V

Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en vreesaanjagend gegrom.Uit kleinheid en angst daagde hij de heele, wijde wereld dreigend uit.

Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en vreesaanjagend gegrom.Uit kleinheid en angst daagde hij de heele, wijde wereld dreigend uit.

Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch besef èn besef van verhouding?Trofu niet die laatste zin vooral, als eene schitterende vondst, èn in doorgronding èn in zegging...?—Lees nu even verder, een enkelen regel maar:

Er gebeurde niets.Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen. Hij vergat ook bang te zijn.Vrees was tegelijk door Groei overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had aangenomen.[10]

Er gebeurde niets.

Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen. Hij vergat ook bang te zijn.Vrees was tegelijk door Groei overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had aangenomen.[10]

Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen," maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughoudenvan den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch, door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja, ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord, maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van hetdier. Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer, die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuwgegeven....—Anders gezegd: debelichtendezon is helaas niet uit zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvariëteit, die ge ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar ontstaan....—

Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London, zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldigedramatischekracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt degeniale ontdekkeren destralend-levendebeelder. Zie hem desexueeleliefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien. Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den auteur is raak, wantintuïtiefen bliksem-hel door hem zelf gezien, zóó gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld. Het is de waarlijk-lèvende, schèppende psychologie, die geenspraakbehoeft, omdat zij zichzelfbeeldt; die geen logische denkmanier heeft van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het natuurleven-zèlf is....

Zie eens den ouden wolf in zijnervaringswijsheidgebruik maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in één scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin,gevleiddoor het haar huldigende doodelijke minnespel "lachend" zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts derdramatieknu waarlijk devlamderpsychologiede verre duisters doorschicht?

Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na 'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet, zij—een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar—herkent hem niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door dedramatische spanningvan het door denkunstenaarLondon gebeelde gebeuren, ook de kunstenaar in denpsycholoogLondon gewekt: het vecht en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen; met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die scène van moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.—Bedenk ook wat een prachtig-gave dramatiek en dus ookdramatischzich uiten depsychologieaan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf Eénoog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:

Een half uur verliep—een uur—en er gebeurde niets. De stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn ondoordringbare wapenrusting—geen kwaad vermoedende.

Een half uur verliep—een uur—en er gebeurde niets. De stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.

Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn ondoordringbare wapenrusting—geen kwaad vermoedende.

Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek denlevendenenoorspronkelijkendierpsycholoog London pas in zijnvollekracht doet verschijnen.Handelingvan het dier lijkt ons immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen geraken, en wanneer die handeling culmineert in hetconflict, staat die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan levende, intuïtieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar—vergeten daarom nog niet, datde mèèst geniale intuïtie geenerlei toegangspoort van noode heeft....—.

Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij nietwaarlijk inPit-taheen dier-eposhadde gegeven; indien hij niet naast en doorheen de détails, ook de groote lijn in het oog hadde gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt: thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven omsluit; een geheel, dat ook—en dit bedoel ik vooral met "degrootelijn"—de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten- en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot een wezen van ònnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen vóór dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke figuur, als in bevallig spel, vóór te verdwijnen een lichtje neerzette en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gezègd, wat het ons in en door al die tooneelen hadgebeeld: zich-zelf; want dóór heel dat gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebbenverwerkelijkt, zoodat wij eindelijk zagen wàt het is: de voorstelling,hoe en waardoor de liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst voor hem bereikbare geluk brengt.—

Dit karakter van ons boek: een verhaal vande overwinning der liefdete zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het, betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld—de mijn-expert Weedon Scott—die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat: de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikjezoetelijk te worden—de figuur van "Mooien Smit," den duivel van Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd—maar omdat deze minder gelukte menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan hetsprookjeis verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooitzoo nauw met de levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen, oefent deze omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk van zaak verhóógen déze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van het verhaal, die immers over 't algemeen aan hetkinderlijk-aanvallige der naïveteitniet vreemd is.—En hiermee zij dan de behandeling vanPittah de grijze Wolfbeëindigd.

Noten:

[0]: Men zie hetVoorwoordbij het didactisch gedeelte van mijn eersten bundelOver Literatuur, mede ter verklaring van den gemeenzamen stijl en de moraliseerende uitweidingen in de volgende artikelen.—

[0]: Men zie hetVoorwoordbij het didactisch gedeelte van mijn eersten bundelOver Literatuur, mede ter verklaring van den gemeenzamen stijl en de moraliseerende uitweidingen in de volgende artikelen.—

[1]Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen door S.J. Barentz-Schönberg.

[1]Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen door S.J. Barentz-Schönberg.

[2]Een en ander heb ik indertijd inHet Jonge Levenaan één fabel uit het Pancatantra en één uit Aesopus gedemonstreerd. De beschikbare ruimte liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te citeeren.

[2]Een en ander heb ik indertijd inHet Jonge Levenaan één fabel uit het Pancatantra en één uit Aesopus gedemonstreerd. De beschikbare ruimte liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te citeeren.

[3]Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai:Kritiek op de Literaire Beweging van'80in Rolland.

[3]Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai:Kritiek op de Literaire Beweging van'80in Rolland.

[4]Cursiveering van den schrijver.

[4]Cursiveering van den schrijver.

[5]ibidem.

[5]ibidem.

[6]De laatste meester vanPittah, een ingenieur, die een liefdevol dier van hem maakt.—

[6]De laatste meester vanPittah, een ingenieur, die een liefdevol dier van hem maakt.—

[7]Uitsluitend inHet Volk, dus in vertaling, maar kon ik derhalve, zooals ik op blz. 213 zei, niet metafdoendezekerheid beslissen aan wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde beeld- en taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster zouden kunnen zijn.

[7]Uitsluitend inHet Volk, dus in vertaling, maar kon ik derhalve, zooals ik op blz. 213 zei, niet metafdoendezekerheid beslissen aan wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde beeld- en taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster zouden kunnen zijn.

[8]Cursiveering ran mij.—

[8]Cursiveering ran mij.—

[9]Cursiveering van mij.

[9]Cursiveering van mij.

[10]Cursiveering van mij.

[10]Cursiveering van mij.

[1]

Welk een enorme sprong! VanPittah, de grijze Wolf, naar—de sproke vanBeatrijs.... Van den modernen Amerikaan uit het land van fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felleaarde-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, denhemel-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van den dichter van hetdier-epos naar dien van hetGod-verheerlijkend dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond hebben, "wie heette jou te springenvan uit ons moderne goed-beloopbaar landje, òns landje-van-Multatuli-Büchner-kracht-en-stof-Dageraads-atheïsme, enz. enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer je in je eentje!" ....—En nòg, nù, nà die twintig jaar, en terwijl het plàt- en stòm-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is, nòg zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene zonderlinge levenszekerheidzijn; dat het leven hen nog immer al te raadselloosis, en dat hunne zekerheid òf door eene naïeve onwetendheid wordt gedragen, òf door de, overigens natuurlijke, pratheid op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis wordt gestut, wat kennis, die vaak—en hoe kan 't anders na zoo zorgelijke jeugd!—zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als zichzelf—ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen inHet Jonge Leven?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de verzoeking al te groot: òf ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles—schoon niet dan betrekkelijk vluchtig—op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....—

Noot:

[1]Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch Gedicht in Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn, 1916.

[1]Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch Gedicht in Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn, 1916.

Bijna immer wanneer de menschelijke geest een van zijne hoogste en felstehelderziendhedenbereikt, ontkomt hij niet aan eeneverblinding. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de eenzijdigheid sommiger genieën; over de zedeloosheid, het heenloopen over, en vertreden van alles—behalve hun kunst—van sommige groote kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun kunnen op één machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich lieten afleiden, máár—denkt men dan werkelijk, dat iets hen had kùnnen afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoorgeboeidendoor, dit ééne,blindwaren voor al 't andere? En ook elke tijd—voor zoover hij niet middelmatig was—vertoont, als complex-van-geestelijkheid beschouwd, die helderziendheid-èn-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: hàre helderziendheid in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding—en niettemin voor hoe klein een deel zelfs daar!—van het stoffelijk samenstel der wereld, had zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd—als drab van toch heel kostbaren wijn—uw vergoding van sommige Multatulianismen, ùw ontkenning van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.—Anders, neen juist het tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons voert. Daar bestond juist dehelderziendheidin het onderkennen van denEenenden Grònd, die tevens de innerlijkeHèmelvan de menschenziel is, en deblindheidopenbaarde zich, in de geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig, het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden op uit dien tijd, die het kenmerk van dèze helderziendheid-en-blindheid droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten, ònzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen gedàchten, het is een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar één vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van proza—vergoddelijkt-geziene natuurbeelden—vàn én er om heen, en de "hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan ontstijgen.[2]Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken strijd—als is dit niet bij Ruusbroec het geval—en uitputtende worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te verwerkelijken, zoodat zij één wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan toch "in minnen"[3]; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is ééngevoel, dat van de Indische Gîta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec en van Hildewijch.Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste potentie. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen juist door den Sjirha-Sjirim, hetLied-der-Liederen,zoo werden verrukt.—

Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, hoè dat levensgevoel zich aan de voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden, dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren, en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen. Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken hokuspokus en toovenaarachtige ritualiën doen denken. En nochtans—hoe ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen verwijderd. Indien ik al met nog ièts mijn woorden van zooeven op dezen oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn: de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te kennen, God kent. Dit isdeMystiek, dit is de mystiek van hetLied-der-Liederen,van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden moeielijk gemistworden ter inleiding van de bespreking en het begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn diè mystiek en dat religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard acht,nietéén. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste, zooals eendingzich tothet vermogen om dat ding te beeldenverhoudt, of eendaadtot hetvermogen om van die daadteverhalen. Immers: debeelder van een dingen deverhaler van een daad, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter derBeatrijsanderzijds. De eerstenzijnmystieken en hun werkis, in zijn hoogst bereiken, een mystiek-gebeuren—dat is dus eene versmelting in liefde van de menschenziel in God—; de laatste is eenaanschouwer en doorproevervan een mystiek gebeuren en zijn werk is eenbeeldingdaarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt hetvoornamelijkeengevolgvan een in een mensch ten deele zelfsverledenenverwelktemystieke liefde, zij het een allerschoonst en heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....—Maar dan ook juist daarom: omdat dit dicht—dat tot de schoonste nalatenschap der middeleeuwen behoort—niet uit het allerhoogste mystieke levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine nà-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij nog dìt komt: in deBeatrijswordt vooral dàt moment in het mystieke gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde,de liefde van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in overgroote genade, uit eigen onbegrensdeliefdeschat de ontstane leegte vult, en welnu: dàt moment juist vindt zoo diepen weerklank in het hart vanons: moderne menschen. De pure en standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ... maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, dàt is het ònze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed, weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van háár, maar óók—van u en mij; van háár tijd maar ook van de ònze. Het is een ééuwig verhaal....—Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later de groote Milton neerschreef:

. . . . . . . . . . . . . . . . .Or, if virtue feeble were,Heaven itself would stoop to her.

Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of niet, en wàt ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze onvermijdbare zwakheid toch zóó sterk te blijven, dat we 't geschénk van méérdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn—gelijk in haar zwakte Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-NederlandscheBeatrijsmet dezeNavertellingen deBeatrijsvan Boutens critisch te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel ongenietelijk vinden.

Noten:

[2]Men kan ze vertaald vinden inDe Beweging, Juni en Juli '17, door Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan de dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.

[2]Men kan ze vertaald vinden inDe Beweging, Juni en Juli '17, door Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan de dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.

[3]Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking: niet "in naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en haar verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel de wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog, zooals Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...

[3]Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking: niet "in naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en haar verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel de wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog, zooals Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...

Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen. Zal ik sòms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen te vergemakkelijken, zal iknaastden aangehaalden tekstregel, die geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft,woordverklaringenplaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke toelichtingen staan. Een cijfertjeachterhet te vertalen woord of den geheelen regel, hetzelfde cijfervoorde vertaling of verklaring, op, voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn op 't makkelijkst geholpen.—Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: wèlke naar alle waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, thàns als immer, te doen is. Welaan dan, luistert!

Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen, verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boekenhad gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij voort:

Dese joffrouwe en was niet sonderDer minnen1), die groot wonder[1) de liefde]Pleecht te werken achter1)lande.1)[1)1) overal].

en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde. En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:

Hier omne en darfmen niet veronnen1)[1) Men hierom niet mag hard vallen]Der nonnen, dat si ne conste ontgaen1) [1) de non, dat zij niet kon ontkomen aan]Der minnen, diese hilt1)gevaen;1) [1) hield gevangen]Want die duvel altoes begheertDen mensch te becorne1), ende niet en cesseert,2) [1) te verleiden.2) en houdt niet op]Dagh ende nacht, spade ende vroe,Hine doetersine macht toe.1) [1) Doet hij er zijn best voor]Met quader liste, als hi wel conde,1) [1) zoo goed hij kon)Becordise1)metvleescheliker sonden,[1) bracht hij haar in verzoeking]Die nonne, dat si sterven waende.

Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet, onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat hetallerminst zijne verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven.Het laat het licht van zijn mirakel schijnen over den ganschniet vermooidenbodem der maatschappelijke en gewoon-menschelijkerealiteit. En schoon deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U welhet duidelijkst zal opvallen,wanneer wijer aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met Bouten's Beatrijs te vergelijken, wilde ik er toch reeds thans uwe aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.

Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen blijven:

Ic moet leiden een ander leven,Dit abyt1)moet ic begheven.2) [1) kloosterkleed.2) afleggen]Nu hort hoeter1)na verghinc:[1) hoe het haar]Si sende om den jonghelinc,Daer si toe hadde grote lieve,Ootmoedelyc met enen brieve,Dat hi saen1)te hare quame,[1) spoedig]Daer laghe are sine vrame1) [1) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.]Die bode ghinc daer de jonghelinc was.Hi nam den brief ende las,Die hem sende sijn vriendinne.Hoe was hi blide in sinen sinne!Hi haeste hem1)te comen daer.[1) zich]Sint dat si out waren .XII. jaerDwanc1)die minne2)dese twee,[1) Dwong,2)liefde]Dat si dogheden1)menech wee,[1) leden]

Ook hier weer—in mijn cursief—deonverbloemde menschelijkheid:met eeneaardsche en onverwonnen liefde in 't hart, is Beatrijs het kloosterleveningetreden, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar niet met het hart tot Bruidegom verkoren....—Niet alleen, dat de mensch ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een van des te gòddelijker genade.

De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij elkander, hij vóór het getralied venster, zij erachter, onder heftige bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haarnooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst, waarmede ook in dit antwoord allevooze overspanningverre gehouden is, en om de erin héérschendereine kalmte eener ook kuische en sterke liefde,welke in hare meest supreeme oogenblikken hetcontact met het gewone dagelijksche levenen harezorgelijke voorzienigheidniet verliest, noch, trots hare overgave, eenemaagdelijk-schroomvolle terughoudendheid, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit dat alles blijkt, cursiveer ik—in het laatste cursief vindt ge die maagdelijke schroom vol teederheid—.

"Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe,"Die1)willic gherne van U ontfaen2) [1) Het pand zijner trouw,2) ontvangen]Ende met U soe verre gaen,Dat niemen wete in dit covent1) [1) klooster]Werwaert dat wi syn bewent.1) [1) heengegaan]Van tavont over .VIII. nachteComt ende nemt mijns wachte1) [1) wacht mij]Daer buten in den vergier1) [1) boomgaard]Onder enen eglentier.Wacht daar mijns,ic come uutEndewille wesen uwe bruutTe varene1)daer ghi begheert[1) te gaan]En si1)dat mi siecheit2))deert,[1) tenzij,2) ziekte]Ocht1)sake die mi si te swaer,[1) of]Ic come sekerlike daer,Ende ic begheer van U sereDat ghi daer comt,lieve jonchere."

De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken, voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den boomgaard.—De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,

Bleef si inden coer1)alleene,[1) hof]Ende si sprac haer ghebede,Alsi te voren dicke1)dede.[1) dikwijls]Si cnielde vorden outaer1) [1) altaar]Ende sprac met groten vaer:1) [1) vrees]"Maria, moeder, soete name,Nu en mach mine lichameNiet langer in dabijt1)gheduren2) [1) het kloosterkleed.2) rustig blijven]Ghi kint wel in allen urenSmenschen herte ende syn wesen:Ic hebbe ghevast ende gelesen,Ende genomen discipline1) [1) en mij gekastijd.]Hets1)al om niet dat ick pine2) [1) Het is.2) mij pjjnig.]Minne worpt1)mi onder den voet,[1) De liefde werpt mij]Dat ic der wereld dienen moet.Alsoo waerlike als ghi, here lieveWort gehangen tusschen .IJ.1)dieven,[1) twee.]Ende aent cruce1)wort gerecket,2) [1) kruis.2) uitgerekt, gemarteld]Ende ghi Lazaruse verwecket,Daer hi lach1)in den grave doet,2) [1) lag.2) dood]Soe moetti1)kinnen minen noet,2) [1) moet Gij.2) nood.]Ende mine mesdaet mi vergheven;Ic moet in swaren sonden sneven!"Na desen ghinc si uten coreTenen1)beelde, daer si vore[1) naar een]Cnielde, ende sprac hare ghebede,Daer Maria stont ter stede.Si riep: "Maria," onversaghet,"Ic hebbe u nachtende dag geclaghetOntfermelike mijn vernoy,1) [1) verdriet, ongeluk.].Ende mi nes niet te bat een hoy!1) [1) en het heeft my niets geholpen]Ic werde mijns sins te male quijt1) [1) Ik zou mijn verstand geheel verliezen]Blivic1)langher in dit abijt2) [1) Bleef ik.2) Kloosterkleed]Die covel1)toech si ute al daer[1) kloosterlingen-hoofdkap]Ende leidse op onse vrouwen outaer.1) [1) altaar]Doe dede si ute hare scoen.Nu hort watsi sal doen.Die slotele vander sacristienHinc si vor dat beelde Marien;....

In mijn cursieven vindt ge—en gelieve daar ter dege op te letten—den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier, zooals ik u reeds zei, worstelen deheilige met den zondaar... de arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou willen zijn en het niet kan!....—Slechts met een schamel onderkleed aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den boomgaard;—hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart, beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-naïeve verhaal van onzen dichter:

Doe1)cussese die jhonghelinc[1Toen]Vriendelike aen haren mout.Hem dochte, daer si voer hem stont,Dat die dach verclaerde.Haestelic ghinc hi tsinen1)paerde.[1) naar zijn]Hi settese1)vor hem int ghereide.2) [1) zette haar.2) zadel]Dus voren si henen beideSoe verre, dat begon te daghen,Dat si hen nyemen1)volghen saghen.[1) niemand]Doet1)began te lichtene int oest2) [1) Toen het.2) oosten]Si seide: "God, alder werelt troest,1) [1) troost]Nu moeti1)ons bewaren,[1) moet Gij]Ic sie den dach verclaren!Waric met U niet comen uut,Ic soude prime1)hebben gheluut,2) [1) priemtijd.2) geluid]Als ic wilen1)was ghewone[1) vroeger]Inden cloestere van religione.1) [1) In het Godgewijde klooster]Ic duchte mi1)die vaert sal rouwen;[1) Ik vrees]Die werelt hout soe cleine trouwe,1) [1) de trouw der wereld is zoo gering]Al hebbic mi ghekeert daer an;1) [1) al heb ook ik mij tot haar gekeerd]Si slachtden losen1)coman2) [1) sluwen.2) koopman]Die vingherline1)van formine2) [1) ringen.2) waardeloos metaal]Vercoept voer guldine."1) [1) goudene]

Gij ziet hier weer—. in mijneerstecursief—hoe Beatrijs zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der Wereld zou kunnen scheiden,niet bestaat, maar sterk in het bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal door de liefde mòest overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den zòndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijsde redding door een mirakel had verdiend, hetgeen tevens zeggen wil,—en dáárom vestig ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles—dat wij dan ook verstaan, welkeen sterk compositeurenpsychologisch bouweronze dichter is. Deplechtige muziekder twee gecursiveerde regels, beginnend met "Nu moeti"—wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de sonoor-diepe klank der beideO's, vergalmend in de wegduisterende uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch in-het-verleden-verlorenevan het woord "religione"? Ik weet niet, maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van Beatrijs' betreurenden twijfel—let op mijnderdeenvierdecursief—volmaakt zijn.—Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "Vcpont wit selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hierweer, hoe het verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren,op den bodem der werkelijkheid blijft handhaven). De gelieven komen nu op hun rit schoone landen en bosschen voorbij, en,alweer zuiver menschelijkdoor den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:

Die jonghelinc sach op die suverlike1) [1) zuivere, kuische maagd]Daer hi gestade minne toedroech;Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh,1) [1) welgevallig]Wi souden beten1)ende bloemen lesen:[1) afstijgen]Het dinct mi hier scone wesen;Laet ons spelen der minnen spel."1) [1) het spel der liefde]

Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt:

"Wat segdi", sprac si, "dorper fel1), [1) onbeschaamde, lompe kerel]"Soudic beten1)op dat velt,[1) Zou ik afstijgen]Ghelijc enen wive die wint geltDorperlyc1)met haren lichame,[1)snoodelijk]Seker soe haddic cleine scame!Dit en ware U niet ghesciet1) [1) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld]Waerdi van dorpers aerde niet.1) [1) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt]Ic mach mi bedinken onsochte,1) [1) Mij grieft die gedachte]Godsat hebdi diet sochte!1) [1) Ge verdiendet dat God's haat U trof]Swighet meer deser tale,1) [1) Houd voortaan zulke taal voor u]Ende hort die voghele inden dale,Hoe si singen ende hem vervroyen,1) [1) zich verheugen]Die tijt sal U te min vernoyen.1) [1) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten]Alsic bi U ben al naectOp een bedde wel ghemaect,Soe1)doet al dat U ghenoecht,2) [1) Dan.1)2) aangenaam is]Ende dat uwer herten voeght;1) [1) En dat U lust]Ic hebs in mine herte torenDat ghijt mi heden leit te voren.

Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig trekjes, louterin de woorden door Beatrijs-zelve gesproken, slaagt onze dichter,zonder eenige toelichting zijnerzijds, erin, haar geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker zonde" zooeven—wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar,nietsexueele lust beteekent, máár:lichamelijkverlangen,gewektdoor de geestelijk-menschelijkeliefdetot haar lief! Sla nog eens op, hetzij in mijn eersten bundelOver Literatuur, hetzij inHet Jonge Leven, wat ik indertijd overGeertjeschreef! En zie het onderscheid tusschensexueele lustensexueele liefde. ZijnGeertjeenBeatrijsgeen zusters? "Zondigen" zij beiden uitovergroote liefdeniet. Vereenigen zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen één waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en plat—schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler sfeer-van-gebeuren—als die mededeeling van Dante in zijnHel, dat de Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf, doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zooeenvoudigeènsterkewijze doen als maar mogelijk is, want mede dáárdoor zal deuitinghet best bij degeconcipiëerde waarheidpassen. De groote dichter, de groote schrijverhandelt aldus van zelf; moetaldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen hetniette doen? Uitethischeoverwegingen? Maar dat kàn toch niet: hij, die immers op dien oogenblik de dingen op het verheven plan vannoodwendigheid, waarheid en schoonheidziet,kantochgeen onreinheid bemerken, daarop dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is. Ik sprak van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den Bijbel en àlle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.—Keeren we tot het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dathij hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja, zegt ze:

"Waric1)in hemelrike gheseten,[1) Ware ik]Ende ghi in ertrike1) [1) Op 't aarderijk]Ic quame tot U sekerlike.

Om dan voort te gaan met dezepsychologisch-prachtigdoor den dichter aangebrachte wroegingswending:

Ay God, latet onghewrokenDat ic dullyc1)hebbe gesproken[1) dwaselijk]Der minster vroude1)in hemelrike[1) de minste vreugde]En es hier ghene vroude ghelike;1) [1) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]

Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:

"Diere om pinen die syn vroet:1) [1) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig]Al eest1dat ie dolen moet[1) is het].Endemi te1)groten sonden keren[1) tot]Dore U, lieve scone jonchere."

Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat, vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel ambacht—teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijkals van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!—en tot overmaat van ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeernatuurlijke en gewoon-menschelijke gevolgvan dit alles was, dat:

Die aermoede maecte een ghesceet1) [1) scheiding]Tusschen hen beiden, al waest hen leet.

(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord "Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En toén bleek dat de man niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.—En nu, o mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.

Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De—ondiplomatieke —waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf de "moeielijke" plaatsen vóór, metstrikte inachtnemingmijneraccentenencursiveeringen. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik, innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult zien: het gaat open voor je. Maak dengeschreveninhoud tot eenjùist-gesprokenenen—ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak proefondervindelijk-bewezen feit). Door dejuiste intonatie, waarmede ik—overigens afgrijselijk leelijk—een moeilijk maar schoon vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat met-de-juiste-uitdrukking-lezen,aanvankelijkniet anders dan eenals-machinaal volgenmijner accenten en cursiveeringen kan zijn—let op mijn woorden: hetwordtdra eenbegrijpen! Maar komaan, nu beginnen we:

Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste ellende en vernedering. Eerstwillensgezondigd hebbende, wordt zij nùgedwongendat zondige te doen. Watgenotwàs, wordt nu destrafvan het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste,zij-zelfdie niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet desamenhangervan methare daden, d.w.z. derechtvaardigheidervan, hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen wordengelouterddoor een straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt?Derhalve—en alweer zei ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te maken:—indien dusde dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs èn het een èn het ander begreep, dan zou hij een slecht en onwaarachtig dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, dieheiligeenzondaresis, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene hebben geschapen, die alleenzondaresis en dat blijft; en niet alleen dat die figuur dan niet zou hebbengeleefdvoor ons, in de sfeer van het verhaal waarin zij geplaatst is, maarook—en ik wees u reeds de vorige maal op iets dergelijks—de begenadiging van haar met een mirakelzou onsvolkomen onverstaanbaarzijn geworden. En al naar onzen aard zouden wij hebben gedacht, òf: dit alles is quasi-dichterlijke malligheid, òf dit is een van diegoddelijke willekeuren, die geenerlei weerklank in mijnmenschelijkgemoed wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar wèl voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term toegepast op dezen naïeven middeleeuwer ook moge klinken, tevens eenwaarachtig menschenschepperwas.

Si sprac: "Hets1)mi comen toe,2) [1) Het is2) mij overkomen]Dat ic duchte spade ende vroe1) [1) laat en vroeg = altijd]Ic ben in vele doghens1)bleven:2) [1) lijden2) achtergebleven]Die ghene heeft mi begheven,Daar ic mi in trouwen toe verliet.1) [1) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"]Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,1) [1) indien het u behaagt]Bidt vore mi ende mine jonghere1) [1)kinderen]Dat wi niet en sterven van honghere.Wat salic1)doen elendech wijf?[1) zal ik]Ic moet beide siele ende lijfBevlecken metsondeghen daden.Maria, Vrouwe, staet mi in staden!1) [1) Sta mij bij]Al constic1)enen roc2) spinnen2) [1) kon ik2) aan het spinrokken werken]Ic en mochter niet met1)winnen[1) ik zou er niet mede kunnen]In tween weken een broet,1) [1) brood]Ic moet gaandorden1)noet2) [1) door den2) nood (gedwongen)]Winnen buiten stat op toelt1) [1) buiten de stad op het veld]Met minen lichame ghelt,Daer ik met mach copen spise,1) [1) Waarmee ik voedsel kan koopen]Ic en mach in ghere wise1) [1) in geen geval]Mine kinder niet begheven."1) [1) hulpeloos laten]Dus ghinc si in een sondech leven;Want men seit ons over waer,Dat si langhe seven jaer,Ghemene wijf ter werelt ghinc,Ende meneghe sonde ontfinc,Dat haer wel was onbequame,1) [1) onaangenaam]Die si dede metten lichameDaer si cleine gheneuchte1)hadde in,[1) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame":geengenot]Al dede sijt1)om een cranc2)ghewin,[1) Zij het2) gering]Daer1)si haer kinder met1)onthelt.1) [1)1) Waarmee ... onderhield]Wat holpt al vertelt,1) [1) Waartoe dient het te vertellen]Die scamelike sonden swaer1) [1) Schaamtewekkende en zware zonden]Daer si in was .XIIII. jaer?

En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons dat alles niet te vertellen en hijmaghet zelfs niet, want dàn zoudit zoet-teere, heilige mirakel-verhaalalte zeervergroofdworden en daarmede onze zachte stemming vanniet-smarteloosen óókniet-vreugdeloosmeeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil de dichter het natuurlijk, welmenschenblijven, maar toch menschen, zooweinig hartstochtelijk-geschokt,dat we den uit zijn mirakelverhaal neerdauwenden goddelijkenvredekunnen genieten! Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt desamenhangvan het haar treffende leed met hare daden, zij—iemand van hare levensbeschouwing—begrijpt het dus alsrechtvaardige straf. Zij voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook—zij, de religieuse!—te zeer op een mènsch vertrouwd. Tevens zegt ons de dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar in één dezer is nòg een voorname schoonheid, waarop ik u wel afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als eene, die dezwaarste zondepleegtter wille van haar kinderen, slaagt hij er in, hier zulk eeneallerinnigsteversmelting vanheiligeenzondaarte bereiken, als hij tot dan nog niet had bereikt.—

En dàn komt de wondere keer in haar leven:

Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaenSinde1)haer God int herte saen2) [1) Zond2) spoedig]Berouwenesse alsoe groet1) [1) groot]Dat si met enen swerde1)al bloet2) [1) zwaard2) bloot]Liever liete haer hoet1)afslaen[1) hoofd)Dan si meer sonden hadde ghedaenMet haren lichame, alsi1)plach2) [1)1) Zooals zij gewoon was]

Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die ge,zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst,aldus begrijpt: Beatrijs heeftgenietendkwaad gedaan, en door datzelfde kwaad wordt haar tot straf nuleedveroorzaakt. Beatrijs heeft veel goeds bedreven—gebeden tot Maria; uitliefdegezondigd; zich voorhare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch gehouden—endaaromwordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden. Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van dediepebegrippen der godsdiensten, in eennaief-schoon beeldbelijfd. Het is het begrip dat alles wat den mensch treft, tot hem wordtaangetrokkendoor zijneigen gesteldheiden zelfs iets van hetaan-hem-zelf-ontstegenemoet zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door dìt beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordtaangetrokkendoor haar; de regen, die op hetdorstigeland neerkomt, was ten deele eerstdit land-zelfontstegen, terwijl het dorrengingenonmachtigwerd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij: in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen"zonde", "straf"en"belooning"vale uiterlijkheden worden, een vergane kleedij. En vóór het eind van dit artikel wil ik u toch ook dáártoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal. Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat daarop de stad van haar geluk en haar ellende.

Si nam een kint in elke hantEnde ghincker1)met1)dor dat lant[1)1) ging er mee]In armoede, van stede te stede,Ende levede bider beden1) [1) En leefde van aalmoezen]Soe langhe dolede1)si achter2)lant,[1) doolde2) door het]Dat si den cloester weder vant1) [1) vond]Daer si hadde gheweest nonne;Ende quam daer savons na der sonneIn ere1)weduwen huus, spade2): [1) eener2) laat]Daer bat si herberghe dor ghenadeDat si daer snachts mochte bliven."Ic mocht U qualyc verdriven,"1)[1) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen]Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen;Mi dunckt dat si moede scinen,1) [1) blijken]Rust U, ende sit neder,Ic sal U deilen weder1) [1) Ik zal met u deelen]Dat mi verleent onse here,Doer siene lieven moeder ere.1) [1) Zijn lieve Moeder ter eer]Dus bleef si met haren kinden,Ende soude gheerne1)ondervinden2) [1) gaarne2) te weten komen]Hoet inden cloester stoet1) [1) Hoe het met het klooster ging]—"Segt mi," seitsi,1)"vrouwe goet,[1) sprak zij]Es dit covent van joffrouwen?"1) [1) Is dat een nonnenklooster?]"Jaet,"1)seitsi "bi miere trouwen2) [1) Dat is het2) en ik geloof zeker]Dat verweent es1)ende rike[1) Dat er zeer ruim wordt geleefd]Men weet niewer1)sijns ghelike:[1) nergens]Die nonnen diere1)abijt2)in draghen,[1) die er2) kloosterkleed]Ic hoerde nye1)ghewaghen2) [1) nooit2) gewag maken]Van hen negheen gherochte1) [1) eenig (kwaad) gerucht]Dies1)si blame2)hebben mochten[1) waarvan2) blaam]


Back to IndexNext