Chapter 53

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte” werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte” nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad” genoemd.Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten.Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was.130Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.—Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.—In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra ’s prinsen zijdeVlissingen,Medembliken andere Noord-Hollandsche steden.Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211,212 en 213.»Dus gingen de zaken in ’t Noorden vanHolland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvolvolks de stadOudewater132en drie dagen laater ookGoudaom; welk voorbeeld sedert doorLeiden,Dordrecht,133HaarlemenGorkomgevolgd wierdt. Invoege slechtsDelft,Amsterdam,Rotterdam,Woerden,Schoonhoven,Naarden,MuydenenWeesphet nog inHollandalleen maar met den134Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135van Hooimaand teDordrechtmet een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheelHollandaanstelden;137welke in die hoedanigheid zich straks van138RotterdamenWoerdenverzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139door Bossu voorheen daaringelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140Holland, verlaaten hadden.Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.Ook de stadOudewaterpoogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur vanHollandenUtrecht. De stadUtrechtnu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat BossuOudewaterging bestoken.Eerst had hij beproefd denBrielenHaarlemweder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was,142moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er inOudewaterweinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.De Heer van Zwieten echter, dieOudewatervroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein vanWoerdenmet verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het inUtrechtweekmarkt is, dat hij op eens de poorten vanUtrechtdeed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens143en ook de boeren144, werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stadOudewateralwaar hij des avonds aankwam.Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stadOudewaterniet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:Al eer een jaar ten einde zal gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.Al hoewel van Bossu niet opOudewaterschijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut vanUtrechtherwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.Het leger teMonfoortaankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aanLinschotenheen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.Aan een oud moedertje in deLinschotenop haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken.145Zoodanig was de afloop van van Bossu’s onderneming, omOudewaterte overrompelen.Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaarOudewateraan te tasten, niet ten uitvoer kunnenbrengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naarOudewaterwerd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.Had men van Bossu,—met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; teOudewaterheerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.Hetzij men teOudewaterten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men inOudewatergroote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld.146Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.Oudewatertoch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.Nadat Baldez onder Requesens het beleg vanLeijdenhad moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd enBredawas de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken vanOudewaterniet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend,147dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de stedenOudewater,Schoonhoven, enWoerdenalsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede teBredaniet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paardenBureningenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat HiergesBurennu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naarBommelanderen naarWorcum, en de overigen naar de zijde vanSchoonhovengezonden.Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.Zoowel uitGoudaals uitOudewaterwerd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten vanHollandvoornamelijk aan die vanOudewaterom de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen,148en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnenOudewaterten einde teGoudawaarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde.149De rede waarom men dit aanOudewaterbeval, is ligtelijk te begrijpen.1. HadOudewatereen beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden” uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar dieniet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.De zorg van s’lands staten voorOudewaterberustte er nog niet bij.Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburigeBenschopals van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naarOudewaterte vervoeren, en er geschut van te gieten.Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:Die vanOudewaterwaren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen150en van Duyn meldt zelfs, dat zijGoudahadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn;151maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan152; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uitOudewatergenaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in deomstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen,vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepende vijand komt! De vijand is in aantogt naarOudewateren op de vraag van waar hij kwam,zeidemenLangs den Damweg van IJsselstein.Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naarOudewater,vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen vanOudewaterwerden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt,de vijand is in aantogtnaarOudewaterlangs den Damweg vanIJsselstein.Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgensVanKinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden”, die het—ter ontwijking van het gevaar—op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden.153Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naarOudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten,154te weten:Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde,155nu aan de Staatsche zijde was.Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen,terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnenOudewaterop omtrent 700 koppen gesteld mag worden.Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, datOudewaterboven het hoofd hangt.—Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans156die niet ver vanOudewateraan den grooten weg naarMontfoortgelegen was157; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voorOudewatervan zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voorOudewatergeweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest omOudewaterte behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om vandiezijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting vanOudewaterden prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde vanOudewaterbij Goejanverwellesluis gelegen, werd158door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is;159men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen160en den inwoners vanOudewaterdus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnenOudewaterwas aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijkware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was teHaarlemmet nut in het bestuur des krijgs161werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die vanOudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter teOudewaterspoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.—Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men teOudewatertevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld.162Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijandenis ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik”, zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en …. mijne stadgenooten redden, maar”, zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen,” iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.Het zijn de stoute togtgenooten.Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken ….Zoonaderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en … weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nogéénewacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis terigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zijdaarSpaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!—De gedachte aan gade en kinderen—aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,—dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte163en al spoedig was men nu behouden teGouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.Men had teOudewaterde afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat menbehouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naarOudewaterwas, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten,” Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang,164den vijand gestadig uitjouwende.De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedekeOudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om destad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naarDelftop reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het tochOudewaterniet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.Men was inOudewaterechter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.De prins reisde eerlang zelf na de stadGoudaom te zien,165of er geene andere middelen tot redding van het omlegerdeOudewaterkonden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men denbenarden toestand vanOudewateraan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard vanOudewaterte verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naarOudewatergezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren.166Hij had drie redenen op het oog,167om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen.168Naauw had men echter van binnen ’s vijands meeningomtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk169bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4dubbelekartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.De andere batterij was met 5 stukken170voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu omOudewaterop te eischen voor Philips den II; ten acht ure ’s morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum171naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.—Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum172met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheidte zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.Men had dit inOudewaterniet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was173en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.Nog anderen, meldt van Duijn,174waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, datOudewaterwerd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willendehijliever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds.”Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport vanOudewatermeer ontvangen, en ten175tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut opOudewatergevuurd.Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten,176toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.Eindelijk zwijgen de vuurmonden ….. het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men inOudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?Rustte men inOudewater?Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt …. hij deed het, maar hij was nietzwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.Maar nu moest men aan het werk.Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,177en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond.178Doch de voorzorgsmaatregelen van die uitOudewaterbleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren.179Voorts bedacht men inOudewaternog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijderustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.Maar de vijand zat insgelijks niet stil.Zijndoel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bijOudewatergevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voorOudewaterde beslissende dag.Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken180en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders181tot bijOudewatergekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, datOudewaterdien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester DonHernando de Toledo, de hoplieden Francisco d’Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.Nu bedacht de vijand eene voorOudewaterrampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd ennuzoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van „naar binnen, naar binnen toe.”182Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen” ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandendevoorwerpenop het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan.183Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnenOudewaterheeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die mentot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur184den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel.185Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich duseenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wildenhunleven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan” die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stadOudewaterte zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges186den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten187en verdronken.De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd188den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk,waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon189en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten vanHollandzorg190indien het noodige hun ontbrak.Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.Nog een paar woorden echter.1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in destad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was191en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang192en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.In het jaar 1615, werd er teOudewatereene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt.193Terwijl de gratificatien, door de staten vanHollandin stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 teOudewaterfeestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam,toenwas het klokkengelui, het noodsein voorOudewaterennuroept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking vanOudewateraanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille stratender stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord,” zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.—Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten.194Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maarwaaris het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord” wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band doorFrejagevlochten.NadatOudewaterdus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voorSchoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers inOudewaterals bezetting gelegd werd.Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stadDelftbleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ookOudewaterenWoerdendongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat derNederlanden Zuid-Hollanddoor A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers vanLeijdenniet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.—Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geenegelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten vanHollandover dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, alsOudewater,Woerdenen anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie teLeijdente vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan.”Ruim 15 maanden wasOudewaternu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haarweder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan,195en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich inOudewatervestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d’Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten ’t ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn.mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende derStaten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan totDelffden xijen. Novembris AnnoXVc. sessen ’t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel.”196

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte” werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte” nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad” genoemd.Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten.Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was.130Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.—Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.—In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra ’s prinsen zijdeVlissingen,Medembliken andere Noord-Hollandsche steden.Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211,212 en 213.»Dus gingen de zaken in ’t Noorden vanHolland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvolvolks de stadOudewater132en drie dagen laater ookGoudaom; welk voorbeeld sedert doorLeiden,Dordrecht,133HaarlemenGorkomgevolgd wierdt. Invoege slechtsDelft,Amsterdam,Rotterdam,Woerden,Schoonhoven,Naarden,MuydenenWeesphet nog inHollandalleen maar met den134Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135van Hooimaand teDordrechtmet een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheelHollandaanstelden;137welke in die hoedanigheid zich straks van138RotterdamenWoerdenverzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139door Bossu voorheen daaringelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140Holland, verlaaten hadden.Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.Ook de stadOudewaterpoogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur vanHollandenUtrecht. De stadUtrechtnu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat BossuOudewaterging bestoken.Eerst had hij beproefd denBrielenHaarlemweder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was,142moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er inOudewaterweinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.De Heer van Zwieten echter, dieOudewatervroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein vanWoerdenmet verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het inUtrechtweekmarkt is, dat hij op eens de poorten vanUtrechtdeed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens143en ook de boeren144, werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stadOudewateralwaar hij des avonds aankwam.Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stadOudewaterniet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:Al eer een jaar ten einde zal gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.Al hoewel van Bossu niet opOudewaterschijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut vanUtrechtherwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.Het leger teMonfoortaankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aanLinschotenheen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.Aan een oud moedertje in deLinschotenop haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken.145Zoodanig was de afloop van van Bossu’s onderneming, omOudewaterte overrompelen.Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaarOudewateraan te tasten, niet ten uitvoer kunnenbrengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naarOudewaterwerd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.Had men van Bossu,—met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; teOudewaterheerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.Hetzij men teOudewaterten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men inOudewatergroote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld.146Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.Oudewatertoch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.Nadat Baldez onder Requesens het beleg vanLeijdenhad moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd enBredawas de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken vanOudewaterniet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend,147dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de stedenOudewater,Schoonhoven, enWoerdenalsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede teBredaniet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paardenBureningenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat HiergesBurennu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naarBommelanderen naarWorcum, en de overigen naar de zijde vanSchoonhovengezonden.Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.Zoowel uitGoudaals uitOudewaterwerd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten vanHollandvoornamelijk aan die vanOudewaterom de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen,148en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnenOudewaterten einde teGoudawaarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde.149De rede waarom men dit aanOudewaterbeval, is ligtelijk te begrijpen.1. HadOudewatereen beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden” uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar dieniet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.De zorg van s’lands staten voorOudewaterberustte er nog niet bij.Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburigeBenschopals van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naarOudewaterte vervoeren, en er geschut van te gieten.Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:Die vanOudewaterwaren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen150en van Duyn meldt zelfs, dat zijGoudahadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn;151maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan152; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uitOudewatergenaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in deomstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen,vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepende vijand komt! De vijand is in aantogt naarOudewateren op de vraag van waar hij kwam,zeidemenLangs den Damweg van IJsselstein.Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naarOudewater,vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen vanOudewaterwerden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt,de vijand is in aantogtnaarOudewaterlangs den Damweg vanIJsselstein.Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgensVanKinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden”, die het—ter ontwijking van het gevaar—op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden.153Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naarOudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten,154te weten:Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde,155nu aan de Staatsche zijde was.Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen,terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnenOudewaterop omtrent 700 koppen gesteld mag worden.Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, datOudewaterboven het hoofd hangt.—Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans156die niet ver vanOudewateraan den grooten weg naarMontfoortgelegen was157; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voorOudewatervan zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voorOudewatergeweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest omOudewaterte behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om vandiezijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting vanOudewaterden prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde vanOudewaterbij Goejanverwellesluis gelegen, werd158door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is;159men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen160en den inwoners vanOudewaterdus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnenOudewaterwas aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijkware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was teHaarlemmet nut in het bestuur des krijgs161werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die vanOudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter teOudewaterspoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.—Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men teOudewatertevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld.162Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijandenis ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik”, zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en …. mijne stadgenooten redden, maar”, zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen,” iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.Het zijn de stoute togtgenooten.Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken ….Zoonaderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en … weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nogéénewacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis terigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zijdaarSpaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!—De gedachte aan gade en kinderen—aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,—dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte163en al spoedig was men nu behouden teGouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.Men had teOudewaterde afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat menbehouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naarOudewaterwas, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten,” Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang,164den vijand gestadig uitjouwende.De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedekeOudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om destad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naarDelftop reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het tochOudewaterniet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.Men was inOudewaterechter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.De prins reisde eerlang zelf na de stadGoudaom te zien,165of er geene andere middelen tot redding van het omlegerdeOudewaterkonden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men denbenarden toestand vanOudewateraan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard vanOudewaterte verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naarOudewatergezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren.166Hij had drie redenen op het oog,167om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen.168Naauw had men echter van binnen ’s vijands meeningomtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk169bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4dubbelekartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.De andere batterij was met 5 stukken170voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu omOudewaterop te eischen voor Philips den II; ten acht ure ’s morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum171naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.—Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum172met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheidte zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.Men had dit inOudewaterniet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was173en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.Nog anderen, meldt van Duijn,174waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, datOudewaterwerd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willendehijliever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds.”Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport vanOudewatermeer ontvangen, en ten175tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut opOudewatergevuurd.Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten,176toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.Eindelijk zwijgen de vuurmonden ….. het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men inOudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?Rustte men inOudewater?Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt …. hij deed het, maar hij was nietzwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.Maar nu moest men aan het werk.Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,177en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond.178Doch de voorzorgsmaatregelen van die uitOudewaterbleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren.179Voorts bedacht men inOudewaternog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijderustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.Maar de vijand zat insgelijks niet stil.Zijndoel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bijOudewatergevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voorOudewaterde beslissende dag.Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken180en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders181tot bijOudewatergekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, datOudewaterdien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester DonHernando de Toledo, de hoplieden Francisco d’Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.Nu bedacht de vijand eene voorOudewaterrampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd ennuzoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van „naar binnen, naar binnen toe.”182Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen” ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandendevoorwerpenop het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan.183Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnenOudewaterheeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die mentot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur184den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel.185Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich duseenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wildenhunleven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan” die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stadOudewaterte zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges186den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten187en verdronken.De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd188den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk,waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon189en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten vanHollandzorg190indien het noodige hun ontbrak.Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.Nog een paar woorden echter.1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in destad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was191en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang192en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.In het jaar 1615, werd er teOudewatereene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt.193Terwijl de gratificatien, door de staten vanHollandin stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 teOudewaterfeestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam,toenwas het klokkengelui, het noodsein voorOudewaterennuroept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking vanOudewateraanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille stratender stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord,” zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.—Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten.194Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maarwaaris het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord” wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band doorFrejagevlochten.NadatOudewaterdus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voorSchoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers inOudewaterals bezetting gelegd werd.Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stadDelftbleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ookOudewaterenWoerdendongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat derNederlanden Zuid-Hollanddoor A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers vanLeijdenniet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.—Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geenegelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten vanHollandover dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, alsOudewater,Woerdenen anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie teLeijdente vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan.”Ruim 15 maanden wasOudewaternu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haarweder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan,195en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich inOudewatervestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d’Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten ’t ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn.mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende derStaten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan totDelffden xijen. Novembris AnnoXVc. sessen ’t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel.”196

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte” werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte” nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad” genoemd.Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten.Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was.130Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.—Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.—In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra ’s prinsen zijdeVlissingen,Medembliken andere Noord-Hollandsche steden.Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211,212 en 213.»Dus gingen de zaken in ’t Noorden vanHolland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvolvolks de stadOudewater132en drie dagen laater ookGoudaom; welk voorbeeld sedert doorLeiden,Dordrecht,133HaarlemenGorkomgevolgd wierdt. Invoege slechtsDelft,Amsterdam,Rotterdam,Woerden,Schoonhoven,Naarden,MuydenenWeesphet nog inHollandalleen maar met den134Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135van Hooimaand teDordrechtmet een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheelHollandaanstelden;137welke in die hoedanigheid zich straks van138RotterdamenWoerdenverzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139door Bossu voorheen daaringelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140Holland, verlaaten hadden.Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.Ook de stadOudewaterpoogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur vanHollandenUtrecht. De stadUtrechtnu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat BossuOudewaterging bestoken.Eerst had hij beproefd denBrielenHaarlemweder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was,142moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er inOudewaterweinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.De Heer van Zwieten echter, dieOudewatervroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein vanWoerdenmet verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het inUtrechtweekmarkt is, dat hij op eens de poorten vanUtrechtdeed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens143en ook de boeren144, werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stadOudewateralwaar hij des avonds aankwam.Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stadOudewaterniet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:Al eer een jaar ten einde zal gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.Al hoewel van Bossu niet opOudewaterschijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut vanUtrechtherwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.Het leger teMonfoortaankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aanLinschotenheen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.Aan een oud moedertje in deLinschotenop haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken.145Zoodanig was de afloop van van Bossu’s onderneming, omOudewaterte overrompelen.Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaarOudewateraan te tasten, niet ten uitvoer kunnenbrengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naarOudewaterwerd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.Had men van Bossu,—met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; teOudewaterheerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.Hetzij men teOudewaterten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men inOudewatergroote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld.146Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.Oudewatertoch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.Nadat Baldez onder Requesens het beleg vanLeijdenhad moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd enBredawas de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken vanOudewaterniet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend,147dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de stedenOudewater,Schoonhoven, enWoerdenalsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede teBredaniet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paardenBureningenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat HiergesBurennu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naarBommelanderen naarWorcum, en de overigen naar de zijde vanSchoonhovengezonden.Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.Zoowel uitGoudaals uitOudewaterwerd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten vanHollandvoornamelijk aan die vanOudewaterom de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen,148en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnenOudewaterten einde teGoudawaarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde.149De rede waarom men dit aanOudewaterbeval, is ligtelijk te begrijpen.1. HadOudewatereen beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden” uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar dieniet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.De zorg van s’lands staten voorOudewaterberustte er nog niet bij.Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburigeBenschopals van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naarOudewaterte vervoeren, en er geschut van te gieten.Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:Die vanOudewaterwaren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen150en van Duyn meldt zelfs, dat zijGoudahadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn;151maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan152; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uitOudewatergenaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in deomstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen,vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepende vijand komt! De vijand is in aantogt naarOudewateren op de vraag van waar hij kwam,zeidemenLangs den Damweg van IJsselstein.Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naarOudewater,vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen vanOudewaterwerden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt,de vijand is in aantogtnaarOudewaterlangs den Damweg vanIJsselstein.Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgensVanKinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden”, die het—ter ontwijking van het gevaar—op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden.153Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naarOudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten,154te weten:Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde,155nu aan de Staatsche zijde was.Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen,terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnenOudewaterop omtrent 700 koppen gesteld mag worden.Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, datOudewaterboven het hoofd hangt.—Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans156die niet ver vanOudewateraan den grooten weg naarMontfoortgelegen was157; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voorOudewatervan zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voorOudewatergeweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest omOudewaterte behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om vandiezijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting vanOudewaterden prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde vanOudewaterbij Goejanverwellesluis gelegen, werd158door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is;159men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen160en den inwoners vanOudewaterdus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnenOudewaterwas aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijkware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was teHaarlemmet nut in het bestuur des krijgs161werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die vanOudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter teOudewaterspoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.—Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men teOudewatertevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld.162Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijandenis ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik”, zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en …. mijne stadgenooten redden, maar”, zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen,” iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.Het zijn de stoute togtgenooten.Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken ….Zoonaderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en … weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nogéénewacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis terigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zijdaarSpaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!—De gedachte aan gade en kinderen—aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,—dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte163en al spoedig was men nu behouden teGouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.Men had teOudewaterde afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat menbehouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naarOudewaterwas, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten,” Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang,164den vijand gestadig uitjouwende.De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedekeOudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om destad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naarDelftop reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het tochOudewaterniet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.Men was inOudewaterechter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.De prins reisde eerlang zelf na de stadGoudaom te zien,165of er geene andere middelen tot redding van het omlegerdeOudewaterkonden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men denbenarden toestand vanOudewateraan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard vanOudewaterte verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naarOudewatergezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren.166Hij had drie redenen op het oog,167om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen.168Naauw had men echter van binnen ’s vijands meeningomtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk169bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4dubbelekartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.De andere batterij was met 5 stukken170voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu omOudewaterop te eischen voor Philips den II; ten acht ure ’s morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum171naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.—Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum172met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheidte zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.Men had dit inOudewaterniet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was173en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.Nog anderen, meldt van Duijn,174waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, datOudewaterwerd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willendehijliever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds.”Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport vanOudewatermeer ontvangen, en ten175tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut opOudewatergevuurd.Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten,176toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.Eindelijk zwijgen de vuurmonden ….. het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men inOudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?Rustte men inOudewater?Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt …. hij deed het, maar hij was nietzwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.Maar nu moest men aan het werk.Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,177en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond.178Doch de voorzorgsmaatregelen van die uitOudewaterbleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren.179Voorts bedacht men inOudewaternog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijderustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.Maar de vijand zat insgelijks niet stil.Zijndoel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bijOudewatergevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voorOudewaterde beslissende dag.Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken180en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders181tot bijOudewatergekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, datOudewaterdien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester DonHernando de Toledo, de hoplieden Francisco d’Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.Nu bedacht de vijand eene voorOudewaterrampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd ennuzoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van „naar binnen, naar binnen toe.”182Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen” ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandendevoorwerpenop het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan.183Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnenOudewaterheeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die mentot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur184den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel.185Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich duseenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wildenhunleven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan” die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stadOudewaterte zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges186den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten187en verdronken.De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd188den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk,waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon189en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten vanHollandzorg190indien het noodige hun ontbrak.Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.Nog een paar woorden echter.1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in destad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was191en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang192en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.In het jaar 1615, werd er teOudewatereene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt.193Terwijl de gratificatien, door de staten vanHollandin stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 teOudewaterfeestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam,toenwas het klokkengelui, het noodsein voorOudewaterennuroept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking vanOudewateraanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille stratender stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord,” zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.—Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten.194Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maarwaaris het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord” wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band doorFrejagevlochten.NadatOudewaterdus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voorSchoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers inOudewaterals bezetting gelegd werd.Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stadDelftbleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ookOudewaterenWoerdendongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat derNederlanden Zuid-Hollanddoor A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers vanLeijdenniet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.—Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geenegelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten vanHollandover dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, alsOudewater,Woerdenen anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie teLeijdente vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan.”Ruim 15 maanden wasOudewaternu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haarweder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan,195en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich inOudewatervestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d’Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten ’t ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn.mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende derStaten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan totDelffden xijen. Novembris AnnoXVc. sessen ’t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel.”196

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte” werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte” nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad” genoemd.Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten.Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was.130Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.—Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.—In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra ’s prinsen zijdeVlissingen,Medembliken andere Noord-Hollandsche steden.Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211,212 en 213.»Dus gingen de zaken in ’t Noorden vanHolland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvolvolks de stadOudewater132en drie dagen laater ookGoudaom; welk voorbeeld sedert doorLeiden,Dordrecht,133HaarlemenGorkomgevolgd wierdt. Invoege slechtsDelft,Amsterdam,Rotterdam,Woerden,Schoonhoven,Naarden,MuydenenWeesphet nog inHollandalleen maar met den134Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135van Hooimaand teDordrechtmet een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheelHollandaanstelden;137welke in die hoedanigheid zich straks van138RotterdamenWoerdenverzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139door Bossu voorheen daaringelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140Holland, verlaaten hadden.Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.Ook de stadOudewaterpoogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur vanHollandenUtrecht. De stadUtrechtnu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat BossuOudewaterging bestoken.Eerst had hij beproefd denBrielenHaarlemweder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was,142moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er inOudewaterweinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.De Heer van Zwieten echter, dieOudewatervroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein vanWoerdenmet verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het inUtrechtweekmarkt is, dat hij op eens de poorten vanUtrechtdeed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens143en ook de boeren144, werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stadOudewateralwaar hij des avonds aankwam.Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stadOudewaterniet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:Al eer een jaar ten einde zal gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.Al hoewel van Bossu niet opOudewaterschijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut vanUtrechtherwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.Het leger teMonfoortaankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aanLinschotenheen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.Aan een oud moedertje in deLinschotenop haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken.145Zoodanig was de afloop van van Bossu’s onderneming, omOudewaterte overrompelen.Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaarOudewateraan te tasten, niet ten uitvoer kunnenbrengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naarOudewaterwerd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.Had men van Bossu,—met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; teOudewaterheerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.Hetzij men teOudewaterten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men inOudewatergroote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld.146Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.Oudewatertoch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.Nadat Baldez onder Requesens het beleg vanLeijdenhad moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd enBredawas de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken vanOudewaterniet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend,147dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de stedenOudewater,Schoonhoven, enWoerdenalsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede teBredaniet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paardenBureningenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat HiergesBurennu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naarBommelanderen naarWorcum, en de overigen naar de zijde vanSchoonhovengezonden.Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.Zoowel uitGoudaals uitOudewaterwerd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten vanHollandvoornamelijk aan die vanOudewaterom de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen,148en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnenOudewaterten einde teGoudawaarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde.149De rede waarom men dit aanOudewaterbeval, is ligtelijk te begrijpen.1. HadOudewatereen beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden” uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar dieniet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.De zorg van s’lands staten voorOudewaterberustte er nog niet bij.Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburigeBenschopals van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naarOudewaterte vervoeren, en er geschut van te gieten.Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:Die vanOudewaterwaren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen150en van Duyn meldt zelfs, dat zijGoudahadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn;151maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan152; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uitOudewatergenaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in deomstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen,vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepende vijand komt! De vijand is in aantogt naarOudewateren op de vraag van waar hij kwam,zeidemenLangs den Damweg van IJsselstein.Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naarOudewater,vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen vanOudewaterwerden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt,de vijand is in aantogtnaarOudewaterlangs den Damweg vanIJsselstein.Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgensVanKinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden”, die het—ter ontwijking van het gevaar—op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden.153Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naarOudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten,154te weten:Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde,155nu aan de Staatsche zijde was.Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen,terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnenOudewaterop omtrent 700 koppen gesteld mag worden.Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, datOudewaterboven het hoofd hangt.—Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans156die niet ver vanOudewateraan den grooten weg naarMontfoortgelegen was157; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voorOudewatervan zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voorOudewatergeweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest omOudewaterte behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om vandiezijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting vanOudewaterden prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde vanOudewaterbij Goejanverwellesluis gelegen, werd158door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is;159men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen160en den inwoners vanOudewaterdus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnenOudewaterwas aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijkware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was teHaarlemmet nut in het bestuur des krijgs161werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die vanOudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter teOudewaterspoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.—Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men teOudewatertevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld.162Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijandenis ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik”, zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en …. mijne stadgenooten redden, maar”, zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen,” iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.Het zijn de stoute togtgenooten.Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken ….Zoonaderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en … weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nogéénewacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis terigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zijdaarSpaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!—De gedachte aan gade en kinderen—aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,—dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte163en al spoedig was men nu behouden teGouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.Men had teOudewaterde afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat menbehouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naarOudewaterwas, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten,” Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang,164den vijand gestadig uitjouwende.De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedekeOudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om destad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naarDelftop reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het tochOudewaterniet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.Men was inOudewaterechter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.De prins reisde eerlang zelf na de stadGoudaom te zien,165of er geene andere middelen tot redding van het omlegerdeOudewaterkonden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men denbenarden toestand vanOudewateraan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard vanOudewaterte verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naarOudewatergezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren.166Hij had drie redenen op het oog,167om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen.168Naauw had men echter van binnen ’s vijands meeningomtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk169bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4dubbelekartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.De andere batterij was met 5 stukken170voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu omOudewaterop te eischen voor Philips den II; ten acht ure ’s morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum171naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.—Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum172met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheidte zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.Men had dit inOudewaterniet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was173en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.Nog anderen, meldt van Duijn,174waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, datOudewaterwerd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willendehijliever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds.”Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport vanOudewatermeer ontvangen, en ten175tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut opOudewatergevuurd.Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten,176toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.Eindelijk zwijgen de vuurmonden ….. het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men inOudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?Rustte men inOudewater?Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt …. hij deed het, maar hij was nietzwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.Maar nu moest men aan het werk.Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,177en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond.178Doch de voorzorgsmaatregelen van die uitOudewaterbleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren.179Voorts bedacht men inOudewaternog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijderustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.Maar de vijand zat insgelijks niet stil.Zijndoel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bijOudewatergevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voorOudewaterde beslissende dag.Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken180en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders181tot bijOudewatergekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, datOudewaterdien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester DonHernando de Toledo, de hoplieden Francisco d’Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.Nu bedacht de vijand eene voorOudewaterrampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd ennuzoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van „naar binnen, naar binnen toe.”182Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen” ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandendevoorwerpenop het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan.183Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnenOudewaterheeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die mentot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur184den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel.185Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich duseenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wildenhunleven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan” die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stadOudewaterte zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges186den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten187en verdronken.De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd188den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk,waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon189en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten vanHollandzorg190indien het noodige hun ontbrak.Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.Nog een paar woorden echter.1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in destad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was191en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang192en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.In het jaar 1615, werd er teOudewatereene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt.193Terwijl de gratificatien, door de staten vanHollandin stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 teOudewaterfeestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam,toenwas het klokkengelui, het noodsein voorOudewaterennuroept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking vanOudewateraanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille stratender stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord,” zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.—Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten.194Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maarwaaris het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord” wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band doorFrejagevlochten.NadatOudewaterdus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voorSchoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers inOudewaterals bezetting gelegd werd.Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stadDelftbleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ookOudewaterenWoerdendongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat derNederlanden Zuid-Hollanddoor A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers vanLeijdenniet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.—Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geenegelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten vanHollandover dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, alsOudewater,Woerdenen anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie teLeijdente vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan.”Ruim 15 maanden wasOudewaternu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haarweder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan,195en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich inOudewatervestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d’Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten ’t ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn.mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende derStaten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan totDelffden xijen. Novembris AnnoXVc. sessen ’t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel.”196

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.

Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.

De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte” werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte” nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad” genoemd.

Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten.Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was.130

Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.

De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.—Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.—In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.

Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.

Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra ’s prinsen zijdeVlissingen,Medembliken andere Noord-Hollandsche steden.

Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211,212 en 213.

»Dus gingen de zaken in ’t Noorden vanHolland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvolvolks de stadOudewater132en drie dagen laater ookGoudaom; welk voorbeeld sedert doorLeiden,Dordrecht,133HaarlemenGorkomgevolgd wierdt. Invoege slechtsDelft,Amsterdam,Rotterdam,Woerden,Schoonhoven,Naarden,MuydenenWeesphet nog inHollandalleen maar met den134Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135van Hooimaand teDordrechtmet een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheelHollandaanstelden;137welke in die hoedanigheid zich straks van138RotterdamenWoerdenverzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139door Bossu voorheen daaringelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140Holland, verlaaten hadden.Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”

Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.

Ook de stadOudewaterpoogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.

Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur vanHollandenUtrecht. De stadUtrechtnu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat BossuOudewaterging bestoken.

Eerst had hij beproefd denBrielenHaarlemweder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was,142moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er inOudewaterweinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.

De Heer van Zwieten echter, dieOudewatervroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein vanWoerdenmet verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.

Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het inUtrechtweekmarkt is, dat hij op eens de poorten vanUtrechtdeed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens143en ook de boeren144, werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stadOudewateralwaar hij des avonds aankwam.

Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stadOudewaterniet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.

Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:

Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.

Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,

Zoo min zal Duc d’Alve de stad overwinnen.

Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:

Al eer een jaar ten einde zal gaan,Zal ik er door jagen den rooden haan.

Al eer een jaar ten einde zal gaan,

Zal ik er door jagen den rooden haan.

Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.

Al hoewel van Bossu niet opOudewaterschijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut vanUtrechtherwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.

Het leger teMonfoortaankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aanLinschotenheen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.

Aan een oud moedertje in deLinschotenop haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken.145

Zoodanig was de afloop van van Bossu’s onderneming, omOudewaterte overrompelen.

Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaarOudewateraan te tasten, niet ten uitvoer kunnenbrengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naarOudewaterwerd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.

Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.

Had men van Bossu,—met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; teOudewaterheerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.

Hetzij men teOudewaterten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men inOudewatergroote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld.146

Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.

Oudewatertoch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.

Nadat Baldez onder Requesens het beleg vanLeijdenhad moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd enBredawas de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.

Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken vanOudewaterniet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend,147dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de stedenOudewater,Schoonhoven, enWoerdenalsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede teBredaniet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.

Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paardenBureningenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat HiergesBurennu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naarBommelanderen naarWorcum, en de overigen naar de zijde vanSchoonhovengezonden.

Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.

Zoowel uitGoudaals uitOudewaterwerd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.

De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten vanHollandvoornamelijk aan die vanOudewaterom de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen,148en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnenOudewaterten einde teGoudawaarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde.149

De rede waarom men dit aanOudewaterbeval, is ligtelijk te begrijpen.

1. HadOudewatereen beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden” uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten

2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar dieniet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.

De zorg van s’lands staten voorOudewaterberustte er nog niet bij.

Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburigeBenschopals van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naarOudewaterte vervoeren, en er geschut van te gieten.

Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.

De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:

Die vanOudewaterwaren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen150en van Duyn meldt zelfs, dat zijGoudahadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn;151maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan152; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.

Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uitOudewatergenaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in deomstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen,vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepende vijand komt! De vijand is in aantogt naarOudewateren op de vraag van waar hij kwam,zeidemenLangs den Damweg van IJsselstein.

Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naarOudewater,vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen vanOudewaterwerden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt,de vijand is in aantogtnaarOudewaterlangs den Damweg vanIJsselstein.

Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.

De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgensVanKinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.

De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden”, die het—ter ontwijking van het gevaar—op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden.153

Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naarOudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.

Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten,154te weten:

Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde,155nu aan de Staatsche zijde was.

Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen,terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnenOudewaterop omtrent 700 koppen gesteld mag worden.

Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.

Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, datOudewaterboven het hoofd hangt.—

Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans156die niet ver vanOudewateraan den grooten weg naarMontfoortgelegen was157; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.

De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voorOudewatervan zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.

Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voorOudewatergeweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest omOudewaterte behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om vandiezijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting vanOudewaterden prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.

Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde vanOudewaterbij Goejanverwellesluis gelegen, werd158door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is;159men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen160en den inwoners vanOudewaterdus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.

Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnenOudewaterwas aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijkware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was teHaarlemmet nut in het bestuur des krijgs161werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.

Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die vanOudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter teOudewaterspoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.—Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.

Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men teOudewatertevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld.162

Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.

Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijandenis ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?

Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik”, zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en …. mijne stadgenooten redden, maar”, zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen,” iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.

Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.

De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.

Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.

Het zijn de stoute togtgenooten.

Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken ….Zoonaderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en … weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nogéénewacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis terigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zijdaarSpaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!

Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!—De gedachte aan gade en kinderen—aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,—dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.

Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.

Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte163en al spoedig was men nu behouden teGouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.

Men had teOudewaterde afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat menbehouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.

Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naarOudewaterwas, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten,” Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.

Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang,164den vijand gestadig uitjouwende.

De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedekeOudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.

Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om destad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.

Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.

En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naarDelftop reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het tochOudewaterniet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.

Men was inOudewaterechter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.

De prins reisde eerlang zelf na de stadGoudaom te zien,165of er geene andere middelen tot redding van het omlegerdeOudewaterkonden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.

Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men denbenarden toestand vanOudewateraan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard vanOudewaterte verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naarOudewatergezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.

In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren.166Hij had drie redenen op het oog,167om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.

1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.

2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.

3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen.168

Naauw had men echter van binnen ’s vijands meeningomtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.

Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk169bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4dubbelekartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.

De andere batterij was met 5 stukken170voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.

Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu omOudewaterop te eischen voor Philips den II; ten acht ure ’s morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum171naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.—Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum172met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheidte zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.

Men had dit inOudewaterniet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was173en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.

Nog anderen, meldt van Duijn,174waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:

»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, datOudewaterwerd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willendehijliever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds.”

Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport vanOudewatermeer ontvangen, en ten175tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut opOudewatergevuurd.

Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.

Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten,176toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.

Eindelijk zwijgen de vuurmonden ….. het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men inOudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?

Rustte men inOudewater?

Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt …. hij deed het, maar hij was nietzwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.

Maar nu moest men aan het werk.

Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,177en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond.178

Doch de voorzorgsmaatregelen van die uitOudewaterbleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.

Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren.179

Voorts bedacht men inOudewaternog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.

Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijderustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.

Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.

Maar de vijand zat insgelijks niet stil.Zijndoel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bijOudewatergevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.

7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voorOudewaterde beslissende dag.

Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken180en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.

Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders181tot bijOudewatergekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, datOudewaterdien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.

Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester DonHernando de Toledo, de hoplieden Francisco d’Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.

Nu bedacht de vijand eene voorOudewaterrampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.

Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.

Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.

Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd ennuzoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van „naar binnen, naar binnen toe.”182

Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen” ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.

Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.

De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandendevoorwerpenop het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan.183Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnenOudewaterheeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!

Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die mentot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur184den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel.185

Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.

In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.

De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich duseenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.

Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wildenhunleven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.

Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.

Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.

Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.

Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan” die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stadOudewaterte zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.

Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges186den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.

Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten187en verdronken.

De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd188den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.

De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk,waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.

De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.

De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon189en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.

Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten vanHollandzorg190indien het noodige hun ontbrak.

Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.

Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.

Nog een paar woorden echter.

1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in destad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was191en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang192en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en

2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.

De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.

In het jaar 1615, werd er teOudewatereene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt.193

Terwijl de gratificatien, door de staten vanHollandin stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.

Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.

Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 teOudewaterfeestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.

Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.

Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.

Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam,toenwas het klokkengelui, het noodsein voorOudewaterennuroept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking vanOudewateraanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.

Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.

In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille stratender stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord,” zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.—Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten.194

Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maarwaaris het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord” wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band doorFrejagevlochten.

NadatOudewaterdus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voorSchoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers inOudewaterals bezetting gelegd werd.

Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stadDelftbleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.

In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ookOudewaterenWoerdendongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.

Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat derNederlanden Zuid-Hollanddoor A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.

»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers vanLeijdenniet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.—Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geenegelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten vanHollandover dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, alsOudewater,Woerdenen anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie teLeijdente vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan.”

Ruim 15 maanden wasOudewaternu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.

Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haarweder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan,195en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich inOudewatervestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d’Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten ’t ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn.mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende derStaten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan totDelffden xijen. Novembris AnnoXVc. sessen ’t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel.”196


Back to IndexNext