II DIDACTISCH

[1]Schetsen en Critische Opstellen, blz. 178.

[1]Schetsen en Critische Opstellen, blz. 178.

[2]Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal zijn verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.

[2]Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal zijn verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.

[0]

[1]

Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen, schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot, over den Griek Aesopus—die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel is!—, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage—waarbij zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft gevoegd—, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit despiegelingvan dermenschheidgelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel juist dáárom alléén hunne bestudeering waard,òmdat zij tot de menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er àl uwe bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom. Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te gebruiken viel, wien eenmenschelijkerol kon worden toebedeeld. Hundier-psychologie,zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die hunne handelingen bepalen: de koning slechts één pas naar alle richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het beste voor hem is,—zóó ook hebben al die dieren, en vooral de hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen geschikt maken, symbolen van hetmenschelijkete zijn.

En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware psychologisch-kunstmatigeennietnaar de doorgronde-werkelijkheid gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid, satyre, wijsgeerig enmensch-kundiginzicht ontstaan, die voor geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden, doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft toegedacht—bij het dier-epos en den fabel heeft men met levendewezenste doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijkobjectieveengetrouwe afbeeldingoverwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts als kapstok van demenschelijkedeugden en ondeugden te worden gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten. Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen, elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan denaamaanwezig is.[2]Ongetwijfeld is echter in de fabelen vanLa Fontainede liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen. Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot ééne ongerepte zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste, dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen en leerdichtengebleven—het dierleven is er uitsluitend als spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak; zij is een bijzondere vorm van de didactische poëzie. In de Germaansche dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud zelven belang inboezemen",—dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geestallerminst. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die dieren denken en handelen metmenschelijkverstand, die dieren zijnverkapte menschen, zijnmenschen in een dierenhuid gestoken, gelijk in Rostand'sChantecler—Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden, een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijkPittahvoort te brengen, waarin waarlijk hetdiermet liefde omzijns-zelfswilwordt beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, zóó verzonken in de contemplatie van hetdierleven, datditop het allereerste plan van het werk staat, en demenschener slechts in optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van hetdier.—Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit, dat dergelijk werk niet vóór onze dagen geboren werd, ware dunkt mij moeilijk. Was het wellicht juist de reïncarnatie- en evolutieleer van het oude Indië, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij, die den klaarblijkelijk kinderlijk-naïeven, reinen en uiterst gevoeligen geest van 'n Jack London zich deed keerennaar het dier? Wie zal op dit alles een zèker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat van Jack London een nieuwe aera in hetdier-eposaanbrak, dan stellen wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor denmenscheen nieuwe mogelijkheid vanzeer verrijkendgeestelijk genieten, een nieuwe mogelijkheid ook van groei van hetheilig eenheidsgevoelwerd geboren.—

Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste wat ge nu kunt doen, vóór ge dit zéér vreemde hoogland gaat bereizen, is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te oriënteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt, verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven—hij kan zich onmogelijk langer op de been houden vande slaap—met niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf, wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag, vóór hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren, als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!—Dit is de—zeer verkort weergegeven—inhoud van hetEerste Deel.Die der volgende wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en onwankelbare trouw wordt.—De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen èn er nog al veel over te vertellen valt....—Of ge nù al de hééle kaart afkijkt en U al de détails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent, dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen. Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....—

Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal, alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag demuurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vráág ze, deze leelijkerds op de feestbals der literatuur—maar ik durf het bijna niet te biechten!—uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der kronen!...—

En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik háát het leelijke en àls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te scherper te doen treffen....—Als men buitenlanders onze letterkunde wel eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel dìt hun grootste bezwaar tegen ònze literatuur, dat het in hàre werken gebeelde leven zoo weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te zeurderig, te alledaagsch en vooral teklein. Er is daar iets van aan. Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk maatschappijtje als het onze, een heroïsche literatuur, vooral van maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?[3]Slechts met Querido, zei mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och, dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...—Er is daar iets van aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan: onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met datarmelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft,in 't algemeen genomen,inverfijning en nauwkeurigheid van beeldende woordaanwendingde buitenlandsche op zij en meestal te boven.—Neem nu dit boek van eenin zijn soorttoch eersterangs schrijver als Jack London. In ditEerste Deel, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden: "Donkere pijnboomengrijnsdenaan weerszijden van de bevroren rivier." Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "eengrijnzend pijnwoud" voor een ding is, in dàt begrip daar komt onze geest, althans de mijne, nièt in en zal er wel evenmin ooit in komen....—"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel, hoe men iets materieels "verwijderd" kan noemen, terwijl menerinis, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten met een wereld dielevenloosis." Immers "zijn krachten meten met" beteekent altijd: "een strijd aangaan met" en nu is er misschien wel niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een strijd mee wil aangaan, behalve juist hetlevenlooze! Want iemand, die zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets alslevendin eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben voorgesteld, en niet als levenloos. Aan het levenloozekan men slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenigeerop te verrichten handeling, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij begrijpen wel wat hier wordtbedoeld. "Verwijderd" is hier onzin geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.: "verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen "passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nogberoerder dan het nu is. En bovendien: "àls dìt" en "àls dàt," jawel! maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen."Zijjuist moet weten te zeggen,precieste zeggen wàt zij bedoelt.—"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest zijn...."—Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden.... Ajai!—Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien zoek" en—ge hebt gelijk, máár: het zijn vlooien van de springerigste soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de taalverknoeiïngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te bewaren. En dus, bedillers!...

Laat mij intusschen dit stukje niet beëindigen, zonder nog dit te hebben gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk niet, dat men deze en dergelijke slordighedennietdervertalingmag verwijten. EenHollandschevertaalster, diezoo voortreffelijk dialoog en stemming weet te geven, wie dus klaarblijkelijk de hoogere gevoeligheid niet ontbreekt, diè, dunkt mij, zal toch ook wel niet geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80. Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijkLondonze maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men bij veel grooten—en veel-grooteren dan London!—kan waarnemen en uit gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den scheppingsdrang. En—nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de schoonheid.—

Zie eens allereerst dit:

Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man, wiens werktijd voorbij was—een man dien de wildernis had overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of verzetten. De wildernishoudt[4]niet van beweging. Leven beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch—den mensch, die het meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen totophouden[5]van beweging.

Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man, wiens werktijd voorbij was—een man dien de wildernis had overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of verzetten. De wildernishoudt[4]niet van beweging. Leven beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch—den mensch, die het meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen totophouden[5]van beweging.

De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende bespiegeling, zij is het ook—en hier gemoeten wij de eigenlijkekunst-schoonheid—als zekere levendigheid van den geest, die er, op bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende bespiegeling tevertastbarenenaanschouwelijkte maken. Opbijzonderewijze: louter, doorcontrasteering; door bij middel van hetbewegelijkederbeschrijvingdes te feller hetaan-beweging-vijandigevan hetbeschrevenete doen gevoelen, en door delevendigheidderbeeldingdedoodschheidvan hetgebeelde. Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer, gelijk in naturalistisch werk, slechts dedingen-zelf,zooals zij door den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in de allereerste plaats, deoverwegingengetoond, diedoorde dingen in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't waredoor die overwegingen heenaanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de voorkeur verdient—de "objectieve" of debinnen-zekere-grenzen-subjectieve. Dat de laatste vooral door hetknoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht, en men mede daardoorde, nog wel verkeerd want al te volstrekt opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode—zooals ook een London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast—uiteraarden dus ook in haarallerbesteapplicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer gewektestemmingsaandoeningen, die door het aanschouwen der louter in en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen, wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is—een deugd!—wel degelijk ten slotte alsonrust, d.i. iets onaangenaams zal voelen. Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijdbeeldend- ènbespiegelend-spreken en vooral: als 't ware den schepperin zijn werkplaatste zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode, wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van "drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humorvormt. Dìckens hàd dien zuiveren "drogen" en gevoeligen—schoon soms ietwat sentimenteelen—humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel oneindig zwakker, dien humor eveneens, máár—met een dosis en een soort van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en vonkenspattendparadoxale,en onze London eindelijk heeft iets van alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op eene beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier,waarover ik in het volgende artikel zal spreken; de naar hetparadoxaleneigende geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen eenwoord-puntigen met het gebeeldecontrasteerendkarakter te geven, als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans zelf-hérvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel wòrdende vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in dentoonzijner dialogen.

Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van vergelijkingen:

Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest,zooals de vele atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker. Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit hen—als sap uit de druiven—al hetvuur en de opgewondenheid, al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten.

Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest,zooals de vele atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker. Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit hen—als sap uit de druiven—al hetvuur en de opgewondenheid, al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten.

Hier bevinden zich na elkaar in één klein stukje een inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele en zéér treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit dié druiven geperst, is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden wij haar toch schoon, omdat zij—zie hetderdecursief—in eene lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet botten. Met eenecht-rethorischbeeld is dat nóóit het geval;daar bloesemt niets uit; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....—

Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog. (Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd, dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou zijn.)

's Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed, begeleid door het gesnurk van zijn kameraad."Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn bereik naast Henri."Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte."Je krijgt geen koffie, Bill.""Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig."Ja.""Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?""Neen."Een kleur van drift kwam in Bills gezicht."Dan zou ik wel eens willen weten....""Spanker is weg."

's Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed, begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.

"Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."

Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn bereik naast Henri.

"Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"

Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.

"Je krijgt geen koffie, Bill."

"Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.

"Ja."

"Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"

"Neen."

Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.

"Dan zou ik wel eens willen weten...."

"Spanker is weg."

Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt, wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het compositorisch-zonderlinge van hetEerste Deelin het geheel van het werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur.—

Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste, hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijkenDon Quichot, het meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja zeker, jongelief, wantdien je dan soms het socialisme niet? Dat je met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de "droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking, gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.—Sluit de oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik zèg je, je bènt Sancho Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je 'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: watsmaakt dat eten heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....—Open nu weer je oogen, beveel ik, en gaPittahlezen; je hebt de eerste drie hoofdstukken van het boek genoten—één hapje van den schotel gegeten—je vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... wèg is plots het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend, vindt een heel ander gerecht....—Welnu, beste vrienden, met deze modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het compositorisch-zonderlinge vanPittah's"Eerste Deel" aangewezen, dediepe breukin de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de eerste drie doen het op eenheel andere manierdan de latere. In de eerste drie is de verhaaltrant zóó, dat wij, zooals we tot nu toe bij de lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze belangstelling mòesten concentreeren op de menschen en slechts een klein overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies het tegenovergestelde het geval.Aanvankelijkdenken wij een verhaal over zekeremenschente gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken, die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, dedierenwel eenvrij gewichtigerol vervullen, maar dehoofdrol allerminst; hebben wij echter het "Eerste Deel" achter den rug, dan merken we plots dat "de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd: eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij alsspelersoptraden,achterafalsdécorbehandelt, zoodat je tot je hevige verwondering—die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft vermengd—nooit meer één syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van het spel is het kasteelWeedon-Scott[6]noodig, nu wordt in de pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en achter de coulissen gebracht ....—En het gezicht dezer plots openscheurende breuk tusschen het "Eerste Deel" en de latere hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze ééne oorzaak van ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd. Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede: de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft, verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten derde: dat demenschin den lezer het nooit verdraagt, demenschelijkheidin een boekachteruitgeschovente zien voor iets anders.Desnoodsheeft hij er vrede mee, dat zij van denaanvangaf, vóór zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare vernedering onderzijne oogen, inzijn bijzijnduldt hij niet. Eens zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op dàt plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver ook een beetjekinderachtig, dat is: niet ernstig en met slechts weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft, ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en overde "beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier," waarop zich bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London is—te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las,De ZeewolfenElam Harnish[7]—nooit een werkelijk en grootmenschenscheppergeweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende, onpersoonlijkemenschheidsliefdemoeten bezitten, die voor zulk een volstrekt onmisbaar is, en hàdde hij die liefde bezeten, dan zou hij ooknooithet elementmenschelijkheidin zijn werk op zoo onbewust-geringschattendewijze hebben kunnen behandelen als hij deed.—Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren vanWolf LarsenenElam Harnish, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord: beste vrienden, juist aandie twee figuren zie ik, dat hij geen menschenschepper is; dat hij niet zoo zeer een beminnaar vanmenschelijkheidis als wel een beminnaar van ééne menschelijke eigenschap, die derkracht, dergeestelijke en lichamelijkekracht. Hij schept geen grootenmensch, maar hijpersonifieertgrootekracht, zulk eene die zoo groot is, dat zijheroïscheafmetingen heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren, is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf heroïsche kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet, want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van heroïeken aanleg schept eenMensch, die toch een mensch is, d.w.z. eenveel-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voorden liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van heroïeken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London, schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept Menschen, een Londongoden—goden, dat wil immers ook zeggen: volstrekt- of relatief-eenzijdige personificatiesvan menschelijke of natuur-krachten—en wat het aardige enkenschetsendeis: onmiddellijk, van hun geboorte af, worden die goden zìjn afgoden tevens! En ziedaar: nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het blufferig-gewikste zich op beminnelijke en naïeve wijze bij London uit." Naïef en beminnelijk—zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht, gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties toe te kennen. Neen, hij heeft debeminnelijke en kinderlijke naïveteitvan denprimitievenengodenscheppendenmensch. Hij vindt kracht enietwat blufferig vertoon ervannu eenmaal verrukkelijk—ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk vorstelijkenDuivel: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt kracht, gepaard aan een soort vanheroïsche, bovenmenschelijke gewikstheidnu eenmaal pràchtig—ook in het goede, en hij schept zich een snelvoetigen handelsgod, eenMercurius, met de vuisten en de gewelddadigheid van eenMars—maar hoe deze twee dan ook in werkelijkheid één zijn, heeft ons niets zoo goed als dèze tijd geleerd!—:Elam Harnish. Hij vindt kracht mooi—ook in der dieren sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, denHeroischen Hond! Maar zoo werd watzijn zwakheid in dit boek istevenszijn sterkte erin: wijl hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat zóó beslist en voor zoo langen tijd zijn blik vande menschen af te wenden, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tothaarlevend Beeld te kunnen maken.—En nu ten slotte: dat hij knielt voor alle drie, èn voorLarsenèn voorHarnish, èn voorPittahniet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den ochtend tot den avond, dáárin kuntge een bewijs te meer zien, zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevensbeheerschervan zijn wereld. Hij leeft weler in, maar tevenser boven.Ook London heeft zijn wereld lief en leeft erin, maar haarbeheerschervoelt hij zichniet. Hij is er niet "tevensboven," maar integendeel: er tevensbeneden: hij kijkt er tegenop.—Hiermede meen ik nu mijn tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik mag hopen weder genietend bezien.

Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons, dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste want meest omvattende is, is deintuïtieve: het begrijpen uit het onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; deontvangenisvan hetinzichtals eengeschonkenopenbaring. Deze wijze van psychologisch doorgronden, zij moge alsintermitteerendegave ook geen enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eenegeheelhet werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen, en ikspreek u juist van hem, eerder dan van een zijner evenknieën, omdat niet alleen uit zijn wèrk blijkt, dat bij op dèze wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijnFacino Cane, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn eersten bundelOver Literatuurover te schrijven:

Bij mij was hetopmerken intuïtief geworden,[8]het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Bij mij was hetopmerken intuïtief geworden,[8]het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige van de drie is, maar vooral wijl zij die van hetbewust-begrijpen is, heteindelijk-bereikenvan het inzicht na velewel-bewuste pogingendaartoe, en dusnietdeontvangenisvan het inzicht maar deveroveringervan. Bij de eerste is zien en begrijpen één—hoe goed teekent Balzac hetplotseenwonderlijkegebeuren ervan als hij zegt: "zooals de derwischlichaam en zielaannam der personen over wie hijzijn tooverformulier uitsprak"—bij de tweede ontstaat het begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerstewordtde psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander uit dienander-zelf; bij de laatstevergelijktde psycholoog dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien ander—natuurlijk veel minder volkomen—uitzich-zelf. En nu is het zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere reeks psychologische inzichten vaak eeneintuïtievevondst, maar dan houdt weer voor een wijl alle intuïtie bij hem open op dien eenen intuïtieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van eensoortgelijkonderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de werkwijze der wijsgeerige logica:daarals premisse: het axioma;hierals premisse: het intuïtieve inzicht.—

Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang van het hol als "eenmuurvan witheid" ziet,[9]een geniale en intuïtieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge wolfje wordt vertèld, is een naar de sfeer van hetdierleven overgebrachtstuk psychischmenschenleven, zooals men zich dat altijd heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid," het trillende en emotionneerende mooi derintuïtieve psychologieheeft ontmoet—bewonderenswaardig èn door haar adelaargelijke, bliksemsnellemaniervan ontdekken èn doorwatzij ontdekt—maar bij al dat andere niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van hetlogisch denken, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch hèr-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijnwezenvan logisch-denken-zelf; zooals voor een dalbewoner, die met een verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat tot zijn wezen behoort en zich toont in zijngangenhouding. En alsge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen—ik hóóp althans, dat ge 't zult kùnnen—tusschen het schokkende, overstelpende schoon derintuïtief-psychologischevondsten het kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi derlogische redenatie, die eenpsychologisch verhandelinkjeten beste geeft, dan moet ge even het einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje staat—op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te verlaten—in den "muur van witheid", in den uitgang):


Back to IndexNext