eeniger tijd wel zou moeten dooden. Toen ik hier terugkwam, had ik eigenlijk mijn ziel al opgemaakt om u te dooden. Het zal niet meer dan een Godsgericht zijn, als ik u doodmaak.”

De twee mannen begonnen door het vertrek rond te draaien, als wilde beesten in een kooi—Howland met de houding van een bokser, Jean met gebogen schouders en met armen, die in een zwakke bocht langs het lichaam neerhingen, terwijl heel het gewicht van zijn lichaam scheen te rusten op de teenen van zijn in mocassins gestoken voeten. Plotseling wierp hij zich op zijn tegenstander en greep hij dien bij de keel.

Howland week bliksemsnel op zij en deelde een stomp uit, die Jean aan het hoofd trof en hem languit op den rug deed vallen. Even later echter kwam hij, hoewel nog half bedwelmd, weer op zijn voeten terecht. Het was voor het eerst, dat de half-ras kennis maakte met methodisch vechten. Hij was geheel van streek; zijn ooren suisden en hij voelde duizelingen. Intusschen deed hij toch weer een uitval op de snelle, katachtige manier, die hem eigen was en kreeg hij weer een stomp. Maar dezen keer bleef hij staan.

„Nu weet ik zeker, dat ik u dood zal maken, M'sieur,” zei hij, even koel als te voren.

Er was iets angstig kalms, iets heel gedecideerds in zijn stem. Hij was niet bang. Zijn handen gingen niet naar de wapens in zijn gordel en de glimlach verdween van Howland's lippen, toen hij al door om hem heen begon te draaien. De ingenieur had nog nooit met een man van deze soort gevochten; nooit eer had hij een zoo angstwekkend zelfvertrouwen aanschouwd; langzaam week hij terug, meer voor de oogen dan voor den persoon van zijn tegenstander. Die oogen volgden hem; zij lieten hem niet los. Altijd laaide het vuur daarin weer op en steeds werd het dieper. Er begonnen zich op de wangen van Croisset twee dof-roode vlekken te vertoonen en hij lachte zacht, terwijl hij plotseling een uitval deed, die Howland noodzaakte om hem een slag toe te brengen—welke slag miste. Beiden wisten nu wat hen wachtte.

Het was de wetenschap van de eene wereld, gericht tegen de wetenschap van de andere—de wetenschap van de beschaving tegen de wetenschap van de wildernis. Howland had van de zijne een studie gemaakt. Jean had bij wijze van sport gespeeld met gewonde lynxen, hij had de gave van opmerken, van instinct en ook de vlugheid van de wilde dieren, die vaak datzelfde spelletje met zijn geweervuur hadden gespeeld—van de sledehonden wier gevaarlijke slagtanden een onmiddellijken dood konden aanbrengen. Tot drie- en viermaal toe kwam hij binnen het bereik van Howland en telkens sloeg deze uit—en miste.

„Ik ga u doodmaken,” zei Jean opnieuw.

Tot nu toe was Howland kalm gebleven. Hij wist, dat bij zijn vechtmethode zelfbeheersching de halve zege was. Nu echter voelde hij een langzaam aangroeiende woede in zich opkomen. Dat glimlachje in Jean's oogen begon hem te prikkelen; het onbevreesde, uitdagende glinsteren van zijn tanden, zijn stoutmoedig zelfvertrouwen maakten hem ongeduldig. Tweemaal nog sloeg hij snel uit, maar Jean naderde en week als een pijl uit den boog. Zijn buigzaam lichaam, wel vijftig pond minder zwaar dan dat van Howland, deed denken aan een jongen, die in een interessante sport tracht te overwinnen. Dehalf-ras spande zich niet in bij den aanval; hij volgde de tactiek van den wolf, die den eland op de hielen zit—van den lynx, die het gewei van de antilope voor zich ziet—hij trachtte zijn tegenstander af te matten en hem geen rust te laten.

Howland's spieren begonnen pijn te doen en zijn adem werd korter naarmate zijn pogingen geen uitwerking schenen te hebben op Croisset. Gedurende enkele oogenblikken volgde hij een offensieve tactiek en joeg hij Jean tusschen kachel en tafel door tot tweemaal toe het vertrek rond—tevergeefs trachtend om hem in een hoek te drijven en hem daar te treffen met een van die zwaaiende armbewegingen, die Croisset met bliksemsnelle vlugheid wist te vermijden. Toen hij eindelijk stilhield, was het om moeilijk en hijgend op adem te komen. Jean kwam wat dichterbij, koel en glimlachend.

„Ik ga u doodmaken, M'sieur,” zei hij opnieuw.

Howland liet de armen vallen, zijn vingers ontspanden zich en hij stiet den adem tusschen zijn lippen door, als was hij een uitputting nabij. Zijn methode had nog een paar kunstgrepen, maar hij wist, dat dit zijn laatste troeven zouden zijn. Hij week terug naar een hoek en Jean volgde hem, zijn oogen lichtend met stalen gloed en zijn lichaam steeds meer gestrekt.

„Nu ga ik u doodmaken, M'sieur,” zei hij op denzelfden zachten toon. „Ik ga u den nek omdraaien.”

Howland plaatste zich tegen den muur, eenigszins zijdelings als vreesde hij een aanval, dien hij niet af kon weren. Op Croisset's lippen lag een minachtende glimlach, toen hij zich in positie stelde. Daarop deed hij een sprong, maar terwijl zijn vingers naar de keel van Howland tastten, schoot diens rechterarm opwaarts met een korten, doodelijken stoot, die zijn tegenstander onder de kin trof. Zonder een woord te spreken week Jean terug, één oogenblik wankelde hij en daarop zakte hij ineen. Toen hij een minuut later de oogen opende, merkte hij, dat zijn handen op zijn rug waren vastgebonden en dat Howland aan zijn voeten stond.

„Mon Dieu, die kwam goed aan!” hijgde hij na een paar maaldiep geademd te hebben. „Wilt ge me dien stoot leeren, M'sieur?”

„Sta op!” beval Howland. „Ik heb geen tijd te verliezen, Croisset.” Hij pakte den half-ras bij de schouders en hielp hem naar een stoel bij de tafel. Daarop nam hij bezit van diens wapens, waarbij de revolver, die Jean hem twee dagen te voren had afgenomen—en begon hij zich, steeds zwijgend, verder aan te kleeden.

„Snap je wat er nu gaat gebeuren, Croisset?” riep hij, toen hij klaar was—en zijn oogen flikkerden woest. „Snap je, dat wat je gedaan hebt, je voor tien jaar of langer achter de tralies zal brengen? Snap je, dat ik je mee terug ga nemen om je aan het gerecht over te leveren?—en dat ik, zoodra we de Wekusko bereiken, een twintig man zal uitsturen om het spoor van je vrienden te volgen?”

Het magere gelaat van Croisset werd vaalbleek.

„Groote God, M'sieur, dat zult ge niet doen!”

„Niet?!” Howland drukte zijn nagels in den rand van de tafel. „Bij je grooten God, Croisset, ik zal het wèl doen! En waarom ook niet? Omdat Meleese zich bij die bende struikroovers en moordenaars bevindt? Och, mijn beste Jean, je lijkt wel mal! Zij trachtten mij te vermoorden op het Pad, zij probeerden het opnieuw in de coyote en nu ben je zelf hier teruggekomen met het plan om mij dood te maken. Van het begin af ben je me vóór geweest. Nu is het mijn beurt. Ik durf er een eed op doen, dat we jelui allemaal te pakken krijgen, als ik je maar eerst naar de Wekusko terugbreng.”

„Als, M'sieur?”

„Ja,als.”

„En datals—” Jean drukte zich tegen de tafel aan in zijn ijver.

„Staat aan jou, Croisset. Ik wil met je onderhandelen. Of ik breng jou terug naar de Wekusko, waar ik je aan de autoriteiten overlever om vervolgens een afdeeling achter de anderen aan te zenden—òf je moet mij naar Meleese brengen. Wat zal het zijn?”

„En als ik u bij Meleese breng, M'sieur?”

Howland richtte zich op en zijn stem trilde van agitatie.

„Als je me bij Meleese brengt en zweert, dat je zult doen, wat ikje beveel, dan zal ik noch jou noch je vrienden kwaad doen.”

„En Meleese—?” Jean's oogen werden weer donkerder. „Haar zult ge toch geen kwaad doen, M'sieur?”

„Haar kwaad doen?” Er klonk een trilling in den lach van Howland. „Goede God, man! ben je dan zóó blind, dat je niet eens ziet, hoe ik dit alles doe alleen om haar? Ik zeg je immers, dat ik haar liefheb en dat ik, al vechtende voor haar, zou willen sterven. Maar tot nu toe had ik geen kans. Jij en je vrienden, je hebt een lafhartig, onderhandsch spel gespeeld, Croisset. Je hebt me telkens in den rug aangevallen, maar nu, voor den duivel, zul je je aanpassen, of het zal spannen! Snap je? Als je me niet bij Meleese brengt, dan wordt er een schoonmaak gehouden, waarbij jij en je heele pan over boord gaat!Haarkwaad doen!” En weer lachte Howland, terwijl hij zijn wit gelaat tot Jean overboog. „Kom, Croisset, wat zal het zijn?”

In de oogen van den half-ras kwam een koud licht, gelijk aan de vonken, die ontsnappen, wanneer twee stukken staal op elkaar stooten. De vale bleekheid verdween van zijn gelaat en de raadselachtige glimlach, die Howland in hun gevecht zoo had geprikkeld, kwam weer te voorschijn.

„Ge vergist u in enkele opzichten, M'sieur,” zei Jean rustig. „Tot vandaag toe heb ik vóór en niet tegen u gestreden. Maar nu laat gij mij maar één kans. Ik zal u bij Meleese brengen en dat wil zeggen—”

„Goed! goed!” riep Howland.

„La, la, M'sieur—niet zoo goed als ge wel denkt. Dat wil zeggen, dat gij—even zeker als de honden ons er heen zullen brengen—nooit van daar zult terugkeeren.Mon Dieu, uw dood is een uitgemaakte zaak.”

Howland keerde zich snel naar de kachel.

„Hongerig, Jean?” vroeg hij wat vriendelijker. „Kom, laat ons niet kibbelen, man. Jij hebt eerst jouw zin gehad en nu krijg ik mijn zin. Al ontbeten?”

„Ik hoopte het genoegen te zullen smaken van dat met u te doen,” antwoordde Jean met grimmigen humor.

„En dan zou je, nadat ik je eerst gevoederd had, mij doodgemaakt hebben, beste Jean?” lachte Howland, een groot stuk kariboe-vleesch gewoonweg op de plaatijzeren kachel leggend. „Je bent een lieve jongen!”

„Maar ge moet immers dood, M'sieur.”

„Dat heb je al eerder gezegd. Als ik Meleese zie, wil ik weten waarom—of—”

„Of wat, M'sieur?”

„Of ik maak jou dood, Jean. Ik ben juist tot de conclusie gekomen, dat jij de persoon bent, die gedood moet worden. Als er iemand moet sterven daar, waar we nu heengaan, Croisset, dan zul jij het zijn.”

Jean hield zijn mond. Een minuut of wat later zette Howland het kariboe-gebraad, een bord met pannekoeken en een groote kan met heete koffie op de tafel. Daarop ging hij achter Jean om en maakte hij diens handen los. Zelf zette hij zich tegenover zijn gevangene, legde zijn revolver naast zijn tinnen bord en haalde den trekker over. Jean meesmuilde en haalde de schouders op.

„Het is ernst,” zei Howland op waarschuwenden toon. „Als ik te eeniger tijd tot de conclusie kom, dat je het verdient, dan schiet ik je dood wáár je bent, Croisset—pas dus op, dat je me geen argwaan geeft.”

„Ge hebt me uw woord gegeven,” zei Jean sarcastisch.

„En tot op zekere hoogte vertrouw ik op het jouwe,” antwoordde Howland, de koffie inschenkend. Plotseling nam hij de revolver op. „Je hebt me nog nooit zien schieten, wel? Zie je dat kopje?” Hij wees naar een kleinen, tinnen kroes, die op een pas of twaalf afstands aan den wand hing en zond er driemaal, zonder mankeeren, een kogel doorheen.

„Ik zal je het gebruik van handen en voeten teruggeven, behalve voor den nacht,” zei hij daarop, zich opnieuw—en nu lachend—tot Croisset wendend.

„Mon Dieu!ge kunt het veilig doen,” gromde Jean. „Ik geef u mijn woord, dat ik zal oppassen, M'sieur.”

De zon was al op, toen Croisset naar buiten afsloeg. Zijn span stond met de slee op een honderd yards afstands van het gebouw en Howland's eerste werk was om het geweer van den half-ras in bezit te nemen en er de patronen uit te verwijderen, terwijl Jean zelf den honden een paar brokken kariboe-vleesch toewierp. Toen zij gereed waren om te vertrekken, keerde de half-ras zich langzaam om en reikte hij den ingenieur de geschoeide hand.

„M'sieur,” zei hij zacht, „ik hou van u, al had ik u eigenlijk al lang geleden moeten doodmaken. Ik zeg u nog eens—er is maar één kans op de honderd, dat ge levend terugkomt, wanneer ge naar het Noorden trekt. Groote God, M'sieur, daar waar gij heen wilt, zullen tot de boomen toe op u neervallen en de kraaien u de oogen uitpikken! En die eene kans op de honderd, M'sieur—”

„Neem ik aan,” viel Howland hem beslist in de rede.

„Ik wilde zeggen,” vervolgde Jean koeltjes, „dat die eene kans verkeken is, tenzij dat hun, die gisteren de Wekusko verlieten, een ongeluk overkomen is. Gaat gij naar het Zuiden, dan zijt gij veilig—gaat gij naar het Noorden, dan ware het beter voor u om dood te zijn.”

„Het einde van de jacht belooft tenminste een beetje levendigheid,” lachte de ingenieur. „Kom, Jean—zet de honden maar aan.”

„Mon Dieu, gij zijt gek—maar toch een flinke kerel,” riep Croisset en hij liet zijn zweep krullen en klappen boven de gele ruggen van zijn huskies.

De Vervolging.

Howland liep achter de slee en Croisset rechts van het span. Een paar maal als hij omkeek, ontmoette zijn blik dien van den ingenieur. Hij klapte dan met de zweep en lachte en Howland's tanden glinsterden koud terug. Die blikken verrieden genoegzaam, dat zij elkaar begrepen. Door een plotselinge spurt zou de half-ras gemakkelijk een grooten afstand tusschen hen kunnen brengen, maar de kogels van zijn tegenpartij zouden dien kunnen dekken. Howland had zijn ziel opgemaakt om vastberaden en met algeheele toewijding te vuren, zoodra Croisset maar de minste poging waagde om te ontsnappen. Werd hij gedwongen om hem te dooden of ernstig te wonden, dan wilde hij toch alleen de reis voortzetten met de honden; het spoor van Meleese en Jackpine moest toch even duidelijk zijn als dat, waarlangs zij nu—voorloopig weer in zuidelijke richting—terugtrokken.

Voor de tweede maal sinds hij naar het Noorden was gekomen, voelde Howland zijn bloed door de aderen bruisen, als op den eersten avond in Prince Albert, toen hij op den berg het gehuil van den eenzamen wolf had gehoord en later door het raam van het hotel het mooie gelaat had gezien. Hij was een van die weinige menschen, die een onbeperkt geloof in zichzelf bezitten, die tot op zekere hoogte trotsch zijn op hun physieke, zoowel als op hun verstandelijke vermogens—en ook nu was hij vol zelfvertrouwen. Zijn succes in de worsteling met de hinderpalen van een groote stad had dit vertrouwentot een onafscheidelijk deel van zijn persoon gemaakt. Het was dit vertrouwen, dat zijn wangen deed kleuren van opgewekte geestdrift, terwijl hij achter de honden aanliep. Jean Croisset leek het een raadsel.

„Mon Dieu, ik moet bekennen, dat ge een flinke vent zijt,” riep de half-ras, toen hij de honden stapvoets liet gaan na eenigen tijd gedraafd te hebben. „Bij alle Heiligen, ge lacht en ik verzeker u, dat het allerminst lachwekkend is.”

„Spreekt het dan niet van zelf, dat een man schik heeft, wanneer hij op weg is naar zijn eigen bruiloft, Jean?” hijgde Howland, terwijl hij een oogenblik stond uit te blazen.

„Maar hij heeft geen schik, wanneer hij op weg is naar zijn eigen begrafenis, M'sieur.”

„Als ik een van je gelukzalige Heiligen was, Croisset, dan zou ik een bliksemstraal op je afsturen. Goede God, draag je dan geen hart onder je kleeren, man? We gaan naar een oord, waar zich het mooiste meisje van de wereld bevindt. Ik heb haar lief. Zij heeft mij lief. Waarom zou ik niet gelukkig zijn, nu ik weet, dat ik haar gauw zal weerzien—en haar zal meenemen naar het Zuiden?”

„Duivels!” mompelde Jean.

„Misschien ben je jaloersch, Croisset—” opperde Howland, „great Scott, dààr heb ik nog nooit aan gedacht!”

„Ik heb mijn eigen vrouw, M'sieur en ik heb haar lief; ik zou haar voor niemand ter wereld willen ruilen.”

„Verd.... als ik je begrijp!” vloekte de ingenieur. „Je lijkt maar half menschelijk; je zegt, dat je zelf liefhebt en toch wil je liever je eigen leven wagen dan Meleese en mij voort te helpen. Hoe zit dat toch?”

„Maar, M'sieur—ik help Meleese juist voort! Ik zou haar alleen nog meer dienst hebben gedaan, als ik u daar ginds op het Pad had gedood en uw lichaam, van kleeren beroofd, had laten liggen ten prooi aan de dieren—die het zouden willen verslinden. Ik heb u al dikwijls gezegd, dat uw dood een Godsgericht zal zijn. En sterven zult ge—en gauw ook, M'sieur.”

„Neen, Jean, ik ga niet sterven. Ik ga naar Meleese en zij trekt met mij naar het Zuiden. En als je heel lief bent, dan mag jij ons terugbrengen naar de Wekusko, Croisset en dan word je bruidsjonker bij mijn huwelijk. Wat zeg je er van?”

„Ik zeg, dat ge gek zijt—of onnoozel!” gaf Jean terug, nijdig met de zweep klappend.

Kort daarna verlieten de honden op eens het spoor naar het Zuiden om zich noordwestelijk te richten.

„Op die wijze sparen we een dagreis uit,” zei Croisset in antwoord op een achterdochtige vraag van zijn metgezel. „We zullen het andere spoor op een twintig mijl westelijk van hier ontmoeten—en als wij teruggingen tot aan het punt waar zij afsloegen, dan zouden wij zestig mijl moeten afleggen om diezelfde plek te bereiken. De eene kans ten honderd, die gij hebt, M'sieur, hangt daarvan af. Als de andere slee al voorbij is—”

Hij haalde de schouders op en zette de honden aan.

„Zeg eens,” riep Howland, die nu naast hem liep,—„wie zijn er in die andere slee?”

„De mannen, die op het Pad en in de coyote beproefden om u te dooden, M'sieur,” antwoordde Jean snel.

Howland viel een pas of wat terug. Na een uur zag hij zich verplicht om telkens even uit te rusten door op de slee te gaan zitten—wat hun voortgang vertraagde. Jean luisterde niet langer naar zijn vragen. De half-ras liep knorrig rechts van den voorsten hond en Howland zag, dat hij, om welke reden dan ook, evenzeer verlangend was om vooruit te komen als de ingenieur zelf. Diens ongeduld groeide aan naarmate de uren voorbijsnelden. Jean's verzekering, dat de geheimzinnige vijanden, die hem tot tweemaal toe naar het leven hadden gestaan, zich op betrekkelijk korten afstand achter hen bevonden, vervulde hem opnieuw met allerlei wanhopige plannen. Hij voelde, dat die mannen van de Wekusko zijn voornaamste vijanden waren; had hij hen afgeschud en behield hij Croisset in zijn macht,dan zou de strijd dien hij daar ginds ging voeren, al half gewonnen zijn. Daar toch zou Meleese de eenige zijn, die hem kende.

Zijn hart was vol hoop en vol blijdschap en hij boog zich voorover in de slee om het geweer van Croisset na te kijken, dat niet geladen was. Het was een repetitie-geweer en de half-ras, die over de hoofden van zijn dravende huskies heen, af en toe naar den ingenieur gluurde, zag dat deze glimlachte. Howland begon nu weer meer te loopen en zelfs over langere afstanden. Met elke mijl, die werd afgelegd, stond zijn besluit om een beslissenden strijd uit te lokken, nog vaster. Bereikten zij het spoor van Meleese en Jackpine nog eer de tweede slede daar was gepasseerd, dan wilde hij zich verdekt opstellen en zijn vijanden afwachten; waren die hem vóór geweest, dan zou hij trachten hen in te halen en hen 's nachts in hun kamp overvallen; hoe ook, het voordeel zou altijd aan zijn kant zijn.

Met dezelfde attentie voor onderdeelen, die hij bij het ontwerpen van een brug of van een tunnel aan den dag legde, maakte hij nu in zijn geest het schema op voor een volledig plan van aanval met al de daaraan verbonden eventualiteiten. Er zouden waarschijnlijk twee mannen op die slee zijn en misschien wel drie. Gaven zij—uit angst voor zijn geweer—zich zonder vechten over, dan zou hij Jean dwingen om hen met hondenstrengen te knevelen, terwijl hij zelf het heele troepje onder schot hield. Spartelden de vijanden tegen, dan zou hij vuren. Met het repetitie-geweer kon hij er minstens drie à vier dooden of verwonden, nog vóór zij de wapens van de slee hadden gegrepen. De toestand was nu zóó gespannen, dat hij ten eenenmale vergat in hoeverre de belangen van Meleese met dit alles gemoeid konden zijn.

Al voortgaande in noord-westelijke richting, merkte Howland op, dat het dichte woud langzamerhand overging in breede uitgestrektheden van lage naaldboomen en dat de talrijke rotspartijen en dichtbegroeide moerassen, die eerst hun voortgang hadden bemoeilijkt, nu minder vaak voorkwamen. Een uur vóór den middag nog wees Croisset, nadat zij met veel moeite een bevrozen bergtop haddenbeklommen, hem op een groote, effen vlakte, die zich tusschen hen en den eerstvolgenden heuvelrug, vèr in het Noorden, uitstrekte.

„Dit is een stukje van het woeste land, dat langs gindsche bergen naar beneden is gekropen, M'sieur,” zei hij. „Ziet ge, dat donkere woud, dat tegen de sneeuw op een verkoold stuk hout gelijkt? Dat is de pas, die naar het land van de Athabasca leidt. Ergens tusschen hier en daar moeten we het spoor tegenkomen. Ik had half en half verwacht, dat wij hen hier op de vlakte zouden zien.”

„Wie? Meleese en Jackpine, of—”

„Neen, de anderen, M'sieur.—Zullen we hier den maaltijd gebruiken?”

„We rusten niet vóór en aleer we het spoor hebben,” antwoordde Howland. „Ik ben zoo benieuwd om te weten te komen, welke die eene kans ten honderd is, Croisset, waar je mij hoop op hebt gegeven. Als zij voorbij zijn—”

„Als zij voorbij zijn, zoudt ge evengoed daarginds kunnen gaan staan en mij vragen om u een kogel door het hoofd te jagen, M'sieur.”

Jean ging naar de honden en leidde die langs de ruwe helling naar omlaag, terwijl Howland de toboggan tegenhield. Drie kwartier slingerden zij zwijgend tusschen de struiken door over de vlakte. Van elken sneeuwheuvel af verkende Jean de witte wildernis om hen heen en telkens keerde hij—als er geen menschelijk wezen te bespeuren viel—bij den ingenieur terug niet een weinig goeds voorspellend schouderophalen. Eens ontlokten een stuk of drie kariboe's, op misschien een mijl afstands, hem een snellen uitroep; Howland zag hoe een plotselinge blos zich op het donkere gelaat afteekende, onmiddellijk gevolgd door een blik van teleurstelling. Van dit oogenblik af hield hij zijn metgezel nog meer in het vizier. Zij hadden nog niet de helft van den afstand afgelegd, die hen van de kariboe's scheidde, toen Croisset—op een open ruimte gekomen, waar geen enkel sprietje groeide—plotseling luid zijn stem verhief en het span stilstond.

„Wat denkt ge van dàt, M'sieur—wat denkt ge van dàt?” riep hij, op de sneeuw wijzend.

Op den zoom van de open plek was de dikke ijskorst hier en daar gebroken; het leek alsof de boomen van een slee er over heen waren gegaan. Gedurende één seconde vergat Howland om voorzichtig te zijn; volijverig boog hij zich, met den rug naar zijn metgezel gekeerd, voorover om de sporen te onderzoeken. Toen hij weer opkeek, zag hij een wonderlijke, lachende uitdrukking in Jean's blik.

„Dieu!wat zijt ge onvoorzichtig, M'sieur!” riep de half-ras. „Pas toch op! Breng me niet in verzoeking!”

„Voor den duivel! je hebt gelijk!” zei Howland, snel terugwijkend. „Dank je, Jean. Als het niet was om het moreele effect, dan zou ik je de hand willen drukken. Hoe ver denk je, dat ze ons vóór zijn?”

Croisset lag nog op zijn knieën bij het spoor.

„De ijskorst is hier versch gebroken,” zei hij na een oogenblik. „Zij kunnen ons niet meer dan twee of drie uur vóór zijn—misschien sedert vanmorgen.—En zie nu eens naar dit witte, glinsterende laagje op het eerste spoor, M'sieur, met wel een millioen scherp opstaande naaldpunten. Dat moet het werk zijn van drie of vier dagen vorst. Zóó lang is het dus al geleden sedert de eerste slee—die van Meleese en Jackpine—hier voorbij trok.”

Howland keerde zich om en greep naar zijn geweer. De half-ras keek aandachtig toe, toen hij het met een aantal patronen laadde.

„Als er nog koude spijs in het pak zit, haal die er dan uit,” beval de ingenieur. „We zullen onder het loopen ons maal gebruiken—tenminste, als je wat hebt, dat zich daartoe leent. Heb je dat niet, dan zullen we honger lijden. We moeten die laatste slee vanmiddag of vanavond inhalen of—we zijn geschochten!”

„Bij alle Heiligen, M'sieur—dan zijn we geschochten!” hijgde Jean. „En als wij het niet zijn, dan toch in elk geval de honden. Neen—het is niet mogelijk!”

„Is er wat te eten?”

„Een stuk koud vleesch, dat is alles. Maar ik herhaal, dat het onmogelijk is. Die slee—”

Met een gebaar van ongeduld viel Howland hem in de rede.

„En ik zeg, dat je dat eten te voorschijn moet halen—en gauw ook, Croisset! We zullen die kostelijke vrienden van je inhalen en ik waarschuw je, dat het zal spannen, als je een poging doet om tijd te verliezen. Snap je?”

Jean had zich al gebogen om het pak, dat op de slee lag, open te maken; er kwam een nijdig licht in zijn oogen bij het dreigement van den ingenieur. Een oogenblik was het alsof hij ging spreken, maar hij hield zich in en reikte Howland de grootste helft van het vleesch. Daarop nam hij zijn oude plaats weer in naast de honden. In het eerstvolgende uur keek hij maar een- of tweemaal om en na elk van die keeren verdubbelde hij zijn pogingen om de huskies tot meerderen spoed aan te zetten. Intusschen—nog hadden zij den rand niet bereikt van het lage, zwarte pijnwoud, dat Jean hem van de overzijde van de vlakte had gewezen, of Howland zag al, dat hun span het niet langer volhield. De voorste hond hinkte en af en toe legden al de dieren zich om eerst weer voort te gaan, wanneer Croisset de lange zweep liet klappen. Daarbij merkte de ingenieur, dat ook hij zelf niet langer bij machte was om Jean en de honden bij te houden en verzwaarde hij de slee door zijn gewicht, dan sleepten de huskies nog meer.

Zoo trokken zij tot diep in het lage woud en nu liep Jean—klaarblijkelijk de uitputting van mensch en dier vergetend—vóór het span uit, aldoor den blik gevestigd op het ijle spoor vóór hen. Het kon wel niet anders of Howland moest merken, dat de noodelooze bedreiging een uur of wat geleden tegen den half-ras geuit, dezen nog hinderde en herhaaldelijk deed hij van zijn kant een poging om de stilte te verbreken. Maar Jean bleef, in nijdig zwijgen gehuld, voortloopen, alleen antwoordend op rechtstreeksche vragen. Ten laatste sprong de ingenieur van de slee en voegde hij zich weer bij zijn metgezel.

„Hou in, Jean!” riep hij. „Ik heb er genoeg van. Jij hadt gelijk en ik vraag je nederig om excuus. Wij zijn geschochten—dat wilzeggen—de honden en ik, we zijn geschochten en we kunnen het eigenlijk wel opgeven, totdat we wat te eten hebben gehad. Wat zeg jij?”

„Ik zeg, dat ge juist bijtijds hebt stilgehouden, M'sieur,” antwoordde Croisset gedwee. „Nog een half uur en we zouden uit het bosch zijn en juist daarvóór, op den rand van de vlakte, bevinden zich de menschen, die gij zoekt—Meleese en haar vrienden. Ik had u dat daarginds al willen vertellen, maar ge liet me niet uitspreken.Mon Dieu, als het niet was om Meleese, dan zou ik u laten voorttrekken. En dan—wat zou er dan wel geschieden, M'sieur, wanneer ge zoo op klaarlichten dag bij hen aankwaamt?—Luister!”

Waarschuwend hief Jean de hand op. Heel flauw drong het vèr verwijderde geblaf van een hond tot hen door.

„Dat is een van onze Mackenzie's,” ging hij zacht voort met geheimen triomf in zijn stem. „En nu, M'sieur, welke zijn uw verdere plannen, nu ik u eenmaal tot hier gebracht heb? Zullen we doorgaan en zien om het middagmaal te gebruiken bij de lui, die u willen dooden, of wenscht ge hier een uur of wat te wachten? Wat zal het zijn?”

Eén seconde bleef Howland roerloos staan, als was hij onder den indruk van Jean's woorden. Maar hij herstelde zich snel. Zijn oogen schitterden met metaalachtigen gloed, toen zij de bedekte uitdaging van Croisset's koelen glimlach opvingen.

„Als ik je niet had tegengehouden, zouden we dan voortgegaan zijn?” vroeg hij kortaf.

„Zeker, M'sieur,” gaf Croisset, altijd nog glimlachend, ten antwoord. „Ge hadt immers gezegd, dat ik geen tijd mocht verliezen en dat het zou spannen als ik dat wèl deed!”

Met een snelle beweging trok Howland zijn revolver en richtte die op het hart van den half-ras.

„Als je ooit tot je Heiligen hebt gebeden, Jean Croisset, doe het dan nu. Ik maak een eind aan je leven!” riep hij woest.

Een Lichtstraal.

In minder dan geen tijd werd het gelaat van Jean Croisset tot een masker van wat het was geweest. De uitdagende glimlach verdween van zijn lippen en een vale bleekheid spreidde zich over zijn gelaat, toen hij merkte, dat Howland's vinger zich kromde om den trekker van zijn revolver. Een seconde later liet die een doffen klik hooren.

„Vervloekt! Een leege patroon!” riep Howland. „Ik verzuimde om opnieuw te laden na de drie schoten op den kroes. Maar nu komt het, Jean!”

En met opzet liet hij de tweede leege patroon klikken.

„Groote God!” hijgde Jean—„M'sieur!”

Daar klonk opnieuw, diep uit het woud, het geblaf van den Mackenzie. Dezen keer leek het veel dichter bij en een oogenblik liet Howland's blik af van het verschrikte gelaat van den half-ras. Hij wendde het hoofd om en luisterde.

„Zij komen!” riep Croisset. „M'sieur, ik bezweer u—”

Weer mikte Howland op zijn hart.

„Des te noodzakelijker is het voor mij om je te dooden,” zei hij met ijzige kalmte. „Ik waarschuwde je, dat ik je zou doodschieten, als je me in een val liet loopen, Croisset. Onze honden zijn op. Als er menschen langs dit pad komen, is de eenige uitweg: vechten!—Luister!”

Dezen keer klonk van veel dichter bij, eerst het geroep van éénman en daarna dat van meerdere personen; de huskies hieven zich op en hieven mede een schel geblaf aan. Howland, eerst rood van agitatie, was doodsbleek geworden, nog bleeker dan Croisset. Maar het was allerminst de bleekheid van den angst. Zijn oogen flikkerden als blauw staal, waar de zon op schijnt.

„Onze eenige kans bestaat in vechten,” herhaalde hij nog kalmer dan te voren. „Een paar mijlen eerder had alles nog kunnen gebeuren, zooals ik het uitdacht. Maar hier—”

„Zij zullen het schieten hooren!” riep Jean. „De nederzetting is op een geweerschot afstands van het woud en er zijn er daar genoeg, die wenschen te zien, wat er gaande is. Gauw, M'sieur, volg mij. Misschien zijn het maar pelsjagers, die naar hun vallen gaan. En—alles in aanmerking genomen—”

„Welnu?” vroeg Howland.

„Kunt ge mij een beetje later ook nog wel doodschieten,” meende Croisset met een flauwe herinnering aan zijn oude driestheid. „Maar,Mon Dieu, ik ben bang voor het geluid van een schot, M'sieur; en ik zal mijn best doen om u nog te redden. Wilt ge me een kans geven—of blijft ge bij uw plan om mij dood te schieten?”

„Ik zal je doodschieten, als het je niet gelukt om mij te redden,” antwoordde de ingenieur.

Nauwelijks waren die woorden over zijn lippen of Croisset sprong op de honden af, pakte den voorsten bij zijn halsband en sleurde span en slee door de struiken, ter zijde van het Pad. Een pas of twaalf verder ging het dichte kreupelhout over in enkele lage, schrale heesters; hier zette Jean het op een kalm drafje, met Howland op korten afstand achter zich, terwijl de huskies met menschelijke slimheid de moeilijke draaien volgden van het spoor, dat de half-ras hun aanwees. Zij waren een driehonderd yards gevorderd, toen er voor den derden keer een luid geroep tot hen doordrong. Met een scherp hup! hup! en een zweepslag hield Jean de honden in.

„De Heilige Moeder Gods zij geprezen!—wat een bof!” riep hij. „Zij zijn een ander pad, meer naar het Oosten, ingeslagen, M'sieur.Als zij waren gekomen tot aan de opening in de struiken, waar doorheen wij de slee trokken—” Met een zucht van verlichting haalde hij de schouders op. „Sacrebleu!Zij zouden niet zoo onnoozel zijn geweest van die zonder meer voorbij te gaan!”

Intusschen had Howland zijn revolver geopend en de drie leege patronen vervangen door nieuwe.

„Een volgenden keer zal er geen abuis zijn,” zei hij, het wapen in de gestrekte hand houdend. „Je bent nooit zóó dicht bij je dood geweest, als een minuut of wat geleden, Croisset—en nu moeten we eens een verstandig woord met elkaar praten. Tot op het oogenblik, dat we daar ginds halt maakten, stelde ik een zekere mate van vertrouwen in je. Nu doe ik dat niet meer. Ik beschouw je als mijn ergsten vijand en hoewel je verduiveld dicht bij je vrienden zit, zeg ik je, dat je nooit van je leven in een ber....rder conditie hebt verkeerd dan nu. Schiet ik te kort in mijn onderneming, dan sterf je. Komen er vóór het donker is, anderen langs dit pad, die ons aanvallen, dan schiet ik je dood. Als je het me niet mogelijk maakt om Meleese te zien en te spreken, dan jaag ik een kogel door je heen. Je leven hangt af van mijn slagen; heb ik geen succes, dan is je eindje even zeker als nu het vallen van den avond. Als ik maar het minste vermoeden heb van verraad, zijn je minuten geteld. Wat denk je onder die omstandigheden te doen?”

„Ik ben blij, dat ge van idee zijt veranderd, M'sieur, en ik beloof u, dat ik u niet meer in verzoeking zal brengen. Ik zal op mijn tellen passen en mijn best doen,” zei Jean.

Er begonnen een paar lichte sneeuwvlokken door de toppen van de pijnboomen te vallen en de half-ras hief zijn oogen op naar het smalle streepje van den hemel boven hen. „Binnen een uur sneeuwt het hard,” verzekerde hij. „Als zij vóór dien tijd ons spoor niet ontdekken, M'sieur, dan zijn wij veilig.”

Opnieuw leidde hij den weg door het woud, maar nu langzamer en met meer voorzorg dan te voren; zoo vaak hij over zijnschouder keek, zag hij de doffe schittering van Howland's revolver, die op de holte van zijn rug bleef gericht.

„Duivels!—ge bezorgt me een benauwende gewaarwording, M'sieur,” protesteerde hij. „En de trekker is ook overgehaald—”

„Ja, die is overgehaald,” zei Howland streng. „En die blijft op je rug gericht, Croisset. Als het pistool toevallig afgaat, boort de kogel een gat dwars door je heen!”

Een half uur later hield de half-ras zijn honden in op een plek, waar de dennen tegen een helling opklommen.

„Als ge vertrouwen in me hadt, dan zou ik voor u uit kunnen loopen,” fluisterde Jean. „Deze heuvelkam omgeeft de vlakte, M'sieur en op den top staat een oude hut, die al jaren verlaten is. Het zou een duizendste kans zijn, dat zich daar iemand bevond, hoewel de streek om dezen tijd van het jaar een goed jachtgebied is voor vossen. Van die hut uit zult ge 's avonds het licht in het raam van Meleese kunnen zien.”

Hij wachtte niet op de uitwerking van die laatste woorden, maar begon zijn weg te zoeken tegen de helling op en met de honden op zijn hielen. Op den top gekomen draaide hij tusschen twee hooge met sneeuw bedekte rotsmassa's door en aan de andere zijde daarvan, bijna geheel beschut tegen den Oostenwind, die de sneeuw opdreef, stonden zij op eens voor een kleine hut van houtblokken. Er viel in heel den omtrek geen teeken van leven te bespeuren. Met ongewonen ijver onderzocht Jean de sneeuwlaag en toen hij zag, dat er geen spoor van mensch of dier in de ongerepte ijskorst te bekennen viel, kwam er een blijde glans van verlichting over zijn gelaat.

„Goddank, M'sieur, tot zóó ver heb ik mijn hachje er niet bij ingeschoten,” grinnikte hij. „Ga nu zelf maar eens kijken en zie of Jean geen woord heeft gehouden.”

Een pas of twaalf bracht hen door een dichte haag van struiken naar de andere helling van den heuvel. Jean strekte den arm uit naar de vlakte en toen Howland in die richting keek, maakte eenhevige opwinding zich van hem meester. Daar ginds toch, op minder dan een kwart mijl afstands, rees uit een inzinking in de vlakte en daardoor gedeeltelijk beschut, een complex van blokhuizen op, zwart en verlaten te midden van de witte woestenij. Eén daarvan was een groot gebouw in den trant van het huis van den Rooden Dood en juist terwijl Howland er naar stond te kijken, kwam van achter een der kleinere huizen een span honden met een sleê te voorschijn, die stilhield vóór het groote blokhuis. De bestuurder, die duidelijk te onderscheiden viel, begon tot Howland's verbazing tegen den muur naar boven te klauteren. De ingenieur had namelijk nog niet opgemerkt, dat langs de buitenzijde van het gebouw een trap was aangebracht. Maar tegelijkertijd trok de houding van den half-ras zijn attentie. Croisset boog zich halverwegen uit de struiken en keek, van zijn hand een telescoop makend, mede aandachtig naar de huizen van de nederzetting. Plotseling richtte hij zich tot Howland.

„Kijk, M'sieur,—ziet ge dien man, die daar de trap opgaat?—Ik wil u wel zeggen, dat hij het geweest is, die u op het Pad dien slag op uw hoofd heeft gegeven en dat hij ook behoorde tot hen, die u in de coyote opsloten. Dat is zijn woning hier in de nederzetting en waarschijnlijk gaat hij naar boven om met Meleese te spreken. Als ge een knap schutter waart, zoudt ge van hier uit uw voordeel kunnen doen, M'sieur!”

De gestalte was blijven staan op wat waarschijnlijk een soort van plat was, halverwegen den muur van het gebouw. Het was, of hij een oogenblik de vlakte tot aan den heuvel toe verkende—daarop verdween hij. Howland had geen woord gesproken, maar elke zenuw in hem trilde op vreemde wijze.

„Je zegt, dat Meleese—daar is?” vroeg hij aarzelend. „En hij—wie is hij, Croisset?”

Jean haalde de schouders op, trok zich weer terug in de struiken en liep langzaam naar de oude hut.

„Non, M'sieur, dàt vertel ik u niet!” zei hij. „Ik heb u hiergebracht. Ik heb u de trap gewezen, die naar de kamer voert, waar gij Meleese zult vinden. Ge moogt me tot frikkadellen hakken voor de raven, maar meer zeg ik u niet!”

Weer verscheen het dreigende vuur in Howland's oogen.

„Wees zoo goed om de handen weer op den rug te leggen, Croisset,” beval hij. „Ik zal je compliment beantwoorden door ze te binden met hetzelfde koord, dat je voor mij hebt gebruikt. Daarna—”

„Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean met een greintje van zijn oude vermetelheid, terwijl hij met zijn rug naar den ingenieur gekeerd en met de handen achter zich bleef staan. „Daarna?”

„Zult ge me alles vertellen, wat ik wil weten,” eindigde Howland, het touw om Jean's handen strakker aantrekkend.

Vervolgens leidde hij den weg naar de hut. De deur was gesloten, maar ging gemakkelijk open, toen hij zijn gewicht er tegen legde. Het eenige vertrek werd verlicht door een venster, dat een hoop sneeuw had doorgelaten—en bevatte niets dan een ruwe tafel, tegen een van de houten wanden aangebracht, drie leege kisten, die klaarblijkelijk voor stoelen hadden gediend en een gebarsten en verroeste plaatijzeren kachel, naar allen schijn al lang buiten gebruik. Hij wees Croisset een plaats aan bij de tafel. Daarop ging hij, altijd zonder een woord te spreken, naar buiten, legde den voorsten hond goed vast, sloot bij zijn terugkomst de deur en zette zich ten laatste tegenover den half-ras.

Het licht van het raam viel op Croisset's donker gelaat en scheen met zilveren glans op het handvat van Howland's revolver, waarvan de loop—als toevallig—op één lijn was met de borstkas van zijn overbuur. Er liet zich een dreigende klik hooren, toen de ingenieur den trekker overhaalde.

„En nu, mijn waarde Jean, zijn we gereed om het werkelijke spel aan te vangen,” legde hij uit. „Hier zitten wij hoog en droog—en daar omlaag—juist ver genoeg om buiten het gehoor van deze revolver te zijn, wanneer ik die afschiet—zitten zij tegenwie wij gaan spelen. Tot nu toe heb ik steeds in het duister getast. Ik weet geen enkele reden, waarom ik niet openlijk daarheen zou gaan—waarom ik daar niet welkom zou zijn en waarom ik er niet op een goeden maaltijd onthaald zou worden. En toch ben ik overtuigd, dat mijn leven geen duit waard zou zijn,alsik naar beneden ging. Maar jij kunt me dat alles duidelijk maken en dat is het, wat ik nu van je eisch. Als je me vertelt, waarom ik aangewezen ben om op slag vermoord te worden, dan ben ik in elk geval beter af en dan weet ik, waar mij aan te houden. Vooruit dus—en opgebiecht! Doe je het niet, dan schiet ik je den kop af.”

Jean zat onbeweeglijk met saamgeknepen lippen en opgeheven hoofd—rustig en uitdagend.

„Ge moogt schieten, M'sieur,” zei hij kalm. „Ik heb op het kruis van de Heilige Maagd gezworen, dat ik u niet meer zal vertellen dan ik al deed. Geen foltering zou er mij toe kunnen brengen om u datgene te zeggen, waarnaar gij vraagt.”

Langzaam hief Howland de revolver op.

„Nog eens, Croisset,—wil je het me vertellen?”

„Neen, M'sieur—”

Een oorverdoovende knal deed de hut trillen. Er druppelde een straaltje bloed uit Jean's oorlel. Zijn gelaat was vaal-wit geworden. Maar zelfs nu de kogel hem op een duimbreed afstands van de hersens had geraakt, bleef hij zichzelf gelijk.

„Wil je het me zeggen, Croisset?”

Dezen keer mikte de zwarte loop van de revolver juist tusschen de oogen van den half-ras.

„Non, M'sieur.”

De blikken van beide mannen ontmoetten elkaar boven het blauwe staal. Met een kreet liet Howland het wapen zakken.

„God nog toe—je bent een flinke kerel, Jean Croisset!” riep hij. „Ik ken wel een dozijn lui, die ik liever zou willen doodschieten dan jou!”

Hij stond op en liep naar de deur. Er viel nog niet veel sneeuw, maar naar het Noorden toe werd de horizon zwart door den vroeg vallenden nacht. Met iets zenuwachtigs in stem en houding keerde hij zich opnieuw tot Jean.

„De duivel hale me, als ik geen lust gevoel om je excuus te vragen,” riep hij. „Heb je pijn aan je oor?”

„Niet meer dan wanneer ik me aan een doorn had gekrabd,” antwoordde Jean beleefd. „Gij zijt een goed schutter, M'sieur.”

„Het zou me op het oogenblik niet veel geven of ik je al doodmaakte,” zei Howland, zich weer op de kist zettend met de kin op de palm van zijn hand en zijn overbuur aankijkend. „Maar je ziet uit een en ander, dat ik vrijwel desperaat ben, Croisset en dat het meenens is. We zullen niet langer kibbelen over de vragen, die ik deed. Ik kwam hierheen om Meleese te zien en hoe kan dat gebeuren?”


Back to IndexNext