Hoe groot ook de macht der Perzen ware, zij bleek niet bestand te zijn tegen de vaderlandsliefde en dapperheid der Grieken. Nadat in 't jaar 469 v. Chr. de dappereCimon, zoon van den diep verongelijkten Miltiades, den vijanden aan deEurymedon, een riviertje in Klein-Azië, eene geduchte nederlaag had toegebracht, werden de vijandelijkheden gestaakt, zonder dat er eigenlijk vrede werd gesloten.
Athene, dat verreweg het grootste aandeel in den oorlog genomen en de meeste opofferingen zich getroost had, plukte natuurlijk ook de meeste vruchten van de overwinning. Het werd de machtigste staat in Griekenland en verkreeg derhalve dehegemonie, (een overwegende invloed over de andere staten) die Sparta tot hiertoe bezeten had. De bloeitijd van Athene was tevens de gouden eeuw van kunsten en wetenschappen, en met beide is de naam vanPericlesten nauwste verbonden.
Pericles was een aanzienlijk Athener, die gedurende geruimen tijd den grootsten invloed op de regeering zijner vaderstad uitoefende, niet door gewelddadige middelen, maar door zijne persoonlijkheid en vooral door de macht van het woord. Als redenaar was hij onwederstaanbaar. "'t Schijnt, dat Pericles den donder op zijne tong draagt, en de godin der overreding op zijne lippen zetelt," zeiden de Atheners. 't Was Pericles vooral te doen, door het volk te heerschen, daarom zocht hij het ook te vriend te houden. Ten einde de macht des adels te fnuiken, verminderde hij den invloed van denAreopagus, eene rechtbank, die het toezicht had op de zeden der burgers en de schatkist van den staat. De talrijke feesten, die hij het levenslustige en vroolijke Atheensche volk gaf, deden hem spoedig een volksman worden. Vooral was dit het geval, toen hij, door aan 't rechterambt eene bezoldiging te verbinden, ook den minderen man in staat stelde, dit ambt te bekleeden, iets, waartoe deze vroeger wegens de vele onkosten niet in staat was.
Athene was ten tijde van Pericles eene schoone, rijke stad, en dat had het vooral aan dezen merkwaardigen man te danken. Hoog boven Athene verhief zich de burcht van Athene (Acropolis). Een marmeren poort met heerlijke zuilen voerde naar den tempel van Minerva, de beschermgodin van de stad. Deze tempel, hetParthenongenoemd, bevatte het standbeeld van de godin, wonderschoon uit ivoor vervaardigd, omkleed met een' mantel van 't zuiverste goud. 't Was een meesterstuk van den beroemden beeldhouwer Phidias.
Op eene andere plaats werd het oog getroffen door hetOdeon, een gebouw, ingericht voor muziekuitvoeringen of tooneelvoorstellingen en vervaardigd naar 't model van de reusachtige tent van Xerxes.
Prachtige tempels, heerlijke paleizen, schoone standbeelden en gedenkteekenen verrezen op verschillende plaatsen. 't Geld voor deze kostbare en grootsche werken vond Pericles in de bondskas.
Ten tijde van den oorlog hadden de bondgenooten gelden gestort tot aanschaffing van oorlogsbehoeften. Daar er voor dat doel geen geld meer noodig was, dacht Pericles deze gelden niet beter te kunnen besteden dan door Athene er mede te verfraaien. Toen de bondgenooten zich over deze eigenmachtige handeling alles behalve tevreden toonden, liet Pericles hen door de scherpte des zwaards gevoelen, dat macht boven recht gaat.
't Kon niet anders, of de Atheners moesten wel een beschaafd en kunstlievend volk worden. Hunne geheele opvoeding was er op ingericht, om hen alzijdig te ontwikkelen. Vandaar ook, dat iemand tegelijkertijd wijsgeer, wetgever, staatsman, veldheer en redenaar kon zijn. Zoowel voor de ontwikkeling van het lichaam, als voor de veredeling van den geest werd in Athene zorg gedragen. Daarvoor dienden de gymnasiën. Zulk een gymnasium lag in een ruimen tuin; in 't midden stond het groote gebouw, omgeven door een' zuilengang. Een gymnasium werd niet alleen bezocht door leerlingen en onderwijzers, maar ieder beschaafd man, die lust had zijnen geest met kundigheden te verrijken of anderen van den rijkdom zijner kennis te doen genieten, had er vrijen toegang.
In de gymnasiën werden de leerlingen, behalve in 't worstelen, rennen, zwemmen en 't hanteeren der wapenen, onderwezen in de wetenschappen, waaronder vooral de redekunst (de kunst om zich gemakkelijk, juist en sierlijk uit te drukken) eene eerste plaats innam.
Waren dus de gymnasiën oefenplaatsen voor jong en oud, de markt was het niet minder. De Athener toch hield niet van een huiselijk, maar van een openbaar leven. Op de markt spraken de rechters het recht uit, voerden de beroemdste redenaars het woord, hield het volk zijne vergaderingen, vertoonden beeldhouwers en schilders de vruchten van hunnen arbeid.
De markt was dus de verzamelplaats van al, wat Athene als schrander, edel, groot en schitterend had aan te wijzen.
Athene's hegemonie was weldra in eene drukkende tirannie ontaard, en de door hun voorspoed opgeblazen Atheners meenden, dat alles voor hen zwichten moest. Deze overmoed verdroot den anderen Griekschen staten, en zoo kon de oorlog niet lang uitblijven. Eene aanleiding gaf daartoe het eiland Corcyra (Corfu).
Corcyra, eene volkplanting van het rijke en aanzienlijke Corinthe, was in oorlog geraakt met de moederstad, en zich zelf niet krachtig genoeg gevoelende, had het Athene om hulp verzocht. Athene wilde niets liever dan dit; het was nu in de gelegenheid het aanzienlijke Corinthe te vernederen. Hierin vonden de meeste andere staten, met Sparta aan het hoofd, aanleiding om Athene den oorlog te verklaren, ten einde zich zoo van de gehate tirannie te bevrijden. Pericles, die zelf den oorlog aangeraden had, beleefde het einde er van niet.
Eene verschrikkelijke pest deed hem in 't jaar 429 v. Chr. ten grave dalen.
Onder de wijze en edele mannen, die de oudheid heeft aan te wijzen, behoortSocratesin de eerste plaats genoemd te worden. Hij was de zoon van een' beeldhouwer en oefende zich in zijne jeugd in 't handwerk zijns vaders. Doch dit werk kon zijn' dorst naar wijsheid niet bevredigen. Met alle kracht streefde hij er naar, zich zelven zoo veel mogelijk te volmaken, en door leer en voorbeeld het toenemende zedenbederf in Athene te keer te gaan. Door zijn rijken vriend Criton werd hij in de gelegenheid gesteld, de geschriften der wijzen te beoefenen en het onderricht der beroemdste leeraars bij te wonen. Hij maakte echter van zijne wijsheid geene handelszaak, zooals andere geleerden van die dagen, maar trachtte vooral door zijn voorbeeld de voortreffelijkheid zijner leer aan te toonen. Dientengevolge onderwees hij niet in 't een of ander gebouw, maar bevond zich meest op openbare plaatsen, waar gewoonlijk vele menschen bijeenkwamen en deelde daar zijne lessen uit. Ook was hij steeds vergezeld van eene schaar jongelieden, die prijs stelden op zijn onderwijs en geheel met zijne denkbeelden vervuld werden. Onder die leerlingen tellen wij vele beroemde mannen, die naderhand heerlijke werken hebben geschreven, welke de bewondering van tijdgenooten en nageslacht hebben gaande gemaakt. Wij noemen onder velenEuclides, die zooveel prijs stelde op 't onderwijs van Socrates, dat hij er niet tegen opzag een' weg van 8 uren gaans af te leggen, ten einde gedurende een' dag het onderwijs van den geliefden meester te kunnen genieten.
VerderXenophon. Deze, een zeer schoon jongeling, ontmoette Socrates op de straat en werd door dezen staande gehouden met de woorden: "Waar koopt men meel?" "Wel op de markt," antwoordde de gevraagde. "En olie?" "Ook daar." "Maar waar gaat men heen, om wijs en deugdzaam te worden," vroeg Socrates verder.
Toen Xenophon daarop niet dadelijk wist te antwoorden, zeide Socrates: "Volg mij, ik zal 't u zeggen." Van stonden aan was Xenophon een der ijverigste leerlingen van Socrates. Verder hebbenPlato,Antisthenesen anderen zich door hunne geschriften wereldberoemd gemaakt.
En wat leerde die wijze man dan wel? "Ken u zelven" was zijne zinspreuk. Zich zelven te beheerschen, zijne hartstochten in toom te houden, met zoo weinig mogelijk tevreden te zijn: dat waren de hoofdzaken, die hij leerde niet alleen, maar die hij ook in beoefening bracht. Matigheid beschouwde hij als den grondslag der deugd. Wie het minste behoeft, zeide hij, is het meest den goden gelijk. Hij zelf was dan ook een voorbeeld van matigheid in spijs, drank en kleedij, waardoor hij gehard werd tegen koude, hitte, honger en dorst. Zijn van nature driftigen aard wist hij door aanhoudende oplettendheid op zich zelven zoo te bedwingen, dat hij in alle omstandigheden zijne bedaardheid behield en zelfs bij de grofste beleedigingen niet toornig werd.
Hij had trouwens wel gelegenheid zich in geduld en lijdzaamheid te oefenen, want hij bezat eene vrouw, wier naam nu nog dient om een uiterst lastig en onverdraagzaam humeur aan te wijzen. Zij heette Xanthippe. Een enkel staaltje uit vele. Eens was zij weder in eene uiterst kwade bui. Socrates hoorde bedaard en kalm den vloed harer scheldwoorden en verwijtingen aan, maar toen zijne bedaardheid haar nog steeds woedender maakte, verliet hij het huis. Nu goot Xanthippe hem eene kom met water over 't hoofd. Zonder eenigszins boos te worden, zeide Socrates: "Ik dacht het wel, dat op dat onweder nog regen zoude volgen."
Zijn geestige en bezielende taal, maar vooral zijn leven en werken, konden niet nalaten, grooten invloed uit te oefenen op zijne tijdgenooten. Velen, die zich anders weinig om de deugd bekommerden, kwamen door hem tot inkeer.
Zelfs de lichtzinnigeAlcibiades(waarover later) moest van hem bekennen: "Door Socrates woorden word ik zoo geroerd, dat mij het hart klopt en de tranen mij in de oogen komen." Een openbaar ambt bekleedde hij niet, maar niettemin kweet hij zich voortreffelijk van zijne plichten als burger. Riep het vaderland zijne zonen op ten strijde, dan vond het Socrates dadelijk bereid, en toonde hij een even dapper krijgsman als wijs leeraar en voorbeeldig mensch te zijn. Maar streng was hij, onverbiddelijk streng. De rijken en aanzienlijken moesten dikwijls harde waarheden van hem hooren, en daarom haatten zij hem en zochten hem ten val te brengen. En werkelijk wisten zijne vijanden het zoover te brengen, dat hij beschuldigd werd, de goden beleedigd en de jeugd bedorven te hebben. Zijne verdediging was waardig en verheven; toch veroordeelde de rechtbank hem tot het drinken van den giftbeker.
Kalm en bedaard hoorde de 70 jarige grijsaard dit vonnis aan. Zijne leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop. "Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid. Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet sterft."
De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere merkwaardige zaken.
Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad verlieten en anderen zich van het leven beroofden.
Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een' oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelenAlcibiades. Van zeer aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.
De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt. (421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk geweest ware.
Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen (standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten, deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren betooverend, en hij was de lieveling des volks.
In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een schip de vloot nagezonden, om hem te halen.
Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.
"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta, Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.
Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.
Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).
Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.
Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet. Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al; een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld. Athene's grootheid was voor altijd te niet.
Wij zien van nu aan Griekenland ten prooi aan binnenlandsche onlusten. Nadat Sparta een' tijdlang eene drukkende tirannie had uitgeoefend, gelukte het aan het kleine Thebe, om onder zijne dappere veldheerenEpaminondasenPelopidasvoor een korten tijd de hegemonie te verkrijgen. We zeggen voor een korten tijd, want weldra mengde zich een vreemdeling in de Grieksche zaken, waardoor de zelfstandigheid van Griekenland geheel te niet ging. Die man was de bekwame, maar sluwePhilippus van Macedonië. Door list en geweld had hij zich den weg tot den troon gebaand; door list en geweld wist hij zich invloed en macht in Griekenland te bezorgen. De aanleiding hiertoe was deze. De bewoners van het landschap Phocis, waarin de heilige stad Delphi lag, haddenheilig landbebouwd en waren daarom tot betaling eener groote somme gelds veroordeeld. Toen de betaling achterwege bleef, werd besloten tot een' krijgstocht tegen Phocis (heilige oorlog 355). De Phocensen wierven huurtroepen aan en vielen daarmede zegevierend in Thessalië.
De Thessaliërs verzochten den Macedonischen koning om hulp, die deze hun ook verleende.
Hij versloeg de Phocensen en wist later door list en omkooping zooveel te bewerken, dat hij in een' oorlog tegen de bewoners van 't landschap Locris tot opperbevelhebber over 't Grieksche leger werd benoemd.
Te laat zagen de Grieken in, dat zij een' wolf tot herder over de kudde hadden aangesteld; te laat lieten zij recht wedervaren aan den beroemdenDemosthenes, die niet opgehouden had met zijn onnavolgbaar redenaarstalent tegen de heerschzucht van den Macedoniër te waarschuwen.
Toen de Grieken zich nu met geweld van wapenen van den geweldenaar wilden ontdoen, werden zij in den geduchten slag bijChaeronea(338) geheel verslagen. Met de Grieksche vrijheid was het gedaan.
De eerzuchtige plannen van Philippus waren veel omvattend. Het groote, maar reeds kwijnende Perzische rijk te doen vallen, was zijn doel. Te dien einde liet hij zich door de Grieken tot opperbevelhebber van een' krijgstocht tegen de Perzen benoemen. Deze tocht was echter weggelegd voor zijn beroemden zoon Alexander. Hij zelf werd op een bruiloftsfeest verraderlijk vermoord.
Alexander was een prins van den voortreffelijksten aanleg. Zijn vader Philippus trachtte dezen aanleg door allerlei lichaamsoefeningen en een goed onderwijs op de beste wijze te ontwikkelen.
Te dien einde riep hij den beroemdenAristotelesaan zijn hof, om de opvoeding van zijn hoopvollen zoon op zich te nemen. "Ik verheug mij," schreef hij aan Aristoteles, "dat het kind geboren is, terwijl gij leeft, om het te kunnen onderrichten en tot een goed koning op te leiden."
Alexander was in alle opzichten zulk eenen leermeester waardig; want hij leerde met den grootsten ijver en was met zijne gansche ziel aan zijnen leermeester verknocht. Reeds vroeg haakte Alexander naar verhevene, roemwaardige daden.
Koning te zijn over de geheele wereld was zijn vurigste wensch. Zoo dikwijls boden de tijding brachten van de overwinningen zijns vaders, werd hij bedroefd en zeide eens weenend: "Ach, mijn vader zal nog de geheele wereld veroveren en mij niets overlaten." Het liefst hoorde hij zijne leermeesters vertellen van de groote daden der oude helden, van oorlogen en veldslagen. Homerus was daarom zijn lievelingsdichter. Hij wenschte een held te worden als Achilles en hoopte even schoon bezongen te worden.
Op zijne veldtochten had hij Homerus' gedichten in een gouden kistje dan ook altijd bij zich. Op den ouderdom van achttien jaren toonde hij reeds zijne dapperheid in den slag bij Chaeronea, waarin de Grieken hunne vrijheid verloren.
Toen hij twee jaren later, na de vermoording zijns vaders, zelf koning werd, dachten de Grieken van zijne jonkheid en onervarenheid gebruik te kunnen maken om hunne vroegere onafhankelijkheid weder te herwinnen. De stad Thebe moest echter ondervinden, dat met den twintigjarigen Macedonischen koning niet te spotten viel. De stad werd stormenderhand ingenomen en tot den grond geslecht.
Alleen het huis van Pindarus, den dichter, die in schoone liederen de overwinnaars in de Grieksche kampspelen bezongen had, liet Alexander sparen.
Nu weigerde geen der Grieksche staten den moedigen en ondernemenden jongeling meer gehoorzaamheid. Te Corinthe liet hij zich benoemen tot opperbevelhebber der Grieken tegen de Perzen. Aan het hoofd van een leger van 35000 man trok Alexander dan ook in 334 op om het reeds kwijnende Perzische rijk aan te vallen.
Hij stak den Hellespont over, en toen hij den voet op Aziatischen bodem zette, riep hij zegevierend uit: "Azië is mijn!"
Nadat Alexander het slagveld van Troje en vooral het graf van Achilles bezocht had, kwam het bij een klein riviertje deGranicustot een hardnekkig gevecht tusschen het Grieksch Macedonisch leger en het Perzische, waarbij Alexander zoude gedood zijn, had niet zijn vriend Clitus hem gered.
Door deze overwinning werd hij meester van Klein-Azië. De eene overwinning volgde nu op de andere. Steden, die zich niet vrijwillig overgaven, werden stormenderhand ingenomen. Toch besloot de Perzische koning Darius Codomannus alle pogingen aan te wenden om den zegevierenden Macedoniër in zijne overwinningen te stuiten.
Met een leger van 600,000 man viel Darius het veel zwakkere leger van Alexander aan bijIssus, maar de Grieksche dapperheid en krijgskunst behaalden ook hier weder de zege op de overmacht. (333).
Honderdduizend Perzen sneuvelden; Darius vluchtte. Zijne moeder, zijne vrouw, twee dochters en een zoon benevens een onmetelijke buit vielen den overwinnaar in handen. Geheel tegen het toenmalige krijgsgebruik behandelde hij zijne aanzienlijke gevangenen met de grootste achting en eerbied. Toen Darius dit vernam, werd hij daardoor zoo getroffen, dat hij uitriep: "Goden! laat mij mijn rijk behouden, maar hebt gij den ondergang er van besloten, geef het dan aan Alexander van Macedonië."
De jonge held trok nu, zonder zich verder om Darius te bekommeren, langs de zeekust naar het zuiden, veroverde en verwoestte de rijke en machtige handelsstad Tyrus, maakte zich vervolgens meester van Palaestina en rukte eindelijk over de landengte van Suez naar Aegypte.
Aegypte was vroeger door Cambyses, koning van Perzië, veroverd en steeds hard behandeld; daarom beschouwden de Aegyptenaren de Perzen als hunne doodvijanden.
Geen wonder dus, dat men in Aegypte Alexander als redder begroette. Zijn tocht door het land geleek een zegetocht. Aan een der monden van den Nijl stichtte hij een nieuwe handelsstad, naar hem Alexandria genoemd, die weldra in plaats van het verwoeste Tyrus de zetel van den wereldhandel werd. In de groote Lybische zandwoestijn lag eene oase en daarin een tempel, aan Jupiter gewijd. Van de priesters van dezen god werd, evenals van die te Delphi, gezegd, dat ze de toekomst konden voorspellen. Alexander wenschte dien tempel te zien, die priesters te hooren en ondernam daarom een gevaarvollen tocht door de woestijn, dien hij echter gelukkig volbracht.
Door de priesters van Jupiter werd hij tot zijn groote vreugde voor een' zoon van Jupiter verklaard. Na dezen grooten uitstap keerde hij naar Azië terug, om Darius op te zoeken. Hij vond hem bijArbelain Assyrië met een leger, in aantal wederom verre het zijne overtreffende. Alexanders krijgskunde en de dapperheid zijner troepen behaalden echter ook hier de overwinning. (331).
Nu was het Perzische rijk geheel in de macht van den stoutmoedigen Macedoniër. De voornaamste Perzische steden Babylon, Susa, Persépolis en Ecbatana vielen den overwinnaar in handen. Darius zocht zijn heil in de vlucht, maar werd door zijnen landvoogd Bessus gevangengenomen en verraderlijk vermoord. Deze laaghartige kreeg echter weldra de straf voor zijne snoodheid. Alexander liet hem vervolgen: hij werd gevat en ter dood gebracht. Darius' lijk liet hij echter naar Persépolis, de begraafplaats der Perzische koningen, brengen en daar op koninklijke wijze ter aarde bestellen. 't Scheen Alexander ondertusschen in Azië goed te bevallen, althans hij toonde volstrekt geen lust om naar Macedonië terug te keeren.
Hij huwde eene Perzische vrouw, liet zich op Oostersche wijze bedienen, eischte, dat men zich op Oostersche wijze voór hem zou nederwerpen en kleedde zich als een Pers. Hij hoorde gaarne, dat men hem bovenmate vleide; wie dit niet verkoos te doen, maakte zijn' toorn gaande, zooals bleek, toen hij zijn' vriend Clitus, die niet instemmen wilde met de laffe vleierijen der anderen, eigenhandig doorstak.
Het bezit van het Perzische rijk was echter op verre na niet voldoende om de eer- en heerschzucht van Alexander te bevredigen. Indië, het fabelachtige, rijke Indië te onderwerpen was nu het doel van zijn streven. Toen hij de grensrivier, den Indus, overtrok, kwamen hem verscheidene vorsten met rijke geschenken te gemoet. Eén koning echter, de dapperePorus, poogde hem het verder doordringen te beletten. Maar hoewel hij en zijn leger wonderen van dapperheid ten toon spreidden, moest ook hij het onderspit delven. Met wonden bedekt werd hij gevangengenomen, maar door Alexander allergrootmoedigst behandeld; hij kreeg niet alleen zijn geheel koninkrijk terug, maar ontving daarenboven nog verschillende nieuwe provinciën.
Na de onderwerping van Porus zou het Alexander niet moeielijk zijn gevallen geheel Indië te veroveren, wanneer zijne Macedoniërs niet oproerig geworden waren en geweigerd hadden hem verder te volgen.
Alexander moest dus tot den terugtocht besluiten, die dan ook onder de grootste bezwaren ondernomen werd. Te Babylon aangekomen, ontwierp hij weder nieuwe veroveringsplannen, maar te midden zijner groote toerustingen rukte de dood hem weg in den nog jeugdigen ouderdom van 33 jaren. (323).
Treurig en mismoedig stonden zijne veldheeren en vrienden bij zijn sterfbed.
Hij reikte hen de hand, en na hen veelbeteekend aangezien te hebben, zeide hij: "Ik heb een voorgevoel, dat er na mijnen dood bloedige twisten zullen ontstaan." Men vroeg hem nog, wien hij tot opvolger bestemde.
Hij antwoordde: "den waardigste." Alexanders voorzegging kwam uit. Zijn dood was het sein tot een langen en bloedigen strijd. Toch hebben zijne veroveringen zeer veel goeds tot stand gebracht; want daardoor kwamen de Grieken met de Oostersche volken in aanraking, werden beschaafder en leerden elkander meer achten als menschen van gelijke beweging en afkomst.
(753).
We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld. Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het verhaal luidt aldus:
Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoonAeneasmet eenige getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa, die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na, Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.
Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden, waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.
In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen. Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.
De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven, toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin, die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht deelde de voedsterzorgen met haar.
Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en, bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare kinderen opvoedde. De knapen,RomulusenRemusgenaamd, onderscheidden zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa, doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en Romulus er kort daarna twaalf zag.
Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij demeestevogels gezien had.
Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting kreeg den naam van Rome.
Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad metterwoon te vestigen.
Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen. Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen, broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.
Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun midden ten hemel was gevaren.
250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den SabijnNuma Pompilius, bleef het zwaard rusten.
Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten worden.
Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der koningen wasTarquiniusom zijne trotschheid detrotsche(superbus) geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele). Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.
Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den dag en stak zich dien in het hart.—Nu toonde Brutus, dat zijne onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak, trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.
Zijne woorden vonden algemeenen bijval. Men sloot de poorten, terwijl Brutus naar het leger snelde en daar wist te bewerken, dat ook dit den Koning afvallig werd en naar Rome terugkeerde. 't Koningschap werd afgeschaft en Rome tot eene republiek verklaard. In de plaats des konings kwamen nu twee mannen,consulsgenaamd, die slechts voor één jaar gekozen werden, aan het hoofd van den staat.
't Volk koos uit dankbaarheid als eerste consuls de beide bevrijders van de tirannie:BrutusenCollatinus. 't Was er echter verre af, dat de verdreven Koning lijdelijk in zijne afzetting berustte. Eerst zocht hij in Rome ten zijnen gunste eene samenzwering te smeden. Werkelijk lieten zich eenige aanzienlijke jongelieden, die den glansrijken hofstaat en de schitterende feesten, door den Koning gegeven, boven de vrijheid stelden, overhalen om pogingen aan te wenden ter herstelling van het koningschap. De samenzwering werd echter toevallig door een' slaaf ontdekt en de schuldigen gevat. Onder dezen behoorden twee zonen van Brutus en twee neven van Collatinus.
Brutus toonde, dat de vrijheid van zijn vaderland hem boven alles dierbaar was. Hij zelf sprak, naar luid van het volksverhaal, over zijne zonen het doodvonnis uit, en nadat dit werkelijk aan hen voltrokken was, liet hij de natuur recht wedervaren. Hij omhulde zijn gelaat met zijnen mantel en ging weenend naar zijne woning. Collatinus poogde tevergeefs zijne neven te redden, maar verloor daardoor 't vertrouwen des volks, zoodat hij genoodzaakt was Rome te verlaten. Toen deze poging mislukt was, zocht Tarquinius op eene andere wijze te slagen. Hij zocht en vond hulp bijPorsenna, koning van Clusium (in Etrurië). Deze verscheen weldra met een machtig leger voor Rome's poorten en bracht de stad in 't uiterst gevaar. Bijna ongeloofelijke blijken van heldenmoed werden er tijdens deze belegering door de Romeinen gegeven.
Eeuwige roem verwierf zich in de eerste plaatsHoratius Cocles. De Romeinen hadden een' uitval gedaan, maar werden door de Etruskers verslagen. Nu vloden zij naar de stad terug, op den voet gevolgd door de zegevierende vijanden. Gelukte het dezen met hen over de Tiberbrug te komen, dan waren zij in de stad en Rome was verloren. Daar houdt plotseling een dapper man stand. Hij beveelt zijnen makkers in allerijl de brug achter hem af te breken, terwijl hij alleen den strijd tegen de overmacht op zich neemt. Toen hij aan 't kraken der balken verneemt, dat de overtocht belemmerd is, werpt hij zich in den Tiber en komt, in weerwil van de pijlen der vijanden, behouden aan den anderen oever. Had Cocles voor 't oogenblik de stad gered, toch bleef haar toestand altoos nog hachelijk, te meer daar een hongersnood de ellende kwam vermeerderen. Daar weet een Romeinsch jongeling,Mucius, in de vijandelijke legerplaats en in 's Konings tent te dringen. Hij heeft vooraf aan den senaat verzocht den Koning te mogen dooden. Niet wetende, wie van de beide aanwezige personen de Koning is, doodt hij den geheimschrijver. Natuurlijk wordt hij gegrepen en door den Koning met de verschrikkelijkste straffen bedreigd. Doch Mucius roept uit: "Zie, hoe weinighijom zijn leven geeft, wien groote roem voor oogen staat." En zijne rechterhand in 't vuur houdende, dat op een in de nabijheid staand altaar brandde, liet hij haar zonder een teeken van smart te toonen, verbranden. Ontzet over zulk eene onverschrokkenheid liet de Koning den jongeling van 't altaar wegsleuren en schonk hem de vrijheid. Nu verklaarde Mucius, die vervolgens den eerenaam Scaevola (linkerhand) kreeg, dat nog 300 jongelingen gezworen hadden den Koning te dooden. Hij was de eerste en had zich vergist, een ander na hem zou gelukkiger zijn.
Deze verklaring vervulde den Koning met schrik en ontzetting, zoodat hij zich geneigd toonde tot onderhandeling. Hij liet de zaak van Tarquinius varen, en, nadat de Romeinen hem oorlogsvergoeding en gijzelaars hadden verstrekt, toog hij naar zijn land terug.
Patriciërs en plebejers! wat waren dat voor menschen, vraagt ge voorzeker!Patriciërswaren de aanzienlijken, die veelal een groot grondbezit hadden en geroepen konden worden tot alle ambten en waardigheden, dus de regeerende stand; deplebejerswaren het mindere volk, oorspronkelijk bewoners van de veroverde steden, die weinig of geen landbezit hadden en tot geen ambt of waardigheid konden gekozen worden.
De patriciërs maakten van hun recht weldra een schromelijk misbruik. Niet alleen dat zij bij alle gelegenheden aan de plebejers hunne overmacht deden gevoelen, maar daar zij, als de rijken, dikwijls de schuldeischers van de laatsten waren, behandelden zij dezen allervreeselijkst wreed en hardvochtig. Een schuldeischer mocht zijn schuldenaar tot slaaf maken, hem verkoopen, ja zelfs dooden. Recht tegenover den rijke had de arme volstrekt niet, en dus moest hij zich de gruwelijkste dwingelandij en knevelarij laten welgevallen. Toch poogden de plebejers meermalen in dien ondragelijken toestand verandering te brengen. De gelegenheid daartoe bood zich trouwens vaak genoeg aan. Hoe laag de patriciër ook neerzag op den plebejer, hij kon hem toch niet missen, voornamelijk niet in de vele oorlogen, die Rome met zijne naburen te voeren had. Dit wisten de plebejers zeer goed, en daarom weigerden zij eenvoudig te vechten, wanneer er een oorlog uitbrak. Dan moesten de patriciërs hen weer met mooie woorden en groote beloften paaien, om toch de wapens op te vatten.
Even vlug als zij in 't beloven waren, even handig waren zij er ook bij, om die beloften te verbreken, wanneer het gevaar geweken was. Eindelijk echter was 't geduld der verdrukte plebejers ten einde. Zij togen in 494 gezamenlijk uit Rome en naar den zoogenaamdenHeiligen Bergmet het doel, daar eene nieuwe stad te stichten. Nu waren de patriciërs op hunne beurt in verlegenheid en genoodzaakt iets toe te geven. Zij zonden eenen afgezant naar het volk, wien het gelukte eene verzoening tot stand te brengen. Echter niet dan nadat de schuldenlast verminderd, in de verhouding van schuldeischer en schuldenaar verbetering gebracht en volksvertegenwoordigers (tribunen) aangesteld waren.
Dezetribunen, die uit de plebejers mochten verkozen worden, moesten waken, dat het volk geen onrecht geschiedde en konden dat doen door tegen een besluit van den senaat hunveto(ik verbied het) te laten hooren, waardoor het senaatsbesluit niet ten uitvoer gebracht kon worden.
Met leede oogen zagen de patriciërs zich een deel van hunne vroegere macht over de verachte plebejers ontrukken. Zij haakten dus naar eene gelegenheid, waardoor zij den vroegeren toestand weder in 't leven konden roepen. Die gelegenheid bood zich spoedig aan in een vreeselijken hongersnood. De senaat had in Rome's korenschuur, Sicilië, koren laten opkoopen en wilde het nu gelijkelijk onder 't volk verdeelen. Een zeker trotsch patriciër,Marcius Coriolanus, stelde echter voor, het volk eerst dán koren te verstrekken, wanneer het van zijne verkregene rechten afstand wilde doen.
Toen de plebejers dit vernamen, werden zij woedend en daagden Coriolanus voor eene volksrechtbank. Deze echter, het ergste vreezende, verliet Rome en begaf zich naar Rome's vijanden deVolscen.
Aan 't hoofd van een machtig vijandelijk leger verschijnt hij weldra voor zijne vaderstad. Benarde toestand voorwaar! Van binnen de honger, van buiten een vijand, hunkerende naar den val van de steeds naar meer macht strevende stad. Men zendt boden naar Coriolanus, die hem eene eervolle terugroeping aanbieden. Tevergeefs; de trotsche patriciër wijst hen terug. De priesters, met alle teekenen van hunne waardigheid bekleed, zoeken hem tot den aftocht te bewegen, maar moeten eveneens onverrichter zake terugkeeren.
Maar ziet—daar nadert een stoet vrouwen. Aan 't hoofd er van gaat Coriolanus' moeder, Veturia, vergezeld van zijne gemalin Volumnia. Hij wil eerbiedig zijne moeder begroeten, maar trotsch wijst zij hem op hare beurt terug; zij wil in den verrader van zijn vaderland niet haren zoon erkennen. Dit is voor Coriolanus te veel. "Moeder!" zoo roept hij, "gij hebt Rome gered maar uwen zoon verloren."—Hij heft de belegering op, maar moet volgens sommigen door de verbitterde Volscen zijn omgebracht. (491 v. Chr.)
Lang duurde de strijd tusschen de plebejers en patriciërs; niet zelden kwam het tot bloedige botsingen. Toch wisten de plebejers het eene voorrecht na het andere machtig te worden, totdat omstreeks het jaar 300 v. Chr. de klove tusschen beide standen was aangevuld.
Ondertusschen was Rome wederom den ondergang nabij geweest. De Galliërs, een woest volk, dat eerst in zuidelijk Frankrijk had gewoond, waren in 't noorden van Italië gevallen en drongen zegevierend naar 't zuiden, alles plunderende en verbrandende. Door de hoogst onvoorzichtige handelwijze der Romeinsche gezanten tot woede geprikkeld, togen de Galliërs onder hunnen dapperen aanvoerder Brennus naar Rome, versloegen het Romeinsche leger bij deAllia, een kleinen bijvloed van den Tiber (390), veroverden Rome en verwoestten de stad. De inwoners waren voor 't grootste gedeelte naar 't Capitool gevlucht, waar zij onder aanvoering van den dapperenManliusden vijand manmoedigen tegenstand boden (ganzen op 't Capitool). Toch zou ook deze sterkte hebben moeten vallen, ware niet te rechter tijd de vroeger wegens zijne trotschheid en overmoed verdreveneCamillus, de veroveraar van Veji, die de verstrooide troepen der Romeinen verzameld had, tot ontzet opgedaagd. De Galliërs werden verslagen en trokken terug. Rome werd schooner herbouwd.
(342-275 j. v. Chr.)
Het tijdperk van 342-275 j. v. Chr. is de schoonste tijd der republiek. Het is rijk aan voorbeelden van uitstekenden heldenmoed, van zelfopofferende vaderlandsliefde en van strenge rechtvaardigheid. Tevens geeft het ons eene groote mate van eenvoud en reinheid van zeden te aanschouwen, zooveel te meer opmerkelijk in een land als Italië, waar weelde en losbandigheid maar al te veel gehuldigd werden. Daardoor bleef de republiek niet alleen behouden te midden der groote gevaren, die haar bedreigden, maar trad zij grooter en machtiger dan ooit uit den worstelstrijd te voorschijn. De meeste volken van Italië, naijverig op den snellen bloei van Romulus' stichting, keerden hunne wapens tegen Rome. Hoewel de strijd niet altijd gunstig voor de Romeinen afliep, (Caudinische passen 321) bleek toch de onbezweken moed en de zelfopofferende vaderlandsliefde der Romeinen den vijanden te sterk te zijn.
Liever dan u de aanleiding tot de eindelooze oorlogen mede te deelen, willen wij liever wijzen op enkele der vele heldenfiguren, waaraan dit tijdperk zoo overrijk is. Daar zien wij hoog ten ros en in schitterende wapenrustingMarcus Curtiuszich in den afgrond werpen, om zoo den toorn der goden te stillen. Hier offert de strenge consulTitus Manliuszijnen dapperen zoon op, omdat hij tegen het legerbevel met een hem uitdagenden vijand gevochten heeft. Elders weer wijdt consulDecius Muszich ter dood, omdat de auguren de zege des legers afhankelijk van den val des aanvoerders hebben gesteld. In den heeten strijd bij Sentinum (295) offert dejongere Decius Muszich eveneens voor 't heil des vaderlands op. Ook tooneelen als die van David en Goliath geeft ons dit tijdperk te aanschouwen. Hoe! wil die tengere jongeling (Titus Manlius) zich meten met dien Gallischen reus? Hij durft het wagen en weldra zien wij hem, versierd met den zwaren ketting zijns vijands (vandaar zijn bijnaam Torquatus) door het jubelend leger tot dictator verheven.
In 280 kwamen de Romeinen voor 't eerst in oorlog met een buitenlandsch vorst n.l. metPyrrhus, koning van Epirus.
Begeerig naar avonturen, voldeed hij gaarne aan de uitnoodiging der Tarentijnen om hen tegen de Romeinen bij te staan. Met een uitmuntend leger, voorzien van olifanten, die aan den krijg gewoon waren, landde hij in Beneden-Italië en was weldra in twee veldslagen overwinnaar (280 en 279 v. Chr.) Toch kon de scherpzinnige Pyrrhus bij den eersten slag niet nalaten uit te roepen: "Met zulke soldaten was de wereld mijn;" en bij den tweeden: "Nog eene overwinning als deze en ik ben verloren."
Mochten de Romeinen ook een enkelen keer den moed laten zinken, de blindeAppius Claudiuswist weder veerkracht in de harten der verslagenen te brengen en aan den gezant, dien Pyrrhus gezonden had, gaf de senaat het trotsche antwoord: "Over een' vrede kan slechts gehandeld worden, nadat Pyrrhus Italië verlaten heeft." De stand van zaken veranderde, toenFabriciusenCurius Dentatusaan 't hoofd des legers kwamen. Pyrrhus tracht den eerste om te koopen, maar Fabricius, hoewel zelf arm, wijst met verontwaardiging de glansrijke aanbiedingen van de hand; eene poging, door hem aangewend om den Romein door middel van een kolossalen olifant schrik aan te jagen, mislukte eveneens.
De tweede was zoo eenvoudig in zijne levenswijze, dat, toen de gezanten van den senaat hem voor de eerste maal zijne benoeming als consul brachten, ze hem bezig vonden met het koken van een gerecht rapen. Het geluk begon Pyrrhus den rug toe te keeren. In den geduchten slag bijBeneventum(275) werd zijn leger totaal verslagen, terwijl de meeste zijner olifanten, vroeger de schrik der Romeinen, in 's vijands handen vielen.
Hij was genoodzaakt als overwonneling naar zijn land terug te keeren.
Zoo waren de Romeinen langzamerhand meester geworden van geheel Italië; alle staten moesten òf als bondgenooten òf als onderworpen provinciën hunne oppermacht erkennen.
Omstreeks het jaar 888 stichtte Dido, zuster van den Phoenicischen koning Pygmalion, op de noordkust van Afrika eene kolonie, die den naam kreeg van Karthago. Deze kolonie werd weldra door handel en zeevaart rijk en machtig; zij strekte haar gebied niet alleen uit over een groot gedeelte van Afrika's noordkust, maar ook over Sardinië, Corsica en meer dan de helft van Sicilië. 't Kon wel niet anders, of twee volken als de Romeinen en de Karthagers, die beide naar de wereldheerschappij streefden, moesten in botsing met elkander komen. Er was slechts eene aanleiding noodig, en die liet niet op zich wachten. De Mamertijnen, ontslagen huurtroepen van Agathocles, tiran van Syracuse, maakten door roof en plundering het geheele eiland Sicilië onveilig en bemachtigden zelfs de stad Messana, die zij, na haar uitgemoord te hebben, als wijkplaats bij hunne strooptochten bezigden. Aan dezen stand van zaken poogden de Syracusanen een eind te maken. Hun koning Hiero viel de Mamertijnen met een leger aan en bracht hun zulk eene gevoelige nederlaag toe, dat ze naar hulp moesten uitzien. Een gedeelte hunner zocht ondersteuning bij de Romeinen; de overigen bij de Karthagers.
Het schoone en rijke Sicilië was eene te begeerige prooi voor Rome, dan dat het de bede der roofzuchtige Mamertijnen zoude afwijzen, hoewel het er vast op konde rekenen, dat de strijd met het machtige Karthago dan niet kon uitblijven. Weldra stak in een donkeren stormachtigen nacht een Romeinsch landingsleger op vlotten over de straat van Messina en veroverde verschillende versterkte plaatsen. Door een verbond met Syracuse zocht Rome de Karthagers geheel van Sicilië te verdrijven. Dezen echter wreekten zich door met hunne machtige vloten de kusten van Italië te bestoken en aan den handel van Rome's bondgenooten een geducht nadeel toe te brengen. De Romeinen zagen zeer goed in, dat zij in 't bezit van eene vloot moesten zijn, als ze met kracht tegen de Karthagers wilden optreden.
Met ontzaggelijk veel moeite en groote inspanning bouwden ze nu naar het voorbeeld van een gestrand Karthaagsch oorlogschip eene vloot. Ieder schip had aan weerszijden enterbruggen, waardoor het met een vijandelijk schip verbonden kon worden, en zoo veranderde het zeegevecht eenigszins in een landgevecht. Met deze vloot bevocht de consulDuiliusde eerste overwinning op de Karthagers bij Mylae, eene kleine plaats in het n. o. van Sicilië (260). Nu werden de Romeinen overmoedig. Eene vloot van 330 schepen met een groot leger aan boord, zeilde onder bevel van den dapperen consulRegulusnaar Afrika. De Karthagers werden herhaalde malen verslagen, en reeds stonden de zegevierende Romeinen voor Karthago's poorten, toen er Grieksche hulptroepen landden onder aanvoering van den bekwamen SpartaanXantippus.
Nu werden de overwinnaars op hunne beurt overwonnelingen; het grootste gedeelte van 't schoone leger sneuvelde, de rest viel met den dapperen aanvoerder in handen der vijanden. In weerwil van de overwinning wenschten de Karthagers niets liever dan een eervollen vrede. Om dien te verkrijgen zonden zij, volgens het verhaal, den gevangen consul als afgezant naar Rome, na hem vooraf te hebben doen zweren naar Karthago terug te keeren, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht. Regulus komt te Rome, kwijt zich van zijne opdracht, maar raadt tevens den senaat aan den oorlog met kracht vol te houden, daar de Karthagers uitgeput zijn. Noch de welmeenende raad van den senaat, noch de dringende beden zijner vrienden zijn in staat, hem ontrouw aan zijns eens gegeven woord te smaken. Hij keerde naar Karthago terug, waar een vreeselijke dood hem wachtte. Nu is 't u zeker ook duidelijk, waarom men Antonius Hambroek wel den Nederlandschen Regulus noemt.
Het einde van dezen oorlog, den eersten der zoogenaamdePunischeoorlogen, (264-241) was, dat de Karthagers het korenrijke Sicilië ontruimen en eene groote som voor oorlogskosten aan de Romeinen moesten betalen.
Karthago zocht zich in Spanje schadeloos te stellen voor 't verlies van Sicilië.Hamilcar BarcasenHasdrubal, veldheeren der Karthagers, veroverden er aanzienlijke streken lands. De verovering der stadSaguntum, die zich onder Rome's bescherming gesteld had, gaf aanleiding tot dentweeden Punischenoorlog (218-201), een' oorlog, waarin Rome op den rand van zijnen ondergang werd gebracht. De man, die dat bewerkte, wasHannibal. Opgevoed in haat tegen Rome, gloeiende van vaderlandsliefde, bedeeld met buitengewone geestesgaven, was hij de rechte man voor 't groote doel, dat hij beoogde. Dat doel was niet minder, dan uit Spanje een leger over de Pyrenaeën en de Alpen te voeren en zoo in Italië te vallen ten einde den Romeinen in hun eigen land de wet voor te schrijven. Stout plan voorwaar!
Toen hij na de ongehoordste ontberingen en gevaren eindelijk in Opper-Italië's vlakten verscheen, was zijn leger tot op de helft geslonken; al zijne olifanten waren omgekomen. Toch is hij sterk genoeg om den Romeinschen legers bij deTicinus, bij deTrebia(twee bijvloeden van de Po) en bij het meerTrasimene(in het tegenwoordige Toscane) eene volkomen nederlaag toe te brengen (218 en 217). Zonder de krijgskunst van den dictatorFabius(cunctator=draler), toen op verre na niet genoeg door de Romeinen gewaardeerd, ware Rome hoogstwaarschijnlijk verloren geweest. Toen laterAemilius PaulusenTerentius Varrode wijze taktiek van Fabius lieten varen, en Hannibal bijCannaeslag leverden, was eene geduchte nederlaag het gevolg van hunne onbesuisdheid. 50000 Romeinsche lijken bedekten het slagveld (216). Cannae was echter de keerkring van Hannibals geluk. In 't weelderige Capua, waar hij met zijn leger den winter doorbracht, werden zijne krachtige krijgers ontzenuwd; kleingeestige naijver in zijne vaderstad liet het hem aan de noodige hulp ontbreken, terwijl Rome eene kracht en vastberadenheid ontwikkelde, geëvenredigd aan het gevaar, waarin het verkeerde. Verschillende Italiaansche volken verbraken het bondgenootschap met Hannibal, totdat ten laatste slechts enkele versterkte plaatsen in Beneden-Italië in zijne macht waren.
Daar steekt de koeneScipio, die reeds in Spanje blijken van grooten moed en zeldzame bekwaamheid had gegeven, met een leger naar Afrika over en bedreigt Karthago. Hannibal snelt zijne vaderstad te hulp. Tevergeefs: de slag bijZama(202) was ten nadeele van de Karthagers, en onder de schandelijkste voorwaarden moesten zij den vrede afbidden. Overal vervolgd door de Romeinen, die hem haatten en tegelijk vreesden, bracht Hannibal zich door vergif om 't leven (183).
Eene stad, die door handel en nijverheid zijn bestaan vindt, herstelt zich langzamerhand van de verliezen, die het geleden heeft. Zoo ook Karthago. Dit konden de Romeinen niet dulden. "Karthago moet verwoest worden", zoo besloot Cato zijne meeste redevoeringen in den Senaat. Eene aanleiding daartoe was spoedig gevonden. Een naburig koning (Masinissa van Numidië) maakte voortdurend strooptochten op Karthaagsch grondgebied. De Karthagers, geen oorlog mogende voeren zonder verlof der Romeinen, verzochten dezen om hulp, doch tevergeefs. Ten einde raad, grepen zij eindelijk zelven de wapens op en verjoegen de indringers. Schoone gelegenheid voor de Romeinen om een leger naar Karthago te zenden, ten einde de stad voor 't verbreken van de vredesvoorwaarden te straffen! De Romeinen eischen gijzelaars; men geeft ze hun; vervolgens hunne wapens; ook deze worden overgeleverd. Toen zij echter van de bedrukte inwoners vorderen hunne stad te verlaten, en minstens vijf mijlen van de zee zich eene nieuwe stad te bouwen, zegevierde de onderdrukte vaderlandsliefde over de honende vorderingen en bedreigingen der Romeinen. Nu geeft Karthago ons een tooneel te aanschouwen, waarbij het gevoelige hart van smart moet ineenkrimpen. Meer dan twee jaren werd er gestreden, aan den eenen kant met den moed der vertwijfeling, aan den anderen met grenzenlooze verbittering. Ieder huis moest veroverd worden; voet voor voet verdedigden de Karthagers den dierbaren grond, tot eindelijk met de sterke burcht hun laatste toevluchtsoord was gevallen. De koningin der Middellandsche zee ging in vlammen op. De aanvoerder der Romeinen,Scipio Afrikanus de jongere, kon bij 't zien van 't afgrijselijk tooneel zijne tranen niet bedwingen. 't Getuigt meer voor hem dan menige zege, op 't slagveld behaald. Van de 700,000 inwoners bleven slechts 50000 over, om den triomftocht van Scipio meer luister bij te zetten. Zoo eindigde dederdeoflaatste Punischeoorlog. (149-146).—In 't zelfde jaar, waarin Karthago viel, werd ookCorinthedoor den consulMummiusingenomen, en daarmede was geheel Griekenland in Rome's macht. Omstreeks het jaar 130 konden de Romeinen zich beroemen, dat hunne heerschappij zich reeds uitstrekte over drie werelddeelen.
Hoe glansrijk de toestand van Rome uiterlijk ook scheen, inwendig liet hij veel te wenschen over. 't Verschil tusschen patriciërs en plebejers was veel vereffend, maar dat tusschen rijken en armen was langzamerhand geweldig groot geworden. De groote schatten, die naar Rome uit de overwonnen gewesten vloeiden, waren slechts voor de voornamen; het volk moest leven van 't geen de rijken het verkozen toe te werpen. 't Volk was slechts een werktuig in de hand der aanzienlijken; de staatsambten werden niet meer bezet door de waardigsten, maar door diegenen, welke er het meest voor betaalden. Aan dien toestand zocht een edel broederpaar een einde te maken, n.l.TiberiusenCajus Gracchus.Zij waren zonen vanSempronius Tiberius GracchusenCornelia, eene dochter van Scipio, den overwinnaar van Hannibal, eene der edelste vrouwen, die Rome weet aan te wijzen. Na den dood haars mans wijdde zij zich geheel aan de opvoeding harer twaalf kinderen, waarvan zij echter slechts drie mocht behouden t. w. het bovengemelde broederpaar en Sempronia, die de gade werd van Scipio den jongeren.
Deze kinderen voedde zij met de grootste zorgvuldigheid op en ontzag geene moeite of kosten, om ze tot zulke edele en brave menschen te vormen als eens hun grootvader Scipio geweest was. Eene voorname vrouw toonde haar eens hare kostbaarheden. Cornelia wees op hare beide zonen en zeide vol moedertrots: "Dit zijn mijne eenigste en grootste schatten." De kinderen stelden de verwachting hunner edele moeder niet te leur. De woorden, die Cornelia zich eens in 't bijzijn van hare zonen ontvallen liet: "Zullen de Romeinen mij steeds de schoonmoeder van Scipio en niet ook de moeder der Gracchen noemen?" maakten op hen zulk een diepen indruk, dat zij al hunne krachten inspanden, om eene waardige plaats onder Rome's beroemde mannen in te nemen. Tiberius, de oudste, koos, toen hij tot de waardigheid van volkstribuun geroepen werd, de zijde des volks tegen den adel.
Hij stelde daarom de vernieuwde invoering eener oude akkerwet voor, waarbij niemand meer dan 500 morgen staatslanderijen mocht bezitten. 't Spreekt van zelve, dat de aanzienlijken woedend waren op den stouten tribuun. Toen daarom de tijd van zijn tribunaat was afgeloopen, zochten zij met geweld zijne herkiezing tegen te gaan. In een straatgevecht vond Tiberius Gracchus met 300 zijner aanhangers den dood (133 J. v. C.) De patriciërs zorgden er nu voor, dat de wet van de akkerverdeeling niet tot uitvoering kwam.
Elf jaren later vatte Cajus de taak op, die zijn broeder niet had kunnen volbrengen. Hartstochtelijk en onstuimig kwam hij op voor de rechten van 't verdrukte volk; maar zijne pogingen stuitten af op den onwil van den senaat en de zelfzucht der aanzienlijken. In een geducht oproer viel ook hij met 3000 zijner medeburgers (121 J. v. C.) als een offer van zijnen ijver voor 't welzijn des volks. Ofschoon aan 't stoffelijk overschot der beide broeders geene eerlijke begrafenis werd gegund, maar hunne lijken in den Tiber werden geworpen, erkende het volk toch eenige jaren later, wat het in Cornelia's wakkere zonen verloren had. Standbeelden verrezen tot hunne nagedachtenis, en de plaatsen, waar zij gevallen waren, werden als heilig verklaard. Cornelia's wensch werd vervuld, want toen zij in hoogen ouderdom stierf, werd voor haar een koperen gedenkteeken opgericht met het eenvoudige, maar veel beteekenende opschrift: "Cornelia, de moeder der Gracchen."
Onzedelijkheid en bandeloosheid namen in Rome hand over hand toe. De vroegere eerlijkheid, matigheid en vaderlandsliefde zocht men er tevergeefs. Voor geld kon men alles gedaan krijgen. Dat ondervondJugurtha, koning van Numidië, een volslagen booswicht. Door misdaden was hij op den troon gekomen, door misdaden hield hij zich erop staande. Hoe onbeschaamd hij echter ook zijne euveldaden pleegde, langen tijd wist hij de senatoren den mond door goud te stoppen, zoodat hij, zelf daarover verbaasd, uitriep: "O Rome, gij zoudt u zelf verkoopen, als maar iemand genoeg voor u bood." Eindelijk was de maat zijner misdaden vol: hij werd gevangen genomen en stierf te Rome den hongerdood (106). Twee mannen hadden zich in den oorlog tegen Jugurtha bijzonder onderscheiden, n.l.MariusenSulla. De eerste was een ruw, woest mensch van geringe afkomst, maar die door dapperheid en de gunst des volks tot groote macht en aanzien was geklommen. De tweede, jong en van edele afkomst, was de man, op wien de aanzienlijken hunne oogen gevestigd hielden. Feller dan ooit toch stonden de aanzienlijken en geringen tegenover elkander. Voor Marius kwam intusschen spoedig de gelegenheid, dat hij zich voor Rome verdienstelijk kon maken. Ruwe, krijgszuchtige Germaansche volken, bekend onder den naam van Cimbren en Teutonen, waren aan den Donau verschenen (113), hadden het eene Romeinsche leger vóór, het andere ná, verslagen en rukten nu naar Italië en Gallië op.
In dit dreigend gevaar werd Marius vijf jaren achtereen tot consul verkozen. Hij stelde dit groote vertrouwen niet te leur, maar vernietigde eerst de Teutonen bijAix, in 't Z. van Gallië (102) en snelde vervolgens Catulus tegen de Cimbren te hulp, die dan ook bijVercellae, in 't N.w. van Italië, geheel verslagen werden (101). Meer dan 100,000 Cimbren zouden in dezen slag zijn omgekomen. Marius was nu de afgod des volks geworden. Een ander gevaar dreigde ondertusschen in 't Oosten. Daar was een tweede Alexander opgestaan in den persoon van Mithridates, koning van Pontus, een land, ten Z. van de Zwarte zee gelegen. Hij veroverde weldra geheel Klein-Azië, en ten einde zijn' haat tegen Rome duidelijk aan den dag te leggen, liet hij op éénen dag in verschillende steden van Klein-Azië 80000 Romeinsche burgers ombrengen. Tegen dezen moordenaar zou een leger worden afgezonden en de aristocraten wisten Sulla, die zich in den oorlog tegen de Italiaansche bondgenooten had onderscheiden, tot opperbevelhebber te doen verkiezen.
Dit was zeer tegen den zin van de partij van Marius. Zij bewerkte een' opstand te Rome; Sulla's voornaamste aanhangers begaven zich tot hem in het leger, en 't viel hem niet moeilijk zijne soldaten, die zeer aan hem gehecht waren, te bewegen, naar Rome op te trekken. Marius' partij moest nu 't onderspit delven; hij zelf zwierf als vluchteling rond en bereikte eindelijk Karthago's puinhoopen, waar hij over de wisseling der fortuin kon nadenken.
't Uur der wrake zou echter spoedig voor hem slaan. Cinna, die bij Sulla's vertrek naar 't Oosten tot consul was aangesteld, riep Marius in het jaar 87 terug en deed daardoor deneersten burgeroorlogontvlammen. Vreeselijk was de slachting, die onder de aanhangers van Sulla werd aangericht; vijf dagen en vijf nachten werd er onophoudelijk gemoord; Rome's straten stroomden van bloed. Toch zou Rome nog vreeselijker dingen aanschouwen. Sulla had gelukkig tegen Mithridates gestreden (88-84), en toen hij vernam, wat er te Rome gebeurd was, haastte hij zich, vrede te sluiten en zijn leger naar Rome te voeren. Een leger van 200,000 soldaten onder den jongen Marius (Marius zelf was in 86 gestorven) zoude zijn' intocht in Rome beletten, maar tevergeefs. Het bleek tegen Sulla's in den krijg geoefende legioenen niet bestand te zijn. We willen u besparen, lezers, de beschrijving van een bloedbad, zooals de geschiedenis bezwaarlijk een tweede kan aanwijzen. Om er een klein denkbeeld van te geven, melden wij alleen, dat 15 gewezen consuls, 90 senatoren, 2600 ridders en meer dan 100,000 burgers op bevel van Sulla ter dood werden gebracht (83). Nu was de rust hersteld, want ieder sidderde en beefde voor den man, die het leven zijner medeburgers zoo weinig telde. Twee jaren lang heerschte Sulla onder den titel van dictator met onbeperkte macht; toen legde hij plotseling zijn ambt neder, (79) trok zich op een landgoed terug en stierf daar het volgende jaar.