BEDIENING DER KERK.

BEDIENING DER KERK.»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

BEDIENING DER KERK.»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

BEDIENING DER KERK.»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

BEDIENING DER KERK.»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

BEDIENING DER KERK.»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

BEDIENING DER KERK.

»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster vanUtrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31

»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk vanOudewateronder het classis vanGoudaenSchoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis vanDordrechtgeweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.

»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stadGoudate gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk vanOudewaterdienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval,de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33wedde te zullen genieten.34

»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch hetdrietal, moet zoowel als hetberoep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”

Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:

Wel isGoudanog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.

De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.

De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehuchtGoejan-verwelles-sluiseindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienstgewijdekerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.

Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.

i.BEDIENAARS DER KERK.Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

i.BEDIENAARS DER KERK.

Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

Vicarijen en Vicarissen.Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

Vicarijen en Vicarissen.

Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.2.Willem die Rode, een priester.Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.

Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van deVicarissente benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:

1.Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.

In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.

2.Willem die Rode, een priester.

Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer

3.Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan

4. MeesterAdriaan ChristiaansevanOudewater,priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan

5.Diderik, die op dien tijd teLeuvenstudeerde.

De vader van dezenDiderik, die een burger vanOudewaterwas enAmelgeriusheette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.

In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.

Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.

In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen,het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35

Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius vanUtrechtbekrachtigd werd.

Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van

6. HeerChristiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer vanOudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

j.R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.

In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer1.Johan Pellekussen.Anno 1403 werd deze pastorie bediend door2.Bartholomeus Janse.363.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.374.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.14.Cornelis Jacobse.15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)16.Cornelis Gerritse.17.Cors Reijersz.18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)19.Simon Janse.20.Geerlof Gerritse.21.Dirk Amelgersz.40In 1566 was pastoor te dezer plaatse.22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43

In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor vanOudewaterwas de Heer

1.Johan Pellekussen.

Anno 1403 werd deze pastorie bediend door

2.Bartholomeus Janse.36

3.Johannes van Buerenwas in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie vanUtrechten proost te dezer stede.37

4.Dirk Ponsswas priester inOudewaterAnno 1465.

5.Henderik Henderiksewas hoogstwaarschijnlijk alhierpriester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijkearchieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis vanOudewatereen viertel land, gelegen op de noordzijde vanLinschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.

6.Jan Ottoszoonwas alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.

In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.

In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer

7.Loeffridus van der Haar, die naarUtrechtvertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38

Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.

8.Adriaan ChristiaanseeldersKerstens.

Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.

9.Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39

Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.

10.Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.

11.Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie vanOudewater.

12.Bartholomeus Florissein 1574 alhier begraven.

13.Gerrit Sijbertszbegraven in of iets voor 1574.

14.Cornelis Jacobse.

15.Willem Jacobse(werd begraven 1592.)

16.Cornelis Gerritse.

17.Cors Reijersz.

18.Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)

19.Simon Janse.

20.Geerlof Gerritse.

21.Dirk Amelgersz.40

In 1566 was pastoor te dezer plaatse.

22.Theodorus Aemilius.Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving endaarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.

Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar deHoofdkerkals de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”

Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zalgewijd geweest zijn, toen men in 1575vóór de moorder de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk vanUtrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43


Back to IndexNext