OUDHEID DER KERK.»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
OUDHEID DER KERK.»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
OUDHEID DER KERK.»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
OUDHEID DER KERK.»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
OUDHEID DER KERK.»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
OUDHEID DER KERK.
»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.
»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is,” schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden.”29
Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het»waarschijnlijk” van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.
Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,—in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte” praalkerkjes bouwt—men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,—dan lag men eerst den grondslag van denwestelijken torenen deoostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,dathet deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.
Brengen wij nu, de »waarschijnlijke” oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt diewaarschijnlijkheidreeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek—in de schaduwe harer transen—op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.
Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reedsvoor(hoe lang) het jaar 1329 vier altarenin de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting—1003—al meer en meer aanneembaar30, doch, dit dan waar zijnde, dan magOudewaterzich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken vanNederland.