„Op mijn woord—ik weet het niet!” zei Jean, kalm als was er niet een oogenblik te voren een kogel langs zijn oog gestreken; „voor zoover ik kan nagaan, is er maar één kans, M'sieur; ge moet in deze hut de wacht houden en zien of zij er met haar honden op uitgaat. Zij heeft een eigen span en in gewone tijden rijdt zij daar vaak mee, soms alleen en soms in gezelschap van een van de andere vrouwen van de nederzetting. Maar in de laatste weken heeft zij zooveel gesleed, dat ik betwijfel of zij er vooreerst veel plezier in zal hebben.”
„Ik had eigenlijk plan gemaakt om jou te gebruiken,” zei Howland, „maar mijn vertrouwen in je is weg. Wezenlijk Croisset, ik geloof, dat het jou evenmin ter harte zou gaan om me een mes in den rug te duwen als die moordenaars daar omlaag.”
„Niet in den rug, M'sieur,” glimlachte de half-ras, onbewogen. „Daartoe heb ik vaak genoeg gelegenheid gehad.Non,—sedert ons gevecht van daar ginds, geloof ik niet, dat ik meer behoefte gevoel om u te dooden.”
„Maar ik zou toch gek zijn, als ik je vertrouwde, niet waar?”
„Niet, wanneer ik u mijn woord had gegeven. Dat breken wij menschen van het Noorden nooit; zoo wat gebeurt uitsluitend onder de beschaafde lui aan de Wekusko en verder naar het Zuiden toe.”
„En jelui vermoordt alleen maar bij wijze van tijdverdrijf, niet waar, mijn goede Jean?”
Croisset haalde de schouders op zonder te spreken.
„Luister eens, Jean,” zei Howland op eens heel ernstig; „ik kan de verzoeking bijna niet weerstaan om je een kans te geven. Wil je vanavond nog afdalen naar de nederzetting en zien of je op de een of andere manier toegang kunt krijgen tot Meleese? Wil je haar een boodschap van mij overbrengen?”
„En wat zou die boodschap bevatten?”
„Iets, wat haar vanavond nog hierheen zou brengen.”
„Zijt ge daar zóó zeker van, M'sieur?”
„Ja. Wil je het doen, Jean?”
„Non, M'sieur.”
„De duivel hale je!” riep Howland geërgerd. „Als ik niet zeker wist, dat ik je later noodig zal hebben, dan draaide ik je met plezier den nek om, zooals je daar zit!”
Hij stond op en begaf zich naar de kachel, die, hoe oud ook, nog wel een vuurtje kon verdragen. Het was buiten inmiddels donker geworden en uit de nederzetting zou men den rook niet meer kunnen zien. Zwijgend begon Howland een maaltijd van vleesch en koffie gereed te maken en eerst toen het eten op tafel stond, verbrak hij de stilte.
„Natuurlijk ben ik niet van plan om je te voeren,” zei hij kortaf. „Ik zal je handen bevrijden. Maar pas op je tellen!”
En hij legde zijn revolver naast zich op de tafel.
„Ik zou altijd nog kunnen probeeren om u met mijn vork te dooden,” grinnikte Croisset zacht, terwijl zijn zwarte oogen over een vollen kop met koffie lachten. „Ik drink op uw gezondheid, M'sieur en ik wensch u geluk!”
„Dat lieg je!” beet Howland hem toe.
Jean zette den kop neer zonder te drinken.
„Ik spreek de waarheid, M'sieur,” hield hij vol. „Sedert wij daar ginds samen zoo mooi hebben geworsteld, kan ik niet anders dan u alle goeds toewenschen. Maar ik drink ook op het geluk van Meleese en ook op dat van de mannen, die trachtten u op het Pad en in de coyote te dooden.Mon Dieu, hoe moet dat alles nog terechtkomen? De mannen van de nederzetting zijn gelukkig bij de gedachte, dat gij dood zijt. Gij zelf zijt niet gelukkig vóór en aleer ge hen dood weet. Hoe kan uit dit alles het geluk van Meleese voortkomen?—Ik verzeker u, M'sieur, dat ik er geen greintje minder over tob dan gij. De Heilige Maagd zij mij genadig, als ik lieg!”
Hij dronk en zijn blik werd somber. Maar terzelfder tijd herinnerde Howland zich, dat het Jean was geweest, die op het groote Pad van het Noorden voor hem gevochten had.
„Je hebt dien avond te Prince Albert bijna een van die lui doodgemaakt,” zei hij langzaam. „Ik begrijp niet, waarom je toen vóór mij streedt en waarom je me nu niet wilt helpen. Ben je misschien juist dààrom bang om er heen te gaan?”
„Ik kan er niet heengaan, vóór ik weer in het bezit van een baard ben,” viel Jean hem met een zacht en diep lachje in de rede. „Gij zoudt niet de eenige zijn, die den dood vond, als zij mij zagen zooals ik nu ben. Maar genoeg, M'sieur; meer zeg ik niet.”
„Ik ben wezenlijk niet van zins om het je lastig te maken, Jean,” zei Howland ter zijner verontschuldiging, toen hij de handen van den half-ras weer vastbond, nadat zij hun honger hadden gestild. „Maar als je niet bij je Heiligen of bij wat anders zweert, dat je geen poging zult ondernemen om om hulp te roepen, dan duw ik je dadelijk een prop in den mond. Hoe denk je er over?”
„Ik zal niet schreeuwen, M'sieur. Ik geef u mijn woord.”
Howland bond hem nu ook de beenen met een stuk van hetzelfde touw.
„Ik ga op verkenning uit,” zei hij. „Voor je stem ben ik eigenlijk niet bang—want zet je een keel op, dan zal ik de eerste zijn om je te hooren. Maar had je je beenen vrij, dan zou je kunnen probeeren om er van door te gaan.”
„Zoudt ge niet een deken voor me op den grond willen leggen, M'sieur? Als ge wat lang wegblijft, zal die kist op den duur drommels hard en scherp worden.”
Enkele minuten later en nadat hij het zijn gevangene zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, kroop Howland weer tusschen de struiken door tot aan den rand van de helling. De vlakte onder hem ging verloren in het nachtelijk duister. Hij zag niets van de nederzetting behalve twee of drie lichtjes, die zwak in het donker glinsterden. Sterren waren er niet en de zich opéénstapelende sneeuwwolken sloten het noorderlicht uit. Juist toen zijn blik zich naar het Woeste Gebied ten Westen keerde, begonnen de vlokken dichter te vallen en werden de lichtjes zwakker, tot alles ten slotte één ondoordringbare chaos leek.
Het was alsof het Howland in deze oogenblikken eerst recht duidelijk werd, hoezeer een bijna waanzinnig verlangen zich van hem had meester gemaakt. De snel opeenvolgende feiten hadden hem gedwongen om zijn gedachtengang te beperken en dien op één enkel punt te concentreeren—namelijk het opsporen van Meleese en van haar vrienden. Hij had zichzelf herhaaldelijk voorgehouden, dat zijn handelingen vóór alles koel en berekenend moesten zijn—dat niets, zelfs niet zijn groote liefde, hem de zelfbeheersching mocht doen verliezen, die hem tot een uitverkorene onder de menschen had gemaakt. Terwijl hij daar zoo in de sneeuw toefde, die dicht op en om hem neerviel, wist hij, dat zijn spoor binnen enkele uren uitgewischt zou zijn—wist hij, dat hij van hier uit dus voor onbepaalden tijd Meleese zou kunnen bespieden—zij het dan ook van verre. En toch begon hij langzaam de helling af te loopen. Een eindje verder op, daar ginds in het duister, bevond zich het meisje, voor wie hij alles zou willen opofferen, wat hij in zijn leven had veroverd. Met elkeschrede werd zijn verlangen grooter en vermeerderde de drang om nog dichter bij haar te zijn, om over de vlakte te sluipen, om in den sneeuwstorm, die elk geluid dempte, naderbij te komen en het licht opnieuw te zien, dat—zooals Jean hem had verteld—uit haar venster straalde.
Hij zakte den heuvel af en ging de vlakte in, zorg dragend om zijn voeten zóó vast en zóó diep in de sneeuw te planten, dat hij bij zijn terugkeer naar de hut gebruik zou kunnen maken van dit spoor. In den beginne had hij nog te kampen met laag hout. Maar al spoedig werd de ruimte meer open en nu wist hij, dat alleen de nacht en de sneeuw zijn visioen nog verborgen hielden. Nog steeds had hij geen enkele beweegreden, geen bepaald doel voor zijn handelingen.De sneeuw zou vóór den morgen zijn voetstappen uitwisschen. Wat hij deed, kon in elk geval geen kwaad en misschien zou het hem een glimp geven van het licht—vanhaarlicht!
Maar op eens begon zijn hart sneller te kloppen en bleef hij bewegingloos staan. Hij had het blaffen van een hond vernomen en wel van heel dichtbij, terwijl onmiddellijk daarop het heldere licht van een lamp zich door den nevel boorde. In minder dan geen tijd begreep hij wat er was gebeurd. In den chaos vóór hem was als het ware een gordijn opgetrokken. Hij stond nagenoeg onder de muren van de nederzetting en het licht, dat hij waarnam, kwam van omhoog, uit een venster boven aan de trap!
Een oogenblik bleef hij zoo staan, luisterend en uitkijkend. Er vertoonde zich geen ander licht. De hond liet zich niet meer hooren. Om hem heen viel de sneeuw, dicht en stil—en dat gaf een zeker gevoel van veiligheid. De scherpste oogen konden hem niet zien, de scherpste ooren konden hem niet hooren. Hij worstelde weer voort tot er vlak vóór hem uit de duisternis een dichte, zwarte massa oprees, nog donkerder dan de nacht zelf. Het eenige verlichte raam was nu duidelijk zichtbaar, de gordijnen waren voor twee derden weggetrokken en toen hij opkeek, zag hij er een schaduw langs heenglijden. Was het de schaduw van een vrouwengestalte? Het raamwerd donkerder, toen zij die daar binnen toefde, er dicht bij kwam en Howland stond met saamgeknepen vuisten en wild bonzend hart bijna gereed om zacht een naam te roepen. Nog een beetje dichter bij—één schrede maar—en hij zou weten! Hij zou een patroon uit zijn gordel kunnen nemen en die, in een sneeuwbal gewikkeld, tegen het raam kunnen werpen om attentie te trekken en dan—?
De schaduw verdween. Flauw teekende de met sneeuw bedekte trap zich af. Howland sloop er heen. Het licht kwam uit een raam een voet of tien boven hem. Hij zag om zich heen in de duisternis, waaruit hij gekomen was. Niets—niets dan de sneeuwstorm. Snel kroop hij de trap op.
In het Slaapvertrek.
Toen Howland het plat had bereikt, waar de trap op uitliep, bleef hij even, tegen den zwarten muur gedrukt, staan. Zijn tastende hand vond een deurstijl en van schrik hield hij den adem in, toen een ijzeren klink onder zijn aanraking rammelde. Hij waagde zich een schrede of wat verder en kwam nu tot bij het raam; hij liet zich op zijn knieën in de sneeuw zakken en kreeg op die wijze een overzicht van bijna de heele kamer. Tegenover zich had hij een matig verlichten wand, bij het raam stond een kleine tafel vol boeken en tijdschriften en daarnaast een chaise longue bedekt met een groote witte berenhuid. Boven de tafel, buiten zijn gezichtskring hing de lamp. Hij schoof zich nog een duim of wat verder door de sneeuw en rekte zich uit, totdat hij het voeteneinde zag van een wit bed. Nog een handbreed en hij lag doodstil, het witte gelaat letterlijk tegen de ruiten gedrukt.
Op het bed met het gelaat naar zijn zijde gekeerd, zat Meleese. Haar kin rustte op de palm van haar hand; een peignoir hing haar los om de leden en hij merkte op, dat het mooie haar in glinsterende golven om haar heen hing, als had zij het juist voor den nacht geborsteld. Elke lichte beweging, elke kleine verandering in de richting van haar blik zou maken, dat zij hem zag. Hij voelde zich ten prooi aan een alles overheerschenden drang om zijn gelaat nog dichter tegen het raam te drukken, om daar tegen te kloppen, omhaar blik tot zich te trekken, maar toen hij de hand ophief om aan die begeerte te voldoen, was er iets, dat hem weerhield. Langzaam toch beurde het meisje het hoofd op en een volgende impulsie deed hem terugwijken tot zijn gestalte zich opnieuw oploste in het geheimzinnige sneeuwwaas. Hij zag nog hoe zij—zich van hem afwendend—haar lokkenpracht naar achteren wierp om zich in die wolk van goud en koper te verliezen; hij bleef haar van verre aanstaren, half angstig en half weifelend, terwijl zij de haarmassa in drieën deelde om er één zware, glanzige vlecht van te maken.
Opnieuw gleed zijn blik rond. Zij was alleen in de kamer. Hij zag een deur en hij begreep, dat die naar een ander vertrek moest leiden, dat mede bereikt kon worden door de deur op het plat achter hem. Met de zakelijkheid hem eigen trok hij dadelijk een conclusie. Dit was de woning van Meleese; die woning stond geheel op zichzelf in de nederzetting—en het jonge meisje was bezig met haar toebereidselen voor den nacht. Was die buitendeur niet gesloten, dan kon hij binnengaan en wie zou hen storen? Het was al laat. Alle menschen sliepen. Er was geen ander licht dan dat van het raam, waardoor hij staarde.
Nauwelijks kwam het idee bij hem op, of hij stond al bij de deur. De klink klikte zacht onder zijn vingers. Voorzichtig deed hij open en schoof hij hoofd en schouders naar binnen. Er kwam hem een kille, vochtige atmosfeer tegemoet. Hij stak een arm uit naar rechts en zijn hand stuitte op een ruwen muur; hij deed nog een stap voorwaarts en reikte naar links—en ook daar een muur. Hij bevond zich dus klaarblijkelijk in een nauwe gang. Vóór zich uit zag hij onder de deur, die naar de kamer van Meleese leidde, een dunnen lichtstraal. Zichzelf moed insprekend voor den laatsten worp, ging hij daar resoluut op af, klopte even aan als om te waarschuwen en trad vervolgens binnen. Meleese was weg! Nauwelijks zijn oogen geloovend, sloot hij de deur achter zich dicht en tegelijkertijd ontdekte hij, heel aan het eind van de kamer, een gordijn, dat zacht heen en weer ging, als bewoog zich iemand aan de andere zijde daarvan.
„Meleese!” riep hij zacht.
Doodsbleek en druipnat van sneeuw, met een gelaat waaruit al het bloed scheen weggevloeid, ten gevolge van de hevige aandoening, stond hij met half uitgestrekte armen midden in het vertrek, toen het gordijn op zij werd geschoven en het jonge meisje te voorschijn trad. Eerst herkende zij hem niet in zijn spookachtig besneeuwde kleedij. Maar vóór er nog een angstkreet over haar lippen kon komen, verving een blos de doodelijke bleekheid van haar gelaat. Gedurende enkele oogenblikken zwegen beiden, gescheiden als zij daar stonden door de breedte van het vertrek—Howland met smeekend gebaar de armen opheffend naar het jonge meisje—Meleese met de handen tegen den boezem gedrukt, zacht snikkend met niet meer geluid dan het zachte geklapwiek van een jongen vogel.
En toen Howland door de kamer op haar toeschreed, had ook hij geen woorden; hij vergat alles wat hij had willen zeggen om haar alleen naar zich toe te trekken en haar hoofdje tegen zijn borst te leggen; zeker als hij was, dat niets haar op meer welsprekende wijze zou kunnen overtuigen van zijn liefde, dan het hevige kloppen van zijn hart en zijn hartstochtelijk drukken van zijn eigen gelaat tegen het hare.
Ten laatste werd de stilte verbroken door een korten, half gesmoorden kreet, terwijl het gelaat, dat zich plotseling tot hem keerde en dat nu door angst beroofd was van zijn blos, slechts getuigde van een vrees, die vooralsnog geen uiting vond in woorden. Hij voelde hoe de armen zich trachtten te bevrijden en hij las in den starenden, vragenden blik, dat zijn tegenwoordigheid haar angst aanjoeg. Die omkeer was hem niet onwelkom. Hij had dien schrik en dien tweestrijd verwacht en hij riep al zijn krachten bijeen voor wat komen zou. Hij opende zijn armen en Meleese gleed er uit, haar handen nog steeds geklemd tegen de los neerhangende draperie van haar kleed.
„Ik ben gekomen om je te halen, Meleese,” zei hij, als was zijn komst niet onverwacht. „Jean is mijn gevangene; ik dwong hem om mij naar de hut op den heuvel te brengen en daar wacht hij mij met dehonden. We vertrekken nog dezen nacht—nu dadelijk!” Plotseling sprong hij naar haar toe en werd zijn stem één luide, smeekende bede. „Groote God, zie je dan niet hoe lief ik je heb?” ging hij voort, haar wit gelaat tusschen zijn beide handen nemend. „Begrijp je het niet, Meleese?—Jean en ik, we hebben gevochten—hij ligt aan handen en voeten gebonden in gindsche hut—en ik wacht alleen maar op jou—op jou—” En hij drukte haar lief gelaat zoo vast tegen het zijne, dat hij den bevenden adem op haar lippen voelde. „Ik ben gekomen om je te halen—en ik zal om je vechten, als je niet meegaat,” fluisterde hij, vastbesloten.
„Ik weet niet, waarom je vrienden mij voortdurend naar het leven staan—ik weet niet waarom zij mij willen dooden en het kan mij nu ook niet meer schelen waarom. Maar jou wil ik hebben. Ik heb van het oogenblik af, dat ik je voor het eerst door het raam van het hotel zag, elke minuut, elk uur naar je verlangd en ik zal je niet opgeven, zoolang ik leef. Als je niet mee wilt gaan, als je niet nu—vannacht nog—met me wilt wegtrekken—” hij hield haar vast tegen zich aangeklemd en zijn stem beefde in haar lokken—„dan blijf ik hier—bij je!”
Die laatste woorden, door hem op beslisten toon geuit, sloten meer in zich, dan al wat hij te voren had gezegd en ontlokten Meleese, die zich nu weer meer van hem verwijderde, een luiden kreet van protest.
„Neen, neen, neen!” hijgde zij, terwijl haar handen zijn arm vastgrepen. „Je moet weggaan—dadelijk—nu—” Zij drong hem naar de deur en toen hij, een schrede terugwijkend, haar in het gelaat keek, zag hij hoe zij sidderde en hoorde hij opnieuw haar onrustige ademhaling. „Ze zullen je vermoorden, wanneer ze je hier vinden!” riep zij. „Zij denken, dat je dood bent, dat je door het ijs gezakt en verongelukt bent. Als je me niet gelooft, als je niet aannemen kunt, dat ik nooit met jekanmeegaan, zeg dan aan Jean—”
Het was of de woorden haar verstikten en zij deed een vergeefsche poging om voort te gaan.
„Zeg dan aan Jean—wat?” vroeg hij zacht.
„Wil je dan weggaan?” riep zij snikkend, maar dringend alsof hij haar al begreep. „Wil je weggaan als Jean je alles vertelt van mij—van—”
„Neen!” viel hij haar kortaf in de rede.
„Als je alles maar wist, dan zou je heengaan—dan zou je me nooit meer wenschen te zien. Je zou dan begrijpen—”
„Ik zal nooit begrijpen,” viel hij haar weer in de rede. „Ik verzeker je, dat jij het bent, Meleese, die niet begrijpt. Het kan mij niets schelen, wat Jean te vertellen heeft. Wat er ook gebeurd mag zijn, naar jou zal mijn verlangen altijd uitgaan. Begrijp je dat dan niet? Wat er ook gebeurd is—of nog gebeuren kan, tenzij—”
Hij hield een oogenblik in en keek haar recht in de oogen.
„Tenzij, Meleese,” herhaalde hij daarop bijna fluisterend, „tenzij je daar ginds op het Pad bij de Wekusko gelogen hebt, toen je zei, dat ik geen zonde beging als ik je liefhad.”
„En als ik je nu zeg—als ik nu beken, dat dit wèl het geval is—dat ik daar ginds onwaarheid heb gesproken—wil je dan heengaan?” vroeg zij snel.
Haar oogen vlamden hem tegen met een vreemd licht.
„Neen,” zei hij kalm—„dan zou ik je eenvoudig niet gelooven.”
„Maar het is waar. Ik heb gelogen—ik heb je daar ginds op vreeselijke wijze voorgelogen. Ik heb zelfs nog erger kwaad bedreven—neen, jemoetgaan! Als er iemand kwam en je hier vond—”
„Dan zou er alleen een worsteling plaats vinden,” zei hij streng. „Ik was al op vechten voorbereid, toen ik hierheen kwam.” Hij zweeg en in de stilte, die nu volgde, boog het bruine hoofdje vóór hem zich langzaam en liep er een siddering door haar slanke gestalte. Van Howland's gelaat daarentegen was de bleekheid verdwenen. De stomme overgave, het zachte snikken in haar ademhaling, de bekentenis, die hij las in haar zwijgende smart, dat alles deed zijn hart sneller kloppen; weer sloot hij haar in zijn armen en keerde hij haar gelaat naar het zijne. Nu bood zij geen tegenstand meer—nu smeekte zij hem niet langer om heen te gaan; maar opnieuw las hijin haar oogen de bede, waarmee zij tot hem was gekomen op het Pad aan de Wekusko en opnieuw verried de bevende roode mond dezelfde liefde, denzelfden tweestrijd en dezelfde halve overgave, die zich toen reeds in zijn ziel had gegrift. En uit zijn blik spraken liefde, triomf en een eindeloos vertrouwen; hij drukte haar gelaat nog nauwer tegen het zijne, totdat de lieve mond als een roos gereed lag om zijn kus te ontvangen.
„Ja—eenmaal heb je me iets verteld, dat niet waar was—dat was daar ginds—” fluisterde hij, „en je hebt me toen beloofd, dat je het nooit weer zou doen. Ik weet, dat je geen kwaad hebt bedreven in den zin dien ik bedoel—al tracht je om mij dat te doen gelooven.” Zijn armen sloten zich nu nog vaster om haar heen en in zijn stem klonk wilskracht en vastberadenheid. „Waarom toch wil je me niet alles vertellen?” vroeg hij. „Je denkt, dat ik, als ik geheel op de hoogte van je doen en laten was, nooit zou wenschen om je weer te zien—dat ik dadelijk zou terugkeeren naar het Zuiden. Je hebt dat zelf gezegd. Maar waarom vertel je me dan dat alles niet nu, wanneer je werkelijk wenscht, dat ik wegga? Zijn daar onoverkomelijke bezwaren aan verbonden—welnu, laat het dan rusten en trek nog vannacht met mij mee. We zullen gaan, waarheen je wilt—naar het einde van de wereld—”
Hij zweeg, toen hij de uitdrukking zag, die over haar gelaat was gekomen; als verlamd door een plotselingen schrik hield zij den blik gevestigd op het raam, waartegen de sneeuw tikte. Onwillekeurig volgde zijn oog het hare en nu zag hij het hoofd van een man, die—zich dicht tegen de ruiten drukkend—naar binnen keek. Howland kreeg een vluchtigen indruk van een paar woeste oogen, die hen aanstaarden en van een wilden, zwaren baard, die geheel wit was van sneeuw. Hij herkendedat gelaat. Het was hetzelfde, waarnaar hij had opgekeken, toen, tijdens den overval op het groote Pad naar het Noorden bij Prince Albert, het leven uit hem scheen te wijken en hij las op dat gelaat nog denzelfden haat en dezelfde duivelsche woestheid, die het toenmaals hadden gekenmerkt.
Snel sprong hij ter zijde en richtte hij zijn revolver op de plek, waar hij het had aanschouwd. Maar reeds was het verdwenen; hij zag nu boven den glinsterenden loop van zijn wapen alleen de zacht neervallende sneeuwvlokken, die hem schenen te bespotten, terwijl tegelijkertijd een luid geschreeuw zich liet hooren, gevolgd door een niet minder luid geroep van namen en een woest openstooten van de buitendeur op het plat.
Howland maakte een halve wending en richtte het pistool op de kamerdeur. Maar het jonge meisje was hem vóór en hij had nog maar juist den tijd om zijn wapen met een waarschuwenden kreet hooger te richten. In een oogwenk had zij den grendel voorgeschoven, die de deur aan de binnenzijde afsloot en was zij tot hem teruggekeerd met doodsbleek gelaat en stokkenden adem. Zij sprak geen woord; angstig kreunend greep zij hem bij den arm en trok zij hem mee voorbij het licht en tot achter het gordijn, dat haar had verborgen, toen hij enkele minuten te voren de kamer was binnengekomen. Zij bevonden zich nu in een tweede vertrek, zwak verlicht door het schijnsel van een kolenvuur, dat uit de open deur van een potkachel straalde. Ook hier was een venster, dat uitzag in den donkeren nacht en onstuimig trok zij hem daarheen, haar vingers als in doodsangst, diep in het vleesch van zijn arm drukkend.
„Zie door dit raam weg te komen!” riep zij met gesmoorde stem. „Gauw!—O God, waarom haast je je niet? Wil je dan niet gaan?”
Howland was blijven staan. Uit de duistere gang klonk een hevig gebeuk van zware vuisten op de deur; een toornige stem vroeg om toegang en tegelijkertijd liet zich buiten een luid geroep en een vinnig geblaf hooren.
„Waarom zou ik vluchten?” vroeg hij. „Een minuut geleden zei ik je immers, dat ik was gekomen, bereid om zoo noodig te vechten. Ik blijf, Meleese—en ik zal vechten!”
„Och, ik smeek je, ga—ga toch!” snikte zij, hem dichter naar het raam trekkend. „Je kunt wegkomen onder bedekking van den sneeuwstorm. Die wischt je spoor uit en als je blijft, zullen ze je dooden—dooden—”
„Ik wil liever al vechtende sterven, dan zonder je te vluchten,” viel hij haar in de rede. „Als je wilt—”
Zij drukte zich opnieuw tegen zijn borst.
„Nu niet—ik kan niet—langs dien weg,” snikte zij. „Maar ik zal bij je komen. Ik beloof het je—ik zal je volgen.” Eén oogenblik nam zij zijn gelaat tusschen haar handen. „Wil je gaan, als ik het je beloof?”
„Je zweert, dat je me zult volgen?—dat je naar de Wekusko zult komen?—Bij God, Meleese, spreek je de waarheid?”
„Ja, ja—ik zal komen, als je nu maar weggaat.” Zij maakte zich los en hij hoorde haar bezig bij het raam. „Ik zal komen—ik zal komen—maar niet aan de Wekusko. Dien weg zullen je vijanden inslaan. Trek dadelijk door naar Prince Albert—naar het hotel, waar ik door het raam naar je keek.—Ik kom daar te eeniger tijd—zoo gauw mogelijk—”
Een koude windvlaag streek hem over het gelaat. Hij had het pistool in den holster gestoken en nu opnieuw sloot hij Meleese vast in zijn armen.
„Zul je mijn vrouw worden?” fluisterde hij.
„Ja—als je me nog hebben wilt, wanneer je weet, wie ik ben. Ga nu—om Gods wil, ga—”
Hij wrong zich door het raam; één oogenblik bleef hij nog hangen.
„Als je niet komt—binnen een maand—dan zie je me hier terug!” riep hij.
Nog eenmaal legde zij haar handen op zijn gelaat. Opnieuw—zooals op het Pad bij de Wekusko—voelde hij den zachten druk van haar lippen.
„Ik kom,” fluisterde zij.
Haar handenstietenhem weg en hij moest zich laten vallen in de dikke sneeuw daar omlaag.
Nauwelijks hadden zijn voeten die bereikt, of hij hoorde in zijn onmiddellijke nabijheid het woedende geblaf van een hond, die hem—toen hij onder bedekking van den storm voortsnelde—van heelnabij op de hielen zat. Het was een Mackenzie—een bastaardras, dat zich uit het Zuiden een weg heeft gebaand naar het Noorden en dat de eigenaardigheid heeft van onder het loopen aldoor te blaffen. Tusschen het alarm van den hond en het zich daarbij aansluitende geroep van de mannen verliep nauwelijks een seconde. Aldra werd er van het plat een serie geweerschoten gelost. De kogels floten den vluchteling om het hoofd, terwijl een schorre stem, zich in het geweld mengend, den hond nog aandreef, die nu tot op een sprong genaderd was.
Howland begon te begrijpen, dat de sneeuw en de duisternis hem onder dergelijke omstandigheden van niet veel dienst konden zijn bij zijn strijd om het leven. Die hond vervulde hem met ongekenden angst en het beest zweeg geen oogenblik. Er bleef den vluchteling maar één kans over en die greep hij aan. Langzaam zijn vaart verminderend, trok hij zijn revolver en spande hij den haan om zich vervolgens plotseling om te wenden en te trachten de Nemesis te dooden, die hem op de hielen zat. Tot driemaal toe vuurde hij, snel achtereen, op een beweeglijk punt in den sneeuwnevel en ten laatste verried een jammerlijk gehuil, dat het moordende lood doel had getroffen.
Opnieuw worstelde hij voort met een gesmoorden kreet van woede op de lippen. Nooit nog had het strijdvuur zóó in hem gewoed als in deze oogenblikken. Daar ginds, achter dat raam, zat Meleese, in doodsangst luisterend en voor hem biddend. En het was juist de overtuiging, dat zij zich daar bevond, dat hij haar ten laatste had gewonnen en dat hij om haar bezit streed, die hem vervulde met een aan krankzinnigheid grenzende blijdschap. Niets kon hem nu langer tegenhouden; al dravend laadde hij opnieuw zijn revolver. Maar naarmate hij verder kwam, hield hij een weinig in; in den sneeuwstorm zou men zijn spoor toch maar met den gewonen looppas kunnen volgen.
Aan Jean Croisset, die daarginds op den heuvel, aan handen en voeten gebonden, in een kleine hut lag te wachten, dacht hij niet meer.Toen hij in het laatste moment van zijn samenzijn met Meleese, nog aan het raam hing, vóór hij den sprong waagde, was het in hem omgegaan, dat het eigenlijk dwaas zou zijn om naar den half-ras terug te keeren.
Meleese toch had beloofd om bij hem—Howland—te zullen komen. Hij vertrouwde op die belofte—en dus had hij Jean niet langer noodig. Hij wilde zich alleen verbergen in de wildernis, hij wilde alleen zijn weg zoeken naar het Zuiden; zijn revolver zou hem van voedsel voorzien, zijn kompas en de lucifers in zijn zak moesten de rest doen. Maakte hij geen gebruik van een slee, dan konden zijn vijanden het spoor ook niet volgen en dan zou niemand hem verraden. Nog geen duizend man zouden in staat zijn om hem te vinden, als de sneeuw van dezen nacht eenmaal zijn voetstappen had uitgewischt en mocht de een of ander daar toch in slagen, welnu dan zouden zij maar met hun beiden zijn en dan konden zij het uitvechten.
Een oogenblik bleef hij staan luisteren en keek hij terloops achter zich in de duisternis. Toen hij zich omkeerde om verder te gaan, stond zijn hart stil. Er was—een pas of zes voor hem uit—een schaduw opgerezen uit den nacht en eer hij nog zijn revolver kon opheffen, werd die schaduw verlicht door een vuurstraal. Howland wankelde, zijn vingers lieten het pistool los en toen hij in de sneeuw ineenzakte, hoorde hij boven zich de schorre stem, die den hond had aangezet. Daarop volgden oogenblikken van stilte—een zwarte chaos zonder leven en zonder gedachten—en eindelijk het geluid van naderende menschen, dat zich op zijn beurt oploste in één enkele, kreunende en snikkende stem, die aldoor zijn naam riep—een stem, die tot hem scheen te komen van heel ver weg en waarin hij die van Meleese herkende. Hij trachtte te spreken en zijn armen op te heffen, maar zijn tong was als lood en handen en voeten leken geketend door ijzeren banden.
De stem stierf weg. Het was hem als maakte hij een nacht door zonder spreken en zonder pijn, waarin ten laatste een glimp van den dageraad doorbrak; als gingen er jaren voorbij sedert zijn pogingenom zich te bewegen en zich uit den chaos op te heffen. Maar ten laatste overwon hij; zijn oogen openden zich en hij richtte zich op. Zijn eerste gewaarwording was, dat hij niet langer in de sneeuw lag en dat de storm hem niet meer in het gelaat sloeg. In plaats daarvan voelde hij een vochtige gevangenisatmosfeer. Overal was het zwart—overal behalve op één plek, waar een vurig geel-rood oogje hem aankeek en hem toewenkte. Eerst leek dat oog hem mijlen ver weg. Maar het kwam al nader en nader, totdat hij ten laatste zag, dat het een kaars was, die plechtig als een lijktoorts op een paar meter afstands van hem stond te branden.
Jean's Verhaal.
Het was dit kaarslicht wat Howland tot bewustzijn terugbracht—en tevens tot een gewaarwording van pijn. Hij wist, dat hij niet langer in de sneeuw lag, want toen hij een poging deed om zich op te richten, kwamen zijn vingers in aanraking met vochtige aarde en kreeg hij tegelijkertijd een gewaarwording alsof men hem met een roodgloeiend mes van schedel tot borstkas doorkliefde. Die oogenblikkelijke pijn ontlokte hem een scherpen kreet en vol angst en vrees greep hij met beide handen naar zijn hoofd. Maar het verschijnsel herhaalde zich niet en hij bewaarde een zittende houding. Het was hem als stonden honderden kaarsen daar als even zoovele uitdagende oogen vóór hem te dansen en te schitteren. Het maakte hem duizelig—het bezorgde hem een gevoel van walging, totdat die lichten één voor één verdwenen en alleen het rustige schijnsel van de enkele werkelijke kaars achterbleef.
De vingers van Howland's rechterhand voelden kleverig aan, toen hij die van zijn hoofd wegnam; hij huiverde. De vlam, die in den nacht was uitgesprongen, de luide knal, de stroom van vuur, die zijn hersens scheen te doorboren, dat alles begon beteekenis voor hem te krijgen. Het was dus op het kantje af geweest en er liep hem een rilling over den rug, toen hij probeerde om te gaan staan. Het schot van zijn vijand had hem op zij van het hoofd geraakt. Een duim, een halven duim verder en hij zou niet meer wakker zijn geworden. Evensloot hij de oogen en toen hij die weer opende, was het visioen weg. Hij kon nu om zich heen—zij het dan ook onduidelijk—de zwarte muren van zijn kerker onderscheiden. Het leek hem een eeuw vóór hij op zijn beenen stond en aleer hij de kaars bereikte. Behoedzaam voelde hij zijn weg langs den muur, totdat hij aan een zware, lage en aan den buitenkant gegrendelde deur kwam. Even voorbij die deur vond hij een opening, klaarblijkelijk gehouwen uit de hier en daar verteerde houtblokken. Het was een spleet van een yard lang en nauwelijks wijd genoeg om er een arm doorheen te kunnen steken. Bij het voortzetten van zijn onderzoekingstocht ontmoette hij nog drie soortgelijke openingen; zij deden hem denken aan de spleet onder de zoldering vanLa Maison de la Mort Rouge, waardoor hij naar de besmette hut had gegluurd en maakten de eenige ventilatie uit van zijn gevangenis.
Hij zette de kaars weer op de tafel, ging op den stoel zitten, die daarbij stond en begon zijn zakken één voor één te inspecteeren. Zijn gordel en zijn revolver waren verdwenen. Zijn brieven en zijn papieren eveneens. Zelfs geen lucifer was hem gelaten.
Plotseling hield hij op met zijn onderzoek om te luisteren. Het was alsof hij, heel flauw, het tikken hoorde van zijn horloge. Hij tastte in zijn borstzak. Maar die was leeg. Weer luisterde hij met gespannen aandacht. En dezen keer was hij er zeker van, dat het geluid van omlaag kwam en hij hield de kaars bij den grond, totdat het licht op iets geels viel, dat dicht bij zijn voeten lag. Het was zijn horloge en er naast lag zijn leeren zakportefeuille. Het geld daarin was onaangetast, maar zijn naamkaartjes en een half dozijn brieven waren er uit verdwenen.
Hij keek nu hoe laat het was. De uurwijzer stond op vier. Was het mogelijk, dat hij meer dan zes uur lang bewusteloos had gelegen? Hij had Jean al gauw na het vallen van den avond op den heuveltop achtergelaten—het was niet later dan negen uur geweest, toen hij zich bij Meleese bevond. Zeven uren! Weer bracht hij de hand aan het hoofd. Zijn haar was stijf van geronnen bloed. Ook op zijn wangen op zijn nek zat het en het bovendeel van zijn jas was er mee gedrenkt. Hij moest veel bloed verloren hebben en het bevreemdde hem, dat hij nog leefde; zijn belagers hadden hem in al die uren niet de minste hulp geboden; zij hadden zijn hoofd zelfs niet verbonden.
Meenden zij misschien, dat het schot doel had getroffen—dat hij al dood was, toen zij hem in den kerker wierpen? Of was dit slechts een bewijs te meer van de brute barbaarschheid dergenen, die hem voortdurend naar het leven stonden? Met de krachten keerde ook de strijdlust in hem terug. Als ze hem maar één wapen hadden gelaten—desnoods het kleine zakmes—dan had hij nog een poging kunnen doen om een paar rekeningen te vereffenen. Nu was hij hulpeloos.
Toch school er nog een straal van hoop in de mogelijkheid, dat zij hem dood waanden. Als zij, die hem in de gevangenis hadden geworpen, zich daarvan overtuigd hielden, dan was hij veilig gedurende verscheidene uren. Vóór het helder dag was, zou er niemand komen om zijn lichaam weg te halen—en misschien kwamen zij wel niet voor den volgenden avond, als ze een graf hadden gedolven en hem in het geheim konden wegdragen. Zag hij kans om uit den kerker te ontsnappen, dan zou hij tegen dien tijd goed en wel op weg zijn naar de Wekusko. Hij twijfelde geen oogenblik of Jean zat nog in de hut op den bergtop. Daar waren ook de honden en de slee en de twee geweren, op de plek, waar hij die verstopt had. Het zou een harde dobbel zijn—misschien wel een loopende strijd—maar hij zou overwinnen en na eenigen tijd zou Meleese bij hem komen, daar ginds, ver weg, in het kleine hotel aan de Saskatchewan.
Hij stond op, zijn bloed werd warmer en zijn oogen glinsterden bij het licht van de kaars. De gedachte aan het meisje, zooals zij in den nacht naar buiten en tot hem gekomen was, gaf hem heel zijn oude strijdkracht, heel zijn onoverwinnelijke hoop en heel zijn zelfvertrouwen terug. Zij was hem gevolgd, toen de hond, nadat de eerste schoten waren gevallen, hem blaffend op de hielen zat; zij had naast hem geknield, toen hij bloedend in de sneeuw terneerlag aan devoeten van zijn vijanden. Hij had haar stem gehoord, die hem bij zijn naam riep, hij had de aanraking van haar armen, den angst en de liefde op haar lippen gevoeld, toen zij meende, dat hij stierf. Zij had zich aan hem gegeven en zij zou tot hem komen—zijn sneeuwjonkvrouw—als hij maar kon ontsnappen!
Hij liep naar de deur en drukte er tegen met zijn schouders. Zij was onwrikbaar. Weer stak hij een hand en een arm door de eerste spleet. Het hout, waarmee zijn vingers in aanraking kwamen, was rot van vocht en van ouderdom en hij merkte, dat hij er handen vol van kon wegnemen. Met bijkans dierlijken ijver zette hij zich aan het werk. De zachte vermolmde vezels lieten zich zoo gemakkelijk verwijderen, dat hij stellig zijn vrijheid zou herwinnen lang vóór een van de mannen in de nederzetting wakker werd.
Een geluid deed hem aflaten—een hol kuchje, dat uit de duisternis buiten den kerkermuur kwam. Het werd even later gevolgd door een lichtstraal en snel week Howland terug tot bij de tafel. Hij hoorde hoe de grendel werd weggeschoven en terzelfder tijd bedacht hij of hij niet beter zou hebben gedaan door zijn oude positie op den vloer weer in te nemen. Nu echter was het daarvoor te laat. De deur draaide op haar hengsels en er viel een lichtstraal door de kamer. Eén oogenblik werd Howland er door verblind en het was eerst, toen de drager van de lamp halfweg de tafel was gekomen, dat hij in den bezoeker Jean Croisset herkende. Het gelaat van den half-ras was woest en verwilderd. Zijn oogen glinsterden met een rooden gloed en leken met bloed doorloopen, toen hij den ingenieur aanstaarde.
„Mon Dieu, ik hoopte, dat ik u dood zou vinden!” fluisterde hij met schorre stem.
Hij reikte omhoog om de groote olielamp, die hij droeg aan een haak in de zoldering te hangen en Howland keek met verbazing naar de uitdrukking van zijn gelaat. Jean's groote oogen glinsterden als gloeiende kolen in een doodenmasker. Angst en pijn hadden diepe lijnen in zijn gelaat gegroefd. Zijn handen beefden, toen hij de lamp tot rust bracht. In de enkele uren sinds Howland hem als zijn gevangeneop den heuveltop had achtergelaten, was hij een oud man geworden. Zelfs zijn schouders zakten, toen hij zich van de lamp naar den ingenieur wendde, naar voren op een wijze, die van zwakte en van wanhoop getuigde.
„Ik had gehoopt, dat ik u dood zou vinden, M'sieur,” herhaalde hij met een stem zóó zacht, dat zij buiten de deur niet gehoord kon worden. „Het was daarom, dat ik geen verband om uw wond legde en u geen water gaf, toen zij u aan mijn zorg overlieten. Ik hoopte, dat gij zoudt doodbloeden. Dat zou voor ons beiden gemakkelijker zijn geweest.”
Hij haalde een tweede tabouret onder de tafel uit en zette zich tegenover Howland. De twee mannen staarden elkaar aan over het sputterende restant van de kaars. Vóór de ingenieur nog was bekomen van zijn verbazing over het plotselinge verschijnen van den man, dien hij veilig en wel meende opgesloten te hebben in de oude hut, vielen Croisset's speurende oogen op de massa versplinterd hout bij de ventilatie-opening.
„Te laat, M'sieur,” zei hij veelbeteekenend. „Zij houden daar de wacht. Het is onmogelijk voor u om te ontsnappen.”
„Datzelfde dacht ik van jou,” hernam Howland, zich dwingend om kalm te blijven. „Hoe heb je het geleverd?”
„Al gauw nadat zij u hadden gepakt, M'sieur, kwamen zij naar boven om mij te bevrijden. Ik ben dankbaar, dat ge aan mij dacht, want als ge het hun niet hadt verteld, dan zou ik daar van honger gestorven zijn, als een beest in een val.”
„Dat is het werk geweest van Meleese,” zei Howland. „Ik vertelde het haar.”
Jean liet het hoofd op de handen vallen.
„Ik ben juist bij Meleese geweest,” fluisterde hij zacht. „Zij laat u hartelijk groeten, M'sieur en zij zegt, dat ge alle hoop nog niet moet opgeven. Groote God—als zij maar wist—als zij maar wist, wat er gaat gebeuren! Niemand heeft het haar verteld. Zij wordt gevangen gehouden in haar kamer en na dàt—na wat er daarginds op devlakte gebeurde, toen zij naar buiten kwam en als een krankzinnigevochtom u te redden—zullen zij haar de vrijheid niet teruggeven eer alles voorbij is. Hoe laat is het, M'sieur?”
Howland voelde een klamme siddering over zijn rug gaan, toen hij op zijn horloge keek.
„Halfvijf.”
De half-ras huiverde; zijn vingers sloten en openden zich op zenuwachtige wijze, terwijl hij dichter tot zijn metgezel overboog.
„De Heilige Moeder Gods zij mijn getuige, dat ik tien jaar van mijn leven zou willen missen, als ik u daarmee de vrijheid terug kon geven,” fluisterde hij snel. „Ik zou het dadelijk doen, M'sieur. Ik zou u o zoo graag willen helpen, als ik er maar kans toe zag. Zij houden de wacht in de kamer boven aan de trap en om zes uur—”
Het was of zijn stem stokte en hij kon niet verder gaan.
„Om zes uur—wat dan?” drong Howland aan. „Mijn God, man—waarom kijk je zoo benauwd? Wat zal er om zes uur gebeuren?”
Jean richtte zich op. Er glom een vonk van het oude vuur in zijn blik en zijn stem klonk vast en helder, toen hij weer begon te spreken.
„Ik kan geen tijd vermorsen met meer gepraat, M'sieur,” zei hij bijna barsch. „Zij weten nu, dat ik het was, die voor u vocht—en voor Meleese—op het Groote Pad naar het Noorden. Zij weten nu, dat ik het was, die u aan de Wekusko gered heb. En Meleese kan mij evenmin redden als u en om mijn lot nog te verzwaren, hebben zij mij tot hun boodschapper gemaakt en tot—”
Weer hield hij in, half verstikt door zijn woorden.
„Tot wat?” drong Howland aan, tot hem overbuigend met een gelaat zoo wit als de talk in het kleine schoteltje op de tafel.
„Tot hun beul, M'sieur.”
Met zijn handen vast op de tafel gedrukt, zat Jack Howland stram en stijf als was er een electrische schok door hem heen gegaan.
„Groote God!” hijgde hij.
„Maar eerst zal ik u nog een verhaal doen,” ging Croisset voort, zijn oogen op die van den ingenieur richtend. „Het is niet lang enik bid God, dat ge het moogt opnemen, zooals wij menschen van het Noorden het opnemen. Het begint een zestien jaar geleden.”
„Ik zal mijn best doen om je te begrijpen, Jean,” fluisterde Howland. „Ga maar door.”
„Het is gebeurd in een nederzetting van de Compagnie,” zei Jean, „en het heeft te doen met M'sieur den agent en met zijn vrouw—de witte engel—zooals wij haar noemden.Mon Dieu, wat hadden wij haar lief! Niet met zondige liefde, M'sieur, maar met iets, dat heel nabij komt aan de vereering, die wij de Heilige Maagd toedragen. En onze liefde was maar kinderspel vergeleken bij de liefde van die twee menschen voor elkaar. Zij was mooi, heerlijk mooi—zooals alleen wij vrouwen kennen, daar boven in de sneeuw; zij was even mooi als Meleese, die de jongste is van haar vier kinderen. Onze nederzetting was de gelukkigste van heel het Noorden, M'sieur,” ging Croisset voort na een oogenblik van stilzwijgen—„en dat kwam alleen door die twee menschen, maar vooral door de vrouw. En toen de kleine Meleese geboren werd—zij was het eerste blanke kleintje, dat we ooit hadden gezien—toen werd onze genegenheid voor die twee tot iets wat bijna heiligschennis was tegenover de lieve Moeder Gods. Misschien is het u niet mogelijk om zulk een liefde te begrijpen, M'sieur; ik weet, dat niemanddie begrijpen kan. Zij is iets ongekends in de wereld, die gij de beschaafde noemt—want ik ben daar geweest en ik heb daar rondgekeken. Wij zouden in den dood zijn gegaan voor de kleine Meleese en voor die andere Meleese—haar moeder. Wij zouden onze eigen broers gedood hebben, M'sieur, als zij maar een woord ten nadeele van haar hadden gesproken of de moeder een onreinen blik hadden toegeworpen. Zóó lief hadden wij haar, dezen winter zestien jaar geleden—en zóó lief hebben wij nog altijd haar nagedachtenis.”
„Zij is dus dood?” vroeg Howland, in die angstige oogenblikken vergetend van hoeveel beteekenis het verhaal van Jean voor hem kon zijn.
„Ja, zij is dood, M'sieur; zal ik u vertellen hoe zij stierf?”
Croisset sprong op, zijn oogen schoten vuur, zijn lenige gestalte trilde als die van den wolf, terwijl hij zich voor een oogenblik half over den ingenieur heenboog.
„Zal ik u vertellen, hoe zij stierf, M'sieur?” herhaalde hij, op zijn tabouret terugvallend en de lange armen over de tafel uitstrekkend.
„Het geschiedde zóó—nu zestien jaar geleden, toen de kleine Meleese nog maar vier jaar oud was en de oudste van haar broers nog maar veertien. Dien winter kwam een man uit Chicago met zijn zoon naar het Noorden. Hij had introductiebrieven van den hoofdagent aan de baai en onze agent en zijn vrouw zetten hun huis voor hen open en gaven hun alles wat zij vermochten te geven.
Mon Dieu, die man kwam uit uw heerlijke beschaafde wereld, M'sieur, uit dat land in het Zuiden, waar—zooals zij zeggen—de tempels van Christus op alle vier hoeken staan, maar onzen God en de wetten van ons volk kon hij niet begrijpen! Maanden lang had hij het gezelschap van vrouwen ontbeerd en in deze wildernis was de vrouw van den agent voor hem als een bloesem in een woestijn. Ah, M'sieur, ik doorzie nu hoe zijn bedorven hart alles naar eigen begeerte trachtte te regelen—en hoe hij te kort schoot omdat de glorie van onze vrouwen hier in het hooge Noorden direct van den hemel komt! En doordat hij zich teleurgesteld gevoelde, werd hij razend—razend van den hartstocht, die het ras beheerscht, dat ik te Montreal heb leeren kennen en toen—o groote God, M'sieur, begrijpt gij nog niet, wat er toen gebeurde?”
Croisset hief het hoofd op; zijn gelaat was vertrokken. Met trillende neusvleugels en zwoegende borst staarde hij Howland aan. Maar op diens gezicht las hij alleen belangstelling en de gespannen verwachting van wie slechts half begrijpt. Opnieuw leunde de half-ras over de tafel en deed hij een krachtige poging om zichzelf te beheerschen.
„Het was juist op een tijd, dat de meesten onzer bij de trappers vertoefden—onmiddellijk vóór de groote voorjaarsmarkt, wanneer de bewoners van het woud binnenkomen met hun voorraad huiden,M'sieur. De nederzetting was bijna verlaten. Begrijpt ge het? De vrouw was alleen in huis met de kleine Meleese—en toen wij 's avonds terugkeerden, was zij dood. Ja, M'sieur, zij maakte zelf een eind aan haar leven en in een paar regels schrift, die zij voor haar man achterliet, vertelde zij wat er gebeurd was.
„Het gelukte den misdadiger en diens zoon om te ontsnappen. En o hoe haastten zich de mannen van het woud om die slee te vervolgen! Loopers brachten de tijding tot over de bergen en door de moerassen en honderden van sleden doorzochten de woudpaden om dien duivel en zijn zoon op te sporen. Het was de agent zelf met zijn jongsten zoon, die hen ver weg op het Pad naar Churchill inhaalde. En weet ge wat er toen gebeurde, M'sieur? Dit: terwijl de onverlaat zijn honden aanzette, keerde de zoon zich om; hij vuurde en een van zijn kogels trof den ongelukkigen agent in het hart. Op die wijze verloor de kleine Meleese binnen vier en twintig uur tijds vader en moeder en dat alles door de twee ellendigen, die Satan scheen te hebben uitgezonden om het mooiste en het liefste te vernietigen, wat wij ooit hier in het Noorden hebben gekend. O M'sieur—gij wordt bleek—roept het niet een visioen op voor uw oogen? Hoort ge niet, dat geweerschot? Ziet gij niet—”
„Groote God!” hijgde Howland. Zelfs nu begreep hij niets van wat deze tragedie voor hem beteekende; hij wist alleen, dat hij luisterde naar het vreeselijke, dat de moeder van Meleese was overkomen. Toen Croisset stilhield, verhief de ingenieur zich half van zijn zitplaats; zijn oogen schitterden, zijn bleek gelaat was strak vertrokken, zijn nagels groefden zich in de planken van de tafel, toen hij vroeg: „En wat gebeurde er daarop, Croisset?”
Met den loerenden blik van een wild dier keek de half-ras hem aan.
„Zij ontkwamen, M'sieur,” zei hij zacht.
Met een diepen zucht zonk Howland terug. Maar al spoedig wendde hij zich opnieuw tot Jean, in wiens oogen een sluimerend vuur smeulde, dat overging in hevigen toorn, toen hij enkele secondenlater uit een binnenzak van zijn buis een pakje haalde, in zacht gelooid leer gewikkeld en stevig vastgebonden.
„Dit is wat zij u zenden, M'sieur,” zei hij.„„Geef het hem op het allerlaatst te lezen,” hebben zij mij gezegd.”
Met zijn oogen op het pakje gevestigd en nauwelijks ademhalend, wachtte Howland, terwijl de bruine vingers van Croisset het touwtje losmaakten, dat alles bijeenhield.
„Gij moet eerst voelen, wat dit alles is voor ons menschen van het Noorden, M'sieur,” zei Jean, zijn handen op het pakje leggend, nadat hij het touwtje had weggenomen. „Wij menschen van het hooge Noorden, wij zijn heel anders dan de bewoners van Montreal en van de andere steden. Bij ons is de heele duur van een leven niet te lang om gewijd te worden aan wraak voor een geleden onrecht. Dat is het eergevoel van het Noorden. Sedert ik mijzelf, als kind en half uitgehongerd, naar de nederzetting sleepte, omdat mijn moeder aan de pokken was gestorven, hebben die agent en zijn vrouw mij liefderijk verzorgd en opgevoed. Zoo werd ik als een broer voor Meleese en voor de andere drie. Ik was nog maar vijftien jaar, toen het ontzettende gebeurde.—De jaren gingen voorbij en de drang naar wraak wies in ons, naarmate wij zelf ouder werden, totdat die het hoofddoel vormde van heel ons bestaan; zelfs het onschuldige hart van de kleine Meleese, die wij, toen ze elf jaar was, in Montreal naar school zonden, was er van vervuld. Het was drie jaar later—en zij bevond zich nog daar, toen ik op een van mijn speurtochten bij een nederzetting aan het boveneinde van het Groote Slavenmeer kwam en daar—M'sieur—daar—”
Croisset was opgestaan. Hij stak de lange armen uit, wierp het hoofd terug en hief het gelaat op, vervuld van een hartstocht, die bijna een gebed leek.
„M'sieur, ik dank den grooten God in den hemel boven ons, dat het aan Jean Croisset werd gegeven om een van de ellendigen te ontmoeten, voor wier ontdekking wij ons leven hadden verpand—ik doodde hem!”
Hij stond met half gesloten oogen en het was alsof hij bad. Toen hij weer in zijn stoel terugzonk, was de blik van haat van zijn gelaat verdwenen.
„Het was de vader en ik doodde hem, M'sieur—ik doodde hem, heel langzaam. Ik kneep zijn keel dicht, terwijl ik hem vertelde wat hij gedaan had—om vervolgens het leven bij vleugjes in hem te laten terugkeeren, totdat hij mij had medegedeeld, waar ik zijn zoon—den moordenaar van den vader van Meleese—kon vinden. Eerst daarna schroefde ik hem de keel toe, tot hij dood was. Mijn honden sleurden zijn lijk langs driehonderd mijlen van sneeuw naar onze nederzetting, want ik wilde, dat ook de anderen hem zouden zien en zouden weten, dat hij werkelijk dood was. Dat is nu zes jaar geleden gebeurd, M'sieur.”
Howland was nauwelijks bij machte om adem te halen.
„En de andere—de zoon—” fluisterde hij snel. „Heb je hem gevonden, Croisset? Heb je hem ook gedood?”
„Wat zoudt gij gedaan hebben, M'sieur?”
Howland greep de handen, die nog op het pakje rustten.
„Ik zou hem gedood hebben, Jean,” zei hij langzaam en op vasten toon. „Ik zou hem gedood hebben,” herhaalde hij nog eens.
„Daar ben ik blij om, M'sieur.”
Jean vouwde het leeren zakje open, plooi voor plooi, tot er eindelijk een rolletje papier uit te voorschijn kwam—vuil en geel langs de kanten.
„Deze bladzijden werden genomen uit het dagboek van de nederzetting, waar die vrouw woonde,” zei hij zacht, het papier met de hand glad strijkend. „De agent van een post moet elken dag noteeren wat er gebeurt, net als de zeekapiteins aan boord van hun schepen, zooals ze me wel eens verteld hebben. Dat is al meer dan honderd jaar een wet bij de Compagnie. Wij hebben die bladzijden voor ons behouden, M'sieur. Zij vertellen van wat zestien jaar geleden in onze nederzetting plaats had.”
Al sprekend was de half-ras tot dicht bij Howland genaderd enhij streek nu vóór hem op de tafel nog eens de eerste bladzijde glad, daarbij met zijn bruinen vinger op de beginregels wijzend.
„Zij kwamen op dezen dag,” zei hij met zijn mond bijna tegen het oor van den ingenieur. „En hier zijn hun namen, M'sieur—de namen van die twee duivels, die het paradijs verwoestten, dat onze Lieve Vrouwe ons jaren geleden geschonken had.”
In een oogwenk las Howland de weinige regels. Het was of het bloed hem in de aderen stolde en of zijn hart stilstond. Want dit waren de woorden: „Op den dag van heden zijn van den kant van Churchill in onze nederzetting binnengekomen John Howland en diens zoon.”
Met een scherpen kreet sprong de ingenieur op en plaatste hij zich, zijn tabouret omverwerpend, met gebalde vuisten voor Croisset, als gereed om op dezen los te springen. Maar Jean bleef kalm; zijn witte tanden glinsterden en langzaam stak hij de hand uit.
„M'sieur Howland, wilt ge lezen wat er zestien jaar geleden gebeurd is met de ouders van de kleine Meleese? Wilt ge het lezen en inzien waarom men u op het groote Pad naar het Noorden naar het leven stond, waarom ge in die coyote aan de Wekusko op een kist met dynamiet werd geplaatst—waarom gij vanmorgen om zes uur, bij het begin van den dageraad—”
Hij hield in en huiverde. Het was als merkte Howland niets van de ontzettende pogingen, die Croisset aanwendde om zichzelf te beheerschen. Met het nog half suffe zwijgen van iemand, die na een hevigen schok weer tot zichzelf komt, keerde hij zich naar de tafel en boog hij zich over de papieren, die Jean voor hem had uitgespreid. Vijf minuten later beurde hij het hoofd op. Zijn gelaat was krijtwit en er hadden zich diepe lijnen om den mond gegroefd. Hij streek, zooals een zieke zou doen, met de hand over zijn oogen en door zijn haar. Maar die oogen schoten vuur. Onwillekeurig nam Jean de houding aan van iemand, die een aanval wil afslaan.
„Ik heb het gelezen,” zei Howland met heesche stem en als kostte het hem moeite om de woorden te uiten. „Ik begrijp het nu. Mijnnaam is John Howland en zoo heette mijn vader vóór mij. Ik begrijp het nu.”
In de daaropvolgende stilte ontmoetten de oogen van de twee mannen elkaar.
„Ik begrijp het nu,” herhaalde de ingenieur, en hij kwam een schrede vooruit. „Maar jij, Jean Croisset, geloof jij werkelijk, dat ikdieJohn Howland ben—John Howland, de zoon, die—”
„Het doet er niet toe wat ik geloof of niet geloof, M'sieur. Ik heb hier maar één ding te vertellen en maar één ding te overhandigen,” antwoordde de half-ras. „Zij, die u trachtten te dooden, zijn de drie broeders van Meleese. Ons land is een wonderlijk land, M'sieur; het wordt van den beginne af beheerscht door wetten, die wij zelf in het leven hebben geroepen. In de oogen van de mannen, die in de kamer hier boven de wacht houden, bestaat er geen foltering, pijnlijk genoeg voor u. Zij hebben uw doodvonnis uitgesproken. Vanmorgen, zoodra de wijzers van uw horloge zes uur aangeven, zult ge worden doodgeschoten door een van die gaten in den kerkerwand. En dit—een briefje van Meleese—is al wat ik u nog te geven heb.”
Jean legde een dichtgevouwen papier op de tafel en als werktuiglijk stak Howland er de hand naar uit. Zichzelf maar ten deele bewust van zijn handelingen—sprakeloos en als versteend na het aanhooren van zijn doodvonnis, spreidde hij het briefje voor zich uit. Het bevatte maar enkele woorden, die klaarblijkelijk in groote haast en ontsteltenis waren neergeschreven.