PLAATSNAMEN.Bleek het reeds datOudewaterzich op hooge oudheid kan beroemen, zoowel uit zijngeologischennaam als uit zijnemythologischefeesten en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag verheffen.Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvendeOudewater en omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof rondwarende om een tuiltje te maken,daarbloemen zagen die wijhiermisten, en diein onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, op de plaats van het tegenwoordigOudewater.Het eerst trachten wij dan te vermelden, denNaamsoorsprong van Haastrecht.De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurtHeeswijk.Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kanMontfoortbeteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.Wulverhorstis de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, datLinschotendaarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?Roozendaal.Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:Vliet.Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.IsLopikook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang inCattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurtRuige Weidezal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.Hekendorpis een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburigePopelendamherinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑2Buddingh.↑3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑WOUDENDIENST.Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijnHeilig Woud3.Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immershet Papenhoefeen steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere1Tydeman.↑2Tydeman.↑3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑
PLAATSNAMEN.Bleek het reeds datOudewaterzich op hooge oudheid kan beroemen, zoowel uit zijngeologischennaam als uit zijnemythologischefeesten en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag verheffen.Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvendeOudewater en omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof rondwarende om een tuiltje te maken,daarbloemen zagen die wijhiermisten, en diein onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, op de plaats van het tegenwoordigOudewater.Het eerst trachten wij dan te vermelden, denNaamsoorsprong van Haastrecht.De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurtHeeswijk.Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kanMontfoortbeteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.Wulverhorstis de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, datLinschotendaarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?Roozendaal.Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:Vliet.Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.IsLopikook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang inCattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurtRuige Weidezal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.Hekendorpis een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburigePopelendamherinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑2Buddingh.↑3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑WOUDENDIENST.Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijnHeilig Woud3.Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immershet Papenhoefeen steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere1Tydeman.↑2Tydeman.↑3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑
PLAATSNAMEN.Bleek het reeds datOudewaterzich op hooge oudheid kan beroemen, zoowel uit zijngeologischennaam als uit zijnemythologischefeesten en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag verheffen.Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvendeOudewater en omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof rondwarende om een tuiltje te maken,daarbloemen zagen die wijhiermisten, en diein onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, op de plaats van het tegenwoordigOudewater.Het eerst trachten wij dan te vermelden, denNaamsoorsprong van Haastrecht.De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurtHeeswijk.Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kanMontfoortbeteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.Wulverhorstis de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, datLinschotendaarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?Roozendaal.Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:Vliet.Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.IsLopikook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang inCattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurtRuige Weidezal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.Hekendorpis een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburigePopelendamherinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑2Buddingh.↑3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑
PLAATSNAMEN.
Bleek het reeds datOudewaterzich op hooge oudheid kan beroemen, zoowel uit zijngeologischennaam als uit zijnemythologischefeesten en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag verheffen.Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvendeOudewater en omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof rondwarende om een tuiltje te maken,daarbloemen zagen die wijhiermisten, en diein onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, op de plaats van het tegenwoordigOudewater.Het eerst trachten wij dan te vermelden, denNaamsoorsprong van Haastrecht.De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurtHeeswijk.Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kanMontfoortbeteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.Wulverhorstis de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, datLinschotendaarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?Roozendaal.Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:Vliet.Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.IsLopikook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang inCattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurtRuige Weidezal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.Hekendorpis een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburigePopelendamherinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.
Bleek het reeds datOudewaterzich op hooge oudheid kan beroemen, zoowel uit zijngeologischennaam als uit zijnemythologischefeesten en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag verheffen.Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvendeOudewater en omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof rondwarende om een tuiltje te maken,daarbloemen zagen die wijhiermisten, en diein onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, op de plaats van het tegenwoordigOudewater.
Het eerst trachten wij dan te vermelden, den
Naamsoorsprong van Haastrecht.De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurt
Naamsoorsprong van Haastrecht.
De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:Hik eb een ondjemet een okje, enz.In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurt
De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatstehtoch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak de oorzaak tot spotternij:
Hik eb een ondjemet een okje, enz.
Hik eb een ondje
met een okje, enz.
In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.
Deze zelfde verwisseling had ook teOudewaterplaats, na te gaan in de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.
Ziet zoo schijnt dusAasveranderd te zijn inHaas.
Trechtwas een overtogt over een water1, en zoo ziet men, datHaastrechtweleer, veelligt een trecht wasaan den IJssel, waar de een of andere aas (haas of god) vereerd werd.
Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de bijna twee uren vanOudewaterliggende boerenbuurt
Heeswijk.Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kan
Heeswijk.
Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.Wat kan
Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en met dit de herinnering als inHaastrechtaan den een of anderen god.
Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.
Zekere landen tusschenOudewaterenMontfoort, deEs-kampen genaamd, krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.
Dat overigensHeeswijkvan vóórchristelijke dagteekening is of kan zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken zoowel als wouden, bergen, terpen,wijkenen hoven aan de Asen kunnen zijn toegewijd geweest.
Wijkis echter meergeologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken (vici), en hiervoor boodHeeswijkzich aan, gelijk straks werd aangetoond.Mastwijk,Bulwijk,CromwijkenVlooswijk, die allen in den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.
Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is land of landschap.
In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart bleek, inBarboswaardereen Goy, inRapijnenbijLinschoteneen Goy en in de buurtKattenbroekniet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons—indien deze allen van dien tijd zijn—toch wat duister voor, omdat in zoodanig kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.
Wat kan
Montfoortbeteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.
Montfoort
beteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.
beteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) de volgende voorslagen:
Zou het woordMontfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons fortis—sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden vanMontenforde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan Scandinavischevolkeren onder de namenmond, enz. is vereerd geworden.
Enfoortzou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen als:overgang over een water.
De verklaring van het woordMontfoortzou alzoo zijn: overgang over een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.
Wulverhorstis de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat
Wulverhorst
is de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat
is de naam eener boerenbuurt, ruim een uur vanOudewater. Meergenoemde schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden onderhouden. Zoo noemt hij o. a.Brinkhorst,Lijnhorst.
Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over tot de uitlegging van horst voor eenklein bosch.
Wulverhorstkan alzoo eenboschgeweest zijn, waarin zich wolven ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.
Het boven aangehaaldeLijnhorstis echter meer opmerkelijk, als dit vergeleken wordt bijWulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat
Linschotendaarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?
Linschoten
daarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?
daarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins verwant.
Wat beteekent echterLin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, die demenschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen afkust.”2Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, Linia,Lin.
De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin van Freja, Lin, inLinschoteneen spoor harer vereering naliet, had zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene plaats, waar men ter harer eer schoot,schotendeed, en dit zou alsdan ook licht over de laatste lettergrepen vanLinschotenverspreiden.
Zoo werd dan de maan (mond) teMontfoort, en Linia teLinschotenvereerd.
Liet Linia, die de lijdenden zooverzorgde, ook nog niet in den naamZorglijn—naam op het hek van een weiland bij deze plaats—een spoor harer vereering na?
Roozendaal.Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:
Roozendaal.
Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.Daarnaast, ligt naarOudewaterop:
Bij het bespreken van de buurtWulverhorstverwierpen wij eenigzins de afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrentRoozendaal, dat alsdanRos- ofRossendaalzou genoemd zijn en gemakkelijk inRoozendaalkan zijn overgegaan.
Daarnaast, ligt naarOudewaterop:
Vliet.Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:
Vliet.
Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:
Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij BuddinghVliedbergengenaamd. Ook bijOudewaterhebben wij, zooals boven kan gezien worden, nog eene streekVlietgenaamd. Vroeger stonddaar een kasteel waarvan nog een bouwval staat, insgelijksVlietgenaamd. Doch dit alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis te Vliet staat en wordt zij thans nog niet hethoogtgenoemd? Wel is waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te Vliet werd zij grootendeels weggegraven.
Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen door het woord daal—dal—inRoozendaal, dat, zooals bekend is, daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan ookWierxoordbijGoejanverwellesluiseveneens daaraan herinneren.
De lettergreepcop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:
Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.Is
Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.
zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.Is
zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij echter gaarne voor eene betere glippen.
Is
Lopikook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang in
Lopik
ook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.De uitgang in
ook eene verbastering van Locop, even als Japik dieis van Jacob? Dit laten wij ter beslissing der lezers over.
De uitgang in
Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt
Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,
allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt
allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt
Ruige Weidezal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.
Ruige Weide
zal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.
zal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve zegt o. i. wat het is.
Hekendorpis een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburige
Hekendorp
is een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.Ook de naam van het naburige
is een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit het heidendom, n.l. de nechsen: denging inhover,3zoodat zulksHechsendorpwerd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wijHekendorpaangeduidHexendorp.Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.
Ook de naam van het naburige
Popelendamherinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.
Popelendam
herinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.
herinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: »Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo.” Grimmkent de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook inDelftheeft men nog schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg.Popelendamherinnert ook alzoo aan een of meerdere waterbewoners.
1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑2Buddingh.↑3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑
1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑2Buddingh.↑3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑
1Dit ook inMoordrecht,Dordrechten meerdere.↑
2Buddingh.↑
3Die overgang was gebruikelijk, zegtBuddingh.↑
WOUDENDIENST.Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijnHeilig Woud3.Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immershet Papenhoefeen steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere1Tydeman.↑2Tydeman.↑3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑
WOUDENDIENST.
Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijnHeilig Woud3.Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immershet Papenhoefeen steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere
Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijn
Barwoutswaarder,Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bijOudewater.„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.
„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”P. H. Tydeman.„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”Goudsch Kronijkske.
„Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat er toe hoorde te onderhouden.”
P. H. Tydeman.
„Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte.”
Goudsch Kronijkske.
Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijn
Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen en den mensch om het leven gebragt.Geen oningewijde stond het vrij, deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgeganeovereenkomst zich het gebruik dier gronden te veroorloven.
Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend groot enbevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid moesten voorbereiden.
Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng of met den dood gestraft.
Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende op den grond of op onderliggende steenen.
Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt.1
De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, bearo (bar, beer) genoemd.
In het nabijgelegenBarwoutswaardertreft men, zoo als wij zien,baraan.
Barwoutwaarderis aldus: woud waar eene heidenschevereeringsplaats was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.
Wat is echterSchagenbijLinschotenen hetSchakenboschbijOudewater? Het antwoord is zeer kort.Schagen,Schakenacht men te zijn afgeleid van sacrum.2De vertaling van Schakenbosch (sacrum nemus) zou alsdan zijn
Heilig Woud3.Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immers
Heilig Woud3.
Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immers
Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.
Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, vergaderde hij hen in een heilig bosch.
Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch bijVoorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts vanNijmegen); 3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen Roomburg en hetPraetoriumging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu de naam Schakenbosch bijOudewater.
Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk’s Gravenhageof aanVoorschotende eer, datdaardat heiligwoud eertijds zijne trotsche kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat vanVoorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bijOudewater, dat, naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat ditallesbosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door ledige vakken.
Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich uitstrekte,—indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek vanGorkumtot aan het zeestrand en (let wel)over den Rijn tot aanHaarlemzich uitstrekte,—dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bijHaarlemvanLeidenbeginnende, zoo digt en donker was, dat men die twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.
Hier nog bijgevoegdSchagenenWulverhorstin de nabijheid, alsmedeBarwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte de stoute verklaring van Lud. Smids4, dat vroeger Suidholland, het Sticht van Utrecht en Rijnland enkelbosch en meer waren, en het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn einde.5
Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als’s Gravenhage.
En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, van gedaante verwisseld;datzij ons voere over de wijde klove van vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!
Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak envlierstruiktegen, gedragen wordende op den adem der frissche atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het is morgen.
In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en zijne muze hem toefluisterde:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,En maakt van ’t stof zich los en vrij,Dat hem met tragen boei wil teuglenAls waar zijn vlucht slechts hoovaardij!Dan stijgt hij boven zonnewegen,Wat wet van zwaartekracht regeert,En zweeft den eeuwgen vader tegenWiensgrootheidhij met knieling eert;Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,Wiensalmachthem ontzachlijk is,Maar van Wiensliefde’t luidst getuigenDie stemmen vol geheimenis,Die uitgaan in destille wouden,Wier niet te ontraadslen wonderkrachtEene eeuwige eenheid blijft behouden. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,
En maakt van ’t stof zich los en vrij,
Dat hem met tragen boei wil teuglen
Als waar zijn vlucht slechts hoovaardij!
Dan stijgt hij boven zonnewegen,
Wat wet van zwaartekracht regeert,
En zweeft den eeuwgen vader tegen
Wiensgrootheidhij met knieling eert;
Wienswijsheidhem verstomd doet buigen,
Wiensalmachthem ontzachlijk is,
Maar van Wiensliefde’t luidst getuigen
Die stemmen vol geheimenis,
Die uitgaan in destille wouden,
Wier niet te ontraadslen wonderkracht
Eene eeuwige eenheid blijft behouden
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .6
En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor ons liggende Schakenbosch.
Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen wijhiervoor liever een anderen tijd:nueen morgenuur daar in het woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.
En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7Een waterstroomdoor een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.
Zoodanigwoudmoest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten van onschuldige offers.
Zulk eenstroommoest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten woonden en zijne bekoorlijke nimphen.
Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door het gekras van raven en gehinnik van paarden.
Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den eenigen Maker van dit alles!
Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter beven op de bladstelen, bemoste ruwewilgentakkenen fiere beuken,nooitdoor den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde een prachtig natuurdak vormende,inwelks geheimzinnig, ruischend loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, endoorhetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige overeenstemming heerscht van een somber licht.
Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder het statig
. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladertBeschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadertVan heide en woudmoeras, die als een zwart gewaadHet kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—Een onbewogen zee van louter donkerheid.
. . . . lommer was de somberheid van ’t graf:
Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladert
Beschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadert
Van heide en woudmoeras, die als een zwart gewaad
Het kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;
Een strakke duisternis, die d’ afstand wech doet vloeijen,
Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,
Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid—
Een onbewogen zee van louter donkerheid.
Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.
En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van dit oord in strijd zijn.
En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.
Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat kleine stuk bouwland genoemd wordt, zalhiju zeggen welligt: vriend, dat is hetSchakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. Enwijzeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan is het of de tijdgeest fluistert:vergankelijkheid!!! En wij herhalen in begeestering:
’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.
’t Schakenbosch is nu verdwenenMet zijn digtgeweven kruin;Godenbeelden, offersteenen,Liggen lange reeds in puin.
’t Schakenbosch is nu verdwenen
Met zijn digtgeweven kruin;
Godenbeelden, offersteenen,
Liggen lange reeds in puin.
Nimmer zal men meer vergadrenOnder ’t lispelend geblaart,Want zij zijn niet meer, die vadren,Zoo vol moeds en zoo vermaard.
Nimmer zal men meer vergadren
Onder ’t lispelend geblaart,
Want zij zijn niet meer, die vadren,
Zoo vol moeds en zoo vermaard.
’t Schakenbosch waarin de heidenZijnen goden offers bragt,Opdat alle ramp en lijdenSteeds mogt wijken door hun magt.
’t Schakenbosch waarin de heiden
Zijnen goden offers bragt,
Opdat alle ramp en lijden
Steeds mogt wijken door hun magt.
Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,Ook aan feestvreugd vaak gewijd,Is verdwenen, doch de naam nogLispelt van verganklijkheid.
Ach, ditSchakenboschzoo prachtig,
Ook aan feestvreugd vaak gewijd,
Is verdwenen, doch de naam nog
Lispelt van verganklijkheid.
Geen frameeën meer, geen schildenHangen aan den trotschen eik,En de lijkasch dezer »wilden”,Werd vereend met de IJsselslijk.
Geen frameeën meer, geen schilden
Hangen aan den trotschen eik,
En de lijkasch dezer »wilden”,
Werd vereend met de IJsselslijk.
Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.
Waar nu woonden die? Treft men bijOudewaterdaarvan nog een spoor aan?
Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook hunne hoven hadden.
In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring—Opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.—worden wij met zeer velehofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden.8
»Die tempelhoven,” zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelfeven als het hof in het Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar.”
Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het schakenbosch hier. Immers
het Papenhoefeen steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere
het Papenhoef
een steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere
een steenworp vanOudewateren ongeveer 15 minuten van het land liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte toen—kunnen wij haast met zekerheid zeggen—een deel uit van het heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking nemen. Had het meerbekende schakenbosch bijVoorschotendus eene hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisselinghoefvoorhofkan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, datoodikwijlsoegeschreven werd.9Papenhofofhoofzal dusPapenhoefzijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier dus zal hettempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren van het heidendom daar gewoond hebben.
Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats ook tot een christelijk einde ingerigt (langs hetPapenhoefligt deKerkwetering) en werd alsdan hetPapenhoef.10Dit althans is zeker: de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het Christendom over.
Zeer treffend ligt in het oudeBarwoutsofBarboswaarderinsgelijks eenHofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, behoeft niet te worden gezegd.
Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het kunnen ophelderen, of aldusVollenhoven,Schoonhoven,Zevenhoven,Achttienhovenen vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór het Christendom aldaar opklimmen.”
Wat het nabijgelegenSchoonhovenaangaat, deelen wij zoowel den schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bijSchoonhovenaanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)
OokAchthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, en hetwelk in onzen omtrek (bijMontfoort) ligt, was, indien wij het hiervoren overMontfoortgeschrevene nagaan, alligt eene plaats heugende van het heidendom.
Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere
1Tydeman.↑2Tydeman.↑3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑
1Tydeman.↑2Tydeman.↑3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑
1Tydeman.↑
2Tydeman.↑
3Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.↑
4Lud. Smids,Schatkamer van Oudheden, blz. 46.↑
5Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)↑
6Van onzen gevoelvollenHofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.↑
7Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.↑
8Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als denhoogen hofbij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.↑
9Alleen zij herinnerd aanPoorteren, dat menPoerterenschreef.↑
10De naamPapenergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.↑