The Project Gutenberg eBook ofOp het onheilspadThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Op het onheilspadAuthor: James Oliver CurwoodTranslator: A. M. KroonRelease date: October 30, 2012 [eBook #41238]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OP HET ONHEILSPAD ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Op het onheilspadAuthor: James Oliver CurwoodTranslator: A. M. KroonRelease date: October 30, 2012 [eBook #41238]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net
Title: Op het onheilspad
Author: James Oliver CurwoodTranslator: A. M. Kroon
Author: James Oliver Curwood
Translator: A. M. Kroon
Release date: October 30, 2012 [eBook #41238]Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OP HET ONHEILSPAD ***
Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
Op het Onheilspad
Op het OnheilspaddoorJames Oliver CurwoodHollandsche bewerking van A. M. KROONNIMMER DRALENDROTTERDAMNIJGH & VAN DITMAR'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJMCMXIX
Op het Onheilspad
door
James Oliver Curwood
Hollandsche bewerking van A. M. KROON
NIMMER DRALEND
ROTTERDAMNIJGH & VAN DITMAR'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJMCMXIX
De Sneeuwjonkvrouw.
Het was misschien voor het eerst van zijn leven, dat Howland in zijn binnenste sympathie voelde opkomen voor wat romantisch en avontuurlijk, schilderachtig en ongewoon was. Aan den kouden poolhemel stonden millioenen en nog eens millioenen van sterren, als even zoovele strakke, gelige oogen. De stijf bevroren Saskatchewan, wit glinsterend in haar wendingen door de met sneeuw bedekte wildernis, lag achter hem en alleen daar, waar een halve mijl terug het stadje Prince Albert, de laatste voorpost van de beschaafde wereld, zich tot aan de rivier uitstrekte, flikkerden enkele lichtjes.
Maar Howland richtte den blik naar het Noorden. Staande op den top van een heuvel, tuurde hij in de witte duisternis, die duizend mijlen ver tot aan de IJszee reikte. Heel flauw drong in den stillen winternacht het zachte sissen tot hem door van het noorderlicht, dat zijn eeuwenoud lied boven de aardkorst zong. Hij zag hoe de stralen zich als bleeke pijlen in het witte verschiet boorden; hij luisterde naar de fluistertonen van een onmetelijke eenzaamheid vol mysterie en het was hem als gaf dat licht hem een wenk, als riep het hem toe, dat daar ginds aan den uitersten zoom van de wereld datgene lag, waarvan hij gedroomd en waarop hij gehoopt had sinds den dag toen hij begon met voor zichzelf een levensdoel uit te bakenen.
Hij voelde de kou tot in zijn binnenste en huiverend stak hij een nieuwe sigaar op, zich omwendend om gedekt te zijn voor denfellen wind, die nu uit het Oosten kwam. Juist toen de lucifer in de holte van zijn hand opvlamde, liet zich plotseling uit den zwarten chaos van sparren en laag hout aan zijn voeten een klaaglijk en hongerig gehuil hooren, dat hem een kreet van schrik ontlokte. Het was als het gejammer van den Indiaanschen hond bij de wigwam van zijn kortelings gestorven meester. Howland had het nooit eer gehoord, maar hij wist, dat het de roepstem was van den wolf. Het boezemde hem ongekend ontzag in en hij bleef roerloos staan, totdat er uit den grijzen nachthemel in het Westen een antwoord kwam en even later uit het Noorden nog een.
„Ik geloof, dat ik wijzer doe met naar de stad terug te gaan,” zei hij overluid tot zichzelf. „Groote God, wat een verlatenheid!”
Hij ging den heuvel af, stak snel de harde sneeuwkorst over van de Saskatchewan en voelde zich eerst weer op zijn gemak, toen hij de lichten van Prince Albert op korten afstand vóór zich zag glinsteren.
Jack Howland hoorde thuis in Chicago, wat beteekent, dat hij niet al te veel sentiment bezat en vooruit wou in de wereld. Hij was nu een en dertig jaar en al vijftien jaar bezig met zich op te werken. Hij wist niet beter of hij had in al dien tijd maar één ambitie gekend, maar één hoop gekoesterd. Met een volharding, die hem deed vervreemden van de meer luchthartige en wereldsche zijden van het leven, had hij gezwoegd voor de bevrediging van zijn eerzucht en eerst nu—dezen avond—voelde hij zich voldaan, omdat zijn wensch op het punt stond van vervuld te worden. Nog nooit was hij zóó gelukkig geweest. Aan zijn geestesoog gleed opnieuw het beeld voorbij van den kamp, dien hij had aangebonden voor het bereiken van zijn doel. De strijd was schitterend geweest en hij mocht daar, zonder bluf, trotsch op zijn. In den beginne was het hem tegengeloopen, maar hij had volgehouden. Hij zag zichzelf weer—als was het gisteren gebeurd—den kleinen boerenwees, die zijn dorp in Illinois hadverlaten, om in de groote stad zich een weg te banen; hij herinnerde zich hoe hij weken lang honger en gebrek had geleden, hoe hij eerst kranten had verkocht en daarna door een gelukkig toeval loopjongen was geworden op een groot technisch bureau. Het was daar, dat hij de eerzucht in zich had voelen ontwaken. Daar toch liepen beroemde ingenieurs in en uit—mannen in zijn oog grooter dan de president van een republiek—mannen, die gewoonweg hun roeping volgden tot aan het einde der aarde. Hij maakte zich tot een slaaf van zijn verlangen om hun gelijke te worden—een bouwer van spoorwegen en bruggen—een ontwerper van tunnels door bergketens—een schepper van nieuwe dingen in nieuwe werelden. En zijn zwoegen werd er niet minder op met de jaren; uit eigen vrijen wil ging hij voort op den eenmaal ingeslagen weg, kampend met de hindernissen, die hij ontmoette en zegevierend, zooals weinigen vóór hem hadden gezegevierd. En intusschen was hij aldoor opgeklommen, langzaam maar zeker, totdat hij nu—
Hij wierp het hoofd in den nek, zijn hart klopte sneller; het was hem, als hoorde hij weer de woorden die Van Horn, de directeur van het grootste ingenieurs-bureau op het vasteland van Amerika, tot hem had gesproken:
„Howland, wij hebben besloten om je den bouw op te dragen van de Hudsonbaai-lijn. Het is een van de moeilijkste karweien, die wij ooit ondernemen en het schijnt datGregsonen Thorne het niet kunnen klaarspelen. Zij zijn uitstekend voor bruggenbouw, maar in het oerbosch deugen zij niet. Het geldt den aanleg van een eenvoudig stalen spoor door driehonderd mijlen van de meest woeste landstreek in Noord-Amerika en van dit oogenblik af moet je lijfspreuk zijn: „er op of er onder!” Je kunt je teLe Pasaanmelden, zoodra je je spullen bijeen hebt.”
Die woorden hadden een einde gemaakt aan het slaven van Howland. Hij had gevochten om een kans en nu die kans hem geboden werd, wist hij, dat hij zou slagen.
Met de handen diep in zijn zakken en behaaglijk den geur opsnuivend van zijn sigaar, liep hij snel door de eenige groote straat van Prince Albert—elke zenuw trillend van het nieuwe genot, dat er in zijn leven was gekomen. Den volgenden dag zou hij verder reizen naarLe Pas, de kleine nederzetting, zestig mijl oostelijk van de Saskatchewan. Van daar nog honderd mijlen met een sleê en dan was hij in het groote kamp in de wildernis, waar een driehonderd man al geruimen tijd bezig waren met het leggen van een spoorbaan naar de groote baai van het Noorden. Dat werk moest een schitterend monument worden—een monument, ten eeuwigen dage getuigend vanzijnmoed,zijnbekwaamheid,zijnvolharding.
Het was over negenen, toen Howland het oude kleine Windsor Hotel binnenging. De groote kamer met het uitzicht op de straat en de rivier telde maar weinig bezoekers meer. De boekhouder had het sigarenkastje gesloten en was naar bed getrokken. In den versten hoek en gedeeltelijk in het duister zat een half-ras trapper, dien middag binnengekomen uit de streek omLac La Rongeen aan zijn voeten lag een van zijn op wolven gelijkende sleêhonden. Beiden waren klaar wakker en keken nieuwsgierig op, toen Howland de deur opendeed. Bij een van de breede vensters hokte een groep zwijgende mannen in dikke buizen van kariboeleer en in mocassins. Eén van hen, de agent van de Hudsonbaai-factory teLac Bain, was in drie jaar niet tot deze uiterste grens der beschaving genaderd; de anderen, waarbij twee Cree's en een paar Chippewayans, waren pelsjagers en squatters, die hun voorraad huiden vele honderden mijlen ver uit het Noorden hadden aangebracht.
Howland bleef midden in de kamer staan en keek om zich heen. Op elk ander tijdstip zou hij zich verheugd hebben in de stilte en naar de ruwe tafel zijn gegaan om brieven te schrijven of zich aan een van de vraagstukken te wijden, die hij steeds in grooten getale bij zich droeg. Die vijftien jaren van ingespannen studie eneindeloos werken hadden hem van lieverlede even stil en teruggetrokken gemaakt als die grimme lui uit het Noorden, wien het zwijgen aangeboren scheen. Maar vanavond was er iets anders in hem gevaren. Hij voelde lust tot praten. Hij zou willen vragen. Hij verlangde naar menschelijk gezelschap, naar geestelijke ontspanning, naar wat anders als de eigen gedachten. Hij zette zich voor een van de ramen, tastte in zijn zak naar een sigaar en presenteerde die den man vanLac Bain.
„Rooken?” vroeg hij op kameraadschappelijken toon.
„Graag! Ik werd geboren in een wigwam,” antwoordde de agent langzaam, terwijl hij zijn hand uitstak naar de sigaar. „Ik dank u zeer.”
„Drommels welgemanierd voor een vent, die drie jaar lang buiten de beschaafde wereld heeft geleefd,” dacht Howland, terwijl hij het zichzelf gemakkelijk maakte met zijn beenen op de vensterbank. Overluid zei hij: „De Waiter heeft me verteld, dat ge vanLac Bainkomt; dat is een goed eind noordelijk, niet waar?”
„Vierhonderd mijlen,” luidde het korte en zakelijke antwoord. „We zitten daar op den zoom van het Woeste Gebied.”
„Whew!” Huiverend trok Howland de schouders op, maar dadelijk vervolgde hij: „Ik ga morgen ook naar het Noorden.”
„Naar een factory?”
„Neen; ik ben ingenieur en belast met den bouw van den Hudsonbaai-spoorweg.”
Howland sprak op duidelijken toon en naar gelang de woorden over zijn lippen kwamen, richtte de half-ras die achter hem in het donker zat, zich met katachtige snelheid en behendigheid op. Hij boog zich over, zijn zwarte oogen glinsterden en zacht verliet hij zijn stoel. Geluidloos op zijn mocassins voortsluipend, kwam hij ongemerkt tot dicht achter Howland, maar het was de groote hond, die het eerst diens aandacht trok.
De ingenieur keek op en toen zijn blik dien van den half-ras ontmoette, zag hij een glimp van een gelaat, dat hij nooit meer zouvergeten—een gelaat mager, donker en heel gevoelig, met zeldzaam mooie oogen en omlijst door glanzend pikzwart haar. Vaak is bij mannen één blik voldoende om te beslissen over warme vriendschap of bitteren haat en ook hier had dit zonderlinge en onverklaarbare verschijnsel plaats. Eerst toen de half-ras zich had omgekeerd en zich snel verwijderde, kwam Howland tot het besef, dat hij graag met dien man had willen spreken, dat hij hem de hand had willen reiken en hem naar zijn naam had willen vragen. Zijn oog volgde de lenige gestalte van den man uit het Noorden—buigzaam en vlug in zijn bewegingen als de schepselen van het oerwoud—totdat deze door de deur in het nachtelijk duister verdween.
„Wie was dat?” vroeg Howland zich tot den agent wendend.
„Hij heet Croisset en hij komt uit Wholdaia, de landstreek aan den anderen kant vanLac La Ronge.”
„Fransch?”
„Half Fransch, half Cree.”
De agent ging voort met staren in het witte verschiet van den nacht en Howland gaf elke poging op om een gesprek aan te knoopen. Het duurde trouwens ook niet lang of de ander schoof zijn stoel weg en wenschte hem een goeden nacht. De Cree's en de Chippewayan's volgden zijn voorbeeld en een minuut of wat later verdwenen ook de twee blanke jagers, den ingenieur alleen achterlatend.
„Raar soort,” zei Howland bij zichzelf. „Zouden ze ooit praten?”
Hij leunde voorover in zijn stoel, met de ellebogen op de knieën en het hoofd op de handen, aldoor turend naar de straat als zocht hij daar een teeken van leven. Slaap had hij niet; vaak had hij zichzelf een nachtpitje genoemd, maar zóó wakker als nu was hij nog nooit geweest.
De vreugde over zijn triomf, over zijn succes, was nog niet geslonken tot een normale gewaarwording van voldoening; reikhalzendzag hij uit naar den dag en naar den daarop volgenden en naar den dan nog weer volgenden, wanneer hij het werk van Gregson en Thorne zou overnemen. Elke zenuw in hem ging uit naar actie. Hij zag op zijn horloge. Het was nog maar tien uur. Hij had sedert het avondeten aldoor gerookt en ook nu stak hij een nieuwe sigaar op en plaatste hij zich voor een van de vensters.
Daar klonk buiten een flauw geluid van voetstappen op het houten plaveisel. Het was een vlugge, lichte tred, die juist buiten zijn gezichtskring even leek te aarzelen. Maar daarop kwam het weer nader en op eens stond er een vrouw voor het raam. Hoe zij gekleed was? Zelfs een seconde later had Howland het niet kunnen zeggen. Hij zag alleen een gelaat, wit in den witten nacht—een gelaat, waar het schemerlicht van de sterren op viel, toen het zich tot hem ophief—een gelaat, schoon en zuiver gesneden als een camee, met oogen die hem half smeekend, half verleidend aankeken en half geopende lippen als wilden ze gaan spreken. Roerloos bleef hij staren en in het volgende oogenblik was zij verdwenen. Met een korten uitroep stormde Howland door de leege kamer naar de deur om de straat af te kijken, die flauw door de sterren werd verlicht. Dat kostte niet meer dan een paar seconden, maar toen hij hoofd en schouders buiten de deur stak, zag hij alleen ver weg aan het eind van de straat een eenzame figuur en liet een hond zijn onheilspellend gegrom hooren. Een voetstap vernam hij niet—en evenmin het openen of sluiten van een deur. Zijn oor werd alleen getroffen door de zachte muziek van het noorderlicht, vermengd met het droefgeestige gehuil van de wolven in het woud aan de overzijde van de Saskatchewan.
Lippen, die niet spreken.
Howland was van nature niet gevoelig voor een paar mooie oogen of een knap gezichtje. Zijn zakelijke kant ging zóózeer op in plannen en ontwerpen van stoffelijken aard, dat hij letterlijk geen gelegenheid had voor uitstapjes op het gebied der romantiek. Tot nu toe had hij zichzelf op dit punt altijd een pluimpje gegeven; maar thans zweefde er, toen hij naar zijn stoel bij het raam terugkeerde, een zenuwachtig lachje om zijn mond. Hij voelde hoe de opwinding hem een blos op de wangen had gelegd en zijn practische zijde schaamde zich over de zege van de meer dichterlijke.
„Wat een verduiveld knap meisje!” zei hij, als trachtte hij zich te verontschuldigen; „die oogen—”
Op eens hield hij in. Want het was meer geweest dan een paar mooie oogen, meer dan een knap gezichtje. Waarom was dat meisje voor het raam blijven staan? Waarom had zij hem zoo veelbeteekenend aangezien en gedaan alsof zij ging spreken? Glimlach en blos verdwenen van zijn gelaat en hij vroeg zich af of zij hem misschien iets had willen duidelijk maken. Trouwens, kon het—alles wel beschouwd—niet heel goed een vergissing zijn geweest? Zij had misschien een oogenblik gemeend in hem iemand te herkennen en was, toen zij het abuis merkte, gauw de straat afgeloopen. Onder gewone omstandigheden zou Howland een dergelijke oplossing onmiddellijk hebben aanvaard; maarvanavond was hij in een niet-gewone stemming. Zelfs al was de laatste veronderstelling juist, dan nog zou dit niet genoegzaam de doodelijke bleekheid van het meisje en het zonderling smeekende in haar blik hebben verklaard.
Intusschen—hoe dan ook—de zaak ging hem persoonlijk niet aan en oogenschijnlijk onverschillig liep hij weer naar de deur. Een minuut of wat verderop, aan het einde van de straat, zag hij een rood licht in den voorgevel van een Chineesch restaurant en als werktuiglijk richtten zijn schreden zich daarheen.
„Ik zal daar eens een kijkje nemen en een kop thee drinken,” zei hij bij zichzelf, het eindje van zijn sigaar weggooiend en diep ademhalend om zijn longen te vullen met de droge, koude lucht. „Heere, wat een mooie avond—ik wou dat Van Horn dien kon zien!”
Hij bleef staan, den blik weer gewend naar het Noorden. De myriaden van onbeweeglijke, glinsterende sterren, het geheimzinnige spel van het wonderlijke poollicht, de zwarte zoom van de woestenij aan de overzijde van de rivier, dat alles begon meer en meer invloed op hem uit te oefenen. Sedert hij dien morgen voor het eerst de wildernis had aanschouwd, leek hij verjongd en hij verheugde zich in het feit, dat het juist deze ongewone omgeving zou zijn, die hem succes en fortuin moest brengen. Nooit had hij gedacht, dat het besef alleen van te leven hem zóó blij zou kunnen maken; dat het aanschouwen van wonderen, aan welker ontstaan hij part noch deel had, hem zóó'n intens genot zou kunnen geven. Aldoor starend naar die onmetelijke ruimten aan de overzijde van de Saskatchewan, vroeg hij zichzelf af, of het romantische element in hem wel werkelijk dood was. Hij had altijd gelachen om romantiek. Arbeid,—de grimme werkelijkheid van de actie, waarbij het eene brein strijdt met het andere, waarbij de bekwaamheid van den een staat tegenover de bekwaamheid van den ander, dat alles had er hem vrijwel toe gebracht om de romantiek in het leven te beschouwen als eenillusie van gekken—en vrouwen. Maar toch was hij eerlijk genoeg om te bekennen, dat hij vanavond had genoten van al wat hij hoorde en zag en bovenal van het mooie gelaat, dat uit den nacht naar hem had gekeken en dat zijn bloed in beroering had gebracht.
Achter hem klonk een dof gehamer op een piano. Toen hij door de lage deur naar binnen ging, slopen een man en een vrouw langs hem heen op wier wezenloos uiterlijk en in wier gluiperigen blik hij de bevestiging las van zijn vermoedens omtrent het „restaurant”. Een tweede deur gaf toegang tot een ruim vertrek met stoelen en tafels en waar een vreemde lucht hing. In den versten hoek zat een Chinees met een langen staart, het hoofd rustende op de armen,—terwijl een tweede, roerloos als een obelisk achter de toonbank stond en in het half-duister van de slecht verlichte kamer den jongen ingenieur met boosaardigen blik opnam. Het geluid van de piano kwam van boven en eenigszins uit de hoogte, maar niet onvriendelijk groetend, ging Howland de trap op.
„Een duffe boel!” mompelde hij, terugvallend in zijn gewoonte om met zichzelf te praten. „Als de thee tenminste maar goed is!”
Boven gekomen, staarde hij verbaasd in het rond. In scherpe tegenstelling toch met de walgelijke omgeving van beneden, zag hij hier een weelderig vertrek met zware Oostersche tapijten en een stuk of zes kleine tafeltjes van onyx, half verborgen achter Japansche schermen en fraai geborduurde zijden gordijnen. Hij zette zich aan een daarvan en drukte op de kleine handbel. Dadelijk verscheen een jonge Chinees in rok en met geschoren hoofd.
„Een pot thee,” zei Howland en bij zichzelf liet hij er op volgen: „Niet kwaad voor een nest aan het eindje van de wereld. Ik zou wel eens willen weten—”
Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Hoewel het nog maar elf uur was, leek de plaats eenzaam en verlaten. En toch wist hij vrij zeker, dat dit in werkelijkheid niet het geval was. Hij voelde onbestemd de tegenwoordigheid van anderen en weer vielhem de zwakke en toch scherpe geur op, die dien van wierook overheerschte. Toen hij een dollar moest betalen voor zijn thee, wist hij waaraan zich te houden.
„Opium,—zoo waar ik Jack Howland heet!” zei hij. „Ik denk, dat zij, behalve mijn portie, hier niet veel thee zullen verkoopen!”
Intusschen genoot hij de zijne naar hartelust, zich geheel overgevend aan het nieuwe gevoel van vrijheid, dat hem vervulde, toen hij opeens voetstappen hoorde op de trap en er even later bijna een kreet van verrassing over zijn lippen kwam. Daar toch stond, een oogenblik aarzelend, maar hem vast aanstarend, het meisje, dat hij door het raam van het hotel had gezien.
Hun blikken ontmoetten elkaar voor misschien niet meer dan enkele seconden. Maar in dat korte tijdsverloop grifte zich in het hart van Howland een beeld, dat hem nooit meer los zou laten. Steeds onder de heerschappij van zijn eerzucht, had hij nooit meer dan voorbijgaande belangstelling getoond voor vrouwelijk schoon. Hij had dikwijls een mooi gezichtje gezien en het bewonderd,—maar met dezelfde koele, on-hartstochtelijke bewondering, waarmee hij de scheppingen van meer stoffelijken aard placht te beschouwen. Dit gelaat daarentegen scheen tot hem uit te gaan en nieuwe belangstelling in hem wakker te roepen. Dat het een buitengewoon gelaat was, voelde hij terstond. Het was nu niet zoo bleek, als toen hij het voor het eerst zag. De wangen droegen een blos en de lippen waren half geopend. Zij haalde snel adem, misschien ten gevolge van het trappenklimmen.—Maar het waren de oogen,—de onvergelijkelijk schoone oogen, die Howland in vervoering brachten.
Het meisje wendde den blik af en zette zich aan een tafeltje, zóó, dat hij haar alleen in profiel kon zien. Hij was daar niet rouwig om, want het gaf hem gelegenheid om haar rustig en ongemerkt van terzijde te bestudeeren,—al hield hij zich overtuigd, dat zij zeer goed voelde hoe hij naar haar keek. Hij glimlachte even, toen hij bedacht hoe gemakkelijk zij zich achter eenvan de schermen had kunnen neerzetten. En intusschen gleed zijn blik al door critiseerend van den blos op haar wangen naar den lichtgloed in het glanzige bruine haar, dat in dichte golven tot half over de ooren hing, om laag in den nek te worden saamgebonden tot één enkele, dikke wrong. Eerst nu lette hij ook op haar kleeding, die hem eenigszins vreemd aandeed. Haar pelsmuts en haar handmof waren van donkergrijs lynx. Om haar schouders hing een kraag van hetzelfde bont. Haar handen staken in onberispelijke handschoenen. Elke lijn van haar lief gelaat, elk onderdeel van haar toilet droeg het kenmerk van beschaving. De spottende glimlach verdween van Howland's lippen en hij liet het vermoeden, dat één oogenblik bij hem was opgekomen, snel varen. Wie was zij en wat deed zij hier?
Een oogenblik later gleed de jonge Chinees, zacht en behendig als een kat, tusschen de schermen door tot vlak bij haar tafeltje. Zij scheen haar bestelling te schrijven op een leitje, dat Howland tot hier toe nog niet had opgemerkt. Ook zag hij, dat zij den man, toen hij haar de thee bracht, met een biljet van een dollar betaalde en dat zij geld terugkreeg.
„Zij weet er alles van,” lachte hij bij zichzelf. „Zij is hier niet vreemd. Zij kent de prijzen.”
Hij schonk zich een laatste kopje in en toen hij de oogen weer ophief, merkte hij tot zijn verbazing, dat zij naar hem keek. Even was haar blik vast en helder; maar al gauw werd de blos op haar wangen dieper en toen het koude grijs van Howland's oogen de hare onverschrokken uitdaagden, sloeg zij de lange wimpers neer en maakte zij zich weer druk met haar thee. Hij zag hoe de hand, die het kleine Japansche potje optilde, lichtelijk beefde. Hij boog zich voorover en als aangetrokken door die beweging, keerde het meisje hem opnieuw haar gelaat toe, terwijl zij den trekpot boven het kopje hield. In haar donkere oogen las hij een uitdrukking, die hem bijkans deed opspringen,—een veelbeteekenende gloed,—een pathetisch en tegelijkertijd half angstig beroep opzijn persoon. Hij stond op met vragenden blik; haar lippen plooiden zich tot een roode, ronde O en zij wees op den stoel tegenover haar.
„Ik hoop, dat u het mij niet ten kwade duidt,” zei Howland, terwijl hij ging zitten, „maar mag ik u mijn kaartje geven?”
Hij had het gevoel alsof hij iets zeer vrijpostigs had gedaan en die gewaarwording joeg hem een oogenblik het bloed naar de wangen. Het meisje las zijn naam en noodigde hem met een glimlach en een vriendelijk gebaar om verder de thee met haar te gebruiken. Hij ging even terug naar zijn eigen tafeltje en toen hij met zijn kopje in de hand weer bij haar kwam, schoof zij hem het leitje toe, waarop zij deze woorden had geschreven:
„Gij zult me wel willen excuseeren, als ik niet spreek. Ik ben, helaas, stom.”
Howland kon een zachten uitroep van verbazing en medelijden niet weerhouden en toen zijn gezellin tegelijkertijd naar hem opkeek, las hij op haar gelaat weer de uitdrukking, die hem zoozeer had getroffen, toen hij in het hotel voor het venster stond. Alledaagscheflirtationswaren hem vreemd; hij miste de noodige gevatheid daarvoor en ook nu klonk zijn stem koel en zakelijk, terwijl hij haar met zijn grijze oogen eerlijk en oprecht aankeek.
„Ik zag u vanavond door het raam van het Hotel Windsor,” begon hij, „en iets op uw gelaat gaf mij het vermoeden, dat ge in verlegenheid waart. Het is daarom, dat ik de stoute schoenen heb aangetrokken. Ik ben de ingenieur, belast met den bouw van de Hudsonbaai-lijn en op mijn weg van Chicago naarLe Pas. Ik ben hier geheel vreemd. Ik was nooit eer in dit—etablissement. Het is een aardige theesalon,—en een kostelijk masker voor de opium-banken achter die gordijnen.”
Met die enkele woorden maakte hij haar, als gold het een gewoon en zakelijk geval, de situatie op eens duidelijk. Zij wist nu wie en wat hij was en tevens de reden van zijn belangstelling voor haar persoon, terwijl hij haar terzelfder tijd te verstaan hadgegeven, welke vermoedens hij koesterde, ten opzichte van hun oogenblikkelijke omgeving. Hij lette naijverig op de uitwerking van zijn woorden en een seconde later speet het hem, dat hij zoo bruusk was geweest. Het meisje toch keek om zich heen; hij zag hoe haar boezem hijgde, hoe de blos op haar wangen kwam en ging en hoe er angst uit haar oogen sprak, toen zij die groot en vragend op hem vestigde.
„Ik wist dat niet,” schreef zij schielijk. Haar gelaat was nu even bleek als toen Howland het voor het eerst zag. Haar hand trilde zenuwachtig en één oogenblik beefden haar lippen zóó, dat zijn hart luider begon te kloppen. „Ook ik ben hier vreemd,” voegde zij er aan toe. „Ik ben hier nooit eer geweest—ik kwam—”
Zij wachtte even en het was hem alsof hij een zachten snik hoorde, toen zij hem aankeek. Hij begreep, hoeveel moeite het haar kostte, om verder te schrijven.
„Ik kwam hier om u.”
„Maar waarom?” vroeg hij op zachten en geruststellenden toon. „Zeg mij dan toch waarom!”
En in zijn ongeduld leunde hij halfweg over de tafel om de woorden te lezen, terwijl zij die schreef.
„Ik ben hier vreemd,” herhaalde zij. „Ik heb iemand noodig om mij te helpen. Ik hoorde bij toeval wie ge waart en ik was van plan u in uw hotel op te zoeken. Maar daar gekomen, durfde ik niet. Het was toen, dat ik u aan het raam zag. Even later kwaamt ge buiten en zag ik u hier binnen gaan. Onbekend met den aard van het huis, volgde ik u. Zoudt ge met mij mee willen gaan naar de plaats—waar ik verblijf houd?—Ik zal u dan mededeelen—”
Zij voltooide den volzin niet, maar haar blik was genoeg. Howland stond zwijgend op en greep naar zijn hoed.
„Ik ga met u mee, Miss—” zei hij eenvoudig, als daagde hij haar uit om haar naam neer te schrijven. Zij glimlachte en eennieuwe blos kleurde haar wangen. Maar tegelijkertijd wendde zij zich om en liep zij snel de trap af.
Buiten gekomen bood Howland haar zijn arm. Omhoog kijkend, zag hij opnieuw het vurige spel van deAurora Borealis. Hij wierp zijn schouders naar achteren, dronk gretig de frissche lucht in en voelde zich kennelijk blij en gelukkig in het nieuwe leven om hem heen.
„Welk een schitterende avond!” riep hij.
Het meisje knikte en keek naar hem op. Haar gelaat reikte tot aan zijn schouder en het was alsof het in het witte licht van de sterren nog aan schoonheid won.
Zij zagen niet om. Geen van beiden hoorde den sluipenden tred van de mocassins, die hen op korten afstand volgden. Zij zagen niet de glinsterende oogen, niet het magere, donkere gelaat van Jean Croisset, den half-ras, toen zij voortsnelden in de richting van de Saskatchewan.
De Geheimzinnige Overval.
Howland was blij, dat hij voor het oogenblik niet hoefde te praten. Hij begon in te zien, dat dit avontuur wel een beetje heel kras was voor den man op wiens schouders de verantwoordelijkheid rustte voor een der grootste ondernemingen van zijn tijd. Hij wist, dat hij den volgenden morgen den trein van acht uur zou moeten halen, wilde hij dien dag doorreizen naar het terrein der werkzaamheden. Innerlijk was hij niet rustig en voelde hij vreemde gewaarwordingen, maar toch moest hij lachen als hij dacht aan wat Van Horn wel zou zeggen, wanneer die van dit alles hoorde. Hij keek naar zijn gezellin; hij zag den glans van de lokken, die onder het pelsmutsje uitkwamen, hij bestudeerde den zachten omtrek van wang en kin en hij merkte als terloops op, dat het bovengedeelte van haar hoofd zich juist op één lijn bevond met zijn sigaar. Hij vroeg zichzelf herhaaldelijk af of hij zich niet mal aanstelde. Zoo ja, dan troostte hij zich met de gedachte, dat hij er ten minste voor beloond werd. Deze avond in Prince Albert zou niet zoo oninteressant zijn, als hij eerst had gevreesd.
Op de plek, waar de rivierpont half tegen den oever lag opgetrokken met de bevroren punt in het ijs, bleven zij staan en keek hij het meisje kalm verbaasd aan. Zij knikte lachend en wees naar de overzijde.
„Ik ben vanavond al eens daar geweest,” zei Howland. „Ik zag er geen woningen en ik hoorde alleen wolven. Moeten we daarheen?”
Hij zag haar witte tanden glinsteren en voelde een warm drukje tegen zijn arm, als wilde zij hem te kennen geven, dat zij de rivier moesten oversteken. Zijn verlegenheid nam voortdurend toe. Op den anderen oever toch reikte het woud met zijn breeden zoom van grove sparren en struiken tot aan de Saskatchewan. Onmogelijk was het niet, dat de een of andere squatter in die omgeving zijn hut had,—maar gesteld, dat zij daarheen wilde, waarom was zij dan juist tot hem gekomen, waarom had zij juist zijn hulp ingeroepen in plaats van bijstand te zoeken bij menschen, die zij kende?
Hij stelde zichzelf die vragen, zonder ze in woorden te brengen en eerst toen zij tegen den anderen oever opklauterden, met de steeds diepere schaduwen van het oerwoud om zich heen, begon hij opnieuw te spreken.
„Gij hebt mij daareven gezegd, dat gij hier vreemd waart,” zei hij, haar staande houdend, waar het licht van de sterren op haar gelaat viel, dat zij hem toekeerde. Zij glimlachte en knikte toestemmend.
„Maar gij schijnt hier toch vrij wel thuis te zijn,” ging hij voort. „Waar gaan wij heen?”
Dezen keer antwoordde zij met een heftig, ontkennend hoofdschudden en tegelijkertijd wees zij met haar vrije hand naar het duidelijk zichtbare spoor, dat van de landingsplaats het bosch in leidde. Dien morgen al had men Howland verteld, dat dit het Groote Pad was naar het Noorden, voerend naar de onmetelijke wildernis aan die zijde van de Saskatchewan. Twee dagen te voren waren de agent vanLac Bain, de Cree's en de Chippewayans langs dat Pad binnengekomen. Op de harde sneeuwkorst was het spoor nog zichtbaar der sleden van Jean Croisset en de mannen vanLac La Ronge. Sedert den hevigen sneeuwval van eendag of tien geleden, die wel vier voet diep lag, was nu en dan misschien een enkele woud-bewoner langs het Pad naar deze uiterste grens der beschaving gekomen, maar uit Prince Albert had niemand er in tegenovergestelde richting gebruik van gemaakt. Dat alles had Howland al in het hotel vernomen en het was dan ook met ongeveinsde verbazing, dat hij het meisje aankeek. Het was of zij zijn gedachtengang begreep en weer rondde haar mond zich tot een bekoorlijke O en kwam er in haar blik een teeder smeekende uitdrukking, die scheen te getuigen van haar verdriet over het feit, dat haar lippen niet in staat waren woorden te vormen. Opeens echter deed zij een stap ter zijde en schreef zij met de punt van haar voet een woord in de oppervlakte van de sneeuw. Haar hand leunde zacht op Howland's schouder, toen hij zich boog om bij het geheimzinnige licht van de sterren te lezen.
„Kamp!” riep hij zich weer oprichtend. „Ge meent toch niet, dat ge hier buiten kampeert?”
Blij nu zij begrepen werd, knikte zij een herhaald ja. Er lag zoo iets zachts op haar gelaat, er lag zooveel vreugde in haar blik, dat Howland haar zijn beide handen toestak en luid begon te lachen.
„Gij?” riep hij—„gij zoudt hier kampeeren?!” Eveneens lachend met lippen en oogen—kwam zij snel naar hem toe en gedurende enkele seconden rustten hun handen ineen. Haar schoon gelaat was nu gevaarlijk dicht bij het zijne. Hij voelde haar adem en hij rook den zachten geur van haar lokken. Nog nooit had hij oogen gezien als die, welke nu tot hem opkeken, uitstralend het zachte licht van de sterren; nooit had hij ook maar gedroomd van zoo iets schoons en haar nabijheid bracht hem in beroering. Steeds vaster drukte hij haar handen en toen dit haar nog dichter bij hem bracht, voelde hij voor een ondeelbaar oogenblik haar hoofd tegen zijn borst. Die gewaarwording deed hem tijd en plaats vergeten; deed hem zijn vroeger ik—Jack Howland,—den bij uitstek practischen en on-romantischen meester-bouwer van spoorlijnen, vergeten; deed hem alles vergeten, behalve de tegenwoordigheid van dat meisje, haar warmen druktegen zijn borst en de betoovering dier groote, bruine oogen, die zoo onverwacht in zijn leven waren gekomen. Maar een oogenblik later had hij zich hersteld. Hij week een schrede terug en liet haar handen los.
„Vergeef mij,” zei hij zacht. Hij schaamde zich over zijn optreden en zich kortweg omdraaiend, liep hij het Pad op. Hij was nog geen twaalf passen gevorderd, toen hij op eenigen afstand vóór zich uit den rooden gloed van een vuur zag. Tegelijkertijd werd zijn arm gegrepen door een hand, die er zich bijna woest aan vastklemde en zich omwendend, zag hij het gelaat van het meisje ten prooi aan een vreemde ontroering.
„Wat is er?” riep hij. „Zeg mij—”
Beangstigd door haar blik, wilde hij opnieuw haar handen in de zijne nemen. Maar zij trok die snel terug. Er begon zich op eenigen afstand achter haar iets te bewegen in de diepe schaduwen van het woud; het nam een vorm aan en een oogenblik later zag Howland een forsche gestalte uit de duisternis te voorschijn springen en meteen het flikkeren van een mes. Hij had geen tijd om uit te wijken of de revolver te trekken, die hij altijd bij zich droeg. In een crisis zijn iemands daden meestal onwillekeurig en machinaal; het is alsof het leven, wanneer het aan een zijden draad hangt, zichzelf moet redden op zijn eigen wijze zonder overleg en zonder redeneering van den persoon, die door dat leven bezield wordt.
En één oogenblik dacht en redeneerde ook Howland niet. Had hij dat gedaan, dan zou hij waarschijnlijk zijn geheimzinnigen belager te lijf zijn gegaan en zijn bloote vuist in het mes hebben gestooten. De drang van lijfsbehoud maakte, dat hij wat anders deed. Zonder zich tijd te gunnen om een kreet van schrik te uiten, wierp hij zich voorover in de sneeuw. Die manoeuvrereddehem en toen de ander, over zijn lichaam struikelend, languit op het Pad viel, had hij gelegenheid om zijn revolver te trekken. Maar nog eer er een schot viel, hoorde hij achter zich een vreeselijk gebrul, gelijk aan dat van een wild dier en kreeg hij een zwaren slag op zijn hoofd. Het gewicht van dentweeden aanvaller drukte hem diep in de sneeuw, het pistool gleed hem uit de hand en twee zware knuisten verstikten een laatsten wanhoopskreet in zijn keel. Hij zag boven zich een gelaat, verwrongen van hartstocht, een breeden nek en oogen fonkelend als granaten. Hij worstelde om zijn armen te bevrijden, maar zijn pogingen waren als die van een kind tegenover een reus. Hij nam zijn toevlucht tot een laatste redmiddel, zijn eenige kans en zijn eenige hoop. Juist toen hij de vingers, die als gloeiend staal in zijn vleesch drongen, om zijn keel voelde en de adem hem scheen te begeven, herinnerde hij zich den moorddadigen kniestoot, dien de kampvechters van de binnenzeeën hem hadden geleerd; duim voor duim trok hij zijn knieën op onder het gewicht van zijn belager tot hij met de laatste kracht, die in hem was, een geweldigen stoot tegen diens buik kon richten. Het duurde even eer hij wist of hij gered was, eer het waas voor zijn oogen optrok en eer hij zijn vijand in de sneeuw zag spartelen. Hij stond op, duizelig en nog wankelend door den zwaren slag op zijn hoofd en den greep naar zijn keel. Op eenigen afstand zag hij een vaag druk doen van donkere gedaanten en terwijl hij daarnaar keek, kwam een van die lieden op hem af.
„Schiet niet, M'sieur Howland,” hoorde hij een stem zeggen in gebroken Engelsch, vermengd met Fransch. „Ik ben het—Jean Croisset—een vriend! Bij alle Heiligen, dat was—hoe zegt ge ook weer?—lukraak!”
Het magere, donkere gelaat van den half-ras dook glimlachend op uit de witte duisternis. Howland bemerkte hem nauwelijks; hij zocht al door om zich heen naar het meisje. Maar zij was weg.
„Ik kwam hier toevallig langs—met mijn knuppel,” ging Croisset voort. „Kom, we moeten terug naar de stad.”
De glimlach was van zijn gelaat verdwenen, toen hij den arm van den ingenieur stevig onder den zijnen nam. Het was Howland alsof alles met hem draaide; hij voelde een vreemde zwakte door al zijn leden. Met moeite bracht hij de hand aan het hoofd; hij had het kunnen uitschreeuwen van de pijn.
„Dat meisje—” begon hij.
Croisset legde een arm vast om hem heen.
„Zij is weg,” hoorde Howland hem zeggen en er was iets in de stem van den half-ras, dat den ander terughield van verdere vragen. Hij strompelde gedwee mee in de richting van Prince Albert, steeds zwaarder leunend op zijn geleider.
En toch—hoewel half bedwelmd en versuft, wist hij heel goed, dat het niet alleen de verdwijning van het meisje was, waarvoor hij een verklaring zocht. Toen die slag op zijn hoofd neerkwam, had hij den angstkreet van een vrouw gehoord; toen hij half bewusteloos in de sneeuw terneer lag en zijn laatste krachten inspande om zijn leven te redden, was diezelfde vrouwenstem weer tot hem doorgedrongen,—schijnbaar van heel ver—en nu hij zijn arm hoofd op Croisset's schouder liet vallen, waren het haar woorden, die nog in zijn gefolterd brein naklonken.
„Mon Dieu!Gij zult hem vermoorden—gij zult hem vermoorden!”
Hij trachtte dat gezegde overluid te herhalen, maar hij vermocht slechts een onsamenhangend gemompel uit te brengen. Daar waar het woud den oever bereikte, bleef de half-ras staan.
„Ik moet u dragen, M'sieur Howland,” zei hij en toen hij met zijn bewusteloozen last het ijs overstrompelde, voegde hij er bij zichzelf aan toe: „Wat zou de lieve Meleese wel zeggen, als zij wist, dat Jean Croisset op een haar na M'sieurl'ingénieurhet leven had uitgeblazen?!Ce monde est plein de fous!”
De Waarschuwing.
Howland verkeerde den heelen nacht in een soort van bedwelming. Toen hij eindelijk ten volle tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn bed in het hotel. Er stond een lamp op de tafel en met één blik zag hij, dat de kamer leeg was. Hij lichtte het hoofd en de schouders op van de kussens en die beweging alleen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij gewond was. Hij voelde een doffe, folterende pijn in nek en hoofd en toen hij nieuwsgierig met de hand naar de plek tastte, kwam hij in aanraking met een stevig verband. Hij vroeg zichzelf af, of hij zwaar gewond was; hij zonk weer terug in de kussens en hij bleef liggen staren naar het flauwe schijnsel van de lamp. Even later liet zich bij de deur eenig geluid hooren; hij wendde het hoofd om, vol ergernis over de pijn, die de beweging hem gaf. Het was Jean, die naar hem kwam kijken.
„Ah! M'sieur is wakker!” riep de half-ras bij het zien van de wijd geopende oogen en heel zacht trad hij binnen, de deur achter zich sluitend. „Mon Dieu!Als die slag een greintje zwaarder was aangekomen, dan zoudt ge nu al in het zalige hiernamaals zijn,” zei hij glimlachend en met geluidloozen tred naderbijkomend, bracht hij een glas water aan Howland's lippen.
„Is het erg, Croisset?”
„Zóó erg, M'sieur, dat ge een dag in bed zult moeten blijven.Voilà tout!”
„Maar dat is onmogelijk!” riep de ingenieur. „Ik moet morgenochtendweg met den trein van acht uur. Ik moet naarLe Pas—”
„Het is nu vijf,” viel Jean hem zacht in de rede. „Gevoelt ge u wèl genoeg om te vertrekken?”
Howland hief zich op, maar alleen om zich dadelijk weer te laten vallen met een luiden schreeuw.
„Alle duivels!” riep hij en een oogenblik later ging hij voort: „In de twee eerstvolgende dagen gaat er geen trein.” Hij legde één hand op zijn pijnlijk hoofd en sloot de andere vast om de dunne, bruine vingers van Jean. „Ik heb behoefte om je te danken voor wat je deedt, Croisset; wàt er eigenlijk gebeurd is, snap ik nog niet recht. Ik weet niet wie het waren en evenmin waarom zij mij dood wilden maken.—Maar—er was daar ook een meisje—ik was met haar gekomen—”
Hij nam de hand van zijn voorhoofd op het juiste moment om het vreemde licht te zien, dat bij die woorden in Croisset's oogen oplaaide. Vol verbazing richtte de gewonde zich halverwegen op, met wit gelaat en vragenden blik den half-ras aanstarend.
„Weet jij er meer van?” vroeg hij haastig. „Wie was zij? Waarom bracht zij mij naar die hinderlaag? Waarom trachtten zij mij te vermoorden?”
Howland uitte die vragen in groote opgewondenheid; hij zag op het gelaat van Croisset, dat deze zeer zeker in staat zou zijn om hem uitsluitsel te geven. Maar er kwam geen antwoord over de dunne, gesloten lippen daar boven hem. Met een snelle beweging trok de half-ras zijn hand terug om vervolgens naar de deur te gaan. Halverwegen bleef hij staan en keerde hij zich om.
„M'sieur, ik ben hier gekomen om u te waarschuwen. Ga niet naarLe Pas. Ga niet naar het groote spoorwegkamp aan de Wekusko. Keer naar het Zuiden terug.” Eén oogenblik boog hij zich voorover, zijn zwarte oogen schitterden en hij balde de vuisten in zijn zijden. „Misschien zult gij mij begrijpen,” zei hij met nadruk, „wanneer ik u zeg, dat de waarschuwing komt—van de kleine Meleese!”
Vóór Howland nog kon bekomen van zijn verbazing, was Croisset al verdwenen. De ingenieur riep hem nog bij zijn naam, maar hij hoorde slechts het geluid van voetstappen, die zich snel verwijderden. Met een uitroep van teleurstelling viel de gewonde in zijn kussens terug. De herhaalde opwinding had hem weer duizelig gemaakt en er kwam een koortsachtig rood op zijn wangen. Hij lag lang met gesloten oogen, trachtend voor zich zelf het mysterie van den vorigen avond op te lossen. De natuurlijkste verklaring was, dat men hem in een val had gelokt. Zijn mooi kennisje had hem met haar lieven glimlach en haar innemend mondje ingepakt en hij knarsetandde, toen hij bedacht hoe gemakkelijk hij zich had laten overhalen. Zij had hem met opzet in de hinderlaag gelokt, die hem noodlottig had kunnen worden, wanneer niet Jean Croisset tusschenbeide was gekomen. En toch was het haar stem geweest, die hij gehoord had en haar angstkreet: „Mon Dieu, ge zult hem vermoorden!” dien hij vernomen had, toen de vreeselijke knuist zijn keel bijkans dichtschroefde.
Zijn adem ging sneller nu hij die woorden fluisterend voor zichzelf herhaalde. Eerst thans realiseerde hij de ware beteekenis. Hij voelde eerst nu, hoezeer die kreet van werkelijken angst getuigde en terwijl hij zoo met gesloten oogen terneer lag, was het hem als hoorde hij in haar stem het geluid van de wanhoop. Hoe meer hij nadacht, des te onbegrijpelijker leek hem het heele gebeuren. Waarom had het meisje, nadat zij hem eerst met voorbedachten rade in de hinderlaag had gelokt, ter elfder ure—juist toen haar dubbelhartigheid met succes zou worden beloond—opeens als in doodsangst dien wanhoopskreet geuit? Howland zag in zijn verhit brein haar beeld, zooals zij naast hem had gestaan in de sneeuw op het Pad; hij voelde weer de aanraking van haar handen, het leunen gedurende enkele oogenblikken van haar hoofd tegen zijn borst; hij zag weer den zachten blik, die uit de diepe, reine oogen sprak; het gevoelige beven van de lippen, die moeite schenen te doen om te spreken. Was het mogelijk, dat zulk een gelaat, dat zulke oogen hem in een doodelijke val hadden gelokt? Niettegenstaande de overtuigende bewijzen, koesterde hijtwijfel. En toch—zij had gelogen, want zij was niet stom.
Kreunend keerde hij zich met het gelaat naar de deur. Als Croisset terugkwam, wilde hij bij hem aandringen op meer licht in de heele zaak; hij was er zeker van, dat de half-ras het mysterie ten minste voor een deel zou kunnen opklaren. En intusschen pijnigde hij, wakend en wachtend, zijn arme hersens met het bedenken van mogelijke redenen voor dien aanslag op zijn leven. Wie toch was „de kleine Meleese”, die—zooals Croisset zei,—hem de waarschuwing had gezonden? Hij had, voor zoover hij zich herinnerde, nooit iemand van dien naam gekend. En toch had de half-ras dien geuit op een wijze als had die voor hem—Howland—een diepere beteekenis. „Misschien zult ge het begrijpen,” had hij gezegd en Howland deed zijn best om te begrijpen, totdat zijn brein tobde en hij een zieke walging voelde opkomen.
Het eerste licht van den dag kwam flauw naar binnen, toen er buiten de deur opnieuw voetstappen klonken. Dezen keer was het niet Croisset, die verscheen, maar de eigenaar van het hotel; de man bracht een blad met geroosterd brood en een pot dampende koffie mee. Hij knikte en lachte, toen hij zag, hoe Howland half opzat.
„Dat was een leelijke val,” begon hij, een tafeltje bij het bed schuivend. „Ja, de sneeuw is en blijft verraderlijk in de rotsspleten. Als die op een helling onder je wegzakt, dan kun je een flinken smak doen. Gelukkig dat ge Croisset bij u hadt.”
Een oogenblik was Howland sprakeloos.
„Zeker—het was—een leelijke val,” bracht hij ten laatste met moeite uit, den ander scherp opnemend. „Waar is Croisset?”
„Weg. Hij is een uur geleden al vertrokken met zijn honden en zijn slee. Gekke vent, die Croisset! Daar komt hij gisteren binnen vanLac La Ronge, wel honderd mijl noordelijk en vandaag gaat hij er al weer van door! En voor zoover ik kan nagaan, was er even weinig reden voor zijn verschijnen als voor zijn verdwijnen.”
„Weet ge meer van hem?” vroeg Howland geïnteresseerd.
„Neen, hij komt maar eens of tweemaal per jaar hierheen.”
Gedurende enkele minuten bewaarde de ingenieur het stilzwijgen. Hij knabbelde aan het geroosterde brood en dronk een paar slokjes koffie. Daarop zei hij als terloops:
„Hebt ge wel eens gehoord van een vrouw, die Meleese heette?”
„Meleese—Meleese—Meleese—” herhaalde de hotelier, met de hand door het haar strijkend. „De naam komt me bekend voor en toch kan ik mij niet herinneren—” Maar opeens riep hij triomfeerend: „Ik heb het! ik heb het! Een paar jaar geleden had ik een kookvrouw, die Meleese heette?”
Howland haalde de schouders op.
„De Meleese, die ik bedoelde, is een jong meisje,” zei hij.
„En de Meleese, die wij hadden, is dood,” verzekerde de man opgeruimd en opstaand om heen te gaan. „Over een half uurtje zal ik iemand sturen om het blad te halen, Mr. Howland.”
Een uur of wat later kroop Howland uit zijn bed. Hij doopte zijn hoofd in koud water, voelde zich daarna veel beter, kleedde zich aan en ging naar beneden. Zijn nek deed hem nog wel wat pijn, maar behalve dat en een licht gevoel van misselijkheid scheen hij geen letsel te hebben bekomen. Hij verscheen aan tafel en voelde zich op den middag zóó wel, dat hij een sigaar opstak en uitging voor een korte wandeling. Zijn eerste ingeving was om bij den houder van het Chineesche restaurant te informeeren naar de identiteit van het meisje, dat hij daar had ontmoet; maar dat voornemen liet hij bij nader inzien varen. Hij begaf zich, de rivier overstekend, regelrecht naar het Pad, dat zij den vorigen avond hadden ingeslagen. Hij toefde een oogenblik bij de sporen van den strijd in de sneeuw. Daar waar hij het eerst den half-ras had gezien, vond hij bloedvlekken op de ijskorst. „Bravo, Croisset!” mompelde hij, „je schijnt een mes gebruikt te hebben!”
Hij kon nagaan tot hoe ver de gewonde was voortgekropen, eer hij weer op zijn beenen stond en ging met een omzichtigheid, die hij een uur of wat geleden zou hebben versmaad, langzaam verder voort tusschen de dichte wanden van het woud, één hand steeds op derevolver in zijn jaszak. Daar waar het Pad zich met een scherpe bocht naar het Noorden wendde, vond hij op een open plek de verkoolde overblijfselen van een kampvuur en dicht daarbij een aantal dunne berkestammen, die klaarblijkelijk voor tentstaken hadden gediend. Toen hij met de punt van zijn laars in de asch en tusschen het half verbrande hout roerde, was er geen spoor van rook meer; geen vonkje verried, dat enkele uren geleden hier menschen hadden gekampeerd. Hij kon slechts één gevolgtrekking maken: zijn onbekende belagers moesten al gauw na den mislukten aanslag hun kamp opgebroken en de vlucht genomen hebben. Het meisje met de zachte oogen en het lieve gelaat, dat hem binnen hun bereik had gelokt, was naar alle waarschijnlijkheid met hen meegegaan.
Maar waarheen waren zij getrokken?
Hij doorzocht het verlaten kamp met de grootste nauwkeurigheid. De harde ijskorst op den bodem vertoonde hier en daar den indruk van hondeklauwen en op enkele plaatsen was het breede spoor van een toboggan duidelijk zichtbaar. Dit alles was genoeg om de snelle verdwijning van zijn vijanden te verklaren. Zij waren dienzelfden nacht nog met hondensleden naar het Noorden gevlucht.
In het hotel teruggekeerd, voelde Howland zich erg vermoeid en het was dan ook met meer teleurstelling dan blijdschap, dat hij vernam, hoe er dien avond laat nog een werktrein naarLe Paszou vertrekken. Intusschen—na een uurtje van rust in zijn kamer, herkreeg hij al gauw zijn oude energie. Hij begon nu zelfs met koortsachtig ongeduld uit te zien naarLe Pasen naar het kampement aan de Wekusko. Het was of Croisset's aanmaning om naar het Zuiden terug te keeren, hem eer aanzette dan tegenhield. Ondernemend van aard had hij al strijdend sport voor sport de ladder van het succes beklommen. En nu gaf de gedachte, dat zijn leven gevaar liep, dat in de diepte van de wildernis hem misschien het een of ander onheil wachtte, slechts een nieuwe, een opwindende bekoring aan de reuzentaak, die vóór hem lag. Hij had graag willen weten of ditzelfde gevaar ook Gregson en Thorne boven het hoofd had gehangenen of dit de reden was van hun moedeloosheid en van hun verlangen om naar de beschaafde wereld terug te keeren. Hij twijfelde geen oogenblik of hij zou dat hooren, zoodra hij hen inLe Pasontmoette. En in het kamp aan de Wekusko zou hij nog meer te weten kunnen komen; altijd wanneer de waarschuwing van den half-ras, die hem niet heelemaal onverschillig liet, werkelijk iets te beteekenen had. Hoe dan ook,—hij moest voorbereid zijn op ongewone toestanden. Hij ging daarom naar een wapenwinkel, kocht een lang pistool met zes loopen en een holster en voegde daar nog een jachtmes bij van de soort, zooals Croisset er een had.
Het was middernacht eer hij in den werktrein stapte en de dag begon aan te breken boven de wildernis, toen men te Etomani stopte. Van hier uit zou hij de eerste zestig mijlen van den nieuwen weg tot aanLe Pasop een lorrie afleggen. Die lorrie had al drie dagen op hem gewacht,—maar Gregson en Thorne waren er niet.
„Mr. Gregson wacht u teLe Pas,” zei een van de mannen. „Mr. Thorne is nog te Wekusko.”
Het was voor het eerst van zijn leven, dat Howland zich in het hartje van de wildernis bevond en naar gelang zij mijl op mijl achter zich lieten en zich steeds dieper voortspoedden in het eenzame gebied van ijs en sneeuw en oerwoud, voelde hij zijn hart sneller kloppen van blijde opwinding; hij verheugde zich bij voorbaat in het nieuwe leven, dat hem hier onder den verren noordelijken hemel wachtte. Vóór op de lorrie gezeten, met de vier mannen, die den wagen in beweging hielden achter zich, dronk hij de woeste schoonheid in van de wouden en de moerassen waar doorheen zij snelden,—al door uitkijkend naar het grove wild dat—zooals zijn begeleiders hem vertelden,—zich aan alle kanten om hen heen moest ophouden.
Overal strekte de witte winter zich uit. De rotsen, de boomen en de groote heuvelkammen,—die hier in het Noorden bergen worden genoemd,—lagen onder vier voet sneeuw, waar de zon met duizelingwekkende schittering op scheen. Maar het was niet vóórdat een lange stijging hen op den top van een dier kammen had gebracht, datHowland—den blik naar het Noorden gericht,—de wildernis aanschouwde in al haar grootschheid. Toen de lorrie stilhield, sprong hij met een luiden juichkreet op de hard bevroren sneeuw, zijn gelaat stralend van opgewondenheid over het heerlijke tafereel, dat zich voor zijn oog ontrolde. Daar toch lag het onmetelijke, witte veld vóór hem, dat zich honderden mijlen ver tot aan de Hudsonbaai uitstrekte. In sprakelooze bewondering staarde hij naar de ongerepte wouden,—naar vlakten en heuvels, die duidelijker zichtbaar werden, naarmate zijn gezichtskring zich uitbreidde; hij kon de bochten van een bevroren rivier volgen, tot waar zij zich in het verre verschiet verloor en zijn oog rustte hier en daar op de glinsterende oppervlakte van meren, met sneeuw bedekt en ingesloten tusschen wanden van donkere wouden. Dit was niet de wildernis, die hij had verwacht,—niet de wildernis waarvan hij had gelezen. En evenmin was het de wildernis, door Gregson en Thorne in hun brieven beschreven. Neen, dit was mooi,—dit was prachtig! Zijn hart bonsde van vreugde, toen hij er op neerkeek; de blos op zijn gelaat werd dieper en het was of hij—geheel opgaand in zijn vurige belangstelling,—nauwelijks meer ademde.
Een van de vier mannen op de lorrie was een oude Indiaan,—en vreemd genoeg was het juist deze, die het eerst het stilzwijgen verbrak. Hij had de uitdrukking op het gelaat van den nieuwen chef gezien en in zijn gebroken taaltje fluisterde hij zacht aan diens oor: „Twintig duizend rendieren daar—twintig duizend kariboes!—geen mensch—geen huis—twintig duizend mijlen!”
En Howland keek, nog bevend van aandoening in de oogen van den ouden Indiaan, die vol waren van den vreemden gloed der gevoelens, thans ook in hem zelf ontwaakt. Daarop weer starend in het verre verschiet, trachtte hij met zijn blik door te dringen tot voorbij dat woeste gebied en tot aan de Hudsonbaai en terwijl hij dat deed, besefte hij, dat er op dat oogenblik een nieuwe geest in hem werd wakker geroepen,—een nieuw wezen; dat hij niet langer de oude Jack Howland was, wiens wereld werd begrensd door de muren vanzijn kantoor en wiens levensopvatting alles buitensloot wat niet onmiddellijk in verband stond met de bevrediging van zijn eerzucht.
De korte dag van het Noorden liep ten einde,—toen zij in de vlakte onder hen opnieuw de breede Saskatchewan aanschouwden met op den zuidelijken oever de enkele uit houtblokken opgetrokken woonhuizen vanLe Pas, aan drie zijden ingesloten door donkere pijnbosschen. Er brandden enkele lichtjes in de hutten en in de store van de Hudsonbaai-nederzetting, toen de lorrie stilhield op een vijftig pas afstands van een laag houten gebouw, dat wat beter verlicht leek dan de andere.
„Dat is het hotel,” zei een van de mannen, „en daar is Mr. Gregson.”
Een lange, in pels gehulde gedaante kwam naar buiten om Howland te begroeten, toen deze snel de open ruimte vóór het gebouw overstak. Het was Gregson en zij drukten elkaar de hand, maar de jongere ingenieur keek zijn ouderen collega verbaasd aan. Dat was niet de Gregson met een rond gelaat en vol leven en beweging, dien Howland op het kantoor in Chicago had gekend.
„Ik was nog nooit van mijn leven zóó blij om een oud vriend te zien, Howland!” riep hij den nieuw aangekomene toe, hem telkens weer bij de hand grijpend. „Als het nog een maand langer had geduurd, zou ik het er niet levend hebben afgebracht. Het is hier een helsch land!”
„En ik ga juist met elke minuut meer van dat land houden, Gregson; wat scheelt er aan? Ben je ziek geweest?”
„Ziek?—ja, ziek van dit ellendige karwei! Als de ouwe ons niet eindelijk had afgelost, dan zouden Thorne en ik binnen een maand zijn gaan drossen. Ik sta er je borg voor, dat je eer het lente is, meer dan genoeg zult hebben van blokhuizen, half-rassen en rendiervleesch en ook van die helsche sneeuw en dat duivelsche ijs. Maar ik wil je den moed niet benemen!”
„Je kunt me den moed niet benemen,” lachte Howland. „Je weet wel, dat ik nooit veel om comedies of om meisjes heb gegeven. Hoestaat dat hier?” voegde hij er aan toe, zijn makker een goedig ribbestootje gevend.
„Niets—minder dan niets!” zei Gregson, maar opeens lichtten zijn oogen op. „Ja toch,—bij George, Howland! ik heb juist vandaag het mooiste meisje gezien, dat ik ooit aanschouwde. Ik zou er een kistje met echte Havanna's voor overhebben—en in maanden hebben wij er geen geproefd!—als ik te weten kon komen wie zij is!”
Zij waren nu de lage deur van het hotel binnengegaan en Gregson ontdeed zich van zijn zware jas.
„Een lang meisje met een muts en een mof?” vroeg Howland haastig.
„Neen,—eerder een echt type van het Noorden,—kaarsrecht, met een muts en een buis van bont, een korten rok van kariboe-huid en mocassins en op haar rug hing een lange vlecht, zoo dik als mijn arm. Goede God, wat was zij mooi!”
„Is er ergens in of bij ons kamp een meisje, dat Meleese heet?” vroeg Howland als terloops.
„Niet, dat ik weet,” zei Gregson.
„Of een man, Croisset genaamd?”
„Nooit van gehoord.”
„Ik moet zeggen, dat je niet veel weet,” lachte Howland, met welbehagen den geur van het aanstaande souper opsnuivend. „Ik heb een honger als een wolf.”
Daar klonk opeens buiten het scherpe zweepgeknal van een sledebestuurder en Gregson ging naar een van de kleine ramen om uit te kijken. Een oogenblik later holde hij naar de deur en riep hij Howland toe: „Zoo waar er een God van de Liefde is, daar heb je haar, kerel! Gauw—als je nog iets van haar wilt zien!”
Snel trok hij de deur open en Howland haastte zich om hem te volgen. Weer klonk een forsche zweepslag, dezen keer vergezeld van een luiden kreet en tegelijkertijd schoot een slee, door zes honden getrokken, in het schemerachtige licht van den vóórnacht langs hem heen.
Ook over Howland's lippen kwam een kreet: want in een van de twee gezichten, die zich gedurende een oogenblik naar zijn kant wendden, herkende hij, dat van Croisset en het andere, wit en starend zooals hij het dien avond in Prince Albert had gezien, was het gelaat van het mooie meisje, dat hem had gelokt naar de hinderlaag ophet Groote Pad van het Noorden!