DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENSte geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENSte geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENSte geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENSte geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENSte geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS

te geven.De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.Dat is:Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.Ego sum via, veritas ac vita.27dat is:Ik ben de weg, de waarheid en het leven.Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28

te geven.

De toren is aan den voet—en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken—dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.—

De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn.”

Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.—Doch, dat erna1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;—en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.—De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.

In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.

Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen—aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.

Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.

De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.

Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.—Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.

Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaantedaaromtrentzal hebben behouden.

Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.

De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.

Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.

Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.

Dat is:

Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.

Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.

De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.—Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.—Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.

Ego sum via, veritas ac vita.27

Ego sum via, veritas ac vita.27

dat is:

Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaaldeWillebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.

Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als deklokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is.28


Back to IndexNext