Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder overHollandenZeelandbenoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zustersOudewatermoesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich inHolland,ZeelandenWest Vrieslandals grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder metmeerder regtbevestigd werd.Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, entoch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkhedenVoorne,Zuid-Beveland, enTholen, benevens de tollen vanHollandenZeelandgedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die vanOudewaterniet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op deOost-Zeehandel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdragdat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn”en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ookOudewaterzorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheiddan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden.Oudewatermoet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden vanOudewatergeschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande vanHollandwesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters vanIJsselsteinhet in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die vanOudewaterdan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die vanIJsselsteinde wijke binnenOudewaterzochten, dat men dan inOudewaterbeter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters vanIJsselsteinooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden vanOudewaterals mede eene van Anno 1456.Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der stedenSchoonhoven,Oudewater,Woerden,Weesp,MuidenenNaardenover het vorderenvan morgen geld in het Sticht vanUtrechtgedaan, dat die vanHollandin het Sticht vanUtrechtgeërfdzijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrentOudewatervermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ookOudewaterals graaf werd erkend.84Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrentOudewateraantreffen.Hij sneuvelde in den slag bijNancyten jare1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.InHollandtoch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangenwerden.85Dit toch gebeurde onder anderen teGouda,Schoonhovenen elders en zoo ook spoedig inOudewater.Van Berkum, in zijne beschrijving vanSchoonhovenmaakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij vanSchoonhovenhersteld was, stond de gemeente teSchoonhovenonder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder vanHolland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, enSchoonhovenbleef Hoeksch, en bragt met die vanDordrechten terGoudaeven na paschen in het jaar 1479,Oudewaterinsgelijks aan die zijde.”86Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij alskerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ookOudewaterdoor Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ookOudewateraan,88niettegenstaandeGoudaenSchoonhoven»met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, datLeidenwaaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was,Oudewaterweder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uitHolland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echternergensgelukte dan teHoornen teGouda.90In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig inOudewateraf. Eerst werd het hoekschgezindeDordrechtingenomen, en daarna vielen ookSchoonhovenenOudewaterweder in de magt der Kabellaauwschen.Tot het innemen vanOudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naarDordrecht,Gouda,OudewaterenSchoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92en aldra onderwierp ookLeidenzich aan den Grave.Nadat de zaken nu aldus doorMaximiliaanin orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggendeOudewaterwas die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.De stadUtrecht,alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David vanBourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van BroekhuisenLeidenhadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naarUtrechtgekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die vanUtrechtalomme inHollandvast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave vanMontfoorten de hoeksche ballingen uitUtrechtdeed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide inHollandwel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93Wel poogdeUtrechteen verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94Naardenwerd nu door de Stichtschen verwoest enJutphaasdoor de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op deVaartsloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, naSchoonhoven, naOudewater, naIJsselsteinen naWoerden, niemant en sach na den anderen om.”95Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnenIJsselstein,OudewaterenWoerden, en ookWeespwerd van meerder krijgsvolk voorzien.96In het volgende jaar, werd er teSchoonhoveneene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, enUtrechtter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne vanHolland, en haar eenige zoon Philips,een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.Na dit vermeld te hebben, willen wijOudewater en omtrekverder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.Noodwendig moeten wij met den aanslag opDordrechtin 1482 beginnen.De Burggrave vanMontfoortdan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen opDordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voorDordrechten alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorbyVloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren naZeelandende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen naderGoudatoe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van derGoudaachtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede vanOudewaterquamen hen te ghemoet die knechten, en een deelpoorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die vanOudewaterhadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die vanIJsselsteyndaer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad vanUtrecht.99Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met nameOudewaterzich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die vanUtrechtnooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag opUtrechtvoorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk vanOudewatergewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die vanOudewaterdeel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.Doch onze orde van zaken vordert, dat wijvlugtignagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jarenOudewaterweer in de geschiedrollen vermeld vinden.Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder vanLalaing, de sloten vanHarmelenende Haarbemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogdenIJsselsteinte bemagtigen, dochvruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op deVaartterug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ookMontfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.Nu was het de beurt voorUtrechtzelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnenUtrechtmet grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naarAmersfoortwas gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stedeOudewaterzijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voorSchoonhoven, doch met verlies van meer dan 200man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naarRotterdamterug.102Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave vanMontfoort, het slot teWoerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek vanOudewaterhad een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ookOudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.Het eerst moest nuRotterdamweder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogdeSchiedamte verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stedeGeertruidenbergdie zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabijRotterdameene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, datRotterdamweder overging.Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan hetlandhad afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489,Naardenin te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over dieteleurstelling, of, dat hij dacht, dat men teOudewaterniet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voorOudewaterverscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren vanbuitende stad gezien te hebben.104De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke alsOudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, doorMontfoortenWoerdenen beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.In 1490 dan, werdMontfoortbelegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen enHollandenOudewaterbehoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ookWoerdenhad moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave vanHollandenZeelandingehuldigd.Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden vanOudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnenSchoonhoven,Langerack,LiesveldenOudewateren het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild teOudewater.Wij hebben dit voorOudewaterbelangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ookOudewaterweder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd vanOudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen vanHollandstrekkende aan den gestichte vanUtrechtende lande vanGelre” enz.Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukkingGelregebruikte.Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15deeeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, datOudewaterzoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen vanUtrechtals oock van de voorsz. lande van Gelre.Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon teGentgeboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 teBurgosinSpanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakteverdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval inHollandbeducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bijNijmegenlag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.Nadat hij nu inBrabantvele veroveringen gemaakt had, viel hij inHolland. Men poogdeOudewaterte verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper enOudewaterwerd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immersBodegravenwerd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot teMuiderbergen de stadWeespwerden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld inGroningerland.Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:De schouw en de zorg der dijken inHollandwas, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweestaan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.Onder de archieven nu, dieOudewaterbezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk vanBodegravenaf tot denLinschoterdijktoe, door 5 heemraden, als een uitDelft, een uitLeijden, twee uitGoudaen een uitOudewater, met den castelein en dijkgrave vanWoerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voorOudewaterhadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers teMechelentusschen den heer vanMontfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stedeOudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maandNieuwpoortbijSchoonhovente overrompelen.108Nu was men insgelijks voorOudewaterenWoerdenbezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek vanOudewaterwas en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemenOudewatervaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nuOudewaterpogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnenOudewaterweder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen,diede gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave vanHollandin 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.De hevigheid van den krijg drukteHollandzeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, nietom het graafschap, maar den keizer te dienen,111en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar inHollandvele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112Een en ander had echter’slands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden vanOudewaterwaren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom teGeertruidenbergbeschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk metgunstiger rapport teBredate verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maarDelft,OudewaterenAlkmaarbenevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten,Delftalleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.De stadUtrechtintusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk inUtrechtgelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113De Hollanders het innemen vanUtrechtvernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naarAmsterdamenGouda, om krijgsvolk te zenden naarWeesp,Oudewateren andere grenssteden vanHolland.De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen,Amsterdamhad versterking gezonden naar het slot teMuiden, doch zij werden niet binnen gelaten.Goudahad aan die vanOudewaterinsgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114Wat was de reden van die weigering vanOudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die vanOudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stadUtrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap metHollandte willen leven.De Bisschop, nog steeds uit de stadUtrechtgebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aanHolland, en men kwam om die rede teSchoonhovenbij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit hetStichtwerden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van hetStichtden keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbijMontfoortenWoerdennaar denHage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies vanUtrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer vanUtrechtzoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering inUtrechtgehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uitOudewaterwaren er tegenwoordig.115Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrentOudewatervinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere vanMontfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe vanLinschoten,SnellerwaardenHeekendorpzal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnenOudewatertot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.Wij zien dus, dat nu hetStichtonder het gebied van den keizer stond,Montfoortook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij deLinschoterpoort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116NuUtrechtdan ook metHollandonder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten metOudewaterhadden;Oudewaterhad vooreerst het groote periode doorleefd,grensvesting te zijn, tegen het trotscheStichtvanUtrecht.Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig,in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal teBrusselbegroet, en ook nu werdOudewaterwederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin vanHongarije,tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naarDuitschlandvertrok.In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre dieOudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van EgmondHollandbeoorloogd.Nog in dit jaar was men ook namensOudewaterop een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronderOudewater.Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder overHollandenZeelandgeweest was, overleedhij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesseHollander mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was inHollandvoor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 teOudewatervoor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken vanOudewaterin dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.A.Hoeff Willēsz117hoemāvande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanckXXVroeden ēn heeft onder hem:(volgen de namen van 21 manschappen.)B.Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanckXXXIIIroeden en heeft onder hem:(29 manschappen.)C.Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanckXXXVIIIroeden en̄ heeft onder hem:(29 manschappen.)118D.Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanckXXXVroeden en̄ heeft onder hem:(32 manschappen.)E.Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)F.Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanckXXIIIroeden en heeft onder hem:(22 manschappen.)G.Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(24 manschappen.)H.Jan Jansz. Cockhoemātusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanckXLroeden ende heeft onder hem:(35 manschappen.)J.Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanckXLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)K.Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:(18 manschappen.)L.Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanckXXXIIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)M.Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(20 manschappen).N.Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanckLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)O.Piet’ Jansz,hoemāvandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanckXXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(16 manschappen).P.Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanckXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(11 manschappen.)Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging vanOudewaterbestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeffCIↃCCCCende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants vanMechelenvyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave vanHenegouwen, vanHollant, vanZeelantenz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch byAlcmaerende maecte een reijse opOudewaterende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, diemen alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre enZutphenaan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men inHollandnu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder vanHolland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 teDillenburggeboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in1549) als stadhouder vanHollandzullen leeren kennen.Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had menop de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met nameOudewaterenWoerdenscherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polderSnelrewaardenZuid-LinschotenbijRijnlandwordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uitMontfoorten 1 uitOudewater.Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uitDelftenLeijdenin 8 steden, waar onder ookOudewater. De uitslag hier van was, dat er indit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hijOudewaterhet voorregt125zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot inOudewaterwas doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij inDuitschlandeen aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders vanhet protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die inSpanjehet eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. InSpanjewerd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop vanAtrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld overHolland,ZeelandenUtrecht.De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naarSpanje.Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook teOudewatervinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars vanOudewaterhet eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij inOudewaterniet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevensongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.
Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder overHollandenZeelandbenoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zustersOudewatermoesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich inHolland,ZeelandenWest Vrieslandals grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder metmeerder regtbevestigd werd.Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, entoch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkhedenVoorne,Zuid-Beveland, enTholen, benevens de tollen vanHollandenZeelandgedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die vanOudewaterniet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op deOost-Zeehandel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdragdat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn”en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ookOudewaterzorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheiddan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden.Oudewatermoet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden vanOudewatergeschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande vanHollandwesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters vanIJsselsteinhet in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die vanOudewaterdan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die vanIJsselsteinde wijke binnenOudewaterzochten, dat men dan inOudewaterbeter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters vanIJsselsteinooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden vanOudewaterals mede eene van Anno 1456.Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der stedenSchoonhoven,Oudewater,Woerden,Weesp,MuidenenNaardenover het vorderenvan morgen geld in het Sticht vanUtrechtgedaan, dat die vanHollandin het Sticht vanUtrechtgeërfdzijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrentOudewatervermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ookOudewaterals graaf werd erkend.84Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrentOudewateraantreffen.Hij sneuvelde in den slag bijNancyten jare1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.InHollandtoch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangenwerden.85Dit toch gebeurde onder anderen teGouda,Schoonhovenen elders en zoo ook spoedig inOudewater.Van Berkum, in zijne beschrijving vanSchoonhovenmaakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij vanSchoonhovenhersteld was, stond de gemeente teSchoonhovenonder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder vanHolland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, enSchoonhovenbleef Hoeksch, en bragt met die vanDordrechten terGoudaeven na paschen in het jaar 1479,Oudewaterinsgelijks aan die zijde.”86Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij alskerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ookOudewaterdoor Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ookOudewateraan,88niettegenstaandeGoudaenSchoonhoven»met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, datLeidenwaaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was,Oudewaterweder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uitHolland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echternergensgelukte dan teHoornen teGouda.90In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig inOudewateraf. Eerst werd het hoekschgezindeDordrechtingenomen, en daarna vielen ookSchoonhovenenOudewaterweder in de magt der Kabellaauwschen.Tot het innemen vanOudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naarDordrecht,Gouda,OudewaterenSchoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92en aldra onderwierp ookLeidenzich aan den Grave.Nadat de zaken nu aldus doorMaximiliaanin orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggendeOudewaterwas die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.De stadUtrecht,alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David vanBourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van BroekhuisenLeidenhadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naarUtrechtgekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die vanUtrechtalomme inHollandvast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave vanMontfoorten de hoeksche ballingen uitUtrechtdeed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide inHollandwel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93Wel poogdeUtrechteen verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94Naardenwerd nu door de Stichtschen verwoest enJutphaasdoor de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op deVaartsloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, naSchoonhoven, naOudewater, naIJsselsteinen naWoerden, niemant en sach na den anderen om.”95Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnenIJsselstein,OudewaterenWoerden, en ookWeespwerd van meerder krijgsvolk voorzien.96In het volgende jaar, werd er teSchoonhoveneene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, enUtrechtter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne vanHolland, en haar eenige zoon Philips,een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.Na dit vermeld te hebben, willen wijOudewater en omtrekverder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.Noodwendig moeten wij met den aanslag opDordrechtin 1482 beginnen.De Burggrave vanMontfoortdan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen opDordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voorDordrechten alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorbyVloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren naZeelandende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen naderGoudatoe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van derGoudaachtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede vanOudewaterquamen hen te ghemoet die knechten, en een deelpoorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die vanOudewaterhadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die vanIJsselsteyndaer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad vanUtrecht.99Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met nameOudewaterzich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die vanUtrechtnooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag opUtrechtvoorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk vanOudewatergewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die vanOudewaterdeel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.Doch onze orde van zaken vordert, dat wijvlugtignagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jarenOudewaterweer in de geschiedrollen vermeld vinden.Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder vanLalaing, de sloten vanHarmelenende Haarbemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogdenIJsselsteinte bemagtigen, dochvruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op deVaartterug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ookMontfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.Nu was het de beurt voorUtrechtzelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnenUtrechtmet grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naarAmersfoortwas gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stedeOudewaterzijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voorSchoonhoven, doch met verlies van meer dan 200man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naarRotterdamterug.102Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave vanMontfoort, het slot teWoerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek vanOudewaterhad een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ookOudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.Het eerst moest nuRotterdamweder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogdeSchiedamte verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stedeGeertruidenbergdie zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabijRotterdameene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, datRotterdamweder overging.Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan hetlandhad afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489,Naardenin te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over dieteleurstelling, of, dat hij dacht, dat men teOudewaterniet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voorOudewaterverscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren vanbuitende stad gezien te hebben.104De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke alsOudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, doorMontfoortenWoerdenen beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.In 1490 dan, werdMontfoortbelegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen enHollandenOudewaterbehoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ookWoerdenhad moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave vanHollandenZeelandingehuldigd.Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden vanOudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnenSchoonhoven,Langerack,LiesveldenOudewateren het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild teOudewater.Wij hebben dit voorOudewaterbelangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ookOudewaterweder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd vanOudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen vanHollandstrekkende aan den gestichte vanUtrechtende lande vanGelre” enz.Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukkingGelregebruikte.Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15deeeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, datOudewaterzoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen vanUtrechtals oock van de voorsz. lande van Gelre.Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon teGentgeboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 teBurgosinSpanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakteverdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval inHollandbeducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bijNijmegenlag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.Nadat hij nu inBrabantvele veroveringen gemaakt had, viel hij inHolland. Men poogdeOudewaterte verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper enOudewaterwerd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immersBodegravenwerd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot teMuiderbergen de stadWeespwerden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld inGroningerland.Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:De schouw en de zorg der dijken inHollandwas, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweestaan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.Onder de archieven nu, dieOudewaterbezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk vanBodegravenaf tot denLinschoterdijktoe, door 5 heemraden, als een uitDelft, een uitLeijden, twee uitGoudaen een uitOudewater, met den castelein en dijkgrave vanWoerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voorOudewaterhadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers teMechelentusschen den heer vanMontfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stedeOudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maandNieuwpoortbijSchoonhovente overrompelen.108Nu was men insgelijks voorOudewaterenWoerdenbezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek vanOudewaterwas en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemenOudewatervaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nuOudewaterpogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnenOudewaterweder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen,diede gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave vanHollandin 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.De hevigheid van den krijg drukteHollandzeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, nietom het graafschap, maar den keizer te dienen,111en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar inHollandvele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112Een en ander had echter’slands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden vanOudewaterwaren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom teGeertruidenbergbeschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk metgunstiger rapport teBredate verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maarDelft,OudewaterenAlkmaarbenevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten,Delftalleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.De stadUtrechtintusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk inUtrechtgelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113De Hollanders het innemen vanUtrechtvernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naarAmsterdamenGouda, om krijgsvolk te zenden naarWeesp,Oudewateren andere grenssteden vanHolland.De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen,Amsterdamhad versterking gezonden naar het slot teMuiden, doch zij werden niet binnen gelaten.Goudahad aan die vanOudewaterinsgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114Wat was de reden van die weigering vanOudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die vanOudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stadUtrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap metHollandte willen leven.De Bisschop, nog steeds uit de stadUtrechtgebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aanHolland, en men kwam om die rede teSchoonhovenbij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit hetStichtwerden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van hetStichtden keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbijMontfoortenWoerdennaar denHage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies vanUtrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer vanUtrechtzoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering inUtrechtgehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uitOudewaterwaren er tegenwoordig.115Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrentOudewatervinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere vanMontfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe vanLinschoten,SnellerwaardenHeekendorpzal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnenOudewatertot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.Wij zien dus, dat nu hetStichtonder het gebied van den keizer stond,Montfoortook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij deLinschoterpoort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116NuUtrechtdan ook metHollandonder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten metOudewaterhadden;Oudewaterhad vooreerst het groote periode doorleefd,grensvesting te zijn, tegen het trotscheStichtvanUtrecht.Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig,in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal teBrusselbegroet, en ook nu werdOudewaterwederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin vanHongarije,tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naarDuitschlandvertrok.In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre dieOudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van EgmondHollandbeoorloogd.Nog in dit jaar was men ook namensOudewaterop een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronderOudewater.Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder overHollandenZeelandgeweest was, overleedhij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesseHollander mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was inHollandvoor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 teOudewatervoor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken vanOudewaterin dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.A.Hoeff Willēsz117hoemāvande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanckXXVroeden ēn heeft onder hem:(volgen de namen van 21 manschappen.)B.Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanckXXXIIIroeden en heeft onder hem:(29 manschappen.)C.Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanckXXXVIIIroeden en̄ heeft onder hem:(29 manschappen.)118D.Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanckXXXVroeden en̄ heeft onder hem:(32 manschappen.)E.Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)F.Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanckXXIIIroeden en heeft onder hem:(22 manschappen.)G.Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(24 manschappen.)H.Jan Jansz. Cockhoemātusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanckXLroeden ende heeft onder hem:(35 manschappen.)J.Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanckXLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)K.Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:(18 manschappen.)L.Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanckXXXIIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)M.Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(20 manschappen).N.Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanckLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)O.Piet’ Jansz,hoemāvandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanckXXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(16 manschappen).P.Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanckXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(11 manschappen.)Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging vanOudewaterbestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeffCIↃCCCCende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants vanMechelenvyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave vanHenegouwen, vanHollant, vanZeelantenz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch byAlcmaerende maecte een reijse opOudewaterende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, diemen alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre enZutphenaan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men inHollandnu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder vanHolland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 teDillenburggeboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in1549) als stadhouder vanHollandzullen leeren kennen.Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had menop de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met nameOudewaterenWoerdenscherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polderSnelrewaardenZuid-LinschotenbijRijnlandwordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uitMontfoorten 1 uitOudewater.Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uitDelftenLeijdenin 8 steden, waar onder ookOudewater. De uitslag hier van was, dat er indit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hijOudewaterhet voorregt125zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot inOudewaterwas doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij inDuitschlandeen aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders vanhet protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die inSpanjehet eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. InSpanjewerd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop vanAtrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld overHolland,ZeelandenUtrecht.De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naarSpanje.Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook teOudewatervinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars vanOudewaterhet eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij inOudewaterniet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevensongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.
Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder overHollandenZeelandbenoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zustersOudewatermoesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich inHolland,ZeelandenWest Vrieslandals grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder metmeerder regtbevestigd werd.Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, entoch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkhedenVoorne,Zuid-Beveland, enTholen, benevens de tollen vanHollandenZeelandgedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die vanOudewaterniet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op deOost-Zeehandel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdragdat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn”en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ookOudewaterzorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheiddan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden.Oudewatermoet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden vanOudewatergeschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande vanHollandwesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters vanIJsselsteinhet in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die vanOudewaterdan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die vanIJsselsteinde wijke binnenOudewaterzochten, dat men dan inOudewaterbeter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters vanIJsselsteinooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden vanOudewaterals mede eene van Anno 1456.Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der stedenSchoonhoven,Oudewater,Woerden,Weesp,MuidenenNaardenover het vorderenvan morgen geld in het Sticht vanUtrechtgedaan, dat die vanHollandin het Sticht vanUtrechtgeërfdzijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrentOudewatervermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ookOudewaterals graaf werd erkend.84Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrentOudewateraantreffen.Hij sneuvelde in den slag bijNancyten jare1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.InHollandtoch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangenwerden.85Dit toch gebeurde onder anderen teGouda,Schoonhovenen elders en zoo ook spoedig inOudewater.Van Berkum, in zijne beschrijving vanSchoonhovenmaakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij vanSchoonhovenhersteld was, stond de gemeente teSchoonhovenonder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder vanHolland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, enSchoonhovenbleef Hoeksch, en bragt met die vanDordrechten terGoudaeven na paschen in het jaar 1479,Oudewaterinsgelijks aan die zijde.”86Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij alskerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ookOudewaterdoor Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ookOudewateraan,88niettegenstaandeGoudaenSchoonhoven»met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, datLeidenwaaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was,Oudewaterweder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uitHolland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echternergensgelukte dan teHoornen teGouda.90In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig inOudewateraf. Eerst werd het hoekschgezindeDordrechtingenomen, en daarna vielen ookSchoonhovenenOudewaterweder in de magt der Kabellaauwschen.Tot het innemen vanOudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naarDordrecht,Gouda,OudewaterenSchoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92en aldra onderwierp ookLeidenzich aan den Grave.Nadat de zaken nu aldus doorMaximiliaanin orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggendeOudewaterwas die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.De stadUtrecht,alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David vanBourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van BroekhuisenLeidenhadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naarUtrechtgekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die vanUtrechtalomme inHollandvast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave vanMontfoorten de hoeksche ballingen uitUtrechtdeed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide inHollandwel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93Wel poogdeUtrechteen verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94Naardenwerd nu door de Stichtschen verwoest enJutphaasdoor de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op deVaartsloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, naSchoonhoven, naOudewater, naIJsselsteinen naWoerden, niemant en sach na den anderen om.”95Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnenIJsselstein,OudewaterenWoerden, en ookWeespwerd van meerder krijgsvolk voorzien.96In het volgende jaar, werd er teSchoonhoveneene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, enUtrechtter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne vanHolland, en haar eenige zoon Philips,een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.Na dit vermeld te hebben, willen wijOudewater en omtrekverder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.Noodwendig moeten wij met den aanslag opDordrechtin 1482 beginnen.De Burggrave vanMontfoortdan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen opDordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voorDordrechten alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorbyVloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren naZeelandende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen naderGoudatoe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van derGoudaachtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede vanOudewaterquamen hen te ghemoet die knechten, en een deelpoorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die vanOudewaterhadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die vanIJsselsteyndaer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad vanUtrecht.99Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met nameOudewaterzich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die vanUtrechtnooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag opUtrechtvoorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk vanOudewatergewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die vanOudewaterdeel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.Doch onze orde van zaken vordert, dat wijvlugtignagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jarenOudewaterweer in de geschiedrollen vermeld vinden.Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder vanLalaing, de sloten vanHarmelenende Haarbemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogdenIJsselsteinte bemagtigen, dochvruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op deVaartterug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ookMontfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.Nu was het de beurt voorUtrechtzelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnenUtrechtmet grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naarAmersfoortwas gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stedeOudewaterzijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voorSchoonhoven, doch met verlies van meer dan 200man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naarRotterdamterug.102Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave vanMontfoort, het slot teWoerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek vanOudewaterhad een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ookOudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.Het eerst moest nuRotterdamweder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogdeSchiedamte verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stedeGeertruidenbergdie zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabijRotterdameene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, datRotterdamweder overging.Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan hetlandhad afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489,Naardenin te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over dieteleurstelling, of, dat hij dacht, dat men teOudewaterniet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voorOudewaterverscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren vanbuitende stad gezien te hebben.104De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke alsOudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, doorMontfoortenWoerdenen beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.In 1490 dan, werdMontfoortbelegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen enHollandenOudewaterbehoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ookWoerdenhad moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave vanHollandenZeelandingehuldigd.Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden vanOudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnenSchoonhoven,Langerack,LiesveldenOudewateren het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild teOudewater.Wij hebben dit voorOudewaterbelangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ookOudewaterweder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd vanOudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen vanHollandstrekkende aan den gestichte vanUtrechtende lande vanGelre” enz.Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukkingGelregebruikte.Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15deeeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, datOudewaterzoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen vanUtrechtals oock van de voorsz. lande van Gelre.Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon teGentgeboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 teBurgosinSpanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakteverdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval inHollandbeducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bijNijmegenlag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.Nadat hij nu inBrabantvele veroveringen gemaakt had, viel hij inHolland. Men poogdeOudewaterte verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper enOudewaterwerd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immersBodegravenwerd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot teMuiderbergen de stadWeespwerden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld inGroningerland.Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:De schouw en de zorg der dijken inHollandwas, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweestaan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.Onder de archieven nu, dieOudewaterbezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk vanBodegravenaf tot denLinschoterdijktoe, door 5 heemraden, als een uitDelft, een uitLeijden, twee uitGoudaen een uitOudewater, met den castelein en dijkgrave vanWoerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voorOudewaterhadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers teMechelentusschen den heer vanMontfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stedeOudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maandNieuwpoortbijSchoonhovente overrompelen.108Nu was men insgelijks voorOudewaterenWoerdenbezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek vanOudewaterwas en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemenOudewatervaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nuOudewaterpogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnenOudewaterweder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen,diede gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave vanHollandin 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.De hevigheid van den krijg drukteHollandzeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, nietom het graafschap, maar den keizer te dienen,111en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar inHollandvele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112Een en ander had echter’slands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden vanOudewaterwaren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom teGeertruidenbergbeschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk metgunstiger rapport teBredate verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maarDelft,OudewaterenAlkmaarbenevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten,Delftalleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.De stadUtrechtintusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk inUtrechtgelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113De Hollanders het innemen vanUtrechtvernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naarAmsterdamenGouda, om krijgsvolk te zenden naarWeesp,Oudewateren andere grenssteden vanHolland.De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen,Amsterdamhad versterking gezonden naar het slot teMuiden, doch zij werden niet binnen gelaten.Goudahad aan die vanOudewaterinsgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114Wat was de reden van die weigering vanOudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die vanOudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stadUtrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap metHollandte willen leven.De Bisschop, nog steeds uit de stadUtrechtgebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aanHolland, en men kwam om die rede teSchoonhovenbij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit hetStichtwerden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van hetStichtden keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbijMontfoortenWoerdennaar denHage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies vanUtrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer vanUtrechtzoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering inUtrechtgehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uitOudewaterwaren er tegenwoordig.115Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrentOudewatervinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere vanMontfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe vanLinschoten,SnellerwaardenHeekendorpzal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnenOudewatertot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.Wij zien dus, dat nu hetStichtonder het gebied van den keizer stond,Montfoortook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij deLinschoterpoort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116NuUtrechtdan ook metHollandonder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten metOudewaterhadden;Oudewaterhad vooreerst het groote periode doorleefd,grensvesting te zijn, tegen het trotscheStichtvanUtrecht.Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig,in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal teBrusselbegroet, en ook nu werdOudewaterwederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin vanHongarije,tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naarDuitschlandvertrok.In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre dieOudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van EgmondHollandbeoorloogd.Nog in dit jaar was men ook namensOudewaterop een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronderOudewater.Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder overHollandenZeelandgeweest was, overleedhij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesseHollander mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was inHollandvoor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 teOudewatervoor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken vanOudewaterin dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.A.Hoeff Willēsz117hoemāvande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanckXXVroeden ēn heeft onder hem:(volgen de namen van 21 manschappen.)B.Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanckXXXIIIroeden en heeft onder hem:(29 manschappen.)C.Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanckXXXVIIIroeden en̄ heeft onder hem:(29 manschappen.)118D.Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanckXXXVroeden en̄ heeft onder hem:(32 manschappen.)E.Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)F.Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanckXXIIIroeden en heeft onder hem:(22 manschappen.)G.Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(24 manschappen.)H.Jan Jansz. Cockhoemātusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanckXLroeden ende heeft onder hem:(35 manschappen.)J.Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanckXLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)K.Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:(18 manschappen.)L.Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanckXXXIIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)M.Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(20 manschappen).N.Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanckLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)O.Piet’ Jansz,hoemāvandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanckXXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(16 manschappen).P.Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanckXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(11 manschappen.)Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging vanOudewaterbestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeffCIↃCCCCende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants vanMechelenvyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave vanHenegouwen, vanHollant, vanZeelantenz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch byAlcmaerende maecte een reijse opOudewaterende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, diemen alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre enZutphenaan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men inHollandnu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder vanHolland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 teDillenburggeboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in1549) als stadhouder vanHollandzullen leeren kennen.Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had menop de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met nameOudewaterenWoerdenscherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polderSnelrewaardenZuid-LinschotenbijRijnlandwordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uitMontfoorten 1 uitOudewater.Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uitDelftenLeijdenin 8 steden, waar onder ookOudewater. De uitslag hier van was, dat er indit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hijOudewaterhet voorregt125zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot inOudewaterwas doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij inDuitschlandeen aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders vanhet protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die inSpanjehet eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. InSpanjewerd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop vanAtrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld overHolland,ZeelandenUtrecht.De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naarSpanje.Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook teOudewatervinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars vanOudewaterhet eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij inOudewaterniet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevensongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.
Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder overHollandenZeelandbenoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zustersOudewatermoesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich inHolland,ZeelandenWest Vrieslandals grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder metmeerder regtbevestigd werd.Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, entoch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkhedenVoorne,Zuid-Beveland, enTholen, benevens de tollen vanHollandenZeelandgedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die vanOudewaterniet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op deOost-Zeehandel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdragdat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn”en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ookOudewaterzorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheiddan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden.Oudewatermoet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden vanOudewatergeschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande vanHollandwesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters vanIJsselsteinhet in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die vanOudewaterdan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die vanIJsselsteinde wijke binnenOudewaterzochten, dat men dan inOudewaterbeter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters vanIJsselsteinooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden vanOudewaterals mede eene van Anno 1456.Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der stedenSchoonhoven,Oudewater,Woerden,Weesp,MuidenenNaardenover het vorderenvan morgen geld in het Sticht vanUtrechtgedaan, dat die vanHollandin het Sticht vanUtrechtgeërfdzijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrentOudewatervermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ookOudewaterals graaf werd erkend.84Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrentOudewateraantreffen.Hij sneuvelde in den slag bijNancyten jare1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.InHollandtoch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangenwerden.85Dit toch gebeurde onder anderen teGouda,Schoonhovenen elders en zoo ook spoedig inOudewater.Van Berkum, in zijne beschrijving vanSchoonhovenmaakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij vanSchoonhovenhersteld was, stond de gemeente teSchoonhovenonder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder vanHolland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, enSchoonhovenbleef Hoeksch, en bragt met die vanDordrechten terGoudaeven na paschen in het jaar 1479,Oudewaterinsgelijks aan die zijde.”86Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij alskerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ookOudewaterdoor Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ookOudewateraan,88niettegenstaandeGoudaenSchoonhoven»met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, datLeidenwaaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was,Oudewaterweder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uitHolland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echternergensgelukte dan teHoornen teGouda.90In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig inOudewateraf. Eerst werd het hoekschgezindeDordrechtingenomen, en daarna vielen ookSchoonhovenenOudewaterweder in de magt der Kabellaauwschen.Tot het innemen vanOudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naarDordrecht,Gouda,OudewaterenSchoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92en aldra onderwierp ookLeidenzich aan den Grave.Nadat de zaken nu aldus doorMaximiliaanin orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggendeOudewaterwas die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.De stadUtrecht,alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David vanBourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van BroekhuisenLeidenhadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naarUtrechtgekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die vanUtrechtalomme inHollandvast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave vanMontfoorten de hoeksche ballingen uitUtrechtdeed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide inHollandwel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93Wel poogdeUtrechteen verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94Naardenwerd nu door de Stichtschen verwoest enJutphaasdoor de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op deVaartsloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, naSchoonhoven, naOudewater, naIJsselsteinen naWoerden, niemant en sach na den anderen om.”95Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnenIJsselstein,OudewaterenWoerden, en ookWeespwerd van meerder krijgsvolk voorzien.96In het volgende jaar, werd er teSchoonhoveneene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, enUtrechtter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne vanHolland, en haar eenige zoon Philips,een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.Na dit vermeld te hebben, willen wijOudewater en omtrekverder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.Noodwendig moeten wij met den aanslag opDordrechtin 1482 beginnen.De Burggrave vanMontfoortdan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen opDordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voorDordrechten alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorbyVloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren naZeelandende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen naderGoudatoe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van derGoudaachtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede vanOudewaterquamen hen te ghemoet die knechten, en een deelpoorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die vanOudewaterhadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die vanIJsselsteyndaer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad vanUtrecht.99Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met nameOudewaterzich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die vanUtrechtnooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag opUtrechtvoorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk vanOudewatergewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die vanOudewaterdeel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.Doch onze orde van zaken vordert, dat wijvlugtignagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jarenOudewaterweer in de geschiedrollen vermeld vinden.Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder vanLalaing, de sloten vanHarmelenende Haarbemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogdenIJsselsteinte bemagtigen, dochvruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op deVaartterug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ookMontfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.Nu was het de beurt voorUtrechtzelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnenUtrechtmet grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naarAmersfoortwas gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stedeOudewaterzijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voorSchoonhoven, doch met verlies van meer dan 200man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naarRotterdamterug.102Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave vanMontfoort, het slot teWoerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek vanOudewaterhad een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ookOudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.Het eerst moest nuRotterdamweder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogdeSchiedamte verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stedeGeertruidenbergdie zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabijRotterdameene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, datRotterdamweder overging.Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan hetlandhad afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489,Naardenin te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over dieteleurstelling, of, dat hij dacht, dat men teOudewaterniet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voorOudewaterverscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren vanbuitende stad gezien te hebben.104De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke alsOudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, doorMontfoortenWoerdenen beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.In 1490 dan, werdMontfoortbelegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen enHollandenOudewaterbehoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ookWoerdenhad moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave vanHollandenZeelandingehuldigd.Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden vanOudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnenSchoonhoven,Langerack,LiesveldenOudewateren het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild teOudewater.Wij hebben dit voorOudewaterbelangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ookOudewaterweder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd vanOudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen vanHollandstrekkende aan den gestichte vanUtrechtende lande vanGelre” enz.Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukkingGelregebruikte.Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15deeeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, datOudewaterzoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen vanUtrechtals oock van de voorsz. lande van Gelre.Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon teGentgeboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 teBurgosinSpanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakteverdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval inHollandbeducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bijNijmegenlag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.Nadat hij nu inBrabantvele veroveringen gemaakt had, viel hij inHolland. Men poogdeOudewaterte verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper enOudewaterwerd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immersBodegravenwerd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot teMuiderbergen de stadWeespwerden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld inGroningerland.Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:De schouw en de zorg der dijken inHollandwas, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweestaan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.Onder de archieven nu, dieOudewaterbezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk vanBodegravenaf tot denLinschoterdijktoe, door 5 heemraden, als een uitDelft, een uitLeijden, twee uitGoudaen een uitOudewater, met den castelein en dijkgrave vanWoerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voorOudewaterhadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers teMechelentusschen den heer vanMontfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stedeOudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maandNieuwpoortbijSchoonhovente overrompelen.108Nu was men insgelijks voorOudewaterenWoerdenbezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek vanOudewaterwas en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemenOudewatervaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nuOudewaterpogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnenOudewaterweder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen,diede gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave vanHollandin 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.De hevigheid van den krijg drukteHollandzeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, nietom het graafschap, maar den keizer te dienen,111en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar inHollandvele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112Een en ander had echter’slands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden vanOudewaterwaren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom teGeertruidenbergbeschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk metgunstiger rapport teBredate verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maarDelft,OudewaterenAlkmaarbenevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten,Delftalleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.De stadUtrechtintusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk inUtrechtgelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113De Hollanders het innemen vanUtrechtvernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naarAmsterdamenGouda, om krijgsvolk te zenden naarWeesp,Oudewateren andere grenssteden vanHolland.De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen,Amsterdamhad versterking gezonden naar het slot teMuiden, doch zij werden niet binnen gelaten.Goudahad aan die vanOudewaterinsgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114Wat was de reden van die weigering vanOudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die vanOudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stadUtrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap metHollandte willen leven.De Bisschop, nog steeds uit de stadUtrechtgebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aanHolland, en men kwam om die rede teSchoonhovenbij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit hetStichtwerden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van hetStichtden keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbijMontfoortenWoerdennaar denHage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies vanUtrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer vanUtrechtzoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering inUtrechtgehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uitOudewaterwaren er tegenwoordig.115Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrentOudewatervinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere vanMontfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe vanLinschoten,SnellerwaardenHeekendorpzal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnenOudewatertot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.Wij zien dus, dat nu hetStichtonder het gebied van den keizer stond,Montfoortook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij deLinschoterpoort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116NuUtrechtdan ook metHollandonder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten metOudewaterhadden;Oudewaterhad vooreerst het groote periode doorleefd,grensvesting te zijn, tegen het trotscheStichtvanUtrecht.Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig,in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal teBrusselbegroet, en ook nu werdOudewaterwederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin vanHongarije,tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naarDuitschlandvertrok.In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre dieOudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van EgmondHollandbeoorloogd.Nog in dit jaar was men ook namensOudewaterop een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronderOudewater.Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder overHollandenZeelandgeweest was, overleedhij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesseHollander mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was inHollandvoor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 teOudewatervoor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken vanOudewaterin dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.A.Hoeff Willēsz117hoemāvande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanckXXVroeden ēn heeft onder hem:(volgen de namen van 21 manschappen.)B.Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanckXXXIIIroeden en heeft onder hem:(29 manschappen.)C.Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanckXXXVIIIroeden en̄ heeft onder hem:(29 manschappen.)118D.Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanckXXXVroeden en̄ heeft onder hem:(32 manschappen.)E.Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)F.Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanckXXIIIroeden en heeft onder hem:(22 manschappen.)G.Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(24 manschappen.)H.Jan Jansz. Cockhoemātusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanckXLroeden ende heeft onder hem:(35 manschappen.)J.Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanckXLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)K.Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:(18 manschappen.)L.Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanckXXXIIIroeden en̄ heeft onder hem:(25 manschappen.)M.Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:(20 manschappen).N.Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanckLroeden en̄ heeft onder hem:(33 manschappen.)O.Piet’ Jansz,hoemāvandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanckXXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(16 manschappen).P.Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanckXXIIroeden en̄ heeft onder hem:(11 manschappen.)Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging vanOudewaterbestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeffCIↃCCCCende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants vanMechelenvyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave vanHenegouwen, vanHollant, vanZeelantenz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch byAlcmaerende maecte een reijse opOudewaterende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, diemen alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre enZutphenaan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men inHollandnu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder vanHolland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 teDillenburggeboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in1549) als stadhouder vanHollandzullen leeren kennen.Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had menop de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met nameOudewaterenWoerdenscherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polderSnelrewaardenZuid-LinschotenbijRijnlandwordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uitMontfoorten 1 uitOudewater.Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uitDelftenLeijdenin 8 steden, waar onder ookOudewater. De uitslag hier van was, dat er indit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hijOudewaterhet voorregt125zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot inOudewaterwas doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij inDuitschlandeen aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders vanhet protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die inSpanjehet eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. InSpanjewerd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop vanAtrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld overHolland,ZeelandenUtrecht.De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naarSpanje.Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook teOudewatervinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars vanOudewaterhet eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij inOudewaterniet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevensongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.
Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder overHollandenZeelandbenoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.
Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zustersOudewatermoesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.
Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich inHolland,ZeelandenWest Vrieslandals grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder metmeerder regtbevestigd werd.
Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, entoch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkhedenVoorne,Zuid-Beveland, enTholen, benevens de tollen vanHollandenZeelandgedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—
De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!
Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die vanOudewaterniet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.
Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op deOost-Zeehandel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.
De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdragdat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn”en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ookOudewaterzorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83
Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.
Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheiddan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden.Oudewatermoet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden vanOudewatergeschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande vanHollandwesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters vanIJsselsteinhet in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die vanOudewaterdan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.
De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die vanIJsselsteinde wijke binnenOudewaterzochten, dat men dan inOudewaterbeter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters vanIJsselsteinooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.
Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden vanOudewaterals mede eene van Anno 1456.
Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der stedenSchoonhoven,Oudewater,Woerden,Weesp,MuidenenNaardenover het vorderenvan morgen geld in het Sticht vanUtrechtgedaan, dat die vanHollandin het Sticht vanUtrechtgeërfdzijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.
Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrentOudewatervermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ookOudewaterals graaf werd erkend.84
Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrentOudewateraantreffen.
Hij sneuvelde in den slag bijNancyten jare1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.
InHollandtoch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.
De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangenwerden.85Dit toch gebeurde onder anderen teGouda,Schoonhovenen elders en zoo ook spoedig inOudewater.
Van Berkum, in zijne beschrijving vanSchoonhovenmaakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij vanSchoonhovenhersteld was, stond de gemeente teSchoonhovenonder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder vanHolland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, enSchoonhovenbleef Hoeksch, en bragt met die vanDordrechten terGoudaeven na paschen in het jaar 1479,Oudewaterinsgelijks aan die zijde.”86
Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.
Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij alskerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ookOudewaterdoor Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.
Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ookOudewateraan,88niettegenstaandeGoudaenSchoonhoven»met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89
Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, datLeidenwaaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was,Oudewaterweder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uitHolland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echternergensgelukte dan teHoornen teGouda.90
In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig inOudewateraf. Eerst werd het hoekschgezindeDordrechtingenomen, en daarna vielen ookSchoonhovenenOudewaterweder in de magt der Kabellaauwschen.Tot het innemen vanOudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91
Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naarDordrecht,Gouda,OudewaterenSchoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92en aldra onderwierp ookLeidenzich aan den Grave.
Nadat de zaken nu aldus doorMaximiliaanin orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggendeOudewaterwas die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.
De stadUtrecht,alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David vanBourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van BroekhuisenLeidenhadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naarUtrechtgekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die vanUtrechtalomme inHollandvast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave vanMontfoorten de hoeksche ballingen uitUtrechtdeed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide inHollandwel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93
Wel poogdeUtrechteen verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94
Naardenwerd nu door de Stichtschen verwoest enJutphaasdoor de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op deVaartsloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, naSchoonhoven, naOudewater, naIJsselsteinen naWoerden, niemant en sach na den anderen om.”95
Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnenIJsselstein,OudewaterenWoerden, en ookWeespwerd van meerder krijgsvolk voorzien.96
In het volgende jaar, werd er teSchoonhoveneene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, enUtrechtter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97
Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne vanHolland, en haar eenige zoon Philips,een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.
Na dit vermeld te hebben, willen wijOudewater en omtrekverder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.
Noodwendig moeten wij met den aanslag opDordrechtin 1482 beginnen.
De Burggrave vanMontfoortdan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen opDordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voorDordrechten alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorbyVloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren naZeelandende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen naderGoudatoe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van derGoudaachtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede vanOudewaterquamen hen te ghemoet die knechten, en een deelpoorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die vanOudewaterhadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die vanIJsselsteyndaer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad vanUtrecht.99
Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met nameOudewaterzich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die vanUtrechtnooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag opUtrechtvoorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100
Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk vanOudewatergewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die vanOudewaterdeel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.
Doch onze orde van zaken vordert, dat wijvlugtignagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jarenOudewaterweer in de geschiedrollen vermeld vinden.
Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder vanLalaing, de sloten vanHarmelenende Haarbemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogdenIJsselsteinte bemagtigen, dochvruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op deVaartterug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.
Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ookMontfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.
Nu was het de beurt voorUtrechtzelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnenUtrechtmet grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naarAmersfoortwas gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stedeOudewaterzijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.
Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101
Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.
Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voorSchoonhoven, doch met verlies van meer dan 200man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naarRotterdamterug.102
Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave vanMontfoort, het slot teWoerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek vanOudewaterhad een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103
Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ookOudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.
Het eerst moest nuRotterdamweder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogdeSchiedamte verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stedeGeertruidenbergdie zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabijRotterdameene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, datRotterdamweder overging.
Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan hetlandhad afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489,Naardenin te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over dieteleurstelling, of, dat hij dacht, dat men teOudewaterniet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voorOudewaterverscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren vanbuitende stad gezien te hebben.104
De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke alsOudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, doorMontfoortenWoerdenen beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.
In 1490 dan, werdMontfoortbelegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen enHollandenOudewaterbehoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ookWoerdenhad moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.
Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave vanHollandenZeelandingehuldigd.
Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden vanOudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnenSchoonhoven,Langerack,LiesveldenOudewateren het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild teOudewater.
Wij hebben dit voorOudewaterbelangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ookOudewaterweder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd vanOudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen vanHollandstrekkende aan den gestichte vanUtrechtende lande vanGelre” enz.
Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukkingGelregebruikte.
Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15deeeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, datOudewaterzoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen vanUtrechtals oock van de voorsz. lande van Gelre.
Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon teGentgeboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.
Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 teBurgosinSpanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.
De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakteverdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.
Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval inHollandbeducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bijNijmegenlag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.
Nadat hij nu inBrabantvele veroveringen gemaakt had, viel hij inHolland. Men poogdeOudewaterte verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper enOudewaterwerd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106
Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immersBodegravenwerd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot teMuiderbergen de stadWeespwerden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld inGroningerland.
Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.
Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:
De schouw en de zorg der dijken inHollandwas, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweestaan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.
Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.
Onder de archieven nu, dieOudewaterbezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk vanBodegravenaf tot denLinschoterdijktoe, door 5 heemraden, als een uitDelft, een uitLeijden, twee uitGoudaen een uitOudewater, met den castelein en dijkgrave vanWoerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.
Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voorOudewaterhadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers teMechelentusschen den heer vanMontfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stedeOudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.
In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maandNieuwpoortbijSchoonhovente overrompelen.108Nu was men insgelijks voorOudewaterenWoerdenbezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109
Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.
Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.
Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer totBreda&c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx vanCastille, vanLeon, vanGrenade, vanArregon&c. Eertshertoege vanOistenryck, Hertoege vanBourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen vanHolland,ZeelandenVriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide inHollandhier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede vanOudewaterveel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soena derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede vanOudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnenachthonderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.
Gegeven in denHageonder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide vanHollant,ZeelantendeVriesland.OndergeteykentC. DAM.
Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek vanOudewaterwas en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.
Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.
Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.
Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemenOudewatervaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nuOudewaterpogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnenOudewaterweder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen,diede gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110
Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.
Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave vanHollandin 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.
Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.
De hevigheid van den krijg drukteHollandzeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, nietom het graafschap, maar den keizer te dienen,111en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar inHollandvele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.
Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112
Een en ander had echter’slands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden vanOudewaterwaren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom teGeertruidenbergbeschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk metgunstiger rapport teBredate verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maarDelft,OudewaterenAlkmaarbenevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten,Delftalleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.
Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.
De stadUtrechtintusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk inUtrechtgelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113
De Hollanders het innemen vanUtrechtvernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naarAmsterdamenGouda, om krijgsvolk te zenden naarWeesp,Oudewateren andere grenssteden vanHolland.
De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen,Amsterdamhad versterking gezonden naar het slot teMuiden, doch zij werden niet binnen gelaten.Goudahad aan die vanOudewaterinsgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114
Wat was de reden van die weigering vanOudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die vanOudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.
De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stadUtrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap metHollandte willen leven.
De Bisschop, nog steeds uit de stadUtrechtgebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aanHolland, en men kwam om die rede teSchoonhovenbij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit hetStichtwerden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van hetStichtden keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.
De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbijMontfoortenWoerdennaar denHage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.
Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.
Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies vanUtrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer vanUtrechtzoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.
Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering inUtrechtgehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uitOudewaterwaren er tegenwoordig.115
Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrentOudewatervinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere vanMontfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe vanLinschoten,SnellerwaardenHeekendorpzal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnenOudewatertot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.
Wij zien dus, dat nu hetStichtonder het gebied van den keizer stond,Montfoortook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.
Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij deLinschoterpoort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116
NuUtrechtdan ook metHollandonder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten metOudewaterhadden;Oudewaterhad vooreerst het groote periode doorleefd,grensvesting te zijn, tegen het trotscheStichtvanUtrecht.
Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig,in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal teBrusselbegroet, en ook nu werdOudewaterwederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin vanHongarije,tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naarDuitschlandvertrok.
In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre dieOudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van EgmondHollandbeoorloogd.
Nog in dit jaar was men ook namensOudewaterop een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronderOudewater.Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.
Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder overHollandenZeelandgeweest was, overleedhij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.
Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.
Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesseHollander mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was inHollandvoor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 teOudewatervoor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.
Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken vanOudewaterin dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.
Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.
A.
Hoeff Willēsz117hoemāvande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanckXXVroeden ēn heeft onder hem:
(volgen de namen van 21 manschappen.)
B.
Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanckXXXIIIroeden en heeft onder hem:
(29 manschappen.)
C.
Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanckXXXVIIIroeden en̄ heeft onder hem:
(29 manschappen.)118
D.
Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanckXXXVroeden en̄ heeft onder hem:
(32 manschappen.)
E.
Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:
(25 manschappen.)
F.
Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanckXXIIIroeden en heeft onder hem:
(22 manschappen.)
G.
Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:
(24 manschappen.)
H.
Jan Jansz. Cockhoemātusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanckXLroeden ende heeft onder hem:
(35 manschappen.)
J.
Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanckXLroeden en̄ heeft onder hem:
(33 manschappen.)
K.
Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:
(18 manschappen.)
L.
Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanckXXXIIIroeden en̄ heeft onder hem:
(25 manschappen.)
M.
Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanckXXVIIroeden en̄ heeft onder hem:
(20 manschappen).
N.
Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanckLroeden en̄ heeft onder hem:
(33 manschappen.)
O.
Piet’ Jansz,hoemāvandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanckXXXIIroeden en̄ heeft onder hem:
(16 manschappen).
P.
Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanckXXIIroeden en̄ heeft onder hem:
(11 manschappen.)
Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging vanOudewaterbestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeffCIↃCCCCende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants vanMechelenvyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave vanHenegouwen, vanHollant, vanZeelantenz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch byAlcmaerende maecte een reijse opOudewaterende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, diemen alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121
Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.
Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre enZutphenaan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men inHollandnu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.
In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder vanHolland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 teDillenburggeboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in1549) als stadhouder vanHollandzullen leeren kennen.
Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had menop de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met nameOudewaterenWoerdenscherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122
Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polderSnelrewaardenZuid-LinschotenbijRijnlandwordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uitMontfoorten 1 uitOudewater.
Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.
Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.
Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.
De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uitDelftenLeijdenin 8 steden, waar onder ookOudewater. De uitslag hier van was, dat er indit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123
In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124
In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hijOudewaterhet voorregt125zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.
Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot inOudewaterwas doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.
De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij inDuitschlandeen aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders vanhet protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die inSpanjehet eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126
In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. InSpanjewerd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop vanAtrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127
Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld overHolland,ZeelandenUtrecht.
De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naarSpanje.
Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.
De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.
Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.
Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook teOudewatervinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars vanOudewaterhet eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij inOudewaterniet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128
De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevensongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.