Chapter 51

Oudewatersnaamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.Oudewateris gelegen in het zuidoostelijk gedeelte vanZuid-Holland, aan den HollandschenIJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands vanSchoonhovenenWoerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop vanUtrechttot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2Zooals men dus bemerkt, behoordeOudewaterreeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen vanUtrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop vanUtrecht, deze plaats nevens andere steden, voor eenzekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3Tengevolge dezer verpanding, behoordeOudewaternu onderHollanden wel onder het oudeNoord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van denIJssellag.4Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aanHollanden de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerinMargaretha, als gravin vanHolland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur overHolland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, datOudewaternooit meer van de Graaflijkheid vanHollandgescheiden zoude mogen worden.5Intusschen begonOudewaterreeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot’s Gravenweder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 teSchiedam, iets voor 1342 teDelftwaren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willemden III aan den Bisschop vanSuden, om die vanOudewater200 »pontsuartertornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten enprivilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters vanOudewaterniet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen vanOudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.In 1324 werd aan die vanOudewaterverlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen vanWoerden, teOudewatermoest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van’s Graven»Gruiten” teOudewatervoor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” vanOudewaterdoor denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester vanZuid Hollandgebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stadOudewaterdoor keizerin Margaretha als gravin vanHolland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aanOudewaterhet privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid vanHollandte scheiden.6Tot dus verre was alles inOudewatervrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvanOudewateren deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen vanHolland, Heere Jan van Arkel, bevond.Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nuOudewatervoor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterdeOudewateraantastte, en dat op den dag na MariaBoodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voorOudewatergezien werden.”»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenigeUtrechtscheRaadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bresgevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, vanUtrechtsachtbaren zoeken zal.”8Toen nu deHollandersvernomen hadden, datOudewateraldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bijSchoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger derHollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die vanUtrechthet slagveld en behaalden wederom de victorie. VeleHollandscheedelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent SinteMartijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9Dan, keeren wij totOudewaterterug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokteOudewaterruimschoots deel nam.Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naarBeijerenontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bijSchoonhovengesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, vanHolland,ZeelandenWest-Vriesland, behoudende voor haar alleenHenegouwenzoo lang zij leefde.De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 teMuncheninBeijerengegeven, en werden sedert teGeertruidenbergbezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de stedenDordrecht,Middelburg,Zierikzee,Leiden,Geertruidenberg,Delft,Haarlem,Alkmaar,AmsterdamenOudewaterdie te dezer tijden, de aanzienlijkste steden vanHolland,ZeelandenWest-Vrieslandwaren.11Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naarHolland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ookOudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaanof hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.De steden nu, diezijnezijde hielden, warenDordrecht,Delft,Leiden,Haarlem,Amsterdam,Alkmaar,Medemblik,Oudewater,Geertruidenberg,SchiedamenRotterdam, waarbij zich kort daarna ookVlaardingenvoegde.12Terwijl wijOudewaternu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevendeOudewaterterug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoorOudewaterten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13In hetzelfde jaar, bleefOudewatermet de anderesteden vanHollandborg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog vanBrabanden weduwe van Willem den IV, Grave vanHollandnog te eischen had.14Dordrechten de elf andere steden—waaronder ookOudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen eenbijzonderverbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen vanHollandenZeelandbenevens de heerlijkheid vanVrieslandgingen nu van het stamhuis vanHenegouwenin dat vanBeijerenover,16en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeldOudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver vanWijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op debeen brengenvan vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg naOudewaterende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede vanMontfoort, en die vanMontfoortwaren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters vanMontfoortvernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer vanMontfoortharen heere op dien tijd binnenUtrechtwas, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave vanMontfoortweder ontslagen.De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschenHollanden het Sticht tot stand kwam.In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrentOudewateraantreffen, is eene vergunningom zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over denIJsselbijOudewater,»wit onse stede overgaende op ten gaenwech van denIJsseldijc.”Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ookOudewatergedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschenOudewateren het Waterschap vanWoerdengetroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over deLinschoten; en een belofte der hoogheemraden vanWoerdenom de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.Het eerst, dat wijOudewaternu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart vanHolland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille,Oudewatervermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop vanLuik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrentOudewaterhier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land vanVoornemet de stadBriel.22»Middellerwijl hadOudewaternu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnoldvan Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.Ookhijhad met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ookhijhad het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerstZwammerdamenNaardenveel van hem geleden hadden, kreegOudewaterzijn beurt.»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voorOudewateren het was ten jare 1374””23»Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uytOudewaterLXXIII mannen.””25»In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voorOudewatereen vrede houdende nabuur geweest is.”26Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt teDordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave vanLeidenen die van deze stedeOudewaterdusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hooggestegen, dat Grave Albrecht vanBeijerenals scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen totAlphenende daaromtrent.”27In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28en ten jare 1393 werdOudewatermet eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt teDordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.Die vanOudewaterwaren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude vanOudewaterverwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die vanOudewaterdan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip vanHaestrechthadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip vanHaestrechtwoende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave vanHollandwerd verheven31en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden vanOudewatervoor.Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheidopgevat voor Aleida van Poelgeest, die te’s Gravenhagebij hem ten hove was.32Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ookOudewatermoest daaraan deel nemen.Zie hier wat er van de zaak is:Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden vanOudewateromtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die vanOudewateraangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” vanGouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte vanOudewatergeerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen vanOudewaterdat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochtevan den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stedeOudewaterechter inhet volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40teDordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41kwam er eene meer gunstige stemming omtrentOudewaterin’s gravengemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van terGoude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven totGorichemop ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren vanHollandende vanZeeland, dat si der steede vanOudewateren horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’tOudewaterdie opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren vanOudewater, ende hoir goide veilich soude laten varenvoir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aanSchiedamenOudewaterhet oprigten eener stedelijke school vergund werd,43dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien vanOudewaterte dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stadOudewaterzelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die vanOudewaterbij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden vanOudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in denHaagwaarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hijWoerdenenOudewatertenzelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave vanMontfoorten de Burggrave vanLeiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht metOudewaterniet meer te twijfelen viel.Inmiddels ontvlugtte de Graaf vanOostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave vanOostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. DerHollandscheenZeeuwschesteden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wijOudewatervreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijndeStavorenals toen de eenige stad inVrieslanddie nogHollandschebezettingen hield.47Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners vanOudewaterin 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die vanOudewateromtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande vanWoerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zijmoesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hijOudewatervrijdom voor zijne tollen teSparendamenHeusdenniet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten inOost-Vrieslandvoor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging vanOudewaterop de grenzen vanHolland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnenOudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct opOudewaterbetrekking hebben.52Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten vanHollandbekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55Willem verklaarde toen in 1401, het vanOudewaternaburigeHaastrecht,Vliste,Stolwijken andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uitHolland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57zich uit,Oudewaterwas eene der sterkste grensvestingen vanHolland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten inVrieslanddie hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”Weten wij nog uit de divisie kronijk59dat hij voorOudewaterverscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedekeOudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedekeOudewaterzelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die vanOudewaterbevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien opOudewaterbetrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijvingvoor datgemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stedeOudewaterom van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogeneischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.Het volgende privilegie in1405was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenenmolente mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande,Oudewaternimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid vanHolland, en tevens stelde hij die vanOudewaterbij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrentOudewatergewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschenOudewateren het nabij gelegenWoerdenvele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden vanWoerdenaanOudewaterbeloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande vanWoerdenzich verbinden, de sluis binnenOudewaterliggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die vanOudewateren oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnenOudewatereen nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers,willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rolOudewaterer in speelt.Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn vanFrankrijkdie in het jaar 1417, kinderloos overleed.Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden vanHolland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten,Burgemeesters, Schepenen en Raden66vanOudewaterhadden »plegtiglijk gezworen,dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter enleenvolgstererkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden vanHolland, uitgenomenDordrechtingehuldigd.Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, datOudewaterzich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburigeIJsselsteinmeester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog vanBraband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog vanBrabandin ernstige onderhandeling te treden.68Ten jare 1418 kwam dieverbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave vanHollandenZeeland, wordende hij door de steden, waar onder ookOudewater, als zoodanig gehuldigd.Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69dat de stedenHaarlem,DelftenLeidenomtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ookOudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg vanDordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren vanDordrechtte raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies vanRotterdamte betreuren had, werd eromtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap vanZuid-Hollandaan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan;Oudewaterwerd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen vanBrabantenBeijerenin het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog vanBeijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naarBrabantgereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon inOudewatertot Schout benoemde,72die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421,Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij teOudewaterweder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderenAmersfoortenMontfoortin te nemen.74Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die vanOudewaterin het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen benedenSchoonhoventot aanOudewatertoen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, enMontfoortkoos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk vanMontfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.»Bij een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast teMontfoortzoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voorOudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die vanOudewaterzich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, dochOudewaterhoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder vanBeijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen vanBrabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan vanBrabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog vanGlochesteren ook hij noemde zich alras Grave vanHenegouwen, vanHolland,Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog vanGlochesteraantreffen, begint zich ook Philips, hertog vanBeijerenals vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, teBergengevangen genomen en naarGentgevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna teWoudrichemzijnde, werd zij door heer Jan van Viane naarOudewater,SchoonhovenenGoudagevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog vanBourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.Nu wist de hertog vanBrabantspoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, datOudewater, nevensGoudaenSchoonhoven, aan hare zijde bleven.In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder overHollandbenoemd.Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voorSchoonhovengeslagen.Jacoba, beducht voorGouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap metOudewaterafgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu dennaderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577tot een gevecht bijAlphen. Die vanGouda,SchoonhovenenOudewatervielen hen nu onvoorziens op het lijf,78schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels vanHaarlem,LeidenenAmsterdam, in vreugde en gejuich binnenGouda.Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij inZeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uitEngeland, in 1426 een gevecht bijBrouwershavenverloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voorHaarlemen ook bij dien veldtogt, werd de banier vanOudewateraan hare zijde niet gemist;79maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid teGoudaophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bijWieringenbijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger opGoudaaan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering vanHollandbleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog doorHollandenZeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrentOudewatervoor alsRuwaard.Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Oudewatersnaamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.Oudewateris gelegen in het zuidoostelijk gedeelte vanZuid-Holland, aan den HollandschenIJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands vanSchoonhovenenWoerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop vanUtrechttot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2Zooals men dus bemerkt, behoordeOudewaterreeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen vanUtrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop vanUtrecht, deze plaats nevens andere steden, voor eenzekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3Tengevolge dezer verpanding, behoordeOudewaternu onderHollanden wel onder het oudeNoord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van denIJssellag.4Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aanHollanden de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerinMargaretha, als gravin vanHolland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur overHolland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, datOudewaternooit meer van de Graaflijkheid vanHollandgescheiden zoude mogen worden.5Intusschen begonOudewaterreeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot’s Gravenweder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 teSchiedam, iets voor 1342 teDelftwaren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willemden III aan den Bisschop vanSuden, om die vanOudewater200 »pontsuartertornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten enprivilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters vanOudewaterniet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen vanOudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.In 1324 werd aan die vanOudewaterverlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen vanWoerden, teOudewatermoest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van’s Graven»Gruiten” teOudewatervoor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” vanOudewaterdoor denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester vanZuid Hollandgebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stadOudewaterdoor keizerin Margaretha als gravin vanHolland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aanOudewaterhet privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid vanHollandte scheiden.6Tot dus verre was alles inOudewatervrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvanOudewateren deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen vanHolland, Heere Jan van Arkel, bevond.Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nuOudewatervoor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterdeOudewateraantastte, en dat op den dag na MariaBoodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voorOudewatergezien werden.”»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenigeUtrechtscheRaadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bresgevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, vanUtrechtsachtbaren zoeken zal.”8Toen nu deHollandersvernomen hadden, datOudewateraldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bijSchoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger derHollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die vanUtrechthet slagveld en behaalden wederom de victorie. VeleHollandscheedelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent SinteMartijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9Dan, keeren wij totOudewaterterug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokteOudewaterruimschoots deel nam.Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naarBeijerenontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bijSchoonhovengesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, vanHolland,ZeelandenWest-Vriesland, behoudende voor haar alleenHenegouwenzoo lang zij leefde.De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 teMuncheninBeijerengegeven, en werden sedert teGeertruidenbergbezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de stedenDordrecht,Middelburg,Zierikzee,Leiden,Geertruidenberg,Delft,Haarlem,Alkmaar,AmsterdamenOudewaterdie te dezer tijden, de aanzienlijkste steden vanHolland,ZeelandenWest-Vrieslandwaren.11Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naarHolland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ookOudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaanof hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.De steden nu, diezijnezijde hielden, warenDordrecht,Delft,Leiden,Haarlem,Amsterdam,Alkmaar,Medemblik,Oudewater,Geertruidenberg,SchiedamenRotterdam, waarbij zich kort daarna ookVlaardingenvoegde.12Terwijl wijOudewaternu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevendeOudewaterterug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoorOudewaterten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13In hetzelfde jaar, bleefOudewatermet de anderesteden vanHollandborg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog vanBrabanden weduwe van Willem den IV, Grave vanHollandnog te eischen had.14Dordrechten de elf andere steden—waaronder ookOudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen eenbijzonderverbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen vanHollandenZeelandbenevens de heerlijkheid vanVrieslandgingen nu van het stamhuis vanHenegouwenin dat vanBeijerenover,16en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeldOudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver vanWijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op debeen brengenvan vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg naOudewaterende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede vanMontfoort, en die vanMontfoortwaren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters vanMontfoortvernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer vanMontfoortharen heere op dien tijd binnenUtrechtwas, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave vanMontfoortweder ontslagen.De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschenHollanden het Sticht tot stand kwam.In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrentOudewateraantreffen, is eene vergunningom zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over denIJsselbijOudewater,»wit onse stede overgaende op ten gaenwech van denIJsseldijc.”Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ookOudewatergedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschenOudewateren het Waterschap vanWoerdengetroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over deLinschoten; en een belofte der hoogheemraden vanWoerdenom de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.Het eerst, dat wijOudewaternu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart vanHolland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille,Oudewatervermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop vanLuik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrentOudewaterhier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land vanVoornemet de stadBriel.22»Middellerwijl hadOudewaternu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnoldvan Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.Ookhijhad met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ookhijhad het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerstZwammerdamenNaardenveel van hem geleden hadden, kreegOudewaterzijn beurt.»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voorOudewateren het was ten jare 1374””23»Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uytOudewaterLXXIII mannen.””25»In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voorOudewatereen vrede houdende nabuur geweest is.”26Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt teDordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave vanLeidenen die van deze stedeOudewaterdusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hooggestegen, dat Grave Albrecht vanBeijerenals scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen totAlphenende daaromtrent.”27In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28en ten jare 1393 werdOudewatermet eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt teDordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.Die vanOudewaterwaren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude vanOudewaterverwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die vanOudewaterdan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip vanHaestrechthadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip vanHaestrechtwoende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave vanHollandwerd verheven31en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden vanOudewatervoor.Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheidopgevat voor Aleida van Poelgeest, die te’s Gravenhagebij hem ten hove was.32Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ookOudewatermoest daaraan deel nemen.Zie hier wat er van de zaak is:Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden vanOudewateromtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die vanOudewateraangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” vanGouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte vanOudewatergeerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen vanOudewaterdat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochtevan den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stedeOudewaterechter inhet volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40teDordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41kwam er eene meer gunstige stemming omtrentOudewaterin’s gravengemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van terGoude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven totGorichemop ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren vanHollandende vanZeeland, dat si der steede vanOudewateren horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’tOudewaterdie opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren vanOudewater, ende hoir goide veilich soude laten varenvoir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aanSchiedamenOudewaterhet oprigten eener stedelijke school vergund werd,43dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien vanOudewaterte dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stadOudewaterzelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die vanOudewaterbij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden vanOudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in denHaagwaarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hijWoerdenenOudewatertenzelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave vanMontfoorten de Burggrave vanLeiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht metOudewaterniet meer te twijfelen viel.Inmiddels ontvlugtte de Graaf vanOostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave vanOostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. DerHollandscheenZeeuwschesteden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wijOudewatervreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijndeStavorenals toen de eenige stad inVrieslanddie nogHollandschebezettingen hield.47Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners vanOudewaterin 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die vanOudewateromtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande vanWoerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zijmoesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hijOudewatervrijdom voor zijne tollen teSparendamenHeusdenniet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten inOost-Vrieslandvoor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging vanOudewaterop de grenzen vanHolland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnenOudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct opOudewaterbetrekking hebben.52Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten vanHollandbekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55Willem verklaarde toen in 1401, het vanOudewaternaburigeHaastrecht,Vliste,Stolwijken andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uitHolland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57zich uit,Oudewaterwas eene der sterkste grensvestingen vanHolland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten inVrieslanddie hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”Weten wij nog uit de divisie kronijk59dat hij voorOudewaterverscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedekeOudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedekeOudewaterzelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die vanOudewaterbevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien opOudewaterbetrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijvingvoor datgemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stedeOudewaterom van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogeneischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.Het volgende privilegie in1405was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenenmolente mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande,Oudewaternimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid vanHolland, en tevens stelde hij die vanOudewaterbij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrentOudewatergewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschenOudewateren het nabij gelegenWoerdenvele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden vanWoerdenaanOudewaterbeloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande vanWoerdenzich verbinden, de sluis binnenOudewaterliggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die vanOudewateren oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnenOudewatereen nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers,willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rolOudewaterer in speelt.Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn vanFrankrijkdie in het jaar 1417, kinderloos overleed.Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden vanHolland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten,Burgemeesters, Schepenen en Raden66vanOudewaterhadden »plegtiglijk gezworen,dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter enleenvolgstererkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden vanHolland, uitgenomenDordrechtingehuldigd.Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, datOudewaterzich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburigeIJsselsteinmeester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog vanBraband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog vanBrabandin ernstige onderhandeling te treden.68Ten jare 1418 kwam dieverbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave vanHollandenZeeland, wordende hij door de steden, waar onder ookOudewater, als zoodanig gehuldigd.Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69dat de stedenHaarlem,DelftenLeidenomtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ookOudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg vanDordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren vanDordrechtte raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies vanRotterdamte betreuren had, werd eromtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap vanZuid-Hollandaan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan;Oudewaterwerd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen vanBrabantenBeijerenin het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog vanBeijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naarBrabantgereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon inOudewatertot Schout benoemde,72die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421,Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij teOudewaterweder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderenAmersfoortenMontfoortin te nemen.74Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die vanOudewaterin het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen benedenSchoonhoventot aanOudewatertoen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, enMontfoortkoos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk vanMontfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.»Bij een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast teMontfoortzoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voorOudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die vanOudewaterzich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, dochOudewaterhoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder vanBeijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen vanBrabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan vanBrabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog vanGlochesteren ook hij noemde zich alras Grave vanHenegouwen, vanHolland,Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog vanGlochesteraantreffen, begint zich ook Philips, hertog vanBeijerenals vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, teBergengevangen genomen en naarGentgevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna teWoudrichemzijnde, werd zij door heer Jan van Viane naarOudewater,SchoonhovenenGoudagevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog vanBourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.Nu wist de hertog vanBrabantspoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, datOudewater, nevensGoudaenSchoonhoven, aan hare zijde bleven.In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder overHollandbenoemd.Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voorSchoonhovengeslagen.Jacoba, beducht voorGouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap metOudewaterafgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu dennaderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577tot een gevecht bijAlphen. Die vanGouda,SchoonhovenenOudewatervielen hen nu onvoorziens op het lijf,78schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels vanHaarlem,LeidenenAmsterdam, in vreugde en gejuich binnenGouda.Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij inZeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uitEngeland, in 1426 een gevecht bijBrouwershavenverloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voorHaarlemen ook bij dien veldtogt, werd de banier vanOudewateraan hare zijde niet gemist;79maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid teGoudaophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bijWieringenbijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger opGoudaaan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering vanHollandbleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog doorHollandenZeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrentOudewatervoor alsRuwaard.Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Oudewatersnaamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.Oudewateris gelegen in het zuidoostelijk gedeelte vanZuid-Holland, aan den HollandschenIJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands vanSchoonhovenenWoerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop vanUtrechttot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2Zooals men dus bemerkt, behoordeOudewaterreeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen vanUtrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop vanUtrecht, deze plaats nevens andere steden, voor eenzekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3Tengevolge dezer verpanding, behoordeOudewaternu onderHollanden wel onder het oudeNoord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van denIJssellag.4Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aanHollanden de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerinMargaretha, als gravin vanHolland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur overHolland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, datOudewaternooit meer van de Graaflijkheid vanHollandgescheiden zoude mogen worden.5Intusschen begonOudewaterreeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot’s Gravenweder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 teSchiedam, iets voor 1342 teDelftwaren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willemden III aan den Bisschop vanSuden, om die vanOudewater200 »pontsuartertornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten enprivilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters vanOudewaterniet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen vanOudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.In 1324 werd aan die vanOudewaterverlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen vanWoerden, teOudewatermoest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van’s Graven»Gruiten” teOudewatervoor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” vanOudewaterdoor denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester vanZuid Hollandgebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stadOudewaterdoor keizerin Margaretha als gravin vanHolland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aanOudewaterhet privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid vanHollandte scheiden.6Tot dus verre was alles inOudewatervrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvanOudewateren deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen vanHolland, Heere Jan van Arkel, bevond.Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nuOudewatervoor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterdeOudewateraantastte, en dat op den dag na MariaBoodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voorOudewatergezien werden.”»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenigeUtrechtscheRaadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bresgevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, vanUtrechtsachtbaren zoeken zal.”8Toen nu deHollandersvernomen hadden, datOudewateraldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bijSchoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger derHollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die vanUtrechthet slagveld en behaalden wederom de victorie. VeleHollandscheedelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent SinteMartijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9Dan, keeren wij totOudewaterterug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokteOudewaterruimschoots deel nam.Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naarBeijerenontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bijSchoonhovengesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, vanHolland,ZeelandenWest-Vriesland, behoudende voor haar alleenHenegouwenzoo lang zij leefde.De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 teMuncheninBeijerengegeven, en werden sedert teGeertruidenbergbezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de stedenDordrecht,Middelburg,Zierikzee,Leiden,Geertruidenberg,Delft,Haarlem,Alkmaar,AmsterdamenOudewaterdie te dezer tijden, de aanzienlijkste steden vanHolland,ZeelandenWest-Vrieslandwaren.11Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naarHolland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ookOudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaanof hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.De steden nu, diezijnezijde hielden, warenDordrecht,Delft,Leiden,Haarlem,Amsterdam,Alkmaar,Medemblik,Oudewater,Geertruidenberg,SchiedamenRotterdam, waarbij zich kort daarna ookVlaardingenvoegde.12Terwijl wijOudewaternu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevendeOudewaterterug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoorOudewaterten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13In hetzelfde jaar, bleefOudewatermet de anderesteden vanHollandborg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog vanBrabanden weduwe van Willem den IV, Grave vanHollandnog te eischen had.14Dordrechten de elf andere steden—waaronder ookOudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen eenbijzonderverbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen vanHollandenZeelandbenevens de heerlijkheid vanVrieslandgingen nu van het stamhuis vanHenegouwenin dat vanBeijerenover,16en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeldOudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver vanWijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op debeen brengenvan vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg naOudewaterende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede vanMontfoort, en die vanMontfoortwaren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters vanMontfoortvernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer vanMontfoortharen heere op dien tijd binnenUtrechtwas, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave vanMontfoortweder ontslagen.De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschenHollanden het Sticht tot stand kwam.In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrentOudewateraantreffen, is eene vergunningom zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over denIJsselbijOudewater,»wit onse stede overgaende op ten gaenwech van denIJsseldijc.”Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ookOudewatergedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschenOudewateren het Waterschap vanWoerdengetroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over deLinschoten; en een belofte der hoogheemraden vanWoerdenom de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.Het eerst, dat wijOudewaternu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart vanHolland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille,Oudewatervermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop vanLuik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrentOudewaterhier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land vanVoornemet de stadBriel.22»Middellerwijl hadOudewaternu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnoldvan Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.Ookhijhad met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ookhijhad het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerstZwammerdamenNaardenveel van hem geleden hadden, kreegOudewaterzijn beurt.»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voorOudewateren het was ten jare 1374””23»Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uytOudewaterLXXIII mannen.””25»In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voorOudewatereen vrede houdende nabuur geweest is.”26Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt teDordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave vanLeidenen die van deze stedeOudewaterdusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hooggestegen, dat Grave Albrecht vanBeijerenals scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen totAlphenende daaromtrent.”27In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28en ten jare 1393 werdOudewatermet eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt teDordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.Die vanOudewaterwaren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude vanOudewaterverwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die vanOudewaterdan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip vanHaestrechthadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip vanHaestrechtwoende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave vanHollandwerd verheven31en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden vanOudewatervoor.Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheidopgevat voor Aleida van Poelgeest, die te’s Gravenhagebij hem ten hove was.32Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ookOudewatermoest daaraan deel nemen.Zie hier wat er van de zaak is:Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden vanOudewateromtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die vanOudewateraangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” vanGouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte vanOudewatergeerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen vanOudewaterdat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochtevan den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stedeOudewaterechter inhet volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40teDordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41kwam er eene meer gunstige stemming omtrentOudewaterin’s gravengemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van terGoude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven totGorichemop ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren vanHollandende vanZeeland, dat si der steede vanOudewateren horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’tOudewaterdie opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren vanOudewater, ende hoir goide veilich soude laten varenvoir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aanSchiedamenOudewaterhet oprigten eener stedelijke school vergund werd,43dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien vanOudewaterte dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stadOudewaterzelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die vanOudewaterbij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden vanOudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in denHaagwaarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hijWoerdenenOudewatertenzelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave vanMontfoorten de Burggrave vanLeiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht metOudewaterniet meer te twijfelen viel.Inmiddels ontvlugtte de Graaf vanOostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave vanOostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. DerHollandscheenZeeuwschesteden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wijOudewatervreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijndeStavorenals toen de eenige stad inVrieslanddie nogHollandschebezettingen hield.47Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners vanOudewaterin 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die vanOudewateromtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande vanWoerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zijmoesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hijOudewatervrijdom voor zijne tollen teSparendamenHeusdenniet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten inOost-Vrieslandvoor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging vanOudewaterop de grenzen vanHolland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnenOudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct opOudewaterbetrekking hebben.52Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten vanHollandbekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55Willem verklaarde toen in 1401, het vanOudewaternaburigeHaastrecht,Vliste,Stolwijken andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uitHolland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57zich uit,Oudewaterwas eene der sterkste grensvestingen vanHolland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten inVrieslanddie hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”Weten wij nog uit de divisie kronijk59dat hij voorOudewaterverscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedekeOudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedekeOudewaterzelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die vanOudewaterbevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien opOudewaterbetrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijvingvoor datgemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stedeOudewaterom van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogeneischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.Het volgende privilegie in1405was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenenmolente mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande,Oudewaternimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid vanHolland, en tevens stelde hij die vanOudewaterbij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrentOudewatergewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschenOudewateren het nabij gelegenWoerdenvele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden vanWoerdenaanOudewaterbeloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande vanWoerdenzich verbinden, de sluis binnenOudewaterliggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die vanOudewateren oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnenOudewatereen nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers,willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rolOudewaterer in speelt.Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn vanFrankrijkdie in het jaar 1417, kinderloos overleed.Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden vanHolland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten,Burgemeesters, Schepenen en Raden66vanOudewaterhadden »plegtiglijk gezworen,dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter enleenvolgstererkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden vanHolland, uitgenomenDordrechtingehuldigd.Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, datOudewaterzich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburigeIJsselsteinmeester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog vanBraband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog vanBrabandin ernstige onderhandeling te treden.68Ten jare 1418 kwam dieverbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave vanHollandenZeeland, wordende hij door de steden, waar onder ookOudewater, als zoodanig gehuldigd.Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69dat de stedenHaarlem,DelftenLeidenomtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ookOudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg vanDordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren vanDordrechtte raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies vanRotterdamte betreuren had, werd eromtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap vanZuid-Hollandaan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan;Oudewaterwerd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen vanBrabantenBeijerenin het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog vanBeijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naarBrabantgereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon inOudewatertot Schout benoemde,72die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421,Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij teOudewaterweder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderenAmersfoortenMontfoortin te nemen.74Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die vanOudewaterin het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen benedenSchoonhoventot aanOudewatertoen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, enMontfoortkoos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk vanMontfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.»Bij een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast teMontfoortzoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voorOudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die vanOudewaterzich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, dochOudewaterhoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder vanBeijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen vanBrabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan vanBrabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog vanGlochesteren ook hij noemde zich alras Grave vanHenegouwen, vanHolland,Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog vanGlochesteraantreffen, begint zich ook Philips, hertog vanBeijerenals vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, teBergengevangen genomen en naarGentgevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna teWoudrichemzijnde, werd zij door heer Jan van Viane naarOudewater,SchoonhovenenGoudagevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog vanBourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.Nu wist de hertog vanBrabantspoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, datOudewater, nevensGoudaenSchoonhoven, aan hare zijde bleven.In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder overHollandbenoemd.Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voorSchoonhovengeslagen.Jacoba, beducht voorGouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap metOudewaterafgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu dennaderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577tot een gevecht bijAlphen. Die vanGouda,SchoonhovenenOudewatervielen hen nu onvoorziens op het lijf,78schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels vanHaarlem,LeidenenAmsterdam, in vreugde en gejuich binnenGouda.Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij inZeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uitEngeland, in 1426 een gevecht bijBrouwershavenverloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voorHaarlemen ook bij dien veldtogt, werd de banier vanOudewateraan hare zijde niet gemist;79maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid teGoudaophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bijWieringenbijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger opGoudaaan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering vanHollandbleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog doorHollandenZeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrentOudewatervoor alsRuwaard.Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Oudewatersnaamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.Oudewateris gelegen in het zuidoostelijk gedeelte vanZuid-Holland, aan den HollandschenIJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands vanSchoonhovenenWoerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop vanUtrechttot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2Zooals men dus bemerkt, behoordeOudewaterreeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen vanUtrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop vanUtrecht, deze plaats nevens andere steden, voor eenzekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3Tengevolge dezer verpanding, behoordeOudewaternu onderHollanden wel onder het oudeNoord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van denIJssellag.4Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aanHollanden de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerinMargaretha, als gravin vanHolland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur overHolland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, datOudewaternooit meer van de Graaflijkheid vanHollandgescheiden zoude mogen worden.5Intusschen begonOudewaterreeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot’s Gravenweder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 teSchiedam, iets voor 1342 teDelftwaren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willemden III aan den Bisschop vanSuden, om die vanOudewater200 »pontsuartertornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten enprivilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters vanOudewaterniet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen vanOudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.In 1324 werd aan die vanOudewaterverlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen vanWoerden, teOudewatermoest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van’s Graven»Gruiten” teOudewatervoor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” vanOudewaterdoor denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester vanZuid Hollandgebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stadOudewaterdoor keizerin Margaretha als gravin vanHolland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aanOudewaterhet privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid vanHollandte scheiden.6Tot dus verre was alles inOudewatervrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvanOudewateren deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen vanHolland, Heere Jan van Arkel, bevond.Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nuOudewatervoor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterdeOudewateraantastte, en dat op den dag na MariaBoodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voorOudewatergezien werden.”»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenigeUtrechtscheRaadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bresgevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, vanUtrechtsachtbaren zoeken zal.”8Toen nu deHollandersvernomen hadden, datOudewateraldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bijSchoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger derHollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die vanUtrechthet slagveld en behaalden wederom de victorie. VeleHollandscheedelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent SinteMartijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9Dan, keeren wij totOudewaterterug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokteOudewaterruimschoots deel nam.Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naarBeijerenontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bijSchoonhovengesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, vanHolland,ZeelandenWest-Vriesland, behoudende voor haar alleenHenegouwenzoo lang zij leefde.De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 teMuncheninBeijerengegeven, en werden sedert teGeertruidenbergbezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de stedenDordrecht,Middelburg,Zierikzee,Leiden,Geertruidenberg,Delft,Haarlem,Alkmaar,AmsterdamenOudewaterdie te dezer tijden, de aanzienlijkste steden vanHolland,ZeelandenWest-Vrieslandwaren.11Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naarHolland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ookOudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaanof hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.De steden nu, diezijnezijde hielden, warenDordrecht,Delft,Leiden,Haarlem,Amsterdam,Alkmaar,Medemblik,Oudewater,Geertruidenberg,SchiedamenRotterdam, waarbij zich kort daarna ookVlaardingenvoegde.12Terwijl wijOudewaternu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevendeOudewaterterug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoorOudewaterten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13In hetzelfde jaar, bleefOudewatermet de anderesteden vanHollandborg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog vanBrabanden weduwe van Willem den IV, Grave vanHollandnog te eischen had.14Dordrechten de elf andere steden—waaronder ookOudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen eenbijzonderverbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen vanHollandenZeelandbenevens de heerlijkheid vanVrieslandgingen nu van het stamhuis vanHenegouwenin dat vanBeijerenover,16en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeldOudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver vanWijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op debeen brengenvan vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg naOudewaterende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede vanMontfoort, en die vanMontfoortwaren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters vanMontfoortvernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer vanMontfoortharen heere op dien tijd binnenUtrechtwas, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave vanMontfoortweder ontslagen.De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschenHollanden het Sticht tot stand kwam.In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrentOudewateraantreffen, is eene vergunningom zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over denIJsselbijOudewater,»wit onse stede overgaende op ten gaenwech van denIJsseldijc.”Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ookOudewatergedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschenOudewateren het Waterschap vanWoerdengetroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over deLinschoten; en een belofte der hoogheemraden vanWoerdenom de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.Het eerst, dat wijOudewaternu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart vanHolland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille,Oudewatervermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop vanLuik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrentOudewaterhier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land vanVoornemet de stadBriel.22»Middellerwijl hadOudewaternu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnoldvan Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.Ookhijhad met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ookhijhad het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerstZwammerdamenNaardenveel van hem geleden hadden, kreegOudewaterzijn beurt.»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voorOudewateren het was ten jare 1374””23»Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uytOudewaterLXXIII mannen.””25»In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voorOudewatereen vrede houdende nabuur geweest is.”26Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt teDordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave vanLeidenen die van deze stedeOudewaterdusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hooggestegen, dat Grave Albrecht vanBeijerenals scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen totAlphenende daaromtrent.”27In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28en ten jare 1393 werdOudewatermet eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt teDordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.Die vanOudewaterwaren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude vanOudewaterverwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die vanOudewaterdan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip vanHaestrechthadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip vanHaestrechtwoende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave vanHollandwerd verheven31en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden vanOudewatervoor.Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheidopgevat voor Aleida van Poelgeest, die te’s Gravenhagebij hem ten hove was.32Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ookOudewatermoest daaraan deel nemen.Zie hier wat er van de zaak is:Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden vanOudewateromtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die vanOudewateraangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” vanGouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte vanOudewatergeerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen vanOudewaterdat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochtevan den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stedeOudewaterechter inhet volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40teDordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41kwam er eene meer gunstige stemming omtrentOudewaterin’s gravengemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van terGoude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven totGorichemop ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren vanHollandende vanZeeland, dat si der steede vanOudewateren horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’tOudewaterdie opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren vanOudewater, ende hoir goide veilich soude laten varenvoir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aanSchiedamenOudewaterhet oprigten eener stedelijke school vergund werd,43dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien vanOudewaterte dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stadOudewaterzelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die vanOudewaterbij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden vanOudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in denHaagwaarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hijWoerdenenOudewatertenzelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave vanMontfoorten de Burggrave vanLeiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht metOudewaterniet meer te twijfelen viel.Inmiddels ontvlugtte de Graaf vanOostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave vanOostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. DerHollandscheenZeeuwschesteden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wijOudewatervreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijndeStavorenals toen de eenige stad inVrieslanddie nogHollandschebezettingen hield.47Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners vanOudewaterin 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die vanOudewateromtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande vanWoerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zijmoesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hijOudewatervrijdom voor zijne tollen teSparendamenHeusdenniet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten inOost-Vrieslandvoor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging vanOudewaterop de grenzen vanHolland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnenOudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct opOudewaterbetrekking hebben.52Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten vanHollandbekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55Willem verklaarde toen in 1401, het vanOudewaternaburigeHaastrecht,Vliste,Stolwijken andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uitHolland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57zich uit,Oudewaterwas eene der sterkste grensvestingen vanHolland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten inVrieslanddie hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”Weten wij nog uit de divisie kronijk59dat hij voorOudewaterverscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedekeOudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedekeOudewaterzelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die vanOudewaterbevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien opOudewaterbetrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijvingvoor datgemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stedeOudewaterom van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogeneischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.Het volgende privilegie in1405was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenenmolente mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande,Oudewaternimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid vanHolland, en tevens stelde hij die vanOudewaterbij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrentOudewatergewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschenOudewateren het nabij gelegenWoerdenvele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden vanWoerdenaanOudewaterbeloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande vanWoerdenzich verbinden, de sluis binnenOudewaterliggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die vanOudewateren oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnenOudewatereen nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers,willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rolOudewaterer in speelt.Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn vanFrankrijkdie in het jaar 1417, kinderloos overleed.Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden vanHolland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten,Burgemeesters, Schepenen en Raden66vanOudewaterhadden »plegtiglijk gezworen,dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter enleenvolgstererkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden vanHolland, uitgenomenDordrechtingehuldigd.Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, datOudewaterzich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburigeIJsselsteinmeester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog vanBraband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog vanBrabandin ernstige onderhandeling te treden.68Ten jare 1418 kwam dieverbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave vanHollandenZeeland, wordende hij door de steden, waar onder ookOudewater, als zoodanig gehuldigd.Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69dat de stedenHaarlem,DelftenLeidenomtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ookOudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg vanDordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren vanDordrechtte raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies vanRotterdamte betreuren had, werd eromtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap vanZuid-Hollandaan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan;Oudewaterwerd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen vanBrabantenBeijerenin het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog vanBeijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naarBrabantgereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon inOudewatertot Schout benoemde,72die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421,Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij teOudewaterweder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderenAmersfoortenMontfoortin te nemen.74Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die vanOudewaterin het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen benedenSchoonhoventot aanOudewatertoen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, enMontfoortkoos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk vanMontfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.»Bij een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast teMontfoortzoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voorOudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die vanOudewaterzich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, dochOudewaterhoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder vanBeijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen vanBrabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan vanBrabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog vanGlochesteren ook hij noemde zich alras Grave vanHenegouwen, vanHolland,Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog vanGlochesteraantreffen, begint zich ook Philips, hertog vanBeijerenals vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, teBergengevangen genomen en naarGentgevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna teWoudrichemzijnde, werd zij door heer Jan van Viane naarOudewater,SchoonhovenenGoudagevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog vanBourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.Nu wist de hertog vanBrabantspoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, datOudewater, nevensGoudaenSchoonhoven, aan hare zijde bleven.In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder overHollandbenoemd.Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voorSchoonhovengeslagen.Jacoba, beducht voorGouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap metOudewaterafgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu dennaderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577tot een gevecht bijAlphen. Die vanGouda,SchoonhovenenOudewatervielen hen nu onvoorziens op het lijf,78schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels vanHaarlem,LeidenenAmsterdam, in vreugde en gejuich binnenGouda.Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij inZeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uitEngeland, in 1426 een gevecht bijBrouwershavenverloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voorHaarlemen ook bij dien veldtogt, werd de banier vanOudewateraan hare zijde niet gemist;79maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid teGoudaophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bijWieringenbijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger opGoudaaan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering vanHollandbleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog doorHollandenZeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrentOudewatervoor alsRuwaard.Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Oudewatersnaamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.

Oudewateris gelegen in het zuidoostelijk gedeelte vanZuid-Holland, aan den HollandschenIJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands vanSchoonhovenenWoerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1

Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop vanUtrechttot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2

Zooals men dus bemerkt, behoordeOudewaterreeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen vanUtrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop vanUtrecht, deze plaats nevens andere steden, voor eenzekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3

Tengevolge dezer verpanding, behoordeOudewaternu onderHollanden wel onder het oudeNoord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van denIJssellag.4

Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aanHollanden de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerinMargaretha, als gravin vanHolland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur overHolland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, datOudewaternooit meer van de Graaflijkheid vanHollandgescheiden zoude mogen worden.5

Intusschen begonOudewaterreeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot’s Gravenweder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 teSchiedam, iets voor 1342 teDelftwaren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willemden III aan den Bisschop vanSuden, om die vanOudewater200 »pontsuartertornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.

Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten enprivilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters vanOudewaterniet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen vanOudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.

In 1324 werd aan die vanOudewaterverlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.

In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.

In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen vanWoerden, teOudewatermoest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van’s Graven»Gruiten” teOudewatervoor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” vanOudewaterdoor denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester vanZuid Hollandgebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”

In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stadOudewaterdoor keizerin Margaretha als gravin vanHolland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aanOudewaterhet privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid vanHollandte scheiden.6

Tot dus verre was alles inOudewatervrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvanOudewateren deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.

Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen vanHolland, Heere Jan van Arkel, bevond.

Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nuOudewatervoor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterdeOudewateraantastte, en dat op den dag na MariaBoodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voorOudewatergezien werden.”

»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”

»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenigeUtrechtscheRaadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.

»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bresgevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, vanUtrechtsachtbaren zoeken zal.”8

Toen nu deHollandersvernomen hadden, datOudewateraldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bijSchoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger derHollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die vanUtrechthet slagveld en behaalden wederom de victorie. VeleHollandscheedelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent SinteMartijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9

Dan, keeren wij totOudewaterterug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokteOudewaterruimschoots deel nam.

Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naarBeijerenontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.

Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10

De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bijSchoonhovengesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.

Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, vanHolland,ZeelandenWest-Vriesland, behoudende voor haar alleenHenegouwenzoo lang zij leefde.

De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 teMuncheninBeijerengegeven, en werden sedert teGeertruidenbergbezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de stedenDordrecht,Middelburg,Zierikzee,Leiden,Geertruidenberg,Delft,Haarlem,Alkmaar,AmsterdamenOudewaterdie te dezer tijden, de aanzienlijkste steden vanHolland,ZeelandenWest-Vrieslandwaren.11

Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.

Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naarHolland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ookOudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaanof hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.

Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.

De steden nu, diezijnezijde hielden, warenDordrecht,Delft,Leiden,Haarlem,Amsterdam,Alkmaar,Medemblik,Oudewater,Geertruidenberg,SchiedamenRotterdam, waarbij zich kort daarna ookVlaardingenvoegde.12

Terwijl wijOudewaternu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevendeOudewaterterug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoorOudewaterten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13

In hetzelfde jaar, bleefOudewatermet de anderesteden vanHollandborg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog vanBrabanden weduwe van Willem den IV, Grave vanHollandnog te eischen had.14

Dordrechten de elf andere steden—waaronder ookOudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen eenbijzonderverbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15

Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen vanHollandenZeelandbenevens de heerlijkheid vanVrieslandgingen nu van het stamhuis vanHenegouwenin dat vanBeijerenover,16en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeldOudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17

Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver vanWijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op debeen brengenvan vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18

»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg naOudewaterende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede vanMontfoort, en die vanMontfoortwaren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters vanMontfoortvernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer vanMontfoortharen heere op dien tijd binnenUtrechtwas, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19

In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave vanMontfoortweder ontslagen.

De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschenHollanden het Sticht tot stand kwam.

In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20

Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrentOudewateraantreffen, is eene vergunningom zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over denIJsselbijOudewater,»wit onse stede overgaende op ten gaenwech van denIJsseldijc.”

Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ookOudewatergedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschenOudewateren het Waterschap vanWoerdengetroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over deLinschoten; en een belofte der hoogheemraden vanWoerdenom de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.

Het eerst, dat wijOudewaternu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart vanHolland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille,Oudewatervermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop vanLuik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrentOudewaterhier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land vanVoornemet de stadBriel.22

»Middellerwijl hadOudewaternu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnoldvan Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.

Ookhijhad met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ookhijhad het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerstZwammerdamenNaardenveel van hem geleden hadden, kreegOudewaterzijn beurt.

»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voorOudewateren het was ten jare 1374””23»Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uytOudewaterLXXIII mannen.””25»In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voorOudewatereen vrede houdende nabuur geweest is.”26

Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt teDordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave vanLeidenen die van deze stedeOudewaterdusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hooggestegen, dat Grave Albrecht vanBeijerenals scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen totAlphenende daaromtrent.”27

In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28en ten jare 1393 werdOudewatermet eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt teDordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29

Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.

Die vanOudewaterwaren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude vanOudewaterverwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die vanOudewaterdan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip vanHaestrechthadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip vanHaestrechtwoende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30

Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave vanHollandwerd verheven31en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden vanOudewatervoor.

Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheidopgevat voor Aleida van Poelgeest, die te’s Gravenhagebij hem ten hove was.32Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ookOudewatermoest daaraan deel nemen.

Zie hier wat er van de zaak is:

Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34

Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35

De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37

Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden vanOudewateromtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die vanOudewateraangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” vanGouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte vanOudewatergeerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen vanOudewaterdat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochtevan den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38

Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stedeOudewaterechter inhet volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40teDordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41kwam er eene meer gunstige stemming omtrentOudewaterin’s gravengemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van terGoude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:

Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven totGorichemop ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren vanHollandende vanZeeland, dat si der steede vanOudewateren horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.

Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’tOudewaterdie opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren vanOudewater, ende hoir goide veilich soude laten varenvoir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”

Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aanSchiedamenOudewaterhet oprigten eener stedelijke school vergund werd,43dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien vanOudewaterte dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”

Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stadOudewaterzelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die vanOudewaterbij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden vanOudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in denHaagwaarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hijWoerdenenOudewatertenzelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45

Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave vanMontfoorten de Burggrave vanLeiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht metOudewaterniet meer te twijfelen viel.

Inmiddels ontvlugtte de Graaf vanOostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.

Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave vanOostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46

De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. DerHollandscheenZeeuwschesteden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wijOudewatervreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.

Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijndeStavorenals toen de eenige stad inVrieslanddie nogHollandschebezettingen hield.47

Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners vanOudewaterin 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die vanOudewateromtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande vanWoerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zijmoesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49

Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hijOudewatervrijdom voor zijne tollen teSparendamenHeusdenniet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten inOost-Vrieslandvoor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging vanOudewaterop de grenzen vanHolland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”

Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnenOudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51

En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct opOudewaterbetrekking hebben.52

Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten vanHollandbekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54

Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.

Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55

Willem verklaarde toen in 1401, het vanOudewaternaburigeHaastrecht,Vliste,Stolwijken andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uitHolland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.

Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.

Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57zich uit,Oudewaterwas eene der sterkste grensvestingen vanHolland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten inVrieslanddie hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”

Weten wij nog uit de divisie kronijk59dat hij voorOudewaterverscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedekeOudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.

Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60

Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.

Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedekeOudewaterzelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die vanOudewaterbevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.

Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.

Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap vanHolland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders HertogheAelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren vanOudewatervriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede vanOudewatervoorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven teHolland, van onzen Lieven Heer ende Vader HertogheAalbrechtvoorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren vanOudewatervoorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.

In Oirkonden &c. Gegeven in denHageop ten xi. dach in Maert Anno xiiijcende vier.Secundum Cursum.

Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien opOudewaterbetrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijvingvoor datgemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stedeOudewaterom van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogeneischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.

Het volgende privilegie in1405was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenenmolente mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande,Oudewaternimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid vanHolland, en tevens stelde hij die vanOudewaterbij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63

In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrentOudewatergewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschenOudewateren het nabij gelegenWoerdenvele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden vanWoerdenaanOudewaterbeloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande vanWoerdenzich verbinden, de sluis binnenOudewaterliggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.

Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die vanOudewateren oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnenOudewatereen nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers,willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rolOudewaterer in speelt.

Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn vanFrankrijkdie in het jaar 1417, kinderloos overleed.

Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden vanHolland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.

Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten,Burgemeesters, Schepenen en Raden66vanOudewaterhadden »plegtiglijk gezworen,dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter enleenvolgstererkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”

En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden vanHolland, uitgenomenDordrechtingehuldigd.

Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, datOudewaterzich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.

Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburigeIJsselsteinmeester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.

Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.

Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.

Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog vanBraband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.

Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog vanBrabandin ernstige onderhandeling te treden.68Ten jare 1418 kwam dieverbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave vanHollandenZeeland, wordende hij door de steden, waar onder ookOudewater, als zoodanig gehuldigd.

Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.

Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69dat de stedenHaarlem,DelftenLeidenomtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ookOudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70

Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg vanDordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren vanDordrechtte raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies vanRotterdamte betreuren had, werd eromtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap vanZuid-Hollandaan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan;Oudewaterwerd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen vanBrabantenBeijerenin het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog vanBeijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.

Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.

Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naarBrabantgereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon inOudewatertot Schout benoemde,72die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.

Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421,Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij teOudewaterweder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73

Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.

Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderenAmersfoortenMontfoortin te nemen.74

Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die vanOudewaterin het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen benedenSchoonhoventot aanOudewatertoen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.

»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, enMontfoortkoos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk vanMontfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.

»Bij een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast teMontfoortzoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75

Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voorOudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die vanOudewaterzich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.

Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, dochOudewaterhoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder vanBeijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.

De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen vanBrabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan vanBrabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog vanGlochesteren ook hij noemde zich alras Grave vanHenegouwen, vanHolland,Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog vanGlochesteraantreffen, begint zich ook Philips, hertog vanBeijerenals vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.

Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, teBergengevangen genomen en naarGentgevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna teWoudrichemzijnde, werd zij door heer Jan van Viane naarOudewater,SchoonhovenenGoudagevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76

Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog vanBourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.

Nu wist de hertog vanBrabantspoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, datOudewater, nevensGoudaenSchoonhoven, aan hare zijde bleven.

In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder overHollandbenoemd.

Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voorSchoonhovengeslagen.

Jacoba, beducht voorGouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap metOudewaterafgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu dennaderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577tot een gevecht bijAlphen. Die vanGouda,SchoonhovenenOudewatervielen hen nu onvoorziens op het lijf,78schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels vanHaarlem,LeidenenAmsterdam, in vreugde en gejuich binnenGouda.

Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij inZeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uitEngeland, in 1426 een gevecht bijBrouwershavenverloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voorHaarlemen ook bij dien veldtogt, werd de banier vanOudewateraan hare zijde niet gemist;79maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.

Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid teGoudaophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bijWieringenbijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger opGoudaaan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.

Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering vanHollandbleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.

Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog doorHollandenZeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrentOudewatervoor alsRuwaard.

Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:

Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Philips, by der Genaden Gods Hertoge vanBergoenjen, Graef vanVlaenderen, vanArtoysen vanBourgoenjen, Palentyn, Heere vanSalinsen vanMechelen, Ruwaert over die Landen vanHenegouwen, vanHolland,vanZeeland, ende vanVriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede vanOudewateraen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot dietyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.

Gegeven in onsen Stede vanDordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.


Back to IndexNext