Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling.Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden, en behoedzaam—merk hoenatuurlijk-levendigook hier de dialoog is, enovereenkomstig de situatie—poogt zij doortegenspraakeenige opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet houden, dat zij tegenover háár zóó durft lasteren: juist die kosteres, van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe en Gironde staan. Als Beatrijs het nog éénmaal mocht wagen, zoo iets te zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En dàn hoort zij—die van hare eigen ouders!—Dien nacht eenzaam op haar kamer, versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:
"Mensche, du heves1)soe langhe gecarmt2) [1) ge hebt2) gekermd, gesmeekt]Dat Maria dijns1)ontfarmt;[1) zich over U]Want si heeft di verbeden1) [1) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden]Ganc1)in den cloester met haestecheden:[1) Ga]Du vints1)die doren2)openwide,[1) Gij vindt2) de deuren]Daer du uut ginges ten selven tideMet dinen lieve, den jhonghelinc,Die di inder noet ave ghinc.1) [1) Die U in den nood verliet]Al dijn abijt1)vinstu2)weder[1) Kleederen2) vindt ge]Ligghen opden1)outaer1)neder:[1)1) op het altaar]Wile,1)covele2)ende scoen[1) Sluier2) hoofdkap]Moeghedi1)coenlyc2)ane doen.[1) kunt gij2) moedig, rustig]Des1)danc hoeghelike2)Marien,[1) Daarvoor2) hoogelijk]Die slotele1)van den sacristien,[1) Sleutels]Die du vor tbeelde1)hincs1) [1) Het beeld hingt]Snachs, doe1)du ute ghincs,[1) toen]Die heeft si soe1)doen bewaren,[1) zoo]Dat men binnen .XIIII. jarenDijns nye en ghemiste,1)[1) U nooit miste]Soe dat yemen daer af wiste.1)[1) Zoodat niemand er iets van wist]Maria es soe wel dijn vrient,Si heeft altoes vor die ghedientMin no meer na dijn ghelike,1) [1) Geheel in uwe gedaante]Dat heeft de vrouwe van hemelrike,Sonderse1)dor2)di ghedaen.[1) Zondares2) voor]Si heet1)di inden cloester gaen;[1) beveelt]Du en vints nyeman1)op dijn bedde[1) Gij vindt niemand]Hets1)van Gode dat ic di quedde2) [1) Het is2) aanspreek]
Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht blijft zij nu wàken, en dan, terwijlzich de nu veel dringender bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en diepst-ontroerende cursiveeren zal.
Si seide: "Nu en darf mi1)niet twien2) [1) Nu mag niet ik meer2) twijfelen]Dese stemme comt van Gode,Ende es1)der maghet Marien bode,[1) is]Dat wetic1)nu sonder hone;[1) weet ik]Si comt met lichte soe scone.Nu en willic1)des niet laten:[1) wil ik]Ic wille mi inden cloester maken;Ic saelt1)oec2)doen, in goeden trouwen,[1) zal het2) ook]Opten troest1)van onser vrouwen2) [1) Met volkomen betrouwen op2Onze Lieve Vrouwe]Ende wille mijn kinder beide gaderBevelen Gode onsen Vader:Hi salse wel bewaeren."Doe toeeh si ute1)al sonder sparen2) [1) Toen trok zij uit2) dralen]Haer cleder, daer sise met decte1) [1) waarmee zij hen dekte]Liselike1)dat sise niet en wede.[1) Zachtjes]Si cussesse1)beide aen2)haren2)mont;[1) kuste hen2)2) op hun]Si seide: "Kinder, blijft ghesont:Op den troest van onser vrouwen1) [1) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe]Latic1)U hier in goeder trouwen;[1) Laat ik]En hadde si mi niet verbeden,1) [1) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen]Ic en hadde u niet begheven1) [1) niet verlaten]Om al tgoet1)dat Rome heeft1)binnen."2)[1) den rijkdom2) bezit].
De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijneeenvoudigeennaïeve wijze, de moederliefde, inbeeld en handeling, zoowel te midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doenleven. Zijn opge-togenheid over de gòddelijke liefde heeft hem de smartelijke vreugde noch den adeldom van de mènschelijke doen vergeten. Er is geen grooter lof voor een dichter noch een mensch....—
De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten einde brengen—er volgt nog veel schoons—laat mij thans nog even beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen "zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.—Welnu: beproeft eens alles wat bestaat als uwgelijkente zien; poogt eens U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uweerbiedvoor uwe leiders en geestelijk-meerderen teontdoen; poogt U-zelf van uwegeringschattingvoor uw minderen teontdoen; denk aanniets, nietsanders, dan dat zijlevenals gij,onderhevig aan ziekte zijnals gij,speelballen van het lotzijn als gij; zie dan buiten den geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren en de planten die haar, òpstijgend en zich rekkend naar de levenszon, omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij allesamenkomen? Hetleven,dedooden deafhankelijkheid, niet waar? En wat ziet gij als hunne onderlingeverschillen? Een, grovere of fijnere,gradueeringvan hunne vermogens niet waar? Den een—bepalen we ons nu tot de menschheid—noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine kinderen, in de armen van dien éénen, oneindigen God-Vader, het Leven. Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen aanwendt, die ònsaangenaamofomaangenaam aandoen; ja dat hetLeven-zelfmet dat doel héél onsactief-zijnen heel onspassief-zijnonverwrikbaarpredestineert. En dan ziet ge plots en duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die òns onaangenamemiddelenteropvoeding, terverhooging, en nièts ànders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die ònsaangenamemiddelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot nièts ànders. En hieruit begrijpt ge tevensdat de termen "straf" en "belooning", voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan denken, hier ònjuiste termen zijn: het Levenvergeldt niet, dat doet slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbaremensch. Het Leven kent ook geen "zonden" en "deugden." Het kènt niet anders dangraden van ontwikkeling, die inhoogeregraden moetenovergaan; het wil niet anders dan:groei.
Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U, moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijdenwilt.—Allicht zult ge nu intusschen hebben begrepen—wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet kent?—dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en "genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat voor mij deze begrippen hebbenafgedaan.
"Hoort wes (wat) si sal beghinnen," zegt nu onze dichter, na te hebben verhaald, hoe Beatrijs hare kinderen verlaat, om zich naar het klooster te begeven. En plots glimlachte mijne Verbeelding, en ik antwoordde den dichter: "Ikhoor, maar—ik kan er u niet voor instaan, dat ook al die vrienden, die ù ten deele door mìj heen hooren, nog naar U luisteren. Gij moet namelijk wel weten, lieve Meester, dat zij—droevig gezwegen van het vele andere, dat hen van U scheidt!—nog wel wat anders te overdenken hebben in dezen treurigen tijd dan een schoon gedicht. Gij kùnt er geen flauw begrip van hebben, o Zeer Zuivere, die allicht reeds eeuwen in de stralende stilte van uw hemelschen droom aan de voeten van Ruusbroec zit en naar zijne geheimenissen-onderrichtende stem hoort—gij kunt er geen flaùw begrip van hebben in welk eene troebele verwarring-der-duisternis wij leven.... "Welnu," onderbreekt gij, onverfijnde-verfijnde, mij eensklaps schalk,"den luister van mijn licht ontbreekt 't dan althans aan donkeren achtergrond niet!" Ach, lieve Meester, is mijn wederwoord, nu het U behaagt te schertsen, zie ik U wel waarlijk als een, die te lang reeds in den hemel leeft, dan dat hem de nooden der aarde, hoe goed hij ze vroeger ook kende, niet verre en vreemde zouden geworden zijn. Niet elk licht brengt verlichting in de aardsche sfeer.... En zoudt gij U dat niet herinneren?... Denk eens aan de machtige kathedralen van uw tijd.... Als het er avondde en, gelijk oogleden over slapensreede oogen, de nacht er over het lichten der kleuren, het juweel- en goud-spiegelen der beelden en altaren was gedaald, hoe zwak alhoewel schoon, hoe onmachtig en toch licht, blonken dan al die teer-gele vlammetjes in hunne kleine heiligen-aureolen.... Gedenk dat, lieve dichter, en aanzie dan, hoe een schoon en teer-wiegelend droomlichtje als het uwe nueenzaambrandt in de volksziel van mijn tijd ... een ziel die een kathedraal is, vol droomende en wakende kleuren, kleuren van winter- en lente-hemels, van stille en storm-zeeën; vol zinrijke beelden, juweel-bestarde altaren, nissen vol geheimenis, pilaren vol kracht ... terwijl toch, door de duisternis, waarmee reeds overlangen tijd de maatschappij-nacht dit alles overdekt, niemand haar volle schoonheid en weidschheid kent, haar biddende spitsbogen noch haar wondere vensters, die van het zonlicht, zoo hen dat maar kon bestreden, een eigen schoon-spelende kleurenbrand zouden maken.... Ja erger: zij zelve vangt nauw aan zich te kennen, en dacht zich—ziedeze tragedie, dichter—tot vóór geringen tijd een werkplaats, gebouwd om dag en nacht te dreunen van het zwoegen.... en nòg kent zij haaraangeboren-gebedgestalteniet en al deopstrevende hemelbestormendehoudingen van haar lichaam, haar hemel-indringende hoogte en blanke spits.... De klare droomen van haar vensterbeelden zijn haar tot chimaera's geworden.... En dáárin, in dat donkere paleis, staat Gij nu teer te branden in uw heiligen-aureool.... Dichter, ik zeg U: ik weet niet of de zielen mijner vrienden naar U hooren, want die alle zijn deeltjes, schóóne deeltjes van die kathedraal, doch kennen van wege den nacht hun waarde en schoonheid niet.... Maar ga Gij maar onverdrotenverdroten voort ook dáár te branden ... wellicht, wellicht ... wie weet ... komen er eenigen tot een aanvang van zelfkennis bij uw eenzaam lichtje ... ik zal wel uw glans-blije kandelaar zijn ... ja, was dit mijn gesprek met U niet, als dat wat de vlam en de blaker samen voeren in de been en weer bevende sprankeling tusschen het glim-beschenen koper en het stralende licht?...—
Dit was mijn gesprek met den dichter, gij waart het onderwerp, vrienden, zooals ge ziet. Beloon het met nog een weinig aandacht voor zijn slotwoord....—
Beatrijs is nu moederziel alleen in den stillen nacht kloosterwaarts getogen. Zij komt aan in denzelfden boomgaard, waar ze haar wereldschen tocht begon. Zoodra zij zich binnen de muren bevindt—de poort vond zij geopend—dankt zij Maria innig. Zij vindt alles op zijn plaats, haar kleeren en schoenen; de sleutels van de sacristie vindt zij terug voor het Onze-Lieve-Vrouwe-beeld, waar zij ze veertien jaar geleden had gehangen; zij ziet hoe alles wel verzorgd is, de lampen branden overal in de kerk; en nadat ze nu de gebedenboeken elk op zijn plaats heeft gelegd, bidt zij nog tot Maria, of Die haar en hare kinderen, die zij in zoo zwaar verdriet in het huis van een vreemde moest achterlaten, voor alle kwaad mocht behoeden. En ... maar neen, het volgende is te stemmingsvol in het oorspronkelijk dicht, dan dat ik 't U niet weer even zou overschrijven:
Bin dien1)was die nacht tegaen[1) Intusschen]Dat dorloy1)begonste slaen,[1) uurwerk]Daermen middernacht bi kinde1) [1) kende]Si nam dat clocseel1)biden1)inde1) [1)1)1) het klokketouw bij het eind]Ende luude1)metten so wel te tide,2) [1) luidde de metten2) op den juisten tijd]Dat sijt1)hoerden in allen siden.2) [1) zij het2) overal]Die boven opten1)dormter2)laghen[1) op de2) slaapzaal]Die quamen alle sonder traghen1) [1) te talmen]Van den dormter ghemene.1) [1) te zamen]Sine1)wisten hier af groot no2)clene.[1) Zij2) noch]Si bleef inden cloester haren tijtSonder lachter1)ende verwijt;[1) schande]Maria hadde ghedient voer1)hare[1) voor]Ghelijc of sijt1)selve ware.[1) zij het]Dus was die sonderse1)bekeert[1) zondares]Maria te love, die men eert,Der maghet1)van hemelrike,[1) maagd]Die altoes ghetrouwelikeHaren vrient staet1)in1)staden1) [1)1)1) bijstaat]Alsi1)in node2)sijn verladen.3) [1) Als die2) door nood3) zijn bezwaard]
En let nu eens op, hoe verrukkelijk eenvoudig, hoe schoon naïef, onze dichter, in mijn eerste cursief, nu verder vertelt:
Deze joffrouwe, daer1)ik af las1) [1)1) waarvan ik vertelde]Es1)nonne alsi te voren was.[1) Is]Nu en willic vergheten nietHaer tweer1)kindere, die sie liet[1) twee]Ter weduwenhuus1)in groter noet2). [) In het huis der weduwe2) nood]Si en hadden ghelt noch broet.1) [1) brood]Ic en can U niet vermonden,1) [1) verhalen]Doe1)si haer2)moeder niet en vonden,[1) Toen2) hun]Wat groter rouwe datsi dreven.Die weduwe ghincker1)sitten1)neven1) [1)1)1) ging naast ze zitten]Si hadder op ontfermenisse1) [1) Zy had medelijden met hen]Si seide: "Ic wille toter1)abdisse1) [1)1) naar de abdis]Gaen met desen .ij.1)kinden,[1) twee]God sal hare int1)herte sinden2) [1) in het1) zenden, d.w.z.: God zal de gedachte in haar opwekken.]Dat si hen goet sal doen."
De brave vrouw, in het klooster gekomen, vindt inderdaad de abdis onmiddellijk bereid, naar het verhaal van haar zonderling wedervaren te luisteren: hoe deze kinderen door een onbekende vrouw die met hen 's nachts bij haar onderdak had gevonden, verlaten zijn. De abdis belooft haar voor hen te zullen zorgen: de vrouw moet ze maar in haar huis houden, maar kan alles wat zij noodig hebben, dagelijks van het klooster laten halen. Beatrijs, die, zooals van zelf spreekt, dit allesverneemt, voelt zich gelukkig, dat ook dit ten goede is geschikt en zij niet langer met zorg en angst aan hare kinderen hoeft te denken. Maar—zij lijdt zeer hevig onder iets anders:
Menech suchten ende bevenHadsi1)nacht ende dach;[1) had zij]Want haer die rouwe1)int herte2), lach3) [1) berouw2) in het hart3) lag]Van haren quaden sonden,Die si niet en dorste1)vermonden2) [1) durfde2) vertellen,mondelingopenbaren]Ghenen mensche, no1)ontdecken,[1) noch]No in dichten1)oeck vertrecken.1) [1)1) Noch opschriftte openbaren]No in dichten1)oeck vertrecken.1) [1)1) Noch opschriftte openbaren]
Het is ongetwijfeld waar, dat, naar men heeft gezegd, de dichter, reeds door zoo zwaren nadruk te leggen op de behoefte van Beatrijs om een ander deelgenoot van haar geestelijken nood te maken, de onmisbaarheid van debiechtheeft willen aantoonen, en, daar in zijn tijd de biechtverplichting door de geloovigen niet bijster stipt zou zijn nagekomen, de menschen heeft willen aansporen, vooral door het geen verder in zijn gedicht volgt, dat wel te doen. Maar daarom schijnt het mij ook niet overbodig, hieraan toe te voegen, dat deze "tendentieuze" invoeging niet alleen zijn dichtwerknietheeft geschaad, maar het zelfs aanmerkelijkten goedeis gekomen—waarvan zoo dadelijk het bewijs—'t geen dan ookniet anders kon. Indien—om 't zeer kort te zeggen en hier geen literair-aestetische theorieën aan te snijden, welke al te zwaar verteerbaar zouden kunnen blijken—indien een zekere levensbeschouwing zoo door een mensch isdoorleefdengeasssimileerd,dat zij als 't waretot vleesch en bloed van zijn wezenis geworden, dan vloeit het belijden, hetverdedigenen dus in zekeren zin:propageerendaarvan,van zelfennatuurlijkuit zijn wezen voort; dan is dat voor dien mensch niets anders, danzelfverweer enzelfbestendiging, en doet het zich, zoo hij kunstenaar is, evenvan zelfenvaakonbewuster wijze in zijn werk gelden, als de rhythmiek van zijn ademhaling, als, kortom, àl zijne eigenschappen van geest en gemoed, die sterk genoegzijn, om hunne scheppende aequivalenten aan te kunnen trekken. En niet hetuitvierenmaar juist hetonderdrukkenvan den daarmede verbonden scheppenden drang zou dan een kunstbedervendetendenz, van de lagere persoonlijkheid, in het werk brengen!—Een dergelijketot bloed en vleesch geworden levensbeschouwing nu was voor onzen dichter ongetwijfeld de religieus-katholieke,en derhalve een pleidooi voor het instituut van de biecht eene even zuiver natuurlijke uiting van zijn wezen, als zijn ademhaling. Gelijk die ademhaling in depersoonlijke-rhythmiekderverzen, kwam die levensbeschouwing in descheppende groepeering der verhaal-feitenen de psycholiek voor den dag! En: daar diezelfde levensbeschouwing zoo een bijzonder-sterkendiep-wortelend deel van zijn wezen was, kwam haar zich-naar-voren-dringen zelfs het werk ten gòede, gelijk ik zei; verwekte zij die eigenaardige vurig-scherpe doordringings- en verbeeldings-macht, die een schepper hooger schoon dan ooit doet baren. Ik zei: "waarvan zoo dadelijk het bewijs."Ziehier:
Hierna quam op enen dachEen abt, diese te visenteerne1)plach1) [1)1) gewoon was te bezoeken]Eenwerf1)binnen den jare,[1) een maal]Om te vernemene oft daer wareEnech lachterlike gherochte,1) [1) Een schandelijk gerucht]Daersi blame af hebben mochten.1) [1) Dat hen in opspraak zou kunnen brengen]Sdages1)als hire2)comen was[1) Den dag2) dat hij]Lach1)die sonderse2)ende las[1) Lag2) de zondares]Inden coer1)haer ghebet,[1) Koor]In groter twivelingen1)met.2) [1) Tweestrijd2) mede, bovendien]Die duvel becorese1)metter scame[1) bracht haar in verzoeking]Dat si haer sondelike1)blame[1) zondige]Vore den abt niet en soudebringen.Alsi lach1)inder bedinghen2) [1) lag2) gebed]Sach1)si hoe dat neven haer leet2) [1) zag2) voorbijging]Een jonghelinc met witten ghecleet;Hi droech in sinen arm al bloet1) [1) bloot]Een kint, dat dochte1)haar wesen1)doet,1) [1)1)1) naar zy dacht, dood was]Die jonghelinc warp1)op ende neder[1) wierp]Enen appel ende vinken1)weder[1) ving hem]Vor tkint, ende maecte spel.Dit versach die nonne wel,Daer si in haer ghebede lach,1) [1) lag]Si seide: "Vrient, oft wesen machEnde of ghi comen sijt van Gode,Soe1)manic2)U bi sinen gheboden[1) Zoo2) bezweer ik]Dat ghi mi segt ende niet en heelt1) [1) verheelt]Waerom ghi voer dat kint speeltMetten sconen appel roet1) [1) rood]Ende het leit in uwen arm doet:1) [1) dood]U spel en helpt hem niet een1)haer."1) [1)1) geen zier]—"Seker, nonne ghi segt waer:En weet niet van minen spele,Weder1)luttel nochte1)vele:[1) Noch1) noch]Hets1)doet2)en hoert3)no4)en siet.[1) Het is2)dood3) hoort4) noch]Al des ghelike1)en weet God niet[1) Welnu evenmin]Dat ghi leest1)ende vast;[1) bidt]Dat en helpt U niet een bast1) [1) Dat alles is van volstrekt geen waarde].Mets al verloren pine1) [1) moeite]Dat ghi neemt discipline1) [1) Dat ge U kastijdt]Ghi sijt in sonden soe1)versmoert1) [1) zoo versmoord]Dat God U beden niet en hoert1) [1) hoort]Boven in sijn rike.Ic rade U: haestelike1) [1) haastiglijk]Gaet ten abt uwen vaderEnde verteelt hem algaderU sonden al sonder lieghen.Laet U den duvel niet bedrieghen.Die abt sal U absolveeren1) [1) absolutie geven]Van den sonden die U deren;Eest1)dat ghise2)niet en wilt spreken[1) Mocht het zijn2) gij ze]God salse swaerlike an U wreken."
De vier regels van mijneerstecursief heb ik aldus laten zetten, om U opmerkzaam te maken tegelijkertijd èn op de aansporing tot nakoming der biechtverplichting, die daarin ligt, èn op de voortreffelijke psychologiek van onzen dichter, maar het tweede cursief bedoelt uwaandacht te trekken naar die prachtige allegorische voorstelling vanden jongeling, die voor een in zijn armen liggend dood kind met een appel speelt.Die voorstelling is ook plastisch zoo voortreffelijk—en met hoeeenvoudigemiddelen is dit bereikt—dat ik het gelijk een van ouderdom kleur-verdiept schilderij voor mij zie. Het is overigens eenecht-middeleeuwsch, ingewikkeld-symbolischtafereel. Voel eens de tijdsverwantschap ervan—in de laatste cursieven van het volgend citaat—met een sonnet van den wereldgrooten en nog heden ten dage in de ziel zijns volks levenden Dante Alighieri. (In de voortreffelijke vertaling van Van Suchtelen—uitHet Nieuwe Leven—):
Elk edel hart,dat juist der liefde gloed,[4]Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen—Opdat het mij zijn meening moog verhalen—In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!Reeds henen was dra 't derde deel gespoedDer uren waarin alle sterren stralen,Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen,Zoo, dat herinnering nog mij beven doet.Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handenDroegen mijn hart, en in zijn armen hadHij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,Zag ic hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....En klagend vlood hij als in bitter leed.
In mijnderdecursief—in hetBeatrijs-citaat, wel te verstaan—vindt ge de verklaring van de symbolische voorstelling. Het is alles niet dan zuiver schoon en zuiver natuurlijk: Beatrijs is een arm ongelukkig menschenkind, dat de wroegende herinnering aan hare zonde een ander openbarenmoet. En de jongeling, de engel ... wel wat zouwelnatuurlijkervoor een engel uit denkatholiekenhemel kùnnen zijn, dan een dergelijke ongelukkige op de biecht te wijzen: niet minder eene werkelijke verlossing dan een verplichting voor haar?—Beatrijs overwint dan haar schaamte en biecht den abt haar misdrijf en miraculeuze redding; deze geeft haar absolutie en zegt dan (en letnu eens ophoevoortreffelijk-compositorischook, dit gedicht is opgebouwd!):
Hi seide: "Ic sal in een sermoen1) [1) preek]U biechte openbare seggen,Ende dat soe1)wiselike2)beleggen,3) [1) Zoo2) wijselijk3) daarheen leiden]Dat ghi ende U kinder medeNemmermeer1)te ghere stede2) [1) nooit2) in geen enkel opzicht]Ghen lachter1)en selt2)ghecrigen,2) [1) schande2)2) zult oploopen]Het ware onrecht soudement1)swigen,[1) zou men het]Die scone miracle, die ons hereDede doer siere moeder ere.1) [1) Deed ter eere zijner Moeder]Ic saelt1)orconden2)over al;[1) zal het2) verkondigen]Ic hope datter nog bi salMenech sondare bekerenEnde onserlieven vrouwen eren."
Ik heette U erop te letten, hoe in mijn citaat iets voortreffelijk-compositorisch voor den dag zou treden. En natuurlijk—gij zaagt het reeds in mijn cursief. De vraag zoude immers geblèven zijn—eengewichtigevraag voor onzen dichter, voor wien het schrijven van dit gedicht, niet "slechts" het scheppen van een kunstwerk was, maar veel meer dan dat: het verheerlijken der heilige Moeder-Maagd—hoe werd dit mirakel ooit bekend aan anderen, hoe kòn 't aan anderen bekend zijn geworden, waar het toch juist uitteraard een geheim tusschen de Goddelijke en de begenadigde vrouw was? En ziedaar de oplossing: de psychologische en religieuze noodzakelijkheid van de biecht voor Beatrijs, èn een biechtvader, die het zóó weet te plooien, dat hij, zonder het biechtgeheim te schenden, toch der wereld de troostende en stichtende wetenschap van het mirakel schenken kan. Mooier het-een-uit-het-ander-gegroeidhad het waarlijk niet gekund!—het naïef schoone slot:
Hi—de abt, v.C.—deet verstaan den covende,1) [1) klooster]Eer hi thuuswaert1)weder wende,[1huiswaarts]Hoe1)ere1)nonnen was gesciet;[1) wat eene]Maer sine wisten nietWie si was; het bleef verholen.Die abt voer1)Gode volen2) [1) reed heen2) God bevolen]Der nonnen kinder nam hi beideEnde vorese1)in sein gheleide.[1) voerde hen mede]Grau abijt1)dedi hen an,[1) Het grauwe kleed]Ende si werden goede man.Haer moeder hiet Beatrijs.Loef Gode ende prijs,Ende Maria, die God soghede1) [1) zoogde]Ende dese scone miracle toghede.1) [1) toonde, d.i.: deed gebeuren]Si halp1)haer uut alre2)noet.2) [1) hielp2)2) al haar nood]Nu bidden wi alle, cleine ende groet,1) [1) groot]Die dese miracle horen lesen,Dat Maria moete wesenOns vorsprake int soete dal,Daer God die werelt doemen1)sal[1) oordeelen]Amen.
Prachtig niet waar, dat door mij gecursiveerde: in deeerstetwee regels: de evocatie van dien biddenden kring, "klein en groot"—ziè jelui 't wel?—als zoo'n prentje, een miniatuurtje van een primitieve in een antiek brevier? En hóórt ge wel, die berustendedonkere,alsknielend-afwachtendeorgelmuziek der drie laatste regels?...—Welnu, loonde het genot de moeite niet?... Ja, zoo gaat 't nu eenmaal: nù spijt 't U allicht dat de duikklok, waarin wij ter diepte der tijdzee onderdoken, reeds wordt opgehaald.... Wij naderen de oppervlakte weer, de lucht van ònzen tijd zullen wij daar onmiddellijk inademen .... Maar in elk geval, onze kostbare parelen en vreemde planten hebben wij toch uit de diepte meegevoerd....—En terwijl wijBoutens' "Beatrijs" gaan lezen, zullen wij zien ... nu en dan, en vergelijkend ... naar die parelen en naar die planten....—
Noot:
[4]Hier is de vertaling duister. Het oorspronkelijke heeft:A ciascun'alma presa e gentil corehetgeen beteekent:Aan elke verliefde ziel en edel hart.
[4]Hier is de vertaling duister. Het oorspronkelijke heeft:A ciascun'alma presa e gentil corehetgeen beteekent:Aan elke verliefde ziel en edel hart.
Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een doellóósheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem als hèt levenlooze verschijnt—dàn, indien hij sterk en jong is en nog niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan wendt hij zich meerendeels om troost, om eennieuw ideaal,tot hettegengesteldevan het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft liefgehad. En gelijk de menschen, zóó de tijd, ja: méér dan de menschen aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze—ofschoon ook dat wel eens gebeurt—testerven, d.w.z.: breektabruptaf en wordtopgevolgddoor een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei: schìjnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer danschijn. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt wel de tijd tochniette zijnopgevolgd door een ander, maar hij zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo òverveel òude, hij die is gegroeid, opgebloeid, òf als gekrompen, als verminkt—hij dezèlfde. Ons geloof in revoluties, als—versta wel:—hetals-bij-tooverslag-alles-veranderende,is mede, dunkt mij, in ons ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling—en zoo zij dit nog niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar soort—den dood: dat ishaar revolutie, en derhalve concludeerenwij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik reeds zei: óók zelfs dieschijn-dood ontbreekt bij den tijd bijna geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden zich en zoeken mèt hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood één opperst-wijs en veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waaròm hij juist dàn opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden mèt de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen, dezelfde hoop. Zij hebben vaak één schoonheid gemeen—anders dan het enkele individu, van persóónlijke onlust bevangen—: dat hunne zielen,niet-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de hunne zijn geworden; diè schoonheid hebben zij gemeen, maar niet hetzelfde inzicht in: hòe die nooden zijn te verhelpen. De proletariërs, hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht, waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het hùn nooit als zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de gelukkigen was—de Proletariers willen liefst volkomen afrekening daarmede, zij keeren zich tot een visioen,dat is zooals nog niets was. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts dàt mee van het oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover ik vroeger sprak, intuïtief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het eenmachtig vijandvan denkerk-dwangen dekerk-verdommingwas, den dwang en verdomming, die hettaaist, hethuichelachtigsten hetlangsthet proletariaat zullen pogen te knechten.Intuïtiefnamen zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hundoel; maar langzamerhand, als zijverstandelijkgaan begrijpen, als zij logischgaan dènken, dan blijkt dit "doel" hun maar eenmiddeltot het echte doel te zijn, ja: slechts een middeltje, een dat op de koop toe zóó, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering, die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den geest van debestenhunner verandert die onbekookte "filosofie" in een drang, omnauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden,omempirischte werk te gaan—de phrase, het geschetter verachten zij. Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het bovenzinnelijke moeiende ideologieën. Hun geluksvisioen toetsen zij aan de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wellijkt, maar het nietis, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te kiezen—zij hèbben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een hekel aan surrogaten te hebben.—Anders de bourgeoisie in den kenterenden tijd: diegenen onder haar—op enkele zéér sterk-geestelijke, met het proletariaat medetrekkenden na—die van het heden àf willen, omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd; hun verlangen gaat, nu zijiets anderswillen,nietnaar ietsgeheel-nieuws—daarvoor zijn zij aan dat oude,dat hun zooveel geluk en schoonheid heeft gebracht, te zeer verknocht—maar het gaat naar het goede en schoone van het oude (het liefst zéér oude: vèr vóór hun heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust, reactionnair en retrogade, acht hetheden,dat hem niet bevredigt, niet eenverdere ontwikkelingzooals zij gaanmoest, van hetverleden, en waarvan de nadeelen en gebreken wéér door een verdere ontwikkeling in detoekomstzullen moeten opgeheven worden, maar hij acht dat heden eenverbasteringvan dat verleden en wil dáárheen terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, deletterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt valt is dat hij vaak een toch zeer zekerschooneuitwerking ziet, en de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan eenleelijke. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een voorbeeld geven, want de geest vanBoutensals dichter van deBeatrijs, is een van die retrogade en naar het héél oude verleden tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig èn ook inzeer treffende schoonheidin dit zijn werk geuit. Duidelijk aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en eenschoon, hem passend deeldaaruit snijden en totiets nieuws fatsoeneeren. Immers aldus zit de zaak in elkaar—en nu moet ge eens extra goed opletten, want ik geef u nu als 't ware hetprogramvoor, desamenvattingder vergelijkende analyse, welke volgen zal—: de middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan deBeatrijs-legende deel uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij, bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van deSproke van Beatrijs, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven,zóó precies, zóó en niet andersgeloofde ook hij en voelde er zijn godsvrucht door gesterkt; maar: omdathijeendichtervan nature was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang op,wellichtin vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te geven, maarzekerverheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar van zijn God kon leggen. Anders Boutens—ik voel mij er zeker van: als men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd veranderd (zóó is de inzijnBeatrijs op zich-zelfzeer schoon-gevondenvoorstelling), omvoor een het klooster ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge mij dat zóó vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is wel diep, maar zal, omdat het toch mijn hééle zijn niet vult—het verband ervan met mijnredebijvoorbeeld is uiterst los—den schijn van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen, zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk, dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek, vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep, onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig aan het mijne zijn, en dàt mòet ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten ... dàt is mijn lèven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware 't maar één hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment weer niet stèrk genoeg te zijn...."—Zóó, denk ik, zou Dr. Boutens kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat, dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn één. En precies zóóstevig-tastbaarofonwezenlijk-vaagzal de vorm zijn, als de ziel, het sentiment, dat zich erin belichaamt,stevig-tastbaar of onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het religieuse sentiment van onzenmiddeleeuwerwas, zoo concreet-stevig, zooaarde-leven-volwerd zijnSproke, en zoo abstract-vaag als het religieus sentiment vanBoutensis, zoo abstract-vaag, zoobuiten-het-aarde-leven-staandewerd zijnBeatrijs.—Daar was in de middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk; daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den schòtel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart drong hem, om dien schotel, die zóó heiligen last droeg, met zijn innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij droeg....—Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van dezen tijd verwelkt. Toch verstáát hij het sentiment van hem, die eens ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men vréét het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze "eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden ìs ook zùlk een schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern maaksel, tè antiek, haha, die is tè snoepig-mooi.... dat is 'n wàndbord,dat hangt men aan den muur.... En zóó kwàm hij dan ook te hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig boudoirtje van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den interessànten kop, op wien nu lètterlijk iedereen verliefd is....—Helaas ... armoede-in-rijkdom van een grootdichter, te zwak voor zìjn tijd, te zwak voor een vroègeren, en alleen sterk in zijn dróóm.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.
Aldus is het verhaal in Boutens'Beatrijs: Een zeer reine en volmaakt aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd leven. Ze is een ideëele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit zóó puur-ingeboren, natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet drùkt en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijnwaarlijk-verrukkelijkestem:
Maar of zij vastte of zong of bad,Haar was of heur leven zelf bewoogIn de straten van Gods lichte stadEn onder Moeders oog.Zoo was haar doen één zuivre vreugd:Een orgel dat speelt zacht en verZijn hymnen aan Maria's deugd:O Hemels Deur, o Morgenster!
Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel blìjft niet zoo rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te verzachten, een ongelukkige te troosten—de dichter verhaalt dit op deze schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:
En eens op een ochtend in den MeiGing ze uit waar smart haar blijdschap riep,Langs akker en blanke huizenrij,Toen alles sliep.
—eens alzoo op een ochtend uitgegaan:
En buiten het dorp aan der wegen sprongKwam door den morgen haar temoetEen stem die met den leeuwrik zong.Een ridder goed.
Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:
Zij kon niet hooren wat hij sprak—Was het een vraag, was het een groet?—Het was als zong de wind door den tak:Ik min u goed.
Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag zij ook niet zijn schóónheid, maar slechts:
......in oogen brandend klaarSmart die zij niet verstond.
In het klooster weergekeerd, hóórt zij niets dan diezelfde zoete stem, niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; vòelt zij niet anders dan dien "gouden pijn," één zoete foltering. En echter—maar let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij gecursiveerde regels—:
Geen van haar zustren speurde haar leed,Geen van haar zustren sprak ze ervan,Omdat die zelve ziet en weet,Alleen vertroosten kan.
Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang" van het gedicht zou kunnen noemen.
En verder gaat nu het klare verhaal aldus:
In de stille hal aan den witten wandStond een aloude Lieve-VrouwIn strakke plooi en steilen standVan donker-eiken rouw.Die was de vertrouwde van Beatrijs,En alles wat zij deed en dacht,Verhaalde zij haar in woord en gepeisVoor iedren nacht.
Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze, voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag, waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde gedeelte zeer fraai, de dichter:
Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,Maar haar diepste hart bleef ongerust,Als het hart van het kind dat in den droomZijn doode moeder kust.
Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent zich-zelf tot klaarheid te komen....
Toen door haar wondzeer harte sneed,Als een pijl die door de klaarte schoot,Van een verdoolde meeuw de kreet?Van ziel in nood?Smartelijk sloot haar zachte mond;Zij week door d'engen duistren kierTerug tot waar Maria stond:Moeder, ik moet van hier.
Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op tweeërlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaarsmartdie zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel innood" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-èn-zinnelijke liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met "vleescheliker sonde becord", haren, even als zij hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier hetdecadent-modernevrouwtje, dat dóór hetmedelijdenmet hetleedvan den zoo smachtend op haar verliefde, pas tot de lièfde komt: de minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet delangzame ontwikkelingvan het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht, zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker, heilig naïef èn in oneindig mindere mate martelares èn zondares is, dan die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche enonverwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en zondares-zijn—waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbaremenschelijkheidinboet!—accentueert zich ook in het verschil tusschen de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige liefdedaad, welke beidenBeatrijs-figuren respectievelijk eigen is. De zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis van is hare zedelijkenederlaagte moeten erkennen; die erzekervan is, haarhartstochtte mòetengehoorzamenen haarheiligsten plichtte moetenverzaken; de zekerheid daarentegen van Bouten's Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar lager-menschelijke liefde heiligt. Háár zekerheid is die van eene, wie de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een làgeren plicht, de verzaking van een hóógeren oplegt.Nietdehartstochttrekt haar dus van denplichtendedeugdaf, maar deplicht van den plichten delàgere deugdvan dehóógere deugd. De middeleeuwsche Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:
Ic moet leiden een ander leven,Dit abijt moetic begheven.
als de moderne Beatrijs zegt:
Moeder, ik moet van hier.
maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:
Dat mi diecrancheitsal doendolen.[5]
en bidt tot Maria:
Soe moetie kinnen minennoet, (nood)Ende minemesdaetmi vergheven;Ic moet inswaren sonden sneven!
terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer verzekerd van is, dat ook Maria wel hetedelein hare zonde zal erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:
En als een kind dat troost, zoo teer,Glimlachtezij beslist: Ik moet—ik kom weêr.
Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:
Zoo toog die zoete Beatrijs,Rustig en rechtals een die weet,Haar nachtelijke onzeekre reisNaar 't hart datom haar leed.
Kort samengevat kan men derhalve demoderne Beatrijs—vooral als men let op het laatst door mij geciteerde couplet—karakteriseeren als de in een soort vantranceverkeerende heilige, wier aardsche liefdegeen treden uithet gebied harer goddelijke liefde beteekent, maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is: vandaar haar stil-blije "glimlach"; vandaar haar gansch niet wijkend gevoel vaneenheid en betrekkelijke gelijkheidmet Maria, die zij—waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke naïveteit,voor welker beelding onze dichter den hoogsten lof verdient—vóór haar vertrek nog meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, diedoor God-zelf wordt geleid; eene innerlijke verzekerdheid, zóó groot, dat bij haar vertrek: (let op heteerstecursief):
Zij zag niet om, een vlotte schijnVerdween zij in deduistre prachtVan 't diep en goudelend gordijnDer verre nacht.
En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:
En bijna blijStond zij nog eens aan Moeders voet:Vaarwel, Maria gebenedijd—Maria keek bezorgden groet,Maar geen verwijt.
Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat sommige schoonheden—zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde coupletten gecursiveerde—van denallereersten rangzijn, dit neemt toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze diepst-medevoelendemenschelijkheidde middeleeuwsche dichter reeds nu het pleit heeft gewonnen: zijnvertwijfelende, doorliefde-hartstochtgezweepte, zijnden hemel voor de aarde verlatendeBeatrijs is een mensch als wij,volop een zuster van ons; maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar eennederiger, nièt van òns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht, ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouwmidden die aardsche ontwijdingen langs eenslijkerigen aardschen wegtochvan uit den hemel tot den hemel ging:van den Jezus-in-haar-ziel tot den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet, zóó ook Beatrijs; haar drang totvertroosting der lijdendemenschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen oogenblik op, een dienen dergoddelijkeliefde te zijn, en haar lichte smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts de blije smart van dezich-opofferende,die weet een hoogen luister, zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin Boutens óók den lof onthouden, dat de beelding van dekinderlijk-naieve,enheiligeBeatrijs klaarblijkelijk met groot meesterschap enovereenkomstig zijn oorspronkelijke conceptieis doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van eenmirakel-verhaalheeft zijn gedicht tot hiertoe behouden—al is de vertroosting voor den gewonenmensch, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij volledig verloren gegaan. Want dat een zoozuivereenheiligewordt begenadigd—welke troost brengt dit feit aan een armzaligzondig menschenkind? En overigens: "tot hiertoe" zei ik—zooals wij later zullen zien, komt er verderop meer dan één trek in voor, die zijn gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone,edelaardig-romantische balladeheeft neergedrukt..—