Chapter 54

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg teGoudabijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken” verworven had.De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.Het »oude varken” zou dan het eerste over het ijs gaan,over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken” rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezindeStichtvanUtrecht.2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodater weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar hetStichtzijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen.197Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief vanOudewaterberustende. De eene heeft tot opschrift: »An̄o 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cleȳ burgemr. van̄ jaere acht en̄ tseventich binnenOudewatervande tweehondert ponden van xl groōn tot reparatie van̄ dyckagie ontfangen;” de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van̄ ontfanck bij Cornelis Dircxz en̄ Jan aertsz Burgemrn̄ der stede vanOudewaterinden jaereXVcacht ende tseventich gedient beroeren̄ de vijftich gūl ter maent tot behouffe vand opruyminge van̄ straten bij karolus gul. tot xl groon̄ vlaems den groot tot iiij dts gerekent.”Uit de eerste schrijf ik deze posten af:Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en̄ gegeven van maecken teneersten twesteyndevyftich gul.Item noch vant oesteynde van dyck te maecken̄ gegevenXXXVIIj k. gul.Xstv.Item tvoorgen̄ gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloonLIIIj—Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen̄ van arbeyt gegevenIj—XIIIj—Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegevenIj gul.Xstv.Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen̄ buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was faIIIj—XV—Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet faIj—”En uit de laatste:198»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. totXXXVj dagen toe faX—XVj—Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck comptXVIIj dagen faIIIj—X—Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers faIj—Ij—Item noch een man van een dach te laden gegeven—Vj—.Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechsIIIj st. fIj—”Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meervoet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst teOudewaterwerd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd.199Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven.200Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had.201Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25April, eene vereeniging tusschenHolland, enZeelandtot stand kreeg. De stedenSchoonhoven en Oudewaterwaren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ookWoerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,202ten volgende jare besloot men teMiddelburgop een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken vanOudewater,Woudrichem,Vlissingen,Veeren meerdere sterke steden203en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voorOudewaterverscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie vanUtrechtwaardoor de provinciënHolland,Zeeland,Utrecht,Gelderland,GroningenenVrieslandnaauwer aan een gesloten werden.Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te’Gravenhage Philips vanSpanjemet zijne nakomelingen voor immer af.204Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stadOudewater.Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzenlezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.—Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts—naar onze wijze van zien,—van de voornaamsten zullen gewagen.Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar alsProcureurte fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade teOudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en3o. dat ook de Gemagtigden uitOudewaterin het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene origineleacte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in’s Gravenhageen te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat vanHolland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I.tot graaf dezer landen.De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.In April 1583 was men vanOudewaterweder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden,205om op den 16. October 1583 teDordrechtte verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbijOudewaterwordt uitgenoodigd ter dagvaart teDordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die vanZeelandenUtrechtte besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij nameOudewaterdat zij alleoproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnenDelftde twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste teDelftbeschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen206en namensOudewaterverschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn207.»Intusschen,” zoo schrijft Van Kinschot208, waren die van ’s Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu teDelftbijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerphad gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschenHollandenZeelandnimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.Voorts verschoondeOudewaternevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin vanEngelandstond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschaptrachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stadOudewatertot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie,ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen.209Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten hetVeeraanOudewatertoevoegden.210Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, deNederlandenverlaten, doch het leger,—staande onder soldij der koningin vanEngeland,—dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren.211Alhoewel wijOudewaterniet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillendestukkenaangaande den kommandant van de bezetting binnen de stadLancelot, Heer van Marbaijs.In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschenUtrecht,AmsterdamenGoudaaf.212De Staten vanHollandenZeelandnamen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar213naast het archief der stadOudewatergelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen vanHollandenWest Vrieslanden tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met ⅔ hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Statenen Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.TeOudewaterwas men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587–1588 opgemaakt.214Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te ’s Gravenhage belegd, waren de gemagtigden vanOudewaterweder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.Utrechtzelfs, datOudewaterzoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die vanOudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond doorJutphaasneerwaarts gepasseerd was. Die vanUtrechtverzochten daarin »Crysvolck” uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en inde Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bijNieuwpoortplaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stadOudewatervan den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang teOudewatergeschiedde. Philips den III.echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot.215Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stadOudewaterniet van de minste waren.De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten inOudewatergeboren,216en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool teLeiden.Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden.217De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen.218Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein teOudewaterden contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten vanHolland, waarop Arminius echter spoedig overleed219.De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.TeOudewaterhad de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius220.Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnenOudewaterniet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina’s daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures221en ga de diverse stukken op het raadhuisover die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem” houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.Wij ontleenen aan het »historisch verhaal” kortelijk het volgende:Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven222.Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten teAmsterdam, en nog aan een andere »kercke” schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij diebijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen.223Op het schrijven aan de predikanten der stadAmsterdamvolgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive224aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren vanOudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren”, verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.Men had nu teOudewateren elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid ophet kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was225. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat vanHollanden de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vestingOudewaterna den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan226, het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders” binnenOudewater.Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten vanHollandnam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie”227maar eenigen tijd hierna besloot,—na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,—de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stadOudewaterwaar hij eveneens verandering in de regering bragt.De synode vanDordrechtwerd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV.hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den teOudewaterliggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uitOudewaterte gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623.228Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd,waren er vanOudewatereveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize.229De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uitOudewater50 manschappen uit de burgerij geligt om teSteenbergengarnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept.230In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede metSpanjegesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stadOudewaterhad er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.Nadat de vrede metSpanjegesloten was, behoefdemen zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincieHollandmeer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de SpaanscheNederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten metEngelandenZweden, ten einde Lodewijk XIV weder metSpanjete verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschenEngelandenZwedenmet de Staten hebben vernietigd,eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het metEngeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.De twee vorsten, wisten nuZwedeninsgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnenverwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ookOudewaterzoude beroeren, zou worden bevorderd.Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald enOudewaterviel insgelijks in den magt der franschen.231Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ookMontfoortwerd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan deNieuwerbrugde stedenWoerdenenOudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden inWoerdengelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naarOudewaterzond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden.232Tot dusverre Wagenaar. Omtrentdit voor geheel ons vaderland en ook voorOudewaterzoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons233in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij doorNijmegenover de Maas naar’s Hertogenboschgetrokken was, vervolgt hij in dier voege:De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur benedenOudewaterte legeren.De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naarUtrechtom aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar ’sGravenhagete zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men bevalden Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijandOudewaternaderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen teBodegravenlag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij deWierinkkenen derzelver sluizen, kunnende hij daardoorOudewater en omtrekdeels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek” een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die teUtrechtop kondschap lag, nogeen tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad234in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.Men wachtte echter nog op tijding uitUtrecht.Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die vanUtrechtal gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.Daar komt eensklaps de persoon die teUtrechtop kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnenUtrechthad zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten vanOudewaterbevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde vanUtrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capitulerenvinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburigMontfoortgenaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dusOudewaterinsgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnenOudewaterzoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen ofmusketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer.Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.Zij schreven naarUtrechtom ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger vanUtrechtontvangen had.Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naarUtrechtvertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende” waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naarUtrechtlagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.Nadat de Franschen zich dus in en omOudewatergelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondomden stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde235geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langsHonkoopdoen defileeren. Deze nu aan de andere zijde vanOudewateraangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadigschieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naarWoerden,MontfoortenUtrechtom bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschapWilleskopen die om de stad stonden.Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.—Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit ’s prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten alsmen wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met’er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel vanLeyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik doorhet venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen vanUtrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom,met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan.”Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;Oudewaterbehoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stadMontfoortop de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenigekoninklijkeSauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting vanOudewateraangekomen. Immers nadat de Koning, vanZeijstwas opgebroken en de FranschenOudewater,WoerdenenMontfoortontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ookWoerdenenMontfoortgedaan hebben, maarOudewaterwerd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabijMontfoortgenaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder naUtrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.»Nu liet sijn Excellentie in ’t eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegenOudewaterdoenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerderseen brief vanUtrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die vanOudewaterdaar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naarUtrechtvertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat’er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die vanOudewaterdaar door een vryen pas van de Franschen Commandant.»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; ’t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hierbinnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnenOudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreegOudewaterin ’t korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge vanOudewaterwas ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden’er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buytenWoerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by deLinschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog vanLuxemburggeschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht.”»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnenWoerdenwaren getrokken, soo is den Hartog vanLuxemburgmet Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn totOudewaterook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrentWoerdenseer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysenNesenLinschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naarWulverhorst, met eenige weynigeOfficieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren.”Zooals men dus bemerkt, had de stadOudewaterin 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die vanOudewatertegen de franschen onvervaard en dapper, naast die vanAlphen, toen vielen er bij deNieuwerbrugin eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet.236Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die vanOudewaterzich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, datMontfoortenWoerdennog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen237van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnenOudewaterberigt had, dat 500 franschen naar de zijde vanLinschoten,DiemerbroekenPapenkopoptrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg teGoudabijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken” verworven had.De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.Het »oude varken” zou dan het eerste over het ijs gaan,over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken” rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezindeStichtvanUtrecht.2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodater weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar hetStichtzijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen.197Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief vanOudewaterberustende. De eene heeft tot opschrift: »An̄o 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cleȳ burgemr. van̄ jaere acht en̄ tseventich binnenOudewatervande tweehondert ponden van xl groōn tot reparatie van̄ dyckagie ontfangen;” de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van̄ ontfanck bij Cornelis Dircxz en̄ Jan aertsz Burgemrn̄ der stede vanOudewaterinden jaereXVcacht ende tseventich gedient beroeren̄ de vijftich gūl ter maent tot behouffe vand opruyminge van̄ straten bij karolus gul. tot xl groon̄ vlaems den groot tot iiij dts gerekent.”Uit de eerste schrijf ik deze posten af:Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en̄ gegeven van maecken teneersten twesteyndevyftich gul.Item noch vant oesteynde van dyck te maecken̄ gegevenXXXVIIj k. gul.Xstv.Item tvoorgen̄ gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloonLIIIj—Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen̄ van arbeyt gegevenIj—XIIIj—Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegevenIj gul.Xstv.Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen̄ buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was faIIIj—XV—Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet faIj—”En uit de laatste:198»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. totXXXVj dagen toe faX—XVj—Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck comptXVIIj dagen faIIIj—X—Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers faIj—Ij—Item noch een man van een dach te laden gegeven—Vj—.Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechsIIIj st. fIj—”Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meervoet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst teOudewaterwerd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd.199Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven.200Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had.201Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25April, eene vereeniging tusschenHolland, enZeelandtot stand kreeg. De stedenSchoonhoven en Oudewaterwaren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ookWoerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,202ten volgende jare besloot men teMiddelburgop een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken vanOudewater,Woudrichem,Vlissingen,Veeren meerdere sterke steden203en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voorOudewaterverscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie vanUtrechtwaardoor de provinciënHolland,Zeeland,Utrecht,Gelderland,GroningenenVrieslandnaauwer aan een gesloten werden.Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te’Gravenhage Philips vanSpanjemet zijne nakomelingen voor immer af.204Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stadOudewater.Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzenlezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.—Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts—naar onze wijze van zien,—van de voornaamsten zullen gewagen.Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar alsProcureurte fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade teOudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en3o. dat ook de Gemagtigden uitOudewaterin het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene origineleacte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in’s Gravenhageen te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat vanHolland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I.tot graaf dezer landen.De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.In April 1583 was men vanOudewaterweder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden,205om op den 16. October 1583 teDordrechtte verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbijOudewaterwordt uitgenoodigd ter dagvaart teDordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die vanZeelandenUtrechtte besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij nameOudewaterdat zij alleoproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnenDelftde twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste teDelftbeschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen206en namensOudewaterverschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn207.»Intusschen,” zoo schrijft Van Kinschot208, waren die van ’s Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu teDelftbijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerphad gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschenHollandenZeelandnimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.Voorts verschoondeOudewaternevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin vanEngelandstond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschaptrachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stadOudewatertot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie,ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen.209Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten hetVeeraanOudewatertoevoegden.210Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, deNederlandenverlaten, doch het leger,—staande onder soldij der koningin vanEngeland,—dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren.211Alhoewel wijOudewaterniet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillendestukkenaangaande den kommandant van de bezetting binnen de stadLancelot, Heer van Marbaijs.In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschenUtrecht,AmsterdamenGoudaaf.212De Staten vanHollandenZeelandnamen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar213naast het archief der stadOudewatergelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen vanHollandenWest Vrieslanden tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met ⅔ hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Statenen Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.TeOudewaterwas men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587–1588 opgemaakt.214Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te ’s Gravenhage belegd, waren de gemagtigden vanOudewaterweder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.Utrechtzelfs, datOudewaterzoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die vanOudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond doorJutphaasneerwaarts gepasseerd was. Die vanUtrechtverzochten daarin »Crysvolck” uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en inde Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bijNieuwpoortplaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stadOudewatervan den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang teOudewatergeschiedde. Philips den III.echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot.215Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stadOudewaterniet van de minste waren.De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten inOudewatergeboren,216en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool teLeiden.Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden.217De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen.218Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein teOudewaterden contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten vanHolland, waarop Arminius echter spoedig overleed219.De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.TeOudewaterhad de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius220.Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnenOudewaterniet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina’s daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures221en ga de diverse stukken op het raadhuisover die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem” houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.Wij ontleenen aan het »historisch verhaal” kortelijk het volgende:Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven222.Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten teAmsterdam, en nog aan een andere »kercke” schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij diebijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen.223Op het schrijven aan de predikanten der stadAmsterdamvolgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive224aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren vanOudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren”, verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.Men had nu teOudewateren elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid ophet kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was225. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat vanHollanden de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vestingOudewaterna den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan226, het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders” binnenOudewater.Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten vanHollandnam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie”227maar eenigen tijd hierna besloot,—na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,—de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stadOudewaterwaar hij eveneens verandering in de regering bragt.De synode vanDordrechtwerd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV.hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den teOudewaterliggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uitOudewaterte gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623.228Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd,waren er vanOudewatereveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize.229De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uitOudewater50 manschappen uit de burgerij geligt om teSteenbergengarnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept.230In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede metSpanjegesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stadOudewaterhad er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.Nadat de vrede metSpanjegesloten was, behoefdemen zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincieHollandmeer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de SpaanscheNederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten metEngelandenZweden, ten einde Lodewijk XIV weder metSpanjete verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschenEngelandenZwedenmet de Staten hebben vernietigd,eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het metEngeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.De twee vorsten, wisten nuZwedeninsgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnenverwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ookOudewaterzoude beroeren, zou worden bevorderd.Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald enOudewaterviel insgelijks in den magt der franschen.231Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ookMontfoortwerd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan deNieuwerbrugde stedenWoerdenenOudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden inWoerdengelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naarOudewaterzond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden.232Tot dusverre Wagenaar. Omtrentdit voor geheel ons vaderland en ook voorOudewaterzoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons233in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij doorNijmegenover de Maas naar’s Hertogenboschgetrokken was, vervolgt hij in dier voege:De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur benedenOudewaterte legeren.De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naarUtrechtom aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar ’sGravenhagete zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men bevalden Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijandOudewaternaderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen teBodegravenlag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij deWierinkkenen derzelver sluizen, kunnende hij daardoorOudewater en omtrekdeels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek” een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die teUtrechtop kondschap lag, nogeen tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad234in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.Men wachtte echter nog op tijding uitUtrecht.Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die vanUtrechtal gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.Daar komt eensklaps de persoon die teUtrechtop kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnenUtrechthad zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten vanOudewaterbevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde vanUtrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capitulerenvinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburigMontfoortgenaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dusOudewaterinsgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnenOudewaterzoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen ofmusketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer.Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.Zij schreven naarUtrechtom ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger vanUtrechtontvangen had.Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naarUtrechtvertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende” waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naarUtrechtlagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.Nadat de Franschen zich dus in en omOudewatergelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondomden stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde235geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langsHonkoopdoen defileeren. Deze nu aan de andere zijde vanOudewateraangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadigschieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naarWoerden,MontfoortenUtrechtom bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschapWilleskopen die om de stad stonden.Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.—Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit ’s prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten alsmen wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met’er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel vanLeyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik doorhet venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen vanUtrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom,met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan.”Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;Oudewaterbehoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stadMontfoortop de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenigekoninklijkeSauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting vanOudewateraangekomen. Immers nadat de Koning, vanZeijstwas opgebroken en de FranschenOudewater,WoerdenenMontfoortontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ookWoerdenenMontfoortgedaan hebben, maarOudewaterwerd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabijMontfoortgenaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder naUtrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.»Nu liet sijn Excellentie in ’t eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegenOudewaterdoenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerderseen brief vanUtrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die vanOudewaterdaar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naarUtrechtvertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat’er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die vanOudewaterdaar door een vryen pas van de Franschen Commandant.»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; ’t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hierbinnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnenOudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreegOudewaterin ’t korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge vanOudewaterwas ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden’er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buytenWoerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by deLinschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog vanLuxemburggeschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht.”»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnenWoerdenwaren getrokken, soo is den Hartog vanLuxemburgmet Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn totOudewaterook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrentWoerdenseer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysenNesenLinschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naarWulverhorst, met eenige weynigeOfficieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren.”Zooals men dus bemerkt, had de stadOudewaterin 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die vanOudewatertegen de franschen onvervaard en dapper, naast die vanAlphen, toen vielen er bij deNieuwerbrugin eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet.236Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die vanOudewaterzich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, datMontfoortenWoerdennog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen237van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnenOudewaterberigt had, dat 500 franschen naar de zijde vanLinschoten,DiemerbroekenPapenkopoptrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg teGoudabijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken” verworven had.De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.Het »oude varken” zou dan het eerste over het ijs gaan,over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken” rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezindeStichtvanUtrecht.2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodater weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar hetStichtzijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen.197Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief vanOudewaterberustende. De eene heeft tot opschrift: »An̄o 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cleȳ burgemr. van̄ jaere acht en̄ tseventich binnenOudewatervande tweehondert ponden van xl groōn tot reparatie van̄ dyckagie ontfangen;” de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van̄ ontfanck bij Cornelis Dircxz en̄ Jan aertsz Burgemrn̄ der stede vanOudewaterinden jaereXVcacht ende tseventich gedient beroeren̄ de vijftich gūl ter maent tot behouffe vand opruyminge van̄ straten bij karolus gul. tot xl groon̄ vlaems den groot tot iiij dts gerekent.”Uit de eerste schrijf ik deze posten af:Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en̄ gegeven van maecken teneersten twesteyndevyftich gul.Item noch vant oesteynde van dyck te maecken̄ gegevenXXXVIIj k. gul.Xstv.Item tvoorgen̄ gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloonLIIIj—Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen̄ van arbeyt gegevenIj—XIIIj—Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegevenIj gul.Xstv.Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen̄ buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was faIIIj—XV—Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet faIj—”En uit de laatste:198»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. totXXXVj dagen toe faX—XVj—Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck comptXVIIj dagen faIIIj—X—Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers faIj—Ij—Item noch een man van een dach te laden gegeven—Vj—.Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechsIIIj st. fIj—”Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meervoet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst teOudewaterwerd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd.199Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven.200Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had.201Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25April, eene vereeniging tusschenHolland, enZeelandtot stand kreeg. De stedenSchoonhoven en Oudewaterwaren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ookWoerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,202ten volgende jare besloot men teMiddelburgop een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken vanOudewater,Woudrichem,Vlissingen,Veeren meerdere sterke steden203en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voorOudewaterverscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie vanUtrechtwaardoor de provinciënHolland,Zeeland,Utrecht,Gelderland,GroningenenVrieslandnaauwer aan een gesloten werden.Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te’Gravenhage Philips vanSpanjemet zijne nakomelingen voor immer af.204Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stadOudewater.Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzenlezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.—Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts—naar onze wijze van zien,—van de voornaamsten zullen gewagen.Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar alsProcureurte fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade teOudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en3o. dat ook de Gemagtigden uitOudewaterin het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene origineleacte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in’s Gravenhageen te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat vanHolland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I.tot graaf dezer landen.De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.In April 1583 was men vanOudewaterweder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden,205om op den 16. October 1583 teDordrechtte verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbijOudewaterwordt uitgenoodigd ter dagvaart teDordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die vanZeelandenUtrechtte besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij nameOudewaterdat zij alleoproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnenDelftde twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste teDelftbeschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen206en namensOudewaterverschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn207.»Intusschen,” zoo schrijft Van Kinschot208, waren die van ’s Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu teDelftbijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerphad gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschenHollandenZeelandnimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.Voorts verschoondeOudewaternevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin vanEngelandstond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschaptrachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stadOudewatertot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie,ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen.209Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten hetVeeraanOudewatertoevoegden.210Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, deNederlandenverlaten, doch het leger,—staande onder soldij der koningin vanEngeland,—dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren.211Alhoewel wijOudewaterniet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillendestukkenaangaande den kommandant van de bezetting binnen de stadLancelot, Heer van Marbaijs.In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschenUtrecht,AmsterdamenGoudaaf.212De Staten vanHollandenZeelandnamen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar213naast het archief der stadOudewatergelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen vanHollandenWest Vrieslanden tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met ⅔ hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Statenen Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.TeOudewaterwas men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587–1588 opgemaakt.214Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te ’s Gravenhage belegd, waren de gemagtigden vanOudewaterweder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.Utrechtzelfs, datOudewaterzoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die vanOudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond doorJutphaasneerwaarts gepasseerd was. Die vanUtrechtverzochten daarin »Crysvolck” uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en inde Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bijNieuwpoortplaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stadOudewatervan den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang teOudewatergeschiedde. Philips den III.echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot.215Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stadOudewaterniet van de minste waren.De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten inOudewatergeboren,216en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool teLeiden.Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden.217De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen.218Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein teOudewaterden contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten vanHolland, waarop Arminius echter spoedig overleed219.De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.TeOudewaterhad de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius220.Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnenOudewaterniet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina’s daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures221en ga de diverse stukken op het raadhuisover die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem” houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.Wij ontleenen aan het »historisch verhaal” kortelijk het volgende:Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven222.Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten teAmsterdam, en nog aan een andere »kercke” schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij diebijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen.223Op het schrijven aan de predikanten der stadAmsterdamvolgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive224aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren vanOudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren”, verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.Men had nu teOudewateren elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid ophet kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was225. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat vanHollanden de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vestingOudewaterna den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan226, het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders” binnenOudewater.Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten vanHollandnam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie”227maar eenigen tijd hierna besloot,—na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,—de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stadOudewaterwaar hij eveneens verandering in de regering bragt.De synode vanDordrechtwerd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV.hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den teOudewaterliggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uitOudewaterte gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623.228Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd,waren er vanOudewatereveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize.229De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uitOudewater50 manschappen uit de burgerij geligt om teSteenbergengarnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept.230In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede metSpanjegesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stadOudewaterhad er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.Nadat de vrede metSpanjegesloten was, behoefdemen zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincieHollandmeer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de SpaanscheNederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten metEngelandenZweden, ten einde Lodewijk XIV weder metSpanjete verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschenEngelandenZwedenmet de Staten hebben vernietigd,eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het metEngeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.De twee vorsten, wisten nuZwedeninsgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnenverwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ookOudewaterzoude beroeren, zou worden bevorderd.Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald enOudewaterviel insgelijks in den magt der franschen.231Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ookMontfoortwerd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan deNieuwerbrugde stedenWoerdenenOudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden inWoerdengelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naarOudewaterzond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden.232Tot dusverre Wagenaar. Omtrentdit voor geheel ons vaderland en ook voorOudewaterzoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons233in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij doorNijmegenover de Maas naar’s Hertogenboschgetrokken was, vervolgt hij in dier voege:De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur benedenOudewaterte legeren.De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naarUtrechtom aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar ’sGravenhagete zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men bevalden Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijandOudewaternaderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen teBodegravenlag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij deWierinkkenen derzelver sluizen, kunnende hij daardoorOudewater en omtrekdeels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek” een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die teUtrechtop kondschap lag, nogeen tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad234in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.Men wachtte echter nog op tijding uitUtrecht.Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die vanUtrechtal gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.Daar komt eensklaps de persoon die teUtrechtop kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnenUtrechthad zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten vanOudewaterbevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde vanUtrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capitulerenvinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburigMontfoortgenaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dusOudewaterinsgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnenOudewaterzoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen ofmusketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer.Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.Zij schreven naarUtrechtom ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger vanUtrechtontvangen had.Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naarUtrechtvertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende” waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naarUtrechtlagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.Nadat de Franschen zich dus in en omOudewatergelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondomden stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde235geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langsHonkoopdoen defileeren. Deze nu aan de andere zijde vanOudewateraangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadigschieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naarWoerden,MontfoortenUtrechtom bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschapWilleskopen die om de stad stonden.Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.—Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit ’s prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten alsmen wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met’er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel vanLeyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik doorhet venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen vanUtrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom,met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan.”Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;Oudewaterbehoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stadMontfoortop de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenigekoninklijkeSauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting vanOudewateraangekomen. Immers nadat de Koning, vanZeijstwas opgebroken en de FranschenOudewater,WoerdenenMontfoortontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ookWoerdenenMontfoortgedaan hebben, maarOudewaterwerd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabijMontfoortgenaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder naUtrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.»Nu liet sijn Excellentie in ’t eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegenOudewaterdoenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerderseen brief vanUtrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die vanOudewaterdaar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naarUtrechtvertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat’er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die vanOudewaterdaar door een vryen pas van de Franschen Commandant.»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; ’t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hierbinnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnenOudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreegOudewaterin ’t korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge vanOudewaterwas ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden’er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buytenWoerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by deLinschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog vanLuxemburggeschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht.”»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnenWoerdenwaren getrokken, soo is den Hartog vanLuxemburgmet Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn totOudewaterook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrentWoerdenseer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysenNesenLinschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naarWulverhorst, met eenige weynigeOfficieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren.”Zooals men dus bemerkt, had de stadOudewaterin 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die vanOudewatertegen de franschen onvervaard en dapper, naast die vanAlphen, toen vielen er bij deNieuwerbrugin eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet.236Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die vanOudewaterzich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, datMontfoortenWoerdennog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen237van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnenOudewaterberigt had, dat 500 franschen naar de zijde vanLinschoten,DiemerbroekenPapenkopoptrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg teGoudabijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken” verworven had.De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.Het »oude varken” zou dan het eerste over het ijs gaan,over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken” rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezindeStichtvanUtrecht.2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodater weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar hetStichtzijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen.197Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief vanOudewaterberustende. De eene heeft tot opschrift: »An̄o 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cleȳ burgemr. van̄ jaere acht en̄ tseventich binnenOudewatervande tweehondert ponden van xl groōn tot reparatie van̄ dyckagie ontfangen;” de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van̄ ontfanck bij Cornelis Dircxz en̄ Jan aertsz Burgemrn̄ der stede vanOudewaterinden jaereXVcacht ende tseventich gedient beroeren̄ de vijftich gūl ter maent tot behouffe vand opruyminge van̄ straten bij karolus gul. tot xl groon̄ vlaems den groot tot iiij dts gerekent.”Uit de eerste schrijf ik deze posten af:Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en̄ gegeven van maecken teneersten twesteyndevyftich gul.Item noch vant oesteynde van dyck te maecken̄ gegevenXXXVIIj k. gul.Xstv.Item tvoorgen̄ gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloonLIIIj—Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen̄ van arbeyt gegevenIj—XIIIj—Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegevenIj gul.Xstv.Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen̄ buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was faIIIj—XV—Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet faIj—”En uit de laatste:198»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. totXXXVj dagen toe faX—XVj—Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck comptXVIIj dagen faIIIj—X—Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers faIj—Ij—Item noch een man van een dach te laden gegeven—Vj—.Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechsIIIj st. fIj—”Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meervoet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst teOudewaterwerd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd.199Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven.200Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had.201Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25April, eene vereeniging tusschenHolland, enZeelandtot stand kreeg. De stedenSchoonhoven en Oudewaterwaren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ookWoerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,202ten volgende jare besloot men teMiddelburgop een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken vanOudewater,Woudrichem,Vlissingen,Veeren meerdere sterke steden203en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voorOudewaterverscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie vanUtrechtwaardoor de provinciënHolland,Zeeland,Utrecht,Gelderland,GroningenenVrieslandnaauwer aan een gesloten werden.Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te’Gravenhage Philips vanSpanjemet zijne nakomelingen voor immer af.204Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stadOudewater.Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzenlezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.—Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts—naar onze wijze van zien,—van de voornaamsten zullen gewagen.Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar alsProcureurte fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade teOudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en3o. dat ook de Gemagtigden uitOudewaterin het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene origineleacte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in’s Gravenhageen te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat vanHolland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I.tot graaf dezer landen.De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.In April 1583 was men vanOudewaterweder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden,205om op den 16. October 1583 teDordrechtte verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbijOudewaterwordt uitgenoodigd ter dagvaart teDordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die vanZeelandenUtrechtte besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij nameOudewaterdat zij alleoproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnenDelftde twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste teDelftbeschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen206en namensOudewaterverschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn207.»Intusschen,” zoo schrijft Van Kinschot208, waren die van ’s Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu teDelftbijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerphad gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschenHollandenZeelandnimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.Voorts verschoondeOudewaternevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin vanEngelandstond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschaptrachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stadOudewatertot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie,ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen.209Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten hetVeeraanOudewatertoevoegden.210Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, deNederlandenverlaten, doch het leger,—staande onder soldij der koningin vanEngeland,—dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren.211Alhoewel wijOudewaterniet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillendestukkenaangaande den kommandant van de bezetting binnen de stadLancelot, Heer van Marbaijs.In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschenUtrecht,AmsterdamenGoudaaf.212De Staten vanHollandenZeelandnamen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar213naast het archief der stadOudewatergelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen vanHollandenWest Vrieslanden tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met ⅔ hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Statenen Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.TeOudewaterwas men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587–1588 opgemaakt.214Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te ’s Gravenhage belegd, waren de gemagtigden vanOudewaterweder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.Utrechtzelfs, datOudewaterzoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die vanOudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond doorJutphaasneerwaarts gepasseerd was. Die vanUtrechtverzochten daarin »Crysvolck” uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en inde Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bijNieuwpoortplaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stadOudewatervan den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang teOudewatergeschiedde. Philips den III.echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot.215Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stadOudewaterniet van de minste waren.De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten inOudewatergeboren,216en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool teLeiden.Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden.217De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen.218Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein teOudewaterden contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten vanHolland, waarop Arminius echter spoedig overleed219.De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.TeOudewaterhad de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius220.Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnenOudewaterniet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina’s daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures221en ga de diverse stukken op het raadhuisover die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem” houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.Wij ontleenen aan het »historisch verhaal” kortelijk het volgende:Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven222.Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten teAmsterdam, en nog aan een andere »kercke” schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij diebijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen.223Op het schrijven aan de predikanten der stadAmsterdamvolgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive224aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren vanOudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren”, verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.Men had nu teOudewateren elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid ophet kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was225. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat vanHollanden de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vestingOudewaterna den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan226, het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders” binnenOudewater.Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten vanHollandnam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie”227maar eenigen tijd hierna besloot,—na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,—de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stadOudewaterwaar hij eveneens verandering in de regering bragt.De synode vanDordrechtwerd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV.hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den teOudewaterliggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uitOudewaterte gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623.228Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd,waren er vanOudewatereveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize.229De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uitOudewater50 manschappen uit de burgerij geligt om teSteenbergengarnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept.230In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede metSpanjegesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stadOudewaterhad er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.Nadat de vrede metSpanjegesloten was, behoefdemen zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincieHollandmeer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de SpaanscheNederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten metEngelandenZweden, ten einde Lodewijk XIV weder metSpanjete verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschenEngelandenZwedenmet de Staten hebben vernietigd,eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het metEngeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.De twee vorsten, wisten nuZwedeninsgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnenverwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ookOudewaterzoude beroeren, zou worden bevorderd.Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald enOudewaterviel insgelijks in den magt der franschen.231Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ookMontfoortwerd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan deNieuwerbrugde stedenWoerdenenOudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden inWoerdengelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naarOudewaterzond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden.232Tot dusverre Wagenaar. Omtrentdit voor geheel ons vaderland en ook voorOudewaterzoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons233in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij doorNijmegenover de Maas naar’s Hertogenboschgetrokken was, vervolgt hij in dier voege:De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur benedenOudewaterte legeren.De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naarUtrechtom aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar ’sGravenhagete zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men bevalden Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijandOudewaternaderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen teBodegravenlag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij deWierinkkenen derzelver sluizen, kunnende hij daardoorOudewater en omtrekdeels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek” een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die teUtrechtop kondschap lag, nogeen tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad234in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.Men wachtte echter nog op tijding uitUtrecht.Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die vanUtrechtal gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.Daar komt eensklaps de persoon die teUtrechtop kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnenUtrechthad zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten vanOudewaterbevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde vanUtrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capitulerenvinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburigMontfoortgenaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dusOudewaterinsgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnenOudewaterzoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen ofmusketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer.Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.Zij schreven naarUtrechtom ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger vanUtrechtontvangen had.Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naarUtrechtvertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende” waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naarUtrechtlagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.Nadat de Franschen zich dus in en omOudewatergelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondomden stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde235geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langsHonkoopdoen defileeren. Deze nu aan de andere zijde vanOudewateraangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadigschieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naarWoerden,MontfoortenUtrechtom bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschapWilleskopen die om de stad stonden.Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.—Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit ’s prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten alsmen wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met’er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel vanLeyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik doorhet venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen vanUtrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom,met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan.”Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;Oudewaterbehoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stadMontfoortop de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenigekoninklijkeSauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting vanOudewateraangekomen. Immers nadat de Koning, vanZeijstwas opgebroken en de FranschenOudewater,WoerdenenMontfoortontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ookWoerdenenMontfoortgedaan hebben, maarOudewaterwerd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabijMontfoortgenaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder naUtrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.»Nu liet sijn Excellentie in ’t eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegenOudewaterdoenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerderseen brief vanUtrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die vanOudewaterdaar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naarUtrechtvertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat’er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die vanOudewaterdaar door een vryen pas van de Franschen Commandant.»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; ’t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hierbinnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnenOudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreegOudewaterin ’t korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge vanOudewaterwas ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden’er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buytenWoerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by deLinschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog vanLuxemburggeschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht.”»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnenWoerdenwaren getrokken, soo is den Hartog vanLuxemburgmet Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn totOudewaterook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrentWoerdenseer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysenNesenLinschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naarWulverhorst, met eenige weynigeOfficieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren.”Zooals men dus bemerkt, had de stadOudewaterin 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die vanOudewatertegen de franschen onvervaard en dapper, naast die vanAlphen, toen vielen er bij deNieuwerbrugin eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet.236Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die vanOudewaterzich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, datMontfoortenWoerdennog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen237van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnenOudewaterberigt had, dat 500 franschen naar de zijde vanLinschoten,DiemerbroekenPapenkopoptrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.

Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.

Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.

Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.

1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg teGoudabijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.

Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken” verworven had.

De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.

Het »oude varken” zou dan het eerste over het ijs gaan,over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.

De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.

Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken” rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.

In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.

Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.

De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.

Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezindeStichtvanUtrecht.

2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.

Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodater weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar hetStichtzijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen.197

Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.

Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.

Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief vanOudewaterberustende. De eene heeft tot opschrift: »An̄o 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cleȳ burgemr. van̄ jaere acht en̄ tseventich binnenOudewatervande tweehondert ponden van xl groōn tot reparatie van̄ dyckagie ontfangen;” de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van̄ ontfanck bij Cornelis Dircxz en̄ Jan aertsz Burgemrn̄ der stede vanOudewaterinden jaereXVcacht ende tseventich gedient beroeren̄ de vijftich gūl ter maent tot behouffe vand opruyminge van̄ straten bij karolus gul. tot xl groon̄ vlaems den groot tot iiij dts gerekent.”

Uit de eerste schrijf ik deze posten af:

Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en̄ gegeven van maecken teneersten twesteyndevyftich gul.

Item noch vant oesteynde van dyck te maecken̄ gegevenXXXVIIj k. gul.Xstv.

Item tvoorgen̄ gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloonLIIIj—

Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen̄ van arbeyt gegevenIj—XIIIj—

Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegevenIj gul.Xstv.

Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen̄ buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was faIIIj—XV—

Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet faIj—”

En uit de laatste:198

»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. totXXXVj dagen toe faX—XVj—

Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck comptXVIIj dagen faIIIj—X—

Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers faIj—Ij—

Item noch een man van een dach te laden gegeven—Vj—.

Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechsIIIj st. fIj—”

Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meervoet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst teOudewaterwerd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd.199

Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven.200

Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.

Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had.201

Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.

Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25April, eene vereeniging tusschenHolland, enZeelandtot stand kreeg. De stedenSchoonhoven en Oudewaterwaren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ookWoerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,202ten volgende jare besloot men teMiddelburgop een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken vanOudewater,Woudrichem,Vlissingen,Veeren meerdere sterke steden203en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voorOudewaterverscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.

In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie vanUtrechtwaardoor de provinciënHolland,Zeeland,Utrecht,Gelderland,GroningenenVrieslandnaauwer aan een gesloten werden.

Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te’Gravenhage Philips vanSpanjemet zijne nakomelingen voor immer af.204

Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stadOudewater.

Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.

In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzenlezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.—Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts—naar onze wijze van zien,—van de voornaamsten zullen gewagen.

Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar alsProcureurte fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade teOudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.

Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:

1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,

2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en

3o. dat ook de Gemagtigden uitOudewaterin het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.

Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene origineleacte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in’s Gravenhageen te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat vanHolland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I.tot graaf dezer landen.

De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.

In April 1583 was men vanOudewaterweder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.

Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden,205om op den 16. October 1583 teDordrechtte verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.

Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbijOudewaterwordt uitgenoodigd ter dagvaart teDordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die vanZeelandenUtrechtte besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij nameOudewaterdat zij alleoproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.

Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.

Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnenDelftde twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste teDelftbeschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen206en namensOudewaterverschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn207.

»Intusschen,” zoo schrijft Van Kinschot208, waren die van ’s Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu teDelftbijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerphad gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschenHollandenZeelandnimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.

Voorts verschoondeOudewaternevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.

Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin vanEngelandstond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschaptrachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.

Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.

Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stadOudewatertot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie,ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.

De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen.209Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten hetVeeraanOudewatertoevoegden.210

Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, deNederlandenverlaten, doch het leger,—staande onder soldij der koningin vanEngeland,—dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren.211Alhoewel wijOudewaterniet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillendestukkenaangaande den kommandant van de bezetting binnen de stadLancelot, Heer van Marbaijs.

In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschenUtrecht,AmsterdamenGoudaaf.212

De Staten vanHollandenZeelandnamen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar213naast het archief der stadOudewatergelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen vanHollandenWest Vrieslanden tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.

Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.

Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met ⅔ hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Statenen Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.

TeOudewaterwas men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587–1588 opgemaakt.214

Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te ’s Gravenhage belegd, waren de gemagtigden vanOudewaterweder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.

Utrechtzelfs, datOudewaterzoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die vanOudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond doorJutphaasneerwaarts gepasseerd was. Die vanUtrechtverzochten daarin »Crysvolck” uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.

Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.

Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en inde Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.

De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bijNieuwpoortplaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stadOudewatervan den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.

Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang teOudewatergeschiedde. Philips den III.echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot.215Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stadOudewaterniet van de minste waren.

De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten inOudewatergeboren,216en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool teLeiden.

Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.

Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden.217

De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.

Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen.218Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein teOudewaterden contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.

Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.

In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten vanHolland, waarop Arminius echter spoedig overleed219.

De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.

TeOudewaterhad de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius220.

Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnenOudewaterniet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina’s daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures221en ga de diverse stukken op het raadhuisover die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem” houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.

Wij ontleenen aan het »historisch verhaal” kortelijk het volgende:

Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.

De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven222.

Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten teAmsterdam, en nog aan een andere »kercke” schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.

De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij diebijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen.223

Op het schrijven aan de predikanten der stadAmsterdamvolgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive224aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren vanOudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren”, verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.

De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.

De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.

Men had nu teOudewateren elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.

Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid ophet kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was225. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.

Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat vanHollanden de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.

Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vestingOudewaterna den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan226, het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders” binnenOudewater.

Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten vanHollandnam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie”227maar eenigen tijd hierna besloot,—na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,—de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.

Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stadOudewaterwaar hij eveneens verandering in de regering bragt.

De synode vanDordrechtwerd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.

Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.

Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV.hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.

Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den teOudewaterliggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uitOudewaterte gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623.228Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.

Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd,waren er vanOudewatereveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize.229De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uitOudewater50 manschappen uit de burgerij geligt om teSteenbergengarnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept.230

In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede metSpanjegesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.

Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stadOudewaterhad er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.

Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.

Nadat de vrede metSpanjegesloten was, behoefdemen zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincieHollandmeer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.

De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.

Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de SpaanscheNederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.

De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten metEngelandenZweden, ten einde Lodewijk XIV weder metSpanjete verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschenEngelandenZwedenmet de Staten hebben vernietigd,eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het metEngeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.

De twee vorsten, wisten nuZwedeninsgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.

Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnenverwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.

Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ookOudewaterzoude beroeren, zou worden bevorderd.

Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald enOudewaterviel insgelijks in den magt der franschen.231

Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.

Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ookMontfoortwerd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.

Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan deNieuwerbrugde stedenWoerdenenOudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden inWoerdengelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naarOudewaterzond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden.232Tot dusverre Wagenaar. Omtrentdit voor geheel ons vaderland en ook voorOudewaterzoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons233in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij doorNijmegenover de Maas naar’s Hertogenboschgetrokken was, vervolgt hij in dier voege:

De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur benedenOudewaterte legeren.

De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naarUtrechtom aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.

Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar ’sGravenhagete zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men bevalden Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.

Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijandOudewaternaderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen teBodegravenlag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.

Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij deWierinkkenen derzelver sluizen, kunnende hij daardoorOudewater en omtrekdeels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek” een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die teUtrechtop kondschap lag, nogeen tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.

Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad234in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.

Men wachtte echter nog op tijding uitUtrecht.Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die vanUtrechtal gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.

Daar komt eensklaps de persoon die teUtrechtop kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnenUtrechthad zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten vanOudewaterbevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.

De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde vanUtrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capitulerenvinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburigMontfoortgenaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.

Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dusOudewaterinsgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnenOudewaterzoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen ofmusketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.

Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer.Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.

Zij schreven naarUtrechtom ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger vanUtrechtontvangen had.

Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naarUtrechtvertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.

Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende” waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.

De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.

De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naarUtrechtlagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.

Nadat de Franschen zich dus in en omOudewatergelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondomden stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.

De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde235geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langsHonkoopdoen defileeren. Deze nu aan de andere zijde vanOudewateraangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadigschieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naarWoerden,MontfoortenUtrechtom bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschapWilleskopen die om de stad stonden.

Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.—Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit ’s prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.

Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:

»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten alsmen wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met’er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.

»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel vanLeyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.

»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik doorhet venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen vanUtrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom,met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan.”

Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;Oudewaterbehoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.

Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stadMontfoortop de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenigekoninklijkeSauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting vanOudewateraangekomen. Immers nadat de Koning, vanZeijstwas opgebroken en de FranschenOudewater,WoerdenenMontfoortontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ookWoerdenenMontfoortgedaan hebben, maarOudewaterwerd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabijMontfoortgenaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder naUtrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.

»Nu liet sijn Excellentie in ’t eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegenOudewaterdoenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.

»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerderseen brief vanUtrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die vanOudewaterdaar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naarUtrechtvertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat’er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die vanOudewaterdaar door een vryen pas van de Franschen Commandant.

»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; ’t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.

»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hierbinnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.

»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnenOudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreegOudewaterin ’t korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge vanOudewaterwas ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.

»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden’er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buytenWoerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by deLinschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog vanLuxemburggeschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht.”

»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnenWoerdenwaren getrokken, soo is den Hartog vanLuxemburgmet Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn totOudewaterook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrentWoerdenseer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysenNesenLinschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naarWulverhorst, met eenige weynigeOfficieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren.”

Zooals men dus bemerkt, had de stadOudewaterin 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die vanOudewatertegen de franschen onvervaard en dapper, naast die vanAlphen, toen vielen er bij deNieuwerbrugin eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet.236

Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die vanOudewaterzich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, datMontfoortenWoerdennog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.

Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen237van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnenOudewaterberigt had, dat 500 franschen naar de zijde vanLinschoten,DiemerbroekenPapenkopoptrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.


Back to IndexNext