VIII  EEN TOEKOMSTBEELD *

Deouders van den pittigen Jacques—ze woonden in de ghettobuurt—waren door onverwachte omstandigheden in goeden doen gekomen.

Deouders van den pittigen Jacques—ze woonden in de ghettobuurt—waren door onverwachte omstandigheden in goeden doen gekomen.

Jacques leerde goed: Meester prees hem altijd. Ze wilden nu voor alles van hun eenig kind wat maken.

In overleg met den onderwijzer zou de jongen examen doen voor het gymnasium.

„Er waren wel bezwaren, maar Jacques zou ze overwinnen”, oordeelde Mijnheer V.

Jacques slaagde, kreeg zelfs bijzonderen lof bij de toespraak van den curator.

Dat sterkte hem, den spot van zijn medescholieren te verdragen.—Door zijn opvoeding en erfelijkheid week Jacques in zijn, doen, en denken wel eenigszins van hen af.—

Zoo kwam hij bijv. des Zaterdags op school, maar hij mocht geen schriftelijk werk meedoen. Bovendien verlangde Vader, der traditie getrouw, dat de arme jongen dan in het veelkleurig, haast bonte Sabbatpak zou verschijnen.

Jacques protesteerde even, maar als goed geaard kind, gaf hij, gedachtig aan het gebod: „men moet zijn ouders eeren”, toch dadelijk toe. Met loome schreden ging hij naar school.

Bij zijn komst in de klasse werd het kind met hoongelach en lorre, kopjekrauwen, klontjesdief begroet en de leeraar .... lachte.

De arme Jacques leed.

Geheel ontdaan kwam hij thuis en snikte het uit.

Van denleeraarhad hij het niet kunnen dragen.

De leeraar werd daarover onderhouden en bood zijn verontschuldiging aan door te zeggen: „Nu ja, de jongen had er zóó potsierlijk uitgezien.”

„Men is tochmaarMensch.”

Reeds toen, het is een tijd geleden, overwoog ik,—steeds met meer hoop voor de toekomst—dat eens de leeraar (Paedagoog) bij dergelijke voorvallen zoo zou handelen, dat hij gerust zou kunnen verklaren:

„Men is tochgelukkigMensch.”

Motto: Wanneer wij de menschen slechts nemen zooals ze zijn, dan maken wij ze slechter, doch wanneer wij ze behandelen als waren zij dat wat zijmoestenzijn, zoo brengen wij hen daarheen, waarheen zij gebracht moeten worden.(Goethe. W. Meisters Lehrjare.)

Motto: Wanneer wij de menschen slechts nemen zooals ze zijn, dan maken wij ze slechter, doch wanneer wij ze behandelen als waren zij dat wat zijmoestenzijn, zoo brengen wij hen daarheen, waarheen zij gebracht moeten worden.

(Goethe. W. Meisters Lehrjare.)

Zeker! Ik stem met den wensch van Jan Ligthart in, „dat op een algemeene vergadering van Paedagogen de motie worde voorgesteld en bij acclamatie aangenomen, dat de sinaasappelmethode[2]van Jan Ligthart de voortreffelijkste is,” mits... ze uitsluitend worde toegepast door „'n Jan Ligthart”.

Zeker! Ik stem met den wensch van Jan Ligthart in, „dat op een algemeene vergadering van Paedagogen de motie worde voorgesteld en bij acclamatie aangenomen, dat de sinaasappelmethode[2]van Jan Ligthart de voortreffelijkste is,” mits... ze uitsluitend worde toegepast door „'n Jan Ligthart”.

We kunnen ons echter in 't bezit van slechts weinige „Jan Ligtharts” verheugen.

De methode toch is, evenals vele opvoedkundige methoden, gevaarlijk in verkeerde handen.

(Feit is, dat in den loop der tijden de sinaasappelmethode door vele opvoeders(sters) onbewust gebruikt wordt, vooral door Moeders).

Ik heb de toepassing dezer methode bijna altijd tot even groot nadeel voor den opvoeder(ster) als voor het kind zien leiden. Tot bespotting van den eerste, tot met geweld moeten ingrijpen bij het laatste. En telkens weêr overdacht ik met weemoed „ware dit kind maar dadelijk minder ideaal behandeld.”

Persoonlijk heb ik de sinaasappelmethode het meestaangewend in den vorm van een heel mooie vergulde bittere pil.

Ik laat hier een van de gevallen volgen.

Het gebeurde in een Pension te Zandvoort, waar ik in de vacantiemaanden verblijf hield.

Niet minder dan twintig kinderen en hun respectieve Ouders of Moeders hadden mede hunne tenten bij Mevrouw M. opgeslagen.—Onze hospita was vermaard door haar groote welwillendheid en door de liefde, waarmede ze haar gasten verzorgde.

Ook een heel zwakke oude juffrouw woonde sinds vele jaren in ditzelfde pension.

Het was noodweêr den eersten dag van ons samenzijn. Een hevig onweêr deed allen in de conversatiezaal bijeenkruipen. Vele kinderen waren onrustig.

De vierenzestigjarige Juffr. Bruin, hyperouderwetsch zoowel in hare manieren als in hare kleeding—een Dickensplaatje—werd voor de kinderen de gewenschte afleiding.

Ze bekeken de stakkerd van 't hoofd tot de voeten en na haar voldoende te hebben opgenomen, verwekte de negenjarige Frans, de belhamel van het troepje, door een luide opsomming van haren lijfelijken inventaris uitbundige hilariteit.

„Het succes rechtvaardigt de daad.”

Zoo ook voelde het Frans.

(Een haast vergoelijkende vermaning, hé Frans! van zijn Moeder, liet hij onopgemerkt voorbijgaan).

Het kind werd steeds baldadiger.

Hij amuseerde nu het gezelschap door op een stoel te gaan staan en de verschillende „Beilagen” van 't toilet van Juffr. B., haar reticule, brillehuisje, pepermuntdoosje, waaier enz. enz. als projectielen uit zijn vermeende vliegmachine de zaal in te werpen.

Juffr. Bruin, hoewel zeer angstig bij dit weer in haar eentje, wilde naar haar kamer vluchten.

Ik vroeg haar, liever bij mij te komen zitten: ik zou haar beschermen.

Het ongelukkige oudje, vertelde me, dat het al den tweeden zomer was, dat die kleine bengel de kinderen zoo tegen haar ophitste.

„Waarom ze dan niet in een ander pension ging?”

„Ze had het hier zóó goed, ze wilde zoo gaarne blijven. De dokter had haar een voortdurend rustig verblijf aan zee voorgeschreven.”

Eindelijk vertrouwde ze me onder droevig snikken toe, dat ze in de vacantiemaanden, in elk pension van de kinderen hetzelfde te duchten zou hebben.

Nuchter verklaarde ze—wie kent ooit zichzelve—niet te begrijpen waaraan ze die kwelling te wijten had. Ze had nooit in haar leven één kind onvriendelijk bejegend.

Ze verzette zich heelemaal niet.

Waarom zou ze opkomen tegen iets, wat toch niet te veranderen was?

Ik stelde den kinderen, ook Frans voor, wat met me te gaan spelen.

Frans bleek een pittige, kranige jongen te zijn, een half-bloed, een hartstochtelijke, onbeheerschte natuur.

De jongen was zoo behendig en slim, dat hij bijna elken prijs won, dien ik op de verschillende spelletjes had gezet. Toch keek Frans bedrukt. Tijdens het spel stelde ik alle liefde en gunsten beschikbaar voor de andere kinderen. Ik merkte, dat hij, wanneer ik zijn kant uitkwam, beefde van verlangen en hoop. Ik negeerde hem geheel. Den volgenden dag nam ik allen mede naar het strand. Toen Frans me bij den arm pakte, drong ik hem zachtjes weg en nam een anderen jongen in de plaats.

Zijn gelaat betrok, pijnlijk.

Hij, Frans, weggeduwd, vernederd, zijn affectie versmaad, hem toewijding geweigerd? Dat was voor den kleinen koning niet te dragen.

Hij tobde er over, waarom het juist hem niet gelukte, de aandacht te trekken.

De verdachte vraag bleef dan ook niet uit.

„Juffr. A., waar ... waaròm bent u nooit lief voor mij?”

„Omdat je niet lief bent voor anderen!”

„Wat doe ik dan?” vroeg hij met lippen trillende van hartstocht.

„Nu je weet immers wel, dat je het die beste juffr. Bruin op schandelijke wijze lastig maakt, dat je haar kwelt. Voor zulk een jongen kan ik geen liefde voelen”, zei ik op minachtenden toon.

Schreiend wierp hij zich om mijn hals en riep vol gloed uit: „Ik zal Juffr. Bruinnooitmeer plagen en haar verder aardig behandelen.”

—Ik merkte, dat mijn waardeering op dit oogenblik zijn hoogste goed uitmaakte, zooals gewoonlijk datgene, wat onbereikbaar is. Frans voelde nu wel, dat hij mijn vriendschap niet waard was.—

Ik maakte me weer zachtjes van hem los, zeggende „Neen, dit alleen is niet voldoende om in mijn gunst te komen. Je hebt nog meer misdreven. Je hebt de andere kinderen tegen J. B. opgehitst. Eerst wanneer je ook hen er toe gebracht hebt, zich goed te gedragen tegenover Juffr. Bruin, kan ik van je houden.”

En òf Frans ijverde.

Hij bracht voor Juffrouw Bruin reeds denzelfden middag beeldige bloemen mede, gekocht van zijn eigen spaarpenningen, schikte ze in een vaas en bracht ze haar zelf.

Een hulde, welke de arme juffr. Bruin, die nooit eenige kinderliefde had ondervonden, overgelukkig maakte.

Nu begon voor de gasten een recht genoegelijk samenzijn. We vormden ééne groote familie.

„Elk normaal kind is tot op zekere hoogte tot het goede te leiden”, besloot onze hospita.

Haar kleine gasten zouden het Juffr. Bruin niet meer lastig maken. Ze zou hen op mijne wijze behandelen.

„Ik heb wel altijd diep medelijden met Juffr. Bruin gehad, ik wist alleen maar niet den jongen juist aan te pakken”, verontschuldigde ze zich. Ze had het ten slotte als een onverbeterlijken trek van de jeugd aanvaard.

Deze jongen zou, wanneer ik hem met de oorspronkelijke sinaasappelmethode tot het goede had willen brengen, van kwaad tot erger zijn vervallen. Het was reeds door de zachtheid van de pensionhoudster, die hem met suikertjes en lieve woordjes had willen lokken, dien kant uit gegaan.

Frans en ik sloten een hechte vriendschap. Dat mijnbitterepil den jongen goed bekomen is, bewijzen nog de hartelijke brieven, die ik van tijd tot tijd van hem ontvang.

Naschrift. En toch was het de sinaasappelmethode. Want deze bedoelt, het kind niet te beoordeelen en te behandelen naar de ongunstige kanten, die hij naar buiten keert, maar naar het betere innerlijke gehalte, dat men in hem onderstelt. Zij is een toepassing van het wijze paedagogische woord van Goethe, dat wij als motto boven dit nummer plaatsen.

Kitty....!

Kitty....!

We sprakenhaarnaam zachter, teederder uit dan van elk ander klasgenootje. Als van een heilige.

Kitty met haar groote, zachte, staalblauwe oogen, haar tenger, smal gezichtje, de dunne als gepenseelde lippen, die de goed onderhouden tanden zoo op het voordeeligst deden uitkomen.

Kitty,onzeJoconde, met hare slanke, mooi gevormde handen, en door ieder bewonderde lange kastanjebruine haren.

Kitty was van zooveel edeler ras dan wij. Zoo gracieus van houding en in manieren.

Hoe bekoorlijk trof ons haar teer gestel, haar zachte, vleiende stem.

„Dank je vriendelijk, Eetje”—smeekte ze haast om vergiffenis voor hare weigering—een pepermuntje wasveelte scherp voor haar keel. Een ander maal: „O, neen Bets, ik kan heusch geen koekjes verdragen, mijn maag is er dadelijk door van streek, dank je hartelijk schat!”

Kitty was en had alles bijzonder.

Ze was een Amerikaansche van geboorte. De ouders hadden met het kind in vele landen gezworven, vandaar, dat Kitty nog op twaalfjarigen leeftijd, bij ons negenjarigen in de klas was geplaatst. De familie had zich een half jaar geleden, juist met het oog op het leeren van hun éénig kind, blijvend te Amsterdam gevestigd.

Kitty was lang niet dom.

Er was iets, dat wij kinderen wel vreemd vonden:

Ze was volstrekt niet de uitverkorene van onze klasse-onderwijzeres,onzebetooverende Kitty.

Kinderen gissen niet, stellen vast zonder bewijsgronden.

De juffrouw is jaloersch op Kitty's bekoorlijke verschijning, was ons aller opinie.

Op een middag, we waren in het koffiehalfuurtje juist zoo gezellig in gesprek met den hoofdonderwijzer—die nu eens hier, dan daar een kijkje ging nemen—kwam Lena, een van onze vriendinnetjes heel opgewonden, schreiende binnenstormen.

Ze vertelde, dat ze, zich even was gaan overtuigen of haar beursje met geld nog in haar mantelzak zat—de kleeren hingen aan kapstokken in de gang—en dat ze haar beursje ledig gevonden had. „De gulden was er vast uit gestolen”, snikte ze hartstochtelijk.

Het kind was wanhopig.

Arme Lena, het dienstmeisje zou haar 's middags van school komen halen en samen zouden ze een flesch eau-de-cologne koopen voor Lena's Moeder, die den volgenden dag haar verjaardag zou vieren.

Het kind had maanden lang gespaard, om hare moeder bij die gelegenheid te kunnen verrassen.

Ons hoofd vroeg dadelijk, of er nog andere kinderen waren, die geld in den mantelzak hadden. De een had drie centen, een ander een kwartje, een derde 'n cent enz. enz.; de meesten echter hadden evenals Kitty, niets.

De hoofdonderwijzer kwam spoedig dood kalm terug: „Hier Lena, daar is het verloren schaap weêr,” zei hij tot het overgelukkige kind, terwijl hij haar den gulden overhandigde.

„Je moet verder maar eerst goed zoeken en je niet dadelijk zoo opwinden,” vermaande hij. „Je zou anders den gulden dadelijk gevonden hebben. Hij laghaastvoor het grijpen. Vermoedelijk heeft de werkvrouw, toen ze vanmorgen de kapstokken schoonmaakte,en ze den mantel verhing, het beursje uit den mantelzak laten vallen. Ze zal niet bemerkt hebben, dat het was opengegaan en dat de gulden er uit gerold is.”

Argeloos namen we dit allen voor goede munt aan.

Tien jaar later,—ik zat juist met Vader in de huiskamer, beiden verdiept in de courant,—las ik verbaasd, de volgende advertentie luid voor:

„Gelieve mijn huisvrouw Kitty .... geen geld of goederen af te geven, daar deze niet door mij zullen worden gehonoreerd.”N.N.

„Gelieve mijn huisvrouw Kitty .... geen geld of goederen af te geven, daar deze niet door mij zullen worden gehonoreerd.”N.N.

Ikkonhet haast niet gelooven, onze heilige, edele, poëtische Kitty!

Vader—haar dokter—vertelde me toen eerst, dat de hoofdonderwijzer dien bewusten middag den gulden bij Kitty in den mantelzak had gevonden.

De ouders hebben daarna mèt den onderwijzer veel moeite gedaan om het kind tot beter gedrag op te voeden. Voorloopig was hun dat wel gelukt. Maar later was de oude praalzucht, die Kitty reeds vroeg tot oneerlijkheid had gedreven, weer boven gekomen. Ze leidde een slecht leven.

Kitty is na het gebeurde nog twee jaar met ons samen op school gegaan. Niemand van haar klasgenooten had iets van haar vergrijp gemerkt. Ze was dezelfde beminde, onfeilbare Kitty voor ons gebleven. De onderwijzer had dien middag, toen hij met den gulden terugkwam, niet naar Kitty gekeken, door niets onze aandacht op Kitty gevestigd. Indien het meisje zich later verbeterd zou hebben, dan zou haar vroeger leelijk gedrag, door onze onbekendheid daarmede, voor goed uitgewischt zijn.

Was dat niet zeer juist gehandeld van onzen goeden „Paedagoog”?

MevrouwX. was 's middags even bij ons ingeloopen om te informeeren naar de verschillende zieken. Juist kwamen de kinderen van school, ze liepen op de teenen, fluisterend, de woonkamer binnen, begroetten me op hunne eigen hartelijke wijze en vroegen dadelijk, of ik me nu wat prettiger voelde dan vanmorgen. „U ziet toch nog heel bleek”, oordeelde de oudste kleuter meêwarig.

MevrouwX. was 's middags even bij ons ingeloopen om te informeeren naar de verschillende zieken. Juist kwamen de kinderen van school, ze liepen op de teenen, fluisterend, de woonkamer binnen, begroetten me op hunne eigen hartelijke wijze en vroegen dadelijk, of ik me nu wat prettiger voelde dan vanmorgen. „U ziet toch nog heel bleek”, oordeelde de oudste kleuter meêwarig.

Daarna beloofden ze ongevraagd, zich frisch op te knappen en gingen meteen naar boven. Hun voorbeeldig gedrag had Mevr. X. ten zeerste getroffen.

Ze beklaagde zich er over, dat haar kinderen, wanneer ze ongesteld en tegen de vele moeilijkheden minder opgewassen is, lastiger zijn dan ooit.

„Toch heb ik ook een moeilijken morgen met hen doorgebracht. Denkt u één oogenblik in, met vrij erge hoofdpijn om half zeven 's morgens te staan voor een doktersgezin, bestaande uit een zieke moeder met haar jong geboren kindje, vier schoolgaande kleuters van zes tot tien, een bijzonder hulpbehoevend meisje van vier jaar, een kinderjuffrouw aan influenza lijdende te bed en het pas ontvangen bericht, dat de werkvrouw en het dagmeisje, beiden door ongesteldheid verhinderd zijn te komen helpen.”

„Het is om wanhopig te worden”, besliste Mevr. X. na mijn benauwende opsomming.

„Dat werd ik nu juist niet. Uwe reactie daartegen is de meestal onbewuste fout, die vele moeders, opvoedsters(ders) begaan”.

„Maar mijn humeur is bij de minste ongesteldheidvan streek en dat werkt natuurlijk terug op de kinderen”, verontschuldigde ze zich.

Ik zie daar het natuurlijke allerminst van in. Het is wel waar, men kan de geestelijke reactie op het lichamelijk onwel bevinden niet keeren, maar men kan en moet wel degelijk zijn stemmingen tegenover anderen beheerschen, onder elken tegenslag. Dat is de opvoedster(der) verplicht tegenover het kind, dat nog minder dan de volwassene het grillig humeur verdraagt van anderen, omdat het niet in staat is rekening te houden met verontschuldigende overwegingen. We mogen van onze kinderen geen overmatige inschikkelijkheden eischen. We moeten er tegen waken—de Franschman drukt het zoo aardig uit, de faire sortir notre âme de son assiette—onze ziel te verliezen, door te beletten, dat het ongeduld tegenover onze kinderen ons onder welke omstandigheid ook, ontsnapt.

Dat geduld is een weinig algemeene deugd.

Het is even moeielijk als noodig voor de opvoedster(der) zich daarin te oefenen.

Slechts door onveranderlijkheid van humeur onder moeilijke omstandigheden te doen blijken, zullen we de vrijwillige medewerking van het kind oproepen. Door humeurig en lastig te zijn bewerken we het tegendeel, maken we het ons en den kinderen des te moeilijker.

De opvoeder(ster) die gewaarschuwd is, zal, ik ben er van overtuigd, met de kracht der liefde voor haar kinderen daartegen strijden.

Ikliet den vierjarigen Wim even in de achterkamer van de woonsuite alleen, om in de voorkamer den pianostemmer eenige inlichtingen te geven. Wim wist niet, dat ik hem in het oog hield. Even te voren had het dienstmeisje een mandje met appelen binnengebracht. Wim had me een gevraagd. Ik had hem gezegd, dat Moeder wilde, dat de appelen bewaard bleven.

Ikliet den vierjarigen Wim even in de achterkamer van de woonsuite alleen, om in de voorkamer den pianostemmer eenige inlichtingen te geven. Wim wist niet, dat ik hem in het oog hield. Even te voren had het dienstmeisje een mandje met appelen binnengebracht. Wim had me een gevraagd. Ik had hem gezegd, dat Moeder wilde, dat de appelen bewaard bleven.

Nauwelijks was ik de kamer uit of Wim sloop naar het mandje, nam een hap uit een appel en verborg den appel daarna netjes onder de andere. Een poosje later, het verteluurtje van elken morgen, kwam Wim als gewoonlijk op mijn schoot zitten. Hij sloeg zijn armpjes knusjes om mijn hals, om als het ware, het verhaaltje uit mijn oogen te lezen. Ik was kort geleden begonnen met hem fabels te vertellen. Hij vond het heerlijk. Vaak improviseerde ik er een in verband met iets, dat met Wim was voorgevallen. Zoo ook nu.

Meer beducht voor critiek dan bij Wim, zal ik hier den inhoud van de fabel, die Wim te hooren kreeg, slechts in proza laten volgen.

Ik vertelde hem van een vierjarig berenzoontje, dat zoo flink was, dat hij, wanneer Moeder Berin boodschappen deed, op zich zelf en op alles kon passen.Berenzoontjezorgde er wel voor, dat de hond niet van het vleesch, de poes niet van de melk en het zusje niet van de appelen snoepte, (Wims oogen sloegen neder) Moeder en Vader hielden heel veel van het berenzoontje, omdat hij een brave flinke jongen was, waar ze zoo goed op konden vertrouwen.

Het berenzoontje ....

Verder liet Wim me niet gaan. Onder tranen kwam reeds de bekentenis.

Hij smeekte me het gebeurde nooit aan een ander te vertellen. Hij had nu zoo goed gevoeld, hoe slecht hij zich gedragen had.

Hij wilde flink en braaf worden als het berenzoontje. Onder die belofte, legde ik een gaven appel in de plaats.

Men leze de goede fabel op elken leeftijd. Ze verschaft altijd genot, doch verschillend. Bovendien lijkt ze mij voor het kind nuttig. Het is zelden, zooals bij Wim, de zedeles, die het kind treft, noch het voorbeeld tot navolging, maar het kind stelt belang in de eigenschappen en de karakters der dieren. De kinderen herkennen daarin de zeden van den hond, dien ze liefhebben, van de kat, die ze verkeerd waardeeren, van de muis waar ze bang voor zijn, van de geheele dierenwereld, waarin ze zich meer amuseeren dan op school.

Ze vinden er den wolf, die de ondeugende kinderen bedreigt, den vos, die om het kippenhok sluipt, den leeuw, wiens moed geprezen wordt. Ze genieten buitengewoon van de toestanden waarin deze dieren optreden. Ze trekken partij voor den zwakke tegen den sterke, voor den bescheidene tegen den trotsche, voor den onschuldige tegen den schuldige. Een eerste besef van rechtvaardigheid wordt hen onbewust bijgebracht. De begaafden voor wie men niets ongestraft zegt, gaan nog verder. Ze maken vergelijkingen tusschen de karakters der menschen en dieren. Er zijn zelfs kinderen, die meenen, dat sommige fabels in hun ouderlijk huis zijn afgespeeld.

De zin tot vergelijken vormt zich onmerkbaar in hun hersenen. Ze leeren in de fabel hun eigen verworven indrukken kennen, hunne herinneringen ophalen. Wanneer ze levendig geschilderd zijn, oefenenze zich levendig te voelen. Ze gaan beter rondzien en met meer belangstelling dan vroeger.

Al deze te bewijzen voordeelen, meen ik voldoende te vinden, om de goed gekozen fabel en het juiste sprookje voor het kind te mogen aanbevelen.

Naschrift. Met groot genoegen plaats en onderschrijf ik deze aanprijzing van de fabel. Ik heb het altijd een der aantrekkelijkste zijden der duitsche opvoeding gevonden, waarmede ik, gelijk mijn lezers weten, waarlijk niet zonder voorbehoud dweep, dat de fabel daar, in gezin, school en onderwijs, een zoo belangrijk geëerde en vaste plaats inneemt. Het is wel aardig hiernaast te leggen de echte spijkers-op-laag-water-zoekende critiek, die Rousseau in den Emile, boek III, op Lafontaine uitoefent, daarbij opzettelijk vergetende, dat als men fabels uit een paedagogisch oogpunt uitzoekt of maakt, men natuurlijk anders te werk gaat als die looze verteller La Fontaine.

Overigens is bovenstaand schetsje, waarop de schrijfster ons reeds vroeger gewezen heeft[3], een voortreffelijk staaltje van de goede manier om kinderen indirecte zedelessen uit te deelen door verhalenomtrent anderen, die wel op hen toepasselijk zijn, maar zonder dat wij eenigszins laten merken, datwijdie toepasselijkheid weten, en nog veel minder, dat wij daarvoor gezorgd hebben.

Welogeerden eenige zomers na elkaâr in hetzelfde hotel. Lien en ik.

Welogeerden eenige zomers na elkaâr in hetzelfde hotel. Lien en ik.

Als gevolg daarvan moest ik den St. Nicolaastijd bij mijn vriendinnetje doorbrengen.

Ik verwerkte dan haar heele verlanglijst, die quantitatief enorm, maar qualitatief heel gemakkelijk te vervullen was.

Lien is een kleine vleister. Ze maakt het somstebont. Het ontaardt dan tot een onoprechtheid, die zeer onaangenaam aandoet en nog tot mindere karaktertrekken kan leiden.

Ze is reeds tien jaar. Lien is overigens een leuke guit. Weken voor St. Nicolaas hebben we het beiden altijd heel druk.

De vooruitzichten tot de feestviering waren het eerste oorlogsjaar echter niet gunstig. De prijzen stegen enorm, zelfs van kleinigheden. Daarom waarschuwde ik Lien, dit jaar er niet zooveel voor te kunnen doen als andere jaren.

„O, dat hindert niets, dan geeft u mij maar één cadeautje of niets.”

„Nu, één cadeautje wil ik wel vast beloven. Maak dan maar een lijstje van boeken. Ik kan er dan wel een uit kiezen. Vallen de omstandigheden mede, dan krijg je er wel een chocoladeletter bij.”

„Heerlijk!” Zij sprong in de hoogte.

Hoe meer ik het betreurde haar niet zóó te kunnen verrassen, hoe opgewekter Lien bij de mededeeling werd. Ze liet echter geen dag voorbij gaan of ze noemde iets, dat ze zooheelgraag gehad zou hebben, als die nare oorlog niet was gekomen.

Eenige dagen voor strooiavond kwam Lien uit school vroolijk bij mij binnen springen, uitroepende: „De andere kinderen op school vieren gewoon St. Nicolaas als vroeger.”

Met een ernst, waaraan niet te twijfelen viel, zei ik: „Jijbent een verstandig meisje. Je hebt het goed gevonden, dit jaar enkel een boek te krijgen. Een volgend jaar dan dubbel, hè Lien?”

Dikke tranen rolden eensklaps over haar wangen.

„Wat is er Lien? Je doet me schrikken!”

„Ik heb het nietechtgemeend”, snikte ze, „en heb het daarom maar goed gevonden.”

„Dat is heel erg jammer. Die teleurstelling heb je je zelf te wijten. Ik kan nu niets meer verzorgen. Misschien kan mijn zuster nog wat lekkers uit Amsterdam sturen. Ik zal het haar schrijven. Breng den brief dan maar dadelijk op de post.” (Hij bevatte heel andere berichten.)

Ze vloog er mede weg.

(Ik deed dit, om het kind eenigszins uit haar waarlijk diep droevige stemming te halen.)

St. Nicolaas ontving ze haar geheele mondeling opgestelde lijst.

Lien was nu nog dankbaarder, nog meer verrast, nog gelukkiger bij elk pakje, dat ze ontvouwde. Bij de apothéose, het hoofdcadeau pakte ze me hartelijk en zei: „Het ware zulke nare dagen, de laatste, maar ik heb de straf wel verdiend. Ik zal voortaan oprecht zijn.”

Lien heeft woord gehouden.

Ze is nu werkelijk een allerliefst meisje geworden.

Liesis een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.

Liesis een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.

Ze is het jongste van de drie kleine meisjes in het gezin, kinderen van tien, negen en twee en een half jaar oud. Moeder zegt, dat ze met de oudste kinderen nooit eenige moeite heeft gehad, met Lies des te meer.

Het geval interesseert me.

„Lies lijkt me toch een aardig meisje, echt beminnelijk.”

„Dat is ze ook, maar of het uit haar aard voortkomt of dat het langzamerhand een gewoonte is geworden, ik weet het niet. Wanneer haar stemming door 't een of ander maar even verstoord wordt, begint ze te huilen en blijft daarna uren lang drenzen. We staan daar machteloos tegenover. Alles hebben we geprobeerd. Door hardheid raakt ze angstwekkend overstuur. Zachtheid helpt evenmin. Ze wordt steeds moeilijker op dit punt”.

„Toe, gaat u eens in de vacantie met de kinderen meê uit. U zult het ondervinden”.

Gaarne aanvaard ik de invitatie, om te trachten het drensprobleem op te lossen.

Het was een schoone Juli-morgen, toen we om negen uur op stap gingen, beladen met alles wat kinderharte-wenschen in vervulling kan brengen. Nog wel naar een speeltuin, waarachter een groot weiland. Een eind buiten de stad zijnde, stevenden we arm in arm, vroolijk zingende op ons doel aan. Op eens, wee ons, bemerkt de kleine Lies, dat haar poppenkind eenschoentje heeft verloren. Angst op aller gelaat.

—Het spreekt van zelf, dat ik niet ingreep. Ik wilde eerst de familie in actie zien.—

Als gefascineerd door het uitbundig geschrei van Liesje, gaan allen aan het zoeken. De zusjes loopen een heel eind terug. Het is vergeefsch. Het schoentje wordt verloren verklaard. Daarna vangt Liesje aan met het waarlijk ondraaglijke drenzen.

„Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe.”

„Je moogtmijnpop hebben als we thuis komen”, aldus het zachte oudste zusje.

„Moeder zal net zoo een paar nieuwe schoentjes morgen voor Liesje's pop koopen”, tracht Moeder te kalmeeren.

„Er is zooveel ander leuk speelgoed in den tuin,” troost het tweede meisje.

Niets, niets brengt maar eenige verandering.

Liesje blijft onbedaarlijk drenzen. Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe......

Na een kwartier landden we bij de uitspanning. Zoodra we aan een tafeltje zitten om de lunch voor te bereiden, gaat Liesje vlak voor ons in het gras liggen...... drenzen. „Ehe...... èhe...... het schoentje.”

De een brengt haar chocolade. De ander suikertjes. Moeder zoete woordjes. Ze neemt alles aan en in zich op, maar...... blijft drenzen.

Liesje wordt in haar idealen bakschommel gezet en er weer drenzend uitgedragen. Naar de caroussel gebracht en er weer drenzend vandaan gehaald.

Moeder zegt, dat ze een voorbeeld aan de andere kinderen moet nemen, die zoo lief zijn. Dat ondervindt ze, maar zelf blijkt ze er geen trek in te hebben.

Ze blijft liggen drenzen. Ehe...... éhe...... het schoentje......

Nu weet ik er genoeg van. Heel kalm sta ik op, en ga even kalm naar Lies. Ik zet haar overeind, leg haar pop in haar rechterarm, neem haar linkerhandjeen breng haar een heel eind verder. Ze was te overmand om tot het besef van verweer te komen. Ik leg haar meteen achter de gelagkamer in het gras. Ze kon ons van daar niet zien zitten. Ik zeg op deelnemenden toon: „ik vind het heel erg naar, dat je zoo'n verdriet hebt Lies. We kunnen je vandaag het schoentje niet weergeven. Wanneer je weer vroolijk bent, kom dan maar weêr bij ons terug.”

Lies was overbluft, door zulk een onverwachten tegenstand. Ze was aan zulk een wijze van behandelen niet gewend. Ze verroerde zich niet, zei niets tegen. Bij het heengaan knikte ik haar goedig vriendelijk toe. Het kind wist niet, dat ik haar uit de gelagkamer kon waarnemen en zoo noodig haar dadelijk kon bereiken. Na tien minuten scheen ze van den schrik bekomen te zijn. Daarna zette ze haar ondeugende stemming van verdriet in vermaak om. Niemand troostte haar meer of nam nog eenige notitie van haar. De grootste prikkel tot het drenzen was weg. Ze was om te stelen.

Ondeugendheid werkt zoo sympathisch. Ze is voor een flinken opvoeder een kracht, omallesvoor het moeielijke kind te willen doen, zijn zware taak te verlichten. Helaas, dat diezelfde kracht bij de zwakke moeder tot verwennen leidt.

Lies doet haar eigen laag schoentje uit en bindt het met haar haarlintje om het ontbloote voetje van de pop. Daarna gaat ze hinkepinken in het grasveld en laat haar popje deftig naast haar wandelen. Alles met een triomfantelijk gezicht. Ze heeft haar zin. Popje heeft twee schoentjes aan. Haar vroolijkheid, mede tengevolge van de heerlijke opwekkende landelijke omgeving stijgt ten top. Ze gaat grasbloempjes plukken, tooit haar pop en zichzelve er mede. Ik had moeite niet op haar toe te loopen en haar in mijn armen te troetelen, die kleine zomerfee.

Na een kwartiertje schijnt ze honger te krijgen.Ze begint haar popje te voeren. Telkens loopt ze naar het einde van de gelagkamer, waar ze om een hoekje het gezelschap kan zien zitten.

Nu ga ik naar haar toe.

„Zoo, je kijkt weer vroolijk! Nu gaan we een boterham eten en gezellig samen spelen.”

Ik maakte haar haren weer in orde en trok Liesje het schoentje weer aan, uit vrees voor een spontane verheerlijking van Moeder en de zusjes, die weer heel wat had kunnen bederven.

We bleven tot 's middags zes uur in den tuin, zonder eenig drensincident meer te beleven.

Op weg naar huis riepen de oudste meisjes enthousiast: „Moeder zulk een heerlijk dagje hebben we met Lies buiten nog nooit gehad.”

Lies liet zich gedurende de terugreis het plaatsje aan mijn hand niet ontnemen.

Zoo trok ik nog vele vacantiedagen met het gezelschapje de stad uit.

Moeder verklaarde me: wanneer Lies nog eens een enkelen keer dreigde in haar oude kwaal te vervallen, heb ik maar te vragen: „zal ik het Juffr. E. schrijven?” om het kind tot de orde te roepen.

Niet er op rekenen, zooals de moeder hoopte, dat ze, als ze ouder werd, wel anders zal worden, maar zorgen, dat ze ouder geworden, veranderd is. Daarheen moeten we het toch bij het opvoeden leiden.

Naschrift. Het voorvalletje toont duidelijk, hoe verkeerd het zoogenaamde „afleiden” is. In heel enkele gevallen, bij heel kleine kinderen, en als hoog uitzonderingsgeval, kan het er mee door, soms zelfs een redmiddel zijn, maar als 't zóó dikwijls aangewend wordt, dat het kind het merkt—en dat iszeerspoedig het geval—dan is het spel verloren. Het behoort tot een genre maatregelen, die ik als „omkoopings-paedagogiek” pleeg te karakteriseeren: deze nuis het ware middel om bedorven kinderen te kweeken. Daarentegen is overbluffen, door het kind plotseling te stellen voor de natuurlijke, maar ongewenschte consequenties van zijn gedrag, een uitstekend middel. Slechts vergete men nooit, dat er in de opvoeding geen middelen zijn, die altijd en overal helpen.

Overigens herinnert dit schetsje mij zoo levendig aan de wijze waarop Rousseau den verwenden en onhandelbaren jongen Chenonceaux tot rede bracht, dat ik mij voorgenomen heb dat aardige verhaal eerlang voor ons blad te vertalen.

DriejarigeHan is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hijmaaktplannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.

DriejarigeHan is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hijmaaktplannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.

Hij zit bijv. een half uur rustig bij je op den grond met zijn auto te spelen. Opeens krijgt hij den inval dat zijn machine over een berg moet, en dan is de mooiste bibelot op de naastbijzijnde console niet meer veilig voor hem.

Men vindt hem een lastigen jongen.

Ik meen, dat hij alle qualiteiten bezit, om een practisch degelijk mensch te worden. Iemand met moed, ijver en doorzettingsvermogen.

Zijn onbesuisdheid vind ik op dien leeftijd natuurlijk, vooral voor een kind van zijn aanleg. Als elk kind onderzoekt Han alles wat hij in handen krijgt, maar met nog meer durf om het uit elkaar te halen.

Geen enkele spoortrein, overigens zijn lievelingsspeelgoed, houdt het langer dan hoogstens vier dagen bij hem uit, 't zij hij van hout, van blik of van ijzer gemaakt is.

Een uitkomst. Perry kondigt als reclame, den zwaren onbreekbaren spoortrein aan. Gegarandeerd. Hij is wel kostbaar, maar moeder schaft er toch een aan. Ze redeneert: duurkoop, goedkoop.

Han bevestigt den regel door de uitzondering. Na twee dagen hebben de spiegel en het behang het reeds moeten ontgelden. En uit gegronde vrees voor de kleine zusjes laat moeder de „tank” verwijderen.

Eenig beeld van mijn neef Han, zult u hoop ik wel gekregen hebben. Han en ik zijn hartsvrienden.

Zijn vader moet er eens uit. Dokter heeft een drukke influenzapraktijk achter den rug. Het ouderpaar besluit tot een vierweeksch reisje naar Zwitserland. Juf en de twee kleine meisjes worden bij grootvader gestald, zooals grootvader het betitelde. Ik krijg het vereerend verzoek, zoolang de ouderlijke plichten bij Han waar te nemen. Verschillende moeders hebben hem liever niet. Vader heeft mij als medicus zoo vaak uit den nood geholpen; dat ik me gaarne bereid verklaar.

Zijn oom Jan, van moeders zijde, een nog jonge man, houdt dol veel van den kleinen woesteling. Hij snoeft er niet weinig op, dat hij zoo goed met het vrindje kan omgaan. Hij verwent hem echter onzinnig. Dat moet spaak loopen. Uren mag hij bij hem op zijn kantoor komen spelen. Han vindt daar alles van zijn gading. Klosjes, pennetjes, gespen, knoopjes, kistjes enz. enz. Hij heeft daar ook zijn volledig ingericht magazijn. Oom vraagt me, of ik tijdens de afwezigheid van de ouders 's morgens maar dikwijls met hem op 't kantoor wil komen spelen. Hij is toch meest in zijn particulier kantoor.

Den eersten morgen dwingt Han reeds om er heen te gaan. Hij is al gauw geïnstalleerd. Bedrijvig loopt hij in zijn speelhoek heen en weer, terwijl oom mij een geheel nieuwe machine, zoo juist aangekomen, verklaart.

Drie, viermaal wordt onderwijl kort na elkaâr van de fabriek boven, door de spreekbuis gefloten.

„Ja, als het goed maar om tien uur beneden is om ingepakt te worden”. Een ander maal „driehonderd leesten tegelijk”. Zoo wisselen de antwoorden af.

Opeens loopt Han naar de buis. Een noodgefluit blaast hij. De meesterknecht komt aangesneld en krijgt natuurlijk een verward antwoord op zijn vraag„en wie”. „Dertien leest gauw ja!” Han doet de fluit er weer op. Even later informeert de meesterknecht wat dat beteekent. Oom antwoordt lachend „een opdracht van onzen driejarigen bezoeker”. Meteen verbiedt hij Han, weer te fluiten. Han zwijgt: in gedachten verzonken keert hij naar zijn magazijn terug.

Een paar minuten later, hetzelfde tooneeltje.

De meesterknecht verzoekt nu dringend er voor te zorgen, dat het kind het fluiten laat. Het stoort hem in zijn werk. Oom, reeds eenigszins opgewonden, zegt Han, dat hij niet meer naar de spreekbuis mag gaan.

Haast op hetzelfde oogenblik holt Han opnieuw naar de fluit, maar voordat hij ze te pakken heeft, loopt Oom driftig op hem toe en geeft hem een flinken klap in het gezicht.

Ik weet niet wie meer verontwaardigd was, Han of ik. Hij trapte, beet. Ik riep hem dadelijk tot me, nam het schreiende kind in mijn armen. Daarna bracht ik hem gauw tot kalmte.

„Maar ventje”, berisp ik nu, „Oom had toch gezegd dat je niet meer fluiten mocht.”

„Maar, maar,” snikt hij nog, „ikhebniet gefloten.”

„Jehebtniet gefloten?”

„Nee......e, ik was toch immersOom, ik speelde toch magazijntje!”

Oom heeft diep berouw over zijn onrechtvaardig ingrijpen. Hij heeft het kind hartelijk lief. Hij wil hem met weldaden overladen om zijn fout weêr goed te maken.

Han wil niets meer van hem weten.

Het kind wilde niet langer blijven en was ook later niet meer te bewegen er heen te gaan.

Han bleef Oom haten[4].

Deze had de liefde van het kind verspeeld.


Back to IndexNext