GESCHIEDENIS.

GESCHIEDENIS.III.NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.»Vijf-en-twintig eeuwen terug, enNog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgenderedenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.b.Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,wanneerons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.c.Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.d.Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.e.Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.f.Vóor, ten tijde van,en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over denamen onzer voorouders in deze oorden.Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑10Bladz. 2.↑11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑ZEDEN EN GEWOONTEN.„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:a.de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.b.na hun verkeer met hen.c.de invloed van het Christendom er op; en die vand.den handel en de tegenwoordige communicatie.a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.c.De invloed van het Christendom op de zeden.Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

GESCHIEDENIS.III.NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.»Vijf-en-twintig eeuwen terug, enNog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgenderedenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.b.Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,wanneerons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.c.Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.d.Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.e.Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.f.Vóor, ten tijde van,en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over denamen onzer voorouders in deze oorden.Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑10Bladz. 2.↑11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑ZEDEN EN GEWOONTEN.„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:a.de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.b.na hun verkeer met hen.c.de invloed van het Christendom er op; en die vand.den handel en de tegenwoordige communicatie.a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.c.De invloed van het Christendom op de zeden.Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.»Vijf-en-twintig eeuwen terug, enNog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgenderedenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.b.Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,wanneerons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.c.Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.d.Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.e.Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.f.Vóor, ten tijde van,en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over denamen onzer voorouders in deze oorden.Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑10Bladz. 2.↑11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑

NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.»Vijf-en-twintig eeuwen terug, enNog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.

»Vijf-en-twintig eeuwen terug, enNog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.

»Vijf-en-twintig eeuwen terug, en

Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”

Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheidHing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheidVan enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toomZoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .

Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheid

Hing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheid

Van enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,

Enboorendein die nacht, meer danverwellekoomd;

Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,

Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,

Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,

Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toom

Zoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .

. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zeeBedolven, bood den zwervers oord noch steêDan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwarandenDe heuvelige hei belomren tot de strandenDes Noorder oceaans.”

. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zee

Bedolven, bood den zwervers oord noch steê

Dan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwaranden

De heuvelige hei belomren tot de stranden

Des Noorder oceaans.”

Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.

»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallienòftot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”

De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden.vanE. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.

Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgenderedenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.b.Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,wanneerons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.c.Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.d.Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.e.Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.f.Vóor, ten tijde van,en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over denamen onzer voorouders in deze oorden.Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.

Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgenderedenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:

a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.

b.Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,wanneerons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.

c.Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.

d.Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.

e.Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.

f.Vóor, ten tijde van,en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.

De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over denamen onzer voorouders in deze oorden.

Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.

a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.

a.Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.

OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.

OUDSTE BEVOLKING.De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.

OUDSTE BEVOLKING.

De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.

De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds langvoordie volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.

Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigenwaarmede.

Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge,zoohoudt men tochAziëals het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.

De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europaen ook van ons landgenaamd—de Celten waren Scythische volkeren.

Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij inAziëen wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.

De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee,vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.

In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.

En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.

Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uitNoord-Aziëis bevolkt geworden, zoo zie verder:

Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat inZuid-Aziëreeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toenN.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.

Was Europa dus uit ZuidelijkAziëgepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.

De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.

De Scytiers van NoordelijkAziëechter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zijleidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.

Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland,Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte vanItaliëen Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) inKlein-Aziëvestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewonersCeltenwaren.

b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.

b.Men moet zich eenigzins rekenschap vragen,wanneerons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.

Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”Daarna schreef Plinius secundus:»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.3.Flenum, volgens Bertius:Delft.4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.8.Noviomagum. Zie hiervoren.Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.

Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.

Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderlandisdoor de Celten bewoond. De vraag is nu echter:waarenwanneer.

Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwordingvoortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond wastoenalthans niet bewoonbaar.

Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zalOudewaterenomtrekwel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.

Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten ofVoor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1

En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich eenoppervlakkigdenkbeeldvan hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,diefluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.

De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht.2

Zooals Lud. Smids meent3, was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds desteenperiode.

Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.

c.Daar, waar al van vroege, vanVoor-Germaanschebevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.

d.Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.

e.En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.

Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.

Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.

Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.

Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.

Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.

Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.

Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.

Het waren geen Germanen ofGalliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het BelgischGalliëhet noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dusGalliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken.4

Hoever en tot waar nu BelgischGalliëen Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals inc. gezegd werd,niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele totGalliëdoch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden.5

Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.

Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:

Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:

»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”

De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:

»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”

Daarna schreef Plinius secundus:

»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschenHelium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”

Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:

»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”

Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.

Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.

Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te veldegingen,6werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.

Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten!hieropkunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.

De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die vanLugdunumnaarNoviomagumvoerden.

De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:

1) VanLugdunumover het 2)Praetorium Agrippinaeuit tot 3)Matelo, 4)Albamanis, 5)Niger Pullus, 6)Lauri, 7)Fletio, 8)Levæ fanum, 9)Carvo, 10)Castra Hercules, 11)Noviomagum.

Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.

1.Lugdunumwillen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordigeLeidenaanduiden. Menso Alting houdt het echter voorLoegsduinenofLoosduinen.

2.Prætorium Agrippinæis, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen,Roomburg.

3.Matelowordt door Bertius gehouden voorKoudekerk; Van Leeuwen houdt het voorRhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.

4.AlbaminisisAlphenbij Bertius en van Leeuwen.

5.Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.

6.LauriisLeerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.

7.Fletio—VleutenbijUtrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenoverVleuten.

8.Levae fanumvoorLeeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoorWijk bij Duurstede.

9.Garvois volgens van Leeuwen,Grave; Bertius denkt aanGraveofKille; Alting aanRawijk.

10.Castra herculeshoudt Alting voorMalburg; van Leeuwen voorErkeles.

11.NaviomagumvoorNijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.

De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:

1)Lugdunum, 2)Forum hadriani, 3)Flenum, 4)Table, 5)Caspingium, 6)Grinnis, 7)Ad Duodecimum, 8)Noviomagum.

1.Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.

2.Forum hadrianiis, volgens Bertius en Van Leeuwen,Voorburg.

3.Flenum, volgens Bertius:Delft.

4.Tablezou, volgens Bertius en van Leeuwen,Alblaszijn.

5.CaspingiumisGiessennaar Bertius;Giessenburgnaar Van Leeuwen, enAsperennaar Alting.

6.GrinnisisRhenenvolgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voorGorcum.

7.Ad Duodecimum, duizend passen bovenLewenvolgens Alting; echterWageningenbij van Leeuwen.

8.Noviomagum. Zie hiervoren.

Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over’t Huiste Britten,Leiden,Alphen,Woerden,Utrecht, niet ver vanWijk bij DuurstedeenWageningenheeft geloopen tot aanNijmegen, en de andere aan den zuidkant overVoorburg,Kralingen,7Alblas,Asperen, en zoo over de Waal naarNijmegen.

Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals inegezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenigeovereenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.

Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in denomtrekvanOudewaterlag.

TusschenMontfoortenOudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, datde hooge Waardgenoemd wordt.

Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren.8

Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleereene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)

En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.

Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.

f.Vóór, ten tijde van,en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g.Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.

Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.

De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen,Toxandriërs,Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden.9

Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden vanzoovelestammen, verschillend in naam; dienietaltijd zekere sporen vanbijzonderestammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen inghiervoren aangetoond.

Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.

Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets vanOudewaterenomtrekop meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dushierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streekgeschiktwerd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijdeOudewaardenbestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?

Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitusworden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.

Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.

»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bijRotterdamde Maas genoemd wordt, totdat zij voorbijden Brielin zee loopt.

Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte vanGelderland, de provincieUtrechten een groot deel vanHolland, met de volgende steden:Huessenin het land van Cleef,Tiel,Buren,Culenborgin Gelderland,Wijk bij Duurstede, de stadUtrechtenMontfoortin het Sticht van Utrecht. VoortsAsperen,Heukelum,Leerdam,Vianen,IJsselstein,Gorinchem,Nieuwpoort,Schoonhoven,Gouda,Leiden,Rotterdam,Schiedam,Vlaardingen,Delftenandere stedenin Holland.10

Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juistOudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,Oudewateronder dieandere steden in Holland te noemenen alzoo ookdeze plaatste rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.

Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ookonze vooroudersin deze oorden volgens hen genoemd.

»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk,dateen gedeelte van het eiland der Batavierenbewoonde, te weten aan den oever des Rijns vanBatovodurumofWijk DuurstedetotLugdunumofLeiden, begrijpende ’t gewest daar nuCulenborg,IJsselstein,Montfoort,Oudewater,WoerdenenGoudaligt.

Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordigeOudewater.

»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers,Caninefatenen vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.

Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.

Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordigOudewaterbehoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.

En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang eenzoohecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid.11

In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is vanonze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nogoverig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen,lateringedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe.12

Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namenonzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.

Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, datOudewateren zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft.13Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.

»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter”14(24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland.15Toen waren zij dus Noord-Hollanders.

De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, datOudewaterthans is, een deel van het dierbare Nederland engelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.

1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑10Bladz. 2.↑11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑

1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑10Bladz. 2.↑11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑

1Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.↑

2»Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op deruime en woeste heide, sommigeop de bouwakkeren,” enz.Schatk. Oudh.vanL. Smids, 1711.↑

3Schatkamer Oudheden, blz. 327.↑

4Engelberts,Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.↑

5Engelberts,Aloude Staat, bladz. 156.↑

6Engelberts,Aloude Staat, blz. 163 en 164.↑

7Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg vanKralingen” zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.↑

8Vergelijk en zie hieroverL. Smids,Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.↑

9Hofdijk,Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.↑

10Bladz. 2.↑

11Engelberts Gerrits,Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.↑

12Hofdijk,Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.↑

13Van Kinschot,Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.↑

14Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderenOudewaterverpondt aan Florens V, graaf van Holland, bijvan Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.↑

15Oudewateris volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oudeNoord-Hollanden wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel.Van Kinschot,a. b.bladz. 1.↑

ZEDEN EN GEWOONTEN.„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:a.de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.b.na hun verkeer met hen.c.de invloed van het Christendom er op; en die vand.den handel en de tegenwoordige communicatie.a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.c.De invloed van het Christendom op de zeden.Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

ZEDEN EN GEWOONTEN.„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.

„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.

„Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,—dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens.”

Hofdijk,Historische landschappen, blz. 61.

„Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling.”

Rooijaards,Invoering van het Christendom, blz. 371.

Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:a.de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.b.na hun verkeer met hen.c.de invloed van het Christendom er op; en die vand.den handel en de tegenwoordige communicatie.a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.c.De invloed van het Christendom op de zeden.Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:

a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.

a.Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.

Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.

Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ookde bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.

Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.

Zij kleedden zich veel in de vachten van door hengedoodewilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.

In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.

In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?

De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:

Gewoonte was een wet en overlevring,Was geschiednis.

Gewoonte was een wet en overlevring,

Was geschiednis.

Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.

Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.

b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.

b.Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.

Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.

Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, warenalle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.

Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.

Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.

c.De invloed van het Christendom op de zeden.Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.

c.De invloed van het Christendom op de zeden.

Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.

Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.

Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.

d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

d.De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.

Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!

Wat is er inOudewaternu nog van de zeden der vroege bewoners over?

Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.

Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was,Oudewaterzou nog zijn ouden geest niet verloochenen.

Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.

Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud inOudewatergewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewelOudewaternog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.

Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!

Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!


Back to IndexNext