The Project Gutenberg eBook ofPaedagogische OverwegingenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Paedagogische OverwegingenAuthor: Eva Wilhelmina AsscherCommentator: J. H. GunningRelease date: January 18, 2009 [eBook #27833]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Jeroen van Luin, Ginirover and the OnlineDistributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Paedagogische OverwegingenAuthor: Eva Wilhelmina AsscherCommentator: J. H. GunningRelease date: January 18, 2009 [eBook #27833]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Jeroen van Luin, Ginirover and the OnlineDistributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
Title: Paedagogische Overwegingen
Author: Eva Wilhelmina AsscherCommentator: J. H. Gunning
Author: Eva Wilhelmina Asscher
Commentator: J. H. Gunning
Release date: January 18, 2009 [eBook #27833]Most recently updated: January 4, 2021
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen van Luin, Ginirover and the OnlineDistributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN ***
PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN
STAATKUNDE LETTERENHANDBOEKJESELCK 'T BESTEONDER LEIDING VAN L. SIMONSUITGEGEVEN DOOR DEMAATSCHAPPIJ VOORGOEDE EN GOEDKOOPELECTUUR AMSTERDAMKUNST WETENSCHAP
STAATKUNDE LETTEREN
HANDBOEKJESELCK 'T BESTE
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
UITGEGEVEN DOOR DEMAATSCHAPPIJ VOORGOEDE EN GOEDKOOPELECTUUR AMSTERDAM
KUNST WETENSCHAP
GESCHIEDENIS HYGIENEE. W. ASSCHERPAEDAGOGISCHEOVERWEGINGENMET NASCHRIFTEN VANDR. J. H. GUNNING Wzn.1920WIJSBEGEERTE PRACT. LEVEN
GESCHIEDENIS HYGIENE
E. W. ASSCHER
MET NASCHRIFTEN VANDR. J. H. GUNNING Wzn.
1920
WIJSBEGEERTE PRACT. LEVEN
A. C. BERLAGE
De schetsen met een * gemerkt zijn eertijds verschenen in het Veertiendaagsch Blad voor Ouders en Opvoeders „Het Kind”
GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM
Hetgesprek liep over het resultaat, dat ik na een moeilijke opvoeding, met een mijner pupillen bereikt had.
Hetgesprek liep over het resultaat, dat ik na een moeilijke opvoeding, met een mijner pupillen bereikt had.
„En, zou je de verschillende kinderen nu nog allen op dezelfde wijze behandelen?” vroeg een der aanwezigen, enthousiast.
„Helaas, neen,” bekende ik. Althans niet practisch. Wij ouderen van dagen, zijn daar meestal niet meer toe in staat. Wij missen de kracht om bij de opvoeding onzer lievelingen de strengheid door te voeren, welke het kind tot een zelfstandig, vrij individu kan vormen. Velen onzer hebben te droeve ervaringen opgedaan omtrent het leven, velen hebben te pijnlijk aan den lijve ondervonden, wat het kind mogelijk te wachten staat. Het enthousiasme, waarmede de jeugdige opvoedster(der) in de gelukkige toekomst van het kind gelooft, bezielt haar werk. Het is een kracht in haar, waarbij de meest ervarene het moet afleggen. Daarom verkies ik dejeugdigeopvoedster voor hetjeugdigekind.
—In een groot gezin, vullen de oudere kinderen gewoonlijk het te kort van de Moeder voor de jongere aan—
Laat ik u mijn bewering met een voorbeeld uit mijn praktijk toelichten.
Onze Cor was zeer slordig. Sedert het kind op zesjarigen leeftijd zichzelf dagelijks lichamelijk moest verzorgen, viel er tooneel op tooneel voor, tusschen vader en zoon, waarbij Moeder en ik Vader steunden. De ernstigste straffen mochten niet baten. Jaren lang werd Cor drie, vier maal terug gestuurd om zich beterte wasschen, voordat hij mede aan tafel mocht zitten. Hij was reeds elf jaar, toen Vader op een middag wanhopig uitriep, „de jongenkrijgtde handen niet meer schoon, het vuil is in zijn huid gegrift!”
Kort daarop ging Cor naar het gymnasium. Hij had voor dien tijd een derde klasse school bezocht. Tot onze verbazing werd Cor binnen een half jaar „het Heertje”. Hij had voortaan geen enkele aanmoediging noodig. Hoe meer wij het leven ervoeren, hoe meer het ons berouwde, dat we het den jongen zoo lastig hadden gemaakt.
Het acht jaar jongere broertje bleek even slordig als Cor. We behandelden hem echter anders. Nu eens vermaanden we Bert, dan weer spoorden we hem vriendelijk aan een nette jongen te zijn, maar meestal verzorgden we hem zelf. We rekenden op het leven, dat stellig verbetering zou brengen. Bert ging ook naar het gymnasium. Hij is nu vijftien jaar en...... nog even slordig als op zesjarigen leeftijd.
We behandelen hem nu op dezelfde wijze als we Cor gedaan hebben. We zijn er echter lang niet van overtuigd te slagen. In het eerste geval, is het zaad, dat we gestrooid hebben en jarenlang hebben verzorgd, door gunstige omstandigheden tot vollen wasdom gekomen. We hebben bij hem echter verzuim gepleegd. Dergelijke fouten door vele oudere opvoedsters(ders) begaan zijn zelden weer goed te maken.
„Hebben wij ouderen dan minder waarde bij de opvoeding vanjeugdigekinderen?” vroeg Mevr. R. teleurgesteld.
„Welneen,” troostte ik. „We hebben alleen ieder ons afgebakend terrein.”
„DeJeugdigeopvoedster(der) de practische uitvoering.”
„De oudere opvoedster(der) haar theoretische kennis en ervaring.”
„De bejaarde opvoedster(der) haar onbegrensde liefde, geduld en troost.”
„Popis een natuurkindje? Een kindmoetzich uitleven! Ik hoor het van alle kanten. De tijdschriften en couranten staan er vol van. Jammer dat ik het niet eerder geweten heb. Nu ja, de ouderen zijn wel flinke lieve kinderen geworden, maar ze hebben toch niet zoo'n prettige jeugd gehad. Ik heb ze opgevoed met het drilsysteem, dat me van Ouder tot Ouder is bijgebracht geworden. Het nakomstertje is zoo vroolijk. Pop leeft zoo heerlijk zonder dwang!”
„Popis een natuurkindje? Een kindmoetzich uitleven! Ik hoor het van alle kanten. De tijdschriften en couranten staan er vol van. Jammer dat ik het niet eerder geweten heb. Nu ja, de ouderen zijn wel flinke lieve kinderen geworden, maar ze hebben toch niet zoo'n prettige jeugd gehad. Ik heb ze opgevoed met het drilsysteem, dat me van Ouder tot Ouder is bijgebracht geworden. Het nakomstertje is zoo vroolijk. Pop leeft zoo heerlijk zonder dwang!”
Moeder bazuinde het uit voor elk gewillig oor. Dat mij „de lof harer zotheid” niet bespaard bleef is natuurlijk. Sinds eenige jaren gaf ik den ouderen kinderen pianoles en had gelegenheid op te merken, dat haar onmacht tegenover Pop, Moeder steeds zwaarder ging drukken. Van vele kanten hoorde ik, dat het waarlijk schattige, pientere kindje de schrik was voor allen, die met haar in aanraking kwamen. Suus kende geen gehoorzaamheid. Ze gaf aan elke opwelling gehoor zonder eenige rekening te houden met de gevolgen voor anderen. Ze vernielde wat haar lustte. Pop was, juist geoordeeld, een halve wilde. Als vreemde mocht ik niet ingrijpen. Deze bekrompen liefhebbende Moeder zou het trouwens niet geduld hebben. Met hare roerende liefde verdroeg ze in hoofdzaak alleen de moeite en lasten van haar schat. Ze liet haar zelden aan een ander over.
Toen Mijnheer, zijn reeds dikwijls verworpen plan—om met Mevrouw en de oudere kinderen een reisje door Nederland te doen—eindelijk wilde doorzetten, werd het Moeder bang om het harte voor haar„Natuurkindje”. De bijna driejarige Suus moest dan voor vier weken bij familie gaan logeeren. Terecht vreesde Moeder, dat dit veel verdriet voor Pop zou meebrengen. De ontstemmingen, die het kind bij anderen gewoonlijk teweegbracht waren Moeder maar al te zeer bewust geworden.
Ze kon niet besluiten.
„Neen, vast niet bij tante Lies, ze is zoo overdreven precies.”
„Bij oom Henk nog minder. Hij heeft zulke dolle driftbuiën.”
In haar Moederlijke bezorgdheid waagde ze het mijn hulp in te roepen. Ze kende me in den omgang met vele kinderen. Ik woonde toen bij een familie, die een jongen en een meisje in den leeftijd van Suus hadden.
Dankbaar aanvaardde ik de vereerende, doch moeilijke taak.
Het zou de Moeder na jaren van inspanning eens wat rust geven en ik hoopte tegelijk bij de lieve Suus wat te kunnen goed maken.
Ik begon met mijn kleine patiënte eenige dagen waar te nemen, voordat ik ernstig ging ingrijpen.
Haar pretenties waren schering en inslag.
„Ikhoef niet te gaan slapen terwijl onze broer 's morgens een uurtje naar bed moet om te rusten.”
„Ikmag naast tante E. aan tafel zitten.” Jet en Han waren dit gewend.
„Ikmoet tante E. op straat een arm geven,” een voorrecht, dat zus en broer noode afstonden.
„Waaromjij?” vroeg ik al gauw, haar hoogst verbaasd aanziende.
......Nou...e, nou......
Voor mijn blik, sloeg ze de oogjes deemoedig neêr. Het was de eerste keer in haar leven.
„Jijgaat 's morgens ook naar bed,” omdatallekindertjesvan nog geen drie jaar 's morgens wat gaan rusten.
„Jijmoogt evenveel beurten hebben als de andere kinderen om op straat aan mijn arm te loopen.”
Na eenige dagen liet ze elke aanmatiging varen. Meer en meer paste ze zich kalm aan. Ten slotte leefde ze de gewoonten van de andere kinderen volledig mede.
Moeder had me een vinger gegeven, ik wilde nu de geheele hand hebben.
Ik nam voortaan het recht de leefwijze van onze Suus mede te bedisselen.
Het werd Moeder langzamerhand wel duidelijk, dat ze het beginsel „het Kind moet zich uitleven” op een verkeerde wijze had toegepast. Ze was me heel dankbaar. Haar kind werd stipt gehoorzaam. Het genoot niettemin een veel prettiger jeugd dan de oudere kinderen. Suus had meer vrijheid.
We moeten met onze paedagogische voorlichtingen in de populaire bladen,heelvoorzichtig zijn tegenover het leekenpubliek, meer en meer zien te bereiken, dat door een deskundige uitsluitend persoonlijke voorlichting wordt gegeven aan minder ontwikkelde, minder ervaren Moeders. Paedagogische voorlichtingen kan het gros van het publiek nog niet verwerken.
Naschrift. Ik geloof niet, dat er in „Het Kind” ooit voorlichtingen hebben gestaan, die tegen bovenstaand lesje indruischten.Red.
Volgaarnehad ik voor de familie mijn vrijen tijd beschikbaar gesteld, om bij ontstentenis der Moeder door een of andere bijzondere omstandigheid, haar bij de kinderen te vervangen. Ik was nu ter geruststelling van de Moeder, reeds vier weken bij Fred gelogeerd, voordat het nieuwe zusje arriveerde. Zoo lang hield ik me in hoofdzaak met de oudere kinderen bezig, regelde hun huiswerk en ging met ze wandelen. Moeder bracht me intusschen op de hoogte van de nooden der kleintjes.
Volgaarnehad ik voor de familie mijn vrijen tijd beschikbaar gesteld, om bij ontstentenis der Moeder door een of andere bijzondere omstandigheid, haar bij de kinderen te vervangen. Ik was nu ter geruststelling van de Moeder, reeds vier weken bij Fred gelogeerd, voordat het nieuwe zusje arriveerde. Zoo lang hield ik me in hoofdzaak met de oudere kinderen bezig, regelde hun huiswerk en ging met ze wandelen. Moeder bracht me intusschen op de hoogte van de nooden der kleintjes.
Onze vierjarige Fred was een echte slokop. Na de beste voorzorgen, gebeurde het toch vaak, dat zijn maag van streek was. Wanneer Moeder 's morgens om het hoekje van de deur der kinderkamer keek, zag ze 't dadelijk, als het mis was met den kleinen Fred. Dan lag hij, met blauwe kringen onder de oogen en vaal bleek gezicht, futloos in het bedje ter neer. Op dokters voorschrift moest ze hem dan laten liggen tot hij zelf verlangde op te staan en wanneer hij lust had hem een kopje thee en een droge beschuit geven.
Toen ik op een morgen op het portaal naar de kinderkamer liep, hoorde ik een druk, opgewekt leven.
„Hoep, fort, klap ...”
Ik keek, zooals moeder gewoon was te doen, om het hoekje der deur. Onze Fred zat, als Hollandsch welvaren, zijn denkbeeldig paard, wiens werkelijke leidsels hij om de spijlen van zijn bed had gehaald, op te zweepen.
Zoodra hij mij ontwaarde, wierp hij zich als door een electrischen schok getroffen op het kussen neeren zette een beklagenswaardig gezicht, den besten comediant tot eer.
„Hè—héë—.” Hij zuchtte al dieper.
Ik ging bij zijn bedje zitten en vroeg belangstellend, „wat is er ventje? wat scheelt er aan?”
„Hè—hèe—ik geloof, dat mijn maag weer van streek is. Laat u mij nog wat in bed blijven en geef u mij a. u. b. een kopje thee met een droge beschuit. Moeder doet datookaltijd,” onderrichtte de kleine deugniet.
(Hij wilde zoo gaarne nog wat paardje blijven rijden).
Ik bleef hem even conscientieus waarnemen en zei toen op zijn eigen beklagenswaardigen toon.
„Jammer, erg jammer.”
—Een paar belangstellende, levendige oogen blikten me toe.—
„Jammer toch. Mevrouw Paula heeft zooeven laten vragen of je heel vroeg bij Frieda, (zijn liefste vriendinnetje), komt spelen.”
Met een zelfden electrischen schok sprong hij overeind. „Bi, ba, boe,” danste hij in bed rond, de dwaaste grimassen makende, de wildste geluiden uitstootende. „Lekker! lèëker! Lekker gefopt! Ik ben niet ziek! Ik maakte maar een grapje .... Leuk hè, tante?” waagde de slimmerd er nog aan toe te voegen.
„Ja,heelleuk, erg leuk! Zoo toevallig. Ik heb jou ook lekker gefopt. Mevrouw Paula heeft je niet op bezoek laten vragen ... leuk hè? Ik maakte ook maar een grapje.”
In heftig schreien brak hij uit.
Toen hij van de eerste teleurstelling bekomen was, begon hij onder het snikken opeens te lachen en overwoog luid .... „entochis het leuk van tante,heelleuk.”
Zijn kinderlijk rechtvaardigheidsgevoel deed hem beseffen, dat hij met te bedriegen, eerlijk verdiendhad, bedrogen te worden. De straf zelf deed hem zijn vergrijp helder inzien. Even later keek de oolijkerd me zóó leuk aan, dat we elkaar in opwelling omhelsden.
We deden dien morgen een heerlijke wandeling. We genoten van elkaârs samenzijn. Van tijd tot tijd lachte hij mij nog even guitig toe, waarna hij zich inniger tegen mij aandrukte.
Fred heeft sedert geen ziek zijn meer geveinsd.
Nooit heb ik ondervonden of bij anderen waargenomen, dat „preeken” tegen kinderen een goed resultaat had; tenminste geen blijvend.
Het kind het kwaad laten ondergaan, dat uit zijn eigen handeling voortspruit, doet hem altijd tot het ware besef van zijn verkeerde daad komen. Deze behandeling is nietaltijdaan te wenden om de gevaarlijke gevolgen.
De goede opvoedster(der) moet ze weten te schiften.
Ikwas een kleuter van een jaar of zeven, toen ik met Moeder op een wandeling, een blinden man op twee krukken ontmoette. Hij droeg den bekenden bak vol snuisterijen aan een riem om den hals. Met trillende, hartroerende stem herhaalde hij steeds zijn smeekbede:
Ikwas een kleuter van een jaar of zeven, toen ik met Moeder op een wandeling, een blinden man op twee krukken ontmoette. Hij droeg den bekenden bak vol snuisterijen aan een riem om den hals. Met trillende, hartroerende stem herhaalde hij steeds zijn smeekbede:
„Gedenk den lammen, blinden man, die geheel verlaten is.”
Een kaart, waarop dit klaaglied met vette letters gedrukt stond, was tegen den voorwand van den bak bevestigd.
Moeder zag dat het treurige lot van den hulpeloozen stakkerd me aangreep.
Ik mocht hem een dubbeltje geven, daarna zei Moeder: „De manisniet verlaten, hijzouverlaten zijn als de menschen hem niet telkens weer wat afstonden. Hij heeft voor het geld, dat hem geschonken wordt, nu wel een goede verzorging”.
Zoo troostte ze me.
Toch bleef het medelijden nog bij mij nawerken. Het jammeren van den ongelukkige wilde maar niet uit mijn gedachte.
Den volgenden namiddag speelde ik alleen in de woonkamer. De Fransche leeraar, die mijn broer conversatieles kwam geven, en wat te vroeg was, moest even bij mij wachten. Juist sleepte ik me met twee stokjes onder de armen en met bijna dichtgeknepen oogen voort, het treurig refrein reciteerende: Gedenk den lammen, blinden man enz., toen Mijnheer N. ongemerkt binnentrad en me verraderlijk een klap om de ooren gaf, „Jemoogtgeen gebrekkige menschennadoen, dat is slecht,” voegde hij er driftig aan toe.
Heel opgewonden liep ik naar Moeder en vertelde haar, wat me overkomen was en hoe ik juist zoo prettig speelde. Ik was, om beurten me zelf voorstellende en den blinden man, de beschuitjes, die ik van moeder gekregen had, op de étagère gaan deponeeren, en de goede gave dankbaar in ontvangst gaan nemen. De vierde maal, dat ik dit spelletje herhaalde—ik oefende me feitelijk in weldoen—had de nijdas paedagoog me zoo wreed miskend.
Moeder suste: „ga maar met mij naar beneden, ik zal het mijnheer wel uitleggen, dat je niet zoo slecht gedaan hebt, als Mijnheer N. dacht.”
„Ja maar .... maarMaatje.... en dieklapdan?” snikte ik.
Moeder schoot in een lach en nam me knusjes aan de hand.
Ik herinner me heel goed, dat ik het knuste vond, dat Moeder Mijnheer N. een welverdienden—psychischen—klap ging brengen, al gooide ze het tegenover mij over een anderen boeg.
Nooit heeft iemand het recht,vreemdekinderen straffen of berispingen toe te dienen. Hij mag slechts, of liever hij moet, alleen wanneer door de handeling van het onbewaakte kind, gevaar voor hem of voor de omgeving dreigt, die handeling keeren. Bij het straffen en beschuldigen moeten we er toch voor alles rekening mede houden, dat het kind de dingen soms, neen dikwijls geheel anders ziet, geheel anders toepast dan wij ouderen meenen. We moeten het kind terdege rekenschap vragen van de motieven, die hem tot de een of andere handeling geleid hebben. Alleen de opvoeder(ster), die de ziel van het kind door en door kent, zal hem zeker recht doen geschieden, juist behandelen.
Een schip kan slechts goed bestuurd worden, door zijn eigen Vader, zijn Kapitein, die met de geheeleinrichting daarvan bekend is. Het wordt daarom geen ander toevertrouwd.
Ik heb helaas vele kinderen waargenomen bij wie het langen tijd, soms onherstelbaar in de oogen weerspiegelde:
„Maar .... maarMaatje.... en dieklapdan?” Het was in hun hart gebrand.
Dat leed moet, die „het kind” lief heeft helpen voorkomen.
Onzenegenjarige Robert is een zachte, makkelijk te leiden jongen. Ernstige moeilijkheden hebben we tot nu toe niet met hem gehad.
Onzenegenjarige Robert is een zachte, makkelijk te leiden jongen. Ernstige moeilijkheden hebben we tot nu toe niet met hem gehad.
Hij is wel bijzonder eerzuchtig en zeer gesteld op eten en drinken.
Zijn school en die zijner kleine zusjes, zes en zeven jaar oud, zijn naast elkaar gelegen.
Zonder eenigen tegenstand ging hij trouw op de bepaalde uren met Juf en de kleine meisjes heen en weer naar school.
„Hou je juffie goed aan het handje?”—dat, nog maar goedig plagen van zijn beste vriendje—krenkt zijn trots en doet eensklaps in hem opwellen niet meer met de anderen samen te willen gaan. Bij zijn thuiskomst maakt hij Vader (medicus) zijn verlangen kenbaar. „Ik ben toch nu al negen jaar” en smalend voegt hij er aan toe, na drie jaar zijn weg wel te weten.
Vader voelt met hem mede en staat zijn verzoek, om verder alleen naar school te gaan toe op voorwaarde, dat Rob nooit één oogenblik over den bepaalden tijd thuis komt.
—Vader vertrouwt hem heel goed en wil de zelfstandigheid van het kind voor niets ter wereld verzwakken.—Rob is wel nog wat jong en hij moet een druk stadsgedeelte door. Moeder zou heel bezorgd zijn, wanneer hij te laat zou komen.
Het gaat vele maanden goed. Vol enthousiasme vertelt Rob herhaaldelijk van de aandachttrekkende gebeurtenissen, die hij op zijn weg ontmoet heeft als: een paard, dat gevallen was en o zoo moeielijk opde pooten te krijgen was, of van een dronken man, die zich hevig verzette, terwijl hij naar het politiebureau gebracht werd, maar Rob zorgde er voor, het oponthoud door een aanloopje telkens weer in te halen.
Het voorjaar kwam echter met zijn geijkten knikkertijd. Tegen zulk een groote verleiding blijkt Rob niet bestand te zijn. Vader heeft hem toegestaan 's middags een half uur met zijn vriendjes op het plein voor de school te knikkeren, doch Rob komt steeds later thuis.
Vader waarschuwt Rob, daartegen afdoende maatregelen te nemen.
„Rob moet zeker anders weêr met Juf meêgaan?” vraagt Moeder bezorgd.
„Neen”, zegt Vader streng. „Robmoetalleen op tijd thuis komen!”
Die ernstige waarschuwing is weer voor eenige dagen bij het kind doorgedrongen. Daarna vergeet hij op een middag zijn tijd zóó ver, dat de soep al op is, als Rob berouwhebbend verschijnt.
—Vader, die van zijn leidzaamheid overtuigd is, ziet wel heel goed waar de schoen hem wringt. Rob wil wel, maar hij kan eenvoudig niet gehoorzamen. Het ontbreekt hem aan de noodige kracht daartoe.
Vader vermaant Rob ernstig en zegt hem, dat hij elken middag, wanneer hij één oogenblik over zijn tijd komt, onmiddellijk zijn huiswerk maken moet en daarna zonder eten naar bed moet.
En acht dagen later, het was de eerste keer, toen hij twee minuten te laat kwam, handhaafde Vader die straf, hoe wanhopig Rob ook was.
Nadat hij elke kans op vergiffenis had opgegeven, berustte hij kalm. Men hoorde geen geluid meer van hem.
Moeder, innerlijk ongerust, gaat om negen uur toch nog even kijken of de jongen slaapt. Ze vindt hemwakker en op haar vraag: „En heb je nu geen vreeselijken honger?” antwoordt Rob snikkende: „wel vreeselijken honger, maar geen geeuwhonger”, want Nan—zijn driejarig zusje—was hem al de kruimeltjes komen brengen, die voor de vogeltjes op den vensterpost waren gelegd. Het had zoo erg geregend, dat de vogeltjes niet gekomen waren om ze op te pikken.
—De arme zindelijke Rob moet er wel heel erg aan toe zijn geweest, toen hij die knoeierij verorberde.—
Rob is daarna nooit meer te laat gekomen.
Na den knikkertijd wandelden we eens samen en spraken over verschillende spelen. „Hè tante”, zegt hij opeens triomfantelijk, „ik ben blij dat de knikkertijd voorbij is en dat ik altijd overwonnen heb, maar wat heeft dat een moeite gekost in het begin. Ik heb dien avond toch zulk een vreeselijken honger gehad en daar dacht ik altijd maar aan.”
Geen menschelijke straf kan ooit te streng zijn om het kind tot zelfoefening in wilskracht aan te sporen.[1]Het sterken van den wil toch is de gewichtigste taak van de opvoeding. Slechts met een sterken wil kan men voldoen aan de hooge bestemming „Mensch te zijn”.
DeMoeder is streng geloovig, de Vader atheïst.
DeMoeder is streng geloovig, de Vader atheïst.
Bij de opvoeding der kinderen werd Moeder wat het godsdienstige gedeelte betreft geheel vrij gelaten. Vader meende, dat de kinderen eenmaal volwassen, toch zelf hun weg zouden bepalen.
Volgens geloofsgebruik moesten de kinderen beneden dertien jaar op „Grooten Verzoendag” een halven dag vasten, daarna schrijft de wet een heelen dag voor.
—Het vasten is voorkleinekinderen een pretje evenals elke afwijking van het gewone, ze voelen zelden bezwaren.—
Meta, juist zeventien jaar geworden, had Moeder verklaard zich nu niet meer aan den „Grooten Verzoendag” te willen houden. Ze geloofde niet en wilde niet langer huichelen.
Moeder antwoordde, dat ze Meta's overtuiging niet rekende. Tot ze meerderjarig was, beval ze haar naar de kerk te gaan en te vasten. Daarna kon ze doen zooals ze zelf verkoos.
Dat was het eerste ernstige conflict tusschen Moeder en dochter.
Meta gaf oogenschijnlijk toe.
Ze kocht echter de noodige broodjes en at ze heimelijk op.
's Avonds viel het Moeder op, dat Meta in tegenstelling van andere jaren, er bijzonder blozend en welvarend uitzag.
„Je hebt gegeten Meta,” zei Moeder op beslisten toon.
„Ja Moeder”, gaf het meisje eerlijk ten antwoord. „Ik zou voor u liever gewild hebben, dat u het niet gemerkt hadt, maar nu wil ik u toch niet langer bedriegen.”
Na die vermetele bekentenis begon tusschen Mevrouw en Meta een verhouding te bestaan, die allerdroevigst werd.
Moeder verlangde bij de minste kleinigheid haar gezag gehandhaafd te zien, Meta wilde haar zelfstandigheid op geen enkel punt prijs geven.
Het geheele gezin leed onder de wederkeerige plagerijen en opgewonden stemmingen. Moeder en dochter gaven elkaâr geen enkel bewijs van liefde meer.
Meta zou ten slotte de dupe geworden zijn van Moeders verkeerde paedagogische inzichten. Vader overwoog, dat die toestand niet langer mocht voortduren, ze moesten van elkaar.
Meta vermagerde bij den dag. Vader besloot het meisje naar een kostschool in België te sturen.
Juist bracht ik Mevr. B., mijn naaste buurvrouw, in deze dagen een bezoek.
Ze zat in zak en asch.
Toen ik binnenkwam brak ze in snikken uit.
Op mij was haar hoop gevestigd, „de verloren dochter te doen terug keeren”, zei de wanhopige Moeder.
Het viel me heel gemakkelijk de Moeder tot andere gedachten te brengen, nadat ik de juiste toedracht van de oneenigheid vernomen had.
Ik legde haar uit, dat de wet alleen den meerderjarige verantwoordelijk acht voor zijne daden, maar dat het toch zeer vaak voorkwam, dat iemand van zeventien jaar meer competent was tot juist oordeelen en handelen dan iemand van vier en twintig. Dat nu hing geheel van de persoonlijkheid af.
Ik betoogde, dat haar moederplicht gebood,ditkind in dezen zelf te laten beslissen.
Geloof is een gevoel, dat geen zelfstandig menschmag opgedrongen worden. Het meisje had de ware opvoeding tot het geloof genoten, de moeder was dus geheel vrij van alle schuld, nu het geloof zich bij Meta niet ontwikkeld had, zooals Moeder het verlangd had. Ze kon dat betreuren, maar in geen geval mocht ze een dergelijk meisje dwingen tot welke overtuiging ook! We moeten voorkomen, dat onze kinderen lijden onder opgedrongen meeningen.
Een hartelijke omhelzing tusschen Moeder en dochter was de kroon op mijn leering.
„Keesis als bijzonder hartstochtelijke jongen geboren”, luidt Moeder's uitspraak. Wie zou hem beter hebben leeren kennen dan juist zij?
„Keesis als bijzonder hartstochtelijke jongen geboren”, luidt Moeder's uitspraak. Wie zou hem beter hebben leeren kennen dan juist zij?
Deze vrouw bezit een genialen tact om haar kind te leiden. Zij heeft hem zelfs zoo weten te hervormen, dat buiten hare omgeving evenmin heftige scènes met het kind plaats hebben.
Ik wil u haar laatste opvoedkundige prestatie mededeelen.
Onze dertienjarige snaak dan, heeft een zwak voor eieren, hij is er verzot op en moet ze nu als een groote oorlogsontbering missen.
De idee ze niet tekunnenverkrijgen is voldoende om zijn hartstocht er voor tot het uiterste te prikkelen.
De huisgenooten, er zijn er vijf, die hun jongsten lieveling aanbidden, beloven Kees, nu de eieren voor den handel weer vrij gekomen zijn, ieder, op hunne beurt, hem op een ei te tracteeren, als .... hij een goed rapport van de handelsschool heeft meêgebracht, hij gedurende een bepaalden tijd altijd netjes aan tafel is gekomen, op tijd naar bed is gegaan, kortom als hij vele moeilijkheden heeft overwonnen.
Kees' zinnenprikkel helpt hem aan de hem gestelde eischen te voldoen.
Nadat hij met het verlangde rapport van school is gekomen, vindt hij in het koffieuur een versierd ei op zijn waschtafel liggen. Een verrassing van zijn oudsten broer.
Overgelukkig ijlt hij naar Moeder en vraagt haar het ei meteen te bakken voor bij zijn boterham.
„Ach kom, grappenmaker”, sust Moeder, „je weet immers wel, dat er nu geen gas is. Ik zal het ei bij het avondeten heerlijk voor je klaar maken.”
„Er iswelgas”, betoogt Kees klemmend. „Bakt u het voor éénen keer op het medisch komfoor van Jan.”
Moeder weigert en voegt gedecideerd er aan toe „dat stelletje mag uitsluitend gebruikt worden wanneer Jan het voor zijn patiënten noodig heeft.”
Onmiddellijk daarna wordt Moeder voor een gewichtig gesprek aan de telephoon geroepen. De lust van Kees is onweerstaanbaar. Hij zou den hemel willen bestormen om het gebakken ei te bekomen. Hij waagt het, na bij het keukenmeisje de noodige ingrediënten te hebben veroverd, het ei zelf te gaan bakken op het verboden toestelletje.
Opgewonden door het sterk begeeren doet hij op zijn onhandigst.
Voor dat het ei in het pannetje is, vat een gordijntje in de nabijheid vlam; hij had den nog half brandenden lucifer er tegen geworpen. In zijn agitatie gooit Kees een spiritusstelletje om en in een oogenblik staat de omgeving in lichte laaie.
Een vervaarlijk geschreeuw: „brand! brand! Moeder help!”, doet Mevrouw X. doodelijk verschrikt naar beneden snellen.
Het gelukt haar het vuurtje spoedig te blusschen.
Daarna stuurt ze Kees naar zijn kamer.
Geheel ontdaan, ontmoedigd, met neêrgebogen hoofd sluipt hij weg.
Bijna elke moeder zou in haar drift en ontsteltenis haar kind oogenblikkelijk het ei afgenomen hebben.
(Vele moeders, wien ik dit vertelde, lieten zich ook spontaan in dien geest uit.)
Deze moeder strafte op de rechte manier.
Ze overwoog, volgens haar gewoonte, de straf eerst, toen ze geheel kalm was.
Kees had in hartstocht gehandeld, een verzachtende omstandigheid voor het begane misdrijf.
Zijn aangeboren hartstochtelijke natuur te hervormen is een werk van jaren: Ze was reeds veel gevorderd met hem en schreef dien terugval toe, aan den moeilijken leeftijd, waarop Kees was gekomen en aan de buitengewone tijdsomstandigheden. Door te strenge straf zou ze den jongen verbitteren en veel invloed verliezen. (Zou het toeval geholpen hebben en de jongen had in zijn angst het ei laten vallen, dan zou de jongen het gemis, op de juiste wijze gevoeld hebben.) Hem het ei weg te nemen, waarnaar hij zoo zinnelijk verlangd had en dat hij met veel inspanning had verdiend, was een veel te hard, ja een wreed ingrijpen.
Het overigens normaal gehoorzame kind, mocht ook niet in verhouding gestraft worden tot de ongehoorzaamheid, die hij had begaan. De hartstocht had de waardebepaling voor een deel in het bewustzijn weggedrongen. Hij heeft niet kunnen beseffen, hoe ondeugend hij gehandeld had.
Mevrouw X. strafte hem toch streng.
Hij mocht gedurende vier weken niet naar de club gaan, hij moest een poos een half uur vroeger naar bed dan hij gewend was, kortom ze strafte hem op een wijze, waaruit ze hem liet voelen, dat hij voor vele dingen, die Moeder hem toegestaan had nog te klein was. Voordat Moeder hem weer in eere herstelde moest hij toonen, zich als een flinke jongen van zijn leeftijd te kunnen gedragen en geen onhandigheden meer te begaan, die gevaar voor hem zelf of anderen konden opleveren.
En dat Moeder juist gestraft had, bewees Kees' reactie, toen ze hem 's avonds experimenteerde.
Moeder hield Kees, als gewoonlijk, gezelschap toen hij het nu smakelijk gebakken ei bij de avondboterham genoot.
„Eigenlijk had je het ei niet moeten hebben”, zei moeder, terwijl hij juist een lekker hapje nam.
Met een gezicht, vuurrood van opwinding, stootte hij hijgend uit, „als u mij het ei hadt weggenomen, dan was ik weggeloopen en zou ik me verdronken hebben.”
„Weggeloopen?... vanmij?” vroeg Moeder met die liefde in haar blik en die teerheid in de stem, waarmede de liefhebbende moeder het onweerlegbaar bewijs gaf, dat zij haar jongen, noch Kees haar kon missen.
Als reflex slaat Kees de armen om moeders hals, kust haar innig en breekt in snikken uit.
Zijn straf draagt hij met gelatenheid.
Wat Moeder zoo bij intuïtie gevoeld heeft, kunnen Ouders en opvoeders(sters) tot op zekere hoogte aanleeren: slechts te straffen na kalme overweging en de straf zoo te bepalen, dat ze aan het doel, het zwak van het kind te verbeteren, beantwoordt, dus in juiste verhouding tot het begane feit en in verband met den aard van het kind.