—Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.—Pff! wat 'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van—hij wil er in zien, wat niet gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan—daar mag Joost uit wijs worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.—'k Laat me villen, als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmakerwilmaar niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de fout—wat blikslagers, kan 't toch wezen?
Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie, keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór zich uit, ver door de kamer.
Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een vroolijke stem riep:—Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?
—O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!
—Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.
—Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?
—Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan, dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen hing.
—Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.
—'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.
—Nou, d'r is geen moois an, hoor!
—'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?
—Ja, jouw koffie.—Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had zewillenhebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig—en hoe vonden de "heeren" je kop?
—Nou, maar zóó—zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.—Och! ze hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk hebben ze me nijdig gemaakt—de duivel mag dan ook weten, wat er aan dien neus scheelt—kijk jij nu 'ris, Karel—daar leit 't portret bij de deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den vloer....
—Ja ... en jij 't laagst bij den grond,—grinnikte het ventje, maar zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.
Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos, zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:—ik snap d'r niks van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin, die de photographie in handen had, riep eensklaps:—D'r af, Puckie! Gauw d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen—veel te dikke ponem. Neen, dàt is 't ware niet!
—Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep eindelijk snerpend:—Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus) geretoucheerd.
—Hè! is 't waarachtig?
—Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid—God weet, hoe 'n kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad—ze hebben 'm mooier gemaakt, dan ie was—mijn kop af, als 'tnietzoo is!
—Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle oplettendheid en zei:—Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n gevel—en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.
Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck teleurgesteld:
—Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.
—Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven vorm terug en zei knorrig:—Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit wat van terecht.
—Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!
Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.—Kijk! zie je daar die retouche—geef je loup eris—nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van z'n kajim afgenomen.
—Waarachtig dat lijkt wel.
Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:—Laat me ook eris kijken, ik kan d'r zóó niet bij.
—Kom hier, hobbelbroek, kijk!—Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en tilde hem op.
—D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.
Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó beter?"
—Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je decoraties—die schilder je ten minste nogal dragelijk.
—Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,—ik zal je groeten—God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár—misschien komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde—Dà-ag!
—Dag hobbelbroek!
—Dà-ag!
Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.
—Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.
—Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller—kijk die beroerde kerel daar nou staan—Is 't niet of ie me uitlacht?—Goddorie, kerel! ik wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo verveeld—wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop, terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je inspireeren.—Allo, vent, ga mee—'k heb er m'n buik van vol—neen, ik moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!
—Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê—dan pakken we samen een borrel—ik heb vandaag een résédatje voor je over.
—Mooi, vooruit dan!—Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker—dáár!—Bruin trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.
—Pas op, je klei is nog week!
—Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!
Meneer Capelli gaf de zaak echter zoo spoedig nog niet op; hij was te veel koopman, om niet alle moeite te doen, goede waar voor zijn geld te krijgen en daarom zond hij reeds 's anderen daags en nog een paar dagen daarna, verschillende menschen, die beweerden den grooten Dichter van aangezicht tot aangezicht te hebben gekend, naar Bruins' atelier.
De modelleur kreeg hoe langer hoe meer het land, door de zoo wijd uiteenloopende meeningen en kritieken, die hij moest aanhooren; hij werd gejaagd en zenuwachtig, zoodra de schel van het bovenhuis driemaal tingelde, maar toen er eindelijk twee belletristische dameskwamen, die elkander haast bij de haren kregen, omdat de oudste beweerde, dat Muller-zaliger een schippersbaardje en een kaal hoofd had gehad, terwijl de jongste snikkend volhield, dat "de lieve man lange, artistieke lokken droeg," werd het hem tè benauwd en liep hij in wanhoop de deur uit, met de woorden:—Moeder, als d'r nu weer iemand komt met 'n visitekaartje van Capelli, gooi 'm dan vierkant de trappen af!
—Och, Puckie, zei juffrouw Bruin op dien middag tegen den kleinen décoratieschilder, die zijn dagelijksch kopje koffie bij haar kwam halen—Sjuul is heelemaal in de war, d'r is geen land met 'm te bezeilen—'t wordt een mooie boel hier; die akelige dooie versjesmaker—zij wenkte met haar hoofd in de richting van het atelier, waarvan de deur openstond—bederft z'n heele humeur. Hij voert geen steek uit, en als die Fransche mesjeu dat nakende vrouwtje en die rug van Roosje niet van 'm had gekocht, zoüen we d'r nou heel akelig voór zitten; dat's ten minste nog een meevallertje geweest. Zij schudde bedenkelijk 't hoofd:—'t Is bedroevend dat ik 't zeg, maar ik geloof nou toch ook, dat Sjuul maar in blootigheid moet blijven werken; daar zit 'n broodje an, want 't is de mode, maar onchristelijk en goddeloos is 't toch. Heere, Heere, wat leven we in een verdorven tijd!
—Ja, juffrouw, zei Puck, terwijl hij langzaam zijn koffie dronk,—de wereld is boos en vol zondige wulpschheid en als ik je zoon was zou ik er m'n voordeel mee doen.
—Hoe zoo dan?
—Wel, ik zou dien dichter ook in de blootigheid, ten voeten uit, modelleeren, misschien vinden ze dan dat ie lijkt, want zooals 't nu is gegaan kan ik me best begrijpen, dat Jules half dol wordt. Hij haalde een papier voor den dag:—Luister eris, ik heb uit aardigheid opgeschreven, wat al die lui hebben gezegd, en als je nu alles bij mekaar neemt, weet je precies hoe die zalige verzensmid er bij zijn leven heeft uitgezien.
Met een leuk gezicht las het ventje: "Volgens het oordeel van vrienden en vereerders, die den overledene van zeer nabij hebben gekend, had de begaafde dichter een smal, langwerpig, breed gelaat met vooruitstekende, wegzinkende jukbeenderen;kleinenmond, diegrootwas door dedikke, vooruitstekende, saamgeknependunnelippen een stompen, spits opwippenden, rechten arendsneus en een laag voorhoofd, dat hoog, gewelfd en geniaal was. Zijne uitpuilende oogen zonken weg in de kassen en zijn ooren waren klein van grootheid. Zijn rond, spits voorhoofd rustte op een inééngedrongen hals, mager van dikte. Lang artistiek krullend haar versierde zijn kalen schedel en een schippersbaard en knevel orneerden zijn gladgeschoren gezicht."—Zie je, juffrouw Bruin, dat is nu 't résumé van al de opinies.
—'s Jongés, 's jonges! wat 'n raar model, en zou ie d'r nou warentig zóó hebben uitgezien, Puckie?
—Als je al die lui gelooven wilt, ja—maar misschien was ie nog anders, dat hangt nou maar af van degene, die hem gekend heeft en.... Stil! wat is dat? Is Jules in 't atelier?
—Neen! maar ik hoor toch ook iets—d'r valt wat, d'r is toch iemand bezig ... 'k zal 'ris even gaan kijken.... Zij slofte naar voren.
De kleine decoratieschilder bleef rustig zijn pijpje zitten rooken en schonk zich nog eens in, terwijl de oude vrouw de kamer had verlaten, maar met één sprong was hij, een oogenblik daarna, bij haar toen hij haar met verschrikte bevende stem hoorde roepen:
—O, mens! O, Heere! Tommy,—ommy, wat begin je me nou. O, Puckie! kom eris gauw hier, dat's me een geschiedenis!!
—Wat is er an de hand, juffrouw?
—O, genade! wat 'n ding!
In 't atelier stond de oude vrouw en keek met groote angstige oogen naar de buste; de kat namelijk had een sprong gedaan en in haar vaart een langen stok omgesmeten, die tegen Muller's kop was terecht gekomen en in de nog weeke klei een deuk had gemaakt.
—Zoo'n stinkende kat! Allo, ketsch! Vort! schreeuwde Puck en schopte met zijn korte beentjes een bankje voort, maar Tom, met dikken, hoogen rug wreef zich tegen een stoel.
—Neen, doe 'm niks! 't Stomme dier kan 't toch niet helpen; kom hier m'n poessie! 't Is zoo'n goeie lobbes—zij nam de kat op—'k zal 'm zoo lang in 't keukentje opsluiten, want als Sjuul thuis komt en 't merkt, krijgt ie d'r van langs. Sjuul heit toch al zoo 't land aan Tom, nietwaar lievert? Met de poes in haar armen bekeek ze de buste:—'t Is nogal goed afgeloopen, hij had heelemaal kapot kunne weze.
—'t Is wat moois, bromde de kleine en drukte zooveel hij kon de klei weer in haar fatsoen;—dat moet er nou nog bij komen!
—Gauw! naar achteren, gauw! daar hoor ik Sjuul op de trap. Laat maar staan, Puck! kom mee, laat 't 'm in Godsnaam niet dadelijk merken; hij is toch al zoo uit z'n humeur. Hier! pak an, gooi dien doek d'r maar zoolang over, gauw dan! O, heere, heere! Wat 'n gedoe met dat miserabele ding!
In een oogwenk zaten beiden, alsof er niets gebeurd was weer bij de koffie en de kat in de keuken.
Angstig luisterden ze, want Bruin was niet alleen, ze hoorden hem met iemand spreken.
—Wie zou ie bij 'm hebben? vroeg fluisterend de juffrouw.
—Misschien weer een kijker, een criticus.
O goeie genade, dan merkt ie 't direkt, dan hebben we de poppen aan 't dansen.
Juffrouw Bruin stond op en luisterde, voorzichtig de kamerdeur op een kiertje houdend. Puck rookte en zweeg, afwachtend en vragend naar haar ziende.
—O! zei ze eindelijk,—'t is onze huisheer maar....
—Stil! sjuut...!
Bruin stond in 't atelier en sprak tamelijk luid.
—M'n goeie meneer Apels, ik geef u volkomen gelijk—'t is heel beroerd als je zoo telkens teleurgesteld wordt, maar ik kan 't waarachtig niet helpen—'t is slap tegenwoordig met 't werk. Gelukkigkan ik u ten minste iets geven vandaag,—'k heb een Venusje verkocht en over een dag of wat hoop ik weer wat te krijgen, ten minste als dat ding—hij keek naar de buste ... wat duivel, wie heeft daar dien doek over gegooid?
Hij nam den doek er af en bleef een oogenblik verbluft staan, toen hij Muller's buste zag.
Voor hij evenwel iets verder zeggen kon, nam de huisheer het woord en zei, met minachtend gebaar op de klei-pop wijzend:
—Dat's ook een mooie jongen geweest, die Muller.
—Hè, wat?—U zegt Muller, hoor ik goed?
—Ja natuurlijk, is 't 'm dan niet? 'k Bedoel de dichter, die is 't immers?
—Ja zeker! zeker! maar....
Hij lijkt sprekend:
—Zoo-o! Ei!
—Frappant!
Bruin bleef met groote, verwonderde oogen èn buste, èn huisheer aankijken en zei niemendal, omdat hij een sensatie had, alsof iemand hem balsem in de ooren goot. Hij luisterde, terwijl zijn gelaat meer en meer opklaarde.
—Je hebt 'm goed getroffen, die lamme vent! 'k Moet nog een half jaar huur van 'm hebben—'t zat er nooit bij 'm an, maar praatjes had die scheefneus genoeg.
—Hè, wat! O, hum! Ja, zoo! Scheefneus zeit u?
—Ja, zeker! Z'n neus stond scheef voor z'n kop, precies zooals je 'm daar gemaakt hebt—verduiveld goed, 't is alsof ie leeft.—Mooi!
O, zoo! Jawel, dank U! Bruin kreeg een gevoel, alsof hij ineens vliegen kon.
-------------------------------------------------------------------------
Toen de heer Apels vertrokken was, stoof de modelleur de achterkamer binnen en vroeg lachend: Zeg eris, wat is er met m'n klei-pop gebeurd terwijl ik weg was? En zijn moeder, die alles had gehoord en zich ook veel lichter voelde dan een oogenblik te voren, zei haperend—ze was toch nog eenigszins bang voor de veiligheid van haar Tom:—'t Stomme dier kon 't heusch niet helpen, Sjuul; hij zat zeker een muissie na ... en zij vertelde hoe alles zich had toegedragen; maar toen ze eindigde met te zeggen:—Wat 'n toeval, hè nou lijkt ie ineens? zei Puck hoog ernstig:
—Neen, m'n beste juffrouw! 't Is hier geen bloot toeval; 't is de inwerking van Muller's geest, die niet velen kon, dat z'n aardsche tabernakel zoo verkeerd werd afgebeeld. U gelooft toch immers ook aan de metempsychosis?
—Aan de wat, Puckie?
Aan de zielsverhuizing. Heeft u niet gehoord, hoe vreemd Tom sedert een paar dagen heeft gemiauwd—en vooral van morgen?
—Ja, 't beessie deê wel raar, maar ik dacht, dat 't door de warmte was, of....
—Neen, dat waren de zoetvloeiende zangen van den poëet, dieniet goed door die kat heen wouen, maar voor den sprong had Muller's geest kracht genoeg!
—"Flauw wurm, hou je nou je mond, 't is welletjes", lachte de modelleur en even teruggaande in 't atelier haalde hij de photo en zei:
—Dáár! kijk nou zelf, 't is niet te zien hierop; dat beroerde Rembrandtieke licht liegt altijd, daar kan geen kat uit wijs worden!
—Niet? En mijn Tommie dan? riep triomfantelijk de oude juffrouw. Ze haalde de poes, die angstig mauwde achter de keukendeur, hield hem in haar armen voor haar zoon en zei:—Sjuul! jij mag 't stomme dier wel bedanken.—Ja, lekkere Torn, kom jij maar hier, lieveling! Jij alléén heb meer verstand, dan al die snuggere bolle samen!
—Mag ik zoo vrij zijn, om u mijn lijst aan te bieden? De lijst voor mijn benefiet; ik speel "Henri" in Laurierboom en Bedelstaf—Balkon één gulden vijftig, Loge één gulden vijfentwintig, parterre één gulden.
—O, is ú 't? Ik dacht niet, dat ik....
—U dacht niet, dat u mij zou zien. Ja, weet u, geachte heer, 't is tegenwoordig uiterst moeilijk om accés te krijgen bij de heeren of dames; ze dresseeren er hun dienstpersooneel op, om, zoodra zij iemand zien, die een lijst of zoo iets wenscht aan te bieden, "niet thuis" te zeggen, of een ander onjuistheid ... en eventjes glimlachend:—Ik ken die loopjes en daarom pousseer ik eenvoudig mijn kaartje.
—Ah zoo! Maar, neem me niet kwalijk, op uw kaartje staat Mr. Mansholt—en ik meen u vroeger toch te hebben zien optreden onder den naam....
—Holtsman? Accoord! dat is mijn "nom de guerre", mijn familie was er altijd violent tegen, dat ik op de planken ging. Wij behooren tot een patricische familie en ... enfin! U begrijpt! je wilt geen onnoodige bisbiljes maken, daarom heb ik destijds mijn naam omgezet.
—Ja, dat klopt! Maar dat Mr.?... Heeft u gestudeerd?
—N ... neen!—dat Mr. beteekent gewoon "Mijnheer." Och, 't is een heel klein trucje, dat ik me veroorloof. 't Is zoo verbazend moeielijk, de menschen te spreken te krijgen. Er is zoo bitter weinig animo voor de kunst. Hij keek somber vóór zich en zei met een weinig gemaakte tragiek:—Vroeger jaren was 't beter, toen apprécieerde men een acteur, die conscientieus werkt, dieweet, wat hijdoet. Tegenwoordig moet je potsen maken, om de lui te lokken, of 'n reklame-man zijn! Daar ben ik niet voor geschikt. Ik ben een te sérieus artist ... mag ik u noteeren, Balkon? Hoeveel?...
—Geef me liever drie Loges, mijnheer Holtsman.
—Uitstekend, dank u, ... ik zal u eerste rij geven.
Hij haalde uit zijn borstzak een in de lengte toegevouwen, reeds wat smoezelig papier en terwijl hij één handschoen uittrok en naar een potloodje grabbelde in zijn vestzakje, keek ik hem eens goed aan.
'k Had hem in vroeger jaren dikwijls zien spelen en hem wel wat arrogant, maar toch 'n goed acteur gevonden; iemand, die werkelijk zijn best deed, om door te dringen in de rol, die hij vervulde. Op 't tooneel was hij steeds een kranige, jeugdige verschijning, een "gentleman", die zijn uiterlijk verzorgde en goede manieren had. Nu zag ik hem niet op de planken of voor 't voetlicht, en zooals hij daar voor me stond, in gewoon, eerlijk daglicht, scheen hij me oud en vervallen. Zijn kleeding was nog die van een heer, maar ze begon reeds dat zeker iets te krijgen, dat men gewoonlijk "sjofel" noemt.
Een wijde, koffiebruine overjas met breeden, zwarten astrakankraag en omslagen aan de op de naden glimmende mouwen, hing ietwat sopperig over een valig-zwarte, gekleede jas en een geruite pantalon, waaruit zeer lichtgrijze slobkousen kwamen, zijn lakschoenen halverwege bedekkend. Zijn breedgeranden, hoogen, grijzen hoed had hij op een stoel gelegd.
Zijn magere hals leek nog dunner, geler en rimpeliger door den wijden, omgeslagen boord en de lichtblauwe, geelgemoesde das, die met een zwierigen, lossen strik een eindje over de lapellen van zijn jas hing.
Misschien kreeg door die opzichtige das zijn gelaat den zonderlingen tint, die mij opviel, maar 't kon ook zijn, dat Mr. Mansholt, nu hij zelf met zijn lijst rondging, zich, zooals men dat aan het tooneel noemt—"'n beetje had opgemaakt"; immers het donkere streepje onder zijn oogleden, en de onnatuurlijk zacht-rose kleur onder de oogen, de iets te blanke neus, duidden met het donzige waas, dat over zijn geheele gelaat lag, op "rouge de théatre," "poudre de riz" en O.-I. inkt.
Hij was zorgvuldig, glad geschoren en gefriseerd. De kapper had van het beetje haar, dat hij nog bezat, kunstvaardig partij getrokken en op zijn reeds hoogwordend voorhoofd een artistieke lok gelegd, waarin de "coup de fer" zeer duidelijk zichtbaar was.
Op eenigen afstand gezien, kon hij nog voor een knap man doorgaan; zijn gelaat was regelmatig gevormd; de neus met een kleine artistocratische buiging, had zeer bewegelijke vleugels en om den mond lag een soms bittere trek, die vooral zichtbaar werd, als hij het hoofd in den nek wierp en met zijn groote donkergrijze oogen "werkte", iets, wat hij voortdurend deed, terwijl hij sprak.
Zijn rijzige gestalte en slank figuur deden hem jonger schijnen, dan hij werkelijk was, want de vijftig lagen reeds ver achter hem.
Hij had het potloodje gevonden en schreef mijn naam op zijn lijst met ietwat onvaste hand.
—Heeft u soms ook kennissen of vrienden, liefhebbers van goede kunst, die u me zou kunnen recommandeeren—en zou u me dan een visitekaartje willen geven als introductie?... Dat zou me zeer veel goed doen, weet u? 't Is toch zoo moeielijk, om een goed benefiet te maken, als men niet 'n beetje aanbeveling heeft.
—Kaartjes geef ik nooit, aan niemand, maar....
—O, neem me dan vooral niet kwalijk!—Hij boog even, zette een zeer deêmoedig gezicht en lei de rechterhand tegen het roode roosje, dat hij op de linker borst droeg.
—Volstrekt niet, ik zal u eenige namen opgeven.
—Gaarne!
—Ik heb u in langen tijd niet zien optreden, meneer Holtsman; 't laatst meen ik in het Salon de Variétés—waar is u nu geëngageerd?
—Dat is juist het fatale van de zaak; ik ben sedert eenigen tijd—laat ik maar zeggen, geruimen tijd—zonder emplooi, en 't is akelig moeilijk, om 'n geschikte plaats te vinden. Iedere directie past mij niet, want ik ben er de man niet naar, om me te vergooien. Goddank! daarvoor ben ik te veelartist. 'k Heb aanbiedingen genoeg gehad van kleine theaters. Dáár wil ik niet spelen en bij de betere, och! daar is 't ook al misère tegenwoordig; ze geven stukken, waar ik niet in pas en bovendien, ik kan me toch niet laten terugdringen naar het tweede plan, door jonge spring-in-'t-veld's die zoogenaamd modern spelen. Ze hebben heusch geen notie van serieuze kunst, ze draaien, God beter 't, soms familjaar hun rug naar 't publiek en ze spreken, meneer! alsof ze in hun huiskamer zitten, Bah!
—Ja, ik herinner me, dat ik u altijd in eerste rollen heb gezien.
—Juist; ik was jaren lang "jeune premier". Hij poseerde, een hand op de borst leggend, de andere bevallig op de heup houdend, den rechtervoet een weinig vooruit, het hoofd ietwat achterover. Met een kleine, schuddende beweging, zoodat de gefriseerde lok op zijn voorhoofd even schommelde, zei hij:—Ik heb later karakterrollen gespeeld—'k heb ook gezongen, 'k had een goeden ténorléger; misschien heeft u me wel eens gehoord in "de scheepsjongen" als Julien. Na een paar lichte kuchjes en ahem's zong hij:
Ondanks den wind, ondanks de baren!
Ondanks het woeden van de zee,
Zal God den braven zeeman sparen! enz.
O! daarmee had ik altijd succes!
't Viel mij op, dat zijn stem min of meer heesch en beverig was geworden; hij merkte 't zelf wel en zei pijnlijk glimlachend:
—Ahem! 'k ben nu wat verkouden, maar ik heb nòg een goed geluid, dat durf ik zeggen. Ik ben nu 'n beetje in 't achterspit, franchementdit. 't Lot was mij niet gunstig, 'k heb veel pech gehad. 'k Ben laat aan 't tooneel gekomen, 'k was al bij de dertig. Mijn familie hield me altijd tegen.—'k Was in een goeie betrekking, maar,—hij tikte even op zijn borst—hier brandde 't feu-sacré! Ik rederijkte langen tijd, totdat de drang naar de kunst me te machtig werd. 'k Heb 'n heele poos veel succes gehad als artist, heel veel!—maar toen heb ik een dwaasheid begaan: 'k ben gaan trouwen.... Hum! 'n sérieus artist moest eigenlijk nooit trouwen.... Veel kinderen gekregen, 'n lijdende vrouw, altijd in finantieele zorgen gezeten. Je wil gentleman blijven, niet waar? Ieder 't zijne geven ... dat knauwt je, meneer—dat ruïneert je énergie! Hij zuchtte een paar malen.—En dan die moderne richting ... daar kan ik me niet toe schikken. Ik heb altijd mijn eigen opvatting gehad van spelen en die hoop ik te blijven behouden, zoolang ik ademhaal. Is dat spelen, wat ze tegenwoordig doen? Geen zweem van plastiek meer, geen nobele gestes, geen intonatiën, die van inzicht en studie getuigen. Ze rabbelen hun rol af als gewone menschen.
Laat een van die jongere grootheden eens verzen zeggen. Je loopt gewoon de komedie uit, als je 't hoort! Ah, meneer! dat was in mijn tijd anders, toen wist men wat verzen zeggen was. Je hield rekening met 't metrum, met den rhythmus, de scandeering. Enfin!—toen was 't kunst, wat men gaf. Daar heb je bij voorbeeld in Ines de Castro, den Don Pero, die rol heb ik gespeeld, meneer! gespeeld, dat het publiek letterlijk wég was—wég, meneer! van schrik en ontzetting!
Hij deed een stap terug, strekte langzaam zijn rechterhand uit, hief die plechtig omhoog en de twee voorste vingers trillend opstekend, de oogen ten hemel slaande, reciteerde hij met een stem, die nog hier en daar een forschen metaalklank had:
Ik zweer op u, mijn voet zal hier geen rust genieten,
Vóór ik het eerloos bloed uws moordenaars zie vlieten,
Zijn pezen knarsen en zijn beenderen kraken hooren,
Zijn lillend ingewand zie in het bloed versmoren.
Hoort u, hoe ik die claus zeg? Ieder woord slaat in het publiek in; je krijgt zóódoende voeling met je publiek, meneer! Och, dat zoûen ze tegenwoordig zeggen precies als iemand, die z'n knecht roept om een kopje thee. Ik kan me niet anders geven dan ik bén en dat 's mijn ongeluk; bovendien spelen ze die degelijke stukken ook niet meer. 't Is allemaal licht werk ... comédies, grollen, flauwe blijspelletjes! En dan 't proza, van die nieuwbakken acteurs, och! dat is zoo ellendig, geen kwestie van gesoigneerde kunst meer. Iedereen meent maar dadelijk tooneelspeler te zijn. 't Mocht wat!—Ze weten een waarachtig artist niet meer te waardeeren, meneer! Daarom ben ik ook een heele poos uit de kunst geweest; ik verchagrineerde me te veel; de directeuren trappen je; ze willen je voorschrijven, hoe je spelen moet. Dat kan een zelfbewust artist, zooals ik meen te zijn, niet verdragen—ik opponeerde nu en dan misschien iets te heftig, maar dat ligt zoo in mijn temperament en ... 't gevolg is, dat je zonder emplooi raakt.
—U zei, dat u een poos van 't tooneel af was!
—Juist, 'k heb een affaire gehad, maar daar deugde ik hoegenaamd niet voor ... een sigarenwinkel is een heel eerlijke broodwinning, maar voor een artist—'n gruwel! Ik kon er niet tegen, 't stuitte me tegen de borst.
Zijn gezicht in een heel andere plooi trekkend en met veranderde stem begon hij:
—Een dubbeltje zware, van de vijf!
—Asjeblief, lief weertje, meneer—opsteken? Hij glimlachte zoetelijk en maakte de beweging van 't overreiken eener lucifer.
—Een kwartje van de vier!
—Asjeblief! lief weertje, meneer—opsteken? O, goeie God,meneer, ik dacht soms uit m'n vel te springen, als ik zoo'n dialoog moest voeren, en dan al dat gezanik van de klanten:—te zwaar, te licht, niet trekken, geen witte asch, ruilen, enfin!—ik werd er wee van. Eigenlijk was 't jammer, want 't zaakje was nog zoo slecht niet, we hadden er brood in. Mijn vrouw, ze is een jaar geleden gestorven—hier pinkte hij "een denkbeeldigen traan" weg—kon den winkel waarnemen, als ik hier of daar offertes maakte. Bah! als ik er nog aan denk, dat ik destijds met zoo'n paar kistjes onder m'n arm bij mijn kennissen en vroegere collegas kwam—dan bloosde ik. Waarachtig! ik deed het toen, omdat ik moest....Zóó perst de nood zóó dwingt het lot tot buigen!—reciteerde hij, eensklaps weer in den tooneeltoon vervallend. Later ben ik nog een poos geëngageerd geweest in Rotterdam, maar ze zett'en me ook daar den voet dwars en nu probeer ik het eens met een benefiet; de collega's helpen me. Als u soms door uw relatiën met het tooneel een emplooi voor me wist?—Ik zou nu wel in de pére-nobles willen overgaan, desnoods. Mijn familie is nog bijna geheel en al ten mijnen laste. Ik heb vijf kinderen.
—Is er nog geen van in betrekking?
—De oudste is kinderjuffrouw, externe. Twee werken er op een corsettenfabriek, maar ze verdienen een schijntje en de andere twee gaan nog op school.
—En heeft u geen zoons?
—Eén zoon, meneer! Hij keek een oogenblik zwijgend, met bedroefde oogen als in de verte, zuchtte diep en zei met zachte stem: 't Is een stakkerd, meneer, een stumperd!
—Och, in welk opzicht?
—Geen gehemelte, moeilijk loopend, en ze zeggen, dat ie niet heelemaal wijs is—maar dát is positief niet waar! De doctoren mogen zoo knap zijn, als ze willen, maar daarin dwalen ze heelemaal. De stakkerd weet best wat hij doet, maar hij kan zich niet uiten, ten minste niet goed uiten ... en niemand thuis geeft zich de moeite, om hem te verstaan. Ze hebben een hekel aan 't kind—kan u je dat nu begrijpen van meisjes? Zelfs mijn vrouw mocht hem niet en zei altijd:—Charles, doe hem toch in een gesticht!
—Misschien had ze geen ongelijk; wat kan men voor zoo'n stumpertje doen? Hoe oud is hij?
—Ruim vijftien jaar! maar hij ziet er uit als twaalf.... 't Is m'n eenigste jongen. M'n vrouw kreeg drie meisjes achter elkaar—ja, dat was een bittere déceptie voor me.... 'k Heb aan dat kind heel wat verdokterd, maar d'r schijnt niets afdoende aan gedaan te kunnen worden—en nu ben ik de eenige, die hem begrijpt. Hij heeft zulke mooie donkere oogen, hé! Zoodra hij me ziet, beginnen ze te glimmen ... en de geluiden, die hij maakt, versta ik heel goed. Waarachtig, hij is niet onwijs, meneer, ik kan best met 'm redeneeren, maar dat komt, omdat ik er moeite voor doe. Hij zuchtte diep: wat moet er van hem worden, als ik er niet meer ben.... Enfin! ik sta hier te praten en ik beroof u van uw kostbaren tijd.
Plotseling ging hij weer over in den min of meer gezwollen toon, dien hij aansloeg, zoolang hij niet over zijn jongen sprak. Zijn hoedopnemend, vroeg hij:—U komt me toch zeker zelf zien—'t is één van mijn beste rollen. Misschien vindt u aanleiding om een gunstig woordje over me in de krant te zetten. 'k Zou nu zelfs een zéér bescheiden appointement aannemen. Adieu, meneer, mijn besten dank voor uw vriendelijkheid!
Eenige weken later, den dag nà zijn benefiet, 's morgens vóór elven reeds, stond Holtsman weer voor mij op mijn bureau.
Hij zag bleek, vaalbleek; zijn artistieke haarlok plakte klam en omgekruld tegen zijn tanig voorhoofd en zijn oogen lagen diep in hun kassen. Zijn geheele voorkomen was dat van een oud, vermoeid man. Zijn kleeding was niet anders, dan toen ik hem de eerste maal zag, alleen miste ik de opzichtige blauwe das; zijn groezelige, lage boord was los. Het scheen wel, alsof alles hem nu slordiger aan 't lijf zat, alsof hij opeens magerder was geworden. De hooge grijze hoed, die hij anders min of meer zwierig schuins droeg, zat nu achterover en hij vergat dien af te zetten, door de zenuwachtige gejaagdheid, waarmede hij binnenkwam.
Met een nerveus-schorren klank in zijn stem zei hij, zoodra hij mij zag:
—Ik ben zoo vrij, om u te komen spreken. U moet me helpen. U zal dit doen, want u is een mensch, dat weet ik. U ... pardon: Hij merkte eensklaps, dat hij zijn hoed nog ophad en nam dien af.—Pardon! ik ben akelig nerveus.... U voelt voor artisten, wou ik zeggen. U kan begrijpen, wat het is, om zóó, inééns, de risée te worden van een publiek, dat je vroeger op de handen droeg.
Holtsman sprak afgebroken en opgewonden en sloeg zich eenige malen, de oogen theatraal ten hemel heffend, met de rechtervuist op de borst.
—Hier hebben ze me gewond. M'n hart is tot bloedens toe getroffen. Mijn God, heb ik dát aan ons publiek verdiend? Zijn handen vielen slap langs zijn dijen en 't hoofd zonk hem zóó diep op de borst, dat zijn bijna geheel onthaarde kruin zichtbaar werd.
Eensklaps hief hij 't hoofd met een kort rukje weer op, achterover, schudde het eenige malen als in heftige ontkenning en riep melodramatisch:
—Neen! neen!—dat kán ik niet dragen, 't is te veel hoon op eens—te veel smaad voor een denkend artist! 't is mijn ondergang! Ik, Holtsman! eerste karakterrol, van de planken gelachen! Ja, ge-la-chen, meneer! Is 't geen gruwel? Schreit het niet ten hemel?
—Maar, m'n beste meneer, wat is er dan toch gebeurd?
—Weet u 't niet? Heeft u mijn débacle dan niet bijgewoond? Niet? O, Goddank!—Hij hief de armen op met tragisch gebaar. Ik hoef me dus voor u niet te schamen. U lacht dus nog niet om me?
—Ik begrijp u heusch niet goed.
—Ik meende, u toch te zien zitten gisteren avond.
—Zeker! maar ik ben even vóór de pauze heengegaan. Ik had hoofdpijn gekregen door den rook, de hitte en de menschenlucht; 't théater is zoo klein en 't was stikvol; mij dunkt, u had niet te klagen.
—Finantieel was ik tevreden, maar moreel, helaas! ben ik geruïneerd.... Somber keek hij voor zich uit.
—Maar vertel mij dan toch?
Hij kruiste langzaam de armen over de borst, en steunde met diep gebogen hoofd naar den grond starend:—Vernietigd!... Ver-nie-tigd! herhaalde hij met een traan in zijn stem. Daarna, alsof het een "ter zijde" op het tooneel was, zei hij zacht in zich zelven:
—Komaan, moed! moed!... en luider:—Ja, aan u durf ik 't vertellen, omdat u een mensch is!
—Wilt u niet gaan zitten? U ziet er zoo vermoeid uit.
—'k Ben óp, meneer, totaal óp!—Geen oog geloken van nacht. 'k Zal zoo vrij zijn. Hij nam een stoel en ging zitten met de beenen over elkaar in een tooneelachtige houding, één arm over de leuning van den stoel geslagen, met den anderen gesticuleerend.
—Alles ging goed, dat heeft u gezien. Ik speelde met animo, dat heeft u ook zelf gezien, niet waar? Ik gaf een Henri, zooals hij moet zijn, een dweepend dichter, een naïf gevoelsmensch; ik was goed in mijn rol, dat voel ik, en ofschoon ik heel slecht gesecondeerd werd—'k had ter elfder ure moeten opgrabbelen, wat ik krijgen kon, omdat mijn collega's me voor 't meerendeel hadden gedupeerd! De één was hierdoor verhinderd, de ander dáárdoor—toch heb ik het stuk weten te houden. Ik vul het tooneel, nietwaar? En 't publiek was heel lief in het begin.
—Ja, me dunkt, er was na ieder bedrijf veel applaus!
—Te veel, meneer! te veel! Viermaal riepen ze me, toen de pauze kwam, terug, maar ... ik werd beetgenomen, o God! dat heb ik smartelijk ondervonden. Toen ik, nadat er al driemaal gehaald was, voor de vierde maal voor 't voetlicht kwam, om te buigen, zag ik, achter in het parterre, een krans opsteken. Hij bedekte een oogenblik zijn gelaat met beide handen en scheen te snikken.
—Een krans, vader, een lauwerkrans!—riep mijn jongste dochter, die rechts achter de coulissen stond, me zachtjes toe.
Ik boog, ik lei, zooals gebruikelijk is, m'n hand op m'n hart. Holtsman stond op en speelde nu letterlijk het volgende:
—Daar vloog de krans over de hoofden der toeschouwers op het tooneel en viel vlak voor mijn voeten neer, maar,—hij scheen bij de herinnering te rillen—met een onnatuurlijk doffen slag.
—D'r zit een cadeau aan! hoorde ik m'n tweede dochter, van achter den Mantemau d'Arlequin, links, zeggen.
't Arme kind werd misleid door den zwaren plof, dien de krans gaf.
Ik raapte hem op!... Groote God! meneer, toen ik haar in m'n handen had, was 't alsof de bliksem voor mijn voeten neêrsloeg—ik dacht, dat ik door den grond zonk. 't Was geen krans, meneer! 't Was—weer bedekte hij een oogenblik het gelaat met de nu beverige handen,—'t was een worst!... Zoo'n groote, gemeene, geldersche rookworst, waar ze boerenkool, bladeren en bloemen om hadden gewonden.
Holtsman stond naast zijn stoel en maakte, naar den grond ziende, alsof de worst daar nog lag, een breed gebaar van afschuw en schrik, deed een pas terug met afwerend, gebogen handen en siste tusschen zijn tanden door:—Ploerten! hadden hem gegooid, ploerten, die ik nu achter in de zaal zag dubbelslaan van 't lachen.
—'k Sprong 'n oogenblik terug, meneer! 't Was me, alsof ik een adder had aangepakt. Ik wist een paar seconden lang niet, wat ik doen moest, maar plotseling ontwaakte in mij de artist, de gehoonde kunstenaar. Ik greep de worst, rukte er 't groen, de bloemen af, strooide die uit over mijn schedel en toen—toen slingerde ik het vette, vieze ding met één krachtigen zet, "zóó!—hij greep als in extase zijn hoed en smeet dien over mijn lessenaar—naar die ploerten ... en metéén donderde ik hun toe: Ellendelingen! Lafaards! Ik heb als kunstenaar een krans, een lauwerkrans, bloemen, verdiend, maar ... honger heb ik om den bliksem nog niet!—Dat was misschien iets te kras gezegd, meneer, maar ad-rem was 't wel! En in zoo'n oogenblik ben je jezelf niet heelemaal meester, dát voelt u!
—Nu, en toen?—ik had werkelijk veel moeite, om ernstig te blijven; Holtsman zag het en zei kalmer:
—O, geneer u niet! Ik begrijp, dat u mijn situatie ook belachelijk vindt en u neem ik dit in 't minst niet kwalijk ... omdat u óók wel voelt dat ik—hij bracht de uitgespreide rechterhand even aan zijn voorhoofd—krankzinnig werd van woede op dat moment. U kan begrijpen, hoe helsch ik was!
—Volkomen! 't Was een verschrikkelijke toestand.
—Een supplice, meneer! Maar 't ergste kwam nog. Dat brieschend gelach, dat satanisch geschater neen! noem 't gerust gebrul, van alle rangen. Bravo, bis, kranig! Mooi gezeid! riepen ze van alle kanten maar op een toon, dat ik ze wel in d'r gezicht had willen vliegen. 't Werd een ontzettende chaos!
Zakken!—Zakken!—schreeuwden ze achter me op 't tooneel, maar je zult altijd zien, dat in zulke penible oogenblikken nog iets extra-onaangenaams gebeurt, 't doek bleef halverwege schuins zitten, 't wou niet op of neer.
Halen!—Zakken!—Halen! gilden ze achter me, en vóór me brulden ze lachend: Da capo, Bravo! Bravo! En 't scherm bleef maar steken, ze trokken het touw haast stuk; niets hielp, 't zat muurvast, fataal! meneer, fataal!
Heengaan, als een druipstaartende hond wou ik niet. Dien triomf gunde ik mijn belagers niet ... en daarvoor ben ik niet laf genoeg, ik voel me 'n te hoogstaand artist voor zóó iets!
Daarom bleef ik zóó, in uitdagende houding, met de armen over de borst en 't hoofd fier opgeheven, die ploerten zwijgend aanzien maar ... m'n oogen spraken als dolken! Maar toen ze opnieuw: Bravo, Bis! riepen en de worst in de hoogte staken op een parapluie, vloog 't bloed me in eens, onstuimig, naar 't hoofd en met al de kracht van mijn orgaan smeet ik een donderend:
—Ellendelingen, ik veracht je!... door de zaal.
Een oogenblik was het publiek gebluft, maar daar begonnen die gemeenekwâjongens te zingen:—Dat's mooi gezeid, dat's mooi gezeid! en ... weg, totaal weg! was de indruk van mijn woorden. 't Gelach begon opnieuw; anderen sisten en floten er tusschen in.... 't Was afgrijselijk, om razend van te worden! Gelukkig zakte toen het gordijn.
Als uitgeput door 't vertellen, liet Holtsman zich, met langzame sleeppasjes achteruitgaande, op den stoel nedervallen, zijn hoofd, diep gebogen, rustend op de uitgespreide vingers der linkerhand, den elleboog op de knie. Een klein poosje bleef hij zóó zitten, nam met een diepen melodramatischen zucht en langzame beweging een witten zakdoek uit zijn borstzak en zachtjes zijn bepereld voorhoofd bettend, vroeg hij dof:—Is 't niet om te besterven?
—Ik heb erg medelijden met u, meneer Holtsman.
—O, dank! innigen dank!—hij breidde de armen naar mij uit.—Zoo'n woord van u is een droppel balsem op mijn verscheurd gemoed!
Hij stond weer op, wrong even de handen, als in wanhoop, en sloeg toen de linker voor de oogen, terwijl hij met de rechtervuist zachtjes op zijn hart klopte:
—O, meneer! ik heb zoo geleden, gisterenavond, van nacht, want ... zelfs m'n dochters hebben om me gelachen! Ze konden 't niet helpen, zeiden ze, maar 't was zoo wreed!—Ik ben toch haar vader! Afschuwelijk, niet waar, om door je eigen vleesch en bloed te worden doodgelachen. Door deze strophe ben ik vermoord!
Met een veelzeggende handbeweging naar den grond en in mineur zuchtte hij dof:—Zedelijk gesluipmoord, bedoel ik, want mijn prestige tegenover mijn kinderen is dood, morsdood, sedert gisteren! Verbeeld u, de oudste, die in de zaal was, is niet eens opgestaan, om met luider stem te protesteeren tegen den smaad, die haar vader werd aangedaan. Ze verweet me zelfs, dat ik me had "aangesteld" "màl-aangesteld", door dat groen, die bloemen over m'n hoofd te strooien. Ze begrijpt de symboliek niet van die daad!
—Ze had zich voor mij gegêneerd, zei ze, omdat sommige hartelooze menschen, die haar kenden, haar zoo raar hadden aangekeken.... Maar, mijn God! bestaan er dan geen banden des bloeds meer?
Droevig voor zich uitstarend, poosde hij even, diep ademhalend, toen kwam hij vlak voor me staan en zei schier fluisterend:—Illusie, meneer! Hersenschim! als je dankbaarheid van je kinderen verwacht; de moderne ideeën maken ze los van alles, ze ontgroeien tegenwoordig te gauw de ouderlijke tucht. Hoe grooter ze worden, hoe meer egoïst.
—We hebben van nacht een in-treurigen nacht gehad, want ik zei heel duidelijk mijn opinie aan mijn meisjes.... Misschien heb ik nog al krasse termen gebruikt, want 't gaf een huilpartij—daar kan ik in 't geheel niet tegen; dat gegrien irriteert me geweldig, 't beleedigt mijn aesthetisch gevoel. Toen ze kalmer waren, rekende ik het mijn plicht als vader, om haar ernstig voor te houden, dat ik van mijn kinderen heel wat anders had verwacht dan hilariteit. Ze lieten me gewoon praten en gingen naar bed. In de achterkamer hoorde ik ze giegelen met mekaar;—dat deed me zeer, maar toen ik m'n tweede dochter, Sophie, schamper hoorde zeggen:—"Wat 'n zanik—had iede worst maar liever meegebracht"—toen, meneer! was m'n lijdensbeker te vol, toen heb ik geschreid, bitter en lang!
—Niemand troostte me—alleen Karel, die stumperd, was hartelijk voor z'n vader en die jongen noemen anderen nu: onwijs! De stakkerd was alleen uit z'n bed gekomen,—hoe, mag de goeie hemel weten—en streelde mijn wangen, zóó, heel zachtjes ... dat is zoo'n eigen manier van hem, weet u?
—Als ik thuis ben, gebeurt het meer, dat ik zwaarmoedig ben. Dat ziet de jongen dadelijk aan me, of hij merkt 't als bij intuïtie. Dan worden zijn oogen zoo goedig, zoo groot en zacht en dan sukkelt ie naar me toe en drukt zich tegen me aan, net als een trouwe hond, hè? 't Is precies, alsof ie zeggen wil: Vader,ikhou van je,ikkom je troosten—ikweet, dat je lijdt. Ach, als die arme jongen maar spreken kon, was alles zooveel beter—dan zouen ze niet meer zeggen: hij is suf! dan zouen z'n zusters 'm niet zoo verschoppen.
—Wij hooren nu eerst goed bij mekaar, wantikben ook een verschoppeling—een uitgelachen artist is niets beters.
—Kom, kom! meneer Holtsman, geen moed verliezen. Je zult deze teleurstelling wel weer te boven komen.
—N—neen!—--n—neen! Hij nam zijn hoed van den grond op en maakte er een deuk uit.—Ik ben "fini",—de worstacteur—de artist van de worst—zullen ze mij voortaan noemen. Bah, 't is al te walgelijk!
Een paar malen schudde hij zich als in hevigen afschuw; toen scheen de crisis voorbij. Hij veranderde van houding en van toon en lei iets nederigs in zijn stem, terwijl hij vroeg:
—Zou u niet in uw veelgelezen blad—dat was ook de reden van mijn vroege komst hier—onder de rubriek "kunst" een entre-filet willen plaatsen, waarin u een scherpe afkeuring uitspreekt over het gebeurde van gisterenavond? En zou u dan meteen de beleefdheid willen hebben er op te wijzen, hoe ik nu, totaal onschuldig, het slachtoffer ben van—zijn gelaat teekende eensklaps afschuw, toorn en minachting—van een vuile, ploertige studentengrap.
—Als u er dan bijvoegen kon, dat ik als acteur mijn sporen wel heb verdiend en dat ... maar—hij boog even deemoedig het hoofd—misschien is 't al te onbescheiden, wat ik vraag—dat ik voor menig tooneelgezelschap door mijn veeljarige routine, door mijn beschaafd, met verstand spelen en goed orgaan een aanwinst zou kunnen zijn.
—Ik heb Don César de Bazan, Paljas, Lazaro, IJzervreter, La Gardére—enfin, u weet wel, alléén éérste rollen gespeeld, maar ik ben nu niet ongenegen, om in een ander emplooi over te gaan. Als ik maar eerst ergens voor vast ben, kom ik van zelf weer "au premier plan," omdat ze onmiddellijk zullen begrijpen, wat ze aanmijhebben. Hij richtte zich in zijn volle lengte op, zette een hooge borst en trok langzaam een paar erg oude glacé handschoenen aan. Zijn mimiek was geheel in overeenstemming met zijn pose, want zijn wenkbrauwen waren sterk gefronst en de hoekjes van zijn mond omlaag getrokken onder de zacht bewegende neusvleugels.
—Ik zal probeeren, of ik iets voor u doen kan, maar u begrijpt wel, datikniet bij machte ben, om u een engagement te bezorgen.
"Het pogen zelfs is grootsch in 't worstelperk der eer," citeerde hij met een beminnelijken glimlach en geleidelijke stemverheffing, daarna meer gewoon:—Ik ben u al vooruit innig dankbaar!
Met een fraaie, goedbestudeerde tooneelbuiging nam hij afscheid. Aan de deur gekomen, keerde hij zich om, de rechterhand op den deurknop leggend, één knie vooruit, het hoofd iets achterover.
—Vaarwel, mijnheer! Hij wuifde me toe met de slappe linkerhand.—Vaarwel!